Arbeid & Organisatie Home Contact Zoek
Universiteit van Amsterdam
Maatschappij- en Gedragswetenschappen
Afdeling Sociologie

Wat is een arbeidsmarkt?

Albert Benschop

  1. Een kwestie van definitie
    1.1 Is het een 'plaats'?
    1.2 Wordt er 'arbeid' geruild?
    1.3 Is het een 'markt'?
    1.4 Is het een broederlijke 'ontmoeting'?
  2. Functies van de arbeidsmarkt
  3. Produktie, ruil en gebruik van arbeidsvermogen
  4. Theoretische visies op de arbeidsmarkt
    Literatuur
    Noten

uit:
Arbeidskrachten tussen markt & macht:
theorieën, empirische trends en beleidsscenario's
Amsterdam, sept 1996

1 Een kwestie van definitie

In de meeste leerboeken kan men lezen dat een arbeidsmarkt in de letterlijke zin van het woord een plaats is waar 'vragers naar arbeid' en 'aanbieders van arbeid' elkaar ontmoeten. Zo'n omschrijving roept meer problemen op dan zij verduidelijkt.

1.1 Is het een 'plaats'?

Ten eerste is de arbeidsmarkt een tamelijk abstracte markt, die niet te lokaliseren is, maar toch op de een of andere wijze wel in de samenleving functioneert.[1] Net als de goederenmarkt is de arbeidsmarkt een tamelijk losse aggregatie van een zeer groot aantal transacties.[2] De markt is dus veeleer een specifiek type sociale structuur: het is een sociale institutie welke ruil faciliteert [Burt 1988:6]. Bovendien is het onmogelijk om over de arbeidsmarkt in enkelvoud te spreken. De arbeidsmarkt is in werkelijkheid een aggregatie van diverse deelmarkten. Er is een algemene of externe arbeidsmarkt die de beroepsbevolking in z'n geheel omvat. Maar er zijn ook verschillende interne arbeidsmarkten: geografische markten (internationale, nationale, regionale, lokale, stedelijke of gettomarkten), bedrijfsdeelmarkten, beroepsdeelmarkten en bedrijfsinterne deelmarkten. Het zijn deelmarkten waarbinnen het marktmechanisme (gedeeltelijk) wel werkt, maar waartussen nauwelijks uitwisseling bestaat. Anders gezegd: de arbeidsmarkt is sterk gesegmenteerd.

Van alle markten thuis
Met het woord markt worden zeer uiteenlopende verschijnselen aangeduidt. Dit wordt ook geïllustreerd aan haar semantische geschiedenis. Het vroegste bekende woord voor markt is kárum, een Akkadiaans woord dat ook 'kade' betekent.[3] Andere termen voor markt zijn s&uq (Arabisch) agora (Grieks), bãzãr (Persisch), market (Engels), marché (Frans) en Markt (Duits) en mercato (Italiaans).

In het Engels werd de term markt waarschijnlijk in de twaalfde eeuw geïntroduceerd. Het is afgeleid van het Latijnse mercatus, dat 'handel' of 'plaats om te handelen' betekent. Het kreeg al snel drie verschillende betekenissen: (1) een fysieke marktplaats, (2) de bijeenkomst op zo'n marktplaats; en (3) het legale recht om een bijeenkomst op een marktplaats te houden. In de 16e eeuw werd het woord markt gebruikt in de betekenis van 'kopen en verkopen in het algemeen' en het ging als snel ook betekenen 'verkoop die door vraag en aanbod wordt bepaald'. In de 17e eeuw begon de term zich te verbreden en verweer ook naar het geografisch gebied waarin er vraag was voor een bepaald produkt. De 18e eeuwse aandelenmarkt werd steeds meer gezien als het prototype van de moderne markt. Economen hebben hieraan een eigen betekenis gegeven: de markt als een abstract prijsvormend mechanisme dat centraal is voor de allocatie van bronnen in een economie. Het woord markt heeft dus al langere tijd een ideologische lading. Dit kwam tot uitdrukking in de politieke slogan 'de magie van de markt' (Ronald Reagen). De geschiedenis van de markt als een ideologisch verschijnsel moet echter nog worden geschreven [Swedberg 1994:274]

1.2 Wordt er 'arbeid' geruild?

Ten tweede wordt er ten onrechte gesuggereerd dat er op een arbeidsmarkt 'arbeid' wordt geruild of verhandeld. Deze onder invloed van klassieke economische benaderingen ingeslepen uitdrukking miskent en verhult het cruciale feit dat op arbeidsmarkten geen 'arbeid' maar 'arbeidskracht' wordt geruild. Op de arbeidsmarkt doen werknemers de globale belofte om onder het gezag van de ondernemer te werken; ondernemers stellen in ruil hiervoor een monetaire beloning in het vooruitzicht.

"Wat de werkgever op de arbeidsmarkt verwerft, zijn niet zozeer concrete arbeidsprestaties, maar de (qua tijd en plaats begrensde) beschikking over het arbeidsvermogen van de betreffende werknemers" [Van Hoof 1987:16].

De transacties tussen arbeidskrachtbezitters en kapitaal zijn sociologisch en juridisch gezien geen koop- en verkooprelaties, maar verhuurrelaties. Het zijn huurrelaties omdat zij in tegenstelling tot koopcontracten in tijd beperkt zijn en geen definitieve overdracht van beschikkingsmacht impliceren, en omdat zij de overdracht van beschikkingsmacht zelf differentiëren en limiteren.

Klassieke, onvolledige en relationele contracten
  1. In het ideaaltypische, klassieke marktcontract doet een onderneming of een persoon een aanbod dat door een willekeurige ander wordt geaccepteerd. Een aanbod en een acceptatie scheppen juridische verplichtingen, ongeacht of er een schriftelijk contract wordt getekend of niet. De prestatie die de aanbiedende partij belooft te verrichten, worden duidelijk gespecificeerd en de tegenprestaties die in ruil daarvoor worden gevraagd worden duidelijk omschreven, ook al kunnen deze impliciet zijn. Bij de klassieke marktruil wordt een produkt aan iedereen zonder restricties verkocht tegen een uniforme prijs. Dit soort transacties vinden plaats binnen markten waar "gezichtsloze kopers en verkopers elkaar een ogenblik ontmoeten om gestandaardiseerde goederen tegen evenwichtsprijzen te verkopen" [Ben-Porath 1980:4].

    Een groenteboer die een bord met "10 sinaasappels voor € 5,-" voor zijn winkel hangt, doet een aanbod. Wanneer men de sinaasappels pakt en naar de kassa gaat om te betalen, is dat een acceptatie, er wordt een contract gesloten. Dit contract wordt bijna nooit opgeschreven, hoogstens in de vorm van een betalingsbewijs (kassabon). De sinaasappels worden gespecificeerd doordat ze staan uitgestald; de prestatie van de koper krijgt een betekenis die gedefinieerd wordt door wettelijke regelingen m.b.t. het doen van offertes en het heffen van verkoopbelasting (BTW) en door het zetten van een handtekening. De juridische verplichtingen omvatten de verplichting van de winkelier om de klant de sinaasappels te laten meenemen en de verplichting van de klant om te betalen en zijn sinaasappels mee te nemen.

    De klassieke contractwet gaat uit van vier vooronderstellingen:

    1. de identiteit van de contracterende partijen is irrelevant;
    2. de aard van de overeenkomst en de te leveren prestaties worden nauwkeurig afgebakend;
    3. remedies worden nauwkeurig voorgeschreven zodat bij eventuele problemen de consequenties vanaf het begin voorspelbaar zijn;
    4. de interventie van een derde partij wordt ontmoedigd.

    In bepaalde omstandigheden is het echter moeilijk, oneconomisch of onmogelijk om de vereiste prestaties te specificeren op het moment dat het contract wordt getekend.

    1. Er kan informationele onzekerheid zijn van de kant van de koper (vraagonzekerheid). In sommige gevallen is het niet goed mogelijk om precies de specificaties te voorspellen die de klant wil maken ten aanzien van de prestaties van de contractant.
    2. Er kan ook onzekerheid zijn van de kant van de aanbieder (aanbodonzekerheid). De klant of contractant weet van te voren niet zeker wat de kosten zullen zijn van het uitvoeren van de prestaties. Hieruit vloeit de wens voort om gedurende de contractperiode strategische aanpassingen aan te brengen in prestaties of in de beloning.
    3. Er kunnen problemen zijn met de meting van de output of van de te leveren waren (onzekerheid van bronkwaliteit). Soms is het niet goed mogelijk om de gevraagde prestaties duidelijk (met objectieve maatstaven) te meten; daarom is het moeilijk of praktisch onmogelijk de voorwaarden te bepalen waaronder de beloning voor een specifieke kwaliteit kan variëren.

  2. In al deze gevallen is er sprake van onvolledige contracten. Wanneer de menselijke rationaliteit niet beperkt zou zijn, zouden er ook geen onvolledige contracten meer bestaan.[4] In een dergelijke situatie zou de neiging tot opportunistisch gedrag ook geen enkele rol meer spelen. Onvolledige overeenkomsten leiden altijd tot een bilaterale afhankelijkheid, vooral wanneer er een niet-triviale mate van bronspecificiteit bestaat. Het cruciale contractuele thema is: hoe kan men aanpassingen aan veranderende omstandigheden beïnvloeden wanneer onzekerheid een sleutelverschijnsel is [Williamson 1990:15].[5] In de neo-klassieke contractwet wordt erkend dat de wereld complex is, dat veel overeenkomsten onvolledig zijn en dat sommige contracten nooit tot stand zouden komen tenzij beide contractpartijen vertrouwen hebben in de conflictregelingen. De verhoudingen tussen klassieke, neo-klassieke en relationele contracten en hun wettelijke regelingen worden uitvoerig geanalyseerd door Macneil [1974]. Williamson [1985: hft. 3] refereert sterk aan deze analyse.

    Bij de analyse van economische organisaties vanuit het standpunt van onvolledige contracten worden regelingen getroffen voor zowel ex ante prikkelverbinding (van een onvolledig soort) als voor ex post beheer (om aanpassingen mogelijk te maken).[6] Ook deze benadering heeft echter zijn beperkingen. "The distinction between prospective changes and retrospective changes is pertinent" [Williamson 1990:16]. Partijen die een overeenkomst voor de toekomst sluiten, zijn hoofdzakelijk op zoek naar meer efficiency, en niet zozeer met een strijd om de verdeling van de gemeenschappelijke opbrengsten. Maar wanneer overeenkomsten eenmaal zijn gesloten, worden redistributieve doelen belangrijker, vooral wanneer 'de politiek' zich met het proces gaat bemoeien.

  3. Relationele contracten. De druk om duurzame relaties aan te gaan en de toenemende complexiteit van contracten leidden tot een vervanging van de neo-klassieke contractuele benadering en tot aanpassingsprocessen van meer grondige transactiespecifieke en continue aard. De fictie van de handelingsautonomie wordt volledig vervangen wanneer een relatie de eigenschappen aanneemt van een 'minimaatschappij met een uitgebreide serie normen die verder gaan dan die gecentreerd zijn op de directe ruilprocessen [Macneil 1978:901]. In de neoklassieke benadering blijft de oorspronkelijke overeenkomst het referentiepunt voor het effectueren van aanpassingen. In een relationele benadering is het referentiepunt het geheel van de relatie zoals deze zich op in de loop der tijd heeft ontwikkeld. Dit kan een 'oorspronkelijke overeenkomst' impliceren, maar dit is niet noodzakelijk [idem: 890].

  1. Niet de 'arbeid' of de concrete arbeidsprestaties worden op de arbeidsmarkt geruild, maar het arbeidsvermogen (de potentie tot het verrichten van arbeid). Wanneer een kapitalistische ondernemer een loonarbeider aanstelt dan koopt hij de beschikking over zijn arbeidsvermogen, d.w.z. hij verwerft voor een bepaalde periode het commando over deze arbeider.[7] Het management van een onderneming moet er steeds opnieuwe voor zorgen dat het arbeidsvermogen waarover men per contract de beschikking heeft gekregen ook daadwerkelijk in de gewenste arbeidsprestaties wordt omgezet en dat het mogelijke verzet van werknemers tegen hun ondergeschikte positie voorkomen wordt. Het management moet de arbeidsinzet gaan beheersen, het tijdstip en de wijze en de intensiteit van de arbeid bepalen. Zij moet leiding geven (specificatie van wat gedaan moet worden, in welke volgorde, met welke mate van precisie en in welke zijn), zij moet evalueren (individuele en groepesprestaties vaststellen en beoordelen) en zij moet disciplineren (toepassen van positieve en negatieve sancties om medewerking van arbieders te verkrijgen).[8] Ondanks de contractuele vorm moet de loonarbeider dus in een gezagsverhouding treden.[9] Gedurende zijn gehele arbeidstijd staat de loonarbeider - wat hij ook doet - onder het gezag van de ondernemer of kapitalist.

  2. De ondernemers verwerft beschikkingsmacht over het arbeidsvermogen van de betreffende loonarbeiders. In een 'contractmaatschappij' worden de traditionele persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen teruggedrongen en ontstaat een nieuw type formele persoonlijke vrijheid op basis van zakelijke afhankelijkheidsverhoudingen. Dit betekent echter niet zonder meer dat de individuele vrijheid groter wordt. De formele mogelijkheden zijn immers niet voor iedereen feitelijk toegankelijk. Dit wordt volgens Weber vooral verhinderd door de differentiatie van de feitelijke bezitsverdeling welke door het recht wordt gegarandeerd.

      "Een arbeider heeft het formele recht om een arbeidscontract met een willekeurige inhoud met elke willekeurige ondernemer aan te gaan. Voor de werkzoekende betekent dit formele recht echter in de praktijk niet de minste vrijheid om zelf vorm te geven de arbeidsvoorwaarden en garandeert hem op zich ook geenszins enige invloed daarop. In eerste instantie volgt daaruit slechts de mogelijkheid voor degenen die op de markt machtiger zijn - in dit geval zijn dat normaliter de ondernemers - deze voorwaarden naar eigen goeddunken in te richten, ze de werkzoekenden aan te bieden en - omdat voor de werkzoekende de economische dwang van zijn arbeidsaanbod gemiddeld sterker is - deze op te leggen. Het resultaat van de contractuele vrijheid is dus in de eerste plaats dat de kans wordt geschapen om door handig gebruik van goederenbezit op de markt deze ongehinderd door wettelijke beperkingen te benutten als middel ter verkrijging van macht over anderen" [Weber WG: 439; vgl. ook p. 123,388].
  3. De beschikkingsmacht van ondernemers over vreemde arbeidskracht is in meerdere opzichten (sociaal, temporeel en lokaal) begrensd.[10] De rechten of bevoegdheden die een ondernemer verwerft zijn dus niet vollledig of absoluut, maar gedifferentieerd, gedelegeerd en gelimiteerd.
    • Gedifferentieerd
      De beschikkingsmacht over vreemde arbeidskrachten is gedifferentieerd omdat de werkenden beschikken over de eigen persoon (zij zijn formeel vrij en gelijk en leven niet in slavernij of in horige verhoudingen of in lijfeigenschap) en over de eigen arbeidskracht (maar niet over de benodigde materiële bronnen).[11] Daarom worden zij gedwongen het gebruiksrecht over de eigen arbeidskracht te verhuren aan feitelijke of juridische eigenaars van de vereiste materiële arbeidsvoorwaarden. In ruilrelaties die zij daarvoor in distributieprocessen aangaan, treden zij op als formeel vrije en gelijke individuen. In de directe arbeidsprocessen zelf fungeren zij echter als afhankelijke en ongelijke individuen: zij treden in ondergeschikte posities van gezagsrelaties.

    • Gedelegeerd
      In de formele beslissingshiërarchie bezetten loonarbeiders ondergeschikte posites en moet zij opdrachten uitvoeren en bevelen van superieuren gehoorzamen. De ondernemers kunnen hun dispositierecht over ingehuurde arbeidskrachten zelf uitoefenen of deze delegeren naar een bijzondere categorie van leidinggevende personeelsleden (managers, chefs, bazen).

    • Gelimiteerd
      Het dispositie- en gebruiksrecht van ondernemers over vreemde arbeidskracht wordt op verschillende manieren beperkt.
      • Formeel-juridisch wordt het gezag van de ondernemer slechts beperkt door het arbeidscontract en door het overheidswetten. In arbeidscontracten worden afspraken vastgelegd over (i) de gezagsverhouding, (ii) de vaste beloning, (iii) een vast omschreven arbeidstermijn en (iv) een verplichting tot arbeid of dienstverlening. In wettelijke regelingen worden de randvoorwaarden van arbeidscontracten vastgelegd, zoals bijv. de maximale werktijden (lengte van de arbeidsdag), de minimale vacantiedagen, de minimale beloning (minimumloon, uitkeringen), veiligheids- en gezondheidscondities, en de minimale inspraakrechten van werknemers.
      • De feitelijke limitatie van het gezag van de kapitalist is primair afhankelijk van de tegenmacht die zijn producenten weten te organiseren. Zowel de mate als de duur van beschikkingsmacht over vreemde arbeidskrachten zijn dus contractueel, wettelijk en feitelijke beperkt. De arbeidsmarkt wordt geïnstitutionaliseerd en gereproduceerd door wettelijke en contractuele regelingen. De 'vrije arbeidsmarkt' is dus een door en door politiek geïnstitutionaliseerd fenomeen.

Figuur 1.1 Differentiatie, delegatie en limitatie van beschikkingsmacht

1.3 Is het een 'markt'?

Ten derde is het nogal dubieus of men bij de institutie die de ruil van arbeidskracht en kapitaal reguleert wel kan spreken over een 'markt' in de strikte zin van het woord. Volgens de klassieke economische opvatting zou het evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt door middel van het prijsmechanisme, dus via het loon tot stand moeten komen. Het meest opvallende van de 'arbeidsmarkt' is echter dat hier het echte marktmechanisme niet volledig werkt: het is een 'gefingeerde markt' [Polanyi 1944/77:74]. Dit heeft drie redenen.

Ten eerste is de arbeidskracht slechts een fictieve waar. Markten zijn actuele ruilverhoudingen tussen kopers en verkopers van waren. En waren zijn empirisch gedefinieerd als objecten die voor de verkoop op de markt worden geproduceerd. Arbeidskrachten worden echter niet geproduceerd om op markten verkocht te worden. Het cruciale punt is dat arbeidskracht (net als land en geld) weliswaar een essentieel element van kapitalistische ondernemingen is en dat deze zij tevens in markten georganiseerd moeten worden, maar volgens de empirische definitie van een waar zijn arbeidskrachten (evenmin als land en geld) duidelijk géén waren. Polanyi heeft laten zien hoe er desondanks toch zoals als een arbeids- of arbeidskrachten markt kan ontstaan:

Ten tweede gaat een van de cruciale (theoretisch veronderstelde) voorwaarden van dit marktmechanisme niet op: er is geen sprake van volledige concurrentie. De omvang van het arbeidsaanbod wordt vrijwel geheel door andere factoren bepaald dan de hoogte van het loon; zij wordt met name bepaald door het feit dat de meeste werknemers geen keus hebben tussen werken en niet werken. Bovendien kan ook de omvang van het arbeidsvraag niet altijd reageren op de hoogte van het loon, maar is juist meestal bepaald door de afzetmogelijkheden van het bedrijf.[12] Toch heeft de uitwisseling tussen arbeidskrachtbezitters en vragers een marktkarakter, d.w.z. er wordt iets geruild en er wordt geloofd en geboden, en er wordt onderhandeld en er worden op deze basis zaken gedaan.

Ten derde kunnen arbeidsmarkten al lang niet meer buiten de regelingen van de moderne verzorgingsstaat om functioneren (en hebben zij dit ook nooit gekund). Het arbeidsmarktgedrag is evenmin los van zulke regelingen te begrijpen. Beslissingen over intreden, uittreden en mobiliteit op de arbeidsmarkt worden meegestuurd door collectieve voorzieningen en politieke processen.[13] Aanvankelijk werd moderne verzorgingsstaat zo ingericht dat de 'muur' tussen haar en de arbeidsmarkt overeind bleef. De werking van de markt moest zo min mogelijk verstoord en arbeidsparticipatie mocht niet ontmoedigd worden (met uitzondering van gehuwde vrouwen en leerplichtige kinderen, voor wie vaak het omgekeerde gold). Alleen degenen die niet tot werken in staat waren of onmogelijk een baan konden vinden, kwamen in aanmerking voor een beperkte en tijdelijke ondersteuning (niet de intentie om mensen te verleiden of aan te stimuleren de arbeidsmarkt te verlaten). Nu omwenteling: miljoenen gezonde werknemers worden via vervroegde pensionering, verbeterde uitkeringen en arbeidsongeschiktheidsregellingen uit het arbeidsproces gesluisd.[14]

Er is al vaker op gewezen dat de maatschappij ten onder zou gaan wanneer het marktmechanisme de enige regulator zou zijn van het lot van mensen en hun natuurlijke omgeving. De reden is dat het arbeidsvermogen nooit volledig veruiterlijkt kan worden omdat zij nooit onafhankelijk van haar menselijke dragers kan bestaan. Karl Polanyi heeft dit op schitterende wijze onder woorden gebracht: :

Na het afsluiten van het arbeidscontract beschikt het management over het ingehuurde arbeidsvermogen (als bron van de produktie van meerwaarde, toegevoegde waarde). Daarmee is echter nog niet de specifieke vorm van arbeidsprestaties vastgelegd waarin het zeer variabele arbeidsvermogen produktief werkzaam kan worden. We hebben gezien dat de arbeidskracht niet van haar eigenaar, het werkende subject kan worden gescheiden: de lichamelijke en geestelijke vermogens kunnen nu eenmaal niet worden veruiterlijkt. Daarom kan de huurder van de arbeidkracht nooit volledig over dit arbeidsvermogen beschikken. Deze eigenaardigheid van de arbeidskracht als 'fictieve waar' heeft twee consequenties.

  1. Het arbeidscontract is geen strikte of zuivere vorm van economische ruil, maar een sociale ruil.
    De betrekkingen tussen werkgever en werknemer worden geregeld in een arbeidscontract (de loonverhouding). Maar de termen van de ruil kunnen niet van tevoren volledig worden gespecificeerd. Dit gebeurt pas tijdens het produktieproces [Korver 1988]. Het arbeidscontract is van meet af aan vermengd met elementen van sociale ruil, waarbij wederzijdse rechten, plichten en verantwoordelijkheden worden geregeld door middel van diffuse, vooral op traditie gebaseerde regels.[16] In het arbeidscontract worden wel de diffuse rechten van de ondernemer vastgelegd (het 'managementprerogatief') maar niet diens diffuse verplichtingen. "De termen van het contract worden dus gespecificeerd in een situatie waarin, bij wet, aan de werkgever volledig gezag is verleend" [Cristis 1988:68].

  2. Het arbeidscontract vormt een tegenstrijdige eenheid van dwang en coöperatie, macht en consensus.
    Om het arbeidsvermogen te transformeren in arbeidsprestaties moet de werkgever zich verzekeren van de medewerking van de dragers van het arbeidsvermogen. De eigenzinnigheid van het levende arbeidsvermogen leidt tot het fundamentele probleem van de transformatie van arbeidsvermogen in arbeidsprestaties (of: in noodzakelijke arbeid). Voor het management betekent dit dat gezag en controle in het bedrijf noodzakelijk zijn. Er zijn zeer uiteenlopende vormen van controle moglijk. De produktietechniek en de arbeidsorganisatie zijn echter de belangrijkste middelen om controle uit te oefenen. De specifieke gedaante van het arbeidsproces wordt dus ook in vergaande mate bepaald door de vereisten van de heerschappijverzekering in het bedrijf [Noble 1979; Edwards 1981; Dörr e.a. 1984].[17]

1.4 Is het een broederlijke 'ontmoeting'?

Ten vierde kleven er ook bezwaren aan de nogal broederlijk klinkende termen waarmee de ruil van loonarbeid en kapitaal wordt afgeschilderd. De transacties die plaatsvinden tussen aanbieders van en vragers naar arbeidskracht hebben weinig gemeen met een 'ontmoeting' tussen vrienden of bekenden, maar dragen veeleer het karakter van een botsing tussen tegengestelde, elkaar wantrouwende collectieve actoren met uiteenlopende en in veel opzichten tegenstrijdige belangen. De afstemming tussen vraag en aanbod wordt vaak voorgesteld als een afwegingsproces van individuele vragers en aanbieders waarbij de wederzijdse wensen, verwachtingen en mogelijheden met elkaar worden vergeleken. De afstemming zou dus tot stand komen via een 'innerlijke afweging' van positieve en negatieve aspecten van het door de andere partij gebodene en het over en weer rekening houden met elkaars verwachtingen. Daarmee wordt een uiterst beperkt en eenzijdig beeld gegeven van de 'ontmoeting' tussen vraag en aanbod. De hele terminologie ('wederzijdse afstemming', 'ontmoeting' enz.) suggereert dat de partijen in een gelijke uitgangspositie verkeren en in gelijke mate concessies doen. De vraag of een van beide partijen bij deze uitwisseling al bij voorbaat in een ongunstiger positie verkeert dan de andere, komt niet meer aan de orde. Er wordt dus verondersteld dat de onderlinge relaties symmetrisch zijn. Daarom wordt (a) geen aandacht meer besteed aan de analyse van de machts- en afhankelijkheidsrelaties, en (b) valt ook het optreden van collectieve actoren op de arbeidsmarkt buiten de beschouwing.

De 'vrije arbeidsmarkt' is een markt voor 'vrije' arbeiders (het is geen slavenmarkt). Elke marktdeelnemer treedt op als 'vrije persoon': iedereen heeft volledige beschikkingsmacht beschikt over het eigen arbeidsvermogen. Juist daarom kan iedereen ook alleen zichzelf, d.w.z. zijn/haar eigen arbeidsvermogen verhuren. Het bestaan van een arbeidsmarkt genereert echter op zichzelf al een paar inherente belagentegenstellingen en fundamentele conflicten tussen aanbieders en vragers van arbeidkracht. Arbeidskrachtbezitters trachten hun recht als verkopers tot gelding de brengen: het recht op een arbeidsplaats (zo groot mogelijke werkzekerheid op de werkgelegenheidsmarkt), het recht op een rechtvaardig inkomen (zo hoog mogelijk beloning op de loonmarkt), en het recht op een humaan gebruik van hun arbeidskracht (kwalitatief goed en interessant werk in de arbeidsorganisatie). Ondernemers trachten daarentegen hun recht als kopers tot gelding te brengen: het recht op vrijheid om arbeidsplaatsen naar eigen voorkeur in te vullen (zo soepel mogelijke in- en uitschakeling van arbeidskrachten), het recht om marktconforme lonen te betalen (zo laag mogelijke arbeidskosten), het recht om maximaal gebruik te maken van de ingehuurde arbeidskracht (dispositierecht: flexibiliteit), en het recht op de volledige opbrengst van de arbeidsprestaties (vruchtgebruik: efficiency). Het arbeidscontract waarmee de ruil op de arbeidsmarkt wordt afgesloten institutionaliseert dus een antinomie/asymmetrie tussen tegengestelde belangen, een antinomie/ asymmetrie die bekrachtigd wordt door de wetten die de warenruil reguleren. Dit betekent niet dat compromissen kopers en verkopers van arbeidskracht onmogelijk zijn, maar wel dat een duurzame harmonie is uitgesloten.

In elke definitie van de arbeidsmarkt moet dus rekening worden gehouden met de volgende elementen:

De arbeidsmarkt is een maatschappelijke institutie waarin en de mechanismen waardoor de ruil van (beschikking over) arbeidskrachten tegen (beschikking over) beloning wordt gereguleerd. Het zou dus eigenlijk beter helemaal niet meer te spreken van een arbeidsmarkt, maar van een arbeidskrachtenmarkt. Ik definieer de arbeidsmarkt als het geheel van ruil- en onderhandelingsprocessen dat plaats vindt tussen vragers naar en aanbieders van arbeidskrachten en de daarmee samenhangende regels en institutionele voorzieningen, waardoor zowel de allocatie als de prijsvorming van arbeidskracht tot stand komt. De arbeidsmarkt omvat dus niet alleen de kaders waarbinnen, maar ook de mechanismen via welke de vraag- en aanbodprocessen (kwantitatief en kwalitatief) m.b.t. arbeidskrachten zich voltrekken.

Een kwestie van definitie
Mijn formulering wijkt slechts op één punt af van de door Jacques van Hoof gehanteerde definitie. Hij definieert de arbeidsmarkt als "het totaal van processen dat plaats vindt tussen vragers en aanbieders van arbeidsvermogen en de daarmee samenhangende regels en institutionele voorzieningen, waardoor zowel de allocatie als de prijsvorming van arbeid tot stand komt" [Van Hoof 1987:16]. Van Hoof ziet heel goed dat werkgevers op de arbeidsmarkt niet zozeer concrete arbeidsprestaties verwerven, maar een in tijd en plaats beperkte beschikkingsmacht over het arbeidsvermogen resp. de arbeidskracht. Daarom is het des te merkwaardiger dat hij in zijn definitie toch weer de misleidende formule van de 'prijsvorming van de arbeid' gebruikt. Deze inconsistentie toont eens te meer aan hoe moeilijk het ook voor kritische sociologen is om zich aan de taalcultuur van de (neo-)klassieke economische leer te ontworstelen.

Mijn definitie is verwant aan die van Ter Hoeven, een van de eerste Nederlandse onderzoekers die zich met arbeidsproblemen heeft bezigggehouden. Hij definieert de arbeidsmarkt als "het totaal van processen dat plaats vindt tussen de vragers en aanbieders van arbeidsprestaties, waardoor zowel de ruil als de prijsvorming van de desbetreffende arbeidsprestaties tot stand komen [Ter Hoeven 1963: 9]. In deze definitie wordt net als bij Van Hoof zowel aandacht besteed de twee functies van de arbeidsmarkt: prijsvorming van de arbeid(skracht) en ruil van arbeidsprestaties. In andere definities wordt deze functie vaak beperkt tot de allocatie van arbeidskrachten. Een voorbeeld hiervan is de definitie van Hamaker: "De arbeidsmarkt is op te vatten als bijzondere, deels geïnstitutionaliseerde vorm van uitwisseling van arbeidsprestaties tegen beloning tussen individuele aanbieders en vragers van arbeid" [Hamaker 1976: 103-4].

Index 2 Functies van de arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt is een tussenschakel tussen het onderwijs- en het arbeidssysteem.[18] De arbeidsmarkt is een apart systeem dat tot functie heeft om aanbod en vraag naar arbeidskrachten - die zich betrekkelijk autonoom van elkaar ontwikkelen - op elkaar af te stemmen.

Vanuit maatschappij-theoretische perspectief vervult de arbeidsmarkt een dubbele functie: de arbeidsmarkt levert een bijdrage aan de produktiviteit van de economie en aan de bestaanszekerheid van de huishoudens. In de hierboven gegeven definitie zijn deze twee kernfuncties van de arbeidsmarkt verdisconteerd: (a) de ruil van arbeidskrachten (allocatiefunctie), en (b) de prijsvorming van de arbeidskrachten (verdelingsfunctie). De arbeidsmarkt vervult in het economisch proces dus een dubbele rol. Enerzijds is fungeert de arbeidsmarkt als mechanisme met behulp waarvan arbeidskrachten worden geallokeerd over de verschillende produktieve inzetmogelijkheden (allocatie van arbeidskrachten). De arbeidsmarkt is daarom een belangrijke schakel in het proces van voortbrenging van goederen en diensten (werkgelegenheidsmarkt). Anderzijds fungeert de arbeidsmarkt als mechanisme voor de vaststelling van de prijs van arbeidskrachten (beloning van arbeidskrachten). De arbeidsmarkt is daarom tevens een belangrijke schakel bij de verdeling van de opbrengsten van het arbeidsproces (loonmarkt).[19]

Deze beide functies zijn nauw met elkaar verbonden. Dit betekent echter niet dat de arbeidsmarkt uit zichzelf deze beide functies optimaal vervult.[20] Dit heeft verschillende oorzaken: de gedwongen toetreding tot de arbeidsmarkt, de geringe deelbaarheid en geringe mobiliteit van de arbeidskrachten, de geringe transparantie van de arbeidsmarkt enz. Zoals we nog zullen zien kan op de arbeidsmarkt nooit op dezelfde wijze als op een goederenmarkt een evenwicht tot stand komen. Het cruciale probleem is en blijft hoe men een arbeidsmarkt kan realiseren die tegelijkertijd economisch efficiënt is en bestaanszekerheid schept [Junggeburt 1987:1]. "Het centrale probleem van de arbeidsmarkt is dus niet het vinden van evenwicht, maar het bieden van een passende arbeidsplaats aan allen die aan het arbeidsproces willen (moeten, kunnen) deelnemen en tegelijkertijd het voorzien in alle behoeften aan personeel van de diverse arbeidsorganisaties" [Den Broeder 1977:146].[21]

Uit deze functies kunnen twee, niet altijd even duidelijk onderscheiden analytische en politieke perspectieven worden afgeleid.[22]

  1. Het perspectief van efficiënte allocatie (efficiency-perspectief)
    Het kernthema van dit perspectief is het streven naar een goede aansluiting tussen vraag en aanbod van arbeidskrachten. Dit gebeurt onder het motto: de juiste man op de juiste plaats. De centrale vraag luidt: (i) hoe kan men de arbeidsmarkt zo laten functioneren, dat zo goed mogelijk voorzien kan worden in de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften aan arbeidskracht die bij de ondernemers bestaan; en (ii) hoe kunnen de beschikbare capaciteiten van aanbieders optimaal worden benut. Meestal wordt het allocatieperspectief vanuit de werkgeverskant belicht. Dit is zeker niet toevallig. Het streven naar economische efficiency op de arbeidsmarkt impliceert niet alleen dat men zich in het denken en handelen eenzijdig oriënteert op economische doelmatigheid, maar ook dat men zich hierbij oriënteert op specifiek kapitalistische vormen van efficiency, nl. efficiency in de enge zin van het woord die de winst van de eigenaar maximaliseert (en niet efficiëntie in de bredere betekenis van welvaart van werknemers en gemeenschap, inclusief stabiliteit van werkgelegenheid en de conservering van natuurlijke bronnen).

  2. Het perspectief van rechtvaardige verdeling (rechtvaardigheidsperspectief)
    De centrale vraag luidt: welke kansen hebben de verschillende categorieën arbeidskrachten op het bereiken van verschillende beloonde en verschillend gewaardeerde banen. De aandacht richt zich hier dus volledig op de beloningsstructuur zelf. Vanuit dit perspectief staan meestal de belangen van werknemers centraal. Ook dit is zeker niet toevallig. Bij het streven naar een rechtvaardige verdeling van de beloningen die op de arbeidsmarkt worden gegenereerd oriënteert men zich immers altijd op de (materiële en immateriële) bestaanszekerheid van de loonafhankelijke arbeidskrachten. Het streven naar materiële bestaanszekerheid refereert aan stabiele lonen, sociaal acceptabele werktijden, goede ontslagbescherming, goede pensioenvoorzieningen, een goed stelsel van sociale zekerheid enz. Het streven naar immateriële bestaanszekerheid refereert aan de inhoud van het te verrichten werk (aard en niveau van het werk, de mate van uitdaging, variatie), de arbeidsomstandigheden (fysieke en psychische belasting, het optreden van inconveniënten), de arbeidsverhoudingen (toezicht en controle, sociale relaties, aard van het leidinggeven, zeggenschap) en de arbeidsvoorwaarden.

Figuur 1.2 Kernfuncties van arbeidsmarkt

Twee of meer functies?
Sommige auteurs benadrukken dat de arbeidsmarkt nog meer functies vervult. Zo maakt Den Broeder [1973; 1977:141] een onderscheid tussen drie functies.
  1. een allocatiefunctie voor de samenleving als geheel: de arbeidsmarkt is een ruil- en concurrentiestructuur die zorgt voor onderlinge afstemming van vraag en aanbod. De arbeidsmarkt zorgt voor een zodanige allocatie van arbeidskrachten dat mede hierdoor in de maatschappelijke behoeften aan goederen en diensten kan worden voorzien.

  2. een rekruteringsfunctie voor de werkgevers: de arbeidsmarkt voorziet werkgevers van de voor hun arbeidsorganisaties benodigde kwantiteiten en kwaliteiten arbeidskrachten, waardoor zij in staat zijn hun actviteiten te continueren of te expanderen.

  3. een verdelingsfunctie voor de werknemers: de arbeidsmarkt helpt werknemers een arbeidspositie te verkrijgen en aldus aanspraken op inkomen, zekerheid, prestige en andere maatschappelijke verdelingsobjecten te verwerven.
Deze driedeling ontstaat omdat Broeder een onderscheid maakt tussen de functies die de arbeidsmarkt vervult voor de 'maatschappij als geheel' en voor de twee hoofdactoren. Het voordeel hiervan is dat in ieder geval een specifiek antwoord wordt gegeven op de vraag: 'functie voor wie?'

In veel sociologisch onderzoek wordt de functie van de arbeidsmarkt beperkt tot de allocatie van arbeidskrachten, terwijl de prijsvorming (de vaststelling van de beloning) buiten het gezichtsveld blijft. Op de werkgelegenheidsmarkt zijn het vooral de individuele vragers en aanbieders die elkaar ontmoeten. Op de veel meer geïnstitutionaliseerde loonmarkt gaat het gaat het daarentegen niet zozeer om individuen als om meer of minder sterk georganiseerde partijen. "Het sociologisch georiënteerde arbeidsmarktonderzoek heeft zich de facto vrijwel volledig tot de werkgelegenheidsmarkt beperkt en zo de prijsvorming en het daaromheen opgebouwde systeem van collectieve arbeidsverhoudingen buiten beschouwing gelaten" [Van Hoof 1987: 15].

Index 3 Produktie, ruil en gebruik van arbeidsvermogen

Arbeidskrachten worden natuurlijk niet alleen geruild. De ruil van arbeidskrachten wordt voorafgegaan door hun produktie en wordt gevolgd door hun gebruik.

Voordat arbeidskrachten geruild kunnen worden, moeten zij eerst worden geproduceerd. De produktie van arbeidskrachten omvat niet alleen de voortbrenging van de natuurlijke dragers van arbeidskrachten (mensen), maar ook hun socialisatie en kwalificatie. Door socialisatie moeten bepaalde waarde-oriëntaties, duidingspatronen en motivationele disposities worden geïnternaliseerd en door opleiding/onderwijs moeten arbeidskrachten worden gekwalificeerd tot een bepaald niveau van cognitief-praktische competenties. Waar en hoe worden kwalificaties verworven? Socialisatie en kwalificatieprocessen voltrekken zich voor een groot deel buiten de kapitalistische warenproduktie: in gezinnen en educatieve instellingen. De voortbrenging van (specifiek gekwalificeerde) arbeidskrachten wordt hierbij niet direct gereguleerd door de wetten van de kapitalistische economie. Dat is een belangrijke reden waarom de arbeidskracht strikt genomen geen waar, maar een fictieve waar is. Waren zijn empirisch gedefinieerd als objecten die voor de verkoop op markten worden geproduceerd, en markten zijn empirisch gedefinieerd als actuele contacten tussen kopers en verkopes. De arbeidsmarkt komt pas tot stand omdat de menselijke arbeidskracht wordt behandeld alsof zij een waar is, en arbeiders en ondernemers zich gedragen alsof zij bezitter resp. koper van een heel gewone waar zijn. Socialisatie- en kwalificatiesprocessen worden echter niet alleen vóór het werk (in gezinnen en onderwijsinstellingen), maar ook tíjdens het werk geleerd: prestatiekwalificaties worden in meer of mindere mate verworven door het verrichten van werk. Zij worden verworven door 'learning-by-doing', door 'training on the job' en door bedrijfsinterne opleiding en scholing. De educatieve doelen en vormen daarvan worden in veel sterkere mate door kapitalistische arbeidsorganisaties gedefinieerd en gecontroleerd dan bij de bedrijfsexterne algemene en beroeps-opleidingen.[23]

De specifiek gesocialiseerde/gekwalificeerde arbeidskrachten moeten op de een of andere wijze gekoppeld worden aan de materiële arbeidsvoorwaarden. In de burgerlijke maatschappij gebeurt dit in de regel via het mechanisme van de warenruil: degenen die toegang tot de materiële arbeidsvoorwaarden controleren eigenen zich in ruil voor een bepaald inkomen het gebruiksrecht op de arbeidskrachten toe. De ruilvoorwaarden van de arbeidskracht die op de arbeidsmarkt tot stand komen drukken zich uit in al dan niet wettelijk geregelde arbeidsvoorwaarden, beloningsovereenkomsten, regelingen van arbeidstijden en secondaire arbeidsvoorwaarden. De ruil van (beschikking over) arbeidsvermogen is slechts het inleidende proces voor de feitelijke benutting van het arbeidsvermogen.

Het derde element is het feitelijke gebruik of de 'consumptie' van arbeidskrachten in het arbeidsproces zelf. Het feitelijke gebruik van arbeidskrachten vindt plaats in de arbeidsorganisatie onder regie van het kapitaal. De wijze waarop een kapitalistische ondernemer het hem/haar ter beschikking staande arbeidsvermogen weet te benutten, is op zich weer de inzet van belangentegenstellingen en conflicten. Hier verlaten we de arbeidsmarkt en betreden we de arena van de arbeidsorganisaties. Daarbij gaat het niet meer om ruilprocessen, maar om beheersing van het arbeids- en arbeidersgedrag.

Figuur 1.3 Produktie, ruil en gebruik van arbeidskrachten

In elke vermaatschappelijkte arbeidssituatie dus er een onderscheid worden gemaakt tussen drie - sterk op elkaar betrokken en onderling verweven - subsystemen van sociale relaties en potentiële conflictvelden.[24] Dit onderscheid vloeit voort uit de verschillende manieren waarop arbeidskrachten betrokken zijn op de maatschappelijke organisatie van de arbeid.

De drie subsystemen van de arbeidssituatie zijn onderling nauw op elkaar betrokken, maar kunnen toch ook worden onderscheiden als relatief autonome strategische conflictvelden, waarop telkens specifieke maatschappelijke belangen, behoeften, normen en aspiraties botsen. Op elk van deze drie velden stuiten de arbeidskrachtbezitters op objectieve - maatschappelijke, organisationele en interactionele - barrières voor het realiseren van hun belangen en verlangens. Bij de kwalificatie van menselijke vermogens tot arbeidskrachten stuit men bijvoorbeeld op de klasse- en seksespecifieke werkingen van socialisatie en onderwijsselectie. De beloning van arbeidskrachten stuit op de grens van de rentabiliteit van het kapitaal waaraan de producenten hun arbeidskracht verhuren of op de efficiency-eisen van overheden. Het feitelijke gebruik van arbeidskrachten is onderworpen aan een meer of minder straf regime van arbeidsdeling, normtempo en autocratisch/bureaucratisch leiderschap waardoor de zeggenschap en werknemerscontrole worden ingeperkt.

Index 4 Theoretische visies op de arbeidsmarkt

Het empirisch arbeidsmarktonderzoek is zeer omvangrijk [zie deel 2: Empirische trends]. De studies kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld: naar (a) het onderscheid tussen allocatie- en verdelingsperspectief, naar (b) het onderscheid tussen aanbod- en vraaggericht onderzoek, en naar (c) het theoretisch perspectief, de theoretische invalshoek die wordt gekomen (individuele gedragstheorieën versus institutionele theorieën). In dit deel concentreren we ons op de verschillende theoretische perspectieven. Ik zal een paar van de belangrijkste theoretische tradities kort omlijnen en daarbij een aantal klassieke en recente representanten noemen. Het is geen volledig overzicht, maar geeft slechts een paar indicaties voor stromingen die in de volgende hoofdstukken gedetailleerd aan de orde komen.

  1. Individualiserende arbeidsmarkttheorieën: gericht op verklaring van het individuele arbeidsmarktgedrag. Voorbeelden: klassieke en neo-klassieke aanbodeconomen. Zij worden behandeld in hft. 2. Basisgedachte: afstemming tussen vraag en aanbod wordt opgevat als een afwegingsproces van individuele vragers en aanbieders waarbij de wederzijdse wensen, verwachtingen en mogelijkheden met elkaar worden vergeleken.[25] De afstemming van vraag en aanbod komt dus tot stand via een 'innerlijke afweging' van positieve en negatieve aspecten van het door de andere partij gebodene en het over en weer rekening houden met elkaars verwachtingen. Hierdoor komt het accent volledig te liggen op de wijze waarop individuele vragers en aanbieder hun gedrag en verwachtingen op elkaar afstemmen. Het grote nadeel van deze 'micro-benadering' (individualiserende interactionele benadering) is dat het een beperkt, eenzijdig beeld geven van de 'ontmoeting' tussen vraag en aanbod: men heeft geen oog meer voor de vraag of een van beide partijen bij deze uitwisseling al bij voorbaat in een ongunstiger positie verkeert dan de andere. Zoals gezegd suggereert de hele terminologie ('wederzijdse afstemming', 'ontmoeting' enz.) dat de partijen in een gelijke uitgangspositie verkeren en in gelijke mate concessies doen. Er wordt dus verondersteld dat de onderlinge relaties symmetrisch zijn. Daarom wordt (a) geen aandacht meer besteed aan de analyse van de machts- en afhankelijkheidsrelaties, en (b) valt ook het optreden van collectieve actoren op de arbeidsmarkt buiten de beschouwing.

  2. Institutionele arbeidsmarkttheorieën: gericht op regulering en structurering van de relaties op de arbeidsmarkt. Institutionalisten zijn van mening dat de ontwikkeling van de loonvoet niet verklaard kan worden uit de werking van marktkrachten. Door een vergaande institutionalisering en machtsconcentratie aan weerszijden van de arbeidsmarkt kan de loonvorming niet (of: niet meer) uit louter economische factoren worden verklaard. De institutionalisten benadrukken dat het loonvormingsproces relatief autonoom plaats vindt ten opzichte van de arbeidsruil. Volgens de traditionele theorie vormt de arbeidsmarkt een eenheid van loonvorming en arbeidsallocatie. De institutionalisten splitsen de arbeidsmarkt op in een loonmarkt (waarop de regeling van lonen en arbeidsvoorwaarden plaatsvindt) en een werkgelegenheidsmarkt (waarop de ruil tussen vragers en aanbieders tot stand komt.

  3. Segmenteringstheorieën: ontleend aan Angelsaksische institutionele en radicale economie. Zij verklaren gestructureerde ongelijkheden binnen de loonarbeidersbevolking. Recent: Edwards [1985], Offe/Hinrichs [1977], Lutz/ Sengenberger [1974], Doeringer/Piore [1972]. Deze theorieën worden behandeld in hft. 5.

  4. In de kritische maatschappijtheoretische visie op de arbeidsmarkt (aansluitend op Marx en Weber) wordt de arbeidsmarkt opgevat als een arena waar verschillende groepen met uiteenlopende posities en tegenstrijdige belangen op elkaar botsten in de concurrentie om (vooral materiële en monetaire) levenskansen. De arbeidskrachtenmarkt is een centraal maatschappelijk verdelingsmechanisme dat een vergaande invloed heeft op sociaal-politieke en culturele verhoudingen. Het is een belangrijke schakel in de keten van mechanismen die sociale ongelijkheden genereren en reproduceren. Essentieel in deze benadering is m.i. de combinatie van drie theoretische perspectieven: (1) transformationeel perspectief: geen systeem- of actionistisch perspectief; (2) bronnenperspectief; (3) machtsstrategisch perspectief: arbeidskrachtenmarkt als een strategische veld, accent op mobilisatie van bronnen. Recent: Kreckel [1975], Schervisch [1985], Van Hoof [1987], Bader/Benschop [1988], Benschop [1994]. In hft. 6 komt Marx aan de orde, in hft. 7 de moderne kritisch sociologische benadering.

We beginnen dus met de economische theorievorming over de arbeidsmarkt.

Index Literatuur

  1. Althauser, R.P./Kalleberg, A.L. [1981]
    Firms, Occupations, and the Structure of Labor Markets: A Conceptual Analysis.In: Berg [1988: 119-49].

  2. Altvater, E. [1976]
    Arbeitsmarkt und Krise.
    In: Bolle [1976].

  3. Bader, Veit/Benschop, Albert [1988]
    Ongelijk-heden. Sociale ongelijkheid en collectief handelen. Deel 1.
    Groningen: Wolters-Noordhoff.

  4. Beer, Paul de [199@]
    Arbeidsmarkt in perspectief. Deventer.
    Van Loghum Slaterus.

  5. Benschop, Albert [1993a)
    Klassen. Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
    Amsterdam: Spinhuis.
    Zie Summary voor een Engelse samenvatting.

  6. Benschop, Albert [1993b]
    Transactiekosten in de economische sociologie. Amsterdam: SocioSite.

  7. Benschop, Albert [1994]
    Naar een nieuwe economische sociologie - een transformationeel perspectief
    Amsterdam: SocioSite.

  8. Berg, Ivar (ed.) [1988]
    Sociological Perspectives on Labor Markets.
    Orlando, Florida.

  9. Berkel, P. van [1960]
    Spanningen op de arbeidsmarkt. Meppel.

  10. Bervoets, Liesbeth [1993]
    Opvoeden tot sociale verantwoordelijkheid. De verzoening van wetenschap, ethiek en sekse in het sociaal werk in Nederland rond de eeuwwisseling.
    Amsterdam: diss.

  11. Beveridge, W. [1909] Unemployment: a problem of industry. London.

  12. Beveridge, W. [1944] Full employment in free society. New York.

  13. Böhm-Bawerk, E. von [1914/71] "Macht oder ökonomisches Gesetz", in: H. Esser, Macht oder ökonomisches Gesetz. Kôln 1971.

  14. Boot, D/Wolf, H. de [1987] "Recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt", in: Economisch Statistische Berichten, 3-6-1987, pp. 524-8.

  15. Bolle, M. (Hrsg.) [1976] Arbeitsmarkttheorie und Arbeitsmarktpolitik. Opladen.

  16. Braudel, Fernand [1979/89] Beschaving, economie en kapitalisme (15de - 18de eeuw). 3 delen Amsterdam: Contact.

  17. Broeder, A.L. den [1973] "Problemen en principes van het arbeidsmarktbeleid", in: Beleid en Maatschappij, pp. 63-72.

  18. Broeder, A.L. den [1977] Aktualisering van het arbeidsmarktbeleid, in: Van Wezel [1977:145-91].

  19. Burt, Ronald [1988] The Stability of American Markets. American Journal of Sociology 94: 356-95.

  20. CED (Commissie Economische Deskundigen) [1987] Rapport flexibiliteit van de arbeidsmarkt en werkloosheid. Den Haag.

  21. Coase, Ronald [1988] The Firm, the Market and the Law. Chicago: University of Chicago Press.

  22. Collins, Randal [1990] Market Dynamics as the Engine of Historical Change. In: Sociological Theory 8: 111-35.

  23. Curtin, Philip [1984] Cross-cultural Trade in World History. Cambridge: Cambridge University Press.

  24. Davis, J. Ronnie [1990] Adam Smith on the Providential Reconciliation of Individual and Social Interest: Is Man Led by an Invisible Hand or Misled by a Sleight of Hand? In: History of Political Economy 22: 341-52.

  25. Davis, Norman [1952] The Proximate Etymology of Market. In: Modern Language Review 47: 152-55.

  26. Deutschmann, C. [1981] "Das konservative Moment der Gewerkschaftsbewegung", in: Leviathan, Sonderheft 4: Gesellschaftliche Arbeit und Rationalisierung. ISF. Opladen.

  27. Doeringer, P./Piore, M. [1971] Internal Labor Market and Manpower Analysis. Lexington.

  28. Edwards, R.C. [1979] Contested Terrain. The Transformation of the Workplace in the Twentieth Century. New York. Basic Books.

  29. Elster, John [1979] Ulyssus and the Sirens: Studies in Rationality and Irrationality. Cambridge: Cambridge Univ. Press.

  30. Flap, H./Arts, W. [1988] De flexibele arbeidsmarkt. Theorie en praktijk. Deventer.

  31. Folbre, Nancy/Hartman, Heidi [1988] "The rhetoric of self-interest: Ideology and gender in economic theory", in: A. Klamer e.a. [1988] The consequences of economic rethoric. Cambridge.

  32. Friedman, M [1982] Capitalism and Freedom. Chicago.

  33. Friedman, M/Friedman, R. [1981] Aan ons de keus. Huizen.

  34. Galan, C. de/Miltenburg, A. van [1985] Economie van de arbeid. Alphen aan den Rijn.

  35. Gaudemar, J.-P. [1976] Mobilité du Travail et accumulation du capital. Paris.

  36. Gensior, S./Krais, B. [1976] "Gesellschaftstheoretische Erklärungsmuster von Arbeitsmärkten", in: Bolle [1976].

  37. Godschalk, J.J. [1986] Werlkoosheid en normvervaging. Amersfoort. ACCO.

  38. Gordon, D.M./Edwards, R.C./Reich, M. [1982] Segmented Work, Divided Workers: The Historical Transformation of Labor in the United States. Cambridge.

  39. Granovetter, Mark [1981] "Towards a Sociological Theory of Income Differences", in: Berg [1981:11-47].

  40. Hamaker, H.H. [1976] Arbeidsmarkt en personeelsvoorziening. Alphen aan den Rijn. Samson.

  41. Heinen, A./Jehoel-Gijsbers/H. Zanders [1980] Arbeid ter discussie. Tilburg. IVA.

  42. Hicks, John, R. [1932/64] The Theory of Wages. Londom: Macmillan.

  43. Hildebrand, George H. [1994] The Labor Factor within the Classical and Neoclassical Systems of Economic Analysis. In: Kerr/Staudohar 1994: 3-40.

  44. Hirschmann, Albert [1977] The Passions and the Interests: Political Arguments for Capitalism Before its Triumpf. Princeton, N.J.: Princeton Univ. Press.

  45. Hoeven, P.J.A. ter [1963] Havenarbeiders van Rotterdam en Amsterdam. Sociologische analyse van een arbeidsmarkt. Leiden. Stenfert Kroese.

  46. Holt, Charles C./David, Martin H. [1966] The concept of job vacancies in a dynamic theory ofthe labor market, in: The measurement and interpretation of job vacancies. New York.

  47. Hoof, Jaqcues van [1975] Wensen en suggesties voor arbeidsmarkt onderzoek. Amsterdam. SISWO.

  48. Hoof, Jaqcues van [1987] De arbeidsmarkt als arena. Arbeidsmarktproblemen in sociologisch perspectief. Amsterdam. SUA.

  49. Hulst, N. van [1987] "Arbeidsmarktflexibiliteit en werkloosheid", in: Economisch Statistische Berichten, 13-5-1987, pp. 441-5.

  50. Junggeburt, Hans [1989] De arbeidsmarkt in het spanningsveld van economische efficiency en bestaanszekerheid. De arbeidsmarkt in economisch-sociologisch perspectief. Culemborg. Lemma.

  51. Kalecki, M. [1971] Selected essays on the dynamics of the capitalist economy. Cambridge.

  52. Kapteijn, A. [1986] "De arbeidsmarkt", in: Economisch Statistische Berichten, 25.6.1986, pp. 623-7.

  53. Kerr, Clark [1950] "Labor markets: Their character and consequensces", in: American Economic Review 40:275-91.

  54. Kerr, Clark [1956] "The Balkaniszation of labor markets.", in: E. Wight Bakke/P.M. Hauser/G.L. Palmer/C.A. Meyers/D. Yoder/C. Kerr (eds.) Labor Mobility and Economic Opportunity. Cambridge, Mass. : MIT Press.

  55. Kerr, Clark/Staudohar, Paul D. (ed.) [1993] Labor Economics and Industrial Relations. Markets and Institutions. Cambridge Mass.: Harvard Univ. Press.

  56. Keynes, J. [1936/81] The General Theory of Employment, Interest and Money. Cambridge.

  57. Keynes, J. [1925] "Am I a liberal?", in:Nations and Atheneum, 8 augustus 1925, repr. in: J. Keynes [1972] Collective writings, vol. IX, London.

  58. Laan, L. Van der [1985] "Visies op de werking van de arbeidsmarkt", in: Economisch Statistische Berichten, 13-11-1985, pp. 1140-1.

  59. Loveridge, R/Mok, A.L. [1979] Theories of labour market segmentation. A critique. Den Haag: Nijhoff.

  60. Lutz, B/Sengenberger, W. [1974] Arbeitsmarktstrukturen und öffentliche Arbeitsmarktpolitik. Götttingen. Schartz & Co.

  61. Maital, Shlomo/Maital, Sharone [1984] Economic Games People Play. New York: Basic Books.

  62. Marsden, D. [1986] The End of Economic Man? Custom and Competition in Labour Markets. Brighton.

  63. Marshall, Alfred [1920/86] Principles of Economics. London: Basingstoke.

  64. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [1986] Rapportage arbeidsmarkt. Den Haag.

  65. Mises, L. [1940] Nationalökonomie. Theorie des Handelns und Wirtschaftens. München.

  66. Mollemans, W.J.L./Proos, A.M. [1994] Arbeidsmarktbeleid. Inzicht in de complexiteit van de arbeidsmarkt. Deventer: Kluwer.

  67. Mok, A. [1975] "Is er een dubbele arbeidsmarkt?", in: Werkloosheid, aard, omvang, structurele oorzaken en beleidsadviezen, Pre-adviezen van de Vereniging voor Staathuishoudkunde. Leiden, pp. 145-59.

  68. Morgenstern, Oskar [1931] "Die drei Grundtypen der Theorie des subjektiven Werts", in: Probleme der Wertlehre, Schriften des Vereins für Sozialpolitik, 183/1. München/Leipzig.

  69. North, Douglas [1981] Structure and Change in Economic History. New York: Norton.

  70. Offe, C./Hinrichs, K. [1977] "Sozialökonomie des Arbeitsmarktes und die Lage benachteiligter Gruppen von Arbeitnehmer", in: Projektgruppe Arbeitsmarktpolitik, C. Offe (Hrsg.), Opfer der Arbeitsmarkts. Zur Theorie der strukturierten Arbeitslosigkeit. Neuwied, Darmstadt.

  71. OECD [1965] Wages and labour mobility. Paris.

  72. OSA [1984] Programma 1984/85. Den Haag.

  73. OSA [1987] OSA-Trendrapport 1987. Den Haag.

  74. Pen, J. [1950] Theorie der collectieve onderhandelingen. Leiden.

  75. Pigou, Arthur C. [1913] Unemployment. London.

  76. Pigou, Arthur C. [1941] Employment and Equilibrium. London.

  77. Pigou, Arthur C. [1952] Essays in Economics. London.

  78. Polanyi, Karl [1944/67] The Great Transformation. BostonBeacon Press.

  79. Polanyi, Karl [1977] The Livelihood of Man. New York: Academic Press.

  80. Potts, L. [1988] Weltmarkt für Arbeitskraft. Von der Kolonisation Amerikas bis zu den Migrationen der Gegenwart. Hamburg.

  81. Reich, M. e.a. [1973] "Dual Labor Markets. A Theory of Labour Market Segmentation", in: American Economic Reviw 63 (2).

  82. Reich, M/Gordon, D./Edwards [1973] "A Theory of Labor Market Segmentation", in: American Economic Review, pp. 359-65.

  83. Ricardo, David [1817/1951] On the Principles of Political Economy and Taxation, vol. I, The Works and Correspondance of David Ricardo. Cambridge: Cambridge University Press.

  84. Robinson, Joan [1974/9] Markets, in idem: Collected Economic Papers, vol 5. Oxford: Blackwell. pp. 146-67.

  85. Schotter, Andrew [1981] An Economic Theory of Social Institutions. London: Cambridge Univ. Press.

  86. SCP (Sociaal & Cultureel Planbureau) [1994] Sociaal & Cultureel Rapport 1994. Rijswijk.

  87. Sengenberger, W. [1975] Arbeitsmarktstruktur. Ansätze zu einem Model des segmentierten Arbeitsmarktes. Frankfurt. Campus.

  88. Smith, Adam [1776/1982] An Enquiry into the Nature and Wealth of Nations. Middlesex.

  89. Sternberg, F. [1926/71] Der Imperialismus. Frankfurt/M.

  90. Stroosnijder, A. [1983] De arbeidsmarkt. Den Haag.

  91. Sewdberg, Richard [1994] Markets as Social Structures. In: Smelser/Swedberg 1994: 255-312.

  92. Tempel, J. van [1926] Macht en economische wet. Haarlem.

  93. Valkenburg, F./Vissers, A. [1978] Theorie van de dubbele arbeidsmarkt. Tilburg.

  94. Voorden, W. van [1976] Institutionalisering en arbeidsmarktbeleid. Alphen aan den Rijn. Samson.

  95. Voorden, W. van [1986] "Flexibilisering van de arbeidsmarkt", in: Economisch Statistische Berichten, 19-3-1986, pp. 310-2.

  96. Wanous, J.P./Lawler, E. [1972]"Measurement and meaning of job satisfaction", in: Journal of applied Psychology, vol. 56:96-105.

  97. Wezel, J.A.M. van [1977] (red.) Arbeidsmarkt in beweging. Analyse, planning en beleid. 's-Gravenhage. VUGA.

  98. Wezel, J./Vissers, A. [1983] Evenwicht en onevenwicht op de arbeidsmarkt en in de economie. Assen.

  99. WRR [1987] Activerend arbeidsmarktbeleid. Den Haag.

  100. WRR [1990] Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren 90'. Den Haag.

  101. Zwegers, J.M.M. [1994] Organisatie en Arbeidsmarkt. Deventer: Kluwer.

Index Noten

[1] De allereerste arbeidsmarkten waren echter wel degelijk loco-markten. Vanaf de 13e eeuw kwamen dergelijke markten voor in Italië, Duitsland en de Nederlanden. Een van de eerste arbeidsmarkten die door historici zijn opgespoord is de markt van Auxerre in Frankrijk. Al in 1393 ontmoetten 's zomers dagloners en werkgevers (die zich vaak door een soort opzichters waren vertegenwoordigd) elkaar iedere dag bij het eerste ochtendgloren op een plein in de stad. Bekend zijn ook de 'verhuringen' op de jaarmarkten "waar knechten en meiden zich aanboden voor het keurend ook der ronselaars (rijke boeren of heren ...) als vee waarvan men de kwaliteiten mocht keuren en verifiëren" [BRAUDEL 1979/89: 42 - Beschaving, economie en kapitalisme (15de - 18de eeuw) , deel III].

[2] In het transactionele perspectief van is sprake van een transactie wanneer een goed of dienst getransfereerd (geruild) wordt over technologische grenzen.WILLIAMSON [1981:552; 1985:1] spreekt letterlijk van een transfer "across a technologically separable interface". Ik heb elders aangegeven wat de beperkingen zijn van deze omschrijving [BENSCHOP 1993 - Transactiekosten in de economische organisatietheorie]. In aansluiting op LEBLICI [1985:103] definieer ik een transactie als een proces waarbinnen de toekomstige waarde van ruil wordt bepaald, de voor de partijen beschikbare bronnen worden geallokeerd, en de rechten en verplichtingen van de partijen m.b.t. toekomstig gedrag worden gespecificeerd binnen het kader van collectieve regels die het transactieproces constitueren en reguleren. Economische transacties kunnen verschillende vormen aannemen: kopen/verkopen, pachten/verpachten, lenen/ verlenen/huren/ verhuren.

[3] LEEMAN [1960: 1 e.v.], POLANYI [1962:117], CURTIN [1984:67].

[4] Actoren met een onbeperkte rationaliteit zouden verwikkeld raken in "a single gigantic once-and-for-all forward 'higgle-haggle' in which all contingent goods and services (i.e. all goods and services at each possible time-cum-environmental condition) are bought and sold once and for all now for money payments made now" [MEADE 1971: 166].

[5] Vgl. HART/JOHN MOORE [1988], HART/BENGT/HOLSTROM [1987], GROSSMAN/HART [1986].

[6] Zie eerder WILLIAMSON [1985:26-30;82,283,316]. Binnen de 'efficiency branch of contract' wordt een onderscheid gemaakt tussen benaderingen die zich concentreren op 'incentive alignments' en benaderingen die zich concentreren op de economie van de transactiekosten. De 'incentive alignment' literatuur concentreert zich op de ex ante kant van het contract. Nieuwe vormen van eigendomsrechten en complexe overeenkomsten worden daarom geïnterpreteerd als inspanningen om de 'incentive deficiencies' van eenvoudiger eigendomsrechten en contractuele tradities te overwinnen Zie hiervoor de literatuur over eigendomsrechten: COASE [1960], ALCHIAN [1961, 1965], DEMSETZ [1967, 1969] en over de agency-benadering: HURWICS [1972. 1973], SPENCE/ZECKHAUSER [1971], ROSS [1973], JENSEN/MECKLING [1976], MIRRLEES [1976]. In de transactiekosten benadering wordt meer nadruk gelegd op het stadium van de contractuitvoering: "the ex post support institutions of contract matter" [WILLIAMSON 1985:29].

[7] Deze samenhang tussen arbeids- en gezagsverhouding werd door diverse auteurs uitgewerkt. Voor Met betrekking tot de kapitalistische arbeidswijze sprak Adam Smith van 'command over labour', Marx van 'Disposition über Arbeitsvermögen' en 'Autorität des Kapitalisten' [MEW 23: 377 - vert. p.263; Resultate:19; Grundrisse:165] en Weber van 'autoritäre Befehlsgewalt', 'Unterwerfung unter eine Herrschaft' en 'Untertanenbeziehung' [WG: 123, 388, 439 e.v.,543]. Vgl. RENNER [1926/65: 88]. Zie voor de controverse over het criterium van 'command over labour': MEEK [1973:60 e.v.], KORVER [1989:3,289 e.v. en boekuitgave 1990:1,173].

[8] Zie latere analyse van de beheersingsvormen door Edwards.

[9] Gezagsverhoudingen zijn specifiek geformaliseerde en gestabiliseerde machtsverhoudingen. Vgl. BADER/BENSCHOP [1988:223].

[10] We zullen hieronder aangeven wat hiervan de reden is: het arbeidsvermogen kan nooit volledig veruiterlijkt worden omdat zij nooit onafhankelijk van haar menselijke dragers kan bestaan. Daarom kan met de zgn. waar arbeidskracht niet naar willekeur worden gemanipuleerd zonder ook het menselijk individu te raken dat toevallig de drager is van deze specifieke waar. Wanneer er geen bescherming zou zijn door arbeidsrecht e.d. zouden mensen kreperen.

[11] "Arbeidsvermogen en arbeidsprestatie blijven altijd gekoppeld; ze kunnen niet van de persoon, de mens, gescheiden worden" [JUNGGEBURT 1989:77]. Vgl. MOLLEMANS/ PROOS [1983:10], STROOSNIJDER [1983: 12].

[12] Vgl. DEN BROEDER [1977:146].

[13] Vgl. ESPING-ANDERSON [1990 - Three World of Welfare Capitalism], VISSER [1994 - Internationale variaties in de maatschappelijke organisatie van de arbeidsparticipatie]

[14] KOHLI/REIN/GUILLEMARD/VAN GUNSTEREN [199@ - Time for Retirement]. Zie verder: VISSER [1994: 12], KRÄTKE (in Komma).

[15] In aansluiting op deze gedachte van Polanyi argumenteert BLOCK [1991] dat de staat op een of andere manier het niveau van 'marketness' in de economie moeten verlagen als men de markt zichzelf niet wil laten vernietigen.

[16] FOX [1974] noemt het arbeidscontract een combinatie van sociale en economische ruil: het is zowel een statuscontract als een 'Zweck'-contract (in Weberiaanse zin). Bij een zuiver economische ruil is de persoon slechts als contractant in het geding: als contractant gaan personen een duidelijk omschreven zakelijke relatie aan. Bij een sociale ruil is de persoon als hele persoon in het geding: als persoon gaat men wederzijdse rechten en plichten aan die tamelijk diffuus zijn geregeld, als persoon wordt men lid van een gemeenschap.

[17] Vervalt

[18] In de op Parsons' handelingstheorie geënte studie van VAN WEZEL [1986] kent hij aan de arbeidsmarkt een plaats als tussenschakel toe, een overgangszone tussen twee subsystemen: het economisch systeem (het bedrijfsleven) en het sociaal-culturele systeem (het systeem van huishoudens). De arbeidsmarkt stuit hierdoor op twee waardepatronen, op twee tegengestelde vormen van rationaliteit. Het economisch systeem staat in het teken van economische rationaliteit: het zo effectief en efficiënt mogelijk combineren van doelen en middelen terwille van de voortbrenging van goederen en diensten. In het systeem van huishoudens staat deze vorm van rationaliteit meestal op de achtergrond en domineert de waarderationaliteit: bestaanszekerheid. Deze situering van de arbeidsmarkt is het uitgangspunt voor een theoretisch model van een perfecte arbeidsmarkt. Daar vindt een 'wederzijdse doordringing' van beide waardesferen plaats, een wederzijdse afstemming van de verwachtingen van de actoren afkomstig uit beide systemen, en wel zodanig dat een synthese van economische rationaliteit en zekerheid tot stand komt. Met dit 'referentiemodel' wil hij - samen met empirisch gefundeerde hulptheorieën - imperfecties op concrete arbeidsmarkten opsporen en verklaren. Zie voor een kritiek: VAN HOOF [1986:185].

[19] KERR [1950] maakte als eerste een onderscheid tussen twee manieren waarop de term arbeidsmarkt wordt gehanteerd: de loonmarkt (gekenmerkt door vergelijkbare loonvoeten) en de banenmarkt (de gebieden waarin arbeiders van baan kunnen veranderen). "De arbeidsmarkt is enerzijds, als het mechanisme met behulp waarvan de 'factor arbeid' wordt gealloceerd over de verschillende produktieve inzetmogelijkheden, een schakel in het proces van voortbrenging van goederen en diensten. Anderzijds is het, als mechanisme voor de vaststelling van de prijs van de arbeid, ook een schakel bij de verdeling van de opbrengsten van dit proces" [Van HOOF 1987:22]. Vgl. ook: VAN WEZEL [1977:11], HAMAKER [1978: 55 e.v.], VAN DER LAAN [1985], JUNGGEBURT [1989: 20,140].

[20] In hoeverre de arbeidsmarkt deze afstemmingsfunctie succesvol vervult, hangt o.a. af van de structuur van de arbeidsmarkt en van het strategisch handelen van vragers en aanbieders.

[21] In de meeste analytische en politieke beschouwingen over de arbeidsmarkt staat als vanouds het vinden van 'het juiste evenwicht' tussen onderscheiden functies centraal. Een even gebruikelijke als problematische metafoor is dat er een evenwicht gevonden moet worden tussen 'economische' en sociale' eisen. Dergelijke formuleringen worden ook gebruikt door de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) . Zij benadrukt de noodzaak om "economische en sociale eisen te verenigen" [OSA 1984:9] en meent verder: "de vraag naar een optimale verhouding tussen allocatie- en verdelingseisen is in het het licht van de toekomstige ontwikkelingen op de abreidsmarkt van strategisch belang" [idem:18].

[22] Er zijn verschillende terminologieën in omloop om deze beide perspectieven aan te duiden. De WRR [1980] maakt een onderscheid tussen een 'technocratische' en een 'sociocratische' beleidsvariant. Van ZUTHEM [1986:56] contrasteert het 'doelmatigheidsperspectief' met het 'rechtvaardigheidsperspectief', en Van HOOF [1987:23] zet 'het perspectief van de efficiënte allocatie' tegenover 'het perspectief van de rechtvaardige verdeling'.

[23] KORVER [1990] laat aan het Amerikaanse voorbeeld zien dat de noodzaak van 'training on the job' en van bedrijfsinterne opleiding niet alleen de rekruteringsstrategieën heeft verscherpt, maar ook gepaard ging met de ontwikkeling van interne arbeidsmarkten, 'job ladders', carrières, het senioriteitsprincipe en 'merit rating' bij bevorderingen, kortom: met een vergaande formalisering en bureaucratisering van de organisatie-interne werkgelegenheidsverhoudingen. Bij de analyse van segmenteringsprocessen en de ontwikkeling van interne arbeidsmarkten kom ik hier uitvoeriger op terug.

[24] Deze indeling loopt niet parallel met de bekende - ad hoc - indeling in (1) arbeidsomstandigheden, (2) arbeidsinhoud, (3) arbeidsvoorwaarden en (4) arbeidsverhoudingen. In deze indeling refereren de arbeidsomstandigheden aan de aard en structurering van de fysiek-chemische en ruimtelijke omgeving. De arbeidsinhoud refereert aan de aard en de structuur van de arbeidsdeling en de positie die mensen daarin innemen. De arbeidsvoorwaarden refereren aan de aard en structuur van de loonverhouding en de positie die mensen daarin innemen. De arbeidsverhoudingen refereren tenslotte de aard en structuur van de interactieverhoudingen en de positie die mensen daarin innemen. Daarnaast wordt dan meestal afzonderlijke aandacht besteed aan de specifieke combinatie van de genoemde vier deelstructuren met andere levenssferen.

[25] Een voorbeeld hiervan is Hamaker's dissertatie Arbeidsmarkt en personeelsvoorziening. "Het afwegen van wensen, verwachtingen en mogelijkheden, dat wil zeggen het afwegen van de voor- en nadelen die aan het bekleden van een arbeidspositie zijn verbonden, bepaalt het samenspel van vraag en aanbod" [HAMAKER 1976: 104].

Index


Arbeid & Organisatie Home Contact Zoek