Home Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Klassen Zoek Contact
UvA Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
1998 - 2017

Ongelijk-heden

—Sociale ongelijkheid en collectief handelen—
Veit Bader & Albert Benschop

IV. Behoeften — Activiteiten — Verhoudingen

    Inleiding
  1. Behoeften
  2. Individuele behoeften en functionele vereisten
  3. Functionele differentiatie van activieiten en verhoudingen
  4. Empirische diffferentiatie van activiteiten en verhoudingen
Schema’s en Figuren
4a. Arbeid - Gebruikswaarden - Behoeften
4b. Individuele behoeften en maatschappelijke vereisten
4c. Functionele differentiatie van activiteiten en verhoudingen
4d. Empirische differentiatie van activiteiten en verhoudingen
Dit is een bewerkte versie van hoofdstuk IV uit:
V.M. Bader & A. Benschop, Ongelijk-heden. Sociale ongelijkheid
en collectief handelen (deel 1). Groningen 1988.

Inleiding
Onderzoekers van sociale ongelijkheden hebben al vaak geprobeerd om een onderscheid te maken tussen verschillende velden, bereiken, subsystemen of uitgedifferentieerde maatschappelijke activiteitsverhoudingen. Zo werd het driedimensionale class-status-power-model bijvoorbeeld opgevat als een indeling van ongelijkheden in ‘economische’, ‘sociaal-culturele’ en ‘politieke’ subsystemen. In de marxistische traditie werd het onderscheid tussen ‘economische’, ‘politieke’ en ‘ideologische’ ongelijkheid vaak opgevat als een domein- of veldspecifieke differentiatie. In de functionalistische statussociologie werden onder verwijzing naar ‘major societal functions’ in eerste instantie zeer heterogene ongelijkheidsrelevante subsystemen onderscheiden [Davis/Moore 1945; Davis 1950; Aberle e.a. 1950; Levy 1952:150]. Dit gebeurde al voordat de systematiek van het AGIL-schema van Parsons [1953, 1966] zich had doorgezet. En tenslotte was ook Webers onderscheid van kansen in verwantschappelijke, religieuze, economische, politieke, artistieke, seksuele, erotische, wetenschappelijke ‘Lebensordnungen’ zo geconcipieerd.

De onoverzichtelijkheid en heterogeniteit van indelingen en onderbouwingen is groot. Dat wordt helaas niet kleiner wanneer men te rade gaat bij algemene maatschappijtheorieën en zoekt naar gefundeerde differentiaties van subsystemen die gebruikt kunnen worden voor de indeling van de objecten van toeëigening. Ook in deze theorieën vind men geen goed beargumenteerde, niet-reductionistische en vooral empirisch vruchtbare indelingen van maatschappelijke activiteitsverhoudingen.

Vergelijk in dit verband Luhmanns lof op het theoretische opportunisme met de vierledige logica van Parsons’ analyse van handelingssystemen, media enz. Zie ook het pragmatisme bij de introductie van ‘velden’ bij Bourdieu. Hoewel ons voorstel in eerste instantie gericht is op het ongelijkheidsonderzoek kan het misschien ook in andere verbanden nuttige diensten bewijzen.
Daarom zullen we hier zelf een functionele en empirische differentiatie van maatschappelijke activiteiten en verhoudingen uitwerken. Wij volgen ook hier weer de ‘logica van de desaggregatie’. Hiervan verwachten wij een onderzoeksstrategisch vruchtbaarder indeling dan de gebruikelijke, bedrieglijk systematische en elegante drie- of vier-velden schema’s.

Analyses van functionele en empirische differentiatie van maatschappelijke activiteiten en verhoudingen stuiten op een aantal bekende moeilijkheden. In de eerste plaats moeten de functionele referentiepunten en -eenheden zo nauwkeurig mogelijk worden gëexpliciteerd. In de tweede plaats moet er een onderscheid worden gemaakt tussen (i) functionele differentiatie van maatschappelijke activiteiten, (ii) functionele differentiatie van maatschappelijke verhoudingen waarin deze activiteiten worden uitgeoefend, en (iii) de verschillende graden van feitelijke, empirische differentiatie van maatschappelijke activiteiten en verhoudingen. We zullen beide problemen kort toelichten.

  1. Explicatie van functionele referentiepunten en -eenheden
    In functionele analyses moeten de referentiepunten die men hanteert zo duidelijk en eenduidig mogelijk worden benoemd. Zoals bekend wordt de systeemreferentie met het overdragen van functionalistische systeemtheoretische methoden naar de sociale wetenschappen problematisch. Ten eerste is de identiteit van sociale systemen waarop functies worden betrokken niet zonder meer gegeven, zoals dit bij biologische organismen en machines kon worden aangenomen. Ten tweede mogen functies niet zomaar worden gereduceerd tot functies voor de instandhouding van de systeemstructuur, wat met de ontwikkeling van het autopoësis-concept in de systeemtheorie is onderkend. Tenslotte is intussen ook duidelijk geworden dat het spreken over ‘functional requirements of societies’ alleen maar een niet-reïficerende betekenis kan hebben, als maatschappijen niet worden opgevat als handelingsbekwame subjecten in groot formaat (‘super-subject’), waaraan behoeften (‘functional needs’) zouden kunnen worden toegeschreven.

      In het oudere sociologische functionalisme werden aan de samenleving als geheel of aan sociale structuren doeleinden toegeschreven als ware het handelings- en wilsbekwame subjecten. Zie hiervoor de kritieken van Tjaden [1969], Lukes [1974], Marwedel [1976], Turner/Maryanski [1979]. Dergelijke bezwaren gaan niet meer op voor de nieuwe autopoëtische versies van de sociologische systeemtheorie [Luhmann 1984].

    Als referentiepunt voor onze functionele differentiatie van maatschappelijke activiteiten en verhoudingen kiezen wij enerzijds de gedifferentieerde behoeften van historisch ontwikkelde individuen, anderzijds bepaalde functionele vereisten voor de instandhouding en ontwikkeling van maatschappijen. Beide referentiepunten worden in § 1 en § 2 uitvoeriger toegelicht.

  2. Verschil tussen functionele en empirische differentiatie
    De feitelijke empirische differentiatie van functioneel onderscheiden activiteiten en verhoudingen is een historisch product. Ook in functioneel sterk gedifferentieerde en in deze zin ‘ontwikkelde’ maatschappijen blijft het onderscheid tussen functionele en empirische differentiatie fundamenteel: empirisch sterk gedifferentieerde beroepsactiviteiten en organisaties of instituties die gespecialiseerd zijn in één bepaalde functie, vervullen altijd meerdere functies. De problemen die hiermee verbonden zijn werden vooral manifest in antropologische studies. Het op conventionele —en niet op theoretische— gronden afgebakende kennisobject van de culturele antropologie zijn zgn. primitieve, traditionele, tribale samenlevingen. Het zijn niet functioneel maar hoogstens segmentair gedifferentieerde voorindustriële maatschappijen of de nissen van ontwikkelde maatschappijen die relatief weinig functioneel gedifferentieerd zijn [Godelier 1973:36 e.v.; 1974:129. Zie voor een introductie op het werk van Godelier: Van der Gijp 1982].

    Zowel voor de functionalistische en structuralistische antropologie [klassiek: Malinowski 1925/6, Radcliffe-Brown 1952] als voor de marxistische antropologie [Godelier, Terray, Meillasoux e.a.] betekende dit dat een duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen functionele en empirische differentiatie. De analytisch duidelijk te onderscheiden basisfuncties die in elke maatschappij vervuld moeten worden, wil zij langere tijd kunnen bestaan, worden in ‘primitieve’ samenlevingen of maatschappijsegmenten immers juist niet of slechts in aanzet uitgekristalliseerd in empirisch gedifferentieerde instituties of organisaties. Zo is in klassenloze maatschappijen zonder staat bijvoorbeeld het verwantschapssysteem de algemene of ‘totale institutie’ [Evans-Pritchard, Sigrist, Sahlins]. Naast en los van dit verwantschapssysteem bestaan geen specifieke of slechts rudimentaire economische, juridische, religieuze instituties. De verschillende functies die door deze omvattende institutie worden vervuld, kunnen evenwel alleen maar duidelijk worden geanalyseerd wanneer zij als zodanig analytisch worden onderscheiden.

    Dit geldt natuurlijk ook voor empirisch sterk gedifferentieerde maatschappijen. De empirische differentiatie van werksoorten of beroepen mag niet worden verwisseld met functionele differentiatie van maatschappelijke activiteitsverhoudingen. En de empirische differentiatie van organisaties of instituties mag niet worden verwisseld met functionele differentiatie van maatschappelijke verhoudingen. Voor de theoretici bieden deze maatschappijen het voordeel dat de functionele differentiatie gemakkelijker herkenbaar is. Dit kennisvoordeel slaat echter om in een kennisgrens wanneer geen rekening wordt gehouden met de principiële multifunctionaliteit van empirisch gedifferentieerde activiteiten en instituties.

    De relatie tussen functionele empirische differentiatie van activiteiten en verhoudingen worden in § 3 en § 4 uitvoeriger behandeld.

Ter afsluiting van deze introductie willen we wijzen op de methodische problemen van de differentiatietheorie. Werkelijke differentiatie is —iets te grof geformuleerd— de wetenschapshistorische voorwaarde voor de kenbaarheid van functionele of analytische differentiatie. Het methodische devies luidt: analyseer minder gedifferentieerde of minder ontwikkelde verhoudingen vanuit de meer gedifferentieerde verhoudingen. Dit devies is voor de sociale wetenschappen klassiek door Marx geformuleerd:

Wij nemen dit methodische principe als leidraad voor de analyse van gedifferentieerde behoeften, activiteiten en verhoudingen. En daarom willen we hier direct wijzen op twee gevaren die met dergelijke evolutietheoretische argumentaties verbonden zijn.
  1. Het evolutionair gezien meer gedifferentieerde wordt vaak gemakkelijk en gedachteloos behandeld als het normatief ‘hogere’ of betere. Dat was ook bij Marx nog het geval. Het differentiatietheoretische principe kan echter wel degelijk normatief neutraal worden gehanteerd. Een meer gedifferentieerde behoeftestructuur is niet alleen al daarom ook ‘beter’. Ook in de burgerlijke wereld werd de vergaande empirische specialisatie van activiteiten steeds weer belast met het odium van ‘vervreemding’. Maar maatschappijen kunnen zich ook ‘verdifferentiëren’ — zoals ook Luhmann later ontdekte.

    Wij denken echter dat alleen een dergelijk methodische principe het mogelijk maakt om de cognitief belangrijke vragen te stellen: waarom en onder welke maatschappelijke voorwaarden kunnen welke behoeften überhaupt ook empirisch (door de actoren zelf) worden onderscheiden, en in hoeverre zijn deze behoeften empirisch zo uitgekritalliseerd dat zij in verschillende hantelingscontexten en instituties bevredigd worden.

    Normatieve kwesties tussen haakjes
    Hiermee worden normatieve discussies over ontwikkelingslogica’s en -niveaus natuurlijk niet uitgesloten. We zetten deze discussies hier alleen maar bewust tussen haakjes. Normatieve kwesties moeten openlijk en als zodanig worden besproken — zoals bijvoorbeeld Habermas [1983] doet in aansluiting bij Kohlberg [1981]. Normatieve oordelen kunnen in ieder geval niet eenvoudig uit empirische differentiatie worden geëxtrapoleerd.

  2. Alle begrippen die op de een of andere manier historisch informatief zijn, hebben een “temporeel beperkte waarde die niet willekeurig ver in het verleden verlengd kan worden” [Wehler 1976:20. Vgl. Brunner 1962, Koselleck 1972]. Als men functioneel gedifferentieerde behoeften, activiteiten en verhoudingen wil formuleren die voor alle historische maatschappijen geldig zijn, dan moet men deze zo algemeen benaderen, dat specifiek historische verhoudingen niet —door een verkeerde en apologetische generalisatie— tot universele worden verklaard (dit gevaar heeft Marx wél duidelijk gezien). Daarom zullen we in dit hoofdstuk terugkomen op de te verwachten pseudomorfose van centrale begrippen zoals ‘economie’, ‘staat’, ‘openbaarheid’, ‘recht’, ‘politiek’ enz.

    Geen verbod op algemene begrippen
    Deze basisbegrippen zijn noodzakelijkerwijs abstract en historisch open. Maar dit betekent zeker niet dat ze overbodig zijn. In de marxistische traditie was het bijvoorbeeld een fout met grote gevolgen om Marx’s aversie tegen deze ‘gemeenplaatsen’ [MEW 26.1:256] uit te breiden tot een denk- en begripsverbod.

Index1. Behoeften

Het centrale referentiepunt voor de functionele differentiatie van activiteiten en verhoudingen zijn behoeften. Menselijke activiteiten worden door behoeften gemotiveerd en zijn direct of indirect georiënteerd op de bevrediging van behoeften. Wij gaan daarbij uit van het hiervoor geschetste methodische principe, dat meer gedifferentieerde en ontwikkelde behoeftestructuren de sleutel bieden voor het begrip van minder gedifferentieerde behoeften [Maslow 1970/1981: 67, 75, 108].

Behoeften als politiek oriëntatiepunt
Behoeften spelen een cruciale rol in de definitie van utopische alternatieven. De klassieke formulering van het socialistisch-communistische basisprincipe luidt: “A chacun suivant ses besoins — De chacun suivant ses forces” [Étienne Cabet - Voyage en Icarie, Parijs 1839]. De verdeling van maatschappelijke rijdom volgens het behoefteprincipe werd al door Morelly en De Mably geëist, voordat het door Marx werd overgenomen.
Al sinds de vroegburgerlijke politieke filosofie en maatschappijtheorie speelt het behoeftebegrip een sleutelrol in verklaringen individueel menselijk handelen (‘motivatietheorieën’) en van collectief maatschappelijk handelen alsmede in alternatieve maatschappijmodellen en politieke strategieën.

Zowel in het alledaagse als wetenschappelijke taalgebruik werd ‘behoefte’ even vaak als meerduidig en inconsistent gebruikt [Doyal/Gough 1986:32; Kim-Wawrzinek 1982:456].

In het dagelijkse taalgebruik zijn behoeften aanduidingen voor iets ‘wezenlijks’, voor een ‘bewust gemis van iets dat niet of zeer bezwaarlijk ontbeerd kan worden’. Behoeften worden gebruikt als synoniem voor ‘wensen’ en ‘verlangens’, ‘instincten’ en ‘driften’, voor ‘belangen’, voor effectieve, d.w.z. ‘koopkrachtige vraag’, of juist omgekeerd voor de actuele behoeften die niet als koopkrachtige vraag gearticuleerd kunnen worden. Daarin zijn al —als verzonken cultuurgoed— een paar van de ‘theorieën’ herkenbaar die de betekenissen van het behoeftebegrip hebben gestempeld: naturalistische, psychologische, antropologische, egoïstisch-utilitaristische of economische, historisch-culturele en expliciet ethische theorieën.

Geen serieuze behoeftetheorie
Het doel van onze uiteenzetting is het ontwikkelen van een functioneel georiënteerde indeling van behoeften welke als referentiekader gebruikt kan worden voor onze verdere analyse. Hiervoor is het niet nodig uitvoerig in te gaan op de overigens zeer schaarse pogingen om te komen tot een behoeftetheorie. Van een gedifferentieerde, consistente en empirisch toetsbare behoeftetheorie is eigenlijk nauwelijks sprake. Zie voor relevante studies: Heller [1976], Fitzgerald [1977], Lederer [1980], Soper [1981], Doyal/Gough [1986]. Zie voor theorie-historische overzichten: Kim-Wawrzinek [1982] en Müller [1982].

Index


1.1 Behoefte: contouren van een begrip

Bij zo’n grote variabiliteit en verscheidenheid van de behoeften en zo’n grote veelvoud van behoeftebegrippen is het een riskante onderneming om een algemeen behoeftebegrip te forumleren. Toch kunnen we twee aspecten onderscheiden die in de meest uiteenlopende behoeftebegrippen worden gecombineerd.

  1. Een behoefte is een hypothetische constructie om menselijke activiteiten te verklaren. Menselijke activiteiten worden aangedreven of gemotiveerd door interne condities die behoeften worden genoemd. In deze causale betekenis is behoefte dus een motiverende kracht, die ertoe bijdraagt dat een actor vanuit een initiële toestand van ‘behoeftigheid’, van ‘nood’, van ‘gebrek’ of van ‘spanning’ in een toestand van bevrediging wordt gebracht waarin deze kracht tijdelijk verdwijnt. Behoeften zijn dus motivationele krachten die homeostatisch werken, d.w.z. ter instandhouding of ontwikkeling van het biologisch-fysiologisch en psychisch systeem.

    Behoefte als hypothetische constructie
    “De dynamische, tot activiteit aanzettende eigenaardigheid van de behoefte ontstaat uit de tegenspraak tussen pathetisch beleefde nood en de beleving van de noodzakelijkheid, van de anticipatie op de te bereiken levenssituatie waarin de nood gelenigd zal zijn” [Holzkamp 1973:139]. In praktisch alle omschrijvingen van behoeften komt het aspect van de gevoelde nood, van het gebrek enz. terug. Dit geldt ook voor de klassieke definities:
    • “Behoefte is het gevoel van een gebrek, verbonden met het streven om dit gebrek uit de weg te ruimen” [Friedrich von Hermann, 1832 - Staatswirtschaftlichen Untersuchungen].
    • “Behoefte is het gevoel van een verstoring in het evenwicht van de substantie of energie van het organisme en van de daarmee verbonden drift gericht op eliminatie van de verstoring” [Frans Oppenheimer 1923:326 - System der Soziologie].

    Maar het geldt nog steeds voor definities die in Wikipedia de ronde doen: behoefte is “een ontbering en begeren wat ontbreekt” [nl], “das Verlangen oder der Wunsch, einem empfundenen oder tatsšchlichen Mangel Abhilfe zu schaffen” [de]

    Het hypothetische karakter van behoeften als motiverende kracht werd sterk benadrukt door Henry Murray.

      “A need is a construct (a convenient fiction or hypothetical concept) which stands for a force (the physiological-chemical nature of which is unknown) in the brain region, a force which organizes perception, apperception, intellection, conation, and action in such a way as to transform in a certain direction an existing, unsatisfying situation. A need is sometimes invoked by internal processes of a certain kind (viscerogenic, endocrinogenic, thalamicogenic) arising in the course of vital sequences, but, more frequently (when in a state of readiness) by the occurrence of a few commonly effective press (or by anticipatory images of such a press). Thus it manifests itself by leading the organism to search for, or avoid encountering, or, when encountered, to attend to and respond to certain kinds of press...Each need is characteristically accompanied by a particular feeling or emotion ... it may be weak or intense, momentary or enduring. But usually it persists and gives rise to a certain course of overt behavior (or fantasy) which (if the organism is competent and external opposition not insurmountable) changes the initiating circumstances in such a way as to bring about an end situation which stills (appeases or satisfies) the organism” [Murray 1938:123-4].

    Murray gebruikt de homeostase-conceptie uit de fysiologische drifttheorieën. Hij benadrukt echter tegelijk dat behoeften niet alleen voortvloeien uit fysiologische evenwichtstoringen, maar eerder worden opgewekt door specifieke gebeurtenissen in de omgeving die bepaalde bedreigingen of beloftes bevatten. Zijn motivatiemodel bevat de volgende elementen:

    1. Een bepaalde omgevingsprikkel heeft een bepaald —gewenst of ongewenst— effect op het organisme.
    2. Hierdoor wordt een ‘drift’ of ‘behoefte’ opgewerkt.
    3. Het organisme wordt geactiveerd om tot bepaalde activiteiten over te gaan die motorisch, verbaal, ideëel, of zelfs onbewust kunnen zijn.
    4. Het effect van deze activiteiten werkt in de richting van herstel van evenwicht.
    5. Vaak kan deze —gedemotiveerde— toestand alleen door middel van een specifiek doel-object worden bereikt; deze objecten krijgen hierdoor een cathectische waarde.
    6. Het herstelde evenwicht dat de drift of behoefte verdrijft, werk een aangenaam gevoel van bevrediging op [Bolles 1967:80 e.v.].

    Soortgelijke eenvoudige homeostatische modellen vinden we overigens ook al in de evenwichtsconceptie van Sigmund Freud en bij Kurt Lewin [1926].

    Agnes Heller maakt een onderscheid tussen biologische en antropologisch-sociale homeostase en benadrukt dat bij mensen ook het opwekken van het driftgevoel sociaal bepaald is [Heller 1980:53 e.v.]. Daarbij gaat de uitbreiding van het ‘Ik-systeem’ altijd gepaard met het veilig stellen van de ‘Ik-continuïteit’. Het Ik selecteert datgene wat zijn instandhouding en uitbreiding als een sociaal organisme veilig stelt. Het Ik selecteert dienovereenkomstig tegelijk de gestelde taken. Wanneer het daartoe niet in staat is, is het dus ook niet in staat om te leven [Heller 1980:37].

  2. In onderscheid van deze causaal-motivationele betekenis wordt voor het finaal-intentionele karakter van menselijke behoeften benadrukt. Behoefte is “een gevoel dat intentioneel gericht is op een specifiek object” [Soper 1981:19]. Menselijke behoeften zijn in de regel intentioneel gericht op specifieke objecten, of dit nu bewust gebeurt of tot op bepaalde hoogte onbewust blijft. De objecten die in staat zijn om zowel behoeften op te wekken als te bevredigen kunnen niet alleen ‘dingen’ zijn, maar ook andere mensen, sociale relaties, situaties enzovoort.

    Behoeften zijn betrokken op een specifiek object
    Behoefte is dus een gevoelsmatig betrokken zijn op ‘iets’, een doel-object. “Ik heb behoefte aan...” wil zegen: “Ik voel dat ik intentioneel georiënteerd ben op een specifiek object”. De aard van deze gevoelde relatie tot specifieke objecten kan verschillend zijn. Agnes Heller maakt daarbij een onderscheid tussen zes verschillende gevoelstypen: driftgevoelens, affecten, oriëntatiegevoelens, emoties (cognitief-situationele gevoelens), karakter- of persoonlijkheidsgevoelens en stemmingen. Voor onze pro-theoretische benadering is het niet nodig om in te gaan op de afzonderlijke leden van deze gevoelsfamilies. Het grote voordeel zo’n desaggregerende benadering is overigens wel (i) dat de kwalitatieve niveauverschillen tussen de gevoelsfamilies strak en relatief eenduidig geconcipieerd kunnen worden, en (ii) dat hierdoor een analytische ingang wordt verkregen om het bekende syndroomkarakter van concrete menselijke gevoelens open te breken.

    Strikt genomen betekent deze intentionele betrokkenheid op een object dat er geen behoefte is tenzij er een specifiek object bestaat waarop de behoefte zich kan richten. Voor de ontdekking en productie van antibiotica kon er geen behoefte aan antibiotica bestaan. Objecten kunnen echter in de verbeelding bestaan en intellectueel worden geanticipeerd. Daarom kan men bijvoorbeeld toch zeggen: hoewel er nog geen adequaat medicijn tegen Aids bestaat, is daar nu wel degelijk geanticipeerde behoefte aan. Men kan verlangen naar iets dat nog niet bestaat.

Wij stellen voor om een nauwkeurig onderscheid te maken tussen behoeften en belangen. De intentionele betrokkenheid op objecten impliceert niet dat deze objecten als schaars worden ervaren en gedefinieerd: mijn behoefte om te drinken verdwijnt niet wanneer er water in overvloed voorhanden is. Behoeften worden pas belangen wanneer zij niet gelijktijdig, in dezelfde mate of gemeenschappelijk bevredigd kunnen worden. Belangen veronderstellen een tegenstelling tot andere behoeften en vooral tot behoeften van anderen [In deel 2 Collectief handelen komen we hier uitvoerig op terug].

De intentionele gerichtheid van behoeften impliceert dat zij niet alleen vaag gevoeld, maar min of meer duidelijk ervaren en bewust (kunnen) worden. Als zodanig worden behoeften door actoren zelf (‘subjectief’) gearticuleerd en gedefinieerd, en door anderen —inclusief politici en wetenschappers— geïnterpreteerd. Deze verschillende en vaak tegengestelde behoeftedefinities worden beïnvloed door habituele gewoontes, telkens verschillend geïnterpreteerde ervaringen, door verschillende cognitieve en normatieve duidingspatronen en duidingen en door de specifieke informaties die in de gegeven situatiedefinities zijn vervat. Zelfs de meest elementaire, driftmatige of fysiologische behoeften kunnen binnen zekere grenzen verschillend worden gedefinieerd [de historisch ontwikkelde distantie tot de eigen behoeften wordt besproken door Holzkamp 1983:244].

Behoeften zijn dus meestal in taal gearticuleerde (of minstens articuleerbare) behoeften en hun definities zijn variabel en omstreden.

Behoeften gaan echter niet op in deze verbale definities en zij zijn niet naar believen kneedbaar. Definities van behoeften zijn verankerd in de ‘menselijke natuur en psyche’ en in de objectieve maatschappelijke levenspositie. Zij worden door deze behoeftebasis gestructureerd, ook al worden ze hierdoor niet helemaal vastgelegd of gedetermineerd. Deze behoeftebasis vormt hun weliswaar historisch veranderlijke, maar toch harde kern. Deze harde kern laat zich niet wegdefiniëren en beperkt de speelruimte voor hun interpretatie en manipulatie.

Actuele behoeften zijn behoeften zoals deze feitelijk door individuele of collectieve actoren worden ervaren en gedefinieerd als resultaat van de oriëntatie op de gevoelde nood, gebrek of spanning in de eigen natuurlijke en sociale levenssituatie en gericht op specifieke objecten. Alleen de actuele en subjectieve behoeften kunnen als motivationele of intentionele ‘real reasons’ feitelijk handelen bewerkstelligen. Actuele behoeften ontstaan echter niet spontaan in de ‘antropologische inborst’ van de individuen, maar in de context van specifieke maatschappijen en instituties. Zij worden hierdoor op veelvoudige wijze beïnvloed. Deze invloed mag niet onttrokken worden aan de analyse door het ‘subjectivistische net’ dat in de traditie van liberale pluralismetheorieën om het behoefte- en belangenbegrip gespannen is [Barry 1969, Baldus 1971, Conally 1972, Wall 1975, Doyal/Gough 1986, Soper 1981].

De constructie van potentiële behoeften is niet eenvoudig per definitie totalitair of repressief:

Potentiële behoeften zijn geen reservaat voor manipulatieve politieke strategen maar spelen zowel voor wetenschappelijke verklaringen als voor democratische, pedagogische en politieke veranderingsstrategieën een belangrijke rol.

Potentiële behoeften zijn behoeften die op grond van een hypothetische constructie aan individuele of collectieve actoren worden toegeschreven. Deze hypothetische constructie gaat uit van de volgende vooronderstellingen:

  1. Het is mogelijk om uitspraken te doen over de organische, psychische en sociale ‘natuur’ van individuele en collectieve actoren die niet willekeurig zijn en ook niet speculatief.
  2. Op grond van deze uitspraken is te verwachten dat de actoren hun eigen behoeften anders zouden definiëren dan zij feitelijk doen,
    1. wanneer zij zich bewust zouden kunnen oriënteren op de noden en spanningen in hun eigen natuurlijke en sociale levenssituatie en daarbij niet gehinderd zouden worden door gehabitualiseerde gevoelens en gewoontes.
    2. wanneer zij over voldoende specifieke informaties en alternatieve cognitieve duidingspatronen en verklaringen zouden beschikken.
    3. wanneer zij niet belemmerd zouden worden door normatieve waarderingspatronen en waarderingen die niet geuniversaliseerd —en dus ook niet door een democratische ethiek gefundeerd— kunnen worden.

      Eenvoudige en complexe voorbeelden
      De constructie van potentiële behoeften speelt een —bijna onherkenbare— rol in het traditionele onderscheid tussen wants en needs. De suikerpatiënt wenst, wil, of verlangt naar suiker, maar heeft eigenlijk insuline nodig. In dit —schijnbaar eenvoudige— voorbeeld zijn het cognitieve verklaringspatroon en de verklaring, alsmede de relevante informatie relatief onomstreden en is de waardereferentie het ’gezonde organisme’.

      De complexiteit van de constructie van potentiële behoeften wordt pas goed zichtbaar als men voorbeelden kiest waarin normatieve referenties en cognitieve aspecten veel minder eenduidig en veel meer omstreden zijn: van het verlangen om te roken, te drinken of drugs te gebruiken, via de hartstochtelijke wensen van verslaafden aan televisie of gokautomaten tot aan de zgn. ‘valse’ consumentistische behoeften, het hunkeren naar macht, de manische geldzucht, en het ijdele verlangen naar prestige.

      Menselijk handelen wordt niet uitsluitend en rechtstreeks door ‘eigen behoeften’ gemotiveerd of gedicteerd. Het is mogelijk om de eigen behoefte ‘ter kennis te nemen’ en vanuit deze gnostische relatie kan de bevrediging van de behoeften —rekening houdend met de maatschappelijke handelingsmogelijkheden— worden gepland, geherstructureerd of uitgesteld. Actuele behoeften kunnen zelfs bewust worden verwaarloosd ter wille van meer algemene (bevredigings)doelen op lange termijn.

De constructie van potentiële behoeften fungeert in wetenschappelijke verklaringen als een heuristisch model. Vanuit dit model wordt de contrafeitelijke vraag aan de orde gesteld: waarom definiëren mensen hun behoeften anders dan op grond van deze hypothetische constructie verwacht mag worden of waarschijnlijk is. Zo’n vraag stimuleert om op zoek te gaan naar de feitelijke relevante factoren die de actuele behoeften kunnen verklaren.

Dat is het verschil
De discrepantie tussen potentiële en actuele behoeften is niet alleen het resultaat van het feit (1) dat de betreffende actoren verkeerde cognitieve verklaringspatronen en verklaringen hebben, (2) dat zij geen of ontoereikende informatie hebben of (3) dat zij er onjuiste normen op na houden, d.w.z. normen die niet libertair zijn en in het algemeen niet universeel gemaakt kunnen worden. Deze discrepantie kan immers ook het gevolg zijn van het feit (4) dat de theoretische constructies van de potentiële behoeften die wetenschappers produceren zelf inconsistent, reductionistisch en dus onwaar zijn, of (6) dat hun empirische analyse van de behoeftestructuur en de historische veranderingen die daarin optreden onvoldoende of verkeerd is. Juist op het punt van behoeftedefinities kan overigens niet erg veel waarde worden toegekend aan het —in het algemeen toch al zeer minimale— voorspellende vermogen van sociaalwetenschappelijke theorieën. In deel 2 komen we hier op terug bij de bespreking van ‘potentiële belangen’.

In pedagogische en politieke strategieën staat de constructie van echte, werkelijke of ware potentiële behoeften in tegenstelling tot de valse, verkeerde, vervreemde actuele behoeften direct in het teken van de beïnvloeding, de praktische verandering van de actuele behoeftedefinitie van de actoren. Deze strategieën kunnen principieel democratisch zijn, nml. wanneer zij uitgaan van de autonomie en mondigheid van de actoren om in laatste instantie zelf over hun eigen behoeften te beslissen [Soper 1981:9]. In dat geval zijn zij erop gericht de autonomie van deze beslissingen en daarmee de potentiële vrijheid van de actoren te vergroten. Zij kunnen echter ook, manipulatief en repressief zijn. Op het specifieke probleem van de —heersende maar vaak ook oppositionele— ‘dictatuur over de behoeften’ [Fehér/Heller 1979] komen we in deel 2 uitvoeriger terug bij de behandeling van de belangen.

Wassen of drinken?
De constructies die bekend zijn ut de verschillende maatschappijkritische tradities zoals de Kritische Theorie, de humanistische psychologie e.d. zijn in de regel niet alleen theoretisch en empirisch zeer labiel, ze zijn ook vaak niet libertair maar totalitair geformuleerd. Alleen wanneer deze ‘behoeftekritiek’ zich principieel van dit odium kan bevrijden is ze te verenigen met de doelstellingen van een libertair en democratisch socialisme.

Vanuit deze doelstelling is het probleem van de morele beoordeling en legitimatie van behoeften eigenlijk een probleem van de belangen. Het probleem van de legitimatie van behoeften is voor een libertair-democratische ethiek pas aan de orde wanneer het gaat om tegengestelde, niet gelijktijdig of gemeenschappelijk te bevredigen behoeften.

Zolang schoon water niet als schaars wordt ervaren heeft het geen enkele zin om te praten over de ‘legitieme behoefte’ van het drinken of van het douchen. Pas wanneer water schaars wordt komen hygiënische behoeften tegenover die van anderen te staan en komen ze tenslotte ook in tegenspraak met drinkbehoeften van anderen. In dit geval zou men het niet-beperken tot deze behoeften ‘illegitiem’ kunnen noemen. Maar wij geven er dan de voorkeur aan van illegitieme belangen te spreken. Het zijn immers niet de behoeften die hierdoor ‘illegitiem’ worden, maar hun bevrediging ten nadele van anderen.

De enige in deze libertair-democratische zin ‘illegitieme behoefte’ zouden de behoeften zijn die principieel alleen ten koste van anderen bevredigd kunnen worden: behoeften aan macht, prestige, roem, eer of distinctie. Daarom zullen we deze behoeften hieronder nauwkeurig analyseren.

Door zijn optimistische antropologie ging Maslow aan dit proleem voorbij. Hij vat de ‘fundamentele behoeften’ op als “een systeem van intrinsieke menselijke waarden, menselijke goederen die zichzelf rechtvaardigen, die intrinsiek goed zijn en geen verdere rechtvaardiging behoeven”. Uit “de erkenning dat mensen het recht hebben menselijk te zijn” [1979:81:26] vloeit echter geenszins onmiddellijk voort dat behoeften ‘natuurlijke rechten’ zijn, en zeker niet dat mensen moreel gezien het ’natuurlijke recht’ hebben om —altijd en onder alle omstandigheden— hun fundamentele behoeften te bevredigen. En ook al erkend men dat de bevrediging van een behoefte een ‘waarde’ [idem 50] is, dan impliceert dit nog geenszins dat de “behoeftebevredigingen die doeleinden in zichzelf schijnen [...] geen verdere rechtvaardiging of bewijsvoering schijnen te behoeven” [idem 68].

We hebben hiermee de belangrijkste elementen geschetst van ons behoeftebegrip. Behoeften zijn intern gegenereerde motiverende krachten. Zij zijn gericht op specifieke objecten en dus extern gericht. Zij zijn binnen bepaalde grenzen historisch en maatschappelijk variabel. Behoeften kunnen en worden in de regel in taal gearticuleerd en zijn daarom op verschillende manieren definieerbaar. Deze behoeftedefinities zijn echter door de behoeftebasis begrensd en dus niet willekeurig kneedbaar. Alleen actuele behoeften zijn feitelijk handelingsrelevant. Maar actuele behoeften zijn niet eenvoudig zonder meer natuurlijk en spontaan gegeven. De hypothetische constructie van potentiële behoeften maakt het enerzijds mogelijk om de factoren te analyseren die leiden tot actuele behoeftedefinities, anderzijds kunnen zij hierdoor expliciet of impliciet pedagogisch en politiek worden veranderd.

Index


1.2 Problemen en explicaties

1.2.1 Natuurlijke en menselijke behoeften (versus naturalisme)
In vulgaire naturalistische antropologieën worden menselijke behoeften geïdentificeerd met ‘natuurlijke’ behoeften die direct zouden voortvloeien uit een constante en onveranderbare ‘menselijke natuur’.

Menselijke natuur
De menselijke natuur is een complex begrip dat alles kan omvatten van fysiologische basisvoorwaarden voor het overleven tot volstrekt instinctieve driften en minder vastomlijnde drijf-veren [Midgley 1978; Plessner 1981].

De biologisch-fysiologische behoeften bepalen de existentiële ondergrens van behoeftebevrediging [Heller 1973:34; Holzkamp 1983:213]. Maar het is zeer onwaarschijnlijk dat het mogelijk is om “een universeel toepasbare definitie” [Doyal/Gough 1986] van deze existentiële ondergrens te geven. Er moet een nauwkeurig onderscheid worden gemaakt tussen de steeds maatschappelijk gedefinieerde ‘armoede’ en dit absolute fysiologische bestaansminimum. Zie hiervoor de eerder genoemde studies van Peter Townsend en de empirische uitwerking van David Gordon [2005].

Mensen kunnen weliswaar niet tot ‘natuurwezens’ worden gereduceerd, maar zijn toch ook natuurlijke subjecten. Dit betekent ook voor theorieën die de principiële historiciteit van het menselijk bestaan benadrukken (van Marx tot Plessner e.v.a.) dat zij centrale biologisch-fysiologische basisbehoeften erkennen: eten, drinken, excretie, ademen, bescherming tegen extreme temperaturen, bescherming tegen lichamelijke kwetsingen en ziekte (en problematischer, omdat dit op de menselijke soort en niet eenvoudig op biologische individuen is betrokken: voortplanting). Deze behoeften refereren aan de instandhouding en ontwikkeling van het menselijk organisme als zodanig. Zonder minimale bevrediging van deze natuurnoodzakelijke behoeften kan het menselijk organisme zich niet handhaven. Deze behoeften delen mensen met andere levende wezens. Daarom zou men ze ook kunnen aanduiden als ‘dierlijke’ of ‘natuurlijke behoeften’. Maar dit geeft aanleiding tot twee misverstanden.

  1. De basisbehoeften van mensen zijn als zodanig zeker vergelijkbaar en natuurhistorisch relatief constant. Maar er is een grote variatie in de manieren waarop ze worden bevredigd en —daarmee terugwerkend— in de differentiatie van deze behoeften zelf. Biologisch is de mens uitgerust met een aantal primaire (aan)driften die gericht zijn op organische spanningreductie, en met een aantal sensorisch-motorische elementen die kunnen worden ingezet om organische spanning te reduceren door het tot stand brengen van de bijpassende uiterlijke omstandigheden [Holzkamp 1973:183; Holzkamp 1983: hoofdstuk 6]. Een (aan)drift wordt geïnduceerd door biologisch-fysiologische behoeften die noodzakelijk zijn voor de reproductie van het natuurlijke individu en de soort. “Het driftgevoel is tegelijk een signaal van een behoefte, de bevrediging van een dergelijke drift is dus onze behoefte” [Heller 1980:94]. De instinctgebondenheid van dierlijke behoeftebevrediging wordt door de natuurhistorische evolutie van de mens aangevuld met en tenslotte verdrongen door exploratieve en anticiperende oriëntatie en daarop gebaseerde ingrijpende activiteit [Holzkamp 1973, 1983; Schurig 1976, vooral hoofstuk 7-9: Arbeid - taal - verstand].
  2. Met de stapsgewijze overwinning van de natuurlijke grenzen door maatschappelijke arbeid richten de menselijke behoeften zich steeds meer op zelf gecreëerde middelen van behoeftebevrediging [Marx MEW 3:28; Heller 1976:44; Midgley 1978 e.a.]. Menselijke behoeften onderscheiden zich van dierlijke behoeften door het feit dat mensen niet alleen de middelen produceren om hun biologisch-fysiologische behoeften te bevredigen, maar dat ze in en door deze productieve toeëigening van de natuur tegelijkertijd behoeften scheppen en ontwikkelen (humanisering van ‘natuurlijke’ behoeften). De dynamische, actieve relatie tussen gebruikswaarde scheppende arbeid in de meest algemene zin en behoeften kan schematisch als volgt worden samengevat:

    Schema 4a: Arbeid - Gebruikswaarden - Behoeften

Menselijke behoeften zijn dus maatschappelijk bemiddeld of zelf geproduceerd [Elias 1982; Zur Lippe 1981; Foucault 1978]. Zij zijn historisch variabel, maar kunnen niet ongelimiteerd worden ingevuld of gemanipuleerd. Deze grenzen van deze historische variabiliteit zijn het meest duidelijk zichtbaar bij de zgn. fysiologische behoeften. Maar ook zonder een minimum aan koestering zijn mensen niet levensvatbaar [Spitz 1960: 17 e.v. - over marasme; Bowlby 1969-80]. Daarom worden deze fundamentele behoeften vaak samengevat als ‘primaire’ of ‘basisbehoeften‘.

Abraham Maslow’s hiërarchie van behoeften
Tot de ‘fundamentele behoeften’ rekent Maslow: fysiologische behoeften (voedsel, water, seks), veiligheidsbehoeften, behoefte aan saamhorigheid en liefde, behoefte aan achting (succes en status) en aan zelfactualisering. Omdat al deze fundamentele behoeften aangeboren zouden zijn en tot de menselijke natuur zouden behoren noemt hij ze ‘instinctoïde [Maslow 1970/81: 83 e.v., vgl. ook p. 32, 75].

Kenmerkend voor zijn ‘hiërarchisch-integratieve behoeftetheorie’ is de stelling “dat de fundamentele menselijke behoeften in een hiërarchie van betrekkelijk evenwicht zijn georganiseerd” [86].

Het postulaat van de hiërarchie van behoeften impliceert (i) dat eerst de ‘lagere’ behoeften komen, (ii) dat de bevrediging van ‘lagere’ behoeften er vanzelf toe leidt dat er ‘hogere’ behoeften opkomen (groeitheorie).

Wij zullen de bezwaren tegen deze hiërarchisering van behoeften hier niet herhalen [Wahba/Bridgewell 1976; Hofstede 1984; Gambrel/Cianci 2003]. In onze pro-theoretische behoeftedifferentiatie is deze aanname in ieder geval niet noodzakelijk en ook niet impliciet verondersteld.

Index


1.2.2 Agressie als behoefte?
Sinds men zich in de discussie over de menselijke behoeften beroept op de ‘natuur van de mens’ is het omstreden of agressie behoort tot de ‘natuurlijke’ behoeften of zelfs tot de instincten van ‘de’ mens als soort. Optimistische en pessimistische antropologieën vormen op dit punt bijna complementaire spiegelbeelden van elkaar.

Optimistische antropologieën leggen de nadruk op de ‘principiële goedheid’ van de menselijke substantie: zij gaan uit van de oorspronkelijke of ‘natuurlijke’ behoefte aan persoonlijke groei, liefde, redelijkheid, zachtaardigheid enz. De historische ontwikkeling wordt daarbij bij voorkeur geïnterpreteerd als een ‘vervreemdingsproces’ waarin deze oorspronkelijke goedheid van de mensen wordt verminkt.

Geseculariseerde versie van de zondeval
Ook deze geseculariseerde versie van de christelijke leer van de zondeval is geconstrueerd rond het beeld van het verloren paradijs. De klassieke formulering is van Jean-Jacques Rousseau: oorspronkelijk zijn wij mensen goed en gelijk omdat de natuur ons zo heeft geschapen. Zijn natuurrechtelijke behoeftetheorie is gebaseerd op twee ‘grondbestanddelen’: “Het ene doet ons groot belang hechten aan ons welzijn en zelfbehoud. Het andere doet ons er van nature afkerig van zijn om enig bezield wezen en vooral onze soortgenoten te zien lijden of omkomen” [1755/1983:47].

Alle regels van het natuurrecht spruiten uit deze twee grondbestanddelen voort. In conflictgevallen geldt de volgende prioriteitsregel: de mens “zal nimmer een ander mens of zelfs een ander bezield wezen kwaad doen, behalve in het gerechtvaardigde geval waarin zijn zelfbehoud op het spel staat” [p.48]. Dat zijn volgens Rouseau de ‘ware behoeften’ van de ‘oorspronkelijke mens’ [p.45]. De trieste en voortdurende ervaring ontslaat ons van het bewijs voor de stelling ‘De mensen zijn slecht’. Maar toch is ‘de mens van nature goed’ [p.135]. Vgl. ook Maslow [1970/81], Fromm [1947]. Zie ook de kritiek van Heller [1977:15] en Soper [1981].

Pessimistische antropologieën gaan uit van ‘natuurlijke’, geŽrfde of aangeboren agressie. Zij gaan uit van de premisse dat deze agressieve aandriften of behoeften een niet te elimineren —want ‘o zo menselijk’— verschijnsel is waarvan hoogstens de uitingsvormen kunnen worden geciviliseerd en waarvan de werkingssfeer kan worden beperkt door sterke instituties.

Zelfzuchtige genen en onbedwingbare dominantiedrift
Deze pessimistische stellingname vind men bij Hobbes via Nietzsche, Durkheim, Russel tot aan Parsons. In de Leviathan van Hobbes was het nog voldoende dat slechts sommigen van deze ‘restless desire’ bezeten waren. Moderne ethologen en sociobiologen hebben de agressiedrift echter gegeneraliseerd en in de modern natuurwetenschappelijke zin genaturaliseerd. Aan agressief gedrag wordt een fysiologische basis toegedicht in de vorm van een aangeboren drift, welke genetisch is bepaald. Een bekend voorbeeld is Nobelprijswinnaar Konrad Lorenz. “De agressie [...] is een instinct als elk ander, onder natuurlijke omstandigheden even zinvol voor behoud van individu en soort” [Lorenz 1963/1984:8; vgl. 245]. Steven Goldberg’s rationalisatie van The Inevitability of Patriarchy [1974] berust op de aanname dat de mannelijke ‘drive to dominance’ te verklaren is uit de grotere afscheiding van het ‘mannelijke’ hormoon testosteron, welke ons vermogen tot ‘agressief’ gedrag zou produceren. Zie voor een gedetailleerde kritiek: Green [1981:127-147].

Wij hebben al eerder gezegd dat deze ‘diepzinnige’ vraag wetenschappelijk onbeslisbaar is omdat ze veronderstelt dat het mogelijk zou zijn om te abstraheren van de historiciteit van de mens. Wij vinden die vraag als zodanig weinig interessant [Hetzelfde geldt voor de derde antropologische variant van de ‘principiŽle ambivalentie van de menselijke natuur’: de mens is ‘goed’ én ‘slecht’, Eros én Thanatos].

Interessanter zijn onderzoeksvragen en -strategieŽn die met deze benaderingen verbonden zijn. Vanuit de pessimistische variant worden goedheid en zachtmoedigheid ontmaskerd als afgeleide ‘rancuneuze’ deugden van de zwakkelingen. Vanuit de optimistische varianten wordt geprobeerd om agressieve handelingen (zoals sadisme, masochisme, vernietigingsdrang) te verklaren uit maatschappelijke en natuurlijke voorwaarden die ertoe leiden dat menselijke behoeften systematisch niet worden bevredigd. In deze traditie zijn vernietigen, kwellen, martelen enz. geen uiting van ‘primaire’ behoeften, maar reacties op gefrustreerde behoeftebevrediging. Hierdoor wordt de aandacht geconcentreerd op de historische en maatschappelijke voorwaarden die in de pessimistische varianten al te gemakkelijk worden ontkend.

Oorzaken van agressie
Er is een breed spectrum van mogelijke oorzaken van agressie. De moderne neurose- en psychosetheorieŽn geven inzicht in een deel van dit complex. Psychoanalytische studies over oorzaken en uitdrukkingsvormen van het masochistische complex zijn hiervan een voorbeeld. Agressief gedrag is echter niet exclusief of primair verankerd in een al vroeg ontwikkeld gefrustreerd ‘psychisch (sadistisch) karakter’. Psychische frustratie is niet de enige en ook niet de belangrijkste oorzaak van agressie, maar speelt wel een belangrijke rol bij de ontketening van de agressieve impuls [Heller 1977:48].

Agressie is ook en vooral geworteld in een sociaal gestructureerde frustratie, welke onlosmakelijk verbonden is met maatschappijen die gekenmerkt worden door structurele sociale ongelijkheid en een genadeloos concurrentiesysteem — de beste voedingsbodem voor haat en nijd, moord en doodslag.

Agressie in het algemeen kan überhaupt niet als behoefte worden geformuleerd omdat er geen ‘agressie in het algemeen’ bestaat [Heller 1977:18]. Bovendien ligt niet aan elk soort gedrag altijd een behoefte of instinct ten grondslag die dit gedrag kan verklaren.

De wetenschapsinhoudelijke en methodische basis van de pessimistische antropologieŽn en daarbij aansluitende sociaal-psychologische stellingen is uitermate zwak. Neuro-fysiologisch onderzoek is tot nu toe niet in staat geweest om agressie aan te wijzen als een natuurlijk-fysiologische eigenschap van mensen. Met ‘woede’ ligt dit misschien iets anders. Maar woede is geen synoniem voor agressie, ook al kan het een motief voor agressief gedrag zijn [Heller 1977:30; Poliakov e.a. 1985:148].

Nu wordt vaak beweerd dat aan elke ontwikkelde democratische ethiek een optimistisch mensbeeld ten grondslag ligt, of zou moeten liggen. Zo schrijft Macpherson:
“Als men van de essentiële menselijke kenmerken alleen degene beschrijft die niet destructief rivaliserend zijn dan houdt men er natuurlijk een optimistische visie op na. Die visie is altijd de grondslag geweest van het democratische perspectief. [...] Zonder de aanname van potentiële substantiële harmonie valt het pleidooi voor een democratische maatschappij omver. [...] Daarom moet elke volledig democratische theorie uitgaan van de vooronderstelling dat de rechten of vrijheden die mensen nodig hebben om volledig menselijk te zijn niet wederzijds destructief zijn [...] Er moet worden benadrukt de rechten van elk individu moreel gerechtvaardigd moeten kunnen worden op basis van een egalitair principe. En dat zijn alleen rechten die voldoende zijn om elk individu in staat te stellen volledig menselijk te zijn” [Macpherson 1973:54 e.v.]. “Now to describe as the essentially human characteristics only those ones which are not destructively contentious is of course to take a fundamentally optimistic view. That view has always been at the root of the democratic vision [...] the case for a democratic society falls without the assumption of potential substantial harmony. [...] It must therefore be a postulate of any fully democratic theory that the rights or freedoms men need in order to be fully human are not mutually destructive [...] it must be asserted that the rights of any man which are morally justifiable on any egalitarian principle are only those which allow all others to have equal effective rights; and that those are enough to allow any man to be fully human” [Macpherson 1973:54 e.v.].

Wat Macpherson hier duidelijk als een normatief postulaat formuleert, moet onder geen beding worden opgevat als een uitspraak over de feitelijke, of historisch ontwikkelde ‘natuur van de mens’. Het is hoogstens een utopische anticipatie van de natuur van de mens in een volledig democratische maatschappij, waarin “both genuine and contrived scarcity” overwonnen zouden zijn. Het lijkt ons veel nuchterder —en voor een democratische politiek vruchtbaar— om uit te gaan van mensen zoals zij historisch geworden zijn. Tot hun ‘natuur’ behoort in ieder geval net zo goed een afschrikwekkende mate van agressie als altijd weer verbazingwekkende voorbeelden van collectieve solidariteit.

Voor praktische democratisch-socialistische politiek is de veelvuldige historische ervaring van de homo homini lupus een betrouwbaarder kompas dan het hoopvolle vertrouwen in een nieuwe, nog niet gerealiseerde harmonieuze maatschappelijkheid van de ‘nieuwe mens’. Het zijn immers juist deze ervaringen die ons dwingen om de instituties van de maatschappij zo te ontwerpen dat de objectieve mogelijkheden voor uitbuiting, onderdrukking, discriminatie en uitsluiting zo klein mogelijk worden gemaakt. Nogmaals: de historische ervaringen met agressie hoeft men niet te antropologiseren om te kunnen erkennen dat ze in de geschiedenis een zeer belangrijke rol spelen.

Wij behandelen ‘agressieve behoeften’ als een aspect van emotionele behoeften. De activiteiten die dienen ter bevrediging van emotionele behoeften als geheel zijn empirisch slechts in geringe mate uitgedifferentieerd. In een analyse van behoeften die gericht is op de differentiatie van activiteiten en verhoudingen hebben ‘agressieve behoeften’ daarom geen zelfstandige of prominente plaats. Agressieve ‘behoeften’, maar vooral agressieve activiteiten worden dus niet op grond van optimistische antropologische overwegingen niet in ons schema opgenomen.

Index


1.2.3 Behoefte aan macht, prestige en distinctie

De principieel sociale behoefte aan erkenning is een complex amalgaam dat op zeer uiteenlopende manieren wordt benoemd, geanalyseerd en gewaardeerd:

In alle behoeftecatalogussen wordt deze behoefte aan sociale erkenning in welke versie dan ook opgenomen als een psychische, menselijke basisbehoefte. In eerste instantie onderscheiden wij de ‘emotionele’ behoeften aan genegenheid, spiegeling, liefde, vermijden van angst en eenzaamheid, of aan sociale erkenning welke vooral betrokken zijn op (meer of minder) intieme interactieverhoudingen en primaire interactiegroepen. De macht-, roem- en distinctiebehoeften vinden hun speelveld eerder in het groot, in de publieke of politieke ruimte. Terwijl emotionele behoeften aan genegenheid, spiegeling en sociale erkenning het kunnen stellen zonder hiŽrarchie en superioriteit, zijn macht, roem, distinctie en prestige zonder deze niet eens denkbaar.

Deze laatste behoeften werden vaak ongedifferentieerd samengevat als ‘love of power and glory’ [Russell 1938:8. Vgl. Ebert 1983:75; Weber GPS:495, WS:665; A. Adler 1927; H. Gordon 1975] en als ‘amour propre’ afgebakend van ‘amour de soi-même’. Sinds Rousseau verstaat men onder ‘amour de soi-même’ (‘zelfliefde’, ‘liefde voor zichzelf’, ‘love of self’): de instinctief verankerde behoefte aan zelfhandhaving dat elk levend wezen hecht aan zijn eigen voortbestaan en dat onder specifieke condities in tegenspraak kan komen te staan met de zelfhandhavingsdrift van andere levende wezens. In zijn Vertoog over de ongelijkheid noemt Rousseau dit het natuurlijke prioriteitsgevoel [1755/1983:45 e.v.,104,128,156]. Met ‘amour propre’ (‘eigenliefde’, ‘ijdelheid’, ‘vanity’) worden behoeften aangeduid die pas door de vergelijkende referentie aan anderen worden geconstitueerd (man as comparing animal) en die daarom principieel in tegenstelling staan tot hun behoeften aan ‘eigenliefde’).

Op grond van normatieve, democratische overwegingen lijkt het ons belangrijk om drie varianten van deze ‘eigenliefde’ te onderscheiden.

  1. Distinctiebehoefte
    Een principieel individuele meritocratische variant, die we verder individuele «distinctiebehoefte» zullen noemen. De distinctiebehoefte veronderstelt de behoefte of de “hartstocht om uit te blinken, zich de onderscheiden en te verheffen” [Adams 1851:267,279] veronderstelt zowel respect voor en erkenning van de anderen als vrije en open concurrentie, ‘wedijver’ tussen deze vrije en gelijke concurrenten. De kring van deze gelijken kan zeer exclusief zijn (zoals in het antieke en vroeg-burgerlijke republicanisme) of principieel universeel (zoals in alle modern democratische benaderingen.
      Van Aristoteles tot John Adams gold de ‘liefde voor eer’ en deze ‘hartstocht om publiekelijk uit te blinken’ als een zeer verheven menselijk motief en politieke deugd. De kring van concurrenten was echter niet alleen feitelijk, maar ook conventioneel en juridisch uiterst beperkt.

  2. Machtsbehoefte
    Een principieel inegalitaire individualistische variant: «machtsbehoefte» of ‘machtsdrift’. De loutere ‘eerzucht’ die naar macht en prestige streeft om de eigenliefde te bevredigen, kent juist geen respect voor anderen, ondergraaft hun waardigheid, dient ertoe de vrije en open concurrentie te beperken en beroept zich daarbij op ‘natuurlijke’ superioriteit van individuen met sterke driften.
  3. Prestigebehoefte
    Een collectivistische, ascriptieve en principieel inegalitaire variant: de collectieve «prestigebehoefte». Eigenliefde wordt hierbij niet bevredigd door eigen prestaties, maar door het beroep op de principieel superieure ascriptieve eigenschappen van de eigen groep. De prestigebehoefte is onverenigbaar met respect en waardigheid van anderen. Het collectieve prestige dient ertoe de vrije en open concurrentie feitelijk, conventioneel of juridisch drastisch te beperken of uit te sluiten.

Alleen eerste variant is verenigbaar met democratische ethiek. De hartstocht van de individuele distinctie impliceert als zodanig niet dat de ontplooiingskansen van anderen worden benadeeld of belemmerd. De wedijver om roem, eer, het uitblinken en publieke achting speelt veeleer juist een wezenlijke rol bij de ontwikkeling van deze vermogens.

Achting op basis van individuele prestaties versus behoefte aan prestige en macht
Dit verschil tussen de distinctiebehoefte en de behoefte aan prestige en macht wordt ook door Rousseau erkend. Enerzijds levert hij felle kritiek op het kunstmatige, ‘onechte’ en splitsende karakter van de eigenliefde —die in een ‘werkelijk natuurlijke toestand’ helemaal niet zou bestaan— en stelt hij haar ruÔneuze effecten aan de kaak. Anderzijds erkent hij ook haar creativiteit. “O fureur de se distinguer, que ne pouvez vous point!” Zonder eigenliefde zou er volgens Rousseau überhaupt geen kunst en wetenschap geweest zijn en ook geen menselijkheid om te ruïneren.

Helaas wordt door de meeste auteurs die de productieve of creatieve rol van ‘power, glory, vanity’ benadrukken (zoals Nietzsche, Russell, Foucault, Fukuyama e.v.a.) geen onderscheid gemaakt tussen de eerste en de tweede variant. Daardoor is de productieve en de extractieve rol van de macht —sinds Gilgamesj: “An everlasting name I will establish for myself”— niet alleen feitelijk, maar ook analytisch en normatief met elkaar versmolten.

Fukuyama [1992] probeert in Het einde van de geschiedenis en de laatste mens letterlijk alles —de hele moderniteit, alle verschijnselen van religie, nationalisme en democratie— te interpreteren in termen van de ’strijd om erkenning’. Behalve door logos en eros wordt de mens ook en met name geleid door wat Plato thymos noemt: de drang tot erkenning, de behoefte om door anderen als gelijke, of als meerdere te worden erkend. Deze geldingsdrang zou mensen niet alleen aanzetten tot het voeren van oorlog, maar ook in vreedzame tijden tot het beoefenen van sport —het surrogaat van oorlog—, en tot het ontwikkelen van bijvoorbeeld wetenschap en cultuur.

De behoefte aan zelfhandhaving is tevreden met een louter lokale en statische reproductie, met “the preservation of the self in its sameness”. De hartstocht van de distinctie bewerkstelligt daarentegen “a progressieve differentiation of the self” [Soper 1981:157]. De “drang om zich te onderscheiden” [Klein 1963:103] kan alleen bevredigd worden door de eigen prestaties of eigenschappen te vergelijken met die van anderen. Als men in open wedijver met anderen ‘beter’ wil zijn dan zij, dan moet men er permanent naar streven het eigen prestatievermogen te verhogen (Rousseau spreekt over “het vermogen om zich te vervolmaken” (perfectabilité) - 1755/1983:64,146). In deze wedstrijd ontwikkelen ook de concurrenten hun competenties. De loutere ’wil tot macht om de macht’ belemmert of vernietigt daarentegen de competenties van anderen.

In tegenstelling tot de middelen van zelfhandhaving zijn de kansen voor bevrediging van ‘eigenliefde’ per definitie schaars. Roem, eer, macht en prestige bestaan alleen maar in tegenstelling tot de eigenliefde van anderen, “omdat mijn ijdelheid alleen maar bevredigd kan worden ten koste van het kwetsen van die van jou” [Soper 1981:157; vgl. Collier 1974]. In tegenstelling tot alle andere behoeften is daarom de eer- of prestigebehoefte specifiek ‘onverzadigbaar’. En daarom is de prestigebehoefte samen met de machtsbehoefte de enige behoefte die per definitie een belang constitueert.

Het onderscheid tussen de drie varianten van eigenliefde kunnen we gebruiken om de vraag te beantwoorden of de behoefte aan macht, roem en prestige als ‘basic human needs’ kunnen worden opgevat of niet. Sommige auteurs beschouwen machts-, prestige- en distinctiebehoeften zonder meer als natuurlijke en intrinsieke momenten van het menselijke behoeftesysteem. Andere auteurs hebben deze behoeften —even abstract en algemeen— opgevat als ontogenetisch afgeleide, secundaire behoeften die verklaard moeten worden uit de niet-bevrediging van de primaire emotionele en sociale behoefte aan erkenning als gelijke. Deze benadering wordt onder andere verdedigd door Erich Fromm. Het streven naar ‘money-prestige-power’ beschouwt hij als een verlies van het ‘real self’.

Respect en achting versus ijdelheid en hebzucht
Het is eigenlijk verbazingwekkend dat Maslow ondanks zijn humanistische psychologie toch de prestigebehoefte als opvoert [Maslow 1981:94]. Het feit dat hij ook geen onderscheid maakt tussen ‘respect’ en ‘prestige’ druist in tegen de gehele conceptie van deze humanistische psychologie. Zelfs Kate Soper is op dit punt inconsistent: “Vanity is an essential aspect of human motivation” [Soper 1981:160]. Zie ook de suggestie van Lovejoy [1961:161].

Voor een ‘humanistische’ of ‘kritische’ psychologie is het onderscheid tussen distinctie-, machts- en prestigebehoeften van cruciaal belang. Vooral als daarbij de ‘erkenning’ niet gereduceerd wordt tot emotionele erkenning in kleine kring. Het psychoanalytische onderzoek naar narcisme biedt overigens goede aanknopingspunten om modellen van vrije creativiteit te ontwikkelen die ingaan tegen de dwangmatige narcistische grootheidswaan van de eerzuchtige wil tot macht, en tegen de zelfhaat die gericht wordt tegen ‘vreemde collectieven’.

Ook in normatief-politiek perspectief zou het onderscheid nuttig kunnen zijn. Een democratische ethiek vereist niet dat de individuele onderscheidingsbehoefte moet worden bestreden of ingedamd, zoals zo vaak wordt aangenomen (bijvoorbeeld door Russel, Macpherson). Ook in een denkbare ‘klassenloze maatschappij’ zullen er ongelijkheden van ‘achting’ bestaan; en pas daar zullen deze verschillen gebaseerd zijn op individuele prestaties, zoals dit door het liberale meritocratisme al werd verondersteld voor de burgerlijke klassenmaatschappijen. Maar onder gunstige maatschappelijke omstandigheden kan de mensheid wel verlost worden van de ‘kinderlijke en brutale behoeften van het hebben’, van de ‘hebzucht’ en van de ‘manie voor bezittingen en geld’.

Het onderscheid tussen de drie varianten van eigenliefde biedt de mogelijkheid om hun ontstaans- en bestaansvoorwaarden nauwkeuriger te onderzoeken. Niet alleen individuele distinctiebehoeften, maar ook individualistisch machtsstreven en collectivistische prestigebehoeften behoren immers wel degelijk tot de historisch ontwikkelde behoeftestructuur, onafhankelijk van de vraag hoe men deze behoeften normatief waardeert. Ook al zijn de behoeften aan macht en prestige niet ‘natuurlijk’, het zijn toch op z’n minst historisch diep verankerde behoeften.

Index


1.2.4 Consumptieve en productieve behoeften
Behoeften zijn altijd individuele behoeften. Maar dit betekent niet dat behoeften van individuen daarom onmaatschappelijk of buitenhistorisch zouden zijn. Mensen zijn geen geÔsoleerde Robinsons of homines clausi zoals in de klassieke burgerlijke ideologie en maatschappijtheorie, maar principieel historisch-maatschappelijke wezens. Daarom zijn ook hun behoeften historisch-maatschappelijk bemiddeld of voortgebracht.

Individuele behoeften moeten niet worden geÔdentificeerd met individualistische of egoÔstisch-utilitaire behoeften. Private en egoÔstische behoeften zijn een van de vele historische vormen van maatschappelijke behoeften. Deze privaatheid en dat ego zijn niet natuurlijk en eeuwig, net zoals ‘privébelangen’ specifiek historische belangen zijn.

Individueel eigenbelang — Egoïsme — Altruïsme
Het principieel maatschappelijke karakter van de menselijke behoeften werd klassiek uitgewerkt door Marx: van de Duitse Ideologie via de Grundrisse tot aan Das Kapital. Later werd dit ook sterk benadrukt en historisch uitgewerkt door Elias [1975:34,44,47,115 e.v.; 1976 I:xviii e.v., xlvi-lxx; 1977: 8 e.v.].

De identificatie van individuele behoeften met individualistische (egoïstisch-utilitaire) behoeften wordt helder bekritiseerd door Macpherson [1962, 1973, 1977]. Zie voor een forse kritiek op het individualisme in de utilitaristische traditie: Lukes [1973].

Met de egoÔstisch-utilitaristische praktijk in de burgerlijke maatschappij correspondeert vaak een altruÔstische moraal — van Calvijn via Kant tot in de huidige tijd. Zowel de theologische als de geseculariseerde altruÔstische ideologieŽn gaan uit van de vooronderstelling dat de oriŽntatie op eigen behoeften en die van anderen noodzakelijk elkaars tegendelen zijn. Daarom lijkt het altijd en eeuwig te gaan om de normatieve keuze tussen ‘egoÔsme’ en ‘zelfopoffering’. Binnen dit schema kan geen kritisch onderscheid meer worden gedacht tussen een oriŽntatie op de welbegrepen eigen behoeften en —individuele en collectieve— belangen enerzijds en een egoïstische oriŽntatie die elk gevoel voor anderen uitsluit anderzijds (of de spiegelbeelden hiervan: neurotische onzelfzuchtigheid, zelfverloochening, zelfopoffering). Zie hiervoor de kritieken van Erich Fromm [1947/1969:102 e.v.] en Bertolt Brecht.

Individuele behoeften moeten ook niet eenvoudig worden gelijkgesteld met materiŽle of economische behoeften. Behoeften impliceren altijd een gevoelde betrokkenheid van een actor op ‘iets’, een specifiek object van behoeftebevrediging. Daarom kunnen behoeften worden ingedeeld vanuit het gezichtspunt van de specifieke objecten van menselijke behoeftebevrediging: bijvoorbeeld materiŽle objecten (brood, water, fiets, huis), andere mensen (‘people who need people are the luckiest people in the world’), diensten, relaties, activiteiten. De objecten van behoeftenbevrediging omvatten altijd meer dan materiële goederen en kunnen ondanks alle tegengestelde beweringen in economische leerboeken niet worden gereduceerd tot utiliteiten of gebruikswaarden die in geld uitgedrukt kunnen worden. In de traditie van de grensnutsleer en in de welvaartseconomie [Sen 1970] is hun incommensurabiliteit intussen ook erkend.

De verschillende objecten van behoeftenbevrediging zijn niet altijd en overal schaars, noch de materiŽle objecten, noch rechtszekerheid of kennis. Alleen in het model van de mens als een ‘bundle of unlimited appetites’ verschijnt alles principieel in het licht van de mogelijke schaarste voor het doel van de principieel onbeperkte individuele nutsmaximering. Het hoogste doel van deze (model-burgerlijke) mens is de eindeloze strijd tegen de schaarste in relatie tot oneindige consumptieve verlangens, verbonden met het recht op onbeperkte individuele toeŽigening (privť-eigendom). Voor deze mens veranderen daarom ook automatisch al zijn behoeften in belangen. Het noodzakelijke middel van zijn calculaties is geld, dat als incarnatie van de maatschappelijke rijkdom altijd beperkt en daarmee principieel schaars is. Het geld is net zo intrinsiek schaars als verder alleen de ‘eer’ — en voor de mensen met onbeperkte mogelijkheden ‘tijd’— is. De historische ontwikkeling van geld en kapitaal schept dus tegelijk de noodzakelijke voorwaarden voor deze ongelimiteerde toeŽigeningsmachines en voor hun zeker niet universeel-historische, maar juist zeer specifieke behoeftestructuur.

Mensen zijn niet alleen consumenten, maar vooral ook producenten van gebruikswaarden. Menselijke behoeften mogen daarom niet zonder meer gereduceerd worden tot consumptieve behoeften. We hebben in § 1.2.1 al gewezen op de dynamische wisselwerking tussen ontwikkelde maatschappelijke behoeften en de in toenemende mate zelf geproduceerde objecten van hun bevrediging. Mensen zijn in toenemende mate de producenten van hun eigen maatschappelijke behoeften. In de activiteiten voor hun bevrediging ontwikkelen wij onze fysieke, psychische en geestelijke competenties en ontstaan tegelijk nieuwe creatieve of productieve behoeften. Mensen ontwikkelen dus niet alleen passieve, consumentistische behoeften, maar ook actieve behoeften naar maatschappelijke activiteiten, zowel spelende, creatieve, mimische en kunstzinnige activiteiten als productieve, zowel vrije tijds- als arbeidsactiviteiten.

Rijk der noodzakelijkheid en rijk der vrijheid
Niet alleen Prometheus en Heracles als mythische ‘helden van de arbeid’, maar ook de verschillende varianten van de homo ludens zijn modellen van de Vita Activa. Beide staan tegenover de passief consumentistische mensbeelden en maatschappelijke praktijken. Wij hebben in hoofdstuk III al gewezen op de moeilijkheden om ‘arbeid’ heel in het algemeen te onderscheiden van ‘spel’ en ‘vrije tijdsactiviteiten’.

Bij Marx vindt men deze ambivalentie zowel in zijn analyse van de burgerlijke maatschappij als in zijn —spaarzame— normatieve programformuleringen van een socialistisch/communistische maatschappij. Enerzijds lijkt het alsof de arbeid in de burgerlijke maatschappij uitsluitend een ‘vloek’ en ‘offer’, door en door ‘vervreemde loonarbeid‘ is, en alsof de oud-griekse en oerburgerlijke tegenstelling tussen arbeid en vrije tijd, spel etc. in socialistisch-communistische landen overwonnen zouden zijn, alsof daar de arbeid ‘eerste levensbehoefte’ en ‘zelfverwerkelijking’ zou zijn. Anderzijds ziet Marx ook dat zelfs de kapitalistische loonarbeid niet alleen maar vanuit de repressieve kant kan worden opgevat. Vergelijk de interpretaties van Negt [1974], Negt/Kluge [1981], Projekt Automation und Qualifikation [1978], Kern/Schuman [1984] en Benschop [1995: § 3.3].

Ook de ‘werkelijke vrije arbeid’ onder de voorwaarden van volledig vermaatschappelijkte en verwetenschappelijkte productie speelt zich toch weer af in het ‘rijk der noodzakelijkheid’. Zij wordt nooit helemaal doel in zichzelf, spel, louter amusement (zoals bij Fourier). Daarom staan dus niet de materiŽle productie en de beroepsarbeid, maar kunst en spel —dus de esthetische sfeer van de ‘doelloosheid’— model voor ‘vrije activiteit‘ en het beroemde ‘rijk der vrijheid’ [Benschop 1983; Bader 1979, 1986].

Index2. Individuele behoeften en functionele vereisten

Behoeften zijn altijd behoeften van historisch en maatschappelijk gevormde individuen. Maatschappijen hebben geen behoeften. Zij kunnen niet handelen. Individuen hebben echter niet alleen private behoeften als geïsoleerde individuen, maar ook gemeenschappelijke, collectieve of maatschappelijke behoeften als leden van samenlevingsverbanden.

We hebben al opgemerkt dat actuele individuele behoeften alleen bestaan en werken wanneer zij daadwerkelijk worden gevoeld en in zekere mate bewust worden ervaren en gearticuleerd. Dit geldt ook voor de maatschappelijke behoeften.

Maatschappelijke behoeften bestaan alleen dan en in die mate als actuele behoeften:

We hebben gezegd dat het zinvol en belangrijk is om potentiŽle te onderscheiden van actuele behoeften. De hypothetische constructie van potentiŽle collectieve behoeften komt ongeveer overeen met de ‘functional needs of society’, wanneer daarbij als collectief het steeds meest omvattende sociale systeem wordt gekozen. Om de bekende gevaren van reÔficatie te vermijden zullen we ze geen ‘functionele behoeften van de maatschappij’ noemen, maar functionele vereisten. Bovendien zullen we deze vereisten niet alleen betrekken op de instandhouding, maar ook op de uitbreiding en ontwikkeling van ‘maatschappij’. Onder ‘maatschappij’ moet men zich niet zozeer een zeer abstracte ‘human society’ voorstellen, maar de telkens meest omvattende soevereine maatschappelijke eenheden die in coŲperatie of concurrentie dan wel strijd zijn met andere eenheden.

Uit het simpele feit dat mensen maatschappelijk samenleven en dat zij historisch gezien leven in soevereine eenheden die met elkaar coöpereren of concurreren, vloeien een aantal specifieke functionele vereisten voort die minimaal vervuld moeten worden willen deze samenlevingen in staat zijn om te overleven en zich te ontwikkelen [Weber WG, Brunner 1962; Hintze 1970; Gerschenkron 1965; Skocpol 1979; McNeill 1983 e.v.a.]. Wanneer deze functionele vereisten niet worden vervuld, dan ondergraaft dit de ‘eenvoudige’ reproductie van deze maatschappijen of leidt het ertoe dat hun soevereiniteit verloren gaat. We zullen een aantal van de bekende functionele vereisten noemen.

  1. Maatschappijen kunnen zich op den duur alleen maar reproduceren wanneer de materiŽle consumptiemiddelen (in de breedste zin van het woord) worden geproduceerd en wanneer de materiŽle arbeidsvoorwaarden worden gereproduceerd. Deze vereiste van de materiŽle productie is niet zonder meer —zoals die van de materiŽle consumptie— een actuele behoefte van alle individuen. Maar “elk kind weet dat elke natie zou verrekken als er een paar weken niet gewerkt zou worden” [Marx, MEW 23:552].
  2. Maatschappijen kunnen zich op den duur alleen maar reproduceren wanneer mensen zich voortplanten. Daarom is voortplanting in ieder geval een functionele vereiste, hoewel het daarmee niet ook al een actuele individuele behoefte is. Menselijke voortplanting is niet eenvoudig instinctief gedetermineerd. De definitie van de individuele voortplantingsbehoefte wordt in zeer sterke mate bepaald door gegeven maatschappelijke en historische voorwaarden. Bovendien is de voortplanting in toenemende mate het object van doelgerichte —collectieve en statelijke— bevolkingspolitiek. Het scala reikt van ‘decimering’ in de klassieke zin tot aan ‘de keizer heeft soldaten nodig’. De bevolkingspolitiek van de katholieke kerk in Nederland is een voorbeeld voor niet-statelijke collectieve bevolkingspolitie [Stuurman 1983. Vgl. Malthus vs. Marx over bevolkingspolitiek en Foucault’s analyse van de biopolitiek].
  3. Ook de behoefte aan bescherming tegen ziekte, aan genezing en aan verzorging van individuen die niet in staat zijn om zelfstandig te leven is niet zonder meer al een actuele individuele behoefte van de gezonde mensen die in staat zijn om te werken. Ook deze behoeften zijn door en door maatschappelijk-cultureel bepaald en zijn historisch gezien in toenemende mate het object van collectieve en overheidspolitiek. Het scala is ook hier zeer breed: van verstotingen via familiale, verwantschappelijke, commmunale, coŲperatieve verzorgingsarrangementen tot aan de door de staat gereguleerde ziekte- en sociale verzekeringen.
  4. Concurrerende samenlevingen hebben variabele, maar toch minimale kwalificatie- en informatievereisten. Ook deze functionele vereisten zijn niet eenvoudig en zonder meer actuele individuele behoeften aan opvoeding, onderwijs, kennis en informatie. En ook deze vereisten zijn door en door historisch en cultureel bepaald en worden in toenemende mate object van opvoedings-, onderwijs-, wetenschaps- en informatiepolitiek. De keizer heeft niet alleen soldaten nodig, maar ook gezonde, wetenschappelijk-technisch geschoolde, goed verzorgde en uitgeruste soldaten. De economische concurrentie tussen staten bepaalt de toenemende betekenis van onderwijs-, wetenschaps- en onderzoekspolitiek.
  5. Samenlevingen kunnen zich alleen duurzaam reproduceren wanneer zij in staat zijn om een ecologisch evenwicht te realiseren. Zoals bekend is het in stand houden of verbeteren van een voor (alle of bepaalde groepen) mensen gunstig ecologisch evenwicht, van een leefbaar milieu niet zomaar een actuele individuele behoefte. Zonder bepaalde minimale milieukwaliteiten zijn mensen en dus ook maatschappijen niet in staat om zich te reproduceren. In de geschiedenis van de mensheid heerste tot aan de kapitalistische industriŽle revolutie een labiel ecologisch evenwicht. Dit evenwicht werd bepaald door natuurrampen die niet door mensen beÔnvloed konden worden (zoals droogte en epidemieŽn) en door op natuurrampen lijkende veroveringen en vernietigingen [McNeill 1983:23]. Intussen worden deze rampen aangevuld en overtroefd door een dreigende nucleaire ‘ijstijd’ en een door de industrie vergiftigd milieu. Tegelijkertijd is de fatale afhankelijkheid van de natuur in principe doorbroken en dienen zich ook middelen aan om de natuurlijke, vooral echter de maatschappelijk geproduceerde milieuvoorwaarden te reguleren en beheersen.
  6. De instandhouding en uitbreiding van de algemene materiŽle randvoorwaarden van het maatschappelijk leven (materiŽle infrastructuur) is geen gewone actuele behoefte: waarom zouden boeren in de Alpen zich zorgen maken om de dijken en de niet-reizigers over toestand van het wegennet.
  7. Maatschappelijk handelen en maatschappelijke verhoudingen zijn talig, cognitief en normatief bemiddeld. Zij veronderstellen daarom ten eerste een zeker minimum aan talige communicatie: zij vereisen niet zozeer een gemeenschappelijke taal, maar wel minimale verstaan- en vertaalbaarheid van talen. Zij veronderstellen in de tweede plaats een zeker minimum aan gemeenschappelijke cognitieve duidingspatronen, wereld- en maatschappijbeelden: anders zouden de leden van de maatschappij cognitief in zodanig heterogene werelden leven dat er geen minimaal vereiste wederzijds verstaanbare situatiedefinities tot stand zouden kunnen komen. Zij veronderstellen in de derde plaats een zeker minimum aan heersende normatieve duidingspatronen, wereld- en maatschappijbeelden: anders zouden de normatieve gedragsverwachtingen zo heterogeen zijn dat er geen stabiele interactie mogelijk zou zijn. Ook deze vereiste moet niet worden verwisseld met consensuele shared values: het is voldoende wanneer de verschillende waardepatronen relatief stabiel, verstaanbaar en voorspelbaar zijn en wanneer de heterogene waarden die praktisch relevant zijn voor het handelen niet helemaal onverenigbaar zijn.

      In het structureel functionalisme van Talcott Parsons wordt het normatieve systeem altijd geïnterpreteerd als een reflectie van de samenleving als geheel. De maatschappelijk dominante normen reflecteren echter veeleer de normen van de groeperingen die in de samenleving zelf dominant, geprivilegieerd zijn.

  8. Maatschappelijk samenleven vereist een bepaald minimum aan coŲrdinatie en aan definitieve beslissingen. Deze minimale en historisch zeer variabele coŲrdinatie- en beslissingsbehoefte geldt voor alle hoe dan ook geaarde coŲperatieve en maatschappelijke activiteiten (globaal: van de materiŽle productie tot aan de oorlogsvoering). Bovendien bestaat er echter een eveneens historisch variabele behoefte aan ‘centrale’ en voor de betreffende soevereine maatschappelijke eenheden definitieve, in deze zin ‘politieke’ beslissingen. Door de ontwikkeling van alle maatschappelijke verhoudingen en van het maatschappelijk karakter van allerlei soorten arbeid neemt de betekenis van deze vereiste sterk toe. Als deze minimale vereiste niet vervuld wordt dan verliezen collectieven en maatschappijen hun vermogen om te beslissen en daarmee het vermogen om gecoördineerd te handelen.
  9. Soevereine maatschappelijke eenheden kunnen zich niet als zodanig reproduceren wanneer zij niet in staat zijn om zich tegen andere eenheden te beschermen en te verdedigen; de uitbreiding van hun soevereiniteit heeft zich historisch voltrokken via agressie. Zowel de vereist van de ‘verdediging’ als van de ‘voorwaartse verdediging’ zijn niet per definitie actuele behoeften. Dit geldt zowel voor de collectieve zelfverdediging en voor de collectieve aanval van hele stammen tot aan de gedwongen rekrutering voor staande legers.
  10. Ook de interne vereisten van recht en orde vloeien niet rechtstreeks voort uit actuele individuele beschermings- en zekerheidsbehoeften. Dit geldt natuurlijk in het bijzonder voor maatschappijen met grote structurele ongelijkheden, zoals klassenmaatschappijen. De vereiste van de garantie van de (ongelijke) verdeling van de beschikkingsmacht binnen soevereine eenheden is niet eenvoudig de behoefte van de negatief geprivilegieerden.
Functionele vereisten bij de vleet
Uit de talloze formuleringen van de functionele vereisten zullen we er ter vergelijking een paar uitlichten.

    Wilbert E. Moore [1978:344 e.v.] maakt —in aansluiting bij Levy [1952]— een onderscheid tussen:
  1. Bioeconomic requisites
    1. adequately motivated heterosexual copulation leading to reproduction; provision for care and nurturance;
    2. food supplies and in some physical settings clothing and shelter;
    3. sustenance of consumers who are not producers;
    4. protection against threats of nonhuman environment: earthquakes, tidal waves, volcanic eruptions, winds, wild animals;
    5. protection against threat from other societies.
  2. Emergent social properties:
    1. minimum task differentiation by age and sex and variability in physical capacities and possibly in learning ability;
    2. coordination in some form, with authority patterns being highly likely, particularly for any ‘emergency tasks’;
    3. unequal rewards to induce crucially important and skilled or responsible performance;
    4. communication by the way of symbolic language: instruction of infants, shared cognitive orientations [en niet de ‘shared articulated set of goals’ van Levy], rules governing interpersonal transactions.
  3. Maintenance of motivation.
    Zie ook de vroegere uiteenzetting van: Aberle/Cohen/Davis/Levy [1950:100-111].
    Hugo de Jager/Albert L. Mok [1978:153 e.v.]
  1. Technieken
  2. Taakverdeling en -vervulling
  3. Communicatie: een voor allen begrijpelijk systeem van sybolen (taal, gebaren, figuren)
  4. Een zekere consensus
  5. Saamhorigheidsgevoel
  6. Voortplanting gereguleerd
  7. Socialisatie
  8. Handhaving stabiliteit door institutionalisering en sociale controle
  9. Verandering
    Barrington Moore [1978:9 e.v.] onderscheidt drie ‘problems of social coŲrdination’:
  1. Authority
  2. Devision of labor
  3. Allocation of resources
    Niklas Luhmann [1975 II:154]:
  1. Religieuze wereldduidingen
  2. Collectieve politieke beslissing
  3. Juridische conflictoplossing
  4. Economische productie
  5. Verzorging en opvoeding van de nakomelingen
    Vgl. Haferkamp [1987].

Deze min of meer traditionele voorbeelden maken op z’n minst het volgende aannemelijk.

  1. Functionele vereisten kunnen ook niet of nauwelijks worden vervuld. Het blijven vereisten, ook wanneer ze niet als actuele behoeften worden ervaren en onderkend.

  2. Functionele vereisten worden niet alleen vervuld door bewust maatschappelijk handelen dat direct op deze vereisten betrokken is, maar ook onbewust en latent als ongewilde nevengevolgen van het handelen. Het blijven echter vereisten, ook al vereisen zij geen handelingen die bewust gericht zijn op hun vervulling.

  3. Net als bij private behoeften hoeft de definitie en vervulling van deze vereisten niet samen te vallen met de voortbrenging van de middelen die hiervoor nodig zijn.

  4. Alle private behoeften en in bijzondere mate ook de collectieve maatschappelijke behoeften zijn historisch-maatschappelijk bepaald en worden concurrerend gedefinieerd. Dit geldt in nog veel sterkere mate voor functionele vereisten. Hun feitelijke articulatie en definitie, hun relatieve gewicht en vooral ook de manier waarop zij vervuld moeten worden is zelf inzet van machtsstrijd en zeker niet eenvoudig waardevrij of normatief neutraal. Het is dan ook niet vereist dat er overeenstemming bestaat over de definitie van functionele vereisten, en zeker niet over hun betekenis en gewicht en de manieren waarop ze vervuld moeten worden. Ook consensuele of democratische meerderheidsbeslissingen garanderen wat dit betreft immers niet eenvoudig ‘ware’ definities en beslissingen die in de gegeven situatie adequaat zijn. De definities van milieuvereisten, van hun betekenis en van de maatregelen die genomen moeten worden, is het meest recente plastische voorbeeld in een lange reeks van historische vergissingen ook in min of meer democratische politieke systemen.
      De definitie en vervulling van functionele vereisten is niet waardevrij en dus normgeladen. Toch is de sociaal-wetenschappelijke formulering van deze universals geen eenvoudig verlengstuk van de politieke tegenstellingen en onverenigbare normatieve standpunten.

      Ook de meest radicale pacifisten moeten erkennen dat een maatschappij als soevereine eenheid zonder verdediging in een omgeving van agressieve concurrenten geen overlevingsmogelijkheden heeft, wanneer zij er althans niet in slaagt deze concurrenten zelf ‘pacifistisch te ondergraven’.

      Ook radicale tegenstanders van gestructureerde sociale ongelijkheid moeten erkennen dat ‘law and order’ een functionele vereiste van klassenmaatschappijen is. Ook in niet-klassenmaatschappijen bestaat een maatschappelijke behoefte aan bescherming en zekerheid welke ‘recht’ en ‘openbare orde’ vereisen — hoezeer hun karakter ook mag verschillen van die in klassenmaatschappijen [Blankenberg 1982. Zie over de verandering van functie en uitvoering in de marxistische traditie — ‘afsterven’ van staat en recht: Bader e.a. 1976:413 e.v.].

      Tenslotte: ook radicale critici van de normativistische sociologie van de shared values moeten erkennen dat samenlevingen zonder een zeker minimum aan ‘culturele integratie‘ niet alleen extreem instabiel, maar op den duur ook niet levensvatbaar zijn.

  5. Net als bij private en collectieve behoeften bestaan er ook bij functionele vereisten geen bij voorbaat vaststaande, quasi natuurlijke rangorde van hun relatieve betekenis. De ervaring en definitie van de vereisten door de historische actoren is variabel en omstreden (zij is afhankelijk van belangen, denkhoudingen en -patronen, van beschikbare informatie enz.). Uit sociaal-wetenschappelijke analyses blijkt dat de specifieke betekenis van deze universals in de loop der tijd telkens verschuift en bovendien steeds context- of situatiespecifiek verschillend is. De relatieve betekenis van functionele vereisten is afhankelijk van de stand van de ontwikkeling van de productie- en destructiekrachten, van de mate van maatschappelijke interdependenties en van de aard van de relaties tussen soevereine eenheden. Een hogere graad van maatschappelijkheid van de arbeid —bijvoorbeeld in ontwikkelde kapitalistische informationele maatschappijen— vereist een grotere mate van centrale coŲrdinatie en beslissingen (bijvoorbeeld in vergelijking tot de in vergaande mate subsistentie-economische boerensamenlevingen). De ‘defensiebehoefte’ hangt af van de stand van de militaire technologie en van de gegeven interstatelijke krachtsverhoudingen.

    Deze historische variabiliteit betekent niet dat er achteraf geen wetenschappelijk oordeel mogelijk zou zijn over de vraag, of de betreffende vereisten verkeerd werden ingeschat, of de manier waarop ze vervuld werden ontoereikend waren, of de totaal beschikbare bronnen geen andere keuze toelieten enz. Dit geldt voor oordelen over geweldsverhoudingen tussen staten net zo goed als voor de milieuvernietiging, kwalificatievereisten enz.

  6. Functionele vereisten worden altijd maatschappelijk gedefinieerd, maar daarom zijn het nog geen ‘publieke’ behoeften in de moderne zin van het woord. Activiteiten die speciaal gericht zijn op de vervulling van functionele vereisten zijn niet zonder meer ‘publieke arbeid’. En de resultaten van deze activiteiten zijn zeker niet zonder meer publieke of gemeenschappelijke goederen. De maatschappelijke organisatievorm van functionele vereisten is zeer variabel: de materiŽle productie en kinderopvoeding waren historisch al vaker publieke aangelegenheden en omgekeerd waren de ‘politieke’ beslissingen en de legerorganisatie juist ‘privťzaken’.
  7. We hebben gezien dat de middelen voor de bevrediging van individuele behoeften ontwikkelingshistorisch gezien in toenemende mate worden voortgebracht door vermaatschappelijkte en arbeidsdelige activiteiten. Op dezelfde manier zijn ook de mogelijkheden om maatschappelijke behoeften van collectieven op een niet-arbeidsdelige manier te bevredigen steeds meer ingeperkt. De activiteiten die gericht zijn op de vervulling van functionele vereisten worden gedifferentieerde ‘beroepen’ in gespecialiseerde ‘organisaties’ of maatschappelijke subsystemen.
De relatie tussen (i) functioneel gedifferentieerde behoeften en maatschappelijke vereisten en (ii) empirisch gedifferentieerde activiteiten en verhoudingen moet nog worden geanalyseerd. Voordat we hiertoe overgaan geven we eerst een schematisch overzicht van de functioneel gedifferentieerde behoeften en maatschappelijke vereisten.

Schema 4b — Individuele behoeften en maatschappelijke vereisten

  1. Stofwisseling met de natuur (metabolisme) en biologisch-fysiologische behoeften: honger, dorst, zuurstof, bescherming tegen extreme temperaturen enz.
    Reproductie en ontwikkeling van het fysiologisch-biologisch organisme van de mens. Productievereisten.
  2. Voortplantingsvereisten en -behoeften
    Reproductie en ontwikkeling van de menselijke soort.
  3. Gezondheidsbehoeften en vereisten
    Reproductie en ontwikkeling van het gezonde individu en genezing van het zieke individu: bescherming tegen somatische ziekten (voorkomen door hygiëne, lichaamsverzorging, preventieve geneeskunde), reparatie van het zieke lichaam, genezen door toegang tot therapeutische middelen, competenties en instellingen.
  4. Bewegings-, rust- en ontspanningsbehoeften
    Reproductie en ontwikkeling van de menselijke motoriek en fysiologische recuperatie.
  5. Behoefte aan verzorging
    Behoefte aan ondersteuning, verzorging en bijstand van individuen die nog niet (kinderen), tijdelijk niet (zieken, werklozen), duurzaam niet (invaliden, gehandicapten) of niet meer (bejaarden) in staat zijn zich zelfstandig te reproduceren.
  6. Erotische behoeften of seksuele behoeften
    Reproductie en ontwikkeling van de mens als erotisch lustwezen. Behoefte aan seksuele lust, orgastische bevrediging.
  7. Emotionele behoeften
    Reproductie en ontwikkeling van de mens als affectief wezen en ‘gezellig dier’. Behoefte aan genegenheid, liefde, erkenning, aandacht, vermijden van angst en eenzaamheid.
  8. Distinctie-, machts- en prestigebehoeften
    Reproductie en ontwikkeling van het maatschappelijk erkende individu.
  9. Expressief-esthetische behoeften
    Reproductie en ontwikkeling van de spelende mens. Behoefte aan expressie; mimische, dramatische, literaire, muzikale enz. behoeften.
  10. Heils- en verlossingsbehoeften. Behoefte aan zingeving aan of verlossing van ellende, ziekte, onrecht, dood enz. welke door menselijk (wereldlijk, hiernumaals) handelen niet oplosbaar zijn of lijken te zijn.
  11. Cognitieve en normatieve duidingsbehoeften en -vereisten
    Behoefte aan globale duidingen van de uiterlijke, de eigen natuur en van de maatschappij; aan normatieve en cognitieve (deel)wereld- en maatschappijbeelden.
  12. Verklarings- en kennisbehoeften en -vereisten
    Behoefte aan toetsbare en kritiseerbare cognitieve kennis.
  13. Opvoedings- en educatieve behoeften en vereisten
    Behoeften aan reproductie en ontplooiing van de meest uiteenlopende competenties; vereiste van instandhouding of ontwikkeling van historisch specifieke kwalificatieniveaus.
  14. Ecologische behoeften en vereisten
    In stand houden of verbeteren van de natuurlijke randvoorwaarden van het maatschappelijke leven, d.w.z. van een voor mensen gunstig natuurlijk milieu.
  15. Behoeften en vereisten van instandhouding of uitbreiding van de algemene materiŽle randvoorwaarden van het maatschappelijke leven, met name van verkeers- en communicatienetwerken.
  16. Informatiebehoeften en -vereisten
  17. CoŲrdinatie- en beslissingsbehoeften en -vereisten
    Zowel algemeen als speciaal voor instandhouding of uitbreiding van het coŲperatie- en handelingsvermogen van soevereine maatschappelijke eenheden: definitieve politieke beslissingen.
  18. Interne beschermings- en veiligheidsbehoeften en -vereisten
    Zowel behoefte aan bescherming tegen lichamelijke kwetsing als vereiste van de garantie de (ongelijke) verdeling van beschikkingsmachten binnen soevereine eenheden.
  19. Externe zekerheids- en veiligheisbehoeften en -vereisten
    Instandhouding en of uitbreiding van de soevereiniteit; garantie van de (ongelijke) verdeling van de beschikkingsmachten tussen soevereine eenheden.

Indelingen van menselijke behoeften en maatschappelijke vereisten verschillen van elkaar door de mate van differentiatie die wordt nagestreefd. Voor onze pro-theoretische uiteenzetting geven wij de voorkeur aan een relatief vergaande desaggregatie. Ook aan deze indeling ligt een bepaald aggregatieprincipe ten grondslag. We zullen dit kort toelichten.

Wij hebben ons bij deze indelingspoging laten leiden door een pragmatisch criterium, namelijk of deze functioneel gedifferentieerde behoeften en vereisten historisch gezien ook worden vervuld door verschillende empirisch uitgedifferentieerde activiteiten en organisaties/instituties/subsystemen. Dit criterium lijkt circulair, omdat we immers juist een niet-triviale analytische ingang wilden uitwerken voor de indeling van activiteiten en verhoudingen. Wij zien echter geen heil in een ahistorische antropologie van de behoeften. Bovendien is onze benadering geen gesloten circuit, maar eerder een open spiraal die correspondeert met de dynamische wisselwerking tussen behoeften en activiteiten. Empirisch gedifferentieerde activiteiten en verhoudingen scheppen een empirische gedifferentieerde behoeftestructuur en daarmee actueel door de actoren onderscheiden behoeften, welke ze echter tegelijkertijd veronderstellen.

Progressieve en repressieve differentiatie
In stamrituelen worden tegelijkertijd en ongedifferentieerd religieuze, orgastisch-erotische, expressief-esthetische, duidings- en socialisatiebehoeften bevredigd en coŲrdinatie- en beslissingsvereisten vervuld. De door de differentiatie geplaagde moderne mens moet echter ter bevrediging van zijn passieve expressief-esthetische behoeften naar het theater, concert, museum of bioscoop gaan; en voor zijn actieve expressief-esthetische behoeften moet hij naar de disco, een danspaleis, het zangkoor of het kamermuziekconcert. Om zijn heils- en verlossingsbehoeften te bevredigen gaat hij ouderwets naar de kerk of alternatief naar de Ashram.

Dit enigszins overdreven voorbeeld maakt twee dingen duidelijk. Aan de ene kant is de historische differentiatie van activiteiten en institutionele ruimtes een voorwaarde om de functioneel gedifferentieerde behoeften en activiteiten in ‘ongedifferentieerde maatschappijen’ te herkennen. Aan de andere kant hebben we hier het ‘leed’ van de moderne mens aangegeven: moderniseringsprocessen kunnen ook met enig recht als repressieve differentiatie worden beschreven. Dit is geen simpel verlengstuk van de conservatieve cultuurkritiek en ook geen nostalgische, romantisch-reactionaire ideologie van het eenvoudige leven: voor de overgrote meerderheid van de betrokkenen betekenden en betekenen moderniseringsprocessen een gedwongen en geenszins vrijwillige ingrijpende verandering van hun arbeids- en levensverhoudingen.

De nadelige gevolgen voor ‘moderne’ individuen zijn hier alleen maar genoemd om duidelijk te maken dat wij geen normatief vooroordeel aan ons methodisch principe verbinden. Wanneer wij bijvoorbeeld een onderscheid maken tussen voortplanting, erotische behoeften en emotionele behoeften dan impliceert dit geen pleidooi voor ‘liefdeloze seks’ (de onschuldige maagdelijke moedergodin als echtgenote en de hoer als begeerd en veracht lustobject) of voor de bevrediging van emotionele behoeften bij professionele experts van het psy-complex. Maar het maakt wel zichtbaar welke behoeften bijvoorbeeld in de institutie van het patriarchale kerngezin vervuld (of juist niet vervuld) worden en het maakt het daarom tevens mogelijk om alternatieve instituties normatief te onderbouwen en praktisch te beproeven.

Onze indeling van behoeften en vereisten impliceert geen waardering van hun betekenis in de zin van een objectief gegeven natuurlijke hiŽrarchie — alsof de fysiologisch-biologische stofwisselingsbehoeften altijd de belangrijkste en de externe zekerheidsbehoeften altijd de onbelangrijkste zouden zijn.

Wij pretenderen —zoals gebruikelijk— dat Šlle menselijke behoeften en maatschappelijke vereisten in onze indeling zijn verdisconteerd, of door een tamelijk eenvoudig herkenbare nadere onderverdeling aanwijsbaar zijn.

Index3. Functionele differentiatie van activiteiten en verhoudingen

We zullen functioneel gedifferentieerde activiteiten en verhoudingen in eerste instantie eenvoudig schematisch rangschikken bij de behandeling van behoeften en vereisten, om ze dan afzonderlijk toe te lichten.

Schema 4c — Functionele differentiatie van activiteiten en verhoudingen

  1. Materiële productie en consumptie
    Productie van materiële productiemiddelen en van alle materiële arbeidsmiddelen en -bronnen; productie van alle materiële consumptiemiddelen; materiële productie. Samen: stofwisseling met de uiterlijke natuur. Animal laborans, homo faber.
    Materiële productie- en consumptieverhoudingen.
  2. Voortplanten*
    Kinderen verwekken, dragen, baren, zogen.
    Verwantschapsverhoudingen.
  3. Medische activiteiten
    Alle preventieve, curatieve en verplegende handelingen; zich laten genezen.
    Gezondheidsverhoudingen
  4. RecreŽren
    Actief: spelen, rennen, dansen, sporten. Passief: uitrusten, ontspannen, luieren, slapen. Homo ludens
    Recreatieverhoudingen
  5. Verzorgen en ondersteunen
    Van kinderen, gehandicapten, arbeidsongeschikten, werklozen, bejaarden. Vorming en beheer van sociale fondsen; zich laten verzorgen, ondersteunen.
    Sociale zekerheidsverhoudingen
  6. Erotische activiteiten
    Alle mogelijke handelingen die lust voortbrengen: strelen, zoenen, vrijen, ‘de liefde bedrijven’. Homo eroticus
    Erotische verhoudingen
  7. Emotionele activiteiten*
    Aandacht geven en ontvangen, affectie uiten en genegenheid ervaren, sympathie uitwisselen en emotioneel liefhebben.
    Emotionele verhoudingen
  8. Prestige activiteiten*
    Alle hiŽrarchisch waarderende activiteiten die distinctie en prestige constitueren en demonstreren. Homo distinctionalis.
    Prestigeverhoudingen
  9. Expressief-esthetische activiteiten
    Alle actieve en passieve kunstzinnige of artistieke, muzikale enz. activiteiten: zingen, dansen, dichten, schilderen, verbeelden enz.
    Kunstverhoudingen
  10. Religieuze activiteiten
    Alle actieve en passieve religieuze handelingen: construeren van religieus-metafysieke wereldbeelden, profeteren, prediken, bidden, mediteren, kastijen, vasten enz. Homo religiosus
    Religieuze of heilsverhoudingen
  11. Duiden
    Construeren van globale cognitieve en normatieve duidingspatronen, wereld- en maatschappijbeelden. Bijv. magisch-animistische, cosmo-centristische, theo-centristische of antropo-centristische, wereldbevestigende of wereldontkennende mechanistische of organicistische wereldbeelden. Bijv. magische ethiek, wets-, gevoels- en verantwoordelijkheidsethiek.
    Duidingsverhoudingen
  12. Verklaren
    Construeren van rationele verklaringen, begrippen, theorieŽn, modellen; analyseren en synthetiseren. Samen met 10 en 11: Homo sapiens.
    Wetenschapsverhoudingen
  13. Opvoeden en onderwijzen
    Actieve en passieve opvoedende en educatie activiteiten: lichamelijke, psychische, sociale, geestelijke, culturele en politieke socialisatie. Doceren en leren.
    Opvoedings- en educatieverhoudingen
  14. Bescherming tegen natuurrampen en ecologische natuurreparaties
    Beschermen, herstellen en beheren van het natuurlijke leefmilieu: plannen, bouwen en bewaken van dijken, bescherming tegen lawines, vulkaanuitbarstingen, meteorologische diensten enz.
    Ecologische verhoudingen
  15. Scheppen, in stand houden en uitbreiden van materiŽle infrastructuur
    CreŽren, onderhouden en uitbreiden van verkeers- en communicatienetwerken.
    MateriŽle infrastuctuur
  16. Informeren en geÔnformeerd worden
    Verzamelen, verwerken, verspreiden, en ontvangen, gebruiken van informatie.
    Informatieverhoudingen
  17. CoŲrdineren en beslissen
    In het algemeen en politiek beslissen: definitief beslissen in soevereine eenheden over behoeften, vereisten, belangen, geldende waarden normen, nodzakelijke activiteiten enz. Homo politikon.
    (Politieke) beslissingsverhoudingen
  18. Activiteiten ter instandhouding van recht en orde (intern)
    Beschermen van rechtszekerheid en openbare orde, juridische en politionele misdaadbestrijding, interneren; inlichtingen- en veiligheidsdiensten enz.
    Interne rechts- en geweldsverhoudingen
  19. Verdedigings- en aanvalsactiviteiten
    Tussen soevereine eenheden: van diplomatieke en spionage-activiteiten tot defensieve en veroveringsoorlogen.
    Externe geweldsverhoudingen
De activiteiten en verhoudingen die met een * zijn aangemerkt kunnen slechts in zeer beperkte mate empirisch worden uitgedifferentieerd als beroepen en als gespecialiseerde organisaties of instituties. De vermelding van de homines zou gesystematiseerd kunnen worden, bijvoorbeeld: homo significans, animal ridens, zoon politikon enz. De homo economicus ontbreekt overigens zeer bewust [zie § 4.4].

In deze indeling van functioneel gedifferentieerde activiteiten en verhoudingen spelen de volgende overwegingen een rol.

  1. Activiteiten omvatten zowel activiteiten die gericht zijn op het voortbrengen of scheppen van gebruikswaarden als op hun consumptie of gebruik. Bij de materiŽle productie kan dit zeer eenvoudig worden onderscheiden. Activiteiten omvatten traditioneel gesproken zowel meer actieve als meer passieve activiteiten. Bijvoorbeeld muziek maken en naar muziek luisteren; sport bedrijven of naar Studio Sport kijken.

      De mogelijkheid om de ‘activiteit’ en het ‘genot’ te scheiden is een voorwaarde voor de mogelijkheid van professionalisering. Zo kan bijvoorbeeld de activiteit en het genot van het eten en drinken maar heel moeilijk worden gescheiden. Dit stelt erg nauwe grenzen aan denkbare geprofessionaliseerde vreetwedstrijden. Bovendien is het niet erg waarschijnlijk dat dergelijke wedstrijden ertoe zouden leiden dat de meerderheid van de bevolking de opname van hun voedingsmiddelen passief via het infuus gaat regelen.

      In vergelijking hiermee is het kunstgenot voor de overgrote meerderheid van de bevolking in ontwikkelde kapitalistische landen als gevolg van de professionalisering en commercialisering van kunstzinnige activiteiten hoofdzakelijk passief en consumentistisch geworden.

  2. Voor de functionele onderscheidingen is het in eerste instantie irrelevant of de activiteiten ‘arbeid’ zijn of dat het ‘vrije activiteiten’ zijn. Historisch gezien krijgt het verschil tussen arbeid en vrije tijd zelf pas een precieze betekenis wanneer er sprake is van een empirische differentiatie van activiteiten, geÔnstitutionaliseerde functiekringen en corresponderende tijdsbudgetten.
  3. Er zijn nog andere redenen waarom wij bepaalde functioneel gedifferentieerde activiteiten en verhoudingen bewust geen ‘arbeid’ noemen. Wij gebruiken een duidelijk afgebakend begrip van materiŽle productie: de stofwisseling met de natuur, hoe deze ook maatschappelijk gestructureerd en georganiseerd is. MateriŽle productie omvat natuurlijk de productie van Šlle materiŽle bronnen. Dus niet alleen van materiŽle productie- en consumptiemiddelen, maar van alle materiŽle middelen in de andere activiteitsverhoudingen. Zij omvat ook transportactiviteiten, en als men het begrip materiŽle productie breed wil gebruiken, dan zou men ook de ecologische verhoudingen en de materiŽle infrastructuurverhoudingen tot de materiŽle productieverhoudingen kunnen rekenen. We willen echter vermijden om de activiteiten van de voortplanting, van het genezen en verplegen, van het recreŽren, van verzorgen, van zingeving en duiding, van beslissing enz. tot aan het gebruik van geweld toe ‘productie’ te noemen.

      We voorkomen daarmee dat materiŽle productie (identiek met het algemene arbeidsbegrip, zoals Marx dit —MEW 23:193 e.v.— definieert) wordt vermengd met de ‘productie’ van kinderen, van gezondheid, heil, wereldbeelden, kennis enz. tot aan de ‘productie van beslissingen’. Wanneer men al deze activiteiten ‘productie’ zou noemen en —wanneer dat in de kraam te pas komt— vervolgens onder ‘productie’ dan weer ‘materiŽle productie’ verstaat, dan wordt natuurlijk het primaat van de materiŽle productieverhoudingen —welke wezenlijk is voor de ‘basis-bepaalt-bovenbouw’ stelling— alleen al veilig gesteld door een terminologische zakkenrollerstruuk. Vgl. kritisch Kalakowski [I:357] en Pels [1987:88].

    Zij kunnen allemaal als ‘arbeid’ worden aangeduid, wanneer men arbeid breed definieert als voortbrenging van gebruikswaarden, zoals dit als gevolg van onze eerste afbakening van het arbeidsbegrip mogelijk is [hoofdstuk III § 3]. Maar wij zullen deze activiteiten pas arbeid noemen wanneer er historisch gezien sprake is van een bepaalde minimale mate van arbeidsdeling en van differentiatie tussen arbeid en niet-arbeid in de zin van empirisch onderscheiden en vrij beschikbare tijd.

      Om eventuele misverstanden te voorkomen: het gaat hier niet om de empirische onderscheiding, en dus niet om de mythe dat pas de industrieel kapitalistische revolutie geleid zou hebben tot een vermeerdering van vrije tijd. Vergelijk bijvoorbeeld de schattingen van Sahlins [1972:14,35] en van Sombart [1921:37].

  4. Net als bij de functionele onderscheiding van behoeften geldt ook voor die van de activiteiten en verhoudingen, dat het om analytische verschillen gaat en dat de mate van analytische differentiatie resp. aggregatie afhankelijk is van het gegeven onderzoeksdoel. In werkelijkheid zijn religieuze, duidende en wetenschappelijk verklarende activiteiten natuurlijk helemaal niet zo eenvoudig van elkaar te onderscheiden. Omgekeerd zou men het terecht als een tekortkoming van onze indeling kunnen zien dat de expressieve, evaluatieve en cognitieve dimensie van wereldbeelden en duidingen niet gedifferentieerd is.

      Schluchter [1979] en Habermas [1981] maken een analytisch onderscheid tussen verschillende dimensies van duidingspatronen en wereldbeelden. Op deze grondslag ontwerpen zij grove indelingen van de wereldreligies en ethieken. Wij hebben globale cognitieve duidingspatronen en wereldbeelden onderscheiden van empirisch toetsbare en kritiseerbare wetenschappelijke kennis om erop te wijzen dat de ontologische status van bijv. het mechanistische wereldbeeld dat de natuurwetenschappen in de 19e eeuw beheerste, niet principieel verschilt van de magisch-animistische wereldbeelden.

Index4 Empirische differentiatie van activiteiten en verhoudingen

Wij hebben al benadrukt dat er zeer duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen functionele of analytische en empirische differentiatie, en dat alle empirisch gedifferentieerde of gespecialiseerde activiteiten en verhoudingen altijd meerdere functies tegelijkertijd vervullen.
Beroepsindelingen
Beroepsindelingen zijn geen zuivere indicator van louter technische arbeidsdeling, maar evenzeer van succesvolle strategieŽn van beroepsvorming en professionalisering van betaalde typen arbeid [Coxon/Davies/Jones 1986; Mok 1973; Benschop 1993/2017: I, § 3.4.4].
Als problematische graadmeter van de empirische differentiatie gebruiken wij (a) voor activiteiten de empirische arbeidsdeling en beroepsspecialisatie, (b) voor verhoudingen de gespecialiseerde plaatsen, organisaties of instellingen. Schematisch resulteert dit in het beeld dat schema 4d oplevert.

Schema 4d — Empirische differentiatie van activiteiten en verhoudingen

  1. MateriŽle productieverhoudingen
    1. Empirisch gedifferentieerde soorten arbeid en beroepen van materiŽle productie: jager, boer, bakker, lasser enz.
    2. Bos, veld, zee via de ambachtelijke werkplaats tot aan de fabriek.
  2. Verwantschapsverhoudingen*
    1. Het dragen, baren en zogen van kinderen is het privilege of noodlot van vrouwen. Als gevolg van de daarbij aansluitende historische arbeidsdeling tussen de geslachten kunnen deze activiteiten als ‘arbeid’ worden gedefinieerd. Maar de beroepsvorming van deze arbeid speelt zich af binnen nauwe grenzen: draagmoeders, minnen en (eerder als grap de professionele spermadonor.
    2. Historisch waren er nauwelijks instituties die op voortplanting waren gespecialiseerd. Men kan denken aan de nationaal-socialistische fokfabrieken of modern: spermabanken en instellingen voor KI.
  3. Gezondheidsverhoudingen
    1. Van medicijnman en sjamanen via de heksen, kwakzalver tot de gedifferentieerde ‘gilde’ van artsen, medisch specialisten, verpleegkundigen, psychotherapeuten enz.
    2. Ziekenhuizen, klinieken, ambulante gezondheidszorg, artsen- en tandartsenpraktijken.
  4. Recreatieverhoudingen
    1. Beroepssporters, kampeerhouders enz.
    2. Sportscholen, recreatie- en herstellingsoorden.
  5. Sociale zekerheidsverhoudingen
    1. Kinder-, bejaarden- en ziekenverzorgers, sociale hulpverleners en ambtenaren van sociale diensten.
    2. Kindertehuizen en weeshuizen, bejaardenoorden, sociale diensten, charitatieve instellingen en de sociale afdelingen het Leger des Heils.
  6. Erotische verhoudingen
    1. Vrouwelijke en mannelijke hoeren (puella publica, maÓtresse, venuspriesteres, courtisane, concubine), pooiers.
    2. Academies des femmes aimables, bordelen, seksclubs.
  7. Emotionele verhoudingen*
    1. Koesterende ‘huisvrouwenarbeid’, beheerders van relatie- en contactbureaus en van datingsites.
    2. Relatie- en contactbureaus, online datingsites.
  8. Prestigeverhoudingen*
    1. Ceremoniemeesters, managers en organisatoren van de rituelen en symbolen van de macht: van triomftochten via de kroningen tot aan de versteende architectuur van de eeuwigheid.
    2. Prijsuitreikende organisaties en academies: van koninklijke onderscheidingen, via Academy Award (Oscar), Emmy Award en P.C. Hoofdprijs tot aan de Top 40.
  9. Kunstverhoudingen
    1. Professionele kunstenaars en artiesten.
    2. Theaters, balletzalen, bioscopen, musea, operagebouwen.
  10. Religieuze en heilsverhoudingen
    1. Religiestichters, profeten, priesters, dominees, imams, goeroes enz.
    2. Kerken, sekten, kloosters, moskeeŽn, heilige en bedevaartplaatsen.
  11. Duidingsverhoudingen
    1. Theologen, filosofen, ideologen.
    2. Universiteiten, discussiekringen enz.
  12. Wetenschapsverhoudingen
    1. Onderzoekende en/of docerende wetenschappers
    2. Universiteiten, onderzoeksinstellingen.
  13. Opvoedings- en educatieverhoudingen
    1. Opvoeder, gouvernante, leraar enz.
    2. Opvoedingsinstellingen en scholen.
  14. Ecologische verhoudingen
    1. Dijkwachter, brandweerman, boswachter, meteoroloog, vuilnisman, ecoloog enz.
    2. Meteorologische, seismografische enz. instituten, stichtingen en diensten voor milieubescherming, -reparatie en -beheer.
  15. MateriŽle infrastructuurverhoudingen
    1. Verkeers-, stads-, ruimtelijke, regionale enz. planners.
    2. Organen voor de planning, coŲrdinatie en controle van verkeers- en communicatienetwerken, water- en energievoorzieningen.
  16. Informatieverhoudingen
    1. Journalisten van dag- en weekbladen, van radio, televisie en internet; statistici.
    2. Instellingen die informatie verzamelen, verwerken en verspreiden: oude en nieuwe media, centrale of regionale bureaus voor statistiek e.d.
  17. Politieke beslissingsverhoudingen
    1. Stamhoofd, hoofdman, opperhoofd, clanleider, koning, parlementariŽr, minister, beroepsactivist en revolutionair enz.
    2. Thing, parlementen, staatsraden, ministeries, politieke partijen, vakbonden, emancipatie- en democratiseringsbewegingen.
  18. Interne rechts- en geweldsverhoudingen
    1. Politieagenten, rechters, cipiers enz.; beroepscriminelen.
    2. Politieapparaat, rechtbanken, gevangenissen, misdaadsyndicaten.
  19. Externe rechts- en geweldsverhoudingen
    1. Diplomaat, spion, generaal, soldaat enz.
    2. Diplomatieke en spionagediensten, legers, NAVO, VN, vredesorganisaties.
Activiteiten en verhoudingen die met een * zijn aangemerkt kunnen slechts in zeer beperkte mate empirisch worden uitgedifferentieerd.

We behandelen nu eerst de relatie tussen empirisch en functioneel gedifferentieerde activiteiten [§ 4•1] en verhoudingen [§ 4•2]. Daarna gaan we kort in op de verhouding tussen functionele differentiatie en specifieke historische instituties [§ 4•3]. Tenslotte bespreken we een paar bekende moeilijkheden van empirisch georiŽnteerde indelingen van sferen en velden [§ 4•4], waarbij we ons eigen voorstel van anderen afbakenen [§ 4•5].

Index


4.1 Empirische differentiatie van activiteiten

We hebben al eerder aangegeven waarom wij ons concentreren op activiteiten als arbeid en arbeidsverhoudingen. Dat is de reden waarom we de empirisch meer of minder gedifferentieerde consumptieve activiteiten niet in het schema hebben opgenomen.

Activiteiten die de meeste uiteenlopende gebruiksvoorwaarden voortbrengen noemen wij ‘arbeid’ wanneer voor de actoren zelf herkenbaar is dat zij zijn onderscheiden van de niet-arbeid.

  1. Deze ervaring van activiteiten als arbeid veronderstelt in de eerste plaats een minimale empirische differentiatie van niet-arbeid of vrije tijd. Dit wordt vergemakkelijkt en gestimuleerd door de tijdruimtelijke en institutionele scheiding tussen arbeid en andere activiteiten. Vanuit deze optiek laten zich een paar bekende moeilijkheden bij het herkennen en benoemen van huishoudelijke arbeid verklaren. De activiteiten van het verzamelen, jagen enz. en met name —na de neolithische revolutie— die van het ploegen, zaaien en oogsten kunnen veel makkelijker als arbeid worden herkend, omdat zij tijdruimtelijk gescheiden zijn van de niet-arbeid of de vrije tijd.

  2. In de tweede plaats veronderstelt dit een bepaald minimum aan empirisch-historische opdeling van de activiteiten of van de arbeid. Dit wordt veel tastbaarder en duidelijker door de ontwikkeling van beroepsspecialisatie. Beroepsvorming of professionalisering is altijd al een tweeslachtig proces geweest. Enerzijds is het een quasi technische specialisatie van soorten arbeid, anderzijds is het onlosmakelijk verbonden met strijd om sociale sluiting, monopolisering, conventionele en juridische garantie van privileges (inclusief prestige). Alleen al daarom is de door ons gekozen indicator van de ‘beroepsactiviteit’ een veelvuldig gebroken, onzuivere maatstaf voor de empirische opsplitsing van activiteiten als arbeid. Beroepsvorming moet daarom ook zoveel mogelijk analytisch worden onderscheiden van de progressie van de productiekracht van de arbeid.

  3. Tenslotte kan arbeid niet los van het altijd subjectieve perspectief en de gegeven handelingscontext van de actor worden begrepen. Precies dezelfde specifieke activiteit (tennissen, computerprogramma’s schrijven, glazenwassen) kan voor de een ‘arbeid’ zijn (voor de tennisleraar, software specialist, schilder), terwijl het voor de ander een vrije tijdsactiviteit of hobby is. In ons schema gaat het er dus niet om dat de activiteiten die we empirisch kunnen differentiŽren ‘altijd’ arbeid zijn. Ze zijn voor ons voornamelijk als arbeid relevant.
Ook empirisch sterk gespecialiseerde arbeid is op verschillende behoeften en vereisten betrokken en vervult daarom altijd meerdere functies. Zo dient de educatieve activiteit van het college geven bijvoorbeeld niet alleen de overdracht van kennis en informatie, maar tegelijkertijd de expressieve zelfpresentatie, de behoefte aan erkenning en prestige, de ontwikkeling va de kwalificatie van de docent zelf en —zoals alle beroepsarbeid— last but not least het verwerven van de middelen voor levensonderhoud.

We hebben al aangestipt van er drie functioneel gedifferentieerde activiteiten zijn die slechts moeilijk empirisch gedifferentieerd en tot beroep gemaakt kunnen worden: voortplantingsactiviteiten, emotionele activiteiten en distinctie-, machts- en prestigeactiviteiten.

  1. Voortplantingsactiviteiten
    De geringe mate van beroepsvorming van voortplantingsactiviteiten en de daarbij aansluitende historische irrelevantie van gespecialiseerde verwantschapsverhoudingen is voor ons aanleiding om ze niet op te nemen in de volgende schema’s van empirisch gedifferentieerde arbeidsverhoudingen.

    Daarmee willen we natuurlijk niet beweren of suggereren dat verwantschapsverhoudingen irrelevant zouden zijn voor analyses van sociale ongelijkheid. Historisch gezien waren verwantschapsverhoudingen lange tijd maatgevende factoren voor de begrenzing van soevereine eenheden, zij bepaalden en bepalen nog steeds de primaire, intieme interactie- en leefeenheden en zij speelden en spelen een doorslaggevende rol als criterium van de (erfelijke) overdracht van beschikkingsmacht [zie onder].

  2. Emotionele activiteiten
    De empirische differentiatie van emotionele activiteiten van de psychotherapie behandelen wij als onderdeel van de gezondheidsverhoudingen. Daarmee laten we tegelijk de scheiding vallen tussen somatische en psychische ziektes. Zelfs analytisch is het nauwelijks mogelijk om deze in de strikte zin van het woord te onderscheiden.
      Naast de meer traditionele institutionaliseringen van het gezelligheidsleven (klaverjasverenigingen, buurtcafťs e.d.) is een eigensoortige en gespecialiseerde vriendschaps- en bekendensector ontstaan: van penfriends, relatiebureaus, escortservices tot aan de contactavonden voor alleenstaanden. De virtualisering van deze processen in de vorm van online dating-, relatie- en profielsites heeft deze tendens alleen maar versterkt.

  3. Distinctie-,machts- en prestigeactiviteiten
    De distinctiebehoeften de individuen moeten per definitie al worden omgezet in andere creatieve activiteiten en arbeid, omdat er geen ‘eer in het algemeen’ bestaat. Eer, reputatie en prestige komen tot stand en reproduceren zich door eerbewijzen en prestige waarderingen van anderen. Naast de alledaagse deferential activities van de respectvolle omgang (van het groeten tot aan de conventioneel of juridisch gesanctioneerde kniebuiging of het zich ter aarde storten voor god-koningen) kunnen de eerbetuigende activiteiten slechts binnen bepaalde grenzen als beroepen worden uitgedifferentieerd. Maar ook deze professionals van de esthetische demonstratie en symbolisering van macht en eer zijn eerder artistieke, architectonische en (moderne) media-experts.
      In de theatergeschiedenis is al vaker aangetoond dat er een nauwe samenhang bestaat tussen rituelen van de macht, triomftochten enz. en het ontstaan van tragedie, opera, theater enz. [Kindermann 1957:61 -Theatergeschichte Europas]. Zie voor een meer algemene verhandeling: Soper [2002 - The Ethics of Deference] en Ervin Goffman [1967 - The Nature of Deference and Demeanor].

    Ook de distinctieve activiteiten van de leden van academies en onderscheidingen toekennende en prijsuitreikende organisaties en instellingen zijn voor hen geen primaire beroepsactiviteiten. Zij gaan meestal zelf door voor erkende, beroemde of gelauwerde kunstenaars, wetenschappers, critici, politici enz. Om deze redenen zullen distinctie-, machts- en prestigeverhoudingen niet behandelen als gedifferentieerde empirische arbeidsverhoudingen. Hopelijk is het overbodig om te zeggen dat zij daarmee voor de analyse van sociale ongelijkheid zeker niet irrelevant zijn [zie hoofdstuk V, § 5].

Index


4.2 Functionele differentiatie van activiteiten

De empirische differentiatie van functioneel gespecialiseerde verhoudingen kan zowel worden geanalyseerd op het niveau van interacties, van organisaties als van omvattende subsystemen. Eenvoudige interactiesystemen kunnen in bepaalde behoeften gespecialiseerd zijn (zoals bijvoorbeeld de wekelijkse klaverjasavond), organisaties hebben in de regel specifieke —maar zeker niet onveranderlijke— organisatiedoelen, en empirisch gedifferentieerde sociale systemen (zoals bijvoorbeeld het wetenschapssysteem) die uitstijgen boven organisaties zijn gespecialiseerd in de bevrediging van specifieke behoeften of de vervulling van specifieke maatschappelijke vereisten. Omdat deze empirische specialisatie bij organisaties het meest eenvoudig en tastbaar is, zullen wij er deze als indicatoren uitlichten.

Ook sterk gespecialiseerde organisaties vervullen manifest of latent meerdere functies. In kapitalistische fabrieken of productiebedrijven worden niet alleen materiŽle goederen geproduceerd (gericht op rentabiliteitsoptimering). In arbeidsorganisaties wordt er ook beslist, geÔnformeerd, geduid; de gezondheid van de arbeiders wordt aangetast, hun arbeidskracht wordt on the job gekwalificeerd. En binnen deze organisaties worden ook vriendschappen gesloten en vormen zich prestigehiŽrarchieŽn. Het is niet moeilijk om aan te tonen dat dit ook voor alle andere organisaties opgaat.

Index


4.3 Differentiatie van concrete historische instituties

Instituties vervullen altijd meerdere en vaak wisselende functies. De klassieke voorbeelden hiervoor zijn ‘gezin’ en ‘staat’.
  1. Gezin
    In tribale maatschappijen vervulde de alomvattende (of ‘totale’) en intern sterk gedifferentieerde institutie van het gezin niet alleen productie-, gezondheids-, verzorgings-, voortplantings- erotische, emotionele en opvoedende functies, maar ook duidings-, beslissings-, en veiligheidsfuncties. In tegenstelling daarmee is het moderne kerngezin gespecialiseerd in voortplanting en ‘romantische’ liefde.

    Het functieverlies en vooral ook de functieverandering van het moderne kerngezin kan tegen de achtergrond van ons referentiekader exact worden geanalyseerd:

    • terugdringing van de productiefunctie;
    • zeer variabele en niet helemaal onomkeerbare terugdringing van gezondheids- verzorgings- en ondersteuningsfuncties;
    • primaire socialisatie functies en variabele opvang- en vervangingsfuncties in secundaire socialisatie;
    • specialisatie op en tegelijk drastische ondergraving en beperking van emotionele en erotische behoeftebevrediging enz.
    [Goode 1964; Mitchel 1975; Zaratsky 1976/7; Shorter 1977; Barrett/Macintosh 1980].

  2. Staat
    In tegenstelling tot de normativistische ideologie van de liberale nachtwakersstaat heeft de staat natuurlijk niet alleen in voorburgerlijke maatschappijformaties zeer uiteenlopende functies vervuld. Ook in burgerlijke maatschappijformaties is de staat nooit beperkt geweest tot de klassieke functie van ordeningsstaat (‘nachtwakersstaat’, ‘waarborgstaat’): bescherming van persoonlijke vrijheid en persoonlijk eigendom, handhaving van orde en recht in het binnenland en verdedigen van de nationale gemeenschap tegen buitenlandse agressie [Stuurman 1978:274 e.v.; Wolff/Nozick 1991]. Alle verhoudingen werden object van wettelijke reguleringen en in wisselende omvang ook overheidsinterventie en staatsproductie zelf: van door de staat georganiseerde materiŽle productie via de staatsreligie tot aan de staatsinformatie. Andersom heeft de staat historisch gezien zeker niet altijd de ‘publieke’ functies vervuld en zelf verzorgd die behoren tot het kernbestand van het liberale en democratische begrip van de rechtsstaat (private belastingpacht, privélegers, particuliere politie tot aan de ook tegenwoordig weer actuele particuliere gevangenissen). In het kader van de neoliberale reprivatiseringspolitiek wordt zelfs gediscussieerd over de delegatie van het staatsmonopolie op legaal fysiek geweld.

    Ons referentiekader maakt gedetailleerde theoretische en empirische studies mogelijk van functietoename, functieverlies en functieverandering van specifieke historisch staatsvormen. Het dwingt ons om ons nauwkeurig af te vragen: wat wordt waarom en in welke zijn privaat of publiek maatschappelijke georganiseerd?

Index


4.4 Empirische indeling van sferen of velden

In de geschiedenis van de sociaalwetenschappelijke theorievorming heeft de relatie tussen functionele en empirische differentiatie aanzienlijke moeilijkheden opgeleverd. We zullen er een aantal uitlichten en proberen te verduidelijken.
  1. CoŲrdinatie- en beslissingsfunctie: macht, gezag en politiek
    Door de toenemende empirische differentiatie van coŲperatieve arbeid en arbeidsorganisaties moet ook de coŲrdinatie- en beslissingsfunctie worden gedifferentieerd. Alle coŲperatieve activiteiten moeten worden gecoŲrdineerd en collectieven, organisaties en soevereine maatschappelijke eenheden zonder definitieve beslissingen verliezen hun handelingscapaciteit.

    Men zou deze definitieve beslissingen met een zeer breed begrip ‘politieke’ beslissingen kunnen noemen. In dat geval worden er in alle gedifferentieerde verhoudingen ‘politieke’ beslissingen genomen. Betrokken op organisaties: niet alleen in parlement en regering worden dan politieke beslissingen genomen, maar ook in bestuur en rechtspraak; en niet alleen in deze in engere zin politieke instituties, maar ook in fabriek, gezin, ziekenhuis, universiteit en leger. In dat geval is het aan te bevelen om veel nauwkeuriger dan gebruikelijk is een onderscheid te maken tussen (i) beslissings- en heerschappijverhoudingen in het algemeen (in alle organisaties) en (ii) specifieke beslissings- en heerschappijverhoudingen in de soevereine verbanden. Alleen op deze manier kan de misleidende dubbelzinnigheid van de begrippen ‘macht’, ‘heerschappij’ en ‘politiek’ worden vermeden.

    Het lijkt ons doelmatiger om het begrip politiek te beperken tot definitieve beslissingen in soevereine verbanden [Weber WG:822; Dahl 1957; Schmitt 1963; Easton 1964; Fennema/Van der Woude 1982]. Daarmee worden de asymmetrische machts- en heerschappijverhoudingen in zgn. particuliere organisaties en instituties zeker niet aan de kritische blik onttrokken. Hun privatisering is zelf een politiek proces, net zoals de ‘(re)politisering van het private’ in de kapitalistische onderneming en het patriarchaal gezin.

  2. Economie, politiek, ideologie
    Alle empirisch gedifferentieerde maatschappelijke activiteitsverhoudingen zijn dus altijd tegelijk ook beslissingsverhoudingen. In alle arbeidsverhoudingen en -kwalificaties spelen bovendien cognitieve duidingspatronen en duidingen, kennis en informatie een rol. Wanneer men al deze elementen wil vangen onder het begrip ‘ideologie’, wanneer men de beslissingsverhoudingen met het brede begrip van ‘politiek‘ aanduidt, en wanneer men tenslotte arbeid gewoon ‘economisch‘ noemt, dan heeft men de klassieke trias: economie, politiek, ideologie. Daarbij wordt deze trias opgevat als ‘instanties’ of ‘aspecten’ van alle gedifferentieerde maatschappelijke verhoudingen, en niet als empirisch begrensde velden, sferen of subsystemen.
      Hoewel het zeker niet altijd even duidelijk en consistent wordt uitgewerkt is dit de tendens bij Bucharin [1922:243], Althusser [1965], Poulantzas [1974] en Terray [1974:145 e.v.]. De terminologie (instanties, aspecten, functies, instituties enz.) is in de marxistische traditie zeer labiel en inconsistent. Zwaarwegender is echter dat meestal onduidelijk blijft of ‘economie, politiek, ideologie’ bedoeld zijn: (i) als wezenlijke of zelfs exclusieve basisfunctie; (ii) als analytische aspecten van alle arbeidsverhoudingen; (iii) als functioneel gedifferentieerde verhoudingen, of (iv) als empirisch uitgesplitste deelsystemen, velden, sferen, bereiken.

    In deze zin bestaat er dan empirisch natuurlijk geen ‘ideologieloze’ en ‘apolitieke economie’. Dit is net zo waar als triviaal. Wij willen de ambiguÔteit van de begrippen van de trias ‘economie, politiek, ideologie’ en de daarin opgesloten vermenging van problemen vermijden. Wanneer zij worden opgevat als ‘aspecten’ van alle arbeidsverhoudingen dan doelen zij op de analyse van machts- en heerschappijstructuren in maatschappelijke arbeidsverhoudingen. Deze kunnen echter veel duidelijker en vruchtbaarder worden geanalyseerd, nml. vanuit de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over drie typen directe bronnen:materiŽle bronnen, prestatiekwalificaties, en vormen van coŲperatie en organisatie [zie Hoofdstuk VI].

  3. Reductionisme en toenemende verwarring
    ‘Economie, politiek, ideologie’ (of ‘cultuur’) werd en wordt echter ook opgevat als differentiatie van wezenlijke of exclusieve empirische handelingssystemen of velden. Dit is in veel opzichten een onduidelijke, onhoudbare en reductionistische indeling.
    1. Het blijft meestal onduidelijk wat er eigenlijk onder ‘economie’ wordt verstaan en wat dus wordt aangeduid als economische verhoudingen of als economisch systeem. In de theoretische traditie concurreren er drie definities van economie met elkaar.
      1. Een substantialistische of materialistische definitie: “productie, verdeling en consumptie van materiŽle goederen” [Godelier 1972:291].
          Deze definitie wordt verdedigd door de fysiocraten, de klassieke politieke economen en door Sfaffa; in de economische antropologie door Dalton en Polanyi. Godelier [1972:23 e.v.; 1973:27 e.v.] geeft een korte en informatieve kritische samenvatting. Zie ook: Dobb [1973].
      2. Een formalistische definitie waarin economisch handelen wordt opgevat als al het “handelen dat voor het optimale bereiken van een doel schaarse middelen combineert” [Godelier 1972:292].
          Deze definitie wordt ook aangehangen door marginalistische auteurs: Mises, Robbins, Samuelson e.a. In de economische antropologie wordt zij verdedigd door Herskovits, Leclair, Salisbury, Schneider. Omdat deze formalistische definitie uitmondt in een theorie van strategische keuzehandelingen [Ganßmann 1974] kan in principe al het strategische handelen ‘economisch’ worden genoemd. Daarom verovert deze manier van economics evenzeer de analyses van ‘politiek‘ als die van theories of strategic games. De homo economicus in is hierbij de strategische nutsmaximalist op -optimeerder.
      3. Een realistische definitie waarin economie wordt opgevat als “het geheel van operaties door middel waarvan de leden van de maatschappij zich materiŽle middelen ter bevrediging van hun individuele en collectieve behoeften verschaffen, ze verdelen en consumeren” [Godelier 1972:292].
          Deze definitie wordt door marxistische critici van de politieke economie verdedigd en in de antropologie door Sahlins, Friedman, Terray en Godelier.

      Economische verhoudingen opgevat in de formalistische betekenis zijn per definitie niet geschikt voor indelingen van empirisch gedifferentieerde verhoudingen. Substantialistisch en realistisch gedefinieerde economische verhoudingen zijn uiteraard ster gericht op —zo niet beperkt tot— materiŽle productieverhoudingen. Om misverstanden te voorkomen geven wij er daarom de voorkeur aan deze ook zo te benoemen.

        Omdat wij hier niet verder geÔnteresseerd zijn in de verduidelijking van het economiebegrip volstaan we met de opmerking: ontwikkelde geldeconomie is voorwaarde voor het gegeneraliseerde formalistische economiebegrip. Met de Great Transformation werden ook de productieverhoudingen empirisch als zodanig uitgedifferentieerd [grof: kapitalistische arbeidsverhoudingen]. Hierop is ook het voorstel van Laclau [1977:78; vert. TEU 23:673 e.v.] gericht om het begrip ‘economische verhoudingen’ te beperken tot economische systemen die empirisch zijn uitgesplitst. Als men deze suggestie volgt zouden ook educatieverhoudingen, gezondheidsverhoudingen enz. als —kapitalistische— ‘economische’ verhoudingen worden georganiseerd, waarmee de terminologische verwarring compleet zou zijn.

    2. De dubbelzinnigheid van het begrip ‘politiek’ hebben we al besproken. Voor empirisch gerichte indelingen zijn alleen politieke verhoudingen in de zin van definitieve beslissingsverhoudingen in soevereine eenheden te gebruiken. Maar ook de begrippen ‘ideologie’ en ‘cultuur’ worden sterk overtrokken: zij moeten immers alles omvatten wat geen materiŽle productieverhoudingen en geen politieke verhoudingen zijn.
        In deel 2: Collectief handelen komen we uitvoeriger terug op het ideologiebegrip in de marxistische traditie. Habermas maakt een expliciet empirisch gericht onderscheid tussen (economisch en politiek) ‘systeem’ en ‘leefwereld’. Deze indeling volgt dezelfde misleidende logica als de traditioneel marxistische van ‘basis’ (materiŽle productie) en ‘bovenbouw’ (staat en —twijfelachtiger— recht) en ‘ideologie’. Omdat Habermas een beperkt cultuurbegrip hanteert maakt hij een onderscheid tussen de culturele, institutionele en persoonlijke dimensie van de leefwereld. Als men daarbij de empirische differentiatie van de culturele dimensie van de leefwereld in wetenschap, kunst en ethiek/recht betrekt, dan krijgt men een iets genuanceerder beeld dan het eenvoudige: economie, staat, politieke openbaarheid en privťsfeer. Wat echter vooral opvalt is dat in álle varianten de geweldsverhoudingen ontbreken.

    3. MateriŽle en symbolische reproductie / Systeem en leefwereld
      Nog verwarrender zijn de gebruikelijke tweedelingen in een sfeer van de materiŽle en een sfeer van de symbolische reproductie, in het systeem en de leefwereld [zie de kritieken van MŁnch 1982 en Bader 1983:336 e.v.]. Of: —zoals in het althusseriaanse marxisme— in een productiesfeer en een reproductiesfeer. Wanneer reproductie wordt betrokken op de waar arbeidskracht dan is de reproductie van de een (van de zich reproducerende arbeid) de productie van de ander (van de arts, zanger, leraar enz.). In de reproductiesfeer zijn dus complete productietakken of industrieŽn gehuisvest. Waneer reproductie wordt betrokken op de maatschappij als geheel, dan is de productie tevens reproductie. En wanneer tenslotte reproductie betrekking zou hebben op de stabilisatie en garantie van sociale, in het bijzonder van klassenongelijkheid, waarop heeft dan de productie nog betrekking?

    Index


    4.5 Samenvatting en afbakeningen

    Wij geven nu een samenvatting van een aantal belangrijke resultaten van onze analyse van de relatie tussen functionele differentiatie, empirische differentiatie en concrete instituties. Deze conclusies kunnen het beste worden verduidelijkt door ze af te zetten tegenover probleemvermengingen in de marxistische traditie. Exemplarisch hiervoor is het werk van Maurice Godelier:
      “Nu heeft Marx [...] geen doctrine opgesteld die voor eens en altijd vastlegt wat basis en bovenbouw is. Hij heeft datgene wat als productiewijze kan functioneren niet bij voorbaat een bepaalde vorm, een vastgelegde inhoud en een onveranderlijke plaats toegewezen. Wat Marx heeft geÔntroduceerd is een onderscheiding van functies en een hiŽrarchie in de causaliteit van de sociale structuren m.b.t. de functionele samenhang en de ontwikkeling van maatschappijen. Er is dus geen enkele reden om het, in de naam van Marx, af te wijzen in de verwantschapsverhoudingen soms productieverhoudingen te zien” [Godelier 1973:10].

    Deze interpretatie van Godelier is zo ‘ondogmatisch’ dat de begrippen en daarmee tegelijk ook de herkenbaarheid en de eigenheid van de benadering van Marx volledig wordt uitgehold. Tegenover deze en vergelijkbare interpretaties willen wij aan het volgende vasthouden.

    1. Het verschil tussen functies en structuren of tussen functies en instanties is van wezenlijk belang.

    2. Begrippen zoals ‘productieverhoudingen’, ‘productiewijze’ en ‘basis’ kunnen alleen vanuit een functionele differentiatie duidelijk worden afgebakend.

    3. Productieverhoudingen kunnen zich niet manifesteren als verwantschapsverhoudingen, religieuze verhoudingen of politieke verhoudingen. Zij kunnen niet als zodanig ‘verschijnen’ of dit soms ‘zijn’ (zoals door Godelier, Terray en de hele traditie van het althusseriaanse marxisme steeds weer wordt beweerd). MateriŽle productie blijft materiŽle productie, of ze nu als zodanig (altijd gradueel) empirisch is gedifferentieerd of niet. En materiŽle productieverhoudingen blijven materiŽle productieverhoudingen of ze nu empirisch gedifferentieerd zijn in een (kapitalistisch, coŲperatief of staats-)bedrijf of niet.

      Voortplanting blijft voortplanting en zij kan niet de functie van de materiŽle productie vervullen. Biologische verwantschapsverhoudingen blijven verwantschapsverhoudingen, welke sociale betekenis zij ook mogen hebben, of ze nu in relatief zelfstandige verwantschapssystemen of instituties zijn uitgesplitst of niet. Families, stammen e.d. vervullen als empirisch afgebakende eenheden altijd verschillende functies. Binnen deze empirische eenheden wordt dus ook geproduceerd, opgevoed, beslist, geduid enz. De begripsmatige verwarring wordt echter alleen maar groter als men beweert dat verwantschapsverhoudingen daarom productieverhoudingen zouden zijn, of als zodanig verschijnen. Dit geldt natuurlijk ook voor gezondheidsverhoudingen, opvoedings- en educatieverhoudingen, veiligheidsverhoudingen enz.

        Educatieverhoudingen zijn gedefinieerd als maatschappelijke verhoudingen van activiteiten die als zodanig bijdragen aan de instandhouding of ontwikkeling van een historisch-specifiek kwalificatieniveau. MateriŽle productie- of voortplantingsverhoudingen kunnen deze educatieve functie per definitie niet overnemen. Natuurlijk kan een bepaalde productieactiviteit die in een empirisch gedifferentieerde productieverhouding plaatsvindt tegelijkertijd ook kwalificerende en socialiserende functies vervullen. Dit toont echter alleen maar aan dat empirische activiteiten en verhoudingen een multifunctioneel karakter hebben. Bovendien is het geen argument om de functionele differentiatie van educatie en materiŽle productieverhoudingen los te laten. Ook hiervoor geldt dus: educatieverhoudingen blijven educatieverhoudingen, in welke empirische eenheden of instituties zij ook feitelijk gedifferentieerd of ingebed mogen zijn.

    4. Functioneel gedifferentieerde activiteiten en verhoudingen zijn net als empirisch gedifferentieerde beroepen en organisaties altijd ingebed, ingekaderd. Dit geldt niet alleen voor maatschappijen met een geringe of ontbrekende empirische differentiatie. Natuurlijk lopen de aard en het karakter van deze inbedding zeer uiteen. De empirisch gedifferentieerde sustemen en instituties van de materiŽle productie en van de politieke beslissing fungeren niet volledig los van elkaar. Het feit dat ze ‘relatief autonoom’ zijn, betekent niet meer dan dat ze juist tot op zekere hoogte en binnen bepaalde grenzen empirisch zijn gedifferentieerd.

    5. Het gaat er dus om nauwkeurig na te gaan (i) in hoeverre functioneel onderscheiden activiteiten en verhoudingen empirisch zijn gedifferentieerd, (ii) in welke beroepen en in welke systemen, en (iii) welke specifieke instituties welke functies vervullen. In plaats daarvan hebben de differentiatietheoretische inspanningen van de marxistische traditie er met name toe geleid dat het begripsmatig instrumentarium voor dergelijke analyses zo verwaterde dat het onherkenbaar is geworden.

    Een moeizame metafoor: basis en bovenbouw

    Hoewel we in deze studie voornamelijk in pro-theoretische vraagstellingen zijn geÔnteresseerd, willen we toch een paar opmerkingen maken over de basis-bovenbouw theorie.

    1. “When critics of historical materialism claim that dimensions other than the mode of production are funamental, it is no reply to insert those dimensions into the mode of production” [Cohen 1978:248]. Cohen heeft ook terecht gewezen op het verbazingwekkende empirisme van de ‘anti-historicistische’ marxisten [idem 235 e.v.] en laat zien wat de niet-bedoelde consequentie is van hun ‘redding’ van de basis-bovenbouw stelling, nl. dat ze wordt prijsgegeven. De problematiek van differentiatie heeft hij echter zelf niet echt aan de orde gesteld, en daarom kan hij ook niet aangeven wat hiervan de mogelijke betekenis is voor theorie- en onderzoeksstrategie.

      Met Cohen gaan wij ervan uit dat de betekenis van deze stelling helemaal niet geŽxpliciteerd kan worden wanneer niet wordt vastgehouden aan het inzicht dat de basisbegrippen ‘materiŽle productie’, ‘productieverhoudingen’, ‘productiewijze’, ‘basis’ moeten worden opgevat als functionele of analytische begrippen. De basis is dus Šltijd basis, en de bovenbouw kan nooit “deel van de economische basis zelf” zijn (zoals Terray 1974:152 e.v. stelt).

    2. Voordat men begint aan het lastige karwei van de onderbouwing (en aan de vaak al te gemakkelijke weerlegging) van deze stelling zou men duidelijk moeten maken waarop deze stelling betrekking heeft. Wat moet er eigenlijk door ‘de basis’ of de ‘materiŽle productieverhoudingen’ worden bepaald? Wij zien drie mogelijkheden.

      1. Bepaalt de ‘basis’ de grenzen van de steeds meest omvattende soevereine maatschappelijke eenheden? [zie Hoofdstuk II]. Dat is zeer onwaarschijnlijk. Voor stammen, imperia en nationale staten kan men gemakkelijk aantonen dat hun grenzen in ieder geval niet bepaald werden door verschillen van de materiële productieverhoudingen, maar door (combinaties) van verwantschapsverhoudingen, religieuze, culturele, politieke en geweldsverhoudingen [zie Marx over de spontane “gemeenschappelijkheid in bloed, taal, zeden enz.”, “gemeenschappelijk verleden en geschiedenis” — Grundrisse:276,383].

        De stelling kan echter in twee opzichten wel vruchtbaar worden geÔnterpreteerd: in structuurtheoretisch perspectief en in ontwikkelingshistorisch perspectief.

      2. Perspectief van structuurtheorie
        In een synchroon of structuurtheoretisch perspectief kan de interne eenheid van maatschappijen worden ontcijferd vanuit de organisatiewijze van hun materiŽle productie, ook wanneer deze maatschappijen extern zijn begrensd als verwantschapseenheden. Een structuurtheoretische interpretatie van de basis-bovenbouw stelling kan zowel refereren aan het systeembeeld van maatschappijen als aan hun positionele of stratificatiebeeld. In beide versies gaat deze stelling ervan uit dat maatschappijen geen ongeÔntegreerde of slechts zwak geÔntegreerde verschijnselen zijn (zie het debat over ‘loosely integrated structures’). Ze gaat er juist van uit dat maatschappijen bestaan als —in verschillende graden geÔntegreerde— eenheden die als zodanig geanalyseerd kunnen worden.

        Op systeemniveau impliceert de basis-bovenbouw stelling de bewering dat materiŽle productieverhoudingen de (sociale betekenis van de) verwantschapsverhoudingen, de opvoedings- en educatieverhoudingen, de rechts- en politieke verhoudingen, de geweldsverhoudingen bepalen, en niet omgekeerd. Zij kan worden geÔnterpreteerd als een “hiŽrarchie van functionele onderscheidingen” [Godelier 1973:8. Vgl. 1973:50] en niet als een hiŽrarchie van instituties of instanties [zoals Godelier later 1978:85; 1987:639 veel duidelijker maakt dan in de hiervoor geciteerde formule van een “hiŽrarchie in de causaliteit van de sociale structuren”]. Op dit niveau moet ondanks al het gepraat over wisselwerking en overdeterminatie dan toch ‘het uur van de laatste instantie’ werkelijk slaan.

        De basis-bovenbouw stelling is niet verenigbaar met de stelling van het historisch of evolutionair ‘wisselende primaat van de verschillende functies of functionele deelsystemen’ (zoals deze bijv. door Luhmann duidelijk en bewust naar voren wordt gebracht). Met deze ‘functionalistische variabilisering’ van het historisch materialisme bewijst men noch de marxistische traditie, noch de sociaalwetenschappelijke discussie in het algemeen een dienst. In de traditie van het althusseriaanse marxisme werd dit sinds Laclau, Hindess/Hirst schering en inslag. Wanneer men de basis-bovenbouw stelling niet als zodanig kan onderbouwen en verdedigen, dan zou men haar moeten opgeven, en geen acrobatische toeren meer moeten uithalen om de stelling alsnog te redden.

        De stelling is ook niet zo zwak geformuleerd dat haar geldigheidsclaim beperkt is tot maatschappijformaties waarin de functioneel onderscheiden verhoudingen daadwerkelijk empirisch vergaand zijn uitgedifferentieerd. In de marxistische traditie werd steeds weer geprobeerd om de geldigheid van de stelling te beperken tot de burgerlijke maatschappij met haar scheiding tussen economie, politiek en ideologie [zie Labriola, Lukacs, Korsch, Horkheimer en Terray].

        De reden hiervoor is dat de stelling niet werd opgevat als een functioneel primaat, maar juist als een stelling over het primaat van empirisch gedifferentieerde instituties of organisatie [zie in dit verband ook de opmerking van Marx MEW 23:96; ned. vert. 39 over de vergelijkbare kritiek dat de basis-bovenbouw stelling “weliswaar juist [is] voor de huidige wereld waar de materiŽle belangen overheersen, maar niet voor de Middeleeuwen, waar het katholicisme overheerste, noch voor de Oudheid, waar de politiek overheerste”]. Deze laatste variant loopt vast in onoplosbare problemen die we hiervoor al hebben behandeld: multifunctionaliteit van empirisch gedifferentieerde systemen; illusies over de empirische scheiding van economie en politiek; illusie als zou de economie hier niet zijn ingebed of ingekaderd enz. Precies hetzelfde zou geformuleerd kunnen worden voor de stratificatietheoretische betekenis van deze stelling.

      3. Perspectief van ontwikkelingstheorie
        De diachrone of ontwikkelingstheoretische betekenis van de basis-bovenbouw stelling kan op drie manieren worden opgevat.
        1. De ontwikkeling van bepaalde maatschappijformaties wordt bepaald door de ontwikkeling van hun productieverhoudingen.
        2. De overgangen van een bepaalde maatschappijformatie naar een volgende (de transitie van feodalisme naar kapitalisme, van kapitalisme naar socialisme) worden bepaald door de interne tegenspraken van de productieverhoudingen en van de ondergaande maatschappijformatie).
        3. De volgorde en de ontwikkelingsrichting van de verschillende maatschappijformaties die elkaar in de wereldgeschiedenis aflossen wordt bepaald door de ontwikkeling van de materiŽle productie.

    3. Wij hebben hier alleen maar laten zien wat de pro-theoretische vooronderstellingen zijn van een onderbouwing van de basis-bovenbouw stelling. Er bestaat nog steeds geen gedifferentieerde onderbouwing van de basis-bovenbouw stelling. Een poging in deze richting zou het kader van deze studie te buiten gaan.

    top
    Home Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Klassen Zoek Contact

    dr. Albert Benschop
    Sociale en Gedragswetenschappen
    Sociologie & Antropologie
    Universiteit van Amsterdam
    Gepubliceerd: Maart, 2010
    Laatst gewijzigd: 13 September, 2013