| Inequality & Class | Classes | Subject Areas | Home | Contact |
|---|
Sociale ongelijkheid wordt in het huidige wetenschapssysteem in verschillende academische disciplines behandeld. Filosofen houden zich vooral bezig met normatieve aspecten; economen concentreren zich voornamelijk op veranderingen in de patronen van inkomens- en vermogensverdelingen; politicologen richten zich op de ongelijke machts- en beïnvloedingskansen in het politieke systeem; psychologen behandelen persoonlijke ongelijkheden en - samen met de genetici - feitelijke of vermeende genetische of aangeboren verschillen; antropologen specialiseren zich op sociale ongelijkheden in oudere, tribale maatschappijen en op traditionele segmenten in moderne maatschappijen; historici concentreren zich op de veranderingen van de structuurpatronen van sociale ongelijkheid in verschillende maatschappijformaties, tijdperken en staten; en sociaal-geografen hebben opnieuw de aandacht gevestigd op de ruimtelijke dimensie van sociale ongelijkheid.
Sociologen vormen in zoverre een hoofdstuk apart, dat zij zich in dit opzicht dubbel proberen te profileren. Enerzijds verklaren zij sociale ongelijkheid (of sociale stratificatie) tot het centrale thema van de sociologie als discipline. Sociale ongelijkheid omvat immers alle wezenlijke aspecten van de maatschappelijke orde: de verdeling van goederen en diensten, de machtsverdeling, het waardesysteem en de legitimatielegendes.[2] Anderzijds ontwerpen zij als generalisten theorieën, waarin verschillende aspecten van sociale ongelijkheid worden geïntegreerd en voor synthetiserend empirisch onderzoek toegankelijk worden gemaakt.
Sociale ongelijkheid is een actueel thema. In neo-liberale en neo-conservatieve politieke strategieën wordt er opnieuw gepleit voor ‘meer ongelijkheid’ teneinde ‘meer vrijheid’ tot stand te brengen. Daarmee wordt de politieke voedingsbodem aan de sociaal-wetenschappelijke ideologieën van de open maatschappij, van de ‘genivelleerde middenstandsmaatschappij’ enzovoort onttrokken. De stagnatie in de economische groei van de ontwikkelde kapitalistische industriële maatschappijen en de daarop volgende omslag van dominante politieke strategieën vergrootten de sensibiliteit voor de verbazingwekkende hardnekkigheid en stabiliteit van de structuurpatronen van sociale ongelijkheid, in het bijzonder van de klassenstructuur, zowel op nationale als internationale schaal.[3] Dit dringt ook door in de beoordelingen van onderzoekers.
In de laatste jaren heeft onderzoek naar structurele aspecten van sociale ongelijkheid weer een meer prominente plaats gekregen op de agenda’s van sociale wetenschappers, in het bijzonder van sociologen. Wie zich op dit brede onderzoeksgebied oriënteert komt echter al snel tot de conclusie dat er in vergelijking met andere onderzoeksgebieden een grote onoverzichtelijkheid en diversiteit van tegenstrijdige benaderingen bestaat. Sociale ongelijkheid blijft ook sociaal-wetenschappelijk gezien een uiterst controversieel thema:
Wie zich opnieuw wil bezighouden met een algemene thematisering van sociale ongelijkheid moet hiervoor eerst plausibele redenen aangeven. Wij hebben ons voornamelijk door twee typen overwegingen tot dit project laten verleiden.
We zullen elk van deze thema‘s eerst kort omschrijven en aangeven wat hun politieke relevantie is. Vervolgens wordt geschetst hoe tegenstrijdig deze thema‘s behandeld worden. Tenslotte geven we bij elk van deze punten aan wat er van een pro-theorie van sociale ongelijkheid verwacht mag worden.
Klassen- en stratificatietheorieën lijken zich vooral te concentreren op ‘sociale’ ongelijkheden van de eigendom (nl. van materiële produktiemiddelen) en van het prestige - welke onderscheiden worden van ‘politieke’ ongelijkheden. Elite-theorieën lijken daarentegen primair gericht te zijn op ongelijkheden van de ‘macht’, en met name op ongelijkheden van de organisatorische en politieke macht. Beide taal- en theorietradities geven een eenzijdig en misleidend beeld van gestructureerde ongelijkheid in de burgerlijke maatschappij; bovendien vormen zij een belemmering voor de analyse van voor-burgerlijke en post-burgerlijke maatschappijen.
Nu zijn er natuurlijk ook auteurs geweest die het liberale basisaxioma en de daarin geïmpliceerde legitimaties van het kapitalisme hebben bekritiseerd.[6] Maar ook zij zijn er in hun formuleringen meestal niet in geslaagd zich te onttrekken aan de terminologische ambiguïteiten en inhoudelijke kortsluitingen van deze rivaliserende taal- en theorietradities.[7] Bij hun behandeling van de samenhang tussen de ‘economisch’ en ‘politiek’ heersende klassen of van de relaties tussen ‘politieke’ en ‘economische’, ‘militaire’, ‘culturele’ elites lijken zij stelselmatig te worden meegezogen door de taalcultuur van de benaderingen die zij willen kritiseren.
De moeilijkheden met het gebruik van de begrippen ‘economie’ en ‘politiek’ in de analyse van voor-burgerlijke maatschappijen zijn bekend.[8] Daarom concentreren we ons hier op de specifieke problemen in de analyse van laat-burgerlijke en etatistisch-socialistische maatschappijen.
In laat-burgerlijke maatschappijen zijn de omvang, betekenis en reikwijdte van staatsinterventies sterk toegenomen. De omvangrijke staatsinterventies en regulatiepogingen van het economische reproduktieproces zijn in verschillende theoretische tradities aan de orde gesteld.[9]
Door de overheidsregulatie van arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen, de verstatelijkte loon- en inkomenspolitiek, subsidiepolitiek, geld- en credietpolitiek worden de bestaande ongelijkheidsverhoudingen niet alleen gemodificeerd; er lijkt tevens een nieuw ‘politiek systeem van stratificatie’ te ontstaan, dat nieuwe dispariteiten schept op tal van vitale gebieden. Analytische modellen waarin de feitelijke klassenstructuur en de empirische machtsverhoudingen tussen klassen en belangengroepen worden behandeld alsof het om ‘voorpolitieke’ maatschappelijke verschijnselen gaat die de ‘basis’ vormen van de ‘politieke bovenbouw’ zijn hierdoor een anachronisme geworden [vgl. Offe 1972: 66-68]. De structurering van sociale ongelijkheid en van belangengroepen zijn door en door politiek bemiddeld.[10]
De politieke mechanismen van stratificatie worden met name zichtbaar bij de uitwerkingen van de sociale of ‘verzorgingsstaat’: door de ontwikkeling van de verstatelijkte sociale zekerheids- en dienstverleningssystemen is de samenhang tussen posities in het maatschappelijke arbeidsproces, monetair inkomen en de feitelijke sociale levenskansen losser geworden.[11]
Sociaal-structureel gezien heeft de ontwikkeling van de verzorgingsstaat een dubbel effect opgeleverd. Enerzijds zijn er nieuwe inkomenscategorieën ontstaan, die hun revenuen niet direct verkrijgen uit de ruil van arbeidskracht of geldkapitaal (als lonen of winsten) en die ook niet meer rechtstreeks afhankelijk zijn van primaire inkomenstrekkers. Hun inkomensbronnen zijn veeleer direct politiek geconstitueerd: zij ontvangen hun inkomens op basis van rechtsaanspraken op transferbetalingen van de staat. Hoe deze categorieën begripsmatig moeten worden gethematiseerd en hoe zij zich verhouden tot andere inkomensklassen is omstreden.[12] Anderzijds wordt de klassen- en stratificatiestructuur op minstens drie manieren indirect door de verzorgingsstaat gemodificeerd: (1) door de groei van loonarbeid in (semi)overheidsdienst, (2) door de transfer-effecten van het sociale zekerheidsstelsel, en (3) door de effecten van sociale voorzieningen (zoals onderwijs, gezondheidszorg, sociale woningbouw enz.). De vraag in welke richting deze modificaties gaan en hoe ver en diep zij reiken, wordt niet eenduidig beantwoord:
Ook de analyse van de klassen- en heerschappijverhoudingen in etatistisch-socialistische maatschappijen wordt geblokkeerd door het klassieke beeld van de scheiding tussen maatschappij en staat, tussen economie en politiek. De sociale ongelijkheidsverhoudingen zijn in deze maatschappijen veel directer politiek geconstitueerd:
"Dort wo die Veränderungen der sozialen Struktur in größerem oder kleinerem Maße von den Entscheidungen der politischen Autorität gelenkt werden, sind wir von den Gesellschaftsklassen in der Interpretation von Marx, Veblen, Ward oder Weber weit ertfernt, von den Klassen die als von den Produktionsverhältnissen, oder auch (...) von den Marktverhältnissen bestimmte Gruppen verstanden werden" [Ossowski 1957/ 1962:225].
In de staatssocialistische maatschappijen is zowel de verdeling van bronnen via markt- en ruilprocessen als het in de strikte zin private eigendom van de produktiemiddelen zeer sterk teruggedrongen. Voeg daarbij de juridische of feitelijk ‘leidende’ rol van dé partij in systemen van heteronome politieke democratie en we staan voor begripsmatige en theoretische problemen, die met de traditionele ongelijkheidstheorieën niet adequaat kunnen worden opgelost. De marxistische traditie heeft op dit punt bijzondere moeilijkheden. De klassieke socialistische arbeidersbeweging werd al langer voor de voeten geworpen dat zij opereerde met veel te eenvoudige, zo niet ‘harmonische’ socialisme-modellen. Daardoor had zij weinig oog voor de nieuw ontstane sociale en politieke ongelijkheid in het gerealiseerde socialisme. Deze kritiek richtte zich met name tegen het gezag van een nieuwe, niet democratisch gecontroleerde elite van partijpolitici. De macht van deze nieuwe elite kon enorm toenemen, juist omdat de voor de burgerlijke maatschappij kenmerkende ‘pluralisering van de elites’ in staatssocialistische maatschappijen verdwenen is. Hierdoor was deze nieuwe partijpolitieke elite in staat om het totale maatschappelijke leven van de burgers tot in alle details te bepalen en te controleren.[14] Om politieke redenen duurde het behoorlijk lang voordat in deze traditie werd erkend, dat dit socialisme niet het overwinnen van alle vormen van gestructureerde ongelijkheid teweeg brengt, maar nieuwe vormen en structuren van ongelijkheid genereert. De vraag hoe deze het beste onderzocht kunnen worden bleef omstreden.[15] Vooral de volgende vragen waren en zijn twistpunten:
Om deze problemen goed te kunnen behandelen moeten de beperkingen worden overwonnen die voortvloeien uit het feit, dat de dominante theorieën van sociale ongelijkheid bij hun begripsvorming uitgaan van een geïdealiseerd model van burgerlijke scheiding van maatschappij en staat. Voor onze pro-theorie van sociale ongelijkheid betekent dit dat zij in meerdere opzichten algemeen moet beginnen:
We kunnen hier geen overzicht geven van al deze debatten. We zullen alleen proberen een aantal eisen te formuleren, die het mogelijk maken om de genoemde problemen vruchtbaarder en genuanceerder te behandelen dan dit vanuit de heersende theoretische benaderingen tot nu toe mogelijk is.
In
plaats daarvan zouden we ons moeten afvragen: wie beslist juridisch of
feitelijk waarover, in welke mate en binnen welke grenzen? Op deze manier
wordt het mogelijk om in te gaan op de differentiatie, delegatie en
limitatie van specifieke beschikkingsmachten en neemt men afstand van
de eenvoudige polariteit: ‘full control’ en ‘no control’. Dit zijn
namelijk alleen maar de twee extreme polen van een scala, welke empirisch
nooit echt gerealiseerd zijn en waarschijnlijk ook nooit gerealiseerd
kunnen worden. Maar deze extreme polen stonden wel in het centrum van de
liberale politieke filosofie en maatschappijtheorie (‘absoluut
privé-eigendom’) en van de absolutistische staatstheorie
('plenitudo potestatis'). Deze politieke-ideologische overdrijvingen
hebben de nuchtere sociaal-wetenschappelijke analyse van de feitelijke
verdeling van beschikkingsmachten zeer lang geblokkeerd.
Dit is het
duidelijkst zichtbaar in de analyses van voor-burgerlijke
maatschappijen.[20] Maar deze overdrijvingen spelen
natuurlijk ook een belangrijke rol in de analyses van het zgn. kapitalisme
van de vrije concurrentie, van zogenaamde absolute monarchieën,
alsmede van de juridisch-politieke beslissingsverhoudingen in
parlementaire democratieën en van de juridische en feitelijke
verdeling van beslissingscompetenties in complexe 'economische'
produktie-eenheden (in het kapitalisme en het socialisme). En zij
frusteren wel zeer in het bijzonder analyses van de feitelijke machtsverdeling in socialistische maatschappijen, waarin in ieder
geval de juridische betekenis van het privé-eigendom is
teruggedrongen ten gunste van de verschillende vormen van collectief
(coöperatief, communaal en staats-) eigendom.
In samenhang met de grote stijging van structurele werkloosheid in de laatste vijftien jaar zijn hierdoor nieuwe vormen van 'arbeidsloos inkomen' sterk toegenomen. Betekent dit nu dat langzamerhand de arbeid uit de 'arbeidsmaatschappij' verdwijnt? Leiden deze processen tot een 'erosie van het verwervingsprincipe'? Verliest hierdoor de betaalde beroepsarbeid haar centrale rol in de structurering van sociale levenskansen? En verliezen daarmee de arbeidersklasse en de (organisaties van de) arbeidersbeweging hun structurele strategische positie? Al deze vragen zijn theoretisch en empirisch heftig omstreden.[23]
Om deze vragen op een zinvolle manier theoretisch te kunnen concipiëren en empirisch te onderzoeken is een pro-theoretisch referentiekader nodig. Een referentiekader dat breed genoeg is voor het thematiseren van:
Onder invloed van de marxistische traditie werd in de klassieke socialistische en communistische arbeidersbeweging een concept geformuleerd van omvattende of integrale bevrijding van al degenen die worden uitgebuit, onderdrukt en gediscrimineerd. Haar pretentie was om op deze grondslag alle emancipatorische bewegingen te kunnen bundelen en te leiden. Nu was deze pretentie historisch nooit onomstreden. Zij lijkt echter tegenwoordig haar legitimiteit en organiserende kracht verloren te hebben. Naast de arbeidersbeweging en tegen haar organisaties zijn er 'nieuwe' sociale emancipatiebewegingen ontstaan en 'oude' gereactiveerd. Dit bewijst op z'n minst dat deze integrale bevrijdingspretentie van het socialisme niet (meer) wordt geaccepteerd door belangrijke delen en representanten van de bewegingen die haar juist zouden moeten dragen, willen haar normatieve doelstellingen en strategieën van georganiseerd politiek handelen enige historische kracht ontwikkelen. Vanuit de ecologiebeweging wordt de arbeidersbeweging voor de voeten geworpen, dat zij star vasthoudt aan het geloof in de progressiviteit van ontwikkeling van de produktiekrachten en voorbijgaat aan de toenemende bedreiging van de natuurlijke grondslagen en kringlopen van de reproduktie. Vanuit de rijk geschakeerde 'alternatieve' bewegingen, waarin nieuwe leef- en samenlevingsvormen, identiteiten en zelfverwerkelijking worden beproefd, wordt de arbeidersbeweging voorgehouden dat ze het heersende 'prestatiedenken' reproduceert, dat ze 'macht' organiseert in plaats van het 'machtsdenken' te ontmaskeren, dat ze het emotioneel onderdrukkende patriarchale of 'burgerlijke' kerngezin in stand houdt en verdedigt enzovoort. Vanuit de diverse bewegingen van ascriptief gediscrimineerde groepen (de vrouwen-, jongeren-, bejaardenbewegingen, de regionale en taal bewegingen, de bewegingen van culturele, etnisch-nationale en religieuze 'minderheden', de bewegingen tegen racisme, nationalisme, kolonialisme en imperialisme) wordt de arbeidersbeweging voor de voeten geworpen, dat ze uitsluitend of hoofd zakelijk bezig is om de belangen te behartigen van specifiek geprivilegieerde (mannelijke, blanke, enz.) delen van de arbeidersklasse in internationaal onder drukkende en uitbuitende staten.
Wat 'socialisme' ook verder nog moge betekenen, in het politieke discours en in de politieke praktijk van deze bewegingen betekent het niet meer - en al helemaal niet automatisch - de 'bevrijding van de vrouw', het einde van alle ascriptieve onderdrukking en discriminatie, of een voor de mensheid levenswaardig milieu.[38]
Of deze verwijten terecht zijn zullen we hier niet bespreken. We noemen slechts de kwesties die in de discussie over 'nieuwe' sociale ongelijkheden omstreden zijn:
Ook auteurs die kritisch staan tegenover dergelijke globale diagnoses en de daaruit resulterende 'therapieën' komen soms op grond van heel andere overwegingen tot een vergelijkbaar resultaat. Tegenover de opvatting dat de samenhang tussen klasseposities, levensstijlen en leefculturen inmiddels in vergaande mate ontkoppeld zou zijn, probeert bijvoorbeeld K.U. Mayer juist aan te tonen, dat de verdelings-, interactie- en de reputatie- of waarderingsorde in hoogontwikkelde burgerlijke maatschappijen 'structureel geconsolideerd' zijn (Mayer 1987, 1976). Hij combineert deze kritiek echter met een nieuwe, politiek-sociologisch gemotiveerde disjunctie tussen klassen en politiek handelen. Daarbij gaat hij uit van de veronderstelling, dat de betekenis van 'sociale klassen' in het algemeen permanent afneemt tegenover politieke handelingscollectieven zoals 'grote organisaties en instellingen' (1987:382, 388). Nu lijkt het ons in het algemeen niet omstreden dat organisaties (zoals belangenorganisaties en politieke partijen) een belangrijke betekenis hebben voor collectief politiek handelen. Controversieel is echter wel de eenzijdige oligarchie- of elitetheoretische interpretatie van de relatie tussen sociale klassen en groepen, sociale en politieke bewegingen enerzijds en organisatie en leiders van bewegingen anderzijds.
Wij bewegen ons daarmee op het snijpunt tussen gestructureerde sociale ongelijkheid en collectief politiek handelen, welke in dit boek centraal staat. Ook wat dit betreft kunnen er weer twee minimale eisen worden geformuleerd waaraan een pro-theoretische benadering moet voldoen:
Systematische beschrijvingen van sociale ongelijkheid bevatten uitvoerige catalogiseringen van de wijze waarop 'begerenswaardige zaken' in de samenleving zijn verdeeld. Soms lijkt daarmee het diffuse en chaotische beeld van 'de republiek der sociale ongelijkheid' alleen maar gereproduceerd te worden. Het louter botaniseren van ongelijkheidsfenomenen levert als zodanig immers nog geen inzicht in de hieraan ten grondslag liggende structurele en ontwikkelingstendensen. Over de manier waarop structurele ontwikkelingspatronen van sociale ongelijkheid geanalyseerd kunnen worden lopen de meningen sterk uiteen. Het diffuse en chaotische oppervlaktebeeld van de sociale ongelijkheid lijkt zich te weerspiegelen in de veelvoud van diagnoses, en we kunnen daar direct aan toevoegen: ook in de voorgestelde therapieën.
Wanneer er al iets kenmerkend is voor de 'stand van de discussie', dan is het wel het vergaande gebrek aan terminologische en inhoudelijk overeenstemming. Men kan het niet eens worden over de vraag wat voor bepaalde problemen de relevante data zijn, wat ze 'zeggen', en hoe men ze kan verzamelen. Men kan het vooral niet eens worden over de vraag wat de relevante problemen zijn en hoe deze theoretisch moeten worden benaderd. Meestal begrijpt men elkaar niet eens. Nu is dit zeker geen toevallig gebrek aan overeenstemming. Het is al zo oud als het sociale ongelijkheidsonderzoek zelf.[45]
We willen dit hier kort demonstreren voor basisbegrippen die in theorieën en empirisch onderzoek worden gebruikt (par. 3.1), voor de structurering van het probleemveld in 'dimensies' of 'analyseniveaus' (par. 3.2), de betreffende theorieën en deeltheorieën (par. 3.3) en voor de verhouding van theorieën en empirisch-historisch onderzoek (par. 3.4).
In de sociaal-wetenschappelijke literatuur zijn bijvoorbeeld zoveel klassebegrippen in omloop, dat men zelfs bij een oppervlakkig overzicht al op grote problemen stuit. Het vinden van een deugdelijk categoriseringsprincipe levert al grote moeilijk heden op.[46] Enerzijds werd het begrip klasse vooral in de 18e en 19e eeuwse literatuur gebruikt als een contrastbegrip van standen en kasten. Klassen zouden kenmerkend zijn voor burgerlijke maatschappijformaties (of: 'marktmaatschappijen') in onderscheid van 'feodale' en andere voor-burgerlijke maatschappijen (vgl. Herrnstadt 1965; Calvert 1982). In de 20e eeuw werd deze beperkte betekenis van het klassebegrip ook tegenover laat-burgerlijke en post-burgerlijke maatschappijen uitgebreid. Anderzijds werd en wordt klasse ook gebruikt als een meer algemeen historisch basisbegrip dat meerdere of alle maatschappijformaties omvat. In beide betekenissen kunnen klassen refereren aan:
Een zuiver terminologische strijd over 'de juiste definitie' is zinloos. Maar het lijkt soms zelfs al te veel gevraagd om te voldoen aan de eenvoudige eis van Geiger, om tenminste theorie-intern consistente begrippen te gebruiken en 'quaternio terminorum' te vermijden.[47]
Ook het begrip stand blijkt bij nader inzien tamelijk complex en is vol verschillende, elkaar overlappende en tegensprekende betekenissen. Net als klasse wordt ook dit begrip enerzijds opgevat als een begrip dat refereert aan een specifieke maatschappijformatie (feodale 'standenmaatschappij') en anderzijds als universeel begrip dat meerdere of alle maatschappijformaties omvat. Als algemeen begrip refereren 'standen' vooral aan: (1) 'distributieve' inkomens- of consumptiegroepen, (2) groepen die gekenmerkt worden door verschillende bijzondere arbeids-, consumptie-, vrijetijdsstijlen of nog breder, door verschillende levensstijlen; (3) primaire intieme interactiegroepen, die gekenmerkt worden door convivium, connubium, commensaliteit; (4) referentiegroepen; (5) specifiek conventioneel of juridisch naar buiten toe gesloten groepen; en (6) de meest uiteenlopende combinaties van deze betekenissen.[48]
Wat we hier aan de hand van het begrip 'klasse' en 'stand' hebben geïllustreerd geldt ook voor vergelijkbare begrippen zoals 'kaste', 'elite' en 'status groep'[49], en voor basisbegrippen zoals 'macht', 'heerschappij', 'beschikkingsmacht' en 'eigendom'.
Het enige waarover men het oppervlakkig eens lijkt te zijn is dat het om een complex onderwerp gaat en dat daarom eendimensionale benaderingen moeten worden afgewezen.[51] De schijnbare eenduidigheid van deze afgrenzing vervluchtigt echter al snel als we nagaan welke verschillende problemen men op het oog heeft met de ruimtelijke metafoor 'dimensies'. Benaderingen kunnen eendimensionaal worden genoemd wanneer daarin sociale ongelijkheid gereduceerd wordt tot:
Theoretische benaderingen zijn bovendien eendimensionaal wanneer zij alleen maar rekening houden met specifieke mechanismen van toeëigening en overdracht van beschikkingsmacht, of abstraheren van specifieke typen van stabilisatie en garantie van ongelijkheid; wanneer zij ongelijkheid alleen maar behandelen op maatschappelijk niveau of op het niveau van de organisatie of persoonlijke interactie; wanneer zij abstraheren van ongelijkheden van de habitus en van de cultuur, of van de ervaringen en definities van ongelijkheid.
In een dergelijke formele betekenis moeten natuurlijk alle enigszins bruikbare theoretische benaderingen van sociale ongelijkheid meerdimensionaal zijn. Dit is echter geen 'superieur inzicht', het is slechts een uitgangspunt dat ons voor niet geringe moeilijkheden stelt. Op deze manier krijgen we immers wel een complex beeld van sociale ongelijkheid, maar misschien zelfs een overcomplex - in ieder geval onoverzichtelijk en ongestructureerd - beeld. Wie op dit onderzoeksgebied aan theorievorming wil beginnen zou daarom eerst duidelijk moeten maken (1) in welk opzicht en met welke theoretische argumenten men welke dimensies kan onderscheiden, (2) hoe deze dimensies met elkaar samenhangen en waar theoretische en empirische analyse zouden moeten aanvangen. Aan deze lastige vragen kan men alleen maar voorbij gaan als men van mening is, dat men overal kan beginnen en alles simultaan kan onderzoeken.
Hierin ligt ons inziens de grootste zwakte van de bestaande 'theorieën over sociale ongelijkheid' en het eigenlijke probleem. De bestaande theoretische structureringen van 'dimensies' en 'analyse-niveaus' van sociale ongelijkheid zijn niet alleen heterogeen (bijv. de klassieke trias: 'class-status-power').[52] Zij zijn vaak ook intern inconsistent.[53] Het grootste probleem is echter dat zij niet duidelijk maken in welk opzicht deze 'dimensies' van elkaar worden onderscheiden. Wat men onder 'dimensies', 'niveaus', onder 'oorzaken, criteria, vormen en werkingen' (Wiehn), onder 'soorten', 'typen', 'structuurvormen', 'grondslagen' van sociale ongelijkheid moet verstaan, wordt in hoge mate overgelaten aan de fantasie en de alledaagse connotaties van de lezer. Er zijn op dit ogenblik geen begrippen en probleemstructureringen die kunnen rekenen op een minimum aan verstaanbaarheid. En toch wordt zonder dergelijke structureringsvoorstellen de onoverzichtelijkheid van sociale ongelijkheid en de verwarring steeds weer opnieuw gereproduceerd.
a) Theoretische discussies over gestructureerde sociale ongelijkheid werden in hoge mate gekenmerkt door het abstract tegenover elkaar stellen van verschillende benaderingen, richtingen en scholen. Theoretische debatten fungeerden meer ter afgrenzing of politieke ontmaskering dan ter verheldering van diverse kennis belangen en analysestrategieën. Hierdoor werd de ruimte voor nuchter wetenschappelijk onderzoek aanzienlijk beperkt. Vooral debatten over klassen- en stratificatietheorieën werden en worden helaas nog steeds vertroebeld door een imposante reeks - tot routine geworden - misverstanden. Elke dominante theoretische benadering trad naar voren met imperialistische claims op wetenschappelijkheid. Het tijdperk van de 'paradigmatische imperialismes' (Strasser) is voorbij. We verkeren tegenwoordig in een periode waarin eerder sprake is van 'ongeregelde concurrentie' tussen rivaliserende theoretische benaderingen. De dichotomiserende logica van intellectuele rivaliteit is echter niet doorbroken nu het theoretisch-politieke getij is gekeerd. Veel van de oude dichotomieën die de kennisprogressie in de richting naar complexere theorieën van sociale ongelijkheid hebben verhinderd worden voortdurend gereproduceerd.[56]
Het lijkt nog steeds te gaan om exclusieve alternatieven tussen structuur- en handelingstheorieën, conflict- of consensustheorieën, klassen-, elite- of stratificatietheorieën, interactie-, organisatie- of maatschappelijke macrotheorieën, functionalistische systeemtheorieën of fenomenologische respectievelijk symbolisch interactionistische theorieën, machts- of eigendomstheorieën en dergelijke. En inmiddels hebben zich zogenaamd 'nieuwe' exclusieve alternatieven aangediend: 'sociale sluitingstheorieën' of positionele structuurtheorieën, coherentie- of differentiatietheorieën enzovoort. Meestal leiden dergelijke dichotomieën niet tot nieuwe inzichten omdat het slechts gaat om louter polariserende antwoorden op verkeerd gestelde vragen.[57] Het cognitieve onbehagen dat dergelijke dichotomiseringen zouden moeten oproepen weegt kennelijk niet bij iedereen op tegen het 'comfort van de profilering' dat daarmee nog altijd verbonden lijkt te zijn.[58]
Er is een beter inzicht ontstaan in de normatieve en politieke kennisbelangen die een rol spelen in theorievorming en empirisch onderzoek. Maar dit inzicht wordt zelden toegepast op de specifieke eigen wetenschapspolitieke belangen van de producenten van 'nieuwe paradigmata' en hun lang niet altijd of overwegend cognitief produktieve rol.
b) Kennis van normatieve en politieke referenties van het ongelijkheidsonderzoek betekende het 'einde van de onschuld' van deze sociologie. Er zijn verfrissende oproepen gedaan voor een ook in dit opzicht 'zelfreflexieve sociologie'. Deze kunnen echter gemakkelijk in twee doodlopende straten voeren. Enerzijds kan de kritiek op pseudo-cognitief versluierd normativisme en 'wetenschappelijk' gemaskeerde politieke interventies worden geradicaliseerd in concepties van een openlijke 'politieke', 'subjectieve' of 'partijdige' sociologie (Parkin, Philipps e.a). Daarmee wordt echter precies de ruimte prijsgegeven waarin een relationeel cognitief autonome sociologie van sociale ongelijkheid kan bestaan. Anderzijds tekent zich ook in de ongelijkheidstheorie een vlucht in de wetenschapsgeschiedenis en wetenschapssociologie af (Kreckel 1985a en in tendens ook Berger1987).[59] Impliciet of zelfs programmatisch wordt daarmee de ontwikkeling van theorieën van sociale ongelijkheid vervangen door een 'sociologie van de sociologie van sociale ongelijkheid', welke niet meer in staat is om de eigen positie theoretisch te onderbouwen.[60]
De kennisbarrières van de altijd nog heersende theoretische dichotomisering moeten worden doorbroken. Dit betekent echter niet dat we de rivaliserende theorieën zelf direct kunnen integreren.[61] Het gaat er veeleer om de vruchtbare perspectieven en cognitieve 'kennis-brokken' te bevrijden uit de belemmerende logica van de heersende rivaliteit.[62] Door deze deconstructiearbeid moeten de al te eenvoudige beelden van sociale ongelijkheid in het ongelijkheidsonderzoek worden vernietigd. Het loslaten van de bedrieglijk simpele cognitieve oriëntatie functie die dergelijke dichotomieën vervullen moet in eerste instantie ook gericht verwarren. Hopelijk leidt de beoogde onzekerheid niet tot totale desoriëntatie ('nieuwe onoverzichtelijkheid'), maar opent dit de blik voor patronen van sociale ongelijkheid die achter naïeve ordeningsschema’s schuilgaan. Niet het verdrinken in ongelimiteerde complexiteit is het doel, maar het ontwerpen van een systematisch referentiekader dat recht doet aan de complexiteit.
Het ontwerp van een dergelijk referentiekader vereist explicatie van de eigen normatieve en politieke kennisbelangen (zie par. 4.2). Het vereist echter ook dat men voldoende afstand houdt van overgepolitiseerde debatten en van theoretisch en empirisch ongeïnformeerd normativisme. De frontlijnen van de normatieve en politieke debatten en confrontaties lopen zeker niet parallel met die van de strijd over basisbegrippen en theorieën. Bovendien worden theorieën, begrippen en onderzoeksstrategieën niet volledig vastgelegd door normatieve beslissingen. Wij willen in ieder geval ruimte houden voor zelfreflexief en cognitief relationeel autonoom onderzoek (vgl. exemplarisch: Keat 1981:39 e.v, met name p. 56 e.v.).
Aan het ontwerp van een dergelijk referentiekader verbinden wij de misschien naïeve hoop, dat het mogelijk is over de grenzen van de 'kampen' heen verstaanbaar te worden, iets mee te delen, theoretisch te 'converseren'. Daarvoor is het nodig, dat men verschillende benaderingen serieus neemt en elkaar op een wellicht heel 'ouderwets' pathetische manier wil begrijpen. Wij verbinden daarmee niet de hoop op een rationele consensus en al helemaal niet op 'de' algemene theorie van sociale ongelijkheid. Gezien de sterk uiteenlopende normatieve en politieke kennisbelangen, de verscheidenheid van theoretische perspectieven, en vooral ook gezien de enorme breedte van het kennisobject is een gemeenschappelijke 'algemene theorie' niet mogelijk (en ook niet vereist). Wij hebben onze hoop dus eerder gevestigd op gefundeerde meningsverschillen en rationele controverses dan op pseudo-consensus en schijncontroverses waarvan de hardnekkigheid vooral gebaseerd is op het feit dat men systematisch langs elkaar heen praat: 'veel geschreeuw en weinig wol'. Er zou al veel gewonnen zijn wanneer we met betere argumenten van mening verschillen. Niet de controverses zijn immers scandaleus. Zij zijn in ieder geval het brood van de wetenschappers - ook al zijn ze dat niet zonder meer voor 'de wetenschap' (zij bevorderen niet altijd de progressie van cognitieve kennis). Wij hopen dus een bijdrage te kunnen leveren aan de cognitieve rationalisering van de meningsverschillen.
De kloof tussen sociologie en geschiedenis is lange tijd spreekwoordelijk geweest en deze situatie is vaak betreurd. Dat gebeurde met name door historici die werken aan vergelijkende analyses van lange termijnveranderingen van de sociale structuur, en die alleen al daarom - in tegenstelling tot de eerder narratief georiënteerde historici - een grotere theoriebehoefte hebben.[64] Dezelfde geluiden hoort men ook regelmatig vanuit de hoek van auteurs die zich bezighouden met sociologisch en politicologisch georiënteerd bewegingsonderzoek[65] en met vergelijkend sociaal-historisch onderzoek naar collectieve acties, bewegingen en revoluties.[66]
Theorie en empirisch-historisch onderzoek staan lang niet altijd in een zinvolle wisselwerking met elkaar. Zij vervullen vaak retorische en legitimerende functies ten opzichte van elkaar, volgens het heersende devies: 'Theorie is iets voor de inleidingen en empirie is voor de voetnoten'.[67] Verantwoordelijk voor deze situatie zijn enerzijds de van oudsher ingeroeste grenzen tussen de verschillende 'disciplines' in de sociale wetenschappen (die zelf het produkt van intellectuele rivaliteit zijn). Anderzijds is het ook een gevolg van de heersende wetenschappelijke socialisatiepatronen en wetenschapsculturen: ze kweken zowel empirisch-historisch ongeïnformeerde 'theorieconstructeurs' als theoretisch ongeïnformeerde 'empirische en historische onderzoekers'. Om deze conventionele, maar kunstmatige disciplinegrenzen te legitimeren wordt er steeds een beroep gedaan op passende objectbegrenzingen (bijv. 'het verleden') en methoden (bijv. 'kwalitatieve', 'narratieve' enz.).[68]
De distantie tussen de generaliserende 'sweeping statements' van theoretici en de bedrijfsblinde, computergestuurde datamanipulaties van empiristen kan gemakkelijk worden gedemonstreerd aan de hand van de controverses die we hiervoor hebben geschetst.
In de gegeneraliseerde - en alleen al daarom voor politiek gebruik zeer geschikte - uitspraken over de stabiliteit respectievelijk het af- of toenemen van 'de ongelijkheid' ontbreekt bijvoorbeeld elke zinvolle vergelijkingsmaatstaf. Er is namelijk geen maatstaf op grond waarvan men de verschillende bronnen en beloningen kwantitatief zou kunnen vergelijken (we komen later terug op de pogingen om 'geld' en 'prestige' te gebruiken als de universele valuta van het ongelijkheidsonderzoek).
Een globale inventarisatie van empirische studies van de ongelijkheid van inkomens- en vermogensverhoudingen laat de enorme problemen zien m.b.t. de beschikbaarheid, vergelijkbaarheid, validiteit en betrouwbaarheid van de data zelf; een grote heterogeniteit van verdelingsbegrippen (personele, functionele, sociale verdelingen), van maatstaven die worden gehanteerd (absolute of relatieve; decielen, Gini- en Theil-coëfficiënten enz.). Maar vooral de problemen met betrekking tot de gehanteerde indicatoren en interpretaties: wat zeggen de onzekere en omstreden data bijvoorbeeld over veranderingen van de 'klassenverhoudingen'?[69]
En wie de discussies volgt over de stelling van de heerschappij van de manager in het huidige kapitalisme merkt al snel, dat veel van de gegevens waarmee deze stelling wordt geadstrueerd 'pseudo-facts' zijn, dat belangrijke data vaak ontoegankelijk zijn, dat de criteria omstreden zijn (vanaf hoeveel procent aandelen is er sprake van 'effectieve controle'?), dat de relevante samenhangen controvers zijn (bijv. verwantschapsrelaties, 'interlocking directorates' en controle door banken), dat operationaliseringen en indicatoren onscherp zijn (wat betekent bijv. 'controle' en hoe is dat te meten?) en dat de corresponderende interpretaties en resultaten moeilijk vergelijkbaar, controvers en landenspecifiek zijn.[70]
Wij willen hier geen al te somber beeld schetsen van een toestand van 'stagnerend', 'chaotisch' ongelijkheidsonderzoek.[71] En wij zouden ook niet willen beweren dat het empirisch onderzoek is 'achtergebleven' (wat voor de 'theoretici' echt te vleiend zou zijn).[72] Het idee dat we eigenlijk niets weten en daarom nog eens van voren af aan zouden moeten beginnen is infantiel.[73]
Wij willen alleen de lange tijd heersende, zelfgenoegzaam-legitimerende mythe tegenspreken van het vreedzame en 'cumulatieve' empirische onderzoek: sociale ongelijkheid mag dan zelf een opvallend cumulatief karakter vertonen, dat geldt niet voor het empirisch onderzoek over dit onderwerp. Wat vooral ontbreekt zijn:
Wij sluiten aan bij het eerstgenoemde politieke kennisbelang. Wij hebben dit politieke kennisdoel met opzet normatief neutraal geformuleerd. Men kan namelijk om heel verschillende normatieve redenen geïnteresseerd zijn in de voorwaarden van het ontstaan en de ontwikkeling van politieke handelingscollectieven en hun effecten op gestructureerde sociale ongelijkheid. Men kan de circulatie van elites, de 'ijzeren wet van de oligarchie' enzovoort aanvoeren als een bewijs voor een normatief veredelde eeuwige strijd om het bestaan, van de sociale selectie van de besten.[78] Men kan 'sociaal conflict' ook zeer globaal behandelen als een voorwaarde voor gewenste sociale dynamiek en als een remedie tegen de verstarrende consequenties van sociale gelijkmakerij.[79] En tenslotte kan men sociale ongelijkheid en de programma’s en praktijken van politieke handelingscollectieven meten aan de normatieve doelstellingen van een libertair, democratisch socialisme of communisme.
Ons interesseert gestructureerde sociale ongelijkheid in het perspectief van haar overwinning of voorzichtiger, in het perspectief van de minimalisering van de daaraan verbonden belemmeringen die het realiseren van de gelijke vrijheid van alle individuen in de weg staan. Wij zullen deze normatieve doelstellingen hier niet uitvoerig beargumenteren en van alternatieven afbakenen. Omdat deze normatieve doelstellingen echter bij Marx zelf en in de hele marxistische traditie stiefmoederlijk of helemaal niet werden behandeld, willen we minstens een paar demarcatiepunten aangeven.[80]
1 In discussies tussen liberalen en socialisten werden en worden ('politieke') vrijheid en ('sociale') gelijkheid abstract met elkaar geconfronteerd. Deze dichotomie is kenmerkend voor het klassiek-liberale discours en dwingt de keuze op tussen het bekende, door en door misleidende, maar daarom helaas nog niet historisch achterhaalde alternatief: enerzijds 'juridische en politieke' onvrijheid en ongelijkheid onder de banier van de 'socialistische' sociale gelijkheid, anderzijds 'juridische en politieke vrijheid en gelijkheid' onder de voorwaarden van 'kapitalistische' ongelijkheid. Kort en duidelijk geformuleerd: 'vrijheid of socialisme'.[81]
De vooronderstelling van een dergelijke 'keuze' is, dat vrijheid en gelijkheid elkaar uitsluitende alternatieven zijn. De theoretische blokkades die hierin geïmpliceerd zijn willen wij vermijden door de al eerder aangeduide kritiek op het liberale basisaxioma van de 'powerlessness of property' en de 'propertylessness of power'. Voor een niet-reductionistische benadering is de beschikkingsmacht over 'juridische en politieke vrijheden' een belangrijke dimensie van 'sociale' ongelijkheid. Voor de normatieve discussie zou er al veel gewonnen zijn, wanneer men niet meer abstract over vrijheid of gelijkheid zou spreken, maar over 'vrijheden' en 'ongelijkheden'.
2 Wij keren ons tegen de gebruikelijke pogingen om vrijheid en gelijkheid uit elkaar te laten voortvloeien of hiërarchisch te rangschikken.[82] Uit de marxistische traditie zijn hiervan de bekende - en voor de juridische en politieke structuur van socialistische landen desastreuze - voorbeelden:
De bekendste knelpunten in de liberale traditie zijn:
3 Hieruit kunnen we de volgende programmatische conclusie trekken: de kritische doelstelling van de gelijke vrijheden voor alle individuen om hun steeds verschillende menselijke vermogens optimaal te kunnen ontwikkelen, zonder dat daaruit privileges ontstaan, moet in veel opzichten nog worden uitgewerkt en tegen de liberale en de socialistische traditie in worden gereconstrueerd.[86]
In de marxistische traditie werd, ondanks alle bewuste afbakeningen tegenover eenvoudige gelijkmakerij[87] niet voldoende verklaard in welk opzicht de verschillende individuen als gelijken behandeld moeten worden. Er zou bijvoorbeeld een veel preciezer onderscheid gemaakt moeten worden tussen: (1) het gewenste streven naar gelijkheid van juridisch-politieke en sociale toegangskansen tot vereiste bronnen en gewenste levenskansen, hetgeen absoluut noodzakelijk is om gelijke vrijheid te realiseren[88]; en (2) het streven naar een toestand of resultaat waarin álle bronnen en álle levenskansen gelijk verdeeld zouden zijn. Dit laatste perspectief is niet alleen geheel illusoir, maar ook normatief ongewenst. De illusie van een herwonnen paradijs (waarin tevens de burgerlijke utopie van sociale harmonie is verwerkelijkt) kan immers feitelijk alleen maar - en dan nog alleen maar bij benadering - worden gerealiseerd door extreme terreur (zoals Dahrendorf 1966:34 e.v. terecht heeft opgemerkt). Het gaat immers juist niet om 'gelijkmakerij', maar om de totstandbrenging van gelijke kansen om verschillende vermogens van de individuen zo ver te kunnen ontwikkelen, als dit mogelijk is zonder afbreuk te doen aan het gelijke recht en de gelijke kansen van anderen.[89]
In de liberale traditie zouden in eerste instantie nog de radicale consequenties van het meritocratische prestatieprincipe getrokken moeten worden. De programmatische eis van de niet alleen juridische, maar feitelijke gelijkheid van kansen zou werkelijk serieus genomen moeten worden. En deze eis zou verdedigd moeten worden tegenover de bekende opportunistische 'aanpassingen' van het meritocratische prestatieprincipe aan de zeer stabiele kansenongelijkheid in kapitalistische maatschappijen.[90]
Vervolgens zouden ook de voorwaarden van dit prestatieprincipe zelf ter discussie gesteld moeten worden, voor zover zij geworteld zijn in het possessieve individualistische mensbeeld met een 'restless desire for power after power that ceases only with death'.[91]
Het normatieve politieke kennisbelang van onze analyse kan dus in de kortst mogelijke vorm als volgt worden geformuleerd: gestructureerde sociale ongelijkheid wordt gethematiseerd in het perspectief van de opheffing en minimalisering van de belemmeringen die de gelijke vrijheden van alle individuen in de weg staan, om hun individueel verschillende vermogens optimaal te kunnen ontwikkelen. In dit perspectief wordt gestructureerde sociale ongelijkheid behandeld als een historisch vergankelijk, te overwinnen of minstens vergaand te reduceren maatschappelijk verschijnsel. Het wetenschappelijk onderzoek wordt hierdoor geconcentreerd op (1) de analyse van het bestaan en de effectiviteit van cruciale maatschappelijke barrières die de gelijke vrijheden van alle individuen in de weg staan om hun verschillende vermogens te ontwikkelen en/of te gebruiken, en (2) op de feitelijke mogelijkheden en strategische handelingskansen om deze barrières te slechten. In dit perspectief beoordelen wij ook de grote politieke handelingscollectieven, hun bewegingen en organisaties. Het vormt het richtsnoer voor onze overwegingen ter ondersteuning van en kritiek op maatschappelijke emancipatiebewegingen.
Wat dit betreft kan er in onze opvatting geen sprake zijn van een 'algemene theorie' van sociale ongelijkheid. Hiervoor zijn verschillende redenen:
a) In de eerste plaats is het kennisobject van zo'n theorie te omvattend. Een 'algemene theorie' zou de verschillende historische maatschappijformaties moeten omvatten en tegelijkertijd een verklaring moeten geven van hun specifieke ongelijkheidsstructuren en ontwikkelingstendensen. Ze zou algemene theorie van de evolutie van sociale ongelijkheid moeten zijn. En ze zou theorie van de specifieke ongelijkheidsstructuren in specifieke gedifferentieerde maatschappelijke verhoudingen of 'deelsystemen' moeten zijn. Dit alles bijeen en dan toch nog consistent, dat is - in ieder geval op dit moment - te veel gevraagd.
b) De factoren die relevant zijn voor de verklaring
van sociale ongelijkheid en collectief handelen zijn zo talrijk, dat ze
met de huidige kennismiddelen niet in deze strikte zin theoretisch kunnen
worden verwerkt. Voor de logische en theoretische consistentie van
'theoretische modellen' lijkt tot nu toe een zeer hoge prijs betaald te
moeten worden, namelijk een drastische reductie van de relevante factoren.
Dergelijke modellen verliezen daarmee echter elke historisch-empirische
verklaringskracht. Inhoudelijk gezien zijn ze meestal triviaal, ja zelfs
banaal. De succesvolle penetratie van speltheoretische modellen in
uitbuitingstheorieën en in de 'logic of collective action' is hiervan
een schoolvoorbeeld.
Daar staat tegenover dat niet-reductionistische
benaderingen vaak verdrinken in een ongelimiteerde en nauwelijks gestructureerde overvloed aan hypothesen en tamelijk willekeurige ceteris
paribus-strategieën. Harde
consistentie- en toetsingseisen zijn niet - of slechts uiterst moeizaam of beperkt - verenigbaar met niet-trivialiteit en
onderzoeksstructurerende kracht.[94] We zullen - althans voorlopig - met dit probleem moeten leren leven, want het kan niet in
één klap en in geïsoleerde projecten worden opgelost.
c) Maatschappelijke structuren en ontwikkelingen zijn veel contingenter en diffuser dan gewoonlijk wordt aangenomen in sociaal-wetenschappelijke benaderingen die opereren met wetmatige of wetsachtige verklaringen. Zodra men dit onderkent wordt de mogelijkheid en reikwijdte van dergelijke 'grand theories' dubieus. Men is dan veel vaker genoodzaakt om te zeggen: 'it depends'.[95]
Dit zijn voldoende redenen waarom er geen sprake kan zijn van een 'algemene theorie' van sociale ongelijkheid. Maar we hebben hiervoor ook redenen aangegeven die aannemelijk maken dat het nodig is om sociale ongelijkheden omvattend te behandelen en de onderlinge samenhangen tussen de diverse ongelijkheidsvormen te analyseren. In een dergelijke situatie is al vaker het voorstel gedaan om 'pro-theorieën' te ontwerpen.[96]
Wat moeten dergelijke pro-theorieën nu presteren?
Ten eerste moeten pro-theorieën de basisbegrippen die in theorievorming en onderzoek worden gebruikt verduidelijken en definiëren. Er bestaat geen begripsloze toegang tot het kennisobject en we hebben al gezien dat de alledaagse en wetenschappelijke begrippen heterogeen, inconsistent en tegenstrijdig zijn. Basisbegrippen van sociale ongelijkheid en collectief handelen hebben altijd normatieve referenties: er bestaan geen normatief neutrale begrippen van ongelijkheid, eigendom, macht, heerschappij, uitbuiting, onderdrukking, discriminatie, collectieve identiteit, leiding enzovoort.[97] Deze normatieve referenties vormen op zich geen belemmering voor cognitieve, theoretische en historisch geïnformeerde discussies over begrippen. Normatieve en politieke referenties zijn echter ook niet voldoende informatief voor begripsvorming en probleemstructurering, noch voor theorievorming.[98]
Begrippen bevatten - minstens impliciet en in nuce - altijd theorie (vgl. Hempel 1963; Stegmüller 1979). Daarom kunnen basisbegrippen ook wezenlijk worden beoordeeld op hun consistentie, doelmatigheid, discriminerende en onderzoeksstrategische kracht en hun onderlinge samenhang. Het afbakenen of definiëren van basisbegrip pen is dus geen louter terminologische kwestie. Het gaat erom de normatieve en theoretische referenties expliciet te maken en zich te vergewissen van het historisch gehalte van begrippen. Tenslotte, het zou illusoir zijn om te verwachten, dat er over de definitie van basisbegrippen een normatieve of cognitieve consensus zou kunnen bestaan. Maar er zijn wel mogelijkheden om tot beter wederzijds begrip te komen en er zijn betere en slechtere argumentaties en onderbouwingen.[99]
Ten tweede moeten pro-theorieën het complexe onderzoeksveld overzichtelijk en gedifferentieerd structureren. Deze probleemstructurering vormt zoals gezegd niet alleen de eigenlijke moeilijkheid, maar ook de centrale taak van een pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen. Men kan 'zonder theorie' geen probleemstructurering ontwerpen. Daarom moeten de theoretische overwegingen die hierbij een rol spelen worden geëxpliciteerd en plausibel worden gemaakt. Omgekeerd worden theorieën echter nog niet eenduidig vastgelegd door probleemstructureringen. Bij probleemstructureringen gaat het om het onderscheiden van analytische niveaus - hierdoor wordt een gedifferentieerde analyse mogelijk van factoren die relevant zijn voor de verklaringen van sociale ongelijkheden en collectief handelen. Men zou het ontwerpen van probleemstructureringen kunnen vergelijken met het bouwrijp maken van het terrein of met de constructie van steigers met behulp waarvan alternatieve theorieën kunnen worden opgetrokken. Ook bij het ontwerpen van probleemstructureringen moet men geen consensus verwachten. Zij kunnen echter wel de mogelijkheden vergroten om de bestaande meningsverschillen te begrijpen respectievelijk overeenstemming te bereiken over de bestaande meningsverschillen.
De logische status van pro-theorieën is nog niet erg duidelijk en nogal precair.
1) We weten intussen dat theorieën niet eenvoudig door 'de ervaring' worden gefalsifieerd. Dit geldt in nog veel sterkere mate voor pro-theoretische begripsafbakeningen en probleemstructureringen. Zij kunnen niet 'waar' of 'onwaar' zijn. Zij kunnen zinvoller of vruchtbaarder, doelmatiger enz. zijn, en zij kunnen een grotere heuristische kracht hebben. Hoewel de band met de historisch-empirische ervaring daarmee helemaal verbroken lijkt te zijn is het wel degelijk mogelijk om pro-theorieën historisch geïnformeerd te onderbouwen; en juist met het oog op empirisch onderzoek kunnen zij historisch meer 'verzadigd' zijn dan andere (pro-) theorieën.[100]
2) Pro-theorieën kunnen gemakkelijk worden opgevat als een wetenschapspolitieke vorm van 'imperialisme'. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer men meent dat pro-theorieën voorschrijven hoe anderen moeten denken, welke specifieke begrippen ze moeten gebruiken en hoe ze theorieën en onderzoek moeten structureren. Pro-theorieën zijn weliswaar op andere abstractieniveaus geformuleerd dan theorieën en hypothesen voor empirisch-historisch onderzoek, maar ze zijn eveneens principieel 'fallibilistisch' (feilbaar): het zijn ontwerpen of voorstellen die geen enkele aanspraak kunnen maken op een cognitief, laat staan instititutioneel monopolie. Net als theorieën en hypothesen voor empirisch-historisch onderzoek kunnen zij 'beter' of 'slechter' zijn. Pro-theorieën kunnen dus zelf ook worden beoordeeld op het criterium van consistentie, niveau-differentiatie, analytische differentiatie, precisie en op de manier waarop zij complexe kennisobjecten niet-reductionistisch en toch overzichtelijk toegankelijk maken.
3) Pro-theorieën leggen weliswaar geen theorieën vast, maar bieden wel een aantal criteria om deze te beoordelen. Ten eerste maken zij het mogelijk om theorieën te beoordelen op hun complexiteit en reikwijdte. Zij leggen blinde vlekken bloot in bepaalde theorieën en theoretische tradities. Er zijn soms hele 'gebieden' waarop deze theorieën 'niet werken' of waarvan ze zelfs de betekenis helemaal niet als zodanig onderkennen. Ten tweede zetten zij theorieën onder druk om expliciete onderbouwingen te geven. Theorieën nemen in de regel een (functioneel, structureel, historisch-causaal) primaat van bepaalde factoren aan. Bijvoorbeeld: strategisch versus communicatief handelen, conflict versus consensus, bronnen versus beloningen, arbeidsverhoudingen versus consumptieverhoudingen, en materiële produktieverhoudingen versus politieke verhoudingen. Gedifferentieerde pro-theorieën sporen aan om deze vaak impliciete premissen expliciet te maken, de vaak rudimentaire theoretische fundamenten te versterken of te reviseren, de geldigheidsclaims van theorieën te beperken enzovoort. Zij tonen aan op welke punten er 'theoretische beslissingen' worden genomen en of dit bewust en met argumenten gebeurt of impliciet. Ook wat dit betreft leiden pro-theorieën zeker niet tot cognitieve eenstemmigheid. Maar ze helpen misschien wel om pseudo-controverses te ontmaskeren en te overwinnen. Op deze manier vergroten zij de kans op beter onderbouwde, werkelijk concurrerende theorieën.
4) Pro-theorieën kunnen deze functies alleen maar vervullen op basis van zeer vergaande analytische differentiatie en desaggregatie. De door ons voorgestelde theoretische strategie van desaggregatie van probleemcomplexen is in ieder geval voor pro-theoretische doeleinden beter dan andere strategieën (vgl. hiervoor Lenski 1968, Eckstein 1964, en natuurlijk Weber's strategie van begripsvorming). Alleen deze strategie dwingt ons steeds om de theoretische en empirische reden te benoemen die 'combinaties' in relatief hooggeaggregeerde begrippen (zoals produktiewijze, maatschappijformatie, klassepositie) noodzakelijk of zinvol maken. Daarbij moet overigens steeds in het oog worden gehouden, dat het hierbij om analytische differentiaties en desaggregaties gaat, die niet mogen worden aangezien voor empirische.102
Voorwoord
Index
II. Wat is sociale ongelijkheid? |
|---|
[2] LOCKWOOD (1971:1). Vgl. PARSONS (1940:69), FÜRSTENBERG (1962:7/8). In aansluiting bij LANDSHUT (1929/1969) riep DAHRENDORF (1961/1966:6) sociale (on)gelijkheid uit tot kernprobleem van de sociologie. De vraag naar de oorsprong van ongelijkheid zou de historisch eerste vraag van de sociologie als wetenschap zijn. Aan de hand van de verschillende pogingen om deze vraag te beantwoorden zou zelfs de hele geschiedenis van de sociologie geschreven kunnen worden. Vgl. DAHRENDORF (1967: 353). Vgl. ook KIRCHBERGER (1975:10), THURLINGS (1981:15/6), TURNER (1986:19).
[3] Zelfs de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid kwam in 1977 tot de conclusie, dat "de spanning in de sociale stratificatie in de afgelopen vijftien jaar groter geworden is" en sprak de verwachting uit dat deze spanning nog groter zou worden (WRR 1977:8). Vgl. BERGER (1986), BECK (1983, 1986).
[4] Vgl. BENSCHOP (1987a:125; 1987b:62) WEHLER (1979:16), KRECKEL (1982, 1983), HRADIL (1983:111), BOLTE (1983), MAYER (1987).
[5] Dit werd ingegeven door het vermoeden dat in elke meer algemene of brede benadering van sociale ongelijkheid het 'primaat van klassenverhoudingen' uit het zicht zou verdwijnen resp. dat de specificiteit en analytische potentie van de klassentheorie verloren zou gaan.
[6] Wat betreft de klassieke maatschappijtheorieën geldt dit - in tegenstelling tot de interpretatie van PELS (1987) - zowel voor de kritiek van de politieke economie van Marx, waarin kapitalistische 'eigendomsverhoudingen' als specifieke 'machts- en gezagsverhouding' werden geanalyseerd als voor de sociologie van Weber (vgl. hoofdstuk IX). In programmatisch opzicht geldt dit ook voor de verschillende pogingen om te komen tot een 'politieke sociologie van sociale ongelijkheid' (KRECKEL 1982; PARKIN 1974), een 'repolitisering van de statussociologie' (BROTZ 1958), een 'integratie van de politieke dimensie van de stratificatiesociologie' (OFFE 1972, 1980) en voor alle benaderingen waarin een algemeen machtsbegrip als basisbegrip van sociale ongelijkheid wordt gebruikt (LENSKI 1966, ELIAS 1965, REX 1970, 1973, WIEHN 1968, FOUCAULT 1969, 1975, 1978 e.v.a.).
[7] Exemplarisch hiervoor zijn de ambiguïteiten van de basisbegrippen 'klasse' en 'stand' bij Marx (vgl. DRAPER 1977, 1879) en Weber (vgl. BENSCHOP 1987). We komen hier in par. 3.1. op terug.
[8] Zie bijvoorbeeld de opmerkingen van MARX (MEW 23:741 e.v.; MEW 25:798 e.v.; Grundrisse: 375 e.v.). Vergelijk ook de debatten in de marxistische antropologie (GODELIER 1973, TERRAY 1974, MEILLASSOUX 1975, HARTSTICK 1977 e.a.) en meer in het algemeen: EDER 1976, SERVICE 1975, SIGRIST 1975, NAIR 1965) en geschiedeniswetenschap (ANDERSON 1974, COHEN 1978). Naast veel anderen heeft EISENSTADT (1956, 1960, 1969) gewezen op de problemen van benaderingen die uitgaan van gedifferentieerde maatschappelijke subsystemen en geïnstitutionaliseerde interne machtsverdeling, bij het analyseren van het ontstaan van sociale stratificatie in voormalige kolonieën.
[9] Vgl. de verschillende aanzetten voor een theorie van het staatsmonopolistische, gereguleerde, georganiseerde kapitalisme in de marxistische traditie.
[10] Volgens Offe zijn de belangrijkste ongelijkheden in het huidige kapitalisme niet alleen in sterke mate politiek bemiddeld, maar direct politiek geconstitueerd. De 'structurele selectiviteit' van het politieke systeem van interventionistische staten schept een 'nieuwe logica van sociale ongelijkheid': naast het 'verticale' systeem van klassenongelijkheid ontstaan er 'horizontale dispariteiten' die minstens gedeeltelijk door het politiek-administratieve systeem zelf worden gegenereerd. Het politiek-administratieve systeem wordt door Offe behandeld als een specifieke bron van sociale stratificatie, en niet zozeer als een loutere reflectie van daaraan 'voorafgaande' socio-economische ongelijkheden. Vgl. ook OFFE/WIESENTHAL (1980), OFFE (1986b).
[11] Dit wordt intussen ook onderkend in het marxistisch georiënteerd onderzoek. Vgl. bijvoorbeeld BISCHOFF e.a. (1982:23 e.v.), HERKOMMER (1983, 1985). Kritischer, gedifferentieerder en met grotere reserves ten opzichte van de marxistische traditie is KRÄTKE (1985, 1986).
[12] LEPSIUS (1979) vangt deze nieuwe inkomenscategorieën onder de titel 'verzorgingsklassen' (vgl. ook ALBER 1984; KRÄTKE 1985:93). Deze uitbreiding van de klassenindeling van Max Weber wordt kritisch besproken door BERGER (1986:193). Hij vindt het onjuist om het concept van verzorgingsklassen op hetzelfde begripsmatige niveau te situeren als verwervings- en bezitsklassen. Hij deelt de mening van KOCKA (1979:164) dat men het klassebegrip niet zo ver moet uitbreiden, dat het principiële verschil tussen 'sociale transfers via de staat' en klassenmatige 'toeëigening via marktkansen' in de constitutie van ongelijke levensposities verdwijnt. Bovendien zou hierdoor tegelijkertijd worden onderschat, dat er een zeer nauwe correspondentie blijft bestaan tussen markt- en sociale zekerheidspositie.
[13] Vgl. bijvoorbeeld de volgende studies: a) over de dominantie van marktinkomen: BISCHOFF e.a. (1982:18), SOST (1984), HALLER (1982:77; 1983); b) over de afhankelijkheid van het sociale zekerheidssysteem van de kapitalistische arbeidsmarkt: DE BRUNHOFF (1976), OFFE/HINRICHS (1984), KRÄTKE (1984, 1985); c) over de herverdelingseffecten van het sociale verzekeringsstelsel: HANUSCH (1976), SKARPELIS-SPERK (1978), TRANSFER-ENQUETE-KOMMISSION (1981), BERGER (1986), LEGRAND (1981), MINC (1987) en van sociale voorzieningen: SCP (1977, 1981), DELEECK (1977): d) over de financieringsproblemen: O'CONNOR (1973), GOUGH (1974), KRÄTKE (1984, 1985, 1987).
[14] Dergelijke kritieken vind men vanaf Bakoenin, via Weber, Mises, Hayek, tot aan Dahl. Deze in eerste instantie theoretische kritieken hebben door de ontwikkeling en stabilisering van het etatistisch socialisme een grotere empirische substantie verworven en zijn meer aanschouwelijk geworden.
[15] Vergelijk de overzichten van discussies in de 'socialistische staten' van OSSOWSKI (1972), RÖDER (1972), KISS (1979), WESOLOWSKI (1979). In deze discussies domineren modellen uit de elitetheoretische, stratificatietheoretische en functionalistische stratificatiesociologie. Dit heeft vooral ook directe politieke redenen: volgens de gedogmatiseerde staatsreligie van het 'marxisme-leninisme' mogen er weliswaar nog wel klassenverschillen, maar geen klassenantagonismes meer bestaan, en zeker geen klassenstrijd. Tegenover de snel voortschrijdende transformatie van het marxisme in een politieke legitimatielegende hebben marxistisch georiënteerde critici steeds weer op zeer uiteenlopende en tegenstrijdige manieren geprobeerd om deze ongelijkheidsverhoudingen te interpreteren als klassenstructuren van een nieuw soort. Vgl. KAUTSKY (1919), BAUER (1936), LUXEMBURG (1922), LEVI (1969), TROTZKI (1936), RIZZI (1976), DJILAS (1957), BETTELHEIM (1974/1977), BAHRO (1977), KONRAD/SZELÉNYI (1978), ZUKIN (1978), KAMENKA/ KRYGER (1979), STUURMAN (1979). Vgl. ook de sociologische interpretaties van PARKIN (1971), GIDDENS (1973), GOULDNER (1979).
[16] Vgl. hiervoor de nog zeer eenvoudige poging van NOWAK (1983) om het historisch materialisme uit te breiden.
[17] Vgl. de overzichten van WIJMANS (1987), PELS (1987), CARTER (1985), ABERCROMBIE/URRY (1983), RIEGE (1976).
[18] Vgl. bijvoorbeeld de poging die PELS (1987:15,137) doet om deze bronnen in te delen: "1. indirecte of institutionele toegang tot materiële produktiemiddelen; 2. individueel houderschap van institutionele posities ('positionele eigendom'); en 3. individuele, 'lijfelijke' beschikking over gediplomeerde symbolische en organisationele vaardigheden ('cultureel kapitaal')." De laatsten worden samengevat in het trefwoord 'deskundige organisators'.
[19] Vgl. de informatieve en kritische overzichten van ZEITLIN (1974), en SCOTT (1979).
[20] Zie voor feodale eigendomsverhoudingen: SCHWAB (1975), BLOCH (1965).
[21] "In de hoogontwikkelde westerse samenleving neemt de betaalde beroepsarbeid een zeer centrale plaats in. [...] Arbeid regelt het menselijk bestaan tot op grote hoogte, zowel van degenen die arbeid verrichten als van degenen die niet deelnemen aan het arbeidsleven" (WRR 1977: 10, 15, 111, 158).
[22] Vgl. BERGER (1986).
[23] BECK (1986:220 e.v.) geeft een wat al te vlotte interpretatie van de 'erosie an het verwervingsprincipe'. BISCHOFF e.a. (1982), MAYER (1987) en STRASSER (1987) staan hier kritisch tegenover. BERGER (1986) neemt een ambivalente positie in. Over de 'centraliteit van betaalde beroepsarbeid' en primair 'marktinkomen' ook bij grotere variëteit van inkomensbronnen van huishoudens: HALLER (1983:77; 1982:75), BISCHOFF e.a. (1982:18), BOLTE/HRADIL (1984:57) en het eerder geciteerde rapport van de WRR (1977).
Over de strategische positie van bijvoorbeeld vakbonden: KERN/SCHUMANN (1985), VISSER (1987). En tegen het op deze manier gemotiveerde 'afscheid van het proletariaat' van GORZ (19801/1981) argumenteren BENSCHOP (1984), THERBORN (1985) en MEIKSINS WOOD (1986).
[24] Zoals de verschillende vormen van subsistentieproduktie, waaronder ook de huishoudelijke arbeid; eenvoudige warenproduktie; kapitalistische loonarbeid enz.
[25] Dit is een van de drie argumenten die KRECKEL (1983) aanvoert om een 'paradigmawisseling' in het ongelijkheidsonderzoek en een 'nieuw begripsmatig en theoretisch dak' te eisen.
[26] STRACEY (1956), TOWNSEND (1977), WILLIAMSON/LINDERT (1980), BERGER (1986), en alle marxistische studies: SZYMANSKI (1983), WRIGHT (1979, 1985), WESTERGAARD/RESLER (1975), BISCHOFF e.a. (1982), IMSF (1975), STUURMAN (1983) e.v.a.
[27] Zoals TINBERGEN (1971), PEN/TINBERGEN (1977), ODINK (1985), WILTERDINK (1985); HAFERKAMP (1987), KAELBE (1983:217) e.a.
[28] Zoals DELEECK (1977), WRR (1977:71), BECK (1983, 1986), BERGER (1986), BLUMBERG (1980), GOLDTHORPE (1980) e.a.
[29] BERGER (1986) is zeer duidelijk over de betekenis van dit verschijnsel. Vgl. ook TOWNSEND (1970:18), BECK (1983:36).
[30] Bijvoorbeeld BOLTE/HRADIL (1984), HRADIL (1987), BERGER (1986) e.a.
[31] Bijvoorbeeld MAYER (1976, 1987), SINGELMANN (1985:146,129), GOLDTHORPE (1985:185; 1980:252).
[32] Vgl. LOCKWOOD (1960), GOLDTHORPE/LOCKWOOD (1963, 1976, 1968), DEPPE (1971), ARTS (1973), BAUSINGER (1981), MAHNKOPF (1985). De meest gangbare vooronderstellingen van de verburgerlijkingsthese zijn: (1) sinds de jaren vijftig zijn door staatsinterventies in het kapitalisme de oorzaken van de crisismatige op- en neerwaartse beweging van de daaraan voorafgaande decennia overwonnen en is er een permanente economische groei ontstaan waarvan de arbeiders profiteren door een steeds groter (consumptie- en vermogens)aandeel in het sociaal produkt, (2) het gestegen inkomen en de stijgende consumptieverwachtingen van de arbeiders leidt tot een aanpassing van hun maatschappelijke bewustzijn en van hun politieke gedrag aan de heersende maatschappelijke normen.
[33] Overigens is Beck voorzichtig genoeg om toe te geven, dat de voortschrijdende ontbinding van standscollectieven in de welvaartsstaat ook het begin van een nieuw soort klassenvorming zou kunnen inluiden. De opheffing van de 'historische symbiose van klasse en stand' betekent dus niet zonder meer dat het klassekarakter van de sociale structuur of de arbeidersklasse zelf zou verdwijnen. Het zou ook geïnterpreteerd kunnen worden als 'het begin van de emancipatie van de klasse uit regionale en particuliere bijzonderheden en beperkingen' (BECK 1983:62).
[34] Vgl. BOLOGNA (1973), KOCKA (1983b), THIEN (1986:310 e.v.), LIPSET (1981:20), MOORE (1978), en bij wijze van uitzondering: BECK (1983:62).
[35] Vgl. KLEINING (1984), KADRITZKE (1984), RITSERT (1987). Zij keren zich terecht tegen alle extreem eenzijdige extrapolaties van tegenstrijdige verschuivingen in ongelijkheidspatronen waardoor het ideologische beeld ontstaat van een maatschappij waarin niet alleen de klassen en sociale lagen en de daarmee historisch verbonden collectieve (sub)culturele identiteiten en sociaal-morele milieus zich oplossen, maar ook gestructureerde sociale ongelijkheid zelf verdwijnt. Alsof we al goeddeels in een historische situatie verkeren waarin de maatschappij alleen nog maar denkbaar is als 'een atomair systeem van door elkaar geklutste individuen'. Daarmee wordt de premisse van de 'gestructureerdheid' (regelmatigheid en duurzaamheid) van sociale ongelijkheid zelf ter discussie gesteld. Voor praktisch alle sociale ongelijkheidsonderzoekers blijft deze premisse natuurlijk wel geldig. Vgl. HÖRNING (1967:10), HELLER (1969:4), KRECKEL (1982:617), HALLER (1983:9), HERZ (1983:13), BERGER (1987:60).
[36] Gedifferentieerd spreken over sociale ongelijkheid is natuurlijk iets heel anders dan het doen van uitspraken over de feitelijke pluralisering van objectieve levensposities. 'Pluralisering van analytische perspectieven' (differentiatie van begripsmatige instrumentarium en verfijning van meetmethoden) zegt nog helemaal niets over reëel-historische differentiatie-, pluraliserings- of individualiseringstendensen. Vgl. BERGER (1978:61), RITSERT (1987).
[37] Zie op dit punt de kritieken op het Parsonianisme: WERTHEIM (1964), KUPER/ SMITH (1970), KUPER (1974), VAN DEN BERGHE (1970), REX (1970). Voor kritieken op 'het marxisme': BENDIX (1974:152), REX (1973:213), GLAZER/MOYNIHAN (1985:15), PARKIN (1979:4), BERTING (1981:342). Voor Parkin en KRECKEL (1983) is dit juist een aanleiding om een algemene theoretische heroriëntatie van ongelijkheidstheorieën te eisen.
[38] Zie voor de gebruikelijke wending van deze verwijten tegen 'het marxisme': J. COHEN (1982), BECKER (1986:26, 126).
[39] Vgl. voor Nederland het overzicht van KRIESI/CASTENMILLER (1987), VAN DER LOO e.a. (1984), VERWEY-JONKER (1983), voor Duitsland het gecomprimeerde overzicht van RASCHKE (1985).
[40] In de marxistische traditie werden bijvoorbeeld nationale, seksistische en racistische ongelijkheden en tegenbewegingen zeker niet ontkend; ze werden wel op een specifieke wijze gethematiseerd, nml. in samenhang met of - in het reductionistische geval - als oppervlakte van klassenstructuren en klassenbewegingen. Vgl. voor nationale splitsingen de studies van BAUER (1907), DE LEEUW (1939), NAIRN (1976 en 1977), KIERNAN (1976), STUURMAN (1978), VAN DER PIJL (1983). Zie voor raciale splitsingen de studies van COX (1948), BONACICH (1972, 1973, 1980), REICH (1972, 1981, 1982), CASTLES/KOSACK (1973), JOHNSTONE (1976), BURAWOY (1976), MILES (1982), SZYMANSKI (1983). Zie voor de relatie tussen sekse- en klassesplitsingen het werk van ENGELS (1884/71, MEW: 21), BEBEL (1879), HARTMANN (1978), BEECHEY (1977,1978), ROWBOWTHAM (1973), BARRAT (1982) e.v.a.
De bewering dat 'nationale staten' de exclusieve of voornaamste analyse-eenheden zijn is voor Marx en de marxistische traditie eclatant onwaar. Sinds Marx werd het kapitalisme behandeld als 'wereldsysteem' (vgl. hiervoor bijv. het overzicht in de beide verzamelbundels van SENGHAAS 1977 en 1979). Ook de door Kreckel gekoesterde 'centrum-periferie'-metafoor verwijst - naast SHILS (1975) - juist op deze theoretische context. Het slechts marginaal rekening houden met ascriptieve splitsingen in 'het' academische stratificatie- en mobiliteitsonderzoek wordt o.a. bekritiseerd door REX (1973), KRECKEL (1983), GLAZER/MOYNIHAN (1985).
[41] Vgl.
KRECKEL (1980). Kreckel, Hradil, Beck e.a. zijn van mening, dat de
'boven-onder' metafoor de analyse van de pluralisering, individualisering
van ascriptieve ongelijkheden blokkeert. Zij halen daarbij twee problemen
door elkaar: (1) het probleem van de pluralisering en heterogenisering
versus dichotomisering en homogenisering en (2) het probleem van de
verticaliteit als zodanig. De stelling van HRADIL is bijvoorbeeld dat de
configuraties die typisch zijn voor de BRD gekenmerkt worden door "ein
Nebeneinander von Privilegien und Depravationen". Men kan echter pleiten
voor de stelling dat er geen cumulatie van positieve of negatieve
privileges meer bestaat, zonder de metafoor van de verticaliteit aan te
vallen. Het gebruik van de verticale metafoor veronderstelt immers
geenszins 'statusconsistentie' (1987:121).
In aansluiting bij SCHWARTZ
(1981) zou men beter de vraag kunnen stellen, of het überhaupt
mogelijk is om de verschillende 'dimensies' of de 'status' zelf te
waarderen zonder gebruikt te maken van verticale metaforen zoals
'boven-onder', 'hoger-lager'? Anders gezegd: wordt sociale ongelijkheid
zonder een dergelijke waardering niet alleen al zuiver terminologisch
opgelost in 'anders zijn', of traditioneel gesproken: in sociale
differentiaties?
[42] Vgl. POULANTZAS (1975), SZYMANSKI (1983), MILES (1982), maar ook BOURDIEU (1981). In de discussie over sociale en klasseongelijkheid kunnen er binnen de marxistische traditie globaal twee strategieën worden onderscheiden. In de eerste strategie wordt geprobeerd het klassebegrip zo integraal ('katholiek') te formuleren, dat het alle of minstens alle belangrijk geachte soorten sociale ongelijkheid omvat. Met behulp van zo'n integraal of synthetisch klassebegrip wordt geprobeerd om nationale, etnische, culturele, religieuze, seksuele enz. strijd te ontcijferen en te verklaren als meer of minder gemodificeerde uitdrukking van klassenstrijd. In de tweede strategie - waar wij hier bij aansluiten en die we verder willen differentiëren - wordt geprobeerd om de verschillende soorten of typen sociale ongelijkheid zowel analytisch als in empirisch onderzoek te onderscheiden. Op deze basis wordt sterk de nadruk gelegd op het verschil (1) tussen klasse-ongelijkheid en het het veel bredere, meer omvattende verschijnsel van gestructureerde sociale ongelijkheid, (2) tussen klasseposities en het veel bredere verschijnsel van intern gedifferentieerde sociale levensposities van individuen/groepen in specifieke maatschappijformaties, (3) tussen klassebewustzijn en het maatschappelijk bewustzijn van negatieve of positieve privilegiëring, (4) tussen klassenstrijd en andere vormen of typen van sociale strijd, die elkaar natuurlijk op uiteenlopende manieren doordringen en wederzijds beïnvloeden.
[43] In aansluiting bij Weber hebben eerst Dahrendorf en Rex geprobeerd de omtrekken van een algemene theorie van sociale sluiting in conflictsociologisch perspectief te formuleren. Het was aan Parkin voorbehouden om deze zeer veel later als revolutionaire vernieuwing 'uit te vinden' en als copernicaanse wending in de ontwikkeling van een algemene sociologie van sociale ongelijkheid te propageren.
[44] Ook voor een kritische marxistische analyse zou minstens moeten gelden, dat het zinloos is om de politiek meer of minder effectieve mythe van 'verburgerlijking' van de arbeidersklasse, van 'integratie' in de verzorgingsstaat, van 'individualisering' enz. te vervangen door het aanroepen van een nog oudere mythe, namelijk de mythe van - hoe latent ook - altijd aanwezig klassebewustzijn en klassenstrijd van de arbeiders.
[45] Vgl. GEIGER (1932), PFAUTZ/DUNCAN (1950), HATT
(1950:216 e.v.), DAHRENDORF (1961/1966:9), OSSOWSKI (1962), COLEMAN
(1965), LENSKI (1966:444), KRAUS (1967), WIEHN (1968:139), BERGMAN/BRANDT
(1968:80), KIRCHBERGER (1975:11), KRECKEL (1967, 1982), BOLTE (1983,
1985), MAYER (1985).
Deze selectie is tamelijk willekeurig en kan
gemakkelijk worden uitgebreid. Hieruit blijkt dat er tenminste consensus
is over het feit, dat het sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar sociale
ongelijkheid (stratificatie en mobiliteit) in een chaotische toestand
verkeert. Misschien is dit wel het enige punt waarover in het hele
onderzoeksgebied consensus bestaat.
[46] Vergelijk de indelingen van: MOMBERT (1923),
SOROKIN (1927), GEIGER (1932/ 1949), COX (1945), PFAUTZ (1952),
LIPSET/BENDIX (1953), DAHRENDORF (1953), CRONER (1954), LANDECKER (1960),
MARSHALL (1965), LENSKI (1966), LIPSET (1968), WRIGHT (1979).
De volgende indelingscriteria werden geïsoleerd of in wisselende combinaties gebruikt: formeel-logisch (technisch) versus sociaal-wetenschappelijk; nominalistisch versus realistisch; beschrijvend-statistisch versus analytisch-dynamisch; structureel versus historisch; universeel-historisch versus maatschappijformatie-specifiek; eendimensionaal versus multidimensionaal/integraal; economisch versus politiek-ideologisch; gradueel versus relationeel; produktie versus distributie/markt; heerschappij versus uitbuiting enz.
COLEMAN (1965) heeft in een artikel - dat helaas weinig aandacht heeft gekregen - een zinvolle weg gebaand door dit oerwoud. Hij stelt voor om een analytisch onderscheid te maken tussen de volgende perspectieven en daarbinnen te thematiseren eenheden van analyse: prestige-perspectief en 'prestige groups', symbolisch-normatief perspectief en 'cultural strata', interactioneel perspectief en 'associational cliques', belangen- en conflictperspectief en 'social classes', demografisch perspectief en 'demographic categories', sociaal-psychologisch perspectief en 'reference groups' (vgl. table I, p. 339). Wij zullen dit referentiekader, dat overigens niet moet worden opgevat als een theoretisch 'paradigma', hier gebruiken zonder te proberen de hele serie van klassebegrippen systematisch in te delen.
[47] "Over de gerechtvaardigdheid van meerdere begrippen is geen strijd mogelijk, zolang en voorzover elk begrip een verstandig kennisdoel dient. De vraag naar hét juiste klassebegrip is dus op zich zinloos. Een klassebegrip wórdt pas verkeerd, wanneer het uit het denkniveau van zijn oorsprong op een ander wordt overgedragen en daar wordt toegepast. Dán openen zich gapend de kloven van de gletsjer: quaternio terminorum, disparaatheid van begrippen en alle andere logische verschrikkingen" (GEIGER 1932:1). Klasse is inderdaad een essentieel omstreden conceptie. En daarom is het natuurlijk ook "a waste of time to attempt to establish a meaning for it that will command universal acceptance" (CALVERT 1982:214). De conclusie die Calvert hier uit trekt is waarschijnlijk net zo radikaal als onverstandig: "abandon the concept of class althogether" (idem, p. 216). Als men eenmaal heeft onderkend dat in feite alle basisbegrippen van het ongelijkheidsonderzoek 'essentieel omstreden' zijn zou men met eenzelfde redenatie kunnen besluiten om al deze begrippen niet meer te gebruiken (zie voor 'status': BURCHARD 1960; zie voor 'eigendom': PELS 1987). Dan blijkt echter ook al snel dat deze strategie alleen maar leidt tot zelfdestructieve kaalslag.
[48] Weber gebruikt bijvoorbeeld minstens vier verschillende, geenszins congruente betekenissen van het standbegrip. De ambiguïteiten die hieruit voortvloeien zijn op hun beurt weer de oorzaak van aanzienlijke inhoudelijke probleemvermengingen. GIDDENS (1973) en KRECKEL (1982:632) wijzen slechts op twee betekenissen. De betekenisveelvoud en ambiguïteit van Weber's standsbegrip wordt uitvoerig behandeld door BENSCHOP (1987). Vgl. ook WENGER (1980, 1987).
[49] "The status of status is in a confused status" (Burchard). Het begrip status wordt meestal gebruikt in de betekenis van 'prestige'. Daarnaast wordt het echter ook vaak gebruikt voor 'position', 'power', 'standing', 'role', 'hoog prestige' enz. Status is dus een uiterst rekbare 'catch all' term, een 'Verlegenheitsvokabel' (KLUTH 1957). Daarom is Burchards voorstel verleidelijk: "to discontinue the use of the concept status and employ ohter concepts in its stead" (BURCHARD 1960:422). Dit lijkt een zinvolle suggestie om uit de terminologische verwarring te komen, maar in principe worden de inhoudelijke problemen op deze manier alleen maar verschoven.
[50] BOLTE/HRADIL suggereren dat de tegenstrijdige begripsvorming en geringe wetenschappelijke progressie van het sociaal-wetenschappelijke onderzoek naar sociale ongelijkheid kan worden teruggevoerd tot 'louter terminologische onenigheid' (1984:21).
[51] Dit is het standaard-argument dat steeds weer uit de kast wordt gehaald om af te rekenen met karikaturen van 'het marxisme'.
[52] Zoals we nog zullen zien geldt dit overigens niet alleen voor deze klassieke trias, maar ook voor de verschillende varianten van dit driedimensionale model: 'power - privilege - prestige' (Lenski); 'Reichtum - Wissen - positionale Macht - selektive Assoziation' (Kreckel) e.d.
[53] Vgl. bijvoorbeeld de zelfkritiek van RUNCIMAN (1972).
[54] Het is zeker niet overdreven om te zeggen dat "die Auseinandersetzung zwischen den verschiedenen Schichtungs- und Stratifikationstheorien mehr als einmal als akademischer Ersatz für Konflikte politischen Glaubensbekenttnissen fungiert haben" (STRASSER/ GOLDTHORPE (1985:22).
[55] De eerste, nog essayistische pogingen in deze richting werden gedaan door GIDDENS (1973). Vgl. ook BOURDIEU.
[56] Het lijkt wel of er teveel in deze dichotomieën is geïnvesteerd. Het verlies van hun simpele oriëntatiefunctie lijkt te groot te zijn.
[57] Zie de oproepen of pogingen om deze pseudo-alternatieven te doorbreken: 'structuur' versus 'handeling' (GIDDENS 1976,1979, BHASKAR 1979, BOURDIEU 1976 e.a. en de kritieken van GIDDENS 1980 en BADER 1983 op Parkin), 'conflict' versus 'consensus' (GIDDENS, BADER 1988), 'klassen' versus 'elite' (BOTTOMORE 1964, GIDDENS 1973), 'macro-' versus 'microtheorieën' (PFAUTZ/DUNCAN 1950, HALLER 1981, HACK 1977, BOURDIEU e.a.).
In hoofdstuk VI, 2 en VII komen een paar dichotomieën aan de orde die kenmerkend zijn voor de klassentheoretische discussie, zoals: 'marktpositie' versus 'positie in het produktieproces'. In hoofdstuk V, 5 leveren we kritiek op de dichotomie tussen 'materiële bronnen' versus 'prestige', welke de 'discussie' tussen statussociologen en marxistische klassentheoretici blokkeerde.
[58] Exemplarisch hiervoor is de herontdekking van 'oude' en al lang bekende theoretische posities door 'marxistische renegaten' waarbij de logica van de vadermoord wordt gevolgd (vergelijk bijvoorbeeld PARKIN 1979 met PARKIN 1971). Verfrissend kritisch over de panische angst van de intellectuelen om het nieuwste modieuze 'paradigma', de 'nieuwste' klasse, de 'nieuwste' tegenspraak enz. te missen zijn BOURDIEU/PASSERON (1971:201).
[59]Dit past natuurlijk in het beeld van het epistemologisch 'relativisme' als gevolg van het 'Kuhn-loss'. Zie hiervoor de kritiek van BHASKAR (1986).
[60] De derde bekende 'uitweg' uit de crisis is de 'herbezinning' op de 'klassiekers' en de meer of minder systematische en kritische 'theoretische reconstructies'. Maar ook deze weg biedt niet als zodanig uitkomst (vgl. de elegante scepsis m.b.t. de maatschappijtheoretische discussie bij LUHMANN 1984:7 e,v). Een gedifferentieerd pro-theoretisch referentiekader is een voorwaarde voor dergelijke pogingen.
[61] De pogingen die tot nu toe zijn gedaan om de rivaliserende 'theorieën over sociale ongelijkheid' te verzoenen of te synthetiseren hebben niet voor niets zo weinig opgeleverd. Vgl. BERGER (1986:334).
[62] Vgl. STRASSER (1983), STRASSER/GOLDTHORPE (1985:22 e.v).
[63] Vgl. GORDON (1949/1950:262; 1950/1963:4), HATT (1950:216 e.v.), DAHRENDORF (1961/1966:9), COLEMAN (1965), LENSKI (1966: 444), WIEHN (1968:139), KIRCHBERGER (1975), KRECKEL (1967,1982), HRADIL (1983:110), BOLTE (1983, 1985), MAYER (1987).
[64] Vgl. HOBSBAWM (1962, 1964), WEHLER (1979), KOCKA (1979) e.a.
[65] Vgl. MARX/WOOD (1975), JENKINS (1983), RASCHKE (1985:12).
[66] Vgl. SKOCPOL (1978:1979:35), TILLY (1978:142), AYA (1979:67), BARRINGTON MOORE (1978), HARMSEN (1974).
[67] "Empirisch onderzoek en theorie zijn twee culturen, die elkaar wederzijds nauwelijks waarnemen, omdat de theoretici geen toegang hebben tot de methodologische grondslagen en methodisch vervreemde resultaten en de empirici vinden dat de theoretici inhoudsloze kletsers zijn, die hun handen niet vuil willen maken in het veld of in de computerkelders" (MAYER 1987:3).
[68] Kritisch hierover zijn Wehler, Tilly, Elias. Vgl. LORENZ (1987).
[69] Over meetproblemen en gebruik van maatstaven: ODINK (1985), VERMAAT (1975), TOWNSEND (1970), WRR (1977:9, 41), SEN (1975), KRUPP (1969), CHAMPERNOWNE (1974). Over inkomensverhoudingen: BERGER (1986), KAELBE (1983a), COSTAS (1985). Over vermogensverhoudingen: WILTERDINK (1984). ATKINSON (1973), LAMPMAN (1962) e.a. Over inkomen en klassenverhoudingen: WRIGHT (1979), TERWEY (1984).
[70] Vgl. SCOTT (1979); SCOTT/HUGHES (1980), STOKMAN/ZIEGLER/SCOTT (1985), HELMERS e.a (1975); VAN DEN BERG/FENNEMA (1984).
[71] Iets anders is dat het empirisch onderzoek naar sociale ongelijkheid in bijvoorbeeld Nederland (sinds de 'Leidse school' rond Van Heek) is achtergebleven in vergelijking met bijvoorbeeld het onderzoek in de VS of Engeland. Vgl. BERTING (1977:407), PESCHAR (1978:26), TULDER (1978:103), KUIPER Hzn (1978:16), ULTEE (1985). De bundel van BAKKER/DRONKERS/GANZEBOOM (1984) bevat 'attempts to catch up with international developments'.
[72] Ongelijkheidsonderzoekers hebben vaak een voortrekkersfunctie vervuld bij het ontwikkelen en toepassen van kwantitatieve methoden van dataverzameling en analyse, in het bijzonder in de vorm van survey-onderzoek (vgl. KIRCHBERGER 1975; PEASE e.a. 1970, KERBO 1983, STRASSER 1985:156). Zie hiervoor de 'klassieke' Middeltown studies van Helen en Robert Lund, de gemeenschapsanalyses van Lloyd Warner en de studie van Theodor Geiger over stratificatie in de BRD; na de Tweede Wereldoorlog geldt dit voor het werk voor Paul K. Hatt, Albert Reis, Milton R. Gordon, Gerhard Lenski, Blau & Duncan, Featherman & Hauser, E.O. Wright in de VS; Svalastoga, Glass, Bolte, van Heek in Europa.
[73] Onze empirische kennis is juist op veel deelgebieden van ongelijkheidsonderzoek enorm toegenomen. Zie bijvoorbeeld empirische studies over sociale mobiliteit van GOLDTHORPE e.a (1980), KAELBE (1983b), ZWAHR (1978), HANDL/MAYER/MÜLLER (1977) e.a.
[74] Generaliserende theorieën en diagnoses hebben niet alleen een maatschappijpolitieke betekenis, maar vervullen vooral ook belangrijke richtinggevende functies voor onderzoek.
[75] Dit politieke kennisbelang is dus zeker niet specifiek marxistisch. Ondanks de zeer uiteenlopende politieke, normatieve en theoretische visies wordt dit kennisbelang o.a. verwoord door: GEIGER (1932, 1949), BENDIX/LIPSET (1953), DAHRENDORF (1957, 1979), REX (1970), GLAZER/MOYNIHAN (1975), TILLY (1978), KRIESBERG (1973), HABERMAS (1981 II:489 e.v.), BERGER (1987:63) en in de 'theory of collective action' van OLSON (1965).
[76] Het verschil is dat 'social registers' voor de betreffende elites een herkenbare sociale betekenis hebben of lijken te hebben, terwijl het generaliseren van deze procedure voor totale maatschappijen in eerste instantie een overbodige sociologen-hobby lijkt te zijn.
[77] De openlijke of verzwegen politieke stootrichting van dit kennisbelang is het doorsnijden van de samenhang die in de marxistische en conflictsociologische traditie wordt gelegd tussen antagonistische belangen en politiek handelen. Vergelijk de kritieken op de statussociologie van OSSOWSKI (1962), KIRCHBERGER (1975), WRIGHT (1979) in de marxistische traditie, en van SMITH (1965), BANTON (1967, 1970:290), TUMIN (1969), VAN DEN BERGHE (1967) in de conflictsociologische racisme-discussie. Een helder overzicht geeft KATZNELSON (1972).
Uit het feit dat deze politieke kennisbelangen onverenigbaar zijn, moeten echter geen voorbarige theoretische conclusies worden getrokken. Bijv. niet, dat feitelijk bestaande, maatschappelijk dominante prestige-ordeningen onbelangrijk zouden zijn voor de verklaring van collectief politiek conflicthandelen (op dit punt heeft het marxisme een blinde vlek--zie hoofdstuk V). En ook niet, dat bij het onderzoek van feitelijke dominante prestigehiërarchieën eenvoudig geabstraheerd kan worden van de asymmetrische verdeling van de beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen en de politieke conflictsituatie van een maatschappij (en dit is de blindheid van de dominante academische statussociologie).
[78] In de elitetheoretische traditie wordt vaak geprobeerd om deze pathetische resignatie nog te verhullen als normatieve neutraliteit en gewone wetenschappelijke nuchterheid. Vgl. PARETO (1915/9), MICHELS (1957), MOSCA (1950), SOROKIN (1922, 1947). De omslag van Van den Berghe van conflictsociologische in sociobiologische racisme-'theorie' is hiervoor exemplarisch. Vgl. ook de normatief onbepaalde, zich zelfreflexief in de staart bijtende ideologiekritiek van PARKIN (1979).
[79] Het duidelijkste voorbeeld hiervan is DAHRENDORF (1966, 1979).
[80] In de marxistische traditie bleven de normatieve uitgangspunten meestal impliciet en werden nauwelijks pogingen gedaan om ze als zodanig argumentatief te beredeneren. Bij Marx zelf vloeit dit voort uit een historisch gezien begrijpelijke afkeer maar ontoelaatbaar opgespeelde afweer van 'subjectief morele' discoursen, met name van het discours van de 'ware' socialisten. De normatieve blindheid of onderontwikkeling van de marxistische traditie werd terecht, maar met tegengestelde argumenten en consequenties bekritiseerd. Vgl. HABERMAS (1973, 1976, 1981), BUCHANAN (1982), KOLAKOWSKI (1976/80) e.v.a. Vgl. de kritische overzichten en explicatiepogingen van GERAS (1984) en LEIST (1985).
[81] Dezelfde probleemstructuur beheerst het debat van Alexis de Tocqueville tot Hanna Arendt, van Franz Jozef Strausz tot Jozef Stalin. Een overzicht van de klassieke sociale filosofie geeft MACPHERSON (1962). De doorwerking van 'equality versus liberty' in de moderne sociologische en politicologische discussies wordt besproken door VAN DEN BERG (1981). De rechtstheoretische problematiek en grondrecht-interpretatie worden behandeld door BÖCKENFÖRDE (1976) en PREUSS (1979).
[82] Vrijheid en gelijkheid zijn geen elkaar uitsluitende alternatieven, maar het zijn ook geen rechtvaardigheidsbeginselen die elkaar simpelweg aanvullen. Bovendien is het normatieve debat in zoverre veel complexer dat in dit verband minstens ook rekening gehouden zou moeten worden met een derde rechtvaardigheidsbeginsel: 'solidariteit'. De normatieve status van solidariteit is omstreden. RAWLS (1971:105) geeft hiervoor twee redenen:
(a) Het solidariteits- of broederschapsbeginsel zou een minder
specifiek politiek concept zijn: het definieert op zichzelf geen
democratisch recht, maar drukt een bepaalde denkhouding en gedragsvorm uit
zonder welke we het zicht verliezen op de waarden die in deze
democratische rechten zijn uitgedrukt (vgl. PERRY 1944; PENNOCK 1950).
(b)
Het solidariteitsbeginsel zou slechts 'sentimentale gevoelsbanden'
impliceren, en daarom alleen maar relevant zijn voor kleinere
samenlevingsverbanden zoals gezinnen of woongemeenschappen. Solidariteit
op nationale of mondiale schaal zou een onrealistisch perspectief zijn.
In veel politiek-filosofische en normatieve uiteenzettingen figureert solidariteit als een soort morele bastaard waarvoor niemand de verantwoordelijkheid wenst te nemen. Rawls heeft een poging gedaan om het solidariteitsbeginsel in het contractuele model van zijn 'theory of justice' te integreren. Hij herdefinieert het solidariteitsbeginsel als 'difference principle'. Dat is "het idee van het niet willen hebben van grotere voordelen, tenzij dit in het belang is van anderen die er minder goed aan toe zijn" (RAWLS 1971:105). Zie voor kritieken op zijn benadering: MACPHERSON (1973) en de bundels van DANIELS (1975), WALDRON (1984).
[83] Vgl. HAYEK (1960) e.a.
[84] Dit is de kern van de kritieken op het liberalisme van Marx tot Macpherson.
[85] Dit is de kern van de kritieken op de liberale politieke pluralismetheorieën. Vgl. SCHATTSCHNEIDER (1960), SCHARPF (1975) e.a. Ook DAHL (1975) heeft dit later zelf onderkend.
[86] Vgl. de programmatische formules bij MARX (MEW 3:68 e.v; MEW 4:482; MEW 19:19 e.v., 91; vert. Gotha:31). Vgl. TAWNEY (1931), MARSHALL (1950), RAWLS (1971), MACPHERSON (1973).
[87] Marx en Engels waren op dit punt zeer duidelijk. In het door de radicale egalitarist Gracchus BABEUF (1760-97) geïnspireerde Manifeste des égaux van 1794 werd de ruwe vorm van gelijkmakerij programmatisch als volgt geformuleerd: "Verdwijn tenslotte, weerzinwekkend onderscheid van rijk en arm, van groot en klein, van meesters en dienaren, van regeerders en geregeerden. Laat er geen ander verschil meer tussen de mensen zijn dan dat van leeftijd en geslacht. Aangezien allen dezelfde behoeften en dezelfde capaciteiten hebben, laat er daarom voor allen voortaan slechts eenzelfde opleiding zijn, eenzelfde voedsel. Zij zijn tevreden met één zon en dezelfde lucht voor allen; waarom zou niet dezelfde portie en dezelfde kwaliteit van voedsel voor iedereen voldoende zijn?"
[88] In dit opzicht is de 'kritiek op het gelijkheidsdenken' die in het kielzog van het modieuze 'differentiedenken' wordt geleverd zonder meer misleidend. Elke consequent liberale, democratische en socialistische positie moet zonder compromissen vasthouden aan deze gelijkheid van sociale, juridische en politieke toegangskansen, als zij tenminste haar emancipatorische rol niet wil verliezen en tot legitimatielegende van specifieke groepsprivileges wil degenereren. Zonder deze condities kan er geen gelijke vrijheid bestaan.
[89] Het recht op en de kansen om 'anders te zijn', waar het in het 'differentiedenken' om gaat, staat dus niet in tegenspraak met het 'gelijkheidsbeginsel'. Onder de genoemde voorwaarden en bij het overwinnnen van 'nood' en 'gebrek' (zie onder) zou er een pluraliteit van levenskansen, levensstijlen en levenswegen kunnen ontstaan, die verre superieur zou zijn aan de hoogbejubelde individualisering en pluralisering in de 'vrije maatschappijen van het Westen'. Pas door de verwerkelijking van gelijke toegangskansen zou de vrije ontplooiing van maatschappelijk ontwikkelde individualiteit 'rechtvaardig' en niet als privilege van heersende klassen en groepen gerealiseerd worden.
[90] Een consequent, niet 'burgerlijk gehalveerd' liberalisme is dan bijv. niet meer verenigbaar met familiale erfelijke overdracht van beschikkingsmacht. Dit werd overigens ook in de liberale traditie steeds wel onderkend en geformuleerd (bijv. door J.S. Mill; de ambivalenties worden behandeld door BARTSCH 1982; zie ook PARSONS). Het is symptomatisch hoe in dit opzicht de 'liberale' DAHRENDORF zich - minstens sinds 1979 ('Life Chances') - heeft veranderd in een conservatief ! De radicale consequenties uit het liberale principe van de kansengelijkheid in samenhang met het meritocratische verdelingsprincipe werden zoals bekend al MARX door getrokken in zijn schets van de 'eerste fase' van de socialistische maatschappij (MEW 19:19e.v.; vert. Gotha:24 e.v.). Democratisch-socialistische kritiek op het meritocratische verdelingsprincipe zelf moet zich niet alleen bezig houden met 'social contingencies', maar ook met de legitimatie van ongelijke verdeling op de grondslag van 'natuurlijke vaardigheden' en talenten, met 'natural contingencies'. Vgl. exemplarisch RAWLS (1971:72 e.v, 102 e.v).
[91] In principe gebeurt dit met de programmatische formule: 'ieder naar zijn behoeften'. Althans, wanneer de conceptie die daaraan verbonden is in drie opzichten wordt afgebakend:
[93] Omdat we ons hier niet bezig kunnen houden met wetenschapstheoretische problemen laten we het bij dit eenvoudige standaardmodel. We willen er alleen nog op wijzen, (1) dat de geschetste weg van begripsvorming tot aan de empirische toetsing zeker geen eenrichtingsverkeer is, (2) dat we de aard van deze samenhangen open hebben geformuleerd (geen 'covering-law'-model) en (3) dat we hier niet beweren dat de empirische toetsing eenvoudig kan leiden tot het 'weerleggen' van theorieën.
[94] Voor de 'theorieën' van collectief handelen is dit geconstateerd door: GURR (1970), MARX/WOOD (1975), TILLY (1978).
[95] Hiermee maken we natuurlijk geen buiging voor een historicistische of narrativistische opvatting van de geschiedenis. Wij verlangen alleen, dat bijvoorbeeld de mate waarin maatschappijen feitelijk zijn geïntegreerd - vgl. de kritieken van BENDIX (1964), TIPPS (1973) en WEHLER (1976) op de moderniseringstheorieën - en de grenzen van de structurering expliciet tot onderwerp worden gemaakt van theoretisch reflectie en vooral ook van empirisch-historische toetsing. Vgl. algemeen over de betekenis van contingenties voor pro(to)-theoretische strategieën: UNGER (1988).
[96] WIEHN (1968) heeft dit gedaan voor de behandeling van sociale ongelijkheid. ECKSTEIN (1964) voor de behandeling van (internationale) conflicten. Hij formuleert een soortgelijke taakstelling als hier wordt voorgesteld: 1) 'delimination', 2) 'classification and analysis', d.w.z. 'dissection of a subject into its components', 3) 'problemation', d.w.z. 'the formulation of specific problems for theory construction'. Ook de 'Soziologische Kategorienlehre' van Weber, welke onze poging - zoals de lezer gemakkelijk zal herkennen - in veel opzichten heeft beïnvloed, heeft alle kenmerken van een pro-theorie.
We hebben de redenen voor en betekenis van 'pro-' of 'proto-theoretische' strategieën hier beperkt tot ons onderwerp: ongelijkheden en collectief handelen. En we hebben de noodzaak hiervan nogal defensief, quasi als verlegenheidsoplossing geformuleerd. De geschetste probleemsituatie is weliswaar voor ons onderwerp bijzonder markant en opvallend, maar is daarvoor zeker niet alleen kenmerkend. Op goede gronden zou men pro-theoretische strategieën (in vergelijking met de heersende constructie van 'theorieën' of 'modellen') kunnen voorstellen als vruchtbaar alternatief voor vele sociaalwetenschappelijke probleemvelden, ja voor de maatschappijwetenschappen als geheel.
[97] Zo heeft PARKIN (1979:47) zeker gelijk dat het begrip uitbuiting een 'morally weighted concept' is.
[98] Tegenover de vertegenwoordigers van 'normatieve' of 'subjectieve' concepties van sociale wetenschappen - zoals Philipps, Pels, Parkin - stellen wij, dat normatieve oordelen "about the moral standing of class society" (PARKIN 1979:112) bijvoorbeeld niet voldoende informatief en ook niet doorslaggevend zijn voor de keuze en afbakening van het begrip uitbuiting zelf. Op grond van goede theoretische overwegingen kan men argumenteren tegen de oeverloze uitbreiding van het uitbuitingsbegrip door GIDDENS (1973:130 e.v.) en PARKIN (zie hoofdstuk V, 2). Natuurlijk kan men besluiten om geen onderscheid meer te maken tussen 'uitbuiting', 'onderdrukking' en 'discriminatie'. Het gevolg daarvan is echter een gevoelig verlies aan analytisch onderscheidingsvermogen en terminologische precisie, welke juist zulke grote voordelen bieden voor theorievorming, empirisch onderzoek en juist ook voor duidelijke normatieve beoordeling. Overpolitisering en normativisme doen in het algemeen afbreuk aan relationele cognitieve autonomie.
[99] 'Rationele' argumentatie moet zeker niet worden beperkt tot 'cognitieve' argumentatie. Normatieve argumentaties kunnen even 'goed' worden gefundeerd als cognitieve argumentaties. En de kansen om hierover overeenstemming te bereiken zijn zeker niet kleiner (vgl. PHILIPPS 1983; HABERMAS 1981). Maar beide typen van argumentatie moeten niet worden vermengd, zoals bij SCHÄFER (1978). Vgl. de kritieken van BADER (1986, 1980) op Habermas, en op het performatieve discours van KUNNEMAN (1987).
[100] Ook de klassieke dichotomie van 'begripsrealisme' versus 'nominalisme' is eerder een valkuil. Het alternatief voor onhoudbare essentialistische opvattingen, volgens welke begrippen zonder meer 'het wezen der dingen' vatten is niet het ongelimiteerde spel van terminologische willekeur. 'Doelmatigheid' en 'heuristisch nut' creëeren juist de speelruimte voor theoretische argumentatie en empirische controverse, welke zowel door begripsabsolutisme als door 'subjectivistische' en 'nominalistische' interpretaties worden uitgesloten.
[102] Alleen de analytische strategie van desaggregatie van objectieve levensposities maakt het bijv. mogelijk om een nuchtere analyse te geven van beweringen over hun feitelijke homogeniteit/homogenisering versus heterogeniteit/heterogenisering. Vgl. hoofdstuk II, 4.
[103] En ook de hier gepresenteerde studie is een eerste poging, waarin nog veel onbewuste en dus niet onderbouwde opvattingen een rol kunnen spelen, die voortvloeien uit onze eigen 'scholing' door vooral Marx en Weber.
[104] Om misverstanden te voorkomen willen we er nogmaals nadrukkelijk op wijzen, dat we het uitwerken van pro-theorieën of theorieën zeker niet als beschouwen als 'koningsweg' of 'snelweg'.
[105] Soortgelijke eisen aan de praktische handelingsrelevantie van theorieën van collectief handelen worden geformuleerd door: TILLY (1978), ZALD/MCCARTHY (1979:1 e.v.) en FREEMAN (1975). De opvatting over de emancipatorische bijdrage van sociaal-wetenschappelijke kennis zoals die hier is geïmpliceerd werd door BHASKAR (1979:97 e.v. en 1986:169 e.v.) uitgewerkt.
| Inequality & Class | Classes | Subject Areas | Home | Contact |
|---|