Universiteit van Amsterdam
Maatschappij- en Gedragswetenschappen
Afdeling Sociologie
dr. Albert Benschop
Wat is een arbeidsmarkt?
Albert Benschop
uit:
Arbeidskrachten tussen markt & macht:
theorieën, empirische trends en
beleidsscenario's
Amsterdam, sept 1996
Concept
Zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur
mag niets uit deze tekst worden geciteerd.
|
1 Een kwestie van definitie
|
|---|
In de meeste leerboeken kan men lezen dat een arbeidsmarkt in de letterlijke
zin van het woord een plaats is waar 'vragers naar arbeid' en 'aanbieders van
arbeid' elkaar ontmoeten. Zo'n omschrijving roept meer problemen op dan zij
verduidelijkt.
Ten eerste is de arbeidsmarkt een tamelijk abstracte markt, die niet te
lokaliseren is, maar toch op de een of andere wijze wel in de samenleving
functioneert.[1] Net als de goederenmarkt is
de arbeidsmarkt een tamelijk losse aggregatie van een zeer groot aantal
transacties.[2] De markt is dus veeleer een
specifiek type sociale structuur: het is een sociale institutie welke ruil
faciliteert [Burt 1988:6]. Bovendien is het onmogelijk om over de arbeidsmarkt
in enkelvoud te spreken. De arbeidsmarkt is in werkelijkheid een aggregatie van
diverse deelmarkten. Er is een algemene of externe arbeidsmarkt die de
beroepsbevolking in z'n geheel omvat. Maar er zijn ook verschillende interne
arbeidsmarkten: geografische markten (internationale, nationale, regionale,
lokale, stedelijke of gettomarkten), bedrijfsdeelmarkten, beroepsdeelmarkten en
bedrijfsinterne deelmarkten. Het zijn deelmarkten waarbinnen het
marktmechanisme (gedeeltelijk) wel werkt, maar waartussen nauwelijks
uitwisseling bestaat. Anders gezegd: de arbeidsmarkt is sterk gesegmenteerd.
|
Van alle markten thuis
Met het woord markt worden zeer uiteenlopende verschijnselen
aangeduidt. Dit wordt ook geïllustreerd aan haar semantische geschiedenis.
Het vroegste bekende woord voor markt is kárum, een Akkadiaans woord dat
ook 'kade' betekent.[3] Andere termen voor
markt zijn s&uq (Arabisch) agora (Grieks),
bãzãr (Persisch), market (Engels), marché
(Frans) en Markt (Duits) en mercato (Italiaans).
In het Engels werd de term markt waarschijnlijk in de twaalfde eeuw
geïntroduceerd. Het is afgeleid van het Latijnse mercatus, dat 'handel' of
'plaats om te handelen' betekent. Het kreeg al snel drie verschillende
betekenissen: (1) een fysieke marktplaats, (2) de bijeenkomst op zo'n
marktplaats; en (3) het legale recht om een bijeenkomst op een marktplaats te
houden. In de 16e eeuw werd het woord markt gebruikt in de betekenis van 'kopen
en verkopen in het algemeen' en het ging als snel ook betekenen 'verkoop die
door vraag en aanbod wordt bepaald'. In de 17e eeuw begon de term zich te
verbreden en verweer ook naar het geografisch gebied waarin er vraag was voor
een bepaald produkt. De 18e eeuwse aandelenmarkt werd steeds meer gezien als
het prototype van de moderne markt. Economen hebben hieraan een eigen betekenis
gegeven: de markt als een abstract prijsvormend mechanisme dat centraal is voor
de allocatie van bronnen in een economie. Het woord markt heeft dus al langere
tijd een ideologische lading. Dit kwam tot uitdrukking in de politieke slogan
'de magie van de markt' (Ronald Reagen). De geschiedenis van de markt als een
ideologisch verschijnsel moet echter nog worden geschreven [Swedberg 1994:274]
|
Ten tweede wordt er ten onrechte gesuggereerd dat er op een arbeidsmarkt
'arbeid' wordt geruild of verhandeld. Deze onder invloed van klassieke
economische benaderingen ingeslepen uitdrukking miskent en verhult het cruciale
feit dat op arbeidsmarkten geen 'arbeid' maar 'arbeidskracht' wordt geruild. Op
de arbeidsmarkt doen werknemers de globale belofte om onder het gezag van de
ondernemer te werken; ondernemers stellen in ruil hiervoor een monetaire
beloning in het vooruitzicht.
"Wat de werkgever op de arbeidsmarkt verwerft, zijn niet zozeer concrete
arbeidsprestaties, maar de (qua tijd en plaats begrensde) beschikking over het
arbeidsvermogen van de betreffende werknemers" [Van Hoof 1987:16].
De transacties tussen arbeidskrachtbezitters en kapitaal zijn sociologisch en
juridisch gezien geen koop- en verkooprelaties, maar verhuurrelaties. Het zijn
huurrelaties omdat zij in tegenstelling tot koopcontracten in tijd
beperkt zijn en geen definitieve overdracht van beschikkingsmacht impliceren,
en omdat zij de overdracht van beschikkingsmacht zelf differentiëren en
limiteren.
Klassieke, onvolledige en relationele contracten
- In het ideaaltypische, klassieke marktcontract
doet een onderneming of een persoon een aanbod dat door een willekeurige ander
wordt geaccepteerd. Een aanbod en een acceptatie scheppen juridische
verplichtingen, ongeacht of er een schriftelijk contract wordt getekend of
niet. De prestatie die de aanbiedende partij belooft te verrichten, worden
duidelijk gespecificeerd en de tegenprestaties die in ruil daarvoor worden
gevraagd worden duidelijk omschreven, ook al kunnen deze impliciet zijn. Bij de
klassieke marktruil wordt een produkt aan iedereen zonder restricties verkocht
tegen een uniforme prijs. Dit soort transacties vinden plaats binnen markten
waar "gezichtsloze kopers en verkopers elkaar een ogenblik ontmoeten om
gestandaardiseerde goederen tegen evenwichtsprijzen te verkopen" [Ben-Porath
1980:4].
Een groenteboer die een bord met "10 sinaasappels voor € 5,-" voor
zijn winkel hangt, doet een aanbod. Wanneer men de sinaasappels pakt en naar de
kassa gaat om te betalen, is dat een acceptatie, er wordt een contract
gesloten. Dit contract wordt bijna nooit opgeschreven, hoogstens in de vorm van
een betalingsbewijs (kassabon). De sinaasappels worden gespecificeerd doordat
ze staan uitgestald; de prestatie van de koper krijgt een betekenis die
gedefinieerd wordt door wettelijke regelingen m.b.t. het doen van offertes en
het heffen van verkoopbelasting (BTW) en door het zetten van een handtekening.
De juridische verplichtingen omvatten de verplichting van de winkelier om de
klant de sinaasappels te laten meenemen en de verplichting van de klant om te
betalen en zijn sinaasappels mee te nemen.
De klassieke contractwet gaat uit van vier vooronderstellingen: - de
identiteit van de contracterende partijen is irrelevant;
- de aard van de
overeenkomst en de te leveren prestaties worden nauwkeurig afgebakend;
-
remedies worden nauwkeurig voorgeschreven zodat bij eventuele problemen de
consequenties vanaf het begin voorspelbaar zijn;
- de interventie van een
derde partij wordt ontmoedigd.
In bepaalde omstandigheden is het echter moeilijk, oneconomisch of onmogelijk
om de vereiste prestaties te specificeren op het moment dat het contract wordt
getekend. - Er kan informationele onzekerheid zijn van de kant van de koper
(vraagonzekerheid). In sommige gevallen is het niet goed mogelijk om precies de
specificaties te voorspellen die de klant wil maken ten aanzien van de
prestaties van de contractant.
- Er kan ook onzekerheid zijn van de kant van
de aanbieder (aanbodonzekerheid). De klant of contractant weet van te voren
niet zeker wat de kosten zullen zijn van het uitvoeren van de prestaties.
Hieruit vloeit de wens voort om gedurende de contractperiode strategische
aanpassingen aan te brengen in prestaties of in de beloning.
- Er kunnen
problemen zijn met de meting van de output of van de te leveren waren
(onzekerheid van bronkwaliteit). Soms is het niet goed mogelijk om de gevraagde
prestaties duidelijk (met objectieve maatstaven) te meten; daarom is het moeilijk of
praktisch onmogelijk de voorwaarden te bepalen waaronder de beloning voor een
specifieke kwaliteit kan variëren.
- In al deze gevallen is er sprake van onvolledige
contracten. Wanneer de menselijke rationaliteit niet beperkt zou
zijn, zouden er ook geen onvolledige contracten meer bestaan.[4] In een dergelijke situatie zou de neiging
tot opportunistisch gedrag ook geen enkele rol meer spelen. Onvolledige
overeenkomsten leiden altijd tot een bilaterale afhankelijkheid, vooral wanneer
er een niet-triviale mate van bronspecificiteit bestaat. Het cruciale
contractuele thema is: hoe kan men aanpassingen aan veranderende omstandigheden
beïnvloeden wanneer onzekerheid een sleutelverschijnsel is [Williamson
1990:15].[5] In de neo-klassieke contractwet
wordt erkend dat de wereld complex is, dat veel overeenkomsten onvolledig zijn
en dat sommige contracten nooit tot stand zouden komen tenzij beide
contractpartijen vertrouwen hebben in de conflictregelingen. De verhoudingen
tussen klassieke, neo-klassieke en relationele contracten en hun wettelijke
regelingen worden uitvoerig geanalyseerd door Macneil [1974]. Williamson [1985:
hft. 3] refereert sterk aan deze analyse.
Bij de analyse van economische organisaties vanuit het standpunt van
onvolledige contracten worden regelingen getroffen voor zowel ex ante
prikkelverbinding (van een onvolledig soort) als voor ex post beheer (om
aanpassingen mogelijk te maken).[6] Ook deze
benadering heeft echter zijn beperkingen. "The distinction between prospective
changes and retrospective changes is pertinent" [Williamson 1990:16]. Partijen
die een overeenkomst voor de toekomst sluiten, zijn hoofdzakelijk op zoek naar
meer efficiency, en niet zozeer met een strijd om de verdeling van de
gemeenschappelijke opbrengsten. Maar wanneer overeenkomsten eenmaal zijn
gesloten, worden redistributieve doelen belangrijker, vooral wanneer 'de
politiek' zich met het proces gaat bemoeien.
- Relationele contracten. De druk om duurzame relaties aan te
gaan en de toenemende complexiteit van contracten leidden tot een vervanging
van de neo-klassieke contractuele benadering en tot aanpassingsprocessen van
meer grondige transactiespecifieke en continue aard. De fictie van de
handelingsautonomie wordt volledig vervangen wanneer een relatie de
eigenschappen aanneemt van een 'minimaatschappij met een uitgebreide serie
normen die verder gaan dan die gecentreerd zijn op de directe ruilprocessen
[Macneil 1978:901]. In de neoklassieke benadering blijft de oorspronkelijke
overeenkomst het referentiepunt voor het effectueren van aanpassingen. In een
relationele benadering is het referentiepunt het geheel van de relatie zoals
deze zich op in de loop der tijd heeft ontwikkeld. Dit kan een 'oorspronkelijke
overeenkomst' impliceren, maar dit is niet noodzakelijk [idem: 890].
|
- Niet de 'arbeid' of de concrete arbeidsprestaties worden op de arbeidsmarkt
geruild, maar het arbeidsvermogen (de potentie tot het verrichten van
arbeid). Wanneer een kapitalistische ondernemer een loonarbeider aanstelt dan
koopt hij de beschikking over zijn arbeidsvermogen, d.w.z. hij verwerft voor
een bepaalde periode het commando over deze arbeider.[7] Het management van een onderneming moet er
steeds opnieuwe voor zorgen dat het arbeidsvermogen waarover men per contract
de beschikking heeft gekregen ook daadwerkelijk in de gewenste
arbeidsprestaties wordt omgezet en dat het mogelijke verzet van
werknemers tegen hun ondergeschikte positie voorkomen wordt. Het management
moet de arbeidsinzet gaan beheersen, het tijdstip en de wijze en de intensiteit
van de arbeid bepalen. Zij moet leiding geven (specificatie van wat gedaan moet
worden, in welke volgorde, met welke mate van precisie en in welke zijn), zij
moet evalueren (individuele en groepesprestaties vaststellen en beoordelen) en
zij moet disciplineren (toepassen van positieve en negatieve sancties om
medewerking van arbieders te verkrijgen).[8]
Ondanks de contractuele vorm moet de loonarbeider dus in een gezagsverhouding
treden.[9] Gedurende zijn gehele arbeidstijd
staat de loonarbeider - wat hij ook doet - onder het gezag van de ondernemer of
kapitalist.
- De ondernemers verwerft beschikkingsmacht over het arbeidsvermogen
van de betreffende loonarbeiders. In een 'contractmaatschappij' worden de
traditionele persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen teruggedrongen en
ontstaat een nieuw type formele persoonlijke vrijheid op basis van zakelijke
afhankelijkheidsverhoudingen. Dit betekent echter niet zonder meer dat de
individuele vrijheid groter wordt. De formele mogelijkheden zijn immers niet
voor iedereen feitelijk toegankelijk. Dit wordt volgens Weber vooral verhinderd
door de differentiatie van de feitelijke bezitsverdeling welke door het recht
wordt gegarandeerd.
"Een arbeider heeft het formele recht om een arbeidscontract met een
willekeurige inhoud met elke willekeurige ondernemer aan te gaan. Voor de
werkzoekende betekent dit formele recht echter in de praktijk niet de minste
vrijheid om zelf vorm te geven de arbeidsvoorwaarden en garandeert hem op zich
ook geenszins enige invloed daarop. In eerste instantie volgt daaruit slechts
de mogelijkheid voor degenen die op de markt machtiger zijn - in dit geval zijn
dat normaliter de ondernemers - deze voorwaarden naar eigen goeddunken in te
richten, ze de werkzoekenden aan te bieden en - omdat voor de werkzoekende de
economische dwang van zijn arbeidsaanbod gemiddeld sterker is - deze op te
leggen. Het resultaat van de contractuele vrijheid is dus in de eerste plaats
dat de kans wordt geschapen om door handig gebruik van goederenbezit op de
markt deze ongehinderd door wettelijke beperkingen te benutten als middel ter
verkrijging van macht over anderen" [Weber WG: 439; vgl. ook p.
123,388].
- De beschikkingsmacht van ondernemers over vreemde arbeidskracht is in
meerdere opzichten (sociaal, temporeel en lokaal) begrensd.[10] De rechten of bevoegdheden die een
ondernemer verwerft zijn dus niet vollledig of absoluut, maar gedifferentieerd,
gedelegeerd en gelimiteerd.
- Gedifferentieerd
De beschikkingsmacht over vreemde arbeidskrachten
is gedifferentieerd omdat de werkenden beschikken over de eigen persoon (zij
zijn formeel vrij en gelijk en leven niet in slavernij of in horige
verhoudingen of in lijfeigenschap) en over de eigen arbeidskracht (maar niet
over de benodigde materiële bronnen).[11] Daarom worden zij gedwongen het
gebruiksrecht over de eigen arbeidskracht te verhuren aan
feitelijke of juridische eigenaars van de vereiste materiële
arbeidsvoorwaarden. In ruilrelaties die zij daarvoor in distributieprocessen
aangaan, treden zij op als formeel vrije en gelijke individuen. In de directe
arbeidsprocessen zelf fungeren zij echter als afhankelijke en ongelijke
individuen: zij treden in ondergeschikte posities van gezagsrelaties.
- Gedelegeerd
In de formele beslissingshiërarchie bezetten
loonarbeiders ondergeschikte posites en moet zij opdrachten uitvoeren en
bevelen van superieuren gehoorzamen. De ondernemers kunnen hun dispositierecht
over ingehuurde arbeidskrachten zelf uitoefenen of deze delegeren naar een
bijzondere categorie van leidinggevende personeelsleden (managers, chefs,
bazen).
- Gelimiteerd
Het dispositie- en gebruiksrecht van ondernemers over
vreemde arbeidskracht wordt op verschillende manieren beperkt.
- Formeel-juridisch wordt het gezag van de ondernemer slechts beperkt
door het arbeidscontract en door het overheidswetten. In
arbeidscontracten worden afspraken vastgelegd over (i) de
gezagsverhouding, (ii) de vaste beloning, (iii) een vast omschreven
arbeidstermijn en (iv) een verplichting tot arbeid of dienstverlening. In
wettelijke regelingen worden de randvoorwaarden van arbeidscontracten
vastgelegd, zoals bijv. de maximale werktijden (lengte van de arbeidsdag), de
minimale vacantiedagen, de minimale beloning (minimumloon, uitkeringen),
veiligheids- en gezondheidscondities, en de minimale inspraakrechten van
werknemers.
- De feitelijke limitatie van het gezag van de kapitalist is primair
afhankelijk van de tegenmacht die zijn producenten weten te organiseren. Zowel
de mate als de duur van beschikkingsmacht over vreemde arbeidskrachten zijn dus
contractueel, wettelijk en feitelijke beperkt. De arbeidsmarkt wordt
geïnstitutionaliseerd en gereproduceerd door wettelijke en contractuele
regelingen. De 'vrije arbeidsmarkt' is dus een door en door politiek
geïnstitutionaliseerd fenomeen.
Figuur 1.1 Differentiatie, delegatie en limitatie van
beschikkingsmacht
1.3 Is het een 'markt'?
Ten derde is het nogal dubieus of men bij de institutie die de ruil van
arbeidskracht en kapitaal reguleert wel kan spreken over een 'markt' in
de strikte zin van het woord. Volgens de klassieke economische opvatting zou
het evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt door middel van het
prijsmechanisme, dus via het loon tot stand moeten komen. Het meest opvallende
van de 'arbeidsmarkt' is echter dat hier het echte marktmechanisme niet
volledig werkt: het is een 'gefingeerde markt' [Polanyi 1944/77:74]. Dit
heeft drie redenen.
Ten eerste is de arbeidskracht slechts een fictieve waar. Markten zijn actuele
ruilverhoudingen tussen kopers en verkopers van waren. En waren zijn empirisch
gedefinieerd als objecten die voor de verkoop op de markt worden geproduceerd.
Arbeidskrachten worden echter niet geproduceerd om op markten verkocht te
worden. Het cruciale punt is dat arbeidskracht (net als land en geld) weliswaar
een essentieel element van kapitalistische ondernemingen is en dat deze zij
tevens in markten georganiseerd moeten worden, maar volgens de empirische
definitie van een waar zijn arbeidskrachten (evenmin als land en geld)
duidelijk géén waren. Polanyi heeft laten zien hoe er desondanks
toch zoals als een arbeids- of arbeidskrachten markt kan ontstaan:
"Labor is only another name for a human activity which goes with life itself,
which in its turn is nog produced for sale but for entirely different reasons,
nor can that activity be detached from the rest of life, be stored or
mobilized. ... The commoditiy description of labour, land, and money is
entirely fictitious. Nevertheless, it is with the help of this fiction that the
actual markets for labor, land, and money are organized; they are being actualy
bought and sold on the market;; their demand ans supply are real magnitudes;
and anay measures that would inhibit the formation of such markets would
ipso facto endanger the selfregulation of the system. The commodity
fiction, therefore, supplies a vital organizing principle in regard to the
whole of society affecting almost all its institutions in the most varied way,
namely the principle according to whichno arrangement or behavior should be
allowed to exit that might prevent the actual functioning of the market
mechanism on the lines of te commodity fiction" [Polanyi 1944: 72-3].
Ten tweede gaat een van de cruciale (theoretisch veronderstelde) voorwaarden
van dit marktmechanisme niet op: er is geen sprake van volledige concurrentie.
De omvang van het arbeidsaanbod wordt vrijwel geheel door andere factoren
bepaald dan de hoogte van het loon; zij wordt met name bepaald door het feit
dat de meeste werknemers geen keus hebben tussen werken en niet werken.
Bovendien kan ook de omvang van het arbeidsvraag niet altijd reageren op de
hoogte van het loon, maar is juist meestal bepaald door de afzetmogelijkheden
van het bedrijf.[12] Toch heeft de
uitwisseling tussen arbeidskrachtbezitters en vragers een marktkarakter, d.w.z.
er wordt iets geruild en er wordt geloofd en geboden, en er wordt onderhandeld
en er worden op deze basis zaken gedaan.
Ten derde kunnen arbeidsmarkten al lang niet meer buiten de regelingen van de
moderne verzorgingsstaat om functioneren (en hebben zij dit ook nooit gekund).
Het arbeidsmarktgedrag is evenmin los van zulke regelingen te begrijpen.
Beslissingen over intreden, uittreden en mobiliteit op de arbeidsmarkt worden
meegestuurd door collectieve voorzieningen en politieke processen.[13] Aanvankelijk werd moderne
verzorgingsstaat zo ingericht dat de 'muur' tussen haar en de arbeidsmarkt
overeind bleef. De werking van de markt moest zo min mogelijk verstoord en
arbeidsparticipatie mocht niet ontmoedigd worden (met uitzondering van gehuwde
vrouwen en leerplichtige kinderen, voor wie vaak het omgekeerde gold). Alleen
degenen die niet tot werken in staat waren of onmogelijk een baan konden
vinden, kwamen in aanmerking voor een beperkte en tijdelijke ondersteuning
(niet de intentie om mensen te verleiden of aan te stimuleren de arbeidsmarkt
te verlaten). Nu omwenteling: miljoenen gezonde werknemers worden via
vervroegde pensionering, verbeterde uitkeringen en
arbeidsongeschiktheidsregellingen uit het arbeidsproces gesluisd.[14]
Er is al vaker op gewezen dat de maatschappij ten onder zou gaan wanneer het
marktmechanisme de enige regulator zou zijn van het lot van mensen en hun
natuurlijke omgeving. De reden is dat het arbeidsvermogen nooit volledig
veruiterlijkt kan worden omdat zij nooit onafhankelijk van haar menselijke
dragers kan bestaan. Karl Polanyi heeft dit op schitterende wijze onder
woorden gebracht: :
"For the alleged commodity 'labor power' cannot be ashoved about, used
indiscriminately, or even left unused, without affecting also the human
individual who happens to be the bearer of this peculiar commodity. In
disposing of a man's labor power the system would, incidentally, dispose of the
physical, psychological, and moral entity 'man' attached to that tag. Robbed of
the protective covering of cultural institutions, human beings would perish
from the effects of social exposure; they would die as the victims of acute
social dislocation through vice, perversion, crime, and starvation. Nature
would be reduced to its elements, neighborhoods and landscapes defiled, rivers
polluted, military safety jeopardized, the power to produce foods and raw
materials destroyed. Finally, the market administration of puchasing power
would periodically liquidate business enterprise, for shortages and surfeits of
money would proce as disastrouw to business as floods and droughts in primitive
society. Undoubtedly, labor, land, and money are essential to a market
economy. But no society could stand the effects of such a system of crude
fictions even for the shortest stretch of time unless its human and natural
substance as well as its business organization was protected against the
ravages of this satanic mill" [Polanyi 1944/77:73].[15]
Na het afsluiten van het arbeidscontract beschikt het management over het
ingehuurde arbeidsvermogen (als bron van de produktie van meerwaarde,
toegevoegde waarde). Daarmee is echter nog niet de specifieke vorm van
arbeidsprestaties vastgelegd waarin het zeer variabele arbeidsvermogen
produktief werkzaam kan worden. We hebben gezien dat de arbeidskracht niet van
haar eigenaar, het werkende subject kan worden gescheiden: de lichamelijke en
geestelijke vermogens kunnen nu eenmaal niet worden veruiterlijkt. Daarom kan
de huurder van de arbeidkracht nooit volledig over dit arbeidsvermogen
beschikken. Deze eigenaardigheid van de arbeidskracht als 'fictieve waar' heeft
twee consequenties.
- Het arbeidscontract is geen strikte of zuivere vorm van economische ruil,
maar een sociale ruil.
De betrekkingen tussen werkgever en werknemer worden geregeld in een
arbeidscontract (de loonverhouding). Maar de termen van de ruil kunnen niet van
tevoren volledig worden gespecificeerd. Dit gebeurt pas tijdens het
produktieproces [Korver 1988]. Het arbeidscontract is van meet af aan vermengd
met elementen van sociale ruil, waarbij wederzijdse rechten, plichten en
verantwoordelijkheden worden geregeld door middel van diffuse, vooral op
traditie gebaseerde regels.[16] In het
arbeidscontract worden wel de diffuse rechten van de ondernemer vastgelegd (het
'managementprerogatief') maar niet diens diffuse verplichtingen. "De termen van
het contract worden dus gespecificeerd in een situatie waarin, bij wet, aan de
werkgever volledig gezag is verleend" [Cristis 1988:68].
- Het arbeidscontract vormt een tegenstrijdige eenheid van dwang en
coöperatie, macht en consensus.
Om het arbeidsvermogen te transformeren in arbeidsprestaties moet de
werkgever zich verzekeren van de medewerking van de dragers van het
arbeidsvermogen. De eigenzinnigheid van het levende arbeidsvermogen leidt tot
het fundamentele probleem van de transformatie van arbeidsvermogen in
arbeidsprestaties (of: in noodzakelijke arbeid). Voor het management betekent
dit dat gezag en controle in het bedrijf noodzakelijk zijn. Er zijn zeer
uiteenlopende vormen van controle moglijk. De produktietechniek en de
arbeidsorganisatie zijn echter de belangrijkste middelen om controle uit te
oefenen. De specifieke gedaante van het arbeidsproces wordt dus ook in
vergaande mate bepaald door de vereisten van de heerschappijverzekering in het
bedrijf [Noble 1979; Edwards 1981; Dörr e.a. 1984].[17]
Ten vierde kleven er ook bezwaren aan de nogal broederlijk klinkende termen
waarmee de ruil van loonarbeid en kapitaal wordt afgeschilderd. De transacties
die plaatsvinden tussen aanbieders van en vragers naar arbeidskracht hebben
weinig gemeen met een 'ontmoeting' tussen vrienden of bekenden, maar
dragen veeleer het karakter van een botsing tussen tegengestelde, elkaar
wantrouwende collectieve actoren met uiteenlopende en in veel opzichten
tegenstrijdige belangen. De afstemming tussen vraag en aanbod wordt vaak
voorgesteld als een afwegingsproces van individuele vragers en aanbieders
waarbij de wederzijdse wensen, verwachtingen en mogelijheden met elkaar worden
vergeleken. De afstemming zou dus tot stand komen via een 'innerlijke afweging'
van positieve en negatieve aspecten van het door de andere partij gebodene en
het over en weer rekening houden met elkaars verwachtingen. Daarmee wordt een
uiterst beperkt en eenzijdig beeld gegeven van de 'ontmoeting' tussen vraag en
aanbod. De hele terminologie ('wederzijdse afstemming', 'ontmoeting' enz.)
suggereert dat de partijen in een gelijke uitgangspositie verkeren en in
gelijke mate concessies doen. De vraag of een van beide partijen bij deze
uitwisseling al bij voorbaat in een ongunstiger positie verkeert dan de andere,
komt niet meer aan de orde. Er wordt dus verondersteld dat de onderlinge
relaties symmetrisch zijn. Daarom wordt (a) geen aandacht meer besteed aan de
analyse van de machts- en afhankelijkheidsrelaties, en (b) valt ook het
optreden van collectieve actoren op de arbeidsmarkt buiten de beschouwing.
De 'vrije arbeidsmarkt' is een markt voor 'vrije' arbeiders (het is geen
slavenmarkt). Elke marktdeelnemer treedt op als 'vrije persoon': iedereen heeft
volledige beschikkingsmacht beschikt over het eigen arbeidsvermogen. Juist
daarom kan iedereen ook alleen zichzelf, d.w.z. zijn/haar eigen arbeidsvermogen
verhuren. Het bestaan van een arbeidsmarkt genereert echter op zichzelf al een
paar inherente belagentegenstellingen en fundamentele conflicten tussen
aanbieders en vragers van arbeidkracht. Arbeidskrachtbezitters trachten hun
recht als verkopers tot gelding de brengen: het recht op een arbeidsplaats (zo
groot mogelijke werkzekerheid op de werkgelegenheidsmarkt), het recht op een
rechtvaardig inkomen (zo hoog mogelijk beloning op de loonmarkt), en het recht
op een humaan gebruik van hun arbeidskracht (kwalitatief goed en interessant
werk in de arbeidsorganisatie). Ondernemers trachten daarentegen hun recht als
kopers tot gelding te brengen: het recht op vrijheid om arbeidsplaatsen naar
eigen voorkeur in te vullen (zo soepel mogelijke in- en uitschakeling van
arbeidskrachten), het recht om marktconforme lonen te betalen (zo laag
mogelijke arbeidskosten), het recht om maximaal gebruik te maken van de
ingehuurde arbeidskracht (dispositierecht: flexibiliteit), en het recht op de
volledige opbrengst van de arbeidsprestaties (vruchtgebruik: efficiency). Het
arbeidscontract waarmee de ruil op de arbeidsmarkt wordt afgesloten
institutionaliseert dus een antinomie/asymmetrie tussen tegengestelde belangen,
een antinomie/ asymmetrie die bekrachtigd wordt door de wetten die de warenruil
reguleren. Dit betekent niet dat compromissen kopers en verkopers van
arbeidskracht onmogelijk zijn, maar wel dat een duurzame harmonie is
uitgesloten.
In elke definitie van de arbeidsmarkt moet dus rekening worden gehouden met de
volgende elementen:
- De arbeidsmarkt is een meer of minder sterk gedifferentieerd en
geïnstitutionaliseerd proces van transacties. De arbeidsmarkt is
een centrale institutie van een volledig ontwikkelde kapitalistische
wareneconomie.
- Op de arbeidsmarkt wordt arbeidskracht tegen geld geruild. De
aanbieders dragen een deel van de beschikkingsmacht over hun arbeidskracht over
en ondernemers stellen in ruil hiervoor een monetaire beloning (loon) in het
vooruitzicht.
- De beschikkingsmacht van ondernemers over vreemde arbeidskracht is in
meerdere opzichten begrensd: gedifferentieerd, gedelegeerd en gelimiteerd.
De arbeidsmarkt is een maatschappelijke institutie waarin en de
mechanismen waardoor de ruil van (beschikking over) arbeidskrachten tegen
(beschikking over) beloning wordt gereguleerd. Het zou dus eigenlijk beter
helemaal niet meer te spreken van een arbeidsmarkt, maar van een
arbeidskrachtenmarkt. Ik definieer de arbeidsmarkt als het geheel van ruil-
en onderhandelingsprocessen dat plaats vindt tussen vragers naar en aanbieders
van arbeidskrachten en de daarmee samenhangende regels en institutionele
voorzieningen, waardoor zowel de allocatie als de prijsvorming van
arbeidskracht tot stand komt. De arbeidsmarkt omvat dus niet alleen de
kaders waarbinnen, maar ook de mechanismen via welke de vraag- en
aanbodprocessen (kwantitatief en kwalitatief) m.b.t. arbeidskrachten zich
voltrekken.
Een kwestie van definitie
Mijn formulering wijkt slechts op één punt af van
de door Jacques van Hoof gehanteerde definitie. Hij definieert de arbeidsmarkt
als "het totaal van processen dat plaats vindt tussen vragers en aanbieders van
arbeidsvermogen en de daarmee samenhangende regels en institutionele
voorzieningen, waardoor zowel de allocatie als de prijsvorming van arbeid tot
stand komt" [Van Hoof 1987:16]. Van Hoof ziet heel goed dat werkgevers op de
arbeidsmarkt niet zozeer concrete arbeidsprestaties verwerven, maar een in tijd
en plaats beperkte beschikkingsmacht over het arbeidsvermogen resp. de
arbeidskracht. Daarom is het des te merkwaardiger dat hij in zijn definitie
toch weer de misleidende formule van de 'prijsvorming van de arbeid' gebruikt.
Deze inconsistentie toont eens te meer aan hoe moeilijk het ook voor kritische
sociologen is om zich aan de taalcultuur van de (neo-)klassieke economische
leer te ontworstelen.
Mijn definitie is verwant aan die van Ter Hoeven, een van de eerste Nederlandse
onderzoekers die zich met arbeidsproblemen heeft bezigggehouden. Hij definieert
de arbeidsmarkt als "het totaal van processen dat plaats vindt tussen de
vragers en aanbieders van arbeidsprestaties, waardoor zowel de ruil als de
prijsvorming van de desbetreffende arbeidsprestaties tot stand komen [Ter
Hoeven 1963: 9]. In deze definitie wordt net als bij Van Hoof zowel aandacht
besteed de twee functies van de arbeidsmarkt: prijsvorming van de
arbeid(skracht) en ruil van arbeidsprestaties. In andere definities wordt deze
functie vaak beperkt tot de allocatie van arbeidskrachten. Een voorbeeld
hiervan is de definitie van Hamaker: "De arbeidsmarkt is op te vatten als
bijzondere, deels geïnstitutionaliseerde vorm van uitwisseling van
arbeidsprestaties tegen beloning tussen individuele aanbieders en vragers van
arbeid" [Hamaker 1976: 103-4].
|
2 Functies van de arbeidsmarkt
|
|---|
De arbeidsmarkt is een tussenschakel tussen het onderwijs- en het
arbeidssysteem.[18] De arbeidsmarkt is een
apart systeem dat tot functie heeft om aanbod en vraag naar arbeidskrachten -
die zich betrekkelijk autonoom van elkaar ontwikkelen - op elkaar af te
stemmen.
Vanuit maatschappij-theoretische perspectief vervult de arbeidsmarkt een
dubbele functie: de arbeidsmarkt levert een bijdrage aan de produktiviteit van
de economie en aan de bestaanszekerheid van de huishoudens. In de hierboven
gegeven definitie zijn deze twee kernfuncties van de arbeidsmarkt
verdisconteerd: (a) de ruil van arbeidskrachten (allocatiefunctie), en
(b) de prijsvorming van de arbeidskrachten (verdelingsfunctie). De
arbeidsmarkt vervult in het economisch proces dus een dubbele rol. Enerzijds is
fungeert de arbeidsmarkt als mechanisme met behulp waarvan arbeidskrachten
worden geallokeerd over de verschillende produktieve inzetmogelijkheden
(allocatie van arbeidskrachten). De arbeidsmarkt is daarom een
belangrijke schakel in het proces van voortbrenging van goederen en diensten
(werkgelegenheidsmarkt). Anderzijds fungeert de arbeidsmarkt als
mechanisme voor de vaststelling van de prijs van arbeidskrachten (beloning
van arbeidskrachten). De arbeidsmarkt is daarom tevens een belangrijke
schakel bij de verdeling van de opbrengsten van het arbeidsproces
(loonmarkt).[19]
Deze beide functies zijn nauw met elkaar verbonden. Dit betekent echter niet
dat de arbeidsmarkt uit zichzelf deze beide functies optimaal vervult.[20] Dit heeft verschillende oorzaken: de
gedwongen toetreding tot de arbeidsmarkt, de geringe deelbaarheid en geringe
mobiliteit van de arbeidskrachten, de geringe transparantie van de arbeidsmarkt
enz. Zoals we nog zullen zien kan op de arbeidsmarkt nooit op dezelfde wijze
als op een goederenmarkt een evenwicht tot stand komen. Het cruciale probleem
is en blijft hoe men een arbeidsmarkt kan realiseren die tegelijkertijd
economisch efficiënt is en bestaanszekerheid schept [Junggeburt 1987:1].
"Het centrale probleem van de arbeidsmarkt is dus niet het vinden van
evenwicht, maar het bieden van een passende arbeidsplaats aan allen die aan het
arbeidsproces willen (moeten, kunnen) deelnemen en tegelijkertijd het voorzien
in alle behoeften aan personeel van de diverse arbeidsorganisaties" [Den
Broeder 1977:146].[21]
Uit deze functies kunnen twee, niet altijd even duidelijk onderscheiden
analytische en politieke perspectieven worden afgeleid.[22]
- Het perspectief van efficiënte allocatie
(efficiency-perspectief)
Het kernthema van dit perspectief is het streven naar
een goede aansluiting tussen vraag en aanbod van arbeidskrachten. Dit gebeurt
onder het motto: de juiste man op de juiste plaats. De centrale vraag luidt:
(i) hoe kan men de arbeidsmarkt zo laten functioneren, dat zo goed mogelijk
voorzien kan worden in de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften aan
arbeidskracht die bij de ondernemers bestaan; en (ii) hoe kunnen de beschikbare
capaciteiten van aanbieders optimaal worden benut. Meestal wordt het
allocatieperspectief vanuit de werkgeverskant belicht. Dit is zeker niet
toevallig. Het streven naar economische efficiency op de arbeidsmarkt
impliceert niet alleen dat men zich in het denken en handelen eenzijdig
oriënteert op economische doelmatigheid, maar ook dat men zich hierbij
oriënteert op specifiek kapitalistische vormen van efficiency, nl.
efficiency in de enge zin van het woord die de winst van de eigenaar
maximaliseert (en niet efficiëntie in de bredere betekenis van welvaart
van werknemers en gemeenschap, inclusief stabiliteit van werkgelegenheid en de
conservering van natuurlijke bronnen).
- Het perspectief van rechtvaardige verdeling
(rechtvaardigheidsperspectief)
De centrale vraag luidt: welke kansen
hebben de verschillende categorieën arbeidskrachten op het bereiken van
verschillende beloonde en verschillend gewaardeerde banen. De aandacht richt
zich hier dus volledig op de beloningsstructuur zelf. Vanuit dit perspectief
staan meestal de belangen van werknemers centraal. Ook dit is zeker niet
toevallig. Bij het streven naar een rechtvaardige verdeling van de beloningen
die op de arbeidsmarkt worden gegenereerd oriënteert men zich immers
altijd op de (materiële en immateriële) bestaanszekerheid van de
loonafhankelijke arbeidskrachten. Het streven naar materiële
bestaanszekerheid refereert aan stabiele lonen, sociaal acceptabele werktijden,
goede ontslagbescherming, goede pensioenvoorzieningen, een goed stelsel van
sociale zekerheid enz. Het streven naar immateriële bestaanszekerheid
refereert aan de inhoud van het te verrichten werk (aard en niveau van het
werk, de mate van uitdaging, variatie), de arbeidsomstandigheden (fysieke en
psychische belasting, het optreden van inconveniënten), de
arbeidsverhoudingen (toezicht en controle, sociale relaties, aard van het
leidinggeven, zeggenschap) en de arbeidsvoorwaarden.
Figuur 1.2 Kernfuncties van arbeidsmarkt

Twee of meer functies?
Sommige auteurs benadrukken dat de arbeidsmarkt nog meer functies
vervult. Zo maakt Den Broeder [1973; 1977:141] een onderscheid tussen drie
functies.
- een allocatiefunctie voor de samenleving als geheel: de arbeidsmarkt
is een ruil- en concurrentiestructuur die zorgt voor onderlinge afstemming van
vraag en aanbod. De arbeidsmarkt zorgt voor een zodanige allocatie van
arbeidskrachten dat mede hierdoor in de maatschappelijke behoeften aan goederen
en diensten kan worden voorzien.
- een rekruteringsfunctie voor de werkgevers: de arbeidsmarkt voorziet
werkgevers van de voor hun arbeidsorganisaties benodigde kwantiteiten en
kwaliteiten arbeidskrachten, waardoor zij in staat zijn hun actviteiten te
continueren of te expanderen.
- een verdelingsfunctie voor de werknemers: de arbeidsmarkt helpt
werknemers een arbeidspositie te verkrijgen en aldus aanspraken op inkomen,
zekerheid, prestige en andere maatschappelijke verdelingsobjecten te
verwerven.
Deze driedeling ontstaat omdat Broeder een onderscheid maakt tussen de functies
die de arbeidsmarkt vervult voor de 'maatschappij als geheel' en voor de twee
hoofdactoren. Het voordeel hiervan is dat in ieder geval een specifiek antwoord
wordt gegeven op de vraag: 'functie voor wie?'.
|
In veel sociologisch onderzoek wordt de functie van de arbeidsmarkt beperkt tot
de allocatie van arbeidskrachten, terwijl de prijsvorming (de vaststelling van
de beloning) buiten het gezichtsveld blijft. Op de werkgelegenheidsmarkt zijn
het vooral de individuele vragers en aanbieders die elkaar ontmoeten. Op de
veel meer geïnstitutionaliseerde loonmarkt gaat het gaat het daarentegen
niet zozeer om individuen als om meer of minder sterk georganiseerde partijen.
"Het sociologisch georiënteerde arbeidsmarktonderzoek heeft zich de facto
vrijwel volledig tot de werkgelegenheidsmarkt beperkt en zo de prijsvorming en
het daaromheen opgebouwde systeem van collectieve arbeidsverhoudingen buiten
beschouwing gelaten" [Van Hoof 1987: 15].
3 Produktie, ruil en gebruik van arbeidsvermogen
|
|---|
Arbeidskrachten worden natuurlijk niet alleen geruild. De ruil van
arbeidskrachten wordt voorafgegaan door hun produktie en wordt gevolgd door hun
gebruik.
Voordat arbeidskrachten geruild kunnen worden, moeten zij eerst worden
geproduceerd. De produktie van arbeidskrachten omvat niet alleen
de voortbrenging van de natuurlijke dragers van arbeidskrachten (mensen), maar
ook hun socialisatie en kwalificatie. Door socialisatie moeten bepaalde
waarde-oriëntaties, duidingspatronen en motivationele disposities worden
geïnternaliseerd en door opleiding/onderwijs moeten arbeidskrachten worden
gekwalificeerd tot een bepaald niveau van cognitief-praktische competenties.
Waar en hoe worden kwalificaties verworven? Socialisatie en
kwalificatieprocessen voltrekken zich voor een groot deel buiten de
kapitalistische warenproduktie: in gezinnen en educatieve instellingen. De
voortbrenging van (specifiek gekwalificeerde) arbeidskrachten wordt hierbij
niet direct gereguleerd door de wetten van de kapitalistische economie. Dat is
een belangrijke reden waarom de arbeidskracht strikt genomen geen waar, maar
een fictieve waar is. Waren zijn empirisch gedefinieerd als
objecten die voor de verkoop op markten worden geproduceerd, en markten zijn
empirisch gedefinieerd als actuele contacten tussen kopers en verkopes. De
arbeidsmarkt komt pas tot stand omdat de menselijke arbeidskracht wordt
behandeld alsof zij een waar is, en arbeiders en ondernemers zich
gedragen alsof zij bezitter resp. koper van een heel gewone waar zijn.
Socialisatie- en kwalificatiesprocessen worden echter niet alleen
vóór het werk (in gezinnen en onderwijsinstellingen), maar ook
tíjdens het werk geleerd: prestatiekwalificaties worden in meer of
mindere mate verworven door het verrichten van werk. Zij worden verworven door
'learning-by-doing', door 'training on the job' en door bedrijfsinterne
opleiding en scholing. De educatieve doelen en vormen daarvan worden in veel
sterkere mate door kapitalistische arbeidsorganisaties gedefinieerd en
gecontroleerd dan bij de bedrijfsexterne algemene en beroeps-opleidingen.[23]
De specifiek gesocialiseerde/gekwalificeerde arbeidskrachten moeten op de een
of andere wijze gekoppeld worden aan de materiële arbeidsvoorwaarden. In
de burgerlijke maatschappij gebeurt dit in de regel via het mechanisme van de
warenruil: degenen die toegang tot de materiële arbeidsvoorwaarden
controleren eigenen zich in ruil voor een bepaald inkomen het gebruiksrecht op
de arbeidskrachten toe. De ruilvoorwaarden van de arbeidskracht die op de
arbeidsmarkt tot stand komen drukken zich uit in al dan niet wettelijk
geregelde arbeidsvoorwaarden, beloningsovereenkomsten, regelingen van
arbeidstijden en secondaire arbeidsvoorwaarden. De ruil van
(beschikking over) arbeidsvermogen is slechts het inleidende proces voor de
feitelijke benutting van het arbeidsvermogen.
Het derde element is het feitelijke gebruik of de 'consumptie'
van arbeidskrachten in het arbeidsproces zelf. Het feitelijke gebruik van
arbeidskrachten vindt plaats in de arbeidsorganisatie onder regie van het
kapitaal. De wijze waarop een kapitalistische ondernemer het hem/haar ter
beschikking staande arbeidsvermogen weet te benutten, is op zich weer de inzet
van belangentegenstellingen en conflicten. Hier verlaten we de arbeidsmarkt en
betreden we de arena van de arbeidsorganisaties. Daarbij gaat het niet meer om
ruilprocessen, maar om beheersing van het arbeids- en arbeidersgedrag.
Figuur 1.3 Produktie, ruil en gebruik van arbeidskrachten
In elke vermaatschappelijkte arbeidssituatie dus er een onderscheid worden
gemaakt tussen drie - sterk op elkaar betrokken en onderling verweven -
subsystemen van sociale relaties en potentiële conflictvelden.[24] Dit onderscheid vloeit voort uit de
verschillende manieren waarop arbeidskrachten betrokken zijn op de
maatschappelijke organisatie van de arbeid.
De drie subsystemen van de arbeidssituatie zijn onderling nauw op elkaar
betrokken, maar kunnen toch ook worden onderscheiden als relatief autonome
strategische conflictvelden, waarop telkens specifieke maatschappelijke
belangen, behoeften, normen en aspiraties botsen. Op elk van deze drie velden
stuiten de arbeidskrachtbezitters op objectieve - maatschappelijke,
organisationele en interactionele - barrières voor het realiseren van
hun belangen en verlangens. Bij de kwalificatie van menselijke vermogens tot
arbeidskrachten stuit men bijvoorbeeld op de klasse- en seksespecifieke
werkingen van socialisatie en onderwijsselectie. De beloning van
arbeidskrachten stuit op de grens van de rentabiliteit van het kapitaal waaraan
de producenten hun arbeidskracht verhuren of op de efficiency-eisen van
overheden. Het feitelijke gebruik van arbeidskrachten is onderworpen aan een
meer of minder straf regime van arbeidsdeling, normtempo en
autocratisch/bureaucratisch leiderschap waardoor de zeggenschap en
werknemerscontrole worden ingeperkt.
4 Theoretische visies op de arbeidsmarkt
|
|---|
Het empirisch arbeidsmarktonderzoek is zeer omvangrijk [zie deel 2:
Empirische trends]. De studies kunnen op verschillende manieren worden
ingedeeld: naar (a) het onderscheid tussen allocatie- en verdelingsperspectief,
naar (b) het onderscheid tussen aanbod- en vraaggericht onderzoek, en naar (c)
het theoretisch perspectief, de theoretische invalshoek die wordt gekomen
(individuele gedragstheorieën versus institutionele theorieën). In
dit deel concentreren we ons op de verschillende theoretische perspectieven. Ik
zal een paar van de belangrijkste theoretische tradities kort omlijnen en
daarbij een aantal klassieke en recente representanten noemen. Het is
geen volledig overzicht, maar geeft slechts een paar indicaties voor stromingen
die in de volgende hoofdstukken gedetailleerd aan de orde komen.
- Individualiserende arbeidsmarkttheorieën: gericht op verklaring
van het individuele arbeidsmarktgedrag. Voorbeelden: klassieke en neo-klassieke
aanbodeconomen. Zij worden behandeld in hft. 2. Basisgedachte: afstemming
tussen vraag en aanbod wordt opgevat als een afwegingsproces van individuele
vragers en aanbieders waarbij de wederzijdse wensen, verwachtingen en
mogelijkheden met elkaar worden vergeleken.[25] De afstemming van vraag en aanbod komt
dus tot stand via een 'innerlijke afweging' van positieve en negatieve aspecten
van het door de andere partij gebodene en het over en weer rekening houden met
elkaars verwachtingen. Hierdoor komt het accent volledig te liggen op de wijze
waarop individuele vragers en aanbieder hun gedrag en verwachtingen op elkaar
afstemmen. Het grote nadeel van deze 'micro-benadering' (individualiserende
interactionele benadering) is dat het een beperkt, eenzijdig beeld geven van de
'ontmoeting' tussen vraag en aanbod: men heeft geen oog meer voor de vraag of
een van beide partijen bij deze uitwisseling al bij voorbaat in een ongunstiger
positie verkeert dan de andere. Zoals gezegd suggereert de hele terminologie
('wederzijdse afstemming', 'ontmoeting' enz.) dat de partijen in een gelijke
uitgangspositie verkeren en in gelijke mate concessies doen. Er wordt dus
verondersteld dat de onderlinge relaties symmetrisch zijn. Daarom wordt (a)
geen aandacht meer besteed aan de analyse van de machts- en
afhankelijkheidsrelaties, en (b) valt ook het optreden van collectieve actoren
op de arbeidsmarkt buiten de beschouwing.
- Institutionele arbeidsmarkttheorieën: gericht op regulering en
structurering van de relaties op de arbeidsmarkt. Institutionalisten zijn van
mening dat de ontwikkeling van de loonvoet niet verklaard kan worden uit de
werking van marktkrachten. Door een vergaande institutionalisering en
machtsconcentratie aan weerszijden van de arbeidsmarkt kan de loonvorming niet
(of: niet meer) uit louter economische factoren worden verklaard. De
institutionalisten benadrukken dat het loonvormingsproces relatief autonoom
plaats vindt ten opzichte van de arbeidsruil. Volgens de traditionele theorie
vormt de arbeidsmarkt een eenheid van loonvorming en arbeidsallocatie. De
institutionalisten splitsen de arbeidsmarkt op in een loonmarkt (waarop de
regeling van lonen en arbeidsvoorwaarden plaatsvindt) en een
werkgelegenheidsmarkt (waarop de ruil tussen vragers en aanbieders tot stand
komt.
- Segmenteringstheorieën: ontleend aan Angelsaksische
institutionele en radicale economie. Zij verklaren gestructureerde
ongelijkheden binnen de loonarbeidersbevolking. Recent: Edwards [1985],
Offe/Hinrichs [1977], Lutz/ Sengenberger [1974], Doeringer/Piore [1972]. Deze
theorieën worden behandeld in hft. 5.
- In de kritische maatschappijtheoretische visie op de
arbeidsmarkt (aansluitend op Marx en Weber) wordt de arbeidsmarkt opgevat als
een arena waar verschillende groepen met uiteenlopende posities en
tegenstrijdige belangen op elkaar botsten in de concurrentie om (vooral
materiële en monetaire) levenskansen. De arbeidskrachtenmarkt is een
centraal maatschappelijk verdelingsmechanisme dat een vergaande invloed heeft
op sociaal-politieke en culturele verhoudingen. Het is een belangrijke schakel
in de keten van mechanismen die sociale ongelijkheden genereren en
reproduceren. Essentieel in deze benadering is m.i. de combinatie van drie
theoretische perspectieven: (1) transformationeel perspectief: geen systeem- of
actionistisch perspectief; (2) bronnenperspectief; (3) machtsstrategisch
perspectief: arbeidskrachtenmarkt als een strategische veld, accent op
mobilisatie van bronnen. Recent: Kreckel [1975], Schervisch [1985], Van Hoof
[1987], Bader/Benschop [1988], Benschop [1994]. In hft. 6 komt Marx aan de
orde, in hft. 7 de moderne kritisch sociologische benadering.
We beginnen dus met de economische theorievorming over de arbeidsmarkt.
Literatuur
|
|---|
- Althauser, R.P./Kalleberg, A.L. [1981] "Firms, Occupations, and the Structure
of Labor Markets: A Conceptual Analysis", in: Berg [1988: 119-49].
-
Altvater, E. [1976] "Arbeitsmarkt und Krise", in: Bolle [1976].
-
Bader, Veit/Benschop, Albert [1988] Ongelijk-heden. Sociale ongelijkheid en
collectief handelen. Deel 1. Groningen: Wolters-Noordhoff.
Het voorwoord en het eerste hoofdstuk zijn online beschikbaar.
-
Beer, Paul de [199@] Arbeidsmarkt in perspectief. Deventer. Van Loghum
Slaterus.
-
Benschop, Albert [1993a) Klassen. Ontwerp van een transformationele
klassenanalyse. Amsterdam: Spinhuis.
De inhousopgave en de Engelse samenvatting zijn online te raadplegen.
-
Benschop, Albert [1993b] Transactiekosten en organisatietheorie.
Amsterdam: SI.
-
Benschop, Albert [1994] Naar een nieuwe economische sociologie - een
transformationeel perspectief. Amsterdam: ABy (Ms.)
-
Berg, Ivar (ed.) [1988] Sociological Perspectives on Labor Markets.
Orlando, Florida.
-
Berkel, P. van [1960] Spanningen op de arbeidsmarkt. Meppel.
-
Bervoets, Liesbeth [1993] Opvoeden tot sociale verantwoordelijkheid. De
verzoening van wetenschap, ethiek en sekse in het sociaal werk in Nederland
rond de eeuwwisseling. Amsterdam: diss.
-
Beveridge, W. [1909] Unemployment: a problem of industry. London.
-
Beveridge, W. [1944] Full employment in free society. New York.
-
Böhm-Bawerk, E. von [1914/71] "Macht oder ökonomisches Gesetz", in:
H. Esser, Macht oder ökonomisches Gesetz. Kôln 1971.
-
Boot, D/Wolf, H. de [1987] "Recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt", in:
Economisch Statistische Berichten, 3-6-1987, pp. 524-8.
-
Bolle, M. (Hrsg.) [1976] Arbeitsmarkttheorie und Arbeitsmarktpolitik.
Opladen.
-
Braudel, Fernand [1979/89] Beschaving, economie en kapitalisme (15de - 18de
eeuw). 3 delen Amsterdam: Contact.
-
Broeder, A.L. den [1973] "Problemen en principes van het arbeidsmarktbeleid",
in: Beleid en Maatschappij, pp. 63-72.
-
Broeder, A.L. den [1977] Aktualisering van het arbeidsmarktbeleid, in:
Van Wezel [1977:145-91].
-
Burt, Ronald [1988] The Stability of American Markets. American Journal of
Sociology 94: 356-95.
-
CED (Commissie Economische Deskundigen) [1987] Rapport flexibiliteit van de
arbeidsmarkt en werkloosheid. Den Haag.
-
Coase, Ronald [1988] The Firm, the Market and the Law. Chicago:
University of Chicago Press.
-
Collins, Randal [1990] Market Dynamics as the Engine of Historical Change. In:
Sociological Theory 8: 111-35.
-
Curtin, Philip [1984] Cross-cultural Trade in World History. Cambridge:
Cambridge University Press.
-
Davis, J. Ronnie [1990] Adam Smith on the Providential Reconciliation of
Individual and Social Interest: Is Man Led by an Invisible Hand or Misled by a
Sleight of Hand? In: History of Political Economy 22: 341-52.
-
Davis, Norman [1952] The Proximate Etymology of Market. In: Modern Language
Review 47: 152-55.
-
Deutschmann, C. [1981] "Das konservative Moment der Gewerkschaftsbewegung", in:
Leviathan, Sonderheft 4: Gesellschaftliche Arbeit und Rationalisierung.
ISF. Opladen.
-
Doeringer, P./Piore, M. [1971] Internal Labor Market and Manpower
Analysis. Lexington.
-
Edwards, R.C. [1979] Contested Terrain. The Transformation of the Workplace
in the Twentieth Century. New York. Basic Books.
-
Elster, John [1979] Ulyssus and the Sirens: Studies in Rationality and
Irrationality. Cambridge: Cambridge Univ. Press.
-
Flap, H./Arts, W. [1988] De flexibele arbeidsmarkt. Theorie en praktijk.
Deventer.
-
Folbre, Nancy/Hartman, Heidi [1988] "The rhetoric of self-interest: Ideology
and gender in economic theory", in: A. Klamer e.a. [1988] The consequences
of economic rethoric. Cambridge.
-
Friedman, M [1982] Capitalism and Freedom. Chicago.
-
Friedman, M/Friedman, R. [1981] Aan ons de keus. Huizen.
-
Galan, C. de/Miltenburg, A. van [1985] Economie van de arbeid. Alphen
aan den Rijn.
-
Gaudemar, J.-P. [1976] Mobilité du Travail et accumulation du
capital. Paris.
-
Gensior, S./Krais, B. [1976] "Gesellschaftstheoretische Erklärungsmuster
von Arbeitsmärkten", in: Bolle [1976].
-
Godschalk, J.J. [1986] Werlkoosheid en normvervaging. Amersfoort.
ACCO.
-
Gordon, D.M./Edwards, R.C./Reich, M. [1982] Segmented Work, Divided Workers:
The Historical Transformation of Labor in the United States. Cambridge.
-
Granovetter, Mark [1981] "Towards a Sociological Theory of Income Differences",
in: Berg [1981:11-47].
-
Hamaker, H.H. [1976] Arbeidsmarkt en personeelsvoorziening. Alphen aan
den Rijn. Samson.
-
Heinen, A./Jehoel-Gijsbers/H. Zanders [1980] Arbeid ter discussie.
Tilburg. IVA.
-
Hicks, John, R. [1932/64] The Theory of Wages. Londom: Macmillan.
-
Hildebrand, George H. [1994] The Labor Factor within the Classical and
Neoclassical Systems of Economic Analysis. In: Kerr/Staudohar 1994: 3-40.
-
Hirschmann, Albert [1977] The Passions and the Interests: Political
Arguments for Capitalism Before its Triumpf. Princeton, N.J.: Princeton
Univ. Press.
-
Hoeven, P.J.A. ter [1963] Havenarbeiders van Rotterdam en Amsterdam.
Sociologische analyse van een arbeidsmarkt. Leiden. Stenfert Kroese.
-
Holt, Charles C./David, Martin H. [1966] The concept of job vacancies in a
dynamic theory ofthe labor market, in: The measurement and interpretation of
job vacancies. New York.
-
Hoof, Jaqcues van [1975] Wensen en suggesties voor arbeidsmarkt
onderzoek. Amsterdam. SISWO.
-
Hoof, Jaqcues van [1987] De arbeidsmarkt als arena. Arbeidsmarktproblemen in
sociologisch perspectief. Amsterdam. SUA.
-
Hulst, N. van [1987] "Arbeidsmarktflexibiliteit en werkloosheid", in:
Economisch Statistische Berichten, 13-5-1987, pp. 441-5.
-
Junggeburt, Hans [1989] De arbeidsmarkt in het spanningsveld van economische
efficiency en bestaanszekerheid. De arbeidsmarkt in economisch-sociologisch
perspectief. Culemborg. Lemma.
-
Kalecki, M. [1971] Selected essays on the dynamics of the capitalist
economy. Cambridge.
-
Kapteijn, A. [1986] "De arbeidsmarkt", in: Economisch Statistische
Berichten, 25.6.1986, pp. 623-7.
-
Kerr, Clark [1950] "Labor markets: Their character and consequensces", in:
American Economic Review 40:275-91.
-
Kerr, Clark [1956] "The Balkaniszation of labor markets.", in: E. Wight
Bakke/P.M. Hauser/G.L. Palmer/C.A. Meyers/D. Yoder/C. Kerr (eds.) Labor
Mobility and Economic Opportunity. Cambridge, Mass. : MIT Press.
-
Kerr, Clark/Staudohar, Paul D. (ed.) [1993] Labor Economics and Industrial
Relations. Markets and Institutions. Cambridge Mass.: Harvard Univ.
Press.
-
Keynes, J. [1936/81] The General Theory of Employment, Interest and
Money. Cambridge.
-
Keynes, J. [1925] "Am I a liberal?", in:Nations and Atheneum, 8 augustus 1925,
repr. in: J. Keynes [1972] Collective writings, vol. IX, London.
-
Laan, L. Van der [1985] "Visies op de werking van de arbeidsmarkt", in:
Economisch Statistische Berichten, 13-11-1985, pp. 1140-1.
-
Loveridge, R/Mok, A.L. [1979] Theories of labour market segmentation. A
critique. Den Haag: Nijhoff.
-
Lutz, B/Sengenberger, W. [1974] Arbeitsmarktstrukturen und öffentliche
Arbeitsmarktpolitik. Götttingen. Schartz & Co.
-
Maital, Shlomo/Maital, Sharone [1984] Economic Games People Play. New
York: Basic Books.
-
Marsden, D. [1986] The End of Economic Man? Custom and Competition in Labour
Markets. Brighton.
-
Marshall, Alfred [1920/86] Principles of Economics. London:
Basingstoke.
-
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [1986] Rapportage
arbeidsmarkt. Den Haag.
-
Mises, L. [1940] Nationalökonomie. Theorie des Handelns und
Wirtschaftens. München.
-
Mollemans, W.J.L./Proos, A.M. [1994] Arbeidsmarktbeleid. Inzicht in de
complexiteit van de arbeidsmarkt. Deventer: Kluwer.
-
Mok, A. [1975] "Is er een dubbele arbeidsmarkt?", in: Werkloosheid, aard,
omvang, structurele oorzaken en beleidsadviezen, Pre-adviezen van de
Vereniging voor Staathuishoudkunde. Leiden, pp. 145-59.
-
Morgenstern, Oskar [1931] "Die drei Grundtypen der Theorie des subjektiven
Werts", in: Probleme der Wertlehre, Schriften des Vereins für
Sozialpolitik, 183/1. München/Leipzig.
-
North, Douglas [1981] Structure and Change in Economic History. New
York: Norton.
-
Offe, C./Hinrichs, K. [1977] "Sozialökonomie des Arbeitsmarktes und die
Lage benachteiligter Gruppen von Arbeitnehmer", in: Projektgruppe
Arbeitsmarktpolitik, C. Offe (Hrsg.), Opfer der Arbeitsmarkts. Zur Theorie
der strukturierten Arbeitslosigkeit. Neuwied, Darmstadt.
-
OECD [1965] Wages and labour mobility. Paris.
-
OSA [1984] Programma 1984/85. Den Haag.
-
OSA [1987] OSA-Trendrapport 1987. Den Haag.
-
Pen, J. [1950] Theorie der collectieve onderhandelingen. Leiden.
-
Pigou, Arthur C. [1913] Unemployment. London.
-
Pigou, Arthur C. [1941] Employment and Equilibrium. London.
-
Pigou, Arthur C. [1952] Essays in Economics. London.
-
Polanyi, Karl [1944/67] The Great Transformation. BostonBeacon Press.
-
Polanyi, Karl [1977] The Livelihood of Man. New York: Academic Press.
-
Potts, L. [1988] Weltmarkt für Arbeitskraft. Von der Kolonisation
Amerikas bis zu den Migrationen der Gegenwart. Hamburg.
-
Reich, M. e.a. [1973] "Dual Labor Markets. A Theory of Labour Market
Segmentation", in: American Economic Reviw 63 (2).
-
Reich, M/Gordon, D./Edwards [1973] "A Theory of Labor Market Segmentation", in:
American Economic Review, pp. 359-65.
-
Ricardo, David [1817/1951] On the Principles of Political Economy and
Taxation, vol. I, The Works and Correspondance of David Ricardo.
Cambridge: Cambridge University Press.
-
Robinson, Joan [1974/9] Markets, in idem: Collected Economic Papers, vol
5. Oxford: Blackwell. pp. 146-67.
-
Schotter, Andrew [1981] An Economic Theory of Social Institutions.
London: Cambridge Univ. Press.
-
SCP (Sociaal & Cultureel Planbureau) [1994] Sociaal & Cultureel
Rapport 1994. Rijswijk.
-
Sengenberger, W. [1975] Arbeitsmarktstruktur. Ansätze zu einem Model
des segmentierten Arbeitsmarktes. Frankfurt. Campus.
-
Smith, Adam [1776/1982] An Enquiry into the Nature and Wealth of
Nations. Middlesex.
-
Sternberg, F. [1926/71] Der Imperialismus. Frankfurt/M.
-
Stroosnijder, A. [1983] De arbeidsmarkt. Den Haag.
-
Sewdberg, Richard [1994] Markets as Social Structures. In:
Smelser/Swedberg 1994: 255-312.
-
Tempel, J. van [1926] Macht en economische wet. Haarlem.
-
Valkenburg, F./Vissers, A. [1978] Theorie van de dubbele arbeidsmarkt.
Tilburg.
-
Voorden, W. van [1976] Institutionalisering en arbeidsmarktbeleid.
Alphen aan den Rijn. Samson.
-
Voorden, W. van [1986] "Flexibilisering van de arbeidsmarkt", in: Economisch
Statistische Berichten, 19-3-1986, pp. 310-2.
-
Wanous, J.P./Lawler, E. [1972]"Measurement and meaning of job satisfaction",
in: Journal of applied Psychology, vol. 56:96-105.
-
Wezel, J.A.M. van [1977] (red.) Arbeidsmarkt in beweging. Analyse, planning
en beleid. 's-Gravenhage. VUGA.
-
Wezel, J./Vissers, A. [1983] Evenwicht en onevenwicht op de arbeidsmarkt en
in de economie. Assen.
-
WRR [1987] Activerend arbeidsmarktbeleid. Den Haag.
-
WRR [1990] Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren 90'.
Den Haag.
-
Zwegers, J.M.M. [1994] Organisatie en Arbeidsmarkt. Deventer: Kluwer.
Noten
|
|---|
[1] De allereerste arbeidsmarkten waren
echter wel degelijk loco-markten. Vanaf de 13e eeuw kwamen dergelijke markten
voor in Italië, Duitsland en de Nederlanden. Een van de eerste
arbeidsmarkten die door historici zijn opgespoord is de markt van Auxerre in
Frankrijk. Al in 1393 ontmoetten 's zomers dagloners en werkgevers (die zich
vaak door een soort opzichters waren vertegenwoordigd) elkaar iedere dag bij
het eerste ochtendgloren op een plein in de stad. Bekend zijn ook de
'verhuringen' op de jaarmarkten "waar knechten en meiden zich aanboden voor het
keurend ook der ronselaars (rijke boeren of heren ...) als vee waarvan men de
kwaliteiten mocht keuren en verifiëren" [BRAUDEL 1979/89: 42 -
Beschaving, economie en kapitalisme (15de - 18de eeuw) , deel III].
[2] In het transactionele perspectief van is sprake van een
transactie wanneer een goed of dienst getransfereerd (geruild) wordt
over technologische grenzen.WILLIAMSON [1981:552; 1985:1] spreekt letterlijk
van een transfer "across a technologically separable interface". Ik heb elders
aangegeven wat de beperkingen zijn van deze omschrijving [BENSCHOP 1993 -
Transactiekosten in de economische organisatietheorie]. In aansluiting
op LEBLICI [1985:103] definieer ik een transactie als een proces waarbinnen de
toekomstige waarde van ruil wordt bepaald, de voor de partijen beschikbare
bronnen worden geallokeerd, en de rechten en verplichtingen van de partijen
m.b.t. toekomstig gedrag worden gespecificeerd binnen het kader van collectieve
regels die het transactieproces constitueren en reguleren. Economische
transacties kunnen verschillende vormen aannemen: kopen/verkopen,
pachten/verpachten, lenen/ verlenen/huren/ verhuren.
[3] LEEMAN [1960: 1 e.v.], POLANYI [1962:117], CURTIN
[1984:67].
[4] Actoren met een onbeperkte rationaliteit zouden
verwikkeld raken in "a single gigantic once-and-for-all forward 'higgle-haggle'
in which all contingent goods and services (i.e. all goods and services at each
possible time-cum-environmental condition) are bought and sold once and for all
now for money payments made now" [MEADE 1971: 166].
[5] Vgl. HART/JOHN MOORE [1988], HART/BENGT/HOLSTROM [1987],
GROSSMAN/HART [1986].
[6] Zie eerder WILLIAMSON [1985:26-30;82,283,316]. Binnen de
'efficiency branch of contract' wordt een onderscheid gemaakt tussen
benaderingen die zich concentreren op 'incentive alignments' en benaderingen
die zich concentreren op de economie van de transactiekosten. De 'incentive
alignment' literatuur concentreert zich op de ex ante kant van het
contract. Nieuwe vormen van eigendomsrechten en complexe overeenkomsten worden
daarom geïnterpreteerd als inspanningen om de 'incentive deficiencies' van
eenvoudiger eigendomsrechten en contractuele tradities te overwinnen Zie
hiervoor de literatuur over eigendomsrechten: COASE [1960], ALCHIAN [1961,
1965], DEMSETZ [1967, 1969] en over de agency-benadering: HURWICS [1972. 1973],
SPENCE/ZECKHAUSER [1971], ROSS [1973], JENSEN/MECKLING [1976], MIRRLEES [1976].
In de transactiekosten benadering wordt meer nadruk gelegd op het stadium van
de contractuitvoering: "the ex post support institutions of
contract matter" [WILLIAMSON 1985:29].
[7] Deze samenhang tussen arbeids- en gezagsverhouding werd
door diverse auteurs uitgewerkt. Voor Met betrekking tot de kapitalistische
arbeidswijze sprak Adam Smith van 'command over labour', Marx van 'Disposition
über Arbeitsvermögen' en 'Autorität des Kapitalisten'
[MEW 23: 377 - vert. p.263; Resultate:19; Grundrisse:165]
en Weber van 'autoritäre Befehlsgewalt', 'Unterwerfung unter eine
Herrschaft' en 'Untertanenbeziehung' [WG: 123, 388, 439 e.v.,543]. Vgl.
RENNER [1926/65: 88]. Zie voor de controverse over het criterium van 'command
over labour': MEEK [1973:60 e.v.], KORVER [1989:3,289 e.v. en boekuitgave
1990:1,173].
[8] Zie latere analyse van de beheersingsvormen door
Edwards.
[9] Gezagsverhoudingen zijn specifiek geformaliseerde en
gestabiliseerde machtsverhoudingen. Vgl. BADER/BENSCHOP [1988:223].
[10] We zullen hieronder aangeven wat hiervan de reden is:
het arbeidsvermogen kan nooit volledig veruiterlijkt worden omdat zij nooit
onafhankelijk van haar menselijke dragers kan bestaan. Daarom kan met de zgn.
waar arbeidskracht niet naar willekeur worden gemanipuleerd zonder ook het
menselijk individu te raken dat toevallig de drager is van deze specifieke
waar. Wanneer er geen bescherming zou zijn door arbeidsrecht e.d. zouden mensen
kreperen.
[11] "Arbeidsvermogen en arbeidsprestatie blijven altijd
gekoppeld; ze kunnen niet van de persoon, de mens, gescheiden worden"
[JUNGGEBURT 1989:77]. Vgl. MOLLEMANS/ PROOS [1983:10], STROOSNIJDER [1983: 12].
[12] Vgl. DEN BROEDER [1977:146].
[13] Vgl. ESPING-ANDERSON [1990 - Three World of Welfare
Capitalism], VISSER [1994 - Internationale variaties in de
maatschappelijke organisatie van de arbeidsparticipatie]
[14] KOHLI/REIN/GUILLEMARD/VAN GUNSTEREN [199@ - Time for
Retirement]. Zie verder: VISSER [1994: 12], KRÄTKE (in Komma).
[15] In aansluiting op deze gedachte van Polanyi
argumenteert BLOCK [1991] dat de staat op een of andere manier het niveau van
'marketness' in de economie moeten verlagen als men de markt zichzelf niet wil
laten vernietigen.
[16] FOX [1974] noemt het arbeidscontract een combinatie van
sociale en economische ruil: het is zowel een statuscontract als een
'Zweck'-contract (in Weberiaanse zin). Bij een zuiver economische ruil
is de persoon slechts als contractant in het geding: als contractant
gaan personen een duidelijk omschreven zakelijke relatie aan. Bij een
sociale ruil is de persoon als hele persoon in het geding: als
persoon gaat men wederzijdse rechten en plichten aan die tamelijk diffuus zijn
geregeld, als persoon wordt men lid van een gemeenschap.
[17] Vervalt
[18] In de op Parsons' handelingstheorie geënte studie
van VAN WEZEL [1986] kent hij aan de arbeidsmarkt een plaats als tussenschakel
toe, een overgangszone tussen twee subsystemen: het economisch systeem (het
bedrijfsleven) en het sociaal-culturele systeem (het systeem van huishoudens).
De arbeidsmarkt stuit hierdoor op twee waardepatronen, op twee
tegengestelde vormen van rationaliteit. Het economisch systeem
staat in het teken van economische rationaliteit: het zo effectief en
efficiënt mogelijk combineren van doelen en middelen terwille van de
voortbrenging van goederen en diensten. In het systeem van huishoudens staat
deze vorm van rationaliteit meestal op de achtergrond en domineert de
waarderationaliteit: bestaanszekerheid. Deze situering van de arbeidsmarkt is
het uitgangspunt voor een theoretisch model van een perfecte arbeidsmarkt. Daar
vindt een 'wederzijdse doordringing' van beide waardesferen plaats, een
wederzijdse afstemming van de verwachtingen van de actoren afkomstig uit beide
systemen, en wel zodanig dat een synthese van economische rationaliteit
en zekerheid tot stand komt. Met dit 'referentiemodel' wil hij - samen
met empirisch gefundeerde hulptheorieën - imperfecties op concrete
arbeidsmarkten opsporen en verklaren. Zie voor een kritiek: VAN HOOF
[1986:185].
[19] KERR [1950] maakte als eerste een onderscheid tussen
twee manieren waarop de term arbeidsmarkt wordt gehanteerd: de loonmarkt
(gekenmerkt door vergelijkbare loonvoeten) en de banenmarkt (de gebieden waarin
arbeiders van baan kunnen veranderen). "De arbeidsmarkt is enerzijds, als het
mechanisme met behulp waarvan de 'factor arbeid' wordt gealloceerd over de
verschillende produktieve inzetmogelijkheden, een schakel in het proces van
voortbrenging van goederen en diensten. Anderzijds is het, als mechanisme voor
de vaststelling van de prijs van de arbeid, ook een schakel bij de verdeling
van de opbrengsten van dit proces" [Van HOOF 1987:22]. Vgl. ook: VAN WEZEL
[1977:11], HAMAKER [1978: 55 e.v.], VAN DER LAAN [1985], JUNGGEBURT [1989:
20,140].
[20] In hoeverre de arbeidsmarkt deze afstemmingsfunctie
succesvol vervult, hangt o.a. af van de structuur van de arbeidsmarkt en van
het strategisch handelen van vragers en aanbieders.
[21] In de meeste analytische en politieke beschouwingen
over de arbeidsmarkt staat als vanouds het vinden van 'het juiste evenwicht'
tussen onderscheiden functies centraal. Een even gebruikelijke als
problematische metafoor is dat er een evenwicht gevonden moet worden tussen
'economische' en sociale' eisen. Dergelijke formuleringen worden ook gebruikt
door de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) . Zij
benadrukt de noodzaak om "economische en sociale eisen te verenigen" [OSA
1984:9] en meent verder: "de vraag naar een optimale verhouding tussen
allocatie- en verdelingseisen is in het het licht van de toekomstige
ontwikkelingen op de abreidsmarkt van strategisch belang" [idem:18].
[22] Er zijn verschillende terminologieën in omloop om
deze beide perspectieven aan te duiden. De WRR [1980] maakt een onderscheid
tussen een 'technocratische' en een 'sociocratische' beleidsvariant. Van ZUTHEM
[1986:56] contrasteert het 'doelmatigheidsperspectief' met het
'rechtvaardigheidsperspectief', en Van HOOF [1987:23] zet 'het perspectief van
de efficiënte allocatie' tegenover 'het perspectief van de rechtvaardige
verdeling'.
[23] KORVER [1990] laat aan het Amerikaanse voorbeeld zien
dat de noodzaak van 'training on the job' en van bedrijfsinterne opleiding niet
alleen de rekruteringsstrategieën heeft verscherpt, maar ook gepaard ging
met de ontwikkeling van interne arbeidsmarkten, 'job ladders',
carrières, het senioriteitsprincipe en 'merit rating' bij bevorderingen,
kortom: met een vergaande formalisering en bureaucratisering van de
organisatie-interne werkgelegenheidsverhoudingen. Bij de analyse van
segmenteringsprocessen en de ontwikkeling van interne arbeidsmarkten kom ik
hier uitvoeriger op terug.
[24] Deze indeling loopt niet parallel met de bekende - ad
hoc - indeling in (1) arbeidsomstandigheden, (2) arbeidsinhoud, (3)
arbeidsvoorwaarden en (4) arbeidsverhoudingen. In deze indeling refereren de
arbeidsomstandigheden aan de aard en structurering van de
fysiek-chemische en ruimtelijke omgeving. De arbeidsinhoud
refereert aan de aard en de structuur van de arbeidsdeling en de positie
die mensen daarin innemen. De arbeidsvoorwaarden refereren aan de aard
en structuur van de loonverhouding en de positie die mensen daarin
innemen. De arbeidsverhoudingen refereren tenslotte de aard en structuur
van de interactieverhoudingen en de positie die mensen daarin innemen.
Daarnaast wordt dan meestal afzonderlijke aandacht besteed aan de specifieke
combinatie van de genoemde vier deelstructuren met andere levenssferen.
[25] Een voorbeeld hiervan is Hamaker's dissertatie
Arbeidsmarkt en personeelsvoorziening. "Het afwegen van wensen,
verwachtingen en mogelijkheden, dat wil zeggen het afwegen van de voor- en
nadelen die aan het bekleden van een arbeidspositie zijn verbonden, bepaalt het
samenspel van vraag en aanbod" [HAMAKER 1976: 104].