Home InternetStudies Sociologen Onderwerpen Samenleven Zoek Contact

De klassentheorie van Marx Marx

IV. Sociaal-historische context

door: Albert Benschop

In uitvoering

Deze tekst is nog in bewerking.

  1. Binding aan sociaal-historisch tijdperk
  2. Semantische context: terminologie en definities
  3. Empirische kritieken
    3.1 Polarisatie en vereenvoudigingsstelling; nieuwe middenklassen
    3.2 Verdwijnen resp. afzwakken van klassentegenstellingen? Noten
III. Theorie-systematische context Inhoud


3 Empirische kritieken

Ik heb al eerder opgemerkt dat veel kritieken op de klassentheorie van Marx getuigen van een meer of minder fundamenteel onbegrip van de methode van Marx, met name omdat het noodzakelijke abstractiekarakter van de klassentheorie wordt miskend. In de empirisch gemotiveerde kritieken[9] wordt de theorie van Marx vaak gemodelleerd tot een onmiddelijke leverancier van empirische ediventies.[10] Deze kritieken richten zich voornamelijk op twee punten.

In de eerste plaats tegen zijn uitspraken over de vereenvoudiging en polarisatie van de klassentegenstellingen, d.w.z. tegen de (historisch-constaterende) stelling dat het tijdperk van de bourgeoisie gekenmerkt wordt door het feit dat het de klassentegenstellingen heeft vereenvoudigd en tegen de historisch-prognostische uitspraak dat de maatschappij steeds meer in twee rechtstreeks tegenover elkaar staande klassen (bourgeoisie en proletariaat) wordt gesplitst.

In de tweede plaats richt de kritiek zich de stelling, dat de klassentegenstellingen die in de kapitalistische produktiewijze zijn verankerd in vergaande mate bepalend zijn voor de structurering van positionele sociale ongelijkheden, voor levensstijl en leefculturen, voor maatschappelijk bewustzijn en daarmee ook voor collectief politiek handelen (resp. ontstaan van politieke handelingscollectieven).

3.1 Polarisatie en vereenvoudigingsstelling; nieuwe middenklassen

"De bevolking is een abstractie, wanneer ik bijvoorbeeld de klassen waaruit zij bestaat, weglaat"
[Marx, Grundrisse, p. 21]

De stelling over de vereenvoudiging van de klassenverhoudingen wordt tegengesproken met een verwijzing naar (1) het voortbestaan van oude respectievelijk de opkomst van nieuwe middenklassen, (2) de toegenomen, in ieder geval niet verdwijnende interne differentiatie van de arbeidersklasse, en (3) de zgn. verburgerlijking van de arbeidersklasse.[11]

De discussie over empirische tendensen in klassenstructuur valt uiteen in drie thema's:

  1. Afhankelijke versus niet-afhankelijke beroepsbevolking: wat zijn de verschuivingen in kwantitatieve verhoudingen van de met eigen produktiemiddelen voor de markt producerende beroepsbevolking ten opzichte van de afhankelijke beroepsbevolking?

  2. Differentiatie naar sectoren: welke verschuivingen doen zich voor in structuur van produktiesectoren van de beroepsbevolking resp. van de loonarbeiders?

  3. Verschuivingen tussen diverse categorieën loonarbeiders: welke veranderingen treden op in de kwantitatieve verhoudingen van produktieve en onproduktieve loonarbeiders van het kapitaal? Welke verschuivingen treden op in de verhouding tussen loonarbeiders werkzaam in winstgeoriënteerde en niet-winstgeoriënteerde arbeidsorganisaties?

  1. Tot het einde van de jaren 70 nam in alle EEG-landen het aandeel van de loonarbeid ten opzichte van de zelfstandigen toe. Ook in de jaren 80 is het aandeel werknemers ten opzichte van de zelfstandigen en meewerkende gezinsleden in de meeste landen niet teruggelopen. Van een betekenisverlies van de loonarbeid en van een 'deproletarisering' is dus geen sprake. Sinds de jaren 80 neemt echter in alle landen het aantal zelfstandigen absoluut toe.

    Tot het midden van de jaren 70 nam het aandeel werknemers aan de beroepsbevolking in alle EEG-landen toe en door een snellere groei van dit aandeel in de minder ontwikkelde landen trad er een zekere toenadering op in het kwantitatieve niveau van de loonarbeid binnen de EEG. Daarna hebben zich slechts kleine veranderingen voorgedaan. In de EEG werd in 1986 met 80,7 % het aandeel werknemers aan de beroepsbevolking weer het niveau van 1977 bereikt. In België, Italië en Grootbrittannië werd dit licht overschreden, terwijl in de andere landen een kleine stijging te constateren is.

    Aandeel van werknemers aan civiele beroepsbevolking van de EEG-landen 1971,1977,1980,1996 (in%)
    Land19711977198019861986:1977
    België82,083,383,381,6-1,2
    Denemarken79,882,584,188,45,9
    BRD83,685,987,187,11,2
    Griekenland42,347,649,749,31,7
    Spanje66,169,969,570,40,5
    Frankrijk78,982,683,284,21,7
    Ierland69,672,575,376,54,0
    Italië67,671,471,470,1-1,3
    Luxemburg81,085,086,088,73,7
    Nederland83,787,987,688,80,9
    Portugal-64,567,468,13,6
    UK92,192,291,989,1-3,1
    EUR12-80,781,380,7-0,1
    USA89,990,790,690,80,1
    Japan66,670,671,774,84,2
    Bron: Eurostat, Revue, Rassegna 1971-1980, Luxembourg 1982, p.120, en idem 1977-1986, Luxembourg 1988, p. 108.

    Tot 1973 liep het aandeel niet-afhankelijken in grote stappen, daarna in kleinere stappen terug. [Hagelstange 1988:115]. Deze ontwikkeling spoort met de theoretische verwachting dat de algemene proletariseringstendens zwakker wordt door de afname van het zelfstandigenaandeel. Dit is echter nog geen voldoende verklaring voor de feitelijke verzwakking van deze tendens. De verschillende dynamiek van de economische ontwikkeling is waarschijnlijk een belangrijker verklaringsgrond. Op middellange of lange termijn nam het tempo van het proletariseringsproces af met het tempo van de economische groei.

    De door de crisis van 1974/75 losgemaakte geforceerde overgang naar bronnen- en dus ook arbeidskrachtbesparenden reproduktietype van het kapitaal is de wezenlijke cesuur voor de verdere ontwikkeling van de klassenstructuur van de kapitalistische industriële staten als geheel. De klassenstructuren van de negen EEG-landen zijn tussen 1961 en 1982 in toenemende mate naar elkaar toegegroeid. Dit langdurige unificatieproces duurde in wezen slechts tot het midden der jaren 70 [Hagelstange 1988:180].

    De algemene conclusie is dat zich in alle landen een duidelijk proletariseringsproces voorgedaan. Alleen in Engeland heeft een licht deproletariseringsproces plaatsgevonden.

    Wat betreft de proletariseringsgraad behoorde de klassenstructuur van de beroepsbevolking in Nederland in 1960 tot de verst ontwikkelde landen (binnen de EEG alleen door Engeland overtroffen). Slechts 21 % van de beroepsbevolking behoorde in 1960 nog tot de zelfstandigen (in 1947 was dit nog 28,5%). In 1970 was dit percentage gedaald tot 16 % en in 1980 tot 13 %. Deze daling zou zich tot aan het einde van de jaren negentig doorzetten. Op dit moment is ongeveer 10% van de beroepsbevolking nog zelfstandig (zowel volgens berekening van arbeidsvolume - 10,3% in 1988 - als volgens de telling van personen in de EBB). In de periode 1960-1990 is het aandeel van de zelfstandigen gehalveerd. Hoewel het proletariseringstempo groter was dan in de EEG als geheel, blijft dit nog duidelijk achter bij dat van de BRD of Frankrijk. Het relatieve tempo waarmee het zelfstandigenaandeel afnam, bleef op lange termijn gezien in Nederland i.t.t. veel andere landen relatief stabiel, hoewel hier de economische dynamiek van de laatste twee cycli duidelijk achterbleef.

  2. Het algemene proletariseringsproces zou de resultante kunnen zijn van zowel proletarisering als deproletarisering in verschillende produktiesectoren. Wat voor maatschappijen in het algemeen opgaat, hoeft immers niet geldig te zijn voor de afzonderlijke produktiesectoren. Daarom moet de feitelijke ontwikkeling van het proletariseringsproces ook worden geanalyseerd voor de drie gewoonlijk onderscheiden sectoren van de economie: de primaire , de secondaire en de tertiaire sector.

    In alle sectoren heeft zich een duidelijke proletariseringsproces voorgedaan. Alleen de bouwnijverheid vertoont in een aantal landen een enigszins afwijkend patroon. Dit geldt met name voor Italië en Denemarken en in nog sterkere mate voor Engeland en de VS. In de BRD, Frankrijk, België, Luxemburg en Ierland zijn deze verschillen echter zo gering dat deze waarschijnlijk alleen door conjuncturele schommelingen worden veroorzaakt.

    De proletarisering binnen de produktiesectoren was in Nederland het sterkst in de commerciële dienstverlening (het aandeel zelfstandigen daalde hier van meer dan 27 % tot onder de 15 %) en in de bouwsector (van 16,5 % tot 11 %), terwijl deze laatste sector in de meeste andere landen juist een stijging in het aandeel van de zelfstandigen vertoont. In de nijverheidssector daalden deze waarden van 6,5 in 1960 tot 4,6 % in 1982. In de landbouw bleef het aandeel van de zelfstandigen min of meer stabiel (74 %). Toch ging er maatschappelijk gezien ook van de landbouw gezien een proletariseringseffect uit. Dit komt omdat de betekenis van deze weinig geproletariseerde sector duidelijk is afgenomen. In plaats van 11 % in 1960 werkten hier in 1982 nog slechts 6% van de actieve beroepsbevolking. De hele verdeling van de beroepsbevolking over de afzonderlijke produktiesectoren was in 1982 tamelijk buitengewoon. Nog slechts minder dan 20 % vervaardigden industriële produkten (alleen in Denemarken ligt deze waarde lager), terwijl meer dan 48 % in de commerci‘le dienstverlening werkten Š meer als in welk ander EEG-land. Samen met het tamelijk kleine sector van de niet-commerciële dienstverlening (bijna 17 % in 1982) is Nederland bijna een 2/3-dienstverleningsmaatschappij.

    De verandering van het aandeel van de zelfstandigen in de beroepsbevolking is altijd de resultante van diverse bewegingen: (1) de hiervoor behandelde proletariserings- en deproletariseringstendens binnen de afzonderlijke produktiesectoren, (2) verschuivingen van personen tussen de afzonderlijke produktiesectoren. De effecten van processen binnen produktiesectoren zijn dus vermengd met effecten van processen tussen produktiesectoren. De effecten van beide processen kunnen elkaar aanvullen of juist tegen elkaar ingaan. Een proletariseringsproces op maatschappelijk niveau impliceert dus niet noodzakelijk dat zich ook binnen de afzonderlijke sectoren of produktiesferen proletariseringstendensen hebben voltrokken. De proletarisering in de maatschappij als geheel kan namelijk onder bepaalde omstandigheden alleen veroorzaakt zijn door het inkrimpen van produktiesectoren met een relatief groot aandeel zelfstandigen. Soms is de mobiliteit tussen verschillende klasseposities die een aantal individuen intra- of intergenerationeel doormaken nauwelijks verbonden met een mobiliteit ook tussen de produktiesectoren, in andere gevallen is de mobiliteit tussen klassen vaker verbonden met mobiliteit tussen produktiesectoren. Wanneer de indeling in produktiesectoren niet louter kunstmatig is en dus iets zegt over de bijzonderheden van elke sector en eventueel zelfs over een typisch produktiemilieu, dan wordt van individuen die niet alleen van klasse maar ook van produktiesector wisselen een groter aanpassingsvermogen vereist dan van degenen die alleen van klassepositie wisselen.

    We kunnen proberen de veranderingen in de klassesamenstelling op te splitsen in een aantal afzonderlijke componenten. Hierbij kunnen een drietal componenten worden geïdentificeerd:

    1. effecten van produktiesectorgebonden veranderingen van de klassenstructuur,
    2. effecten van de verandering van de maatschappelijke structuur als geheel naar produktiesectoren en
    3. de effecten die niet alleen aan de eerste noch alleen aan de tweede component kunnen worden toegeschreven, maar eerder aan het samenwerken of de interactie van beide componenten.

    Welke veranderingen hebben zich voorgedaan in de klassenstructuren van de actieve beroepsbevolking wanneer men de beroepsbevolking slechts in twee klassen (zelfstandigen resp. werknemers) en in zes relatief ongelijk geproportioneerde produktiesectoren indeelt (de drie kleinste produktiesectoren omvatten nauwelijks meer dan 20% van de beroepsbevolking)? Het proletariseringsproces dat zich tussen 1960-82 heeft voorgedaan in de landencombinatie van de EEG en de VS is voor ongeveer 61% het resultaat van veranderingen b’nnen de produktiesectoren. Ongeveer 37% is het gevolg van veranderingen in de produktiesectorenstructuur van de totale economie: de agrarische produktiesector met zijn hoge aandeel zelfstandigen werd kleiner, en de sector van de niet-marktgerichte dienstensector, waarin helemaal geen zelfstandigen werkzaam zijn, groeide. Het zogenaamde interactie-effect is bijzonder klein (1%).

  3. Het proletariseringsproces van de zelfstandigen kan tenslotte worden geanalyseerd vanuit de optiek van de werkzame beroepsbevolking, of nog specifieker van de werkzame beroepsbevolking in de markt- of winstgerichte sector. Het aandeel van de zelfstandigen in de gehele actieve beroepsbevolking (ZM% WBB) daalde in Nederland van 21,2 % in 1960 via 16,3 in 1970 tot 14% in 1980 en 13% in 1986 [en 14,7% in 1987]. Deze daling ligt (in ieder geval tot 1982) iets onder het EEG-gemiddelde ( 8,6 % tussen 1960 en 1982). Wat betreft het aandeel van de zelfstandigen in de actieve beroepsbevolking in de marktgerichte sector (ZM%WBBm) heeft zich net als in alle andere landen - behalve Engeland - ook in Nederland de proletariseringstrend zich doorgezet. Deze trend is echter iets minder sterk dan de proletarisering van de actieve beroepsbevolking als geheel en vertoont in een groter aantal jaren waarden die uit de trend vallen. De proletariseringstendens met betrekking tot de actieve beroepsbevolking in de winstgerichte sector (ZM%WBBw) verschilt nauwelijks van die in de marktgerichte sector. Het relatieve verschil tussen de waarden in de jaren 60 en 90 is bij gelijke quotiënten in alle landen ongeveer gelijk.

    Zelfstandigen in markt- en winstgerichte sectoren in Nederland
     ZM
    %
    WBB
    ZM
    %
    WBBm
    ZM
    %
    WBBw
    196021,1924,7425,59
    197115,9218,5919,25
    198212,8415,4416,98
    Bron: Hagelstange [1988:359]

    Het aandeel van de zelfstandigen (incl. meewerkende gezinsleden) is in Nederland dus duidelijk gedaald, zowel wanneer men de beroepsbevolking, de actieve beroepsbevolking, de actieve beroepsbevolking in markt- of winstgerichte sectoren meet.

3.2 Verdwijnen resp. afzwakken van klassentegenstellingen?

In de maatschappijanalyse van Marx nemen klassentegenstellingen een prominente plaats in. Zij zijn niet alleen de belangrijkste grondslag van het (voort)bestaan van de meest drastische sociale ongelijkheden en structureringsprincipe van positioneel bepaalde verschillen in levenskansen, maar zijn ook in sterke mate bepalend voor de variaties in levensstijlen en leefculturen. En zij hebben niet alleen een overwegende invloed op (traditionele, affectieve, normatieve en vooral strategische) handelingsmotieven en -oriëntaties, maar spelen - mede hierdoor - ook een prominente rol in het ontstaan van politieke handelingscollectieven en in conflicthandelen.

De kritieken die op deze centraliteit van klasse zijn geformuleerd, zijn zeer gevarieerd en kunnen moeilijk onder een hoed worden gebracht (zij liggen niet in elkaars verlengde en kunnen daarom niet zonder meer - en soms per sé niet - worden gecombineerd). De enige noemer waaronder men deze kritieken kan samenvatten is deze: in het moderne maatschappijen van de 20e eeuw is de betekenis van klassentegenstellingen steeds meer afgenomen (zo ze al niet verdwenen zijn) omdat hun structurerende kracht steeds meer door andere factoren en processen wordt opgeheven, afgezwakt of gemodificeerd (exemplarisch: Wrong 1976:121-34 over 'social inequality without stratification').

De reeks factoren en processen waarbij hiernaar wordt verwezen loopt sterk uiteen:

  1. verhoging van de materiële levensstandaard,
  2. toegenomen sociale mobiliteit binnen en tussen de klassen,
  3. de opkomst van de verzorgingsstaat,
  4. de afgenomen betekenis van arbeid ten opzichte van vrije tijd,
  5. de - op basis van (a) tot (c) toegenomen heterogenisering van klasseposities, pluralisering/individualisering van leefstijlen en leefculturen,
  6. de aanhoudende of toenemende betekenis van ascriptieve splitsingslijnen en de opkomst van nieuwe vormen van sociale ongelijkheid en van nieuwe sociale bewegingen,
  7. de afnemende betekenis van klasseongelijkheid voor politiek handelen en bewustzijn.

3.2.1 Verhoging van levensstandaard

Marx voorspelde dat de sociale kloof tussen de twee hoofdklassen van de burgerlijke maatschappij groter zou worden, gedeeltelijk vanwege de toenemende dispariteit tussen hun levensomstandigheden, en gedeeltelijk vanwege de eliminatie van de intermediaire lagen van de bevolking. In tegenstelling tot de nog steeds gangbare opinie, beweerde Marx niet dat de materiële levensstandaard van de werkende klasse absoluut moest dalen door de ontwikkeling van het kapitalisme. Zijn principiële argument was dat deze levenstandaard relatief - in vergelijking met die van de bourgeoisie - zou dalen [zie met name Marx, Loonarbeid en kapitaal].

0) Een aantal fundamentele kenmerken van de klassenstructuur van kapitalistische maatschappijen zijn blijven bestaan. Tegen het einde van de vorige eeuw had in alle ontwikkelde kapitalistische een enorme accumulatie van rijkdom in de handen van de 'upper ten thousand' plaats gevonden en bittere armoede aan de onderkant van maatschappij. Kijken we naar de ontwikkeling van de vermogens- en inkomensverhoudingen dan kunnen er twee globale conclusies worden getrokken.

  1. van een inkomensherverdeling is slechts op zeer bescheiden schaal sprake - bovendien blijkt telkens weer dat ook deze minimale herverdeling zeer instabiel ('conjunctuurgevoelig') is.[12]
  2. se kapitalistenklasse is er grotendeels in geslaagd haar economische (en politieke) dominantie te handhaven [Bottomore/Brym 1989].

1) Vooral de economische groei na 1945 was buitengewoon groot, en meer stabiel dan in eerdere periodes.[13] Deze economische groei ging in de meeste landen gepaard met een uitbreiding van economische planning en overheidsregulatie van de economie en met een substantiële toename van de overheidsuitgaven.

2) Deze transformatie leidde tot het ontstaan van de verzorgingsstaat en het 'welfare capitalism', met belangrijke gevolgen voor de klassenstructuur en klassenrelaties. De belangrijkste oorzaken van armoede waren het gebrek aan regulier werk en de kosten van gezondheidszorg. De verbetering van de levensomstandigheden van de werkende klasse in de kapitalistische maatschappijen na de Tweede Wereldoorlog waren in belangrijke mate het gevolg van de handhaving van volledige werkgelegenheid en de ontwikkeling van de (al dan niet genationaliseerde) gezondheidszorg. Volledige werkgelegenheid betekende niet alleen dat het inkomensniveau van de werkende klasse steeg, maar ook dat de economische bescherming en zekerheid toenamen (iets wat de heersende klassen altijd voor vanzelfsprekend hadden gehouden). De opkomst van de sociale voorzieningen en verzekeringen hebben een veel groter effect op het terugdringen van klasseverschillen dan men van hun economische gevolgen alleen zou verwachten. Zij dragen ertoe bij een gelijkheid te scheppen in de vitale levensvoorwaarden voor alle burgers voorzover zij door iedereen gebruikt kunnen worden. De middenklassen mogen dan meer geprofiteerd hebben van de uitbreiding van de sociale voorzieningen dan de arbeidersklasse, maar bijv. de standaarden van vrije medische verzorging zijn bijvoorbeeld aanzienlijk verbeterd in vergelijking met de tijd dat deze alleen in beperkte mate beschikbaar was voor de armen en bedeelden.

Algemene conclusie: De algemene verbetering van de materiële levensomstandigheden van de werkende klassen in de kapitalistische landen gedurende de afgelopen decennia is grotendeels het gevolg geweest van de snelle groei van het nationale inkomen, waardoor tevens een expansie van de sociale voorzieningen mogelijk werd. Dit heeft echter niet geleidt tot een radikale herverdeling van rijkdom of inkomen tussen de klassen. Bovendien is in de 'maatschappijen van overvloed' een groot deel van de armoede blijven bestaan. De betekenis van deze armoede voor de relaties tussen de klassen is echter anders dan in de negentiende eeuw en in de eerste decennia van de twintigste eeuw.

"Then poverty was the lot of a whole class, and there was no expectation that it could be quickly alleviated within the limits of the capitalist economic system. It separated one class in society distinctly form others, and at the same time engendered a movement of revolt. In the present-day advanced capitalist countries, poverty has largely ceased to be of this kind. It is now less extensive, and is confined to particular groups in the population - old people dependent on state pensions, workers in certain occupations or regions which heve been left behind as a result of technological progress, and other groups of low-paid immigrant workers in some countries, and the unemployed - which, although they constitute a significant proportion of the population (as high as 25 per cent in some cases), are generally too isolated, unorganized, or heterogenous to provide the basis of a radical social movement. These impoverished groups stand in marked contrast with a majority of the working class, which now has a relativily high standard of living compared with its situation half a century ago" [Bottomore 1991:39].

3.2.2 Grotere sociale mobiliteit

1) Sociale mobiliteit en industrialisatie: Algemene premisse is, (a) dat industrialisatie leidt tot verhoging van de mobiliteitsratios en (b) dat industrialisatie de belangrijkste factor van verandering en mobiliteit is (toename van ruimtelijke mobiliteit, verandering van beroepsstructuur, differentiatie van beroepen, verschuiving van beroepskwalificaties, verandering van waardepatronen en mentaliteiten). Probleem hiermee is: (1e) te grove onderscheiding tussen voorindustriële en industriële maatschappij (contrastmodel), (2e) onderschatting van duur en tegenstrijdigheid van transformatieproces, en (3e) overschatting van mobiliteitsratios tijdens de 'omwenteling' van de industriële revolutie.[14] Misschien wel belangrijkste punt: geen onderscheid tussen absolute en relatieve mobiliteit (zie noot) en hierdoor niet in staat de schijnbare paradox te ontwarren: toenemende absolute mobiliteit maar stagnerende relatieve mobiliteit (dit is kern van wat Goldthorpe heeft aangetoond). Opwaardse mobiliteit die zich heeft voorgedaan is eerder het resultaat van veranderingen in de vorm dan in de openheid van de klassenstructuur. Goldthorpe constateert een opmerkelijke stabiliteit in de relatieve mobiliteitskansen.

2) Sociale mobiliteit en politieke gevolgen: De stelling is dat klassebewustzijn van industriële arbeiders resp. loonafhankelijken scherper wordt naarmate hun beroeps- en stijgingsmogelijkheden zich ongunstiger ontwikkelen en hoe dieper hun relatieve kansenongelijkheid was.

Friedrich Engels [1845; MEW 2:250 e.v.] beschouwde de uiterst kleine kansen van Engelse industrie-arbeiders om in de kleinburgerij te klimmen als beslissende factor voor het ontstaan van klassebewustzijn. Werner Sombart [1906:135, Warum gibt es?] meende dat de zwakke ontwikkeling van socialistische bewegingen in de USA grotendeels verklaard kon worden uit de gunstige stijgingsmogelijkheden van de Amerikaanse industrie-arbeiders.

Betekenis van stabiliteit/instabiliteit voor het ontstaan of niet ontstaan van handelingscollectieven (conflictgroepen). Homogeniteit en heterogeniteit van rekruteringspatronen maken het mogelijk om indirecte conclusies te trekken ten aanzien van de structurele kansen van (sociale) klassevorming [Berger 1986, 1987; Goldthorpe 1980,1985]; Herz 1983].[15] ZIE II § 2.2.6

Zie algemeen: Goldthorpe [1980]; voor VS: Thernstrom 1979 [in Kaelbe 1978], voor BRD: Marquardt 1978 [in Kaelbe 1978] en Zwahr 1971; voor Nederland:

3) Sociale mobiliteit en rekrutering van elites: rekrutering van ondernemers, politici en in mindere mate academici. Vooronderstelling is dat de gelijkheid van toegangskansen voor economische en politieke topposities een maatstaf is voor de openheid van industriële resp. democratische maatschappijen. Onderzoek citeren waarin wordt tegengesproken dat deze kansenongelijkheid drastisch genivelleerd zou zijn. Bijvoorbeeld: Bendix/Howton [1959/78] industriële revolutie en economische ontwikkeling hebben kansenongelijkheid bij toegang tot economische topposities in VS slechts weinig veranderd. Vgl. ook: voor Frankrijk: M. Lévy-Leboyer [1974], voor Engeland: Erickson [1959], Guttsman [1974, in Stanworth/Giddens], voor BRD: Kruk [1972], voor W. Europa [Poston [1967], voor Nederland: Dronker.

Afbakening van mobiliteitsbegrip
Ik wil hier slechts kort wijzen op een aantal moeilijkheden de afbakening van het mobiliteitsbegrip:
  1. Er dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen de positionele eenheden waartussen individuen zich bewegen: geografische of ruimtelijke mobiliteit, beroepsmobiliteit, status- of prestigemobiliteit, klassemobiliteit. Deze verschillende vormen van sociale mobiliteit hangen onderling wel samen, maar kunnen niet uit elkaar worden afgeleid resp. tot elkaar worden herleid.

  2. In de tijdsdimensie moet er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen twee personele referntiegroepen: intergenerationele en intragenerationele mobiliteit.

  3. Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen structurele en circulatiemobiliteit. Structurele of 'gedwongen' mobiliteit wordt hierbij in de regel gedefinieerd als dat deel van de totaal geobserverde mobiliteit dat direct kan worden toegeschreven aan veranderingen in de structuur van objectieve mobiliteitskansen; circulatie- of ruilmobiliteit het deel dat niet met dergelijke veranderingen verbonden is. Deze bezwaren tegen dit mechanische en gekunstelde onderscheid hoeven hier niet te worden herhaald. Zie hiervoor: Jackson/Crokect [1964:104 e.v.], Bertaux [1969: 448-90], Goldthorpe [1980:29 e.v.,73 e.v.; 1985:185,197], Herz [1983:168 e.v.], Kaelbe [1978:165].

  4. Tenslotte kan er een onderscheid worden gemaakt tussen absolute en relatieve mobiliteit. Dit onderscheid valt niet samen met dat tussen structrele en circulatiemobiliteit. Absolute mobiliteitsgraden geven de quota weer van de instroom en uitstroom van bezetters van bepaalde klasseposities (resp. beroepposities, sociale lagen), d.w.z. de feitelijk geobserveerde mobiliteit tussen de klassecategorieën. Absolute of de facto mobiliteit wordt in sterke mate beïnvloed door structurele verschuivingen in de omvang van de afzonderlijke klasse- of beroepscategorieën. Omdat absolute mobiliteitskansen in zeer sterke mate afhankelijk zijn van veranderingen die zich voordoen in de structurering van klasseposities zeggen zij als zodanig niet veel over de 'openheid' van een maatschappij. Relatieve mobiliteitsgraden hebben betrekking op de mobiliteitskansen van individuen in vergelijking met de kansen van individuen uit een andere klasse (beroep, sociale laag). Zij indiceren dus de (im)mobiliteitskansen van individuen afkomstig uit een bepaalde sociale klasse m.b.t. een specifieke doelklasse, in verhouding tot de corresponderende kans van individuen die uit een andere klasse afkomstig zijn. Anders geformuleerd: zij indiceren de relatieve kansen van mensen met verschillede klasse-achtergronden om op meer of minder geprivilegieerde klassebestemmingen te komen. De 'openheid' van een maatschappij kan empirisch het beste worden genalyseerd in termen van relatieve mobiliteitskansen [Goldthorpe 1980; Marshall 1990:21 e.v.]
Het probleem van de stabiliteit van structurele klasseposities moet analytisch nauwkeurig worden onderscheiden van het probleem van sociale mobiliteit: de circulatie van individuen tussen verschillende, structureel gestabiliseerde klasseposities [vgl. Bertaux 1977; Bader/Benschop 1988; Benschop 1992:hft. xi]. Voor de structurering van klasseposities is sociale mobiliteit is alszodanig irrelevant. Maar in tegenstelling tot Schumpeter, Dahrendorf e.a. is de mate van sociale mobiliteit juist niet "as such irrelevant to the problem of existence of classes" [Dahrendorf 1959:109].

3.2.3 Opkomst van verzorgingsstaat: verzorgingsklassen

Politieke mechanismen van stratificatie (politieke mediatie van structurering van klasseongelijkheid en van belangengroepen op klassebasis; politieke constitutie van sociale ongelijkheden). (a) 'Politieke regulatie' van ongelijkheid in de moderne verzorgingsstaat [Heinze 1983] en (b) onstaan van nieuwe klassen: verzorgingsklassen [Lepsius 1979], in aanvulling op Weber's notie van verwervings- en bezitsklassen.

Hier eerst vragen en opbouw van SO, p. 19/20 overnemen en aanvullen met bijv. Krätke 1990 en sp. art. over kl. categorieën 1980: Does social security a new class?

De ontwikkeling van de verzorgingsstaat heeft drie effecten teweeg gebracht [Bader/Benschop 1988:19 e.v.].

  1. Met de opkomst van de verzorgingsstaat is de klasse van de huishoudelijke bedienden bijna volledig van het toneel verdwenen: "this escape from one particularly onerous form of subjection to another class is one of the greatest gains which the European working class has made in de twentieth century" [Bottomore 1991:38].

  2. Er zijn nieuwe inkomenscategorieën ontstaan die hun revenuen niet direct uit de ruil van arbeidskracht of geld/kapitaal (als lonen of winsten) en die ook niet meer rechtstreeks afhankelijk zijn van primaire inkomenstrekkers (als niet-meewerkende gezinsleden). Hun inkomens zijn veeleer direct politiek geconstitueerd. Zij ontvangen inkomens op basis van rechtsaanspraken op transferbetalingen van de staat. De vraag is hoe deze categorieën klassenanalytisch gethematiseerd kunnen worden en wat hun verhouding is tot andere inkomensklassen. Deze nieuwe inkomenscategorieën werden bijv. door Lepsius [1979] - en in aansluiting daarop ook door Alber 1984, Krätke 1985:93] aangeduid als 'verzorgingsklassen'. [16]

  3. De klassen- en stratificatiestructuur op minstens drie manieren indirect door de verzorgingsstaat gemodificeerd:
    1. door de groei van loonarbeid in (semi-)overheidsdienst,
    2. door de transfer-effecten van het sociale zekerheidsstelsel, en
    3. door de effecten van sociale voorzieningen (zoals onderwijs, gezondheidszorg en sociale woningbouw).
    De vraag in welke richting deze modificaties gaan en hoe ver zij reiken, wordt niet eenduidig beantwoord.

    "In hoeverre blijven ondanks alle transferbetalingen en herverdelingsprocessen toch de marktinkomens dominant? In hoeverre kan de structuur van het sociale zekerheidsstelsel zich losmaken van kapitalistische verhoudingen op de arbeidsmarkt? In welke richting en met welke effecten werken de herverdelingen via het sociale zekerheidsstelsel? Wat zijn de herverdelingseffecten van door de overheid georganiseerde sociale voorzieningen en de sociale dienstverlening? Binnen welke grenzen kan de (financiering van de) sociale politiek van de overheid zich losmaken van kapitalistische accumulatie? Ontstaat er een structureel geconsolideerde 'nieuwe onderklasse'? Is deze in staat omzichzelf te organiseren? Wat zijn haar politiek-strategische handelingskansen en coalitiemogelijkheden?" [Bader/Benschop 1988:20].

    Herverdeling van inkomens beperkt zich in wezen tot een horizontale verschuiving binnen de groep van afhankelijke werknemers en tast de klassespecifieke vermogensstructuur i.h.b. de verdeling van het eigendom van de produktiemiddelen niet aan (een succesvolle verzorgingsstaat moet tot conclusie komen dat zij zelf een autonome 'bron van welvaart' en recht op werk niet als burgerrecht kan garanderen [cf. Offe, cf. Habermas in onoverzichtelijkheid).

3.2.4 Einde van de arbeidsmaatschappij ?

"Labour or work itself, and the sphere of production, seems to becoming less central to the identity an consciousness of workers, while consumption, especially with respect to housing and transport has become more central to their basis interests" [Stevan Lukes 1980].

De klassieke maatschappijtheorie van Marx - en ook van Weber - ging er van uit, "dat de structuur van de burgerlijke maatschappij wordt vormgegeven door het type van een via de markt gestuurde, kapitalistisch benutte en bedrijfsvormig georganiseerde loonarbeid" [Habermas 1985/89:36].

Zie veel uitvoeriger: Arbeid - Een lastig en omstreden begrip

a) Ongelijkheidsstructurerende kracht en betekenis van loonarbeid:

De betekenis van beroepsarbeid (beroepsrollen en loonarbeid) voor individuen zou zijn afgenomen. Dit blijkt o.a. uit de vlotte interpretatie van de 'erosie van het verwervingsprincipe' [Beck 1986:220 e.v.]. Hier kritisch tegenover staan Bischoff e.a. [1982], Bischoff/Herkommer [1990], Mayer [1987], Strasser [1987]. Berger [1986] neemt een ambivalente positie in. Over de centraliteit van betaalde beroepsarbeid en primair marktinkomen ook bij grotere variëteit van inkomensbronnen van huishoudens: Haller [1983:77;1982:75], Bischoff e.a. [1982:18], Bolte Hradil [1984:57] en de WRR [1977:10,15,111,158].

Volgens André Gorz zou alleen een aristocratie van arbeiders zich nog met hun werk identificeren en zichzelf door arbeid definiëren en hopen om zichzelf in en door arbeid te realiseren [zie mijn TEU-kritiek, zie samenvatting in MARSHALL 1988:2]. Vgl. posities bij: BAUMAN 1982, LIPSET 1981].

Vgl. Offe, Arbeitsgesellschaft - Strukturproblemen und Zukunftperspektiven. Frankfurt. 1984:20 geeft overtuigende aanwijzingen voor "de objectieve afnemende determineringskracht van de bestanddelen arbeid, produktie en loon voor de toestand en ontwikkeling van de maatschappij als geheel".

Hiertegen: de specifieke vorm van maatschappelijke arbeid is nog steeds het dominerende moment in het bewustzijn van de loonafhankelijken [HERKOMMER/BISCHOFF 1979:53,128,137/7,161,165].

3.2.5 Heterogenisering van klasseposities en individualisering van levensstijlen

De solidariteit van gedeelde levensstijl en politieke doeleinden in de arbeidersklasse zou in het moderne kapitalisme met zijn relatief hoge levensstandaard steeds verder zijn ondergraven. Daartegenover wordt het beeld geschetst van een toenemende verdeeldheid en fragmentatie van arbeiders in secties en deelgroepen die elk slechts hun eigen economische deelbelangen nastreven. Hierbij worden twee, niet altijd even duidelijk onderscheiden processen aan de orde gesteld:

(1) Heterogenisering van objectieve klasseposities

Differentiatie en fragmentatie naar arbeidsrechtelijke positie, arbeidssituatie, arbeidsmarktpositie, naar kwalificatie en inkomen, woonverhoudingen enz. cf P. Berger over klasse-(de)structurering. 'Pluralisering' als proces van een voortschreidende differentiatie van maatschappelijke verhoudingen en/of verveelvoudiging van leefwerelden en levensstijlen [Beck 1983:42].[17]

Berger [1987:61] heeft er terecht op gewezen dat meestal een grotere gedifferentieerdheid/ heterogeniteit van klasseongelijkheid wordt aangenomen als men rekening houdt met meer momenten, dimensies of bronnen. Omgekeerd wordt in de regel 'coherentie' of 'consistentie' veronderstelt, deste kleiner het aantal dimensies. Dit is in wezen slechts een logisch gevolg van elke dimensionale uitbreiding van de modelopvattingen van klasse-ongelijkheid. Hoe meer dimensies men onderscheidt hoe meer combinatiemogelijkheden er denkbaar zijn. En alleen al daarom neemt de waarschijnlijkheid van het optreden van 'afwijkende' of 'statusinconsistente' gevallen toe. Een pluralisering van het analytisch perspectief (differentiatie van begripsinstrumentarium en verfijning van meetmethoden) zegt echter weinig over werkelijk-historische differentiatie-, pluraliserings- of individualiseringstendenzen.

(2) Individualisering van levenstijlen.

Door niveauverschuivingen (economische groei, onderwijsexpansie) 'wegsmelten van subculturele klasse-identiteiten' en 'fragmentatie van sociaal-morele milieus', 'onttraditionalisering van standsmatig gekleurde klasseposities' [cf. Beck 1983, 1984,1986; Brand 1985; Berger 1986, 1987, Hradil 1983, 1987, Mooser 1983, 1985; Bolte 1990]. Verveelvoudiging en diversificatie van sociale milieus en deelculturen bij gelijktidige toenadering van veel leef- en consumptiegewoontes [Zie individualiseringstekst in PC en Ongelijkheden p. 26].

Drie aspecten uit elkaar houden:

  1. erosie van traditionele sociaalculturele milieu [Mooser 1983, 1984]

  2. individualisering van levensstijl [Beck 1983,1984,1986,1987]

  3. pluralisering van milieus [Hradil 1987] en van levensstijlen [Zapf e.d. 1987].

Zie voor kritiek o.a. Mayer/Blossfeld [1990:313]: "Waar en wanneer bestonden er in de tijd na de Tweede Wereldoorlog eigenlijk strikt van elkaar gescheiden sociale lagen, subculturele klasse-identiteiten en standsmatig gekleurde klasseposities. Wie het verleden zelf construeert kan hieruit willekeurige trendbeweringen afleiden". Beck en Hradil baseren hun stellingen over de verandering van sociale ongelijkheid niet zozeer op empirisch onderbouwde inzichten in het verleden, maar "reageren veeleer op gehypostaseerde sociologische constructen uit een bepaald soort stratificatietheorie en - empirie. " [idem, vgl. Mayer 1987a].

Volgens Beck werden "door niveauverschuivingen (economische groei, onderwijsexpansie enz.) subculturele klasse-identiteiten in toenemende mate weggesmolten, 'standsmatig' gekleurde klasseposities onttraditionaliseert en processen van een diversicatie en individualisering van levensposities en levenswegen losgemaakt ... waarop het hiérarchiemodel van sociale klassen en lagen geen vat krijgt en de realiteitsclaim van dit model in toenemende mate ter discussie stellen ... De dynamiek van de door de verzorgingsstaat afgedekte abeidsmarkten heeft de sociale klassen in het kapitalisme uitgedunt of opgelost" [Beck 1987:117]. De bijdragen van Beck (en ook Hradil) zijn zeer inspirerend, omvattend en brengen tal van alledaagse waarnemingen onder in een visie. Zij stimuleerden de discussie over soicale ongelijkheid met nieuwe ideeën.

Ook de leden van de arbeidersklasse zouden er in toenemende mate instrumentele, pecuniaire, egoïstische (kortom: kapitalistische) waarden op nahouden. Hierdoor desintegreren de morele referentiekaders waarin de nadruk lag op solidariteit en klasse-loyaliteit. Het accent zou hierdoor steeds meer verschuiven naar het individualisme van de consumptiemaatschappij en het zoeken naar private en persoonlijke bevrediging. En dit zou leidt tot privatisering van individuen en gezinnen ('gezinsindividualisering'). Grotere betekenis van 'post-materiële' behoeften (zoals persoonlijke ontplooing, medezeggenschap). De mogelijkheid dat geavanceerde kapitalistische nationale maatschappijen gekenmerkt kunnen zijn door een aanzienlijke mate van sociale ongelijkheid (met betrekking tot inkomen, onderwijs, beroep, ascriptieve splitsingen) zonder dat tegelijkertijd sociale klassenmilieus optreden [cf. Kreckel 1990:60].

Ev. wijzen op theorie-historische parallel met stellingen die Theodor W. Adorno al in 1942 heeft geformuleerd: "Der unermeßliche Druck der Herrschaft gat die Massen so dissoziiert, daß noch die negative Einheit des Unterdrücktseins zerrissen wird, die im neunzehnten Jahrhundert sie zur Klasse macht... Die Klassenherschaft schickt sie an, die anonyme objektive Form der Klasse zu überleben" [Adorno 1979:375 e.v.]

3.2.6 Toegenomen betekenis van ascriptieve ongelijkheden en opkomst van nieuwe sociale bewegingen

Hierbij onderscheiden tussen (a) betekenis van oude ascriptieve ongelijkheden: sekse specifieke, taal-culturele, generationele, staatsburgerlijke en racistische en (b) de zgn. nieuwe dispariteiten: met name die van resp. gegenereerd door het politieke systeem.

3.2.7 Afnemende betekenis van klasseongelijkheid voor politiek handelen en bewustzijn

Ontkoppeling van klassepositie, levensstijlen en leefculturen; disjunctie tussen klassen en politiek handelen; handelings- en bewustzijnsstructurerende kracht. Hierbij drie aspecten uit elkaar houden:
  1. klasse en levensstijl/leefcultuur,
  2. klasse en bewustzijn: bewustzijnsrelevantie,
    Fatalistische acceptatie van structurele sociale ongelijkheden verbonden met een onvermogen om welk alternatief dan ook waar te nemen. cf Brock 1988.
  3. klasse en politiek handelen: handelingsrelevantie.
    'Breakdown of class-based politics' (Lukes, Hobsbawm, Gorz) als gevolg van heterogenisering van objectieve klasseposities, individualisering van levensstijl (en/of wegsmelten van sociaal-morele milieus) en wegsmelten van (sub)culturele klasse-identiteiten.
De 'utopie van de arbeidsmaatschappij' moest "de subculturele levensvormen van de industriearbeiders als een bron van solidariteit veronderstellen. Ze moest veronderstellen dat de samenwerkingsverbanden binnen de fabriek deze op natuurlijke wijze totstandgekomen solidariteit van de arbeiderssubcultuur zelfs zouden versterken. Deze subculturele levensvormen zijn intussen echter in vergaande mate in verval geraakt. En of hun solidariteitsscheppende kracht op de werkplek geregenereerd kan worden, is enigszins twijfelachtig" [Habermas 1985/89:53].

In deze opvatting hebben de traditionele klassen- resp. stratificatieculturen zozeer aan structurerende kracht verloren, dat van sociale klassen of lagen in de zin van reële grote groepen of zelfs van handelingsbekwame actoren niet meer serieus sprake kan zijn. Dat betekent overigens niet dat het feit van sociale ongelijkheid zelf aan betekenis verloren zou hebben. [vgl. de samenvatting van Kreckel 1989].

Vgl. Hondrich [1984]: dat in het kielzog van de massawelvaart en gestegen kansengelijkheid de feitelijk-objectieve 'handelingswerkelijkheid' en de cultureel-normatieve 'waardewerkelijkheid' van sociale ongelijkheid steeds meer uit elkaar lopen derhalve de subjectief-'lebensweltliche' relevantie van ongelijkheid verandert. Hij refereeert niet - zoals Beck [1983] aan de hierdoor gemodificeerde constitutievoorwaarden van collectieve identiteiten.

==========

De theoretische conjunctuur heeft paradoxen:

"De dynamiek van de arbeidsmarkt die door de verzorgingsstaat wordt gegarandeerd heeft de sociale klassen in het kapitalisme uitgedund en opgelost. Wij staan - marxistisch gedacht - meer en meer tegenover het (nog onbegrepen) fenomeen van een kapitalisme zonder klassen met alle daaraan verbonden structuren en problemen van sociale ongelijkheid" [U. Beck, Risikogesellschaft. Frankfurt 1986:117].

Aan de stelling van het kapitalisme zonder klassen ligt de volgende constructie ten grondslag:

'Kapitalisme zonder (sociale) klasse', een 'klassenloze heerschappijmaatschappij', een 'maatschappij met uitbuiting maar zonder klassen' minstens als theoretische mogelijkheid denken. Vgl. Kreckel 1990 [Klassenbegriff und Ungleichheitsforschung, in: Berger/Hradil 1990] en vooral Thomas 1990 [Marxistische Sozialstrukturtheorie in der aktuellen Soziologiediskussion: eine contradictio in adjecto, in: Berger/Hradil 1990]

III. Theorie-systematische context Inhoud

Index


NOTEN

Index


Home InternetStudies Sociologen Onderwerpen Samenleven Zoek Contact