Home Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Klassen Zoek Contact
UvA Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
1998 - 2017

Ongelijk-heden

—Sociale ongelijkheid en collectief handelen—
Veit Bader & Albert Benschop

Voorwoord


In Sociale Ongelijkheden wordt een poging gedaan om de enorme veelvoud van sociale ongelijkheden in kaart te brengen. Het accent ligt op de analyse van de structurering van objectieve levensposities. In het tweede deel van dit project komt de samenhang tussen sociale ongelijkheden en collectief handelen aan de orde (Veit Bader [1991] Collectief Handelen. Groningen: Wolters-Noordhoff).

Aan deze studie liggen verschillende ervaringen ten grondslag:

Wie het gebied van sociale ongelijkheid en collectief handelen betreedt, doet er verstandig aan om zeer afstandelijk te werk te gaan. Zo’n afstandelijkheid is nodig om de wederzijdse blindheid van rivaliserende kampen te kunnen doorbreken. Voor deze studie is bewust gekozen voor de positie van vreemdeling, van een vreemdeling in eigen land. Alleen daardoor is het mogelijk zicht te krijgen op nieuwe perspectieven. Daaraan kleven ook een paar nadelen. Als je de problemen vanuit een gedistantieerde positie benadert is het voor een lezer niet zo gemakkelijk om zich te identificeren: wie zich tussen de fronten begeeft, kan van beide kanten vuur verwachten. Bovendien worden er geen hapklare brokken geserveerd die gemakkelijk verteerbaar zijn: wie zich inspant om het vanzelfsprekende waarover meestal niet wordt nagedacht, ter discussie te stellen, mag niet verwachten dat er met veel enthousiasme op wordt gereageerd.

Wie het hele terrein van sociale ongelijkheden wil bestrijken én toch geen onrecht wil doen aan de complexiteit van sociale verschijnselen, maakt het niet alleen zichzelf maar ook de lezer niet gemakkelijk. Toen de eerste resultaten van dit project in boekvorm werden gepubliceerd, waren de publieke reacties dan ook weinig bemoedigend. De meeste Nederlandse stratificatiesociologen konden het zich permiteren om niets van zich te laten horen. Slechts een enkeling stak zijn nek uit en kwalificeerde het boek ‘Ongelijk-heden’ dat ik in 1988 samen met Veit Bader publiceerde als ‘een indrukwekkend standaardwerk’. Dezelfde recensent waarschuwde echter de potentiële lezers tevens voor het risico dat zij lopen wanneer zij dit boek zouden gaan lezen: het zou hen bij tijd en wijle in een staat van volledige vertwijfeling brengen. Ik vrees inderdaad dat de lezers dit op de koop toe moeten nemen: you can’t always get what you want. Wie het risico van vertwijfeling wil vermijden kan zich beter niet met de wetenschap bemoeien.

De hier gepresenteerde analyse van sociale ongelijkheden is in een aantal opzichten innoverend.

a Tussen de fronten
Er worden inzichten van verschillende theoretische benaderingen met elkaar verbonden die tot nu toe als onverenigbaar en rivaliserend werden gezien: handelingstheorie én structuurtheorie, macrotheorie én microtheorie, marxisme én weberianisme, klassentheorie én prestigetheorie, eigendomstheorie én machtstheorie enz.
b Sociale ongelijkheid én collectief handelen
Er wordt een systematische verband gelegd tussen twee theorie- en onderzoekstradities die tot nu toe in vergaande mate gescheiden opereren: sociale ongelijkheid en collectief handelen. Sociale ongelijkheid wordt gethematiseerd in het perspectief van de structurering van collectief handelen. Daarmee wordt een solide basis gelegd voor analyses van collectief handelen. Dat is wat ontbreekt in de belangrijkste benaderingen van collectief handelen: de theorie van bronnenmobilisatie, de theorie van de ‘logic of collective action, en de zgn. ‘policy-approach’.
c Bescheiden protheorie
Ondanks het extreem brede spectrum van de thema’s die worden behandeld, wordt de analyse niet overladen met pretenties die niet kunnen worden waargemaakt. Er wordt geen superdelux-alleomvattende-totaaltheorie van sociale ongelijkheden gepresenteerd. In de sociale wetenschappen wordt van een theorie terecht niet alleen verwacht dat ze begrippen op een consistente manier definieert en de factoren benoemt die relevant zijn voor de verklaring van het kennisobject. Men verwacht vooral dat ze gefundeerde uitspraken bevat over afhankelijkheidsrelaties tussen deze factoren, d.w.z. over functionele, structurele of historisch-causale verbanden. Bovendien zouden deze uitspraken in goed afgebakende en empirisch toetsbare hypothesen moeten worden samengevat, geoperationaliseerd en in empirisch-historisch onderzoek getoetst moeten worden. In dit opzicht kan er geen sprake zijn van een ‘algemene theorie’ van sociale ongelijkheid. Het kennisobject van zo’n theorie is daarvoor veel te omvattend.

  • Een ‘algemene theorie’ van sociale ongelijkheid zou alle verschillende maatschappijformaties moeten omvatten die in de loop van de geschiedenis hebben bestaan en zou een verklaring moeten geven van hun specifieke ongelijkheidsstructuren en ontwikkelingstendensen.

  • Ze zou een algemene theorie van de evolutie van sociale ongelijkheid moeten zijn.

  • Ze zou een theorie van de specifieke ongelijkheidsstructuren in deelsystemen moeten zijn.

  • Ze zou alle factoren die relevant zijn voor de verklaring van sociale ongelijkheid in een theoretisch model moeten samenvatten.

Dit alles bijeen en dan toch nog consistent, dat is - in ieder geval op dit moment - te veel gevraagd (‘you really can’t always get what you want’).

Daarom wordt er hier een een andere weg ingeslagen, een protheoretische weg. Een protheoretische benadering van sociale ongelijkheden biedt een groot aantal voordelen:

  • zij maakt gecontroleerde begripsvorming mogelijk: zij geeft een duidelijke afbakening van de basisbegrippen die in theorievorming en onderzoek worden gebruikt, rekent af met tegenstrijdige en ambivalente noties en expliciteert de normatieve en politieke lading van de diverse begrippen;

  • zij biedt een heldere probleemstructurering: ze maakt duidelijke onderscheidingen tussen analytische niveaus, waardoor een gedifferentieerde analyse mogelijk wordt van de factoren die relevant zijn voor de verklaring van sociale ongelijkheden en collectief handelen;

  • ze laat verschillende mogelijkheden en consequenties van theorievorming zien: ze legt weliswaar geen specifieke theorieën vast, maar biedt wel criteria om deze te beoordelen op hun complexiteit en reikwijdte;

  • zij geeft vertaalregels aan waardoor de kans op wederzijds begrip tussen verschillende benaderingen wordt vergroot;

  • zij biedt aanknopingspunten voor concurrerende theorieën op de verschillende niveaus van analyse: zij is een steiger met behulp waarvan alternatieve theorieën kunnen worden opgetrokken;

  • zij sluit theoretische discussies niet af, maar maar nodigt uit tot discussies en argumentatieve meningsverschillen: zij biedt weliswaar geen nieuwe consensus, maar vergroot wel de mogelijkheden om bestaande meningsverschillen te begrijpen resp. om overeenstemming te bereiken over de feitelijke meningsverschillen;

  • zij biedt nieuwe aanzetten voor empirisch-historisch onderzoek: zij geeft richting aan het onderzoek via een gestructureerde lijst van factoren die - in contextafhankelijke verklaringen - in ieder geval onderzocht zouden moeten worden.
Al deze ‘beloftes’ worden hier echter met grote terughoudenheid op een rijtje gezet. Want belofte maakt schuld. Met deze schuld valt echter te leven wanneer de lezer zich verplicht weet aan de oude culinaire wijsheid: ‘the proof of the pudding is in the eating’.

top
Home Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Klassen Zoek Contact

dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Maart, 2010
Laatst gewijzigd: 13 September, 2013