Home Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Klassen Zoek Contact
UvA Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
1998 - 2017

Ongelijk-heden

—Sociale ongelijkheid en collectief handelen—
Veit Bader & Albert Benschop

I. Sociale ongelijkheid als wetenschappelijk & politiek probleem

  1. Een traditioneel, actueel en controversieel thema
  2. Sociale structuurveranderingen in industriële maatschappijen
  3. Balans van het ongelijkheidsonderzoek
  4. Pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen

1. Een traditioneel, actueel en controversieel thema

Sociale ongelijkheid is een van de oudste en tot op de dag van vandaag meest controversiële thema’s van sociaal-wetenschappelijk en politiek debat. Bijna alle grote politieke filosofen, theologen, historici en sociale wetenschappers hebben zich gebogen over de kernvragen die onlosmakelijk met dit thema verbonden zijn:

Over de oorsprong, grondslagen en (on)ophefbaarheid van sociale ongelijkheid zijn in de loop der tijd zeer uiteenlopende verklaringen en rationalisaties gegeven. Bovendien werden en worden de historisch-specifieke structuren en legitimaties van sociale ongelijkheid op verschillende manieren bekritiseerd. Het is geen toeval dat er nog steeds geen omvattende en sociaal-historisch geïnformeerde kritische geschiedenis van het maatschappelijk denken en de theorievorming over sociale ongelijkheid is geschreven.

Sociale ongelijkheid wordt in het huidige wetenschapssysteem in verschillende academische disciplines behandeld. Filosofen houden zich vooral bezig met normatieve aspecten; economen concentreren zich voornamelijk op veranderingen in de patronen van inkomens- en vermogensverdelingen; politicologen richten zich op de ongelijke machts- en beïnvloedingskansen in het politieke systeem; psychologen behandelen persoonlijke ongelijkheden en —samen met de genetici— feitelijke of vermeende genetische of aangeboren verschillen; antropologen specialiseren zich op sociale ongelijkheden in oudere, tribale maatschappijen en op traditionele segmenten in moderne maatschappijen; historici concentreren zich op de veranderingen van de structuurpatronen van sociale ongelijkheid in verschillende maatschappijformaties, tijdperken en staten; en sociaal-geografen hebben opnieuw de aandacht gevestigd op de ruimtelijke dimensie van sociale ongelijkheid.

In navolging van Landshut [1929/1969] riep Dahrendorf [1961/1966:6] sociale (on)gelijkheid uit tot kernprobleem van de sociologie. De vraag naar de oorsprong van ongelijkheid zou de historisch eerste vraag van de sociologie als wetenschap zijn. Aan de hand van de verschillende pogingen om deze vraag te beantwoorden zou zelfs de hele geschiedenis van de sociologie geschreven kunnen worden [Dahrendorf 1967:353]. Vgl. Parsons [1940:69], Fürstenberg [1962:7/8], Lockwood [1971:1], Kirchberger (1975:10), Thurlings [1981:15/6], Turner [1986:19].
Sociologen vormen in zoverre een hoofdstuk apart, dat zij zich in dit opzicht dubbel proberen te profileren. Enerzijds verklaren zij sociale ongelijkheid (of sociale stratificatie) tot het centrale thema van de sociologie als discipline. Sociale ongelijkheid omvat immers alle wezenlijke aspecten van de maatschappelijke orde: de verdeling van goederen en diensten, de machtsverdeling, het waardesysteem en de legitimatielegendes. Anderzijds ontwerpen zij als generalisten theorieën, waarin verschillende aspecten van sociale ongelijkheid worden geïntegreerd en voor synthetiserend empirisch onderzoek toegankelijk worden gemaakt.

Sociale ongelijkheid is een actueel thema. In neo-liberale en neo-conservatieve politieke strategieën wordt er opnieuw gepleit voor ‘meer ongelijkheid’ teneinde ‘meer vrijheid’ tot stand te brengen. Daarmee wordt de politieke voedingsbodem aan de sociaal-wetenschappelijke ideologieën van de open maatschappij, van de ‘genivelleerde middenstandsmaatschappij’ enzovoort onttrokken. De stagnatie in de economische groei van de daarop volgende omslag vanontwikkelde kapitalistische industriële maatschappijen en
In 1977 concludeerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid dat “de spanning in de sociale stratificatie in de afgelopen vijftien jaar groter geworden is” en sprak de verwachting uit dat deze spanning nog groter zou worden [WRR 1977:8]. Vgl. Berger [1986], Beck [1983, 1986].
dominante politieke strategieën vergrootten de sensibiliteit voor de verbazingwekkende hardnekkigheid en stabiliteit van de structuurpatronen van sociale ongelijkheid, in het bijzonder van de klassenstructuur, zowel op nationale als internationale schaal. Dit dringt ook door in de beoordelingen van onderzoekers.

In de laatste jaren heeft onderzoek naar structurele aspecten van sociale ongelijkheid weer een meer prominente plaats gekregen op de agenda’s van sociale wetenschappers, in het bijzonder van sociologen. Wie zich op dit brede onderzoeksgebied oriënteert komt echter al snel tot de conclusie dat er in vergelijking met andere onderzoeksgebieden een grote onoverzichtelijkheid en diversiteit van tegenstrijdige benaderingen bestaat. Sociale ongelijkheid blijft ook sociaal-wetenschappelijk gezien een uiterst controversieel thema:

Al deze problemen zijn al vaker geconstateerd en daarom kunnen we onszelf en de lezer de moeite besparen om hiervoor de bewijzen aan te voeren. Nog steeds geldt: “We do not have a theory of social structure and inequality” [Bendix 1974:149. Zie ook: Benschop 1987a:125; 1987b:62; Wehler 1979:16; Kreckel 1982,1983; Hradil 1983:111; Bolte 1983; Mayer 1987]. In de academische sociologie zijn er wel verschillende pogingen ondernomen om een dergelijke theorie te ontwerpen (bijv. door Dahrendorf, Lenski, Beteille, Wiehn, Kreckel, Parkin, Giddens en Strasser). Hun lot is echter niet erg bemoedigend, en ook dit werd al vaak geconstateerd. In de marxistische traditie werden geen pogingen gedaan om een meer algemene theorie van sociale ongelijkheid te ontwikkelen. Dit terrein werd niet alleen schromelijk verwaarloosd, maar werd meestal zonder meer afgedaan als een ‘burgerlijk thema’ waarop men slechts ‘ideologiekritiek’ hoefde te leveren.

Wie zich opnieuw wil bezighouden met een algemene thematisering van sociale ongelijkheid moet hiervoor eerst plausibele redenen aangeven. Wij hebben ons voornamelijk door twee typen overwegingen tot dit project laten verleiden.

  1. door de politieke relevantie van de veranderingen in de sociale structuur van ontwikkelde industriële maatschappijen en de gevolgen die deze veranderingen hebben voor ongelijkheidsonderzoek [§ 2].

  2. door overwegingen die uitgaan van de stand van het theoretisch en empirisch ongelijkheidsonderzoek [§ 3].
De vraag naar de wenselijkheid van dit project staat uiteraard los van de vraag naar de mogelijkheid van de hele onderneming. Ervaringen met vergelijkbare projecten zijn op zich al een waarschuwing: ‘You can’t always get what you want.’ We zullen daarom duidelijk moeten maken wat de grenzen en het doel zijn van onze pro-theorie van sociale ongelijkheid [§ 4].

Index2. Sociale structuurveranderingen in industriële maatschappijen

De laatste jaren wordt op brede schaal gediscussieerd over veranderingen die zich voltrekken in de sociale structuur van ontwikkelde industriële maatschappijen. Deze veranderingen vereisen een veel omvattender behandeling van sociale ongelijkheid dan tot nu toe zowel in de academische sociologie als in de marxistische traditie gebruikelijk was. De in deze tradities ontwikkelde begrippen en probleemstructureringen werden gedomineerd door het beeld van de sociale structuur van de klassieke burgerlijke maatschappij. Dit beeld is echter achterhaald. Wij zullen de belangrijkste veranderingen waardoor dit beeld achterhaald is bespreken:

We zullen elk van deze thema’s eerst kort omschrijven en aangeven wat hun politieke relevantie is. Vervolgens wordt geschetst hoe tegenstrijdig deze thema’s behandeld worden. Tenslotte geven we bij elk van deze punten aan wat er van een pro-theorie van sociale ongelijkheid verwacht mag worden.

Index


2.1 Vervlechting van maatschappij en staat, van economie en politiek

Zowel in de marxistische klassentheorie als in de academische stratificatie sociologie wordt geopereerd met begrippen, met een probleemstructurering en daarop gebaseerde maatschappijbeelden, die ontstaan zijn tegen de historische achtergrond van de klassieke burgerlijke maatschappij. Zodra men deze begrippen en theoretische modellen toepast op voorburgerlijke maatschappijformaties en —wat ons hier het meest interesseert— op laatburgerlijke en postburgerlijke maatschappijen, raakt men daarom in grote moeilijkheden. Het beeld dat deze theorieën geven van de klassieke burgerlijke maatschappij wordt vooral gekenmerkt door een specifieke scheiding tussen maatschappij en staat, tussen economie en politiek.

In de klassieke liberale ideologie en maatschappijtheorie werd deze (normatieve) scheiding tussen economie en politiek zonder meer voorgesteld als een empirische scheiding; ze werd gestileerd in het basisaxioma van de ‘powerlessness of property’ en de ‘propertylessness of power’ [Macpherson 1962, 1965, 1973]. Bij deze scheiding sluiten twee taal- en theorietradities aan die elkaar politiek beconcurreren en intellectueel rivaliseren: de taal en theorie van de ‘eigendom’ en die van de ‘macht’ [Pels 1987]. In de eerste traditie wordt de maatschappelijke machtsverdeling geanalyseerd als resultaat, functie of articulatie van ‘economische eigendomsverhoudingen’, in de tweede traditie worden ze geanalyseerd als resultaat van ‘politieke machtsverhoudingen’.

Klassen- en stratificatietheorieën lijken zich vooral te concentreren op ‘sociale’ ongelijkheden van de eigendom (nl. van materiële productiemiddelen) en van het prestige - welke onderscheiden worden van ‘politieke’ ongelijkheden. Elite-theorieën lijken daarentegen primair gericht te zijn op ongelijkheden van de ‘macht’, en met name op ongelijkheden van de organisatorische en politieke macht. Beide taal- en theorietradities geven een eenzijdig en misleidend beeld van gestructureerde ongelijkheid in de burgerlijke maatschappij; bovendien vormen zij een belemmering voor de analyse van voorburgerlijke en postburgerlijke maatschappijen.

Kritieken op het liberale basisaxioma werden al in de klassieke maatschappijtheorieën geformuleerd. Dit geldt niet alleen voor de kritiek van de politieke economie van Marx, waarin kapitalistische ’eigendomsverhoudingen’ als specifieke ‘machts- en gezagsverhouding’ werden geanalyseerd, maar ook voor de sociologie van Weber [zie hoofdstuk IX]. In programmatisch opzicht geldt dit ook voor de verschillende pogingen om te komen tot een ‘politieke sociologie van sociale ongelijkheid’ [Kreckel 1982; Parkin 1974], een ‘repolitisering van de statussociologie’ [Brotz 1958], een ‘integratie van de politieke dimensie van de stratificatiesociologie’ [Offe 1972, 1980) en voor alle benaderingen waarin een algemeen machtsbegrip als basisbegrip van sociale ongelijkheid wordt gebruikt [Lenski 1966, Elias 1965, Rex 1970, 1973, Wiehn 1968, Foucault 1969, 1975, 1978 e.v.a.].

* Exemplarisch hiervoor zijn de ambiguïteiten van de basisbegrippen «klasse» en «stand» bij Marx [vgl. Draper 1977, 1879] en Weber [vgl. Benschop 1987]. We komen hier in § 3.1 op terug.

Nu zijn er natuurlijk ook auteurs geweest die het liberale basisaxioma en de daarin geïmpliceerde legitimaties van het kapitalisme hebben bekritiseerd. Maar ook zij zijn er in hun formuleringen meestal niet in geslaagd zich te onttrekken aan de terminologische ambiguïteiten en inhoudelijke kortsluitingen van deze rivaliserende taal- en theorietradities.* Bij hun behandeling van de samenhang tussen de ‘economisch’ en ‘politiek’ heersende klassen of van de relaties tussen ‘politieke’ en ‘economische’, ‘militaire’, ‘culturele’ elites lijken zij stelselmatig te worden meegezogen door de taalcultuur van de benaderingen die zij willen kritiseren.

De moeilijkheden met het gebruik van de begrippen ‘economie’ en ‘politiek’ in de analyse van voor-burgerlijke maatschappijen zijn bekend.

Daarom concentreren we ons hier op de specifieke problemen in de analyse van laat-burgerlijke en etatistisch-socialistische maatschappijen.

In laat-burgerlijke maatschappijen zijn de omvang, betekenis en reikwijdte van staatsinterventies sterk toegenomen. De omvangrijke staatsinterventies en regulatiepogingen van het economische reproductieproces zijn in verschillende theoretische tradities aan de orde gesteld.

Door de overheidsregulatie van arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen, de verstatelijkte loon- en inkomenspolitiek, subsidiepolitiek, geld- en credietpolitiek worden de bestaande ongelijkheidsverhoudingen niet alleen gemodificeerd; er lijkt tevens een nieuw ‘politiek systeem van stratificatie’ te ontstaan, dat nieuwe dispariteiten schept op tal van vitale gebieden. Analytische modellen waarin de feitelijke klassenstructuur en de empirische machtsverhoudingen tussen klassen en belangengroepen worden behandeld alsof het om ‘voorpolitieke’ maatschappelijke verschijnselen gaat die de ‘basis’ vormen van de ‘politieke bovenbouw’ zijn hierdoor een anachronisme geworden [Offe 1972: 66-68]. De structurering van sociale ongelijkheid en van belangengroepen zijn door en door politiek bemiddeld.

De politieke mechanismen van stratificatie worden met name zichtbaar bij de uitwerkingen van de sociale of ‘verzorgingsstaat’: door de ontwikkeling van de verstatelijkte sociale zekerheids- en dienstverleningssystemen is de samenhang tussen posities in het maatschappelijke arbeidsproces, monetair inkomen en de feitelijke sociale levenskansen losser geworden.

Sociaal-structureel gezien heeft de ontwikkeling van de verzorgingsstaat een dubbel effect opgeleverd.
Verzorgingsklassen?
Rainer Lepsius [1979] vangt al deze nieuwe inkomenscategorieën onder de titel ‘verzorgingsklassen’ [vgl. Alber 1984; Krätke 1985:93]. Deze uitbreiding van de klassenindeling van Max Weber wordt kritisch besproken door Berger [1986:193]. Hij vindt het onjuist om het concept van verzorgingsklassen op hetzelfde begripsmatige niveau te situeren als verwervings- en bezitsklassen. Hij deelt de mening van Kocka [1979:164] dat men het klassebegrip niet zo ver moet uitbreiden, dat het principiële verschil tussen ‘sociale transfers via de staat’ en klassenmatige ‘toeëigening via marktkansen’ in de constitutie van ongelijke levensposities verdwijnt. Bovendien zou hierdoor tegelijkertijd worden onderschat dat er een zeer nauwe correspondentie blijft bestaan tussen markt- en sociale zekerheidspositie.
Enerzijds zijn er nieuwe inkomenscategorieën ontstaan, die hun revenuen niet direct verkrijgen uit de ruil van arbeidskracht of geldkapitaal (als lonen of winsten) en die ook niet meer rechtstreeks afhankelijk zijn van primaire inkomenstrekkers. Hun inkomensbronnen zijn veeleer direct politiek geconstitueerd: zij ontvangen hun inkomens op basis van rechtsaanspraken op transferbetalingen van de staat. Hoe deze categorieën begripsmatig moeten worden gethematiseerd en hoe zij zich verhouden tot andere inkomensklassen is omstreden. Anderzijds wordt de klassen- en stratificatiestructuur op minstens drie manieren indirect door de verzorgingsstaat gemodificeerd: (i) door de groei van loonarbeid in (semi)overheidsdienst, (ii) door de transfer-effecten van het sociale zekerheidsstelsel, en (iii) door de effecten van sociale voorzieningen (zoals onderwijs, gezondheidszorg, sociale woningbouw enz.). De vraag in welke richting deze modificaties gaan en hoe ver en diep zij reiken, wordt niet eenduidig beantwoord:

Ook de analyse van de klassen- en heerschappijverhoudingen in etatistisch-socialistische maatschappijen wordt geblokkeerd door het klassieke beeld van de scheiding tussen maatschappij en staat, tussen economie en politiek. De sociale ongelijkheidsverhoudingen zijn in deze maatschappijen veel directer politiek geconstitueerd:

“Daar waar de veranderingen van de sociale structuur in grotere of kleinere mate door de beslissingen van de politieke autoriteit worden gestuurd, zijn we ver verwijderd van de maatschappelijke klassen in de interpretatie van Marx, Veblen, Ward of Weber, van de klassen die worden opgevat als groepen die bepaald worden door de productieverhoudingen, of ook (...) door de marktverhoudingen” [Ossowski 1957/1962:225]. “Dort wo die Veränderungen der sozialen Struktur in größerem oder kleinerem Maße von den Entscheidungen der politischen Autorität gelenkt werden, sind wir von den Gesellschaftsklassen in der Interpretation von Marx, Veblen, Ward oder Weber weit ertfernt, von den Klassen die als von den Produktionsverhältnissen, oder auch von den Marktverhältnissen bestimmte Gruppen verstanden werden” [Ossowski 1957/1962:225].

In de staatssocialistische maatschappijen is zowel de verdeling van bronnen via markt- en ruilprocessen als het in de strikte zin private eigendom van de productiemiddelen zeer sterk teruggedrongen. Voeg daarbij de juridische of feitelijk leidende rol van dé partij in systemen van heteronome politieke democratie en we staan voor begripsmatige en theoretische problemen, die met de traditionele ongelijkheidstheorieën niet adequaat kunnen worden opgelost. De marxistische traditie heeft op dit punt bijzondere moeilijkheden. De klassieke socialistische arbeidersbeweging werd al langer voor de voeten geworpen dat zij opereerde met veel te eenvoudige, zo niet ‘harmonische’ socialisme-modellen. Daardoor had zij weinig oog voor de nieuw ontstane sociale en politieke ongelijkheid in het gerealiseerde socialisme. Deze kritiek richtte zich met name tegen het gezag van een nieuwe, niet democratisch gecontroleerde elite van partijpolitici. De macht van deze nieuwe elite kon enorm toenemen, juist omdat de voor de burgerlijke maatschappij kenmerkende ‘pluralisering van de elites’ in staatssocialistische maatschappijen verdwenen is. Hierdoor was deze nieuwe partijpolitieke elite in staat om het totale maatschappelijke leven van de burgers tot in alle details te bepalen en te controleren.

Om politieke redenen duurde het behoorlijk lang voordat in deze traditie werd erkend, dat dit socialisme niet het overwinnen van alle vormen van gestructureerde ongelijkheid teweeg brengt, maar nieuwe vormen en structuren van ongelijkheid genereert. De vraag hoe deze het beste onderzocht kunnen worden bleef omstreden.

Vooral de volgende vragen waren en zijn twistpunten:

Om deze problemen goed te kunnen behandelen moeten de beperkingen worden overwonnen die voortvloeien uit het feit, dat de dominante theorieën van sociale ongelijkheid bij hun begripsvorming uitgaan van een geïdealiseerd model van burgerlijke scheiding van maatschappij en staat. Voor onze pro-theorie van sociale ongelijkheid betekent dit dat zij in meerdere opzichten algemeen moet beginnen:

  1. Het spectrum van de beschikbare bronnen is veel breder. Het gaat niet alleen om materiële productiemiddelen, maar evenzeer om materiële bestuursmiddelen, geweldsmiddelen enz. Bovendien gaat het niet alleen om materiële bronnen, maar ook om specifieke prestatiekwalificaties. Het gaat ook om organisatie- en politieke heerschappijposities, en om politieke en sociale rechten. Wat dit betreft is de minimale eis, dat niet alleen ‘sociale’, maar ook ‘politieke’ ongelijkheid (in de burgerlijke zin van het woord) wordt gethematiseerd.[16]

  2. De structurerende kracht van deze beschikbare bronnen is historisch gezien variabel. We kunnen er dus niet zonder meer van uitgaan dat een type bron altijd en overal doorslaggevend of primair is.

  3. Factoren die bepalend zijn voor het ontstaan van gestructureerde sociale ongelijkheid hoeven niet identiek te zijn met die van haar reproductie en haar stabilisatie en garantie. ‘Wat zijn klassen?’ is een andere vraag dan ‘hoe ontstaan klassen?’, of ‘hoe worden zij gereproduceerd, gestabiliseerd en gegarandeerd?’ Bovendien zijn ook de voorwaarden van het ontstaan en de mechanismen van de reproductie, stabilisatie en garantie van klassen historisch variabel.

  4. We moeten een nauwkeurig onderscheid maken tussen (de verschillende graden van) feitelijke en juridische beschikkingsmacht.

  5. Tenslotte moet de familiaal-erfelijke overdracht van beschikkingsmacht worden behandeld als een van de typen van overdracht.

Index


2.2 Nieuwe (midden)klassen: managers, professionals, technische experts en intellectuelen

In verschillende politieke en theoretische toonaarden werden en worden steeds weer ‘nieuwe’ tussen- of middenklassen en nieuwe heersende klassen of lagen, groepen en elites aangekondigd, waarvan het bestaan door anderen vervolgens weer bestreden wordt [zie de overzichten van Wijmans 1987, Pels 1987, Carter 1985, Abercrombie/Urry 1983 en Riege 1976]. Om het ontstaan van zo’n nieuwe klasse of elite aannemelijk te maken wordt verwezen naar een grote verscheidenheid van structuurveranderingen: veranderingen van rechtsvormen van de onderneming, veranderingen van juridische arbeidscontracten, verschuivingen in de beroepsstructuur, de differentiatie en delegatie van formele en feitelijke beslissingscompententies in ondernemingen. Men refereert aan de toenemende betekenis van specifieke organisatorische en technische prestatiekwalificaties en aan strategieën van professionalisering van bepaalde beroepsgroepen. Mede verwijzend naar de toenemende betekenis van diploma’s en in het algemeen van organisaties en organisatieposities worden bovendien soms vergaande beweringen gedaan over de heerschappij van een nieuwe klasse van intellectuelen in het huidige kapitalisme, in het socialisme of eenvoudig in ‘post-industriële’ maatschappijen. Door het overgepolitiseerde karakter van de debatten zijn kansen om tot overeenstemming te komen uiterst gering. Veel problemen worden met elkaar vermengd. Uit de veelvoud van problemen en controversen willen we er een aantal naar voren halen:

We kunnen hier geen overzicht geven van al deze debatten. We zullen alleen proberen een aantal eisen te formuleren, die het mogelijk maken om de genoemde problemen vruchtbaarder en genuanceerder te behandelen dan dit vanuit de heersende theoretische benaderingen tot nu toe mogelijk is.

  1. In de eerste plaats moeten de problemen worden ontward. Hiervoor gebruiken wij de strategie van de analytische differentiatie en desaggregatie. Als voorbeeld zullen we ingaan op de bedrieglijk eenvoudige vraag: wie heerst? Wie heerst er bijvoorbeeld in moderne naamloze of besloten vennootschappen in het huidige kapitalisme? Zijn dat de managers of de kapitaaleigenaren? Wanneer de vraag op deze manier wordt gesteld lokt men uit dat er politiek gewenste, maar theoretisch en empirisch misleidende antwoorden worden gegeven: de ‘heerschappij van de manager’ [sinds Berle/Means 1932, vgl. Burnham 1941, Berle 1959] of de ‘in laatste instantie’ onveranderde heerschappij van de kapitaaleigenaar [Perlo 1957, Domhoff 1967, Aaronovitch 1961. Zie de informatieve en kritische overzichten van Zeitlin 1974 en Scott 1979].

    In plaats daarvan zouden we ons moeten afvragen: wie beslist juridisch of feitelijk waarover, in welke mate en binnen welke grenzen? Op deze manier wordt het mogelijk om in te gaan op de differentiatie, delegatie en limitatie van specifieke beschikkingsmachten en neemt men afstand van de eenvoudige polariteit: ‘full control’ en ‘no control’. Dit zijn namelijk alleen maar de twee extreme polen van een scala, welke empirisch nooit echt gerealiseerd zijn en waarschijnlijk ook nooit gerealiseerd kunnen worden. Maar deze extreme polen stonden wel in het centrum van de liberale politieke filosofie en maatschappijtheorie (‘absoluut privé-eigendom’) en van de absolutistische staatstheorie (plenitudo potestatis). Deze politieke-ideologische overdrijvingen hebben de nuchtere sociaal-wetenschappelijke analyse van de feitelijke verdeling van beschikkingsmachten zeer lang geblokkeerd.
    Dit is het duidelijkst zichtbaar in de analyses van voorburgerlijke maatschappijen [Schwab 1975; Bloch 1965]. Maar deze overdrijvingen spelen natuurlijk ook een belangrijke rol in de analyses van het zgn. kapitalisme van de vrije concurrentie, van zogenaamde absolute monarchieën, alsmede van de juridisch-politieke beslissingsverhoudingen in parlementaire democratieën en van de juridische en feitelijke verdeling van beslissingscompetenties in complexe ‘economische’ productie-eenheden (in het kapitalisme en het socialisme). En zij frusteren wel zeer in het bijzonder analyses van de feitelijke machtsverdeling in socialistische maatschappijen, waarin in ieder geval de juridische betekenis van het privé-eigendom is teruggedrongen ten gunste van de verschillende vormen van collectief (coöperatief, communaal en staats-) eigendom.

  2. De genoemde problemen kunnen niet algemeen worden behandeld. Zij moeten in steeds verschillende structurele, institutionele en historische contexten thematisch worden bekeken.

  3. De inventaris van de belangrijkste maatschappelijke bronnen die relevant zijn voor de structurering van sociale ongelijkheid en collectief handelen moet (naast de in § 2.1 behandelde uitbreiding met zogenaamde politieke bronnen) nog verder worden uitgebreid en gedifferentieerd. Het gaat niet alleen om beschikkingsmacht over materiële productiemiddelen en politieke rechten, heerschappijposities en over geweldsmiddelen. Het gaat in het algemeen ook om beschikkingsmacht over steeds specifieke prestatiekwalificaties, over specifieke organisatieposities en diploma’s. Bovendien zouden deze bronnen samenvattend, maar zeer gedifferentieerd behandeld moeten worden.

  4. Het ‘soortelijk gewicht’ dat de verschillende typen bronnen hebben voor de structurering van sociale ongelijkheid is variabel. De relatieve betekenis van beschikkingsmacht over prestatiekwalificaties en organisatieposities lijkt met name toe te nemen wanneer de materiële bronnen juridisch en vooral wanneer ze feitelijk zijn vermaatschappelijkt. Daarom zou een pro-theorie van sociale ongelijkheid erop moeten aandringen, dat uitspraken over het structurele gewicht en een mogelijk primaat van verschillende typen bronnen theoretisch en empirisch worden onderbouwd in plaats van ze zoals gebruikelijk is simpelweg te postuleren.

Index


2.3 Einde van de arbeidsmaatschappij?

In de meeste kapitalistische maatschappijen heeft de kapitalistische loonarbeid pas na de Tweede Wereldoorlog op brede schaal doorgezet. Afgezien van de betekenis van de interne differentiatie van de loonafhankelijken is hierdoor ook de ongelijkheidsstructurerende kracht en betekenis van loonarbeid toegenomen. Enerzijds komt daarom in veel empirisch onderzoek onmiskenbaar de centrale plaats naar voren die de betaalde beroepsarbeid heeft voor de structurering van de sociale levens- en politieke handelingskansen. De verdeling van negatieve en positieve privileges is meestal verbonden met de positie in arbeidsverhoudingen en de hiervan afhankelijke loon- respectievelijk inkomenspositie.
“In de hoogontwikkelde westerse samenleving neemt de betaalde beroepsarbeid een zeer centrale plaats in. [...] Arbeid regelt het menselijk bestaan tot op grote hoogte, zowel van degenen die arbeid verrichten als van degenen die niet deelnemen aan het arbeidsleven” [WRR 1977: 10, 15, 111, 158].
Anderzijds werd de individuele levensarbeidstijd aanzienlijk verkleind door uitbreiding van het aantal onderwijsjaren, verkorting van de arbeidsdag, uitbreiding van het aantal vrije en vakantiedagen en het vervroegd uittreden uit het arbeidsproces [Berger 1986].

In samenhang met de grote stijging van structurele werkloosheid in de laatste vijftien jaar zijn hierdoor nieuwe vormen van arbeidsloos inkomen sterk toegenomen. Betekent dit nu dat langzamerhand de arbeid uit de ‘arbeidsmaatschappij’ verdwijnt? Leiden deze processen tot een ‘erosie van het verwervingsprincipe’? Verliest hierdoor de betaalde beroepsarbeid haar centrale rol in de structurering van sociale levenskansen? En verliezen daarmee de arbeidersklasse en de (organisaties van de) arbeidersbeweging hun structurele strategische positie? Al deze vragen zijn theoretisch en empirisch heftig omstreden.

Om deze vragen op een zinvolle manier theoretisch te kunnen concipiëren en empirisch te onderzoeken is een pro-theoretisch referentiekader nodig. Een referentiekader dat breed genoeg is voor het thematiseren van:

  1. de verschillende vormen van maatschappelijke organisatie van de arbeid en hun onderlinge samenhang (de impliciete identificatie van arbeid met betaalde beroepsarbeid moet worden doorbroken);

  2. de verschillende inkomensbronnen en hun specifieke combinaties in huishoudingen;

  3. de maatschappelijke consumptie- en vrijetijdsverhoudingen en hun betekenis voor ongelijkheidsstructuren.

Index


2.4 Pluralisering en individualisering

Bij de pogingen om ‘nieuwe’ ongelijkheidsstructuren te benoemen wordt tegenwoordig vaak een dichotoom beeld van de ‘maatschappijen van de 19e eeuw’ gebruikt. In dat beeld wordt de kloof tussen bourgeoisie en proletariaat als extreem en onoverbrugbaar voorgesteld en de interne objectieve levenssituatie van deze klassen als relatief homogeen. Er wordt verondersteld dat niet alleen de habitus en cultuur, maar ook de sociale identiteit en het politieke handelen van deze klassen in het 19e eeuwse kapitalisme nog corresponderen met hun objectieve klassepositie. In de 20e eeuw en vooral na de Tweede Wereldoorlog zou daarentegen de gehele klassen- en sociale structuur uiteen zijn gevallen, de klassentegenstellingen zouden in een ‘genivelleerde middenstandsmaatschappij’ overwonnen zijn — of tenminste zou de sociale mobiliteit tussen de klassen aanzienlijk zijn toegenomen. De objectieve klasseposities zouden intern veel heterogener zijn geworden. Met name de loonafhankelijken zouden intern sterk gedifferentieerd en gefragmenteerd zijn naar arbeidsrechtelijke positie (arbeider, employé, ambtenaar), arbeidssituatie en arbeidsmarktpositie, naar kwalificatie, inkomen, woonverhoudingen enz. Bovendien zouden hierdoor de coherente sociaal-morele milieus van weleer in vergaande mate zijn ontbonden. Al deze —en minder vergaande— beweringen over maatschappelijke structuurveranderingen stuitten op tegenspraak en hebben discussies losgemaakt: Ook hier zullen we niet uitvoerig ingaan op de theoretische argumenten, de relevante empirische data en hun moeizame onderlinge verhouding. We zullen slechts een paar minimale eisen formuleren die aan een vruchtbare behandeling van «pluralisering» en «individualisering» gesteld moeten worden:
  1. In theorieën en diagnoses zou niet geopereerd moeten worden met simpele historische contrastmodellen, en het oude en bekende moet niet zonder meer als ‘nieuw’ worden gepropageerd.

  2. De objectieve levenspositie van specifieke klassen, groepen, lagen enzovoort is zeer complex. Hiermee zou in de begripsvorming en in analysestrategieën rekening gehouden moeten worden. Een pro-theoretische differentiatie van bronnen en beloningen zou moeten voorkomen dat deze complexiteit wordt genegeerd of zonder plausibele argumenten wordt gereduceerd. Tegen deze achtergrond kunnen zowel de pluralisering en dichotomisering tussen klassen of groepen als hun interne heterogenisering en homogenisering theoretisch en empirisch vruchtbaarder worden onderzocht.
      Gedifferentieerd spreken over sociale ongelijkheid is natuurlijk iets heel anders dan uitspraken doen over de feitelijke pluralisering van objectieve levensposities. ‘Pluralisering van analytische perspectieven’ (differentiatie van begripsmatige instrumentarium en verfijning van meetmethoden) zegt nog helemaal niets over reëel-historische differentiatie-, pluraliserings- of individualiseringstendensen [Berger 1978:61; Ritsert 1987].

  3. De verschillende factoren die bepalend zijn voor de ontwikkeling en verandering van levensstijlen, culturen en collectieve identiteiten van klassen of groepen zouden in eerste instantie gedifferentieerd behandeld moeten worden, voordat er uitspraken worden gedaan over hun relatieve gewicht en hun structurerende kracht.

Index


2.5 Ascriptieve ongelijkheden en nieuwe sociale bewegingen

Een aantal ‘nieuwe’ sociale ongelijkheden die in de laatste jaren de sociaal-politieke en -wetenschappelijke discussie beheersen zijn hiervoor al impliciet aangeduid: de ‘nieuwe’ armoede die is ontstaan, ondanks of juist als gevolg van specifieke maatregelen van de verzorgingsstaat en langdurige massa werkloosheid, het ontstaan van een ‘nieuwe onderklasse’ van gemarginaliseerde randgroepen. Onder de ‘nieuwe dispariteiten’ spelen splitsingen op de grondslag van sekse-specifieke, generationele, taal-culturele, staatsburgerlijke en racistische (kortom: ascriptieve) discriminatie een belangrijke rol. Zij worden vaak als ‘nieuwe horizontale ongelijkheden’ gecontrasteerd met de zogenaamde ‘verticale’ ongelijkheden, waarmee in de traditie van het academische stratificatieonderzoek en in marxistische klassen analyse voornamelijk of uitsluitend rekening zou zijn gehouden. In deze onderzoekstradities zou sociale ongelijkheid alleen gethematiseerd zijn in het kader van (illusoir) ascriptief homogene samenlevingen, ofwel nationale staten.

De toenemende betekenis van deze 'horizontale ongelijkheden' wordt in verband gebracht met het ontstaan en de ontwikkeling van nieuwe sociale emancipatie bewegingen. Deze bewegingen zouden door de ‘oude’ ongelijkheidstheorieën even eens niet adekwaat behandeld kunnen worden. Dit zou met name gelden voor de marxistische traditie, omdat daarin de onbewezen beweringen over een dominantie van klassenongelijkheid verlengd worden in het politieke primaat van de arbeidersbeweging en haar organisaties.

Oude en nieuwe bewegingen?
Onder invloed van de marxistische traditie werd in de klassieke socialistische en communistische arbeidersbeweging een concept geformuleerd van omvattende of integrale bevrijding van al degenen die worden uitgebuit, onderdrukt en gediscrimineerd. Haar pretentie was om op deze grondslag alle emancipatorische bewegingen te kunnen bundelen en te leiden. Nu was deze pretentie historisch nooit onomstreden. Zij lijkt echter tegenwoordig haar legitimiteit en organiserende kracht verloren te hebben. Naast de arbeidersbeweging en tegen haar organisaties zijn er ‘nieuwe’ sociale emancipatiebewegingen ontstaan en ‘oude’ gereactiveerd. Dit bewijst op z’n minst dat deze integrale bevrijdingspretentie van het socialisme niet (meer) wordt geaccepteerd door belangrijke delen en representanten van de bewegingen die haar juist zouden moeten dragen, willen haar normatieve doelstellingen en strategieën van georganiseerd politiek handelen enige historische kracht ontwikkelen.
  • Vanuit de ecologiebeweging wordt de arbeidersbeweging voor de voeten geworpen, dat zij star vasthoudt aan het geloof in de progressiviteit van ontwikkeling van de productiekrachten en voorbijgaat aan de toenemende bedreiging van de natuurlijke grondslagen en kringlopen van de reproductie.
  • Vanuit de rijk geschakeerde ‘alternatieve’ bewegingen, waarin nieuwe leef- en samenlevingsvormen, identiteiten en zelfverwerkelijking worden beproefd, wordt de arbeidersbeweging voorgehouden dat ze het heersende ‘prestatiedenken’ reproduceert, dat ze ‘macht’ organiseert in plaats van het ‘machtsdenken’ te ontmaskeren, dat ze het emotioneel onderdrukkende patriarchale of ‘burgerlijke’ kerngezin in stand houdt en verdedigt enzovoort.
  • Vanuit de diverse bewegingen van ascriptief gediscrimineerde groepen (de vrouwen-, jongeren-, bejaardenbewegingen, de regionale en taal bewegingen, de bewegingen van culturele, etnisch-nationale en religieuze ‘minderheden’, de bewegingen tegen racisme, nationalisme, kolonialisme en imperialisme) wordt de arbeidersbeweging voor de voeten geworpen, dat ze uitsluitend of hoofd zakelijk bezig is om de belangen te behartigen van specifiek geprivilegieerde (mannelijke, blanke, enz.) delen van de arbeidersklasse in internationaal onder drukkende en uitbuitende staten.

Wat ‘socialisme’ ook verder nog moge betekenen, in het politieke discours en in de politieke praktijk van deze bewegingen betekent het niet meer —en al helemaal niet automatisch— de ‘bevrijding van de vrouw’, het einde van alle ascriptieve onderdrukking en discriminatie, of een voor de mensheid levenswaardig milieu.

Of deze verwijten terecht zijn zullen we hier niet bespreken. We noemen slechts de kwesties die in de discussie over ‘nieuwe’ sociale ongelijkheden omstreden zijn:

Ook deze vragen willen we hier nog niet behandelen. Wij volstaan weer met het formuleren van een aantal minimale eisen die aan een pro-theoretische behandeling gesteld moeten worden:

  1. Een pro-theoretisch raamwerk moet algemeen genoeg zijn om de verschillende typen van positionele en allocatieve ongelijkheid te kunnen behandelen. De analyse van structurele ongelijkheid kan niet worden teruggevoerd tot ongelijkheden van klassen, elites, inkomens- en statusgroepen of cliques en ook niet tot ongelijkheden van recrutering.

  2. Positionele en allocatieve sociale ongelijkheid bestaan in werkelijkheid of empirisch gezien nooit helemaal los van elkaar. Een pro-theoretisch referentiekader zou niet alleen moeten voorkomen dat ze tot elkaar worden gereduceerd. Het zou vooral ook moeten stimuleren om hun specifieke grondslagen en de werkingswijze van hun mechanismen te behandelen, en het zou moeten laten zien hoe zij op elkaar betrokken zijn, op welke punten zij op elkaar inhaken.

  3. We hebben een referentiekader nodig waarmee we een een gedifferentieerde analyse kunnen maken van het relatieve gewicht van positionele en allocatieve structuurpatronen van sociale ongelijkheid. Het moet ons in staat stellen om hun relatieve structurerende kracht te analyseren zowel bij het ontstaan van gemeenschappelijke habitus, levensstijlen en collectieve identiteiten, als bij het ontstaan en de ontwikkeling van collectieve bewegingen en organisaties. En het zou tegelijkertijd moeten uitnodigen tot kritiek op theoretisch en empirisch ongefundeerde beweringen over dominantieverhoudingen.

Index


2.6 Relevantie van sociale (klasse)ongelijkheid voor politiek handelen

De libertaire, democratisch-socialistische arbeidersbeweging werd om diverse reden, zowel door haar tegenstanders als door veel van haar oude vrienden vaarwel gezegd: Adieux au prolétariat. Door de nivellering van de klassentegenstellingen zou zij haar fundament hebben verloren. Door de verbetering van de levensstandaard zou de bewustzijns- en handelingsrelevantie van sociale ongelijkheid wegvallen. Zij zou haar tegenstander, de bourgeoisie hebben verloren. De arbeidersklasse zelf zou grotendeels zijn opgegaan in brede middenlaag, waar boven zich een 'nieuwe klasse' van technische, organiserende, politieke en intellectuele elites zou verheffen, en waaronder zich een 'nieuwe onderklasse' zou bevinden: de 'verzorgingsklassen' worden als het ware 'bediend' door de 'service classes'. De gemeenschappelijke objectieve proletarische levenspositie zou als collectief 'noodlot' zijn ontbonden door vergaande heterogenisering en pluralisering en door de toegenomen sociale mobiliteit. Haar gemeenschappelijke proletarische levensstijl, culturen en collectieve identiteit van weleer zouden versplinterd en vernietigd zijn door processen van individualisering. Door haar 'ingroei' in het kapitalisme en in de verzorgingsstaat zou de arbeidersklasse haar emancipatorisch potentieel hebben verbruikt en in dit opzicht verdrongen worden door 'nieuwe sociale bewegingen'.

Ook auteurs die kritisch staan tegenover dergelijke globale diagnoses en de daaruit resulterende ‘therapieën’ komen soms op grond van heel andere overwegingen tot een vergelijkbaar resultaat. Tegenover de opvatting dat de samenhang tussen klasseposities, levensstijlen en leefculturen inmiddels in vergaande mate ontkoppeld zou zijn, probeert bijvoorbeeld Karl Ulrich Mayer juist aan te tonen, dat de verdelings-, interactie- en de reputatie- of waarderingsorde in hoogontwikkelde burgerlijke maatschappijen ‘structureel geconsolideerd’ zijn [Mayer 1987, 1976]. Hij combineert deze kritiek echter met een nieuwe, politiek-sociologisch gemotiveerde disjunctie tussen klassen en politiek handelen. Daarbij gaat hij uit van de veronderstelling, dat de betekenis van ‘sociale klassen’ in het algemeen permanent afneemt tegenover politieke handelingscollectieven zoals ‘grote organisaties en instellingen’ [1987:382, 388]. Nu lijkt het ons in het algemeen niet omstreden dat organisaties (zoals belangenorganisaties en politieke partijen) een belangrijke betekenis hebben voor collectief politiek handelen. Controversieel is echter wel de eenzijdige oligarchie- of elitetheoretische interpretatie van de relatie tussen sociale klassen en groepen, sociale en politieke bewegingen enerzijds en organisatie en leiders van bewegingen anderzijds.

Wij bewegen ons daarmee op het snijpunt tussen gestructureerde sociale ongelijkheid en collectief politiek handelen, welke in dit boek centraal staat. Ook wat dit betreft kunnen er weer twee minimale eisen worden geformuleerd waaraan een pro-theoretische benadering moet voldoen:

  1. Zij zou structurele ongelijkheid niet —zoals dit tot nu toe bijna algemeen gebruikelijk is— conceptueel moeten ontkoppelen van collectief politiek handelen.

  2. De voorwaarden van het ontstaan en de ontwikkeling van collectief conflict bewustzijn en -handelen zouden zowel begripsmatig als inhoudelijk gedifferentieerder geanalyseerd moeten worden dan tot nu toe het geval was in de marxistische traditie of in de vergaand van elkaar geïsoleerde tradities van de academische sociologie, politicologie en geschiedeniswetenschap.
      Ook voor een kritische marxistische analyse zou minstens moeten gelden dat het zinloos is om de politiek meer of minder effectieve mythes van ‘verburgerlijking’ van de arbeidersklasse, van ‘integratie’ in de verzorgingsstaat, van ‘individualisering' enz. te vervangen door het aanroepen van een nog oudere mythe, namelijk de mythe van —hoe latent ook— altijd aanwezig klassebewustzijn en klassenstrijd van de arbeiders.
Index3. Balans van het ongelijkheidsonderzoek

Sociale ongelijkheid is zeer complex gestructureerd. En volgens velen is deze complexiteit in ieder geval veel groter dan traditioneel werd aangenomen. De veelvoud van verschijningsvormen, oorzaken en gevolgen van sociale ongelijkheid brengt begripsmatige, methodologische en onderzoekstechnische problemen met zich mee. Gevolg hiervan is dat er in de literatuur een grote hoeveelheid onderzoeksaanzetten en verklaringspogingen bestaat, zelfs de verschijningsvormen van sociale ongelijkheid worden zeer verschillend beschreven.

Systematische beschrijvingen van sociale ongelijkheid bevatten uitvoerige catalogiseringen van de wijze waarop ‘begerenswaardige zaken’ in de samenleving zijn verdeeld. Soms lijkt daarmee het diffuse en chaotische beeld van ‘de republiek der sociale ongelijkheid’ alleen maar gereproduceerd te worden. Het louter botaniseren van ongelijkheidsfenomenen levert als zodanig immers nog geen inzicht in de hieraan ten grondslag liggende structurele en ontwikkelingstendensen. Over de manier waarop structurele ontwikkelingspatronen van sociale ongelijkheid geanalyseerd kunnen worden lopen de meningen sterk uiteen. Het diffuse en chaotische oppervlaktebeeld van de sociale ongelijkheid lijkt zich te weerspiegelen in de veelvoud van diagnoses, en we kunnen daar direct aan toevoegen: ook in de voorgestelde therapieën.

Wanneer er al iets kenmerkend is voor de ‘stand van de discussie’, dan is het wel het vergaande gebrek aan terminologische en inhoudelijk overeenstemming. Men kan het niet eens worden over de vraag wat voor bepaalde problemen de relevante data zijn, wat ze ‘zeggen’, en hoe men ze kan verzamelen. Men kan het vooral niet eens worden over de vraag wat de relevante problemen zijn en hoe deze theoretisch moeten worden benaderd. Meestal begrijpt men elkaar niet eens. Nu is dit zeker geen toevallig gebrek aan overeenstemming. Het is al zo oud als het sociale ongelijkheidsonderzoek zelf.

We willen dit hier kort demonstreren voor basisbegrippen die in theorieën en empirisch onderzoek worden gebruikt [§ 3.1], voor de structurering van het probleemveld in ‘dimensies’ of ‘analyseniveaus’ [§ 3.2], de betreffende theorieën en deeltheorieën [§ 3.3] en voor de verhouding van theorieën en empirisch-historisch onderzoek [§ 3.4].

Index


3.1 Ambiguïteit van basisbegrippen: klasse en stand

Theoretische discussies over sociale ongelijkheid hebben vaak een nogal chaotisch karakter omdat er verwarring is over de benaming en definitie van basisbegrippen. Basisbegrippen als klasse, stand, status, macht, heerschappij, eigendom enzovoort zijn ‘essentially contested concepts’ [Gallie]. De verwachting dat er op dit punt consensus kan ontstaan is wetenschapssociologisch naïef en zou theoriestrategisch zelfs contraproductief kunnen uitwerken. Hun betekenissen en definities in de wetenschappelijke literatuur zijn even gevarieerd en controversieel als hun connotaties in het dagelijkse taalgebruik. Zelfs elementaire voorwaarden voor een cognitief rationele discussie ontbreken: een minimale eis van elk rationeel debat is immers, dat men begrijpt wat men zelf en de ander bedoelt, en waarom men het - met goede redenen - niet eens kan worden. Daarom heerst ook in wetenschappelijke discussies over sociale ongelijkheid een Babylonische spraakverwarring.

In de sociaal-wetenschappelijke literatuur zijn bijvoorbeeld zoveel klassebegrippen in omloop, dat men zelfs bij een oppervlakkig overzicht al op grote problemen stuit. Het vinden van een deugdelijk categoriseringsprincipe levert al grote moeilijk heden op.

Enerzijds werd het begrip klasse vooral in de 18e en 19e eeuwse literatuur gebruikt als een contrastbegrip van standen en kasten. Klassen zouden kenmerkend zijn voor burgerlijke maatschappijformaties (of: marktmaatschappijen) in onderscheid van feodale en andere voor-burgerlijke maatschappijen [Herrnstadt 1965; Calvert 1982]. In de 20e eeuw werd deze beperkte betekenis van het klassebegrip ook tegenover laat-burgerlijke en post-burgerlijke maatschappijen uitgebreid. Anderzijds werd en wordt klasse ook gebruikt als een meer algemeen historisch basisbegrip dat meerdere of alle maatschappijformaties omvat. In beide betekenissen kunnen klassen refereren aan:

Een zuiver terminologische strijd over ‘de juiste definitie’ is zinloos. Maar het lijkt soms zelfs al te veel gevraagd om te voldoen aan de eenvoudige eis van Geiger, om tenminste theorie-intern consistente begrippen te gebruiken en ‘quaternio terminorum’ te vermijden.

Ook het begrip stand blijkt bij nader inzien tamelijk complex en is vol verschillende, elkaar overlappende en tegensprekende betekenissen. Net als klasse wordt ook dit begrip enerzijds opgevat als een begrip dat refereert aan een specifieke maatschappijformatie (feodale standenmaatschappij) en anderzijds als universeel begrip dat meerdere of alle maatschappijformaties omvat.
Max Weber gebruikt minstens vier verschillende, geenszins congruente betekenissen van het standbegrip. De ambiguïteiten die hieruit voortvloeien zijn op hun beurt weer de oorzaak van aanzienlijke inhoudelijke probleemvermengingen. Giddens [1973] en Kreckel [1982:632] wijzen slechts op twee betekenissen. De betekenisveelvoud en ambiguïteit van Weber’s standsbegrip wordt uitvoerig behandeld door Benschop [1987]. Vgl. ook Wenger [1980, 1987].
Als algemeen begrip refereren ‘standen’ vooral aan: (1) distributieve inkomens- of consumptiegroepen, (2) groepen die gekenmerkt worden door verschillende bijzondere arbeids-, consumptie-, vrijetijdsstijlen of nog breder, door verschillende levensstijlen; (3) primaire intieme interactiegroepen, die gekenmerkt worden door convivium, connubium, commensaliteit; (4) referentiegroepen; (5) specifiek conventioneel of juridisch naar buiten toe gesloten groepen; en (6) de meest uiteenlopende combinaties van deze betekenissen.[48]

Wat we hier aan de hand van het begrip ‘klasse’ en ‘stand’ hebben geïllustreerd geldt ook voor vergelijkbare begrippen zoals ‘kaste’, ‘elite’ en ‘status groep’, en voor basisbegrippen zoals ‘macht’, ‘heerschappij’ / ‘gezag’, ‘beschikkingsmacht’ / ‘controle’ en ‘eigendom’.

De verwarrende status van status
“The status of status is in a confused status” [Burchard]. Het begrip «status» wordt meestal gebruikt in de betekenis van ‘prestige’. Daarnaast wordt het echter ook vaak gebruikt voor ‘positie’, ‘macht’, ‘rang’, ‘reputatie’, ‘rol’, ‘hoog prestige’ enz. Status is dus een uiterst rekbare containerterm, een verlegenheidsformule [Kluth 1957]. Daarom is Burchards voorstel verleidelijk: “to discontinue the use of the concept status and employ ohter concepts in its stead” [Burchard 1960:422]. Dit lijkt een zinvolle suggestie om uit de terminologische verwarring te komen, maar de inhoudelijke problemen worden op deze manier alleen maar verschoven.

Index


3.2 Heterogene en controverse probleemstructurering: ‘class, status, power’

De algemene ambiguïteit van basisbegrippen en het ontbreken van duidelijke vertalingsregels zijn slechts een symptoom van het feit dat het onderzoeksobject zelf niet duidelijk is afgebakend en dat het niet door duidelijk uitgewerkte theorieën wordt bewerkt. De niet alleen terminologische, maar ook inhoudelijke onenigheid en verwarring neemt toe, wanneer het erom gaat de complexiteit van sociale ongelijkheid toegankelijk te maken voor analyses, door verschillende ‘dimensies’, ‘analyseniveaus’ of probleemassen’ te onderscheiden.

Het enige waarover men het oppervlakkig eens lijkt te zijn is dat het om een complex onderwerp gaat en dat daarom eendimensionale benaderingen moeten worden afgewezen (dit is het standaardargument dat steeds weer uit de kast wordt gehaald om af te rekenen met karikaturen van ‘het marxisme’). De schijnbare eenduidigheid van deze afgrenzing vervluchtigt echter al snel als we nagaan welke verschillende problemen men op het oog heeft met de ruimtelijke metafoor ‘dimensies’. Benaderingen kunnen eendimensionaal worden genoemd wanneer daarin sociale ongelijkheid gereduceerd wordt tot:

Om dit beeld compleet te maken moet hier nog aan worden toegevoegd, dat deze uiteenlopende connotaties van de term 'dimensies' vaak op een onoverzichtelijke manier binnen één indeling worden gecombineerd (zoals bij Berting 1981:316).

Theoretische benaderingen zijn bovendien eendimensionaal wanneer zij alleen maar rekening houden met specifieke mechanismen van toeëigening en overdracht van beschikkingsmacht, of abstraheren van specifieke typen van stabilisatie en garantie van ongelijkheid; wanneer zij ongelijkheid alleen maar behandelen op maatschappelijk niveau of op het niveau van de organisatie of persoonlijke interactie; wanneer zij abstraheren van ongelijkheden van de habitus en van de cultuur, of van de ervaringen en definities van ongelijkheid.

In een dergelijke formele betekenis moeten natuurlijk alle enigszins bruikbare theoretische benaderingen van sociale ongelijkheid meerdimensionaal zijn. Dit is echter geen ‘superieur inzicht’, het is slechts een uitgangspunt dat ons voor niet geringe moeilijkheden stelt. Op deze manier krijgen we immers wel een complex beeld van sociale ongelijkheid, maar misschien zelfs een overcomplex —in ieder geval onoverzichtelijk en ongestructureerd— beeld. Wie op dit onderzoeksgebied aan theorievorming wil beginnen zou daarom eerst duidelijk moeten maken (i) in welk opzicht en met welke theoretische argumenten men welke dimensies kan onderscheiden, (ii) hoe deze dimensies met elkaar samenhangen en waar theoretische en empirische analyse zouden moeten aanvangen. Aan deze lastige vragen kan men alleen maar voorbij gaan als men van mening is, dat men overal kan beginnen en alles simultaan kan onderzoeken.

Hierin ligt ons inziens de grootste zwakte van de bestaande theorieën over sociale ongelijkheid en het eigenlijke probleem. De bestaande theoretische structureringen van dimensies en analyseniveaus van sociale ongelijkheid zijn niet alleen heterogeen (bijvoorbeeld de klassieke trias: ‘class-status-power’). Zij zijn vaak ook intern inconsistent (zie bijvoorbeeld de zelfkritiek van Runciman 1972).

Het grootste probleem is echter dat zij niet duidelijk maken in welk opzicht deze ‘dimensies’ van elkaar worden onderscheiden. Wat men onder ‘dimensies’, ‘niveaus’, onder ‘oorzaken, criteria, vormen en werkingen’ (Wiehn), onder ‘soorten’, ‘typen’, ‘structuurvormen’, ‘grondslagen’ van sociale ongelijkheid moet verstaan, wordt in hoge mate overgelaten aan de fantasie en de alledaagse connotaties van de lezer. Er zijn op dit ogenblik geen begrippen en probleemstructureringen die kunnen rekenen op een minimum aan verstaanbaarheid. En toch wordt zonder dergelijke structureringsvoorstellen de onoverzichtelijkheid van sociale ongelijkheid en de verwarring steeds weer opnieuw gereproduceerd.

Index


3.3 Intellectuele rivaliteit: theoretische dichotomiseringen

Op het eerste gezicht lijkt de globale ‘theoretische weersgesteldheid’ gunstig te zijn voor vruchtbare en verdergaande algemene analyses van sociale ongelijkheid. Hiertoe werd verschillende keren opgeroepen (o.a. door Giddens, Parkin, Kreckel, Bolte, Strasser). De tijden van de bijna onbetwiste dominantie van functionalistische benaderingen in de academische sociologie van sociale ongelijkheid zijn voorbij. Bovendien wordt het veld ook niet meer beheerst door haar tegenspeler, de conflictsociologische benaderingen.

De stellingenoorlog tussen ‘academische sociologie’ en ‘marxisme’ heeft met name in het klassen- en stratificatieonderzoek wel een zeer groot aantal geïnteresseerde misverstanden voortgebracht, maar is duidelijk op niets uitgelopen. Het is zeker niet overdreven om te zeggen dat “de confrontatie tussen de verschillende stratificatietheorieën meer dan eens als academische surrogaat voor conlicten tussen politieke geloofsbekentenissen hebben gefungeerd” [Strasser/Goldthorpe 1985:22]. De fronten zijn niet alleen verschoven, ze zijn ook wat verbrokkeld. De ‘crisis van de sociologie’ werd juist op dit onderzoeksgebied op de voet gevolgd door de ‘crisis van het marxisme’. Toch is het verbazingwekkend dat de kansen die zich hierdoor aandienen om zich tussen de fronten of in het niemandsland te bewegen, tot nu toe zo weinig systematisch werden benut [de eerste, nog essayistische pogingen in deze richting werden gedaan door Giddens 1973 en later door Bourdieu]. De redenen hiervoor kunnen in twee punten worden samengevat.

  1. Theoretische discussies over gestructureerde sociale ongelijkheid werden in hoge mate gekenmerkt door het abstract tegenover elkaar stellen van verschillende benaderingen, richtingen en scholen. Theoretische debatten fungeerden meer ter afgrenzing of politieke ontmaskering dan ter verheldering van diverse kennis belangen en analysestrategieën. Hierdoor werd de ruimte voor nuchter wetenschappelijk onderzoek aanzienlijk beperkt. Vooral debatten over klassen- en stratificatietheorieën werden en worden helaas nog steeds vertroebeld door een imposante reeks —tot routine geworden— misverstanden. Elke dominante theoretische benadering trad naar voren met imperialistische claims op wetenschappelijkheid. Het tijdperk van de ‘paradigmatische imperialismes’ (Strasser) is voorbij. We verkeren tegenwoordig in een periode waarin eerder sprake is van ‘ongeregelde concurrentie’ tussen rivaliserende theoretische benaderingen. De dichotomiserende logica van intellectuele rivaliteit is echter niet doorbroken nu het theoretisch-politieke getij is gekeerd. Veel van de oude dichotomieën die de kennisprogressie in de richting naar complexere theorieën van sociale ongelijkheid hebben verhinderd worden voortdurend gereproduceerd. Het lijkt wel of er teveel in deze dichotomieën is geïnvesteerd. Het verlies van hun simpele oriëntatiefunctie lijkt te groot te zijn.

    Overwin de dichotomieën
    Er zijn diverse oproepen of pogingen gedaan om deze pseudo-alternatieven te doorbreken:
    • Structuur versus handeling: Giddens 1976,1979; Bhaskar 1979; Bourdieu 1976; Unger 1987; Benschop 1993/2017 en de kritieken van Giddens 1980 en Bader/Benschop 1983 op Parkin. Daarbij zijn de verschillen tamelijk groot. Zij reiken van de structuralistische pool (Bourdieu) tot aan de ‘anti-necessetarian’ pool (Unger).
    • Conflict versus consensus: Giddens, Bader 1988a.
    • Klassen versus elite: Bottomore 1964, Giddens 1973.
    • Macro- versus microtheorieën: Pfautz/Duncan 1950, Haller 1981, Hack 1977, Bourdieu 1979.
    In hoofdstuk VI, § 2 en VII komen een paar dichotomieën aan de orde die kenmerkend zijn voor de klassentheoretische discussie, zoals: marktpositie versus positie in het productieproces. In hoofdstuk V, § 5 leveren we kritiek op de dichotomie tussen ‘materiële bronnen’ versus ‘prestige’, welke de discussie tussen statussociologen en marxistische klassentheoretici blokkeerde.
    Het lijkt nog steeds te gaan om exclusieve alternatieven tussen structuur- en handelingstheorieën, conflict- of consensustheorieën, klassen-, elite- of stratificatietheorieën, interactie-, organisatie- of maatschappelijke macrotheorieën, functionalistische systeemtheorieën of fenomenologische respectievelijk symbolisch interactionistische theorieën, machts- of eigendomstheorieën en dergelijke. En inmiddels hebben zich zogenaamd ‘nieuwe’ exclusieve alternatieven aangediend: sociale sluitingstheorieën of positionele structuurtheorieën, coherentie- of differentiatietheorieën enzovoort. Meestal leiden dergelijke dichotomieën niet tot nieuwe inzichten omdat het slechts gaat om louter polariserende antwoorden op verkeerd gestelde vragen.

    Het cognitieve onbehagen dat dergelijke dichotomiseringen zouden moeten oproepen weegt kennelijk niet bij iedereen op tegen het ‘comfort van de profilering’ dat daarmee nog altijd verbonden lijkt te zijn. Exemplarisch hiervoor is de herontdekking van ‘oude’ en al lang bekende theoretische posities door ‘marxistische renegaten’ waarbij de logica van de vadermoord wordt gevolgd (vergelijk bijvoorbeeld Parkin 1979 met Parkin 1971). Verfrissend kritisch over de panische angst van de intellectuelen om het nieuwste modieuze ‘paradigma’, de ‘nieuwste’ klasse, de ‘nieuwste’ tegenspraak enz. te missen zijn Bourdieu/Passeron [1971:201].

    Er is een beter inzicht ontstaan in de normatieve en politieke kennisbelangen die een rol spelen in theorievorming en empirisch onderzoek. Maar dit inzicht wordt zelden toegepast op de specifieke eigen wetenschapspolitieke belangen van de producenten van ‘nieuwe paradigmata’ en hun lang niet altijd of overwegend cognitief productieve rol.

  2. Kennis van normatieve en politieke referenties van het ongelijkheidsonderzoek betekende het einde van de onschuld van deze sociologie. Er zijn verfrissende oproepen gedaan voor een ook in dit opzicht zelfreflexieve sociologie. Deze kunnen echter gemakkelijk in twee doodlopende straten voeren. Enerzijds kan de kritiek op pseudo-cognitief versluierd normativisme en ‘wetenschappelijk’ gemaskeerde politieke interventies worden geradicaliseerd in concepties van een openlijke ‘politieke’, ‘subjectieve’ of ‘partijdige’ sociologie [Parkin, Philipps e.v.a]. Daarmee wordt echter precies de ruimte prijsgegeven waarin een relationeel cognitief autonome sociologie van sociale ongelijkheid kan bestaan. Anderzijds tekent zich ook in de ongelijkheidstheorie een vlucht in de wetenschapsgeschiedenis en wetenschapssociologie af [Kreckel 1985a en in tendens ook Berger 1987. Dit past natuurlijk in het beeld van het epistemologisch relativisme als gevolg van het ‘Kuhn-loss’. Zie hiervoor de kritiek van Bhaskar 1986]. Impliciet of zelfs programmatisch wordt daarmee de ontwikkeling van theorieën van sociale ongelijkheid vervangen door een ‘sociologie van de sociologie van sociale ongelijkheid’, welke niet meer in staat is om de eigen positie theoretisch te onderbouwen.
      De derde bekende uitweg uit de crisis is de herbezinning op de klassiekers en de meer of minder systematische en kritische ‘theoretische reconstructies’. Maar ook deze weg biedt niet als zodanig uitkomst [zie de elegante scepsis m.b.t. de maatschappijtheoretische discussie bij Luhmann 1984:7 e.v.]. Een gedifferentieerd pro-theoretisch referentiekader is een voorwaarde voor dergelijke pogingen.

De kennisbarrières van de altijd nog heersende theoretische dichotomisering moeten worden doorbroken. Dit betekent echter niet dat we de rivaliserende theorieën zelf direct kunnen integreren. Het gaat er veeleer om de vruchtbare perspectieven en cognitieve ‘kennisbrokken’ te bevrijden uit de belemmerende logica van de heersende rivaliteit [Strasser 1983; Strasser/ Goldthorpe 1985:22 e.v.]. Door deze deconstructiearbeid moeten de al te eenvoudige beelden van sociale ongelijkheid in het ongelijkheidsonderzoek worden vernietigd. Het loslaten van de bedrieglijk simpele cognitieve oriëntatiefunctie die dergelijke dichotomieën vervullen moet in eerste instantie ook gericht verwarren. Hopelijk leidt de beoogde onzekerheid niet tot totale desoriëntatie (‘nieuwe onoverzichtelijkheid’), maar opent dit de blik voor patronen van sociale ongelijkheid die achter naïeve ordeningsschema’s schuilgaan. Niet het verdrinken in ongelimiteerde complexiteit is het doel, maar het ontwerpen van een systematisch referentiekader dat recht doet aan de complexiteit.

Het ontwerp van een dergelijk referentiekader vereist explicatie van de eigen normatieve en politieke kennisbelangen [§ 4.2]. Het vereist echter ook dat men voldoende afstand houdt van overgepolitiseerde debatten en van theoretisch en empirisch ongeïnformeerd normativisme. De frontlijnen van de normatieve en politieke debatten en confrontaties lopen zeker niet parallel met die van de strijd over basisbegrippen en theorieën. Bovendien worden theorieën, begrippen en onderzoeksstrategieën niet volledig vastgelegd door normatieve beslissingen. Wij willen in ieder geval ruimte houden voor zelfreflexief en cognitief relationeel autonoom onderzoek [ exemplarisch: Keat 1981:38 e.v., met name p. 56 e.v.].

Aan het ontwerp van een dergelijk referentiekader verbinden wij de misschien naïeve hoop, dat het mogelijk is over de grenzen van de kampen heen verstaanbaar te worden, iets mee te delen, theoretisch te converseren. Daarvoor is het nodig, dat men verschillende benaderingen serieus neemt en elkaar op een wellicht heel ‘ouderwets’ pathetische manier wil begrijpen. Wij verbinden daarmee niet de hoop op een rationele consensus en al helemaal niet op ‘de’ algemene theorie van sociale ongelijkheid. Gezien de sterk uiteenlopende normatieve en politieke kennisbelangen, de verscheidenheid van theoretische perspectieven, en vooral ook gezien de enorme breedte van het kennisobject is een gemeenschappelijke algemene theorie niet mogelijk (en ook niet vereist). Wij hebben onze hoop dus eerder gevestigd op gefundeerde meningsverschillen en rationele controverses dan op pseudo-consensus en schijncontroverses waarvan de hardnekkigheid vooral gebaseerd is op het feit dat men systematisch langs elkaar heen praat: ‘veel geschreeuw en weinig wol’. Er zou al veel gewonnen zijn wanneer we met betere argumenten van mening verschillen. Niet de controverses zijn immers scandaleus. Zij zijn in ieder geval het brood van de wetenschappers — ook al zijn ze dat niet zonder meer voor ‘de wetenschap’ (zij bevorderen niet altijd de progressie van cognitieve kennis). Wij hopen dus een bijdrage te kunnen leveren aan de cognitieve rationalisering van de meningsverschillen.

Index


3.4 Theorie en empirisch-historisch onderzoek: ‘an unhappy divorce’

Er werd en wordt steeds weer opnieuw geconstateerd dat er een diepe, onoverbrugbare kloof bestaat tussen theorieën of theoretische benaderingen en het historische of actueel-empirische onderzoek naar sociale ongelijkheid en collectief handelen. In het empirische sociaal-wetenschappelijke onderzoek naar sociale ongelijkheid zijn deze klachten zo oud als de discipline zelf [Gordon 1949/1950:262; Gordon 1950/1963:4; Hatt 1950:216 e.v.; Dahrendorf 1961/1966:9; Coleman 1965; Lenski 1966:444; Wiehn 1968:139; Kirchberger 1975; Kreckel 1967,1982; Hradil 1983:110; Bolte 1983, 1985; MAYER 1987].

De kloof tussen sociologie en geschiedenis is lange tijd spreekwoordelijk geweest en deze situatie is vaak betreurd. Dat gebeurde met name door historici die werken aan vergelijkende analyses van lange termijnveranderingen van de sociale structuur, en die alleen al daarom —in tegenstelling tot de eerder narratief georiënteerde historici— een grotere theoriebehoefte hebben [Hobsbawm 1962, 1964; Wehler 1979; Kocka 1979 e.a.]. Dezelfde geluiden hoort men ook regelmatig vanuit de hoek van auteurs die zich bezighouden met sociologisch en politicologisch georiënteerd bewegingsonderzoek [Marx/Wood 1975; Jenkins 1983; Raschke 1985:12] en met vergelijkend sociaal-historisch onderzoek naar collectieve acties, bewegingen en revoluties [Skocpol 1978:1979:35; Tilly 1978:142; Aya 1979:67; Barrington Moore 1978; Harmsen 1974].

“Empirisch onderzoek en theorie zijn twee culturen, die elkaar wederzijds nauwelijks waarnemen, omdat de theoretici geen toegang hebben tot de methodologische grondslagen en methodisch vervreemde resultaten en de empirici vinden dat de theoretici inhoudsloze kletsers zijn, die hun handen niet vuil willen maken in het veld of in de computerkelders” [Mayer 1987:3].
Theorie en empirisch-historisch onderzoek staan lang niet altijd in een zinvolle wisselwerking met elkaar. Zij vervullen vaak retorische en legitimerende functies ten opzichte van elkaar, volgens het heersende devies: ‘Theorie is iets voor de inleidingen en empirie is voor de voetnoten’. Verantwoordelijk voor deze situatie zijn enerzijds de van oudsher ingeroeste grenzen tussen de verschillende disciplines in de sociale wetenschappen (die zelf het product van intellectuele rivaliteit zijn). Anderzijds is het ook een gevolg van de heersende wetenschappelijke socialisatiepatronen en wetenschapsculturen: ze kweken zowel empirisch-historisch ongeïnformeerde theorieconstructeurs als theoretisch ongeïnformeerde empirische en historische onderzoekers. Om deze conventionele, maar kunstmatige disciplinegrenzen te legitimeren wordt er steeds een beroep gedaan op passende objectbegrenzingen (bijv. ‘het verleden’) en methoden (bijv. ’kwalitatieve’, ‘narratieve’ enz.) [kritisch hierover zijn Wehler, Tilly, Elias. Vgl. Lorenz 1987].

De distantie tussen de generaliserende ‘sweeping statements’ van theoretici en de bedrijfsblinde, computergestuurde datamanipulaties van empiristen kan gemakkelijk worden gedemonstreerd aan de hand van de controverses die we hiervoor hebben geschetst.

Controverses
In de gegeneraliseerde —en alleen al daarom voor politiek gebruik zeer geschikte— uitspraken over de stabiliteit respectievelijk het af- of toenemen van ‘de ongelijkheid’ ontbreekt bijvoorbeeld elke zinvolle vergelijkingsmaatstaf. Er is namelijk geen maatstaf op grond waarvan men de verschillende bronnen en beloningen kwantitatief zou kunnen vergelijken (we komen later terug op de pogingen om ‘geld’ en ‘prestige’ te gebruiken als de universele valuta van het ongelijkheidsonderzoek).

Een inventarisatie van (vergelijkende) empirische lange-termijn studies naar inkomens- en vermogensongelijkheid laat zien dat er enorme problemen zijn met de beschikbaarheid, vergelijkbaarheid, validiteit en betrouwbaarheid van de data zelf; een grote heterogeniteit van (personele, functionele, sociale)verdelingsbegrippen, van maatstaven die worden gehanteerd (absolute of relatieve; decielen, Gini- en Theil-coëfficiënten enz.). Maar vooral de problemen met betrekking tot de gehanteerde indicatoren en interpretaties: wat zeggen de onzekere en omstreden data bijvoorbeeld over veranderingen van de klassenverhoudingen?

  • Over meetproblemen en gebruik van maatstaven: Odink [1985], Vermaat [1975], Townsed [1970], WRR [1977:9, 41], Sen [1975], Krupp [1969], Champernowne [1974].
  • Over inkomensverhoudingen: Berger [1986], Kaelbe [1983a], Costas [1985], Atkinson [2009].
  • Over vermogensverhoudingen: Wilterdink [1984], Atkinson [1973], Lampman [1962].
  • Over inkomen en klassenverhoudingen: Wright [1979], Terwey [1984].

En wie de discussies volgt over de stelling van de heerschappij van de manager in het huidige kapitalisme merkt al snel, dat veel van de gegevens waarmee deze stelling wordt geadstrueerd pseudo-facts zijn, dat belangrijke data vaak ontoegankelijk zijn, dat de criteria omstreden zijn (vanaf hoeveel procent aandelen is er sprake van ‘effectieve controle’?), dat de relevante samenhangen controvers zijn (bijv. verwantschapsrelaties, ‘interlocking directorates’ en controle door banken), dat operationaliseringen en indicatoren onscherp zijn (wat betekent bijvoorbeeld ‘controle’ en hoe is dat te meten?) en dat de corresponderende interpretaties en resultaten moeilijk vergelijkbaar, controvers en landenspecifiek zijn [Scott 1979, 1997; Scott/Hughes 1980; Stokman/Ziegler/Scott 1985; Helmers e.a 1975; Van den Berg/Fennema 1984].

Wij willen hier geen al te somber beeld schetsen van een toestand van stagnerend, chaotisch ongelijkheidsonderzoek.[71] En wij zouden ook niet willen beweren dat het empirisch onderzoek is achtergebleven (wat voor de theoretici echt te vleiend zou zijn).[72] Het idee dat we eigenlijk niets weten en daarom nog eens van voren af aan zouden moeten beginnen is infantiel.[73]

Wij willen alleen de lange tijd heersende, zelfgenoegzaam-legitimerende mythe tegenspreken van het vreedzame en cumulatieve empirische onderzoek: sociale ongelijkheid mag dan zelf een opvallend cumulatief karakter vertonen, dat geldt niet voor het empirisch onderzoek over dit onderwerp. Wat vooral ontbreekt zijn: (i) samenhangen tussen de deelonderzoeksgebieden; (ii) terugkoppelingen tussen de betreffende deeltheorieën en meer algemene theorieën, en (iii) vruchtbare relaties tussen intensief en gedetailleerd empirisch onderzoek en samenhangende en generaliserende theorieën en diagnoses. Generaliserende theorieën en diagnoses hebben niet alleen een maatschappijpolitieke betekenis, maar vervullen vooral ook belangrijke richtinggevende functies voor onderzoek.

Index4. Pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen

Dit overzicht van de stand van zaken met betrekking tot de theorie en het onderzoek is net als alle andere overzichten niet neutraal en belangeloos. Om ons eigen program te profileren hebben we de problemen van gangbare theorieën en de heterogeniteit van het empirisch-historisch onderzoek beknopt en enigszins overtrokken weergegeven. We hebben geprobeerd aannemelijk te maken dat er geen ‘gemeenschappelijk begripsmatig en theoretisch dak’ beschikbaar is, terwijl er tegelijkertijd veel redenen zijn om sociale ongelijkheid en collectief handelen breed en omvattend te behandelen. We geven eerst een samenvatting van de eisen die aan zo’n algemene benadering gesteld zouden moeten worden [§ 4.1]. Wij stellen dat een zelf reflexieve theorie en onderzoek de normatieve en politieke referentiepunten moet expliciteren die een rol spelen bij de bepaling van het kennisobject [§ 4.2]. Van verschillende kanten wordt gesteld, dat er behoefte is aan een ‘algemene theorie van sociale ongelijkheid’. Hoe plausibel deze eis ook moge zijn — men kan niet alles krijgen wat men wil. Daarom willen wij schetsen wat we verstaan onder pro-theorie, wat men daarvan kan verwachten en wat niet, wat zij moet presteren en waar haar grenzen liggen [§ 4.3]. Tenslotte gaan we in op het meervoudige nut van een pro-theorie [§ 4.4].

Index


4.1 Waarom een brede, algemene en gedifferentieerde benadering?

In de voorgaande schets [§ 3] hebben we de volgende eisen geformuleerd en onderbouwd:
  1. De basisbegrippen zouden zo geformuleerd moeten worden dat zij niet alleen voor een maatschappijformatie geldig zijn. De specifieke beperkingen die worden opgelegd door normativistische en ideologische beelden van de burgerlijke maatschappij moeten worden overwonnen. Alleen op deze manier is men in staat om datgene wat specifiek is voor de ongelijkheidsstructuren in bepaalde maatschappijformaties adequaat te thematiseren.

  2. Ongelijkheid zou niet gereduceerd moeten worden tot bepaalde maatschappelijke verhoudingen of 'velden', zoals bijvoorbeeld tot 'materiële' productieverhoudingen ('economie'), 'politieke' of 'culturele' verhoudingen. Een mogelijk primaat van bepaalde verhoudingen met betrekking tot de structurering van ongelijkheid mag niet a priori worden gepostuleerd. Het basisbegrip 'sociale ongelijkheid' zou dus zo geconstrueerd moeten worden dat het zowel 'sociale' als 'politieke' ongelijkheden omvat.

  3. Ongelijkheid zou niet gereduceerd moeten worden tot bepaalde aggregatie niveaus van sociaal handelen, bijvoorbeeld tot het interactieniveau, het organisatie niveau of het maatschappelijk niveau. Met betrekking tot de structurering van ongelijkheid mag niet a priori worden uitgegaan van het primaat van een bepaald aggregatieniveau.

  4. De bronnen die relevant zijn voor sociale ongelijkheid zouden niet gereduceerd moeten worden tot bijvoorbeeld materiële bronnen, prestatiekwalificaties, organisatieposities, geweld of prestige. De historische betekenis van deze bronnen is variabel, een mogelijk primaat mag niet eenvoudig worden gepostuleerd.

  5. Beschikkingsmacht zelf zou niet hooggeagregeerd en gepolariseerd behandeld moeten worden, maar gedesaggregreerd en gedifferentieerd.

  6. De behandeling van sociale ongelijkheid zou zowel arbeids- als consumptie verhoudingen moeten omvatten. Er zou een breed arbeidsbegrip gebruikt respectievelijk ontwikkeld moeten worden dat ons in staat stelt om verschillende maatschappelijke vormen van arbeid te analyseren. De beloningen die relevant zijn voor sociale ongelijkheid zouden niet gereduceerd moeten worden tot bepaalde, bijvoorbeeld materiële beloningen.

  7. Ongelijkheid zou niet gereduceerd mogen worden tot positionele of allocatieve structuurvormen van ongelijkheid. De criteria voor allocatie zouden breed en omvattend behandeld moeten worden. Daarbij mag met betrekking tot de structurering van ongelijkheid niet a priori worden uitgegaan van een primaat van een bepaald criterium.

  8. Mechanismen van overdracht van beschikkingsmacht en mechanismen van hun stabilisatie en garantie zouden breed en gedifferentieerd behandeld moeten worden. Dat is nodig om hun specifieke constellaties en veranderingen in bepaalde maatschappijformaties te kunnen analyseren. Vragen betreffende het ontstaan van bijvoorbeeld klassen zouden onderscheiden moeten worden van vragen die hun reproductie, stabilisatie en garantie betreffen.

  9. De objectieve levenspositie van potentiële handelingscollectieven is complex gestructureerd en zou daarom gedifferentieerd behandeld moeten worden. Dat is vooral van belang om de mate van homogenisering of heterogenisering van objectieve levensposities te kunnen analyseren.

  10. Factoren die bepalend zijn voor de habitus, levensstijlen en culturen van potentiële handelingscollectieven zouden breed behandeld moeten worden. Zij zouden bijvoorbeeld niet gereduceerd moeten worden tot prestigeverschillen.

  11. Factoren die het collectief handelen bepalen zouden breed behandeld moeten worden. Zij zouden niet gereduceerd moeten worden tot bijvoorbeeld ongelijkheden van de objectieve levenssituatie, van de habitus, van de levensstijlen en culturen, of van de collectieve identiteit; en ook niet tot ontevredenheid en de articulatie daarvan, tot organisatie en leiding, tot mobiliseerbaarheid en mobilisatie van bronnen, tot externe handelingskansen of tot de eigen dynamiek van collectieve conflicten.

Index


4.2 Politieke en normatieve kennisbelangen

We hebben al een aantal politieke redenen genoemd die aannemelijk maken waarom het zo niet noodzakelijk, dan toch op z’n minst zinvol en doelmatig kan zijn om na te denken over voorwaarden en basisbegrippen van een in meerdere opzichten algemene benadering van gestructureerde sociale ongelijkheid. De politieke kennisbelangen op grond waarvan men geïnteresseerd is in sociale ongelijkheid waren en zijn divers. De discussie werd bepaald door twee politieke referenties die rechtstreeks tegenover elkaar staan, maar intern weer gedifferentieerd kunnen worden: Het eerste politieke —en natuurlijk niet cognitief te funderen— kennisbelang bij het onderwerp is zowel kenmerkend voor marxistische, conflictsociologische als elite-theoretische sociaal-wetenschappelijke benaderingen. Het tweede politieke kennisbelang is bepalend voor de alledaagse praktijk van het opstellen van ‘who is who’, ‘social registers’, ‘Gotha’, het ‘blauwe’ patriciërsboekje en het ‘rode’ adelboekje. In sociaal-wetenschappelijke discussies is het bepalend voor de meer of minder openlijk op normatieve integratie gerichte, in de regel functionalistische statussociologie.

Kennisbelangen, nutteloze sociologische hobby’s en blinde vlekken
Het eerst genoemde politieke kennisbelang is dus zeker niet specifiek marxistisch. Ondanks de zeer uiteenlopende politieke, normatieve en theoretische visies wordt dit kennisbelang onder andere verwoord door: Geiger [1932, 1949], Bendix/Lipset [1953], Dahrendorf [1957, 1979], Rex [1970], Glazer/Moynihan [1975], Tilly [1978], Kriesberg [1973], Habermas [1981 II:489 e.v.], Berger [1987:63] en in de ‘theory of collective action’ van Olson [1965].

‘Social registers’ en adelboekjes met statushiërarchiën kunnen voor de betreffende elites nog een herkenbare sociale betekenis hebben. Maar het generaliseren van deze procedure voor totale maatschappijen lijkt in eerste instantie slechts een overbodige sociologen-hobby te zijn.

De openlijke of verzwegen politieke stootrichting van het kennisbelang van de statussociologie is dat de samenhang die in de marxistische en conflictsociologische traditie wordt gelegd tussen antagonistische belangen en politiek handelen wordt doorgesneden. Vergelijk de kritieken op de statussociologie van Ossowski [1962], Kirchberger [1975], Wright [1979] in de marxistische traditie, en van Smith [1965], Banton [1967, 1970:290], Tumin [1969], Van den Berghe [1967] in de conflictsociologische racisme-discussie. Een helder overzicht geeft Katznelson [1972].

Uit het feit dat deze politieke kennisbelangen onverenigbaar zijn, moeten echter geen voorbarige theoretische conclusies worden getrokken. Bijvoorbeeld niet dat feitelijk bestaande, maatschappelijk dominante prestige-ordeningen onbelangrijk zouden zijn voor de verklaring van collectief politiek conflicthandelen (op dit punt heeft het marxisme een blinde vlek — zie hoofdstuk V). En ook niet dat bij het onderzoek van feitelijke dominante prestigehiërarchieën eenvoudig geabstraheerd kan worden van de asymmetrische verdeling van de beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen en de politieke conflictsituatie van een maatschappij (en dit is de blindheid van de dominante academische statussociologie).

Wij sluiten aan bij het eerstgenoemde politieke kennisbelang. Wij hebben dit politieke kennisdoel met opzet normatief neutraal geformuleerd. Men kan namelijk om heel verschillende normatieve redenen geïnteresseerd zijn in de voorwaarden van het ontstaan en de ontwikkeling van politieke handelingscollectieven en hun effecten op gestructureerde sociale ongelijkheid. Men kan de circulatie van elites, de ‘ijzeren wet van de oligarchie’ enzovoort aanvoeren als een bewijs voor een normatief veredelde eeuwige strijd om het bestaan, van de sociale selectie van de besten.*
* In de elitetheoretische traditie wordt vaak geprobeerd om deze pathetische resignatie nog te verhullen als normatieve neutraliteit en gewone wetenschappelijke nuchterheid: Pareto [1915/9], Michels [1957], Mosca [1950], Sorokin [1922, 1947]. De omslag van Van den Berghe van conflictsociologische in sociobiologische racisme-‘theorie’ is hiervoor exemplarisch. Zie ook de normatief onbepaalde, zich zelfreflexief in de staart bijtende ideologiekritiek van Parkin [1979].
Men kan ‘sociaal conflict’ ook zeer globaal behandelen als een voorwaarde voor gewenste sociale dynamiek en als een remedie tegen de verstarrende consequenties van sociale gelijkmakerij [Dahrendorf 1966, 1979 is hiervan het duidelijkste voorbeeld]. En tenslotte kan men sociale ongelijkheid en de programma’s en praktijken van politieke handelingscollectieven meten aan de normatieve doelstellingen van een libertair, democratisch socialisme of communisme.

In de marxistische traditie bleven de normatieve uitgangspunten meestal impliciet en werden nauwelijks pogingen gedaan om ze als zodanig argumentatief te beredeneren. Bij Marx zelf vloeit dit voort uit een historisch gezien begrijpelijke afkeer —maar ontoelaatbaar opgespeelde afweer— van ‘subjectief morele’ discoursen, met name van het discours van de ‘ware’ socialisten. De normatieve blindheid of onderontwikkeling van de marxistische traditie werd terecht, maar met tegengestelde argumenten en consequenties bekritiseerd door Habermas [1973, 1976, 1981], Buchanan [1982], Kolakowski [1976/80] e.v.a. Zie de kritische overzichten en explicatiepogingen van Geras [1984], Leist [1985] en Ludes [1979, 1980, 2012]. Vgl. ook Lukes [1977:100], Unger [1987: 253, 362] en Keat [1981:39, 46].
Ons interesseert gestructureerde sociale ongelijkheid in het perspectief van haar overwinning of voorzichtiger, in het perspectief van de minimalisering van de daaraan verbonden belemmeringen die het realiseren van de gelijke vrijheid van alle individuen in de weg staan. Wij zullen deze normatieve doelstellingen hier niet uitvoerig beargumenteren en van alternatieven afbakenen. Omdat deze normatieve doelstellingen echter bij Marx zelf en in de hele marxistische traditie stiefmoederlijk of helemaal niet werden behandeld, willen we minstens een paar demarcatiepunten aangeven.

  1. In discussies tussen liberalen en socialisten werden en worden (‘politieke’) vrijheid en (‘sociale’) gelijkheid abstract met elkaar geconfronteerd. Deze dichotomie is kenmerkend voor het klassiek-liberale discours en dwingt de keuze op tussen het bekende, door en door misleidende, maar daarom helaas nog niet historisch achterhaalde alternatief: enerzijds ‘juridische en politieke’ onvrijheid en ongelijkheid onder de banier van de ‘socialistische’ sociale gelijkheid, anderzijds ‘juridische en politieke vrijheid en gelijkheid’ onder de voorwaarden van ‘kapitalistische’ ongelijkheid. Kort en duidelijk geformuleerd: ‘vrijheid of socialisme’.
      Dezelfde probleemstructuur beheerst het debat van Alexis de Tocqueville tot Hanna Arendt, van Franz Jozef Strausz tot Jozef Stalin. Een overzicht van de klassieke sociale filosofie geeft Macpherson [1962]. De doorwerking van ‘equality versus liberty’ in de moderne sociologische en politicologische discussies wordt besproken door Van den Berg [1981]. De rechtstheoretische problematiek en grondrecht-interpretatie worden behandeld door Böckenförde [1976] en Preuss [1979].

    De vooronderstelling van een dergelijke ‘keuze’ is, dat vrijheid en gelijkheid elkaar uitsluitende alternatieven zijn. De theoretische blokkades die hierin geïmpliceerd zijn willen wij vermijden door de al eerder aangeduide kritiek op het liberale basisaxioma van de ‘powerlessness of property’ en de ‘propertylessness of power’. Voor een niet-reductionistische benadering is de beschikkingsmacht over ‘juridische en politieke vrijheden’ een belangrijke dimensie van ‘sociale’ ongelijkheid. Voor de normatieve discussie zou er al veel gewonnen zijn, wanneer men niet meer abstract over vrijheid of gelijkheid zou spreken, maar over ‘vrijheden’ en ‘ongelijkheden’.

  2. Wij keren ons tegen de gebruikelijke pogingen om vrijheid en gelijkheid uit elkaar te laten voortvloeien of hiërarchisch te rangschikken.[82] Uit de marxistische traditie zijn hiervan de bekende —en voor de juridische en politieke structuur van socialistische landen desastreuze— voorbeelden:
    • De kritiek op en het belasteren van de zogenaamde louter negatieve vrijheid ten gunste van positieve vrijheid [vgl. kritisch: Berlin 1979], van louter juridische en politieke vrijheid en gelijkheid ten gunste van werkelijke, sociale en economische vrijheid en gelijkheid; van louter formele of louter politieke democratie ten gunste van de ware of sociale democratie enzovoort.
    • De tegenover deze benaderingen expliciet kritische pogingen om de libertates maiores zowel terminologisch als inhoudelijk boven de libertates minores te stellen [exemplarisch: Della Volpe 1978].
    • Het ontkennen van de gevolgen die juridisch-politieke onvrijheden hebben voor de structuur van sociale ongelijkheden zelf.

    Normatieve status van solidariteit
    Vrijheid en gelijkheid zijn geen elkaar uitsluitende alternatieven, maar het zijn ook geen rechtvaardigheidsbeginselen die elkaar simpelweg aanvullen. Bovendien is het normatieve debat in zoverre veel complexer dat in dit verband minstens ook rekening gehouden zou moeten worden met een derde rechtvaardigheidsbeginsel: ‘solidariteit’. De normatieve status van solidariteit is omstreden. Rawls [1971:105] geeft hiervoor twee redenen:
    1. Het solidariteits- of broederschapsbeginsel zou een minder specifiek politiek concept zijn: het definieert op zichzelf geen democratisch recht, maar drukt een bepaalde denkhouding en gedragsvorm uit zonder welke we het zicht verliezen op de waarden die in deze democratische rechten zijn uitgedrukt [Perry 1944; Pennock 1950].
    2. Het solidariteitsbeginsel zou slechts ‘sentimentale gevoelsbanden’ impliceren, en daarom alleen maar relevant zijn voor kleinere samenlevingsverbanden zoals gezinnen of woongemeenschappen. Solidariteit op nationale of mondiale schaal zou een onrealistisch perspectief zijn.
    In veel politiek-filosofische en normatieve uiteenzettingen figureert solidariteit als een soort morele bastaard waarvoor niemand de verantwoordelijkheid wenst te nemen. Rawls heeft een poging gedaan om het solidariteitsbeginsel te integreren in het contractuele model van zijn ‘theory of justice’. Hij herdefinieert het solidariteitsbeginsel als ‘difference principle’. Dat is “het idee van het niet willen hebben van grotere voordelen, tenzij dit in het belang is van anderen die er minder goed aan toe zijn” [Rawls 1971:105]. Zie voor kritieken op zijn benadering: Macpherson [1973] en de bundels van Daniels [1975], Waldron [1984].

    De bekendste knelpunten in de liberale traditie zijn:

    • De expliciete reductie van vrijheid tot ‘negatieve vrijheid van dwang’ [Hayek 1960 e.a.].
    • Het systematische onvermogen en de onwil om de omslag van vrijheid van de een in de onvrijheid van velen, en daarmee de structureel asymmetrische machts- en heerschappijverhoudingen in gezin, school, bedrijf, universiteit enz. ter kennis te nemen, zolang deze door effectieve private beschikkingsmacht zijn gestructureerd. Op deze manier wordt privé-eigendom niet alleen een garantie van sociale ongelijkheid, maar ook van onvrijheid. Dit is de kern van de kritieken op het liberalisme van Marx tot Macpherson.
    • Het ontkennen of bagatelliseren van structurele ongelijkheid als zodanig, en in het bijzonder van de gevolgen die dit heeft voor feitelijk ongelijke en selectieve juridische en politieke kansen. Dit is de kern van de kritieken op de liberale politieke pluralismetheorieën [Schattschneider 1960; Scharph 1975 e.v.a. Ook Robert Dahl 1975, 2006 heeft dit later zelf onderkend].

  3. Hieruit kunnen we de volgende programmatische conclusie trekken: de kritische doelstelling van de gelijke vrijheden voor alle individuen om hun steeds verschillende menselijke vermogens optimaal te kunnen ontwikkelen, zonder dat daaruit privileges ontstaan, moet in veel opzichten nog worden uitgewerkt en tegen de liberale en de socialistische traditie in worden gereconstrueerd [zie de programmatische formules bij Marx [MEW 3:68 e.v; MEW 4:482; MEW 19:19 e.v., 91; vert. Gotha:31. Vgl. ook Tawney 1931; Marshall 1950; Rawls 1971; Macpherson 1973].

    In de marxistische traditie werd, ondanks alle bewuste afbakeningen tegenover eenvoudige gelijkmakerij[87] niet voldoende verklaard in welk opzicht de verschillende individuen als gelijken behandeld moeten worden. Er zou bijvoorbeeld een veel preciezer onderscheid gemaakt moeten worden tussen: (1) het gewenste streven naar gelijkheid van juridisch-politieke en sociale toegangskansen tot vereiste bronnen en gewenste levenskansen, hetgeen absoluut noodzakelijk is om gelijke vrijheid te realiseren[88]; en (2) het streven naar een toestand of resultaat waarin álle bronnen en álle levenskansen gelijk verdeeld zouden zijn. Dit laatste perspectief is niet alleen geheel illusoir, maar ook normatief ongewenst. De illusie van een herwonnen paradijs (waarin tevens de burgerlijke utopie van sociale harmonie is verwerkelijkt) kan immers feitelijk alleen maar —en dan nog alleen maar bij benadering— worden gerealiseerd door extreme terreur (zoals Dahrendorf 1966:34 e.v. terecht heeft opgemerkt). Het gaat immers juist niet om ‘gelijkmakerij’, maar om de totstandbrenging van gelijke kansen om verschillende vermogens van de individuen zo ver te kunnen ontwikkelen, als dit mogelijk is zonder afbreuk te doen aan het gelijke recht en de gelijke kansen van anderen.[89]

    Ruwe gelijkmakerij en differentiedenken
    Marx en Engels waren op dit punt zeer duidelijk en keerden zich tegen elke vorm van gelijkmakerij. In het door de radicale egalitarist Gracchus Babeuf (1760-97) geïnspireerde Manifeste des égaux van 1794 werd de ruwe vorm van gelijkmakerij programmatisch als volgt geformuleerd: “Verdwijn tenslotte, weerzinwekkend onderscheid van rijk en arm, van groot en klein, van meesters en dienaren, van regeerders en geregeerden. Laat er geen ander verschil meer tussen de mensen zijn dan dat van leeftijd en geslacht. Aangezien allen dezelfde behoeften en dezelfde capaciteiten hebben, laat er daarom voor allen voortaan slechts eenzelfde opleiding zijn, eenzelfde voedsel. Zij zijn tevreden met één zon en dezelfde lucht voor allen; waarom zou niet dezelfde portie en dezelfde kwaliteit van voedsel voor iedereen voldoende zijn?”

    De ‘kritiek op het gelijkheidsdenken’ die in het kielzog van het modieuze ‘differentiedenken’ wordt geleverd is wat dit betreft zonder meer misleidend. Elke consequent liberale, democratische en socialistische positie moet zonder compromissen vasthouden aan de gelijkheid van sociale, juridische en politieke toegangskansen, als zij tenminste haar emancipatorische rol niet wil verliezen en tot legitimatielegende van specifieke groepsprivileges wil degenereren. Zonder deze condities kan er geen gelijke vrijheid bestaan.

    Het recht op en de kansen om ‘anders te zijn’, waar het in het ‘differentiedenken’ om gaat, staat dus niet in tegenspraak met het gelijkheidsbeginsel. Onder de genoemde voorwaarden en bij het overwinnnen van ‘nood’ en ‘gebrek’ (zie onder) zou er een pluraliteit van levenskansen, levensstijlen en levenswegen kunnen ontstaan, die verre superieur zou zijn aan de hoogbejubelde individualisering en pluralisering in de ‘vrije maatschappijen van het Westen’. Pas door de verwerkelijking van gelijke toegangskansen zou de vrije ontplooiing van maatschappelijk ontwikkelde individualiteit ‘rechtvaardig’ en niet als privilege van heersende klassen en groepen gerealiseerd worden.

    In de liberale traditie zouden in eerste instantie nog de radicale consequenties van het meritocratische prestatieprincipe getrokken moeten worden. De programmatische eis van de niet alleen juridische, maar feitelijke gelijkheid van kansen zou werkelijk serieus genomen moeten worden. En deze eis zou verdedigd moeten worden tegenover de bekende opportunistische ‘aanpassingen’ van het meritocratische prestatieprincipe aan de zeer stabiele kansenongelijkheid in kapitalistische maatschappijen.

    Vervolgens zouden ook de voorwaarden van dit prestatieprincipe zelf ter discussie gesteld moeten worden, voor zover zij geworteld zijn in het possessieve individualistische mensbeeld met een “restless desire for power after power that ceases only with death” [Thomas Hobbes].

    Burgerlijk gehalveerd liberalisme wordt doorbroken
    Een consequent, niet ‘burgerlijk gehalveerd’ liberalisme is bijvoorbeeld niet meer verenigbaar met familiale erfelijke overdracht van beschikkingsmacht. Dit werd overigens ook in de liberale traditie steeds wel onderkend en geformuleerd (bijvoorbeeld door J.S. Mill; de ambivalenties worden behandeld door Bartsch 1982; zie ook Parsons). Het is symptomatisch hoe in dit opzicht de ‘liberale’ Dahrendorf zich —minstens sinds 1979 - Life Chances— heeft veranderd in een conservatief!

    De radicale consequenties uit het liberale principe van de kansengelijkheid in samenhang met het meritocratische verdelingsprincipe werden zoals bekend al Marx door getrokken in zijn schets van de ‘eerste fase’ van de socialistische maatschappij [MEW 19:19e.v.; vert. Gotha:24 e.v.]. Democratisch-socialistische kritiek op het meritocratische verdelingsprincipe zelf moet zich niet alleen bezig houden met ‘social contingencies’, maar ook met de legitimatie van ongelijke verdeling op de grondslag van ‘natuurlijke vaardigheden’ en talenten, met ’natural contingencies’ [Rawls 1971:72 e.v, 102 e.v.].

    In principe worden de voorwaarden van het liberale prestatieprincipe al ter discussie gesteld met de programmatische formule: ‘ieder naar zijn behoeften’. Althans, wanneer de conceptie die daaraan verbonden is in drie opzichten wordt afgebakend:

    1. Het suum cuique vooronderstelt de gelijke vrijheid van allen ook —en juist— in juridisch en politiek opzicht [Bader e.a. 1976:413].
    2. Behoeften zijn niet per definitie onverzadigbaar en mateloos, en schaarste is dus geen eeuwige natuurconstante. Zij zijn beiden specifiek historisch en maatschappelijk bepaald en toegankelijk voor democratische discussie en kritiek.
    3. Het overwinnen van nood en gebrek is inderdaad een voorwaarde om ‘ieder naar behoeften’ te belonen (daarop heeft Macpherson 1973 in aansluiting bij Marx terecht gewezen). De uitspraak over de rijkelijk vloeiende ‘bronnen van de coöperatieve rijkdom’ [Marx, Gotha:25] hoeft niet noodzakelijk productivistisch worden geïnterpreteerd om ze vervolgens te onderwerpen aan een ecologische kritiek.

    Het normatieve politieke kennisbelang van onze analyse kan dus in de kortst mogelijke vorm als volgt worden geformuleerd: gestructureerde sociale ongelijkheid wordt gethematiseerd in het perspectief van de opheffing en minimalisering van de belemmeringen die de gelijke vrijheden van alle individuen in de weg staan, om hun individueel verschillende vermogens optimaal te kunnen ontwikkelen. In dit perspectief wordt gestructureerde sociale ongelijkheid behandeld als een historisch vergankelijk, te overwinnen of minstens vergaand te reduceren maatschappelijk verschijnsel. Het wetenschappelijk onderzoek wordt hierdoor geconcentreerd op (1) de analyse van het bestaan en de effectiviteit van cruciale maatschappelijke barrières die de gelijke vrijheden van alle individuen in de weg staan om hun verschillende vermogens te ontwikkelen en/of te gebruiken, en (2) op de feitelijke mogelijkheden en strategische handelingskansen om deze barrières te slechten. In dit perspectief beoordelen wij ook de grote politieke handelingscollectieven, hun bewegingen en organisaties. Het vormt het richtsnoer voor onze overwegingen ter ondersteuning van en kritiek op maatschappelijke emancipatiebewegingen.

    Geen maximalisme, geen anarchisme en geen positieve antropologie
    Onze formulering van de doelstelling van een libertair en democratisch socialisme/communisme is weliswaar - bewust - extreem, maar niet illusoir:
    1. Zij moet niet worden verwisseld met de maximalistische formule van ‘de afschaffing van alle sociale ongelijkheid’ inclusief de ongelijkheid van prestige en aanzien. ‘Inequality of status’ (in de zin van prestige) wordt bijvoorbeeld door Beteille (1971:162 e.v) en Shils (1969) terecht beschouwd als geheel onuitroeibaar.

    2. Zij moet ook niet worden verwisseld met de anarchistische programformule van de 'gezagsloosheid': zij bestrijdt democratisch illegitieme, structurele machts- en gezagsasymmetrieën, en niet macht en gezag als zodanig.

    3. Tenslotte is onze doelstelling —in tegenstelling tot Macpherson e.a.— niet afhankelijk van utopische of antropologiserende aannamen over een ‘in principe goede natuur van de mens’. Het lijkt ons verstandiger om bijvoorbeeld nuchter rekening te houden met de veelvuldige ervaringen van de homo humini lupes. Om te erkennen dat dit sociaal-historisch diep verankerde ervaringen zijn die nog steeds een grote uitwerking hebben hoeft men deze ervaringen echter niet te antropologiseren. Programmatisch gezien gaat het er o.i. juist om de doelstellingen van het libertaire en democratische socialisme op een zodanige manier in maatschappijpolitiek te vertalen, dat daarbij niet wordt teruggegrepen op positieve (optimistische) of negatieve (pessimistische) antropologieën. We komen hier in hoofdstuk IV, § 1.2.2 op terug.

Index


4.3 Pro-theorie

In de sociale wetenschappen wordt van een theorie in de strikte zin van het woord terecht verwacht dat ze niet alleen begrippen op een consistente manier definieert en de factoren benoemt die relevant zijn voor de verklaring van het kennisobject. Men verwacht vooral dat ze gefundeerde uitspraken bevat over afhankelijkheidsrelaties tussen deze factoren, dat wil zeggen over functionele, structurele of historisch-causale verbanden. Tenslotte verwacht men dat deze uitspraken in goed afgebakende empirisch toetsbare hypothesen worden samengevat, geoperationaliseerd en in empirisch-historisch onderzoek getoetst worden.

Wat dit betreft kan er in onze opvatting geen sprake zijn van een algemene theorie van sociale ongelijkheid. Hiervoor zijn verschillende redenen:

  1. In de eerste plaats is het kennisobject van zo’n theorie te omvattend. Een algemene theorie zou de verschillende historische maatschappijformaties moeten omvatten en tegelijkertijd een verklaring moeten geven van hun specifieke ongelijkheidsstructuren en ontwikkelingstendensen. Ze zou algemene theorie van de evolutie van sociale ongelijkheid moeten zijn. En ze zou theorie van de specifieke ongelijkheidsstructuren in specifieke gedifferentieerde maatschappelijke verhoudingen of deelsystemen moeten zijn. Dit alles bijeen en dan toch nog consistent, dat is —in ieder geval op dit moment— te veel gevraagd.

  2. De factoren die relevant zijn voor de verklaring van sociale ongelijkheid en collectief handelen zijn zo talrijk, dat ze met de huidige kennismiddelen niet in deze strikte zin theoretisch kunnen worden verwerkt. Voor de logische en theoretische consistentie van theoretische modellen lijkt tot nu toe een zeer hoge prijs betaald te moeten worden, namelijk een drastische reductie van de relevante factoren. Dergelijke modellen verliezen daarmee echter elke historisch-empirische verklaringskracht. Inhoudelijk gezien zijn ze meestal triviaal, ja zelfs banaal. De succesvolle penetratie van speltheoretische modellen in uitbuitingstheorieën en in de ‘logic of collective action’ is hiervan een schoolvoorbeeld.

    Daar staat tegenover dat niet-reductionistische benaderingen vaak verdrinken in een ongelimiteerde en nauwelijks gestructureerde overvloed aan hypothesen en tamelijk willekeurige ceteris paribus-strategieën. Harde consistentie- en toetsingseisen zijn niet —of slechts uiterst moeizaam of beperkt— verenigbaar met niet-trivialiteit en onderzoeksstructurerende kracht [voor de ‘theorieën’ van collectief handelen is dit geconstateerd door: Gurr 1970, Marx/Wood 1975 en Tilly 1978]. We zullen —althans voorlopig— met dit probleem moeten leren leven, want het kan niet in één klap en in geïsoleerde projecten worden opgelost.

  3. Maatschappelijke structuren en ontwikkelingen zijn veel contingenter en diffuser dan gewoonlijk wordt aangenomen in sociaal-wetenschappelijke benaderingen die opereren met wetmatige of wetsachtige verklaringen. Zodra men dit onderkent wordt de mogelijkheid en reikwijdte van dergelijke grand theories dubieus. Men is dan veel vaker genoodzaakt om te zeggen: ‘it depends’.
      Hiermee maken we natuurlijk geen buiging voor een historicistische of narrativistische opvatting van de geschiedenis. Wij verlangen alleen dat bijvoorbeeld de mate waarin maatschappijen feitelijk zijn geïntegreerd [vgl. de kritieken van Bendix 1964, Tipps 1973 en Wehler 1976 op de moderniseringstheorieën] en de grenzen van de structurering expliciet tot onderwerp worden gemaakt van theoretisch reflectie en vooral ook van empirisch-historische toetsing. Zie voor de betekenis van contingentie voor pro(to)-theoretische strategieën: Roberto Unger’s [1987] aanvallen op ‘false necessity’ in zijn Anti-Necessitarian Social Theory.

Dit zijn voldoende redenen waarom er geen sprake kan zijn van een ‘algemene theorie’ van sociale ongelijkheid. Maar we hebben hiervoor ook redenen aangegeven die aannemelijk maken dat het nodig is om sociale ongelijkheden omvattend te behandelen en de onderlinge samenhangen tussen de diverse ongelijkheidsvormen te analyseren. In een dergelijke situatie is al vaker het voorstel gedaan om pro-theorieën te ontwerpen.

Wat moeten dergelijke pro-theorieën nu presteren?

Ten eerste moeten pro-theorieën de basisbegrippen die in theorievorming en onderzoek worden gebruikt verduidelijken en definiëren. Er bestaat geen begripsloze toegang tot het kennisobject en we hebben al gezien dat de alledaagse en wetenschappelijke begrippen heterogeen, inconsistent en tegenstrijdig zijn. Basisbegrippen van sociale ongelijkheid en collectief handelen hebben altijd normatieve referenties: er bestaan geen normatief neutrale begrippen van ongelijkheid, eigendom, macht, heerschappij, uitbuiting, onderdrukking, discriminatie, collectieve identiteit, leiding enzovoort [uitbuiting is dus inderdaad een ‘morally weighted concept’ - Parkin 1979:47]. Deze normatieve referenties vormen op zich geen belemmering voor cognitieve, theoretische en historisch geïnformeerde discussies over begrippen. Normatieve en politieke referenties zijn echter ook niet voldoende informatief voor begripsvorming en probleemstructurering, noch voor theorievorming.

Begrippen bevatten —minstens impliciet en in nuce— altijd theorie [Hempel 1963; Stegmüller 1979]. Daarom kunnen basisbegrippen ook wezenlijk worden beoordeeld op hun consistentie, doelmatigheid, discriminerende en onderzoeksstrategische kracht en hun onderlinge samenhang. Het afbakenen of definiëren van basisbegrip pen is dus geen louter terminologische kwestie.
Rationele argumentatie moet zeker niet worden beperkt tot cognitieve argumentatie. Normatieve argumentaties kunnen even ‘goed’ worden gefundeerd als cognitieve argumentaties. En de kansen om hierover overeenstemming te bereiken zijn zeker niet kleiner [Philipps 1983; Habermas 1981). Maar beide typen van argumentatie moeten niet worden vermengd, zoals bij Schäfer [1978]. Zie de kritieken van Bader [1986, 1980] op Habermas, en op het performatieve discours van Kunneman [1987].
Het gaat erom de normatieve en theoretische referenties expliciet te maken en zich te vergewissen van het historisch gehalte van begrippen. Tenslotte, het zou illusoir zijn om te verwachten, dat er over de definitie van basisbegrippen een normatieve of cognitieve consensus zou kunnen bestaan. Maar er zijn wel mogelijkheden om tot beter wederzijds begrip te komen en er zijn betere en slechtere argumentaties en onderbouwingen.

Ten tweede moeten pro-theorieën het complexe onderzoeksveld overzichtelijk en gedifferentieerd structureren. Deze probleemstructurering vormt zoals gezegd niet alleen de eigenlijke moeilijkheid, maar ook de centrale taak van een pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen. Men kan ‘zonder theorie’ geen probleemstructurering ontwerpen. Daarom moeten de theoretische overwegingen die hierbij een rol spelen worden geëxpliciteerd en plausibel worden gemaakt. Omgekeerd worden theorieën echter nog niet eenduidig vastgelegd door probleemstructureringen. Bij probleemstructureringen gaat het om het onderscheiden van analytische niveaus — hierdoor wordt een gedifferentieerde analyse mogelijk van factoren die relevant zijn voor de verklaringen van sociale ongelijkheden en collectief handelen. Men zou het ontwerpen van probleemstructureringen kunnen vergelijken met het bouwrijp maken van het terrein of met de constructie van steigers met behulp waarvan alternatieve theorieën kunnen worden opgetrokken. Ook bij het ontwerpen van probleemstructureringen moet men geen consensus verwachten. Zij kunnen echter wel de mogelijkheden vergroten om de bestaande meningsverschillen te begrijpen respectievelijk overeenstemming te bereiken over de bestaande meningsverschillen.

De logische status van pro-theorieën is nog niet erg duidelijk en nogal precair.

  1. We weten intussen dat theorieën niet eenvoudig door ‘de ervaring’ worden gefalsifieerd. Dit geldt in nog veel sterkere mate voor pro-theoretische begripsafbakeningen en probleemstructureringen. Zij kunnen niet ‘waar’ of ‘onwaar’ zijn. Zij kunnen zinvoller of vruchtbaarder, doelmatiger enz. zijn, en zij kunnen een grotere heuristische kracht hebben. Hoewel de band met de historisch-empirische ervaring daarmee helemaal verbroken lijkt te zijn is het wel degelijk mogelijk om pro-theorieën historisch geïnformeerd te onderbouwen; en juist met het oog op empirisch onderzoek kunnen zij historisch meer ‘verzadigd’ zijn dan andere (pro-) theorieën.
      Ook de klassieke dichotomie van ‘begripsrealisme’ versus ‘nominalisme’ is eerder een valkuil. Het alternatief voor onhoudbare essentialistische opvattingen, volgens welke begrippen zonder meer ‘het wezen der dingen’ vatten is niet het ongelimiteerde spel van terminologische willekeur. ‘Doelmatigheid’ en ‘heuristisch nut’ creëeren juist de speelruimte voor theoretische argumentatie en empirische controverse, welke zowel door begripsabsolutisme als door subjectivistische en nominalistische interpretaties worden uitgesloten.

  2. Pro-theorieën kunnen gemakkelijk worden opgevat als een wetenschapspolitieke vorm van ‘imperialisme’. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer men meent dat pro-theorieën voorschrijven hoe anderen moeten denken, welke specifieke begrippen ze moeten gebruiken en hoe ze theorieën en onderzoek moeten structureren. Pro-theorieën zijn weliswaar op andere abstractieniveaus geformuleerd dan theorieën en hypothesen voor empirisch-historisch onderzoek, maar ze zijn eveneens principieel feilbaar (fallibilistisch): het zijn ontwerpen of voorstellen die geen enkele aanspraak kunnen maken op een cognitief, laat staan instititutioneel monopolie. Net als theorieën en hypothesen voor empirisch-historisch onderzoek kunnen zij ‘beter’ of ‘slechter’ zijn.

    Pro-theorieën kunnen dus zelf ook worden beoordeeld op het criterium van consistentie, niveau-differentiatie, analytische differentiatie, precisie en op de manier waarop zij complexe kennisobjecten niet-reductionistisch en toch overzichtelijk toegankelijk maken.

  3. Pro-theorieën leggen weliswaar geen theorieën vast, maar bieden wel een aantal criteria om deze te beoordelen. Ten eerste maken zij het mogelijk om theorieën te beoordelen op hun complexiteit en reikwijdte. Zij leggen blinde vlekken bloot in bepaalde theorieën en theoretische tradities. Er zijn soms hele gebieden waarop deze theorieën ‘niet werken’ of waarvan ze zelfs de betekenis helemaal niet als zodanig onderkennen.

    Ten tweede zetten zij theorieën onder druk om expliciete onderbouwingen te geven. Theorieën nemen in de regel een (functioneel, structureel, historisch-causaal) primaat van bepaalde factoren aan. Bijvoorbeeld: strategisch versus communicatief handelen, conflict versus consensus, bronnen versus beloningen, arbeidsverhoudingen versus consumptieverhoudingen, en materiële productieverhoudingen versus politieke verhoudingen. Gedifferentieerde pro-theorieën sporen aan om deze vaak impliciete premissen expliciet te maken, de vaak rudimentaire theoretische fundamenten te versterken of te reviseren, de geldigheidsclaims van theorieën te beperken enzovoort. Zij tonen aan op welke punten er ‘theoretische beslissingen’ worden genomen en of dit bewust en met argumenten gebeurt of impliciet.

    Ook wat dit betreft leiden pro-theorieën zeker niet tot cognitieve eenstemmigheid. Maar ze helpen misschien wel om pseudo-controverses te ontmaskeren en te overwinnen. Op deze manier vergroten zij de kans op beter onderbouwde, werkelijk concurrerende theorieën.

  4. Pro-theorieën kunnen deze functies alleen maar vervullen op basis van zeer vergaande analytische differentiatie en desaggregatie. De door ons voorgestelde theoretische strategie van desaggregatie van probleemcomplexen is in ieder geval voor pro-theoretische doeleinden beter dan andere strategieën [vgl. hiervoor Lenski 1968, Eckstein 1964, en natuurlijk Weber’s strategie van begripsvorming].
    Alleen de analytische strategie van desaggregatie van objectieve levensposities maakt het bijvoorbeeld mogelijk om een nuchtere analyse te geven van beweringen over hun feitelijke homogeniteit/homogenisering versus heterogeniteit/heterogenisering. Vgl. hoofdstuk II, § 4.
    Alleen deze strategie dwingt ons steeds om de theoretische en empirische reden te benoemen die combinaties in relatief hooggeaggregeerde begrippen (zoals productiewijze, maatschappijformatie, klassepositie) noodzakelijk of zinvol maken. Daarbij moet overigens steeds in het oog worden gehouden, dat het hierbij om analytische differentiaties en desaggregaties gaat, die niet mogen worden aangezien voor empirische.
Index

4.4 Pro-theorie waartoe?

Pro-theorieën vereisen dus een aanzienlijke distantie tegenover theoretische tradities en scholen. Zij vereisen dat men bijvoorbeeld tegenover de hiervoor genoemde onderzoeksproblemen [§ 2] een bijna smartelijke afstand neemt. Op grond van onze diagnose van de ‘stand van de discipline’ lijkt het raadzaam om voorzichtig, weloverwogen en bescheiden te werk te gaan en niet te veel ineens te willen bereiken (tenzij men heen en weer wil blijven pendelen tussen ‘inleidingstheorie’ en ‘voetnotengeschiedenis’, tussen ‘slechte sociologie’ en ‘slechte historiografie‘). Daarom vergroten wij in zekere zin de kloof tussen theorie en geschiedenis zodat er ruimte ontstaat om dat wat wij wel willen doen, in ieder geval uitvoerig en gefundeerd te kunnen doen.

De kosten van deze beslissing zijn hoog. Wij zien af van uitvoerige interpretaties van sociaal-statistische data en exemplarische uiteenzettingen van culturen, sociale bewegingen en revoluties. Deze distantie en terughoudendheid is echter nodig om theoretische blokkades en onderzoeksproblemen te overwinnen: ‘Reculer pour mieux sauter’. Onze pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen biedt in vier opzichten vruchtbare aanknopingspunten.

  1. Zij biedt aanknopingspunten voor de constructie van ‘betere’ theorieën. Aan pro-theoretische stellingen is niet zozeer de verwachting verbonden dat zij later in ‘een theorie’ kunnen worden omgezet; zij bieden veeleer oriëntatiepunten voor het theoretisch werk en steunpunten waaraan gespecificeerde deeltheorieën kunnen worden opgehangen [Wiehn 1968:14 e.v.]. Theoretische inzichten in structurele samenhangen en ontwikkelingstendensen kunnen op twee manieren worden verkregen: (i) voornamelijk inductief langs de weg van de (universeel-historische,internationale enz.) vergelijking — zoals in de traditie van Max Weber, of (ii) langs de weg van de analyse van de structuur van maatschappijformaties — zoals in de traditie van Karl Marx. Onze pro-theorie biedt een nuttig referentiekader voor beide strategieën en voor een mogelijke —en gewenste— combinatie. Bovendien kan pro-theorie ook als achtergrond dienen voor de reconstructie en onderlinge vergelijking van belangrijke theorieën.

  2. Onze pro-theorie biedt direct een referentiekader voor empirisch en historisch onderzoek. Men kan bijvoorbeeld —net als wij— van mening zijn, dat de mogelijkheden van een theorie van collectief handelen die voldoet aan de hier voor geformuleerde vereisten zeer klein zijn. Juist dan wordt een pro-theoretisch referentiekader een nuttige leidraad voor het onderzoek van sociale bewegingen en revoluties. Onze pro-theorie biedt basisbegrippen en geeft richting aan het onderzoek via een gestructureerde lijst van factoren die in steeds context afhankelijke verklaringen in ieder geval onderzocht zouden moeten worden. En wel op zo’n manier, dat er bij voorbaat geen algemene uitspraken worden gedaan over het relatieve structurele of causale gewicht van deze factoren. Zolang de ‘theorieën’ die op deze gebieden opereren reductionistisch, ondercomplex of triviaal zijn zou dit nut van een pro-theorie niet onderschat moeten worden.

  3. Ze kan fungeren als cognitief gedifferentieerd referentiekader voor de ontwikkeling van normatieve theorieën van gelijkheid, vrijheid en rechtvaardigheid. Alle procedurele en materiële echtvaardigheidstheorieën bevatten impliciet of expliciet selectief uitspraken over ongelijkheidsrelevante factoren en hun relatieve empirische gewicht of hun betekenis. Net als bij de gangbare cognitieve ongelijkheidstheorieën worden hierdoor sommige relevante problemen helemaal verdrongen, andere worden sterk onderbelicht. Ons pro-theoretisch referentiekader zet dus ook de fundamenten van normatieve theorieën onder druk.

  4. De meeste theorieën van sociale ongelijkheid en collectief handelen zijn niet alleen weinig bruikbaar voor historisch en empirisch onderzoek. Ook voor de alledaagse praktijk van collectieve actoren bieden ze zeer weinig aanknopingspunten en steun.
    Soortgelijke eisen aan de praktische handelingsrelevantie van theorieën van collectief handelen worden geformuleerd door: Tilly [1978], Zald/McCarthy [1979:1 e.v.] en Freeman [1975]. De opvatting over de emancipatorische bijdrage van sociaal-wetenschappelijke kennis zoals die hier is geïmpliceerd werd door Bhaskar [1979:97 e.v. en 1986:169 e.v.] uitgewerkt.
    Dat is met name nogal pijnlijk voor alle theorieën van collectief handelen die terecht vasthouden aan de gedachte dat theorie en onderzoek een emancipatorische bijdrage moet leveren. Wanneer deze ‘theorieën’ al een rol speelden in het historisch proces, zoals bijvoorbeeld in de marxistische traditie het geval was, dan boden ze weliswaar handelingsoriëntaties, maar deze verhinderden vaak een nuchtere analyse van de complexiteit van concrete handelingssituaties. Zij hebben in ieder geval maar bitter weinig bijgedragen aan het vergroten van de cognitieve autonomie en geïnformeerdheid van collectieve actoren en daarmee aan hun handelingsautonomie. Ook op dit punt kan een referentiekader dat weliswaar ‘slechts’ pro-theoretisch maar niet dogmatisch is misschien toch nuttige diensten bewijzen.

© 1996-2017 by Albert Benschop, University of Amsterdam

Voorwoord Index II. Wat is sociale ongelijkheid?

top
Home Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Klassen Zoek Contact

dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Maart, 2010
Laatst gewijzigd: 13 September, 2013