| Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Home | Zoek | Correspondent | Contact |
|---|


In de eerste plaats tegen zijn uitspraken over de vereenvoudiging en polarisatie van de klassentegenstellingen, d.w.z. tegen de (historisch-constaterende) stelling dat het tijdperk van de bourgeoisie gekenmerkt wordt door het feit dat het de klassentegenstellingen heeft vereenvoudigd en tegen de historisch-prognostische uitspraak dat de maatschappij steeds meer in twee rechtstreeks tegenover elkaar staande klassen (bourgeoisie en proletariaat) wordt gesplitst.
In de tweede plaats richt de kritiek zich de stelling, dat de klassentegenstellingen die in de kapitalistische produktiewijze zijn verankerd in vergaande mate bepalend zijn voor de structurering van positionele sociale ongelijkheden, voor levensstijl en leefculturen, voor maatschappelijk bewustzijn en daarmee ook voor collectief politiek handelen (resp. ontstaan van politieke handelingscollectieven).
"De bevolking is een abstractie, wanneer ik bijvoorbeeld de klassen waaruit zij bestaat, weglaat"
[Marx, Grundrisse, p. 21]
De stelling over de vereenvoudiging van de klassenverhoudingen wordt tegengesproken met een verwijzing naar (1) het voortbestaan van oude respectievelijk de opkomst van nieuwe middenklassen, (2) de toegenomen, in ieder geval niet verdwijnende interne differentiatie van de arbeidersklasse, en (3) de zgn. verburgerlijking van de arbeidersklasse.[11]
De discussie over empirische tendensen in klassenstructuur valt uiteen in drie thema's:
Tot het midden van de jaren 70 nam het aandeel werknemers aan de beroepsbevolking in alle EEG-landen toe en door een snellere groei van dit aandeel in de minder ontwikkelde landen trad er een zekere toenadering op in het kwantitatieve niveau van de loonarbeid binnen de EEG. Daarna hebben zich slechts kleine veranderingen voorgedaan. In de EEG werd in 1986 met 80,7 % het aandeel werknemers aan de beroepsbevolking weer het niveau van 1977 bereikt. In België, Italië en Grootbrittannië werd dit licht overschreden, terwijl in de andere landen een kleine stijging te constateren is.
| Aandeel van werknemers aan civiele beroepsbevolking van de EEG-landen 1971,1977,1980,1996 (in%) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Land | 1971 | 1977 | 1980 | 1986 | 1986:1977 |
| België | 82,0 | 83,3 | 83,3 | 81,6 | -1,2 |
| Denemarken | 79,8 | 82,5 | 84,1 | 88,4 | 5,9 |
| BRD | 83,6 | 85,9 | 87,1 | 87,1 | 1,2 |
| Griekenland | 42,3 | 47,6 | 49,7 | 49,3 | 1,7 |
| Spanje | 66,1 | 69,9 | 69,5 | 70,4 | 0,5 |
| Frankrijk | 78,9 | 82,6 | 83,2 | 84,2 | 1,7 |
| Ierland | 69,6 | 72,5 | 75,3 | 76,5 | 4,0 |
| Italië | 67,6 | 71,4 | 71,4 | 70,1 | -1,3 |
| Luxemburg | 81,0 | 85,0 | 86,0 | 88,7 | 3,7 |
| Nederland | 83,7 | 87,9 | 87,6 | 88,8 | 0,9 |
| Portugal | - | 64,5 | 67,4 | 68,1 | 3,6 |
| UK | 92,1 | 92,2 | 91,9 | 89,1 | -3,1 |
| EUR12 | - | 80,7 | 81,3 | 80,7 | -0,1 |
| USA | 89,9 | 90,7 | 90,6 | 90,8 | 0,1 |
| Japan | 66,6 | 70,6 | 71,7 | 74,8 | 4,2 |
Tot 1973 liep het aandeel niet-afhankelijken in grote stappen, daarna in kleinere stappen terug. [Hagelstange 1988:115]. Deze ontwikkeling spoort met de theoretische verwachting dat de algemene proletariseringstendens zwakker wordt door de afname van het zelfstandigenaandeel. Dit is echter nog geen voldoende verklaring voor de feitelijke verzwakking van deze tendens. De verschillende dynamiek van de economische ontwikkeling is waarschijnlijk een belangrijker verklaringsgrond. Op middellange of lange termijn nam het tempo van het proletariseringsproces af met het tempo van de economische groei.
De door de crisis van 1974/75 losgemaakte geforceerde overgang naar bronnen- en dus ook arbeidskrachtbesparenden reproduktietype van het kapitaal is de wezenlijke cesuur voor de verdere ontwikkeling van de klassenstructuur van de kapitalistische industriële staten als geheel. De klassenstructuren van de negen EEG-landen zijn tussen 1961 en 1982 in toenemende mate naar elkaar toegegroeid. Dit langdurige unificatieproces duurde in wezen slechts tot het midden der jaren 70 [Hagelstange 1988:180].
De algemene conclusie is dat zich in alle landen een duidelijk proletariseringsproces voorgedaan. Alleen in Engeland heeft een licht deproletariseringsproces plaatsgevonden.
Wat betreft de proletariseringsgraad behoorde de klassenstructuur van de beroepsbevolking in Nederland in 1960 tot de verst ontwikkelde landen (binnen de EEG alleen door Engeland overtroffen). Slechts 21 % van de beroepsbevolking behoorde in 1960 nog tot de zelfstandigen (in 1947 was dit nog 28,5%). In 1970 was dit percentage gedaald tot 16 % en in 1980 tot 13 %. Deze daling zou zich tot aan het einde van de jaren negentig doorzetten. Op dit moment is ongeveer 10% van de beroepsbevolking nog zelfstandig (zowel volgens berekening van arbeidsvolume - 10,3% in 1988 - als volgens de telling van personen in de EBB). In de periode 1960-1990 is het aandeel van de zelfstandigen gehalveerd. Hoewel het proletariseringstempo groter was dan in de EEG als geheel, blijft dit nog duidelijk achter bij dat van de BRD of Frankrijk. Het relatieve tempo waarmee het zelfstandigenaandeel afnam, bleef op lange termijn gezien in Nederland i.t.t. veel andere landen relatief stabiel, hoewel hier de economische dynamiek van de laatste twee cycli duidelijk achterbleef.
In alle sectoren heeft zich een duidelijke proletariseringsproces voorgedaan. Alleen de bouwnijverheid vertoont in een aantal landen een enigszins afwijkend patroon. Dit geldt met name voor Italië en Denemarken en in nog sterkere mate voor Engeland en de VS. In de BRD, Frankrijk, België, Luxemburg en Ierland zijn deze verschillen echter zo gering dat deze waarschijnlijk alleen door conjuncturele schommelingen worden veroorzaakt.
De proletarisering binnen de produktiesectoren was in Nederland het sterkst in de commerciële dienstverlening (het aandeel zelfstandigen daalde hier van meer dan 27 % tot onder de 15 %) en in de bouwsector (van 16,5 % tot 11 %), terwijl deze laatste sector in de meeste andere landen juist een stijging in het aandeel van de zelfstandigen vertoont. In de nijverheidssector daalden deze waarden van 6,5 in 1960 tot 4,6 % in 1982. In de landbouw bleef het aandeel van de zelfstandigen min of meer stabiel (74 %). Toch ging er maatschappelijk gezien ook van de landbouw gezien een proletariseringseffect uit. Dit komt omdat de betekenis van deze weinig geproletariseerde sector duidelijk is afgenomen. In plaats van 11 % in 1960 werkten hier in 1982 nog slechts 6% van de actieve beroepsbevolking. De hele verdeling van de beroepsbevolking over de afzonderlijke produktiesectoren was in 1982 tamelijk buitengewoon. Nog slechts minder dan 20 % vervaardigden industriële produkten (alleen in Denemarken ligt deze waarde lager), terwijl meer dan 48 % in de commerci‘le dienstverlening werkten Š meer als in welk ander EEG-land. Samen met het tamelijk kleine sector van de niet-commerciële dienstverlening (bijna 17 % in 1982) is Nederland bijna een 2/3-dienstverleningsmaatschappij.
De verandering van het aandeel van de zelfstandigen in de beroepsbevolking is altijd de resultante van diverse bewegingen: (1) de hiervoor behandelde proletariserings- en deproletariseringstendens binnen de afzonderlijke produktiesectoren, (2) verschuivingen van personen tussen de afzonderlijke produktiesectoren. De effecten van processen binnen produktiesectoren zijn dus vermengd met effecten van processen tussen produktiesectoren. De effecten van beide processen kunnen elkaar aanvullen of juist tegen elkaar ingaan. Een proletariseringsproces op maatschappelijk niveau impliceert dus niet noodzakelijk dat zich ook binnen de afzonderlijke sectoren of produktiesferen proletariseringstendensen hebben voltrokken. De proletarisering in de maatschappij als geheel kan namelijk onder bepaalde omstandigheden alleen veroorzaakt zijn door het inkrimpen van produktiesectoren met een relatief groot aandeel zelfstandigen. Soms is de mobiliteit tussen verschillende klasseposities die een aantal individuen intra- of intergenerationeel doormaken nauwelijks verbonden met een mobiliteit ook tussen de produktiesectoren, in andere gevallen is de mobiliteit tussen klassen vaker verbonden met mobiliteit tussen produktiesectoren. Wanneer de indeling in produktiesectoren niet louter kunstmatig is en dus iets zegt over de bijzonderheden van elke sector en eventueel zelfs over een typisch produktiemilieu, dan wordt van individuen die niet alleen van klasse maar ook van produktiesector wisselen een groter aanpassingsvermogen vereist dan van degenen die alleen van klassepositie wisselen.
We kunnen proberen de veranderingen in de klassesamenstelling op te splitsen in een aantal afzonderlijke componenten. Hierbij kunnen een drietal componenten worden geïdentificeerd:
Welke veranderingen hebben zich voorgedaan in de klassenstructuren van de actieve beroepsbevolking wanneer men de beroepsbevolking slechts in twee klassen (zelfstandigen resp. werknemers) en in zes relatief ongelijk geproportioneerde produktiesectoren indeelt (de drie kleinste produktiesectoren omvatten nauwelijks meer dan 20% van de beroepsbevolking)? Het proletariseringsproces dat zich tussen 1960-82 heeft voorgedaan in de landencombinatie van de EEG en de VS is voor ongeveer 61% het resultaat van veranderingen b’nnen de produktiesectoren. Ongeveer 37% is het gevolg van veranderingen in de produktiesectorenstructuur van de totale economie: de agrarische produktiesector met zijn hoge aandeel zelfstandigen werd kleiner, en de sector van de niet-marktgerichte dienstensector, waarin helemaal geen zelfstandigen werkzaam zijn, groeide. Het zogenaamde interactie-effect is bijzonder klein (1%).
| Zelfstandigen in markt- en winstgerichte sectoren in Nederland | |||
|---|---|---|---|
| ZM % WBB | ZM % WBBm | ZM % WBBw |
|
| 1960 | 21,19 | 24,74 | 25,59 |
| 1971 | 15,92 | 18,59 | 19,25 |
| 1982 | 12,84 | 15,44 | 16,98 |
Het aandeel van de zelfstandigen (incl. meewerkende gezinsleden) is in Nederland dus duidelijk gedaald, zowel wanneer men de beroepsbevolking, de actieve beroepsbevolking, de actieve beroepsbevolking in markt- of winstgerichte sectoren meet.
De kritieken die op deze centraliteit van klasse zijn geformuleerd, zijn zeer gevarieerd en kunnen moeilijk onder een hoed worden gebracht (zij liggen niet in elkaars verlengde en kunnen daarom niet zonder meer - en soms per sé niet - worden gecombineerd). De enige noemer waaronder men deze kritieken kan samenvatten is deze: in het moderne maatschappijen van de 20e eeuw is de betekenis van klassentegenstellingen steeds meer afgenomen (zo ze al niet verdwenen zijn) omdat hun structurerende kracht steeds meer door andere factoren en processen wordt opgeheven, afgezwakt of gemodificeerd (exemplarisch: Wrong 1976:121-34 over 'social inequality without stratification').
De reeks factoren en processen waarbij hiernaar wordt verwezen loopt sterk uiteen:
0) Een aantal fundamentele kenmerken van de klassenstructuur van kapitalistische maatschappijen zijn blijven bestaan. Tegen het einde van de vorige eeuw had in alle ontwikkelde kapitalistische een enorme accumulatie van rijkdom in de handen van de 'upper ten thousand' plaats gevonden en bittere armoede aan de onderkant van maatschappij. Kijken we naar de ontwikkeling van de vermogens- en inkomensverhoudingen dan kunnen er twee globale conclusies worden getrokken.
1) Vooral de economische groei na 1945 was buitengewoon groot, en meer stabiel dan in eerdere periodes.[13] Deze economische groei ging in de meeste landen gepaard met een uitbreiding van economische planning en overheidsregulatie van de economie en met een substantiële toename van de overheidsuitgaven.
2) Deze transformatie leidde tot het ontstaan van de verzorgingsstaat en het 'welfare capitalism', met belangrijke gevolgen voor de klassenstructuur en klassenrelaties. De belangrijkste oorzaken van armoede waren het gebrek aan regulier werk en de kosten van gezondheidszorg. De verbetering van de levensomstandigheden van de werkende klasse in de kapitalistische maatschappijen na de Tweede Wereldoorlog waren in belangrijke mate het gevolg van de handhaving van volledige werkgelegenheid en de ontwikkeling van de (al dan niet genationaliseerde) gezondheidszorg. Volledige werkgelegenheid betekende niet alleen dat het inkomensniveau van de werkende klasse steeg, maar ook dat de economische bescherming en zekerheid toenamen (iets wat de heersende klassen altijd voor vanzelfsprekend hadden gehouden). De opkomst van de sociale voorzieningen en verzekeringen hebben een veel groter effect op het terugdringen van klasseverschillen dan men van hun economische gevolgen alleen zou verwachten. Zij dragen ertoe bij een gelijkheid te scheppen in de vitale levensvoorwaarden voor alle burgers voorzover zij door iedereen gebruikt kunnen worden. De middenklassen mogen dan meer geprofiteerd hebben van de uitbreiding van de sociale voorzieningen dan de arbeidersklasse, maar bijv. de standaarden van vrije medische verzorging zijn bijvoorbeeld aanzienlijk verbeterd in vergelijking met de tijd dat deze alleen in beperkte mate beschikbaar was voor de armen en bedeelden.
Algemene conclusie: De algemene verbetering van de materiële levensomstandigheden van de werkende klassen in de kapitalistische landen gedurende de afgelopen decennia is grotendeels het gevolg geweest van de snelle groei van het nationale inkomen, waardoor tevens een expansie van de sociale voorzieningen mogelijk werd. Dit heeft echter niet geleidt tot een radikale herverdeling van rijkdom of inkomen tussen de klassen. Bovendien is in de 'maatschappijen van overvloed' een groot deel van de armoede blijven bestaan. De betekenis van deze armoede voor de relaties tussen de klassen is echter anders dan in de negentiende eeuw en in de eerste decennia van de twintigste eeuw.
"Then poverty was the lot of a whole class, and there was no expectation that it could be quickly alleviated within the limits of the capitalist economic system. It separated one class in society distinctly form others, and at the same time engendered a movement of revolt. In the present-day advanced capitalist countries, poverty has largely ceased to be of this kind. It is now less extensive, and is confined to particular groups in the population - old people dependent on state pensions, workers in certain occupations or regions which heve been left behind as a result of technological progress, and other groups of low-paid immigrant workers in some countries, and the unemployed - which, although they constitute a significant proportion of the population (as high as 25 per cent in some cases), are generally too isolated, unorganized, or heterogenous to provide the basis of a radical social movement. These impoverished groups stand in marked contrast with a majority of the working class, which now has a relativily high standard of living compared with its situation half a century ago" [Bottomore 1991:39].
2) Sociale mobiliteit en politieke gevolgen: De stelling is dat klassebewustzijn van industriële arbeiders resp. loonafhankelijken scherper wordt naarmate hun beroeps- en stijgingsmogelijkheden zich ongunstiger ontwikkelen en hoe dieper hun relatieve kansenongelijkheid was.
Friedrich Engels [1845; MEW 2:250 e.v.] beschouwde de uiterst kleine kansen van Engelse industrie-arbeiders om in de kleinburgerij te klimmen als beslissende factor voor het ontstaan van klassebewustzijn. Werner Sombart [1906:135, Warum gibt es?] meende dat de zwakke ontwikkeling van socialistische bewegingen in de USA grotendeels verklaard kon worden uit de gunstige stijgingsmogelijkheden van de Amerikaanse industrie-arbeiders.
Betekenis van stabiliteit/instabiliteit voor het ontstaan of niet ontstaan van handelingscollectieven (conflictgroepen). Homogeniteit en heterogeniteit van rekruteringspatronen maken het mogelijk om indirecte conclusies te trekken ten aanzien van de structurele kansen van (sociale) klassevorming [Berger 1986, 1987; Goldthorpe 1980,1985]; Herz 1983].[15] ZIE II § 2.2.6
Zie algemeen: Goldthorpe [1980]; voor VS: Thernstrom 1979 [in Kaelbe 1978], voor BRD: Marquardt 1978 [in Kaelbe 1978] en Zwahr 1971; voor Nederland:
3) Sociale mobiliteit en rekrutering van elites: rekrutering van ondernemers, politici en in mindere mate academici. Vooronderstelling is dat de gelijkheid van toegangskansen voor economische en politieke topposities een maatstaf is voor de openheid van industriële resp. democratische maatschappijen. Onderzoek citeren waarin wordt tegengesproken dat deze kansenongelijkheid drastisch genivelleerd zou zijn. Bijvoorbeeld: Bendix/Howton [1959/78] industriële revolutie en economische ontwikkeling hebben kansenongelijkheid bij toegang tot economische topposities in VS slechts weinig veranderd. Vgl. ook: voor Frankrijk: M. Lévy-Leboyer [1974], voor Engeland: Erickson [1959], Guttsman [1974, in Stanworth/Giddens], voor BRD: Kruk [1972], voor W. Europa [Poston [1967], voor Nederland: Dronker.
|
Hier eerst vragen en opbouw van SO, p. 19/20 overnemen en aanvullen met bijv. Krätke 1990 en sp. art. over kl. categorieën 1980: Does social security a new class?
De ontwikkeling van de verzorgingsstaat heeft drie effecten teweeg gebracht [Bader/Benschop 1988:19 e.v.].
"In hoeverre blijven ondanks alle transferbetalingen en herverdelingsprocessen toch de marktinkomens dominant? In hoeverre kan de structuur van het sociale zekerheidsstelsel zich losmaken van kapitalistische verhoudingen op de arbeidsmarkt? In welke richting en met welke effecten werken de herverdelingen via het sociale zekerheidsstelsel? Wat zijn de herverdelingseffecten van door de overheid georganiseerde sociale voorzieningen en de sociale dienstverlening? Binnen welke grenzen kan de (financiering van de) sociale politiek van de overheid zich losmaken van kapitalistische accumulatie? Ontstaat er een structureel geconsolideerde 'nieuwe onderklasse'? Is deze in staat omzichzelf te organiseren? Wat zijn haar politiek-strategische handelingskansen en coalitiemogelijkheden?" [Bader/Benschop 1988:20].
Herverdeling van inkomens beperkt zich in wezen tot een horizontale verschuiving binnen de groep van afhankelijke werknemers en tast de klassespecifieke vermogensstructuur i.h.b. de verdeling van het eigendom van de produktiemiddelen niet aan (een succesvolle verzorgingsstaat moet tot conclusie komen dat zij zelf een autonome 'bron van welvaart' en recht op werk niet als burgerrecht kan garanderen [cf. Offe, cf. Habermas in onoverzichtelijkheid).
"Labour or work itself, and the sphere of production, seems to becoming less central to the identity an consciousness of workers, while consumption, especially with respect to housing and transport has become more central to their basis interests" [Stevan Lukes 1980].
De klassieke maatschappijtheorie van Marx - en ook van Weber - ging er van uit, "dat de structuur van de burgerlijke maatschappij wordt vormgegeven door het type van een via de markt gestuurde, kapitalistisch benutte en bedrijfsvormig georganiseerde loonarbeid" [Habermas 1985/89:36].
Zie veel uitvoeriger: Arbeid - Een lastig en omstreden begrip
a) Ongelijkheidsstructurerende kracht en betekenis van loonarbeid:
De betekenis van beroepsarbeid (beroepsrollen en loonarbeid) voor individuen zou zijn afgenomen. Dit blijkt o.a. uit de vlotte interpretatie van de 'erosie van het verwervingsprincipe' [Beck 1986:220 e.v.]. Hier kritisch tegenover staan Bischoff e.a. [1982], Bischoff/Herkommer [1990], Mayer [1987], Strasser [1987]. Berger [1986] neemt een ambivalente positie in. Over de centraliteit van betaalde beroepsarbeid en primair marktinkomen ook bij grotere variëteit van inkomensbronnen van huishoudens: Haller [1983:77;1982:75], Bischoff e.a. [1982:18], Bolte Hradil [1984:57] en de WRR [1977:10,15,111,158].
Volgens André Gorz zou alleen een aristocratie van arbeiders zich nog met hun werk identificeren en zichzelf door arbeid definiëren en hopen om zichzelf in en door arbeid te realiseren [zie mijn TEU-kritiek, zie samenvatting in MARSHALL 1988:2]. Vgl. posities bij: BAUMAN 1982, LIPSET 1981].
Vgl. Offe, Arbeitsgesellschaft - Strukturproblemen und Zukunftperspektiven. Frankfurt. 1984:20 geeft overtuigende aanwijzingen voor "de objectieve afnemende determineringskracht van de bestanddelen arbeid, produktie en loon voor de toestand en ontwikkeling van de maatschappij als geheel".
Hiertegen: de specifieke vorm van maatschappelijke arbeid is nog steeds het dominerende moment in het bewustzijn van de loonafhankelijken [HERKOMMER/BISCHOFF 1979:53,128,137/7,161,165].
(1) Heterogenisering van objectieve klasseposities
Differentiatie en fragmentatie naar arbeidsrechtelijke positie, arbeidssituatie, arbeidsmarktpositie, naar kwalificatie en inkomen, woonverhoudingen enz. cf P. Berger over klasse-(de)structurering. 'Pluralisering' als proces van een voortschreidende differentiatie van maatschappelijke verhoudingen en/of verveelvoudiging van leefwerelden en levensstijlen [Beck 1983:42].[17]
Berger [1987:61] heeft er terecht op gewezen dat meestal een grotere gedifferentieerdheid/ heterogeniteit van klasseongelijkheid wordt aangenomen als men rekening houdt met meer momenten, dimensies of bronnen. Omgekeerd wordt in de regel 'coherentie' of 'consistentie' veronderstelt, deste kleiner het aantal dimensies. Dit is in wezen slechts een logisch gevolg van elke dimensionale uitbreiding van de modelopvattingen van klasse-ongelijkheid. Hoe meer dimensies men onderscheidt hoe meer combinatiemogelijkheden er denkbaar zijn. En alleen al daarom neemt de waarschijnlijkheid van het optreden van 'afwijkende' of 'statusinconsistente' gevallen toe. Een pluralisering van het analytisch perspectief (differentiatie van begripsinstrumentarium en verfijning van meetmethoden) zegt echter weinig over werkelijk-historische differentiatie-, pluraliserings- of individualiseringstendenzen.
(2) Individualisering van levenstijlen.
Door niveauverschuivingen (economische groei, onderwijsexpansie) 'wegsmelten van subculturele klasse-identiteiten' en 'fragmentatie van sociaal-morele milieus', 'onttraditionalisering van standsmatig gekleurde klasseposities' [cf. Beck 1983, 1984,1986; Brand 1985; Berger 1986, 1987, Hradil 1983, 1987, Mooser 1983, 1985; Bolte 1990]. Verveelvoudiging en diversificatie van sociale milieus en deelculturen bij gelijktidige toenadering van veel leef- en consumptiegewoontes [Zie individualiseringstekst in PC en Ongelijkheden p. 26].
Drie aspecten uit elkaar houden:
Zie voor kritiek o.a. Mayer/Blossfeld [1990:313]: "Waar en wanneer bestonden er in de tijd na de Tweede Wereldoorlog eigenlijk strikt van elkaar gescheiden sociale lagen, subculturele klasse-identiteiten en standsmatig gekleurde klasseposities. Wie het verleden zelf construeert kan hieruit willekeurige trendbeweringen afleiden". Beck en Hradil baseren hun stellingen over de verandering van sociale ongelijkheid niet zozeer op empirisch onderbouwde inzichten in het verleden, maar "reageren veeleer op gehypostaseerde sociologische constructen uit een bepaald soort stratificatietheorie en - empirie. " [idem, vgl. Mayer 1987a].
Volgens Beck werden "door niveauverschuivingen (economische groei, onderwijsexpansie enz.) subculturele klasse-identiteiten in toenemende mate weggesmolten, 'standsmatig' gekleurde klasseposities onttraditionaliseert en processen van een diversicatie en individualisering van levensposities en levenswegen losgemaakt ... waarop het hiérarchiemodel van sociale klassen en lagen geen vat krijgt en de realiteitsclaim van dit model in toenemende mate ter discussie stellen ... De dynamiek van de door de verzorgingsstaat afgedekte abeidsmarkten heeft de sociale klassen in het kapitalisme uitgedunt of opgelost" [Beck 1987:117]. De bijdragen van Beck (en ook Hradil) zijn zeer inspirerend, omvattend en brengen tal van alledaagse waarnemingen onder in een visie. Zij stimuleerden de discussie over soicale ongelijkheid met nieuwe ideeën.
Ook de leden van de arbeidersklasse zouden er in toenemende mate instrumentele, pecuniaire, egoïstische (kortom: kapitalistische) waarden op nahouden. Hierdoor desintegreren de morele referentiekaders waarin de nadruk lag op solidariteit en klasse-loyaliteit. Het accent zou hierdoor steeds meer verschuiven naar het individualisme van de consumptiemaatschappij en het zoeken naar private en persoonlijke bevrediging. En dit zou leidt tot privatisering van individuen en gezinnen ('gezinsindividualisering'). Grotere betekenis van 'post-materiële' behoeften (zoals persoonlijke ontplooing, medezeggenschap). De mogelijkheid dat geavanceerde kapitalistische nationale maatschappijen gekenmerkt kunnen zijn door een aanzienlijke mate van sociale ongelijkheid (met betrekking tot inkomen, onderwijs, beroep, ascriptieve splitsingen) zonder dat tegelijkertijd sociale klassenmilieus optreden [cf. Kreckel 1990:60].
Ev. wijzen op theorie-historische parallel met stellingen die Theodor W. Adorno al in 1942 heeft geformuleerd: "Der unermeßliche Druck der Herrschaft gat die Massen so dissoziiert, daß noch die negative Einheit des Unterdrücktseins zerrissen wird, die im neunzehnten Jahrhundert sie zur Klasse macht... Die Klassenherschaft schickt sie an, die anonyme objektive Form der Klasse zu überleben" [Adorno 1979:375 e.v.]
In deze opvatting hebben de traditionele klassen- resp. stratificatieculturen zozeer aan structurerende kracht verloren, dat van sociale klassen of lagen in de zin van reële grote groepen of zelfs van handelingsbekwame actoren niet meer serieus sprake kan zijn. Dat betekent overigens niet dat het feit van sociale ongelijkheid zelf aan betekenis verloren zou hebben. [vgl. de samenvatting van Kreckel 1989].
Vgl. Hondrich [1984]: dat in het kielzog van de massawelvaart en gestegen kansengelijkheid de feitelijk-objectieve 'handelingswerkelijkheid' en de cultureel-normatieve 'waardewerkelijkheid' van sociale ongelijkheid steeds meer uit elkaar lopen derhalve de subjectief-'lebensweltliche' relevantie van ongelijkheid verandert. Hij refereeert niet - zoals Beck [1983] aan de hierdoor gemodificeerde constitutievoorwaarden van collectieve identiteiten.
==========
De theoretische conjunctuur heeft paradoxen:
"De dynamiek van de arbeidsmarkt die door de verzorgingsstaat wordt gegarandeerd heeft de sociale klassen in het kapitalisme uitgedund en opgelost. Wij staan - marxistisch gedacht - meer en meer tegenover het (nog onbegrepen) fenomeen van een kapitalisme zonder klassen met alle daaraan verbonden structuren en problemen van sociale ongelijkheid" [U. Beck, Risikogesellschaft. Frankfurt 1986:117].
Aan de stelling van het kapitalisme zonder klassen ligt de volgende constructie ten grondslag:
'Kapitalisme zonder (sociale) klasse', een 'klassenloze heerschappijmaatschappij', een 'maatschappij met uitbuiting maar zonder klassen' minstens als theoretische mogelijkheid denken. Vgl. Kreckel 1990 [Klassenbegriff und Ungleichheitsforschung, in: Berger/Hradil 1990] en vooral Thomas 1990 [Marxistische Sozialstrukturtheorie in der aktuellen Soziologiediskussion: eine contradictio in adjecto, in: Berger/Hradil 1990]
III. Theorie-systematische context
Inhoud
|
|---|
[9] Ik zeg nadrukkelijk 'empirisch gemotiveerde' en niet 'empirisch onderbouwde' kritieken. In sommige kritieken wordt immers wel 'verwezen' naar nieuwe historische omstandigheden en maatschappelijke verschijnselen, maar worden deze niet of nauwelijks empirisch gedemonstreerd. Een uitgebreide bespreking van de empirische referentie die bij alle volgende punten een rol spelen of zouden moeten spelen valt buiten het kader van deze monografie.
[10] Dit staat in ieder geval haaks op de opvatting van Marx: "Het grove empirisme slaat om in valse metafysica, scholastiek, die zich afmat door onmiskenbare empirische verschijnselen direct, door eenvoudige formele abstractie af te leiden uit de algemene wet of ze hiermee overeenkomstig recht te praken" [MEW 26 I:60-1]. Vgl. KADRITZKE [1975:147]
[11] De empirische ontwikkelingen van de Europese klassenstructuur worden uitvoerig geanalyseerd in BENSCHOP [1993 - Klassen, deel III, Ms.]. Vgl. ook HAGELSTANGE [1988:100], met nadruk op ontwikkelingstendensen van klassenstructuur en sectorale structuur. Zie v.d. PIJL [1983] voor bourgeoisie. Vgl. ook algemene, internationale overzicht van arbeidersklasse in de EEG van Lothar WINTER, Klassen und soziale Schichten im Kapitalismus der Gegenwart. Berlin/DDR 1989.
[12] Zie voor Nederland: (oude tekst), zie voor Engeland: Bottomore 1991:36 e.v. en de daar geciteerde literatuur.
[13] In de periode 1918-1939 was de gemiddelde produktiviteitsgroei in Westeuropa 1,7 procent per jaar, terwijl deze tussen 1945-1963 toenam met 3,5 procent per jaar. Het geaggregeerde BNP was in 1963 tweeeneenhalf keer groter dan in 1938. Vgl. M.M. POSTAN [1967 - Economic history of Western Europe, 1945-64. London]; A. MADDISON [1982:96 - Phases of capitalist development. Oxford] laat zien dat de produktiviteit in zestien kapitalistische landen enorm accelereerde in de 'Golden Age' van 1950 tot 1973.
[14] Bij deze 'omwenteling' zijn wel hoge migratieratios vast te stellen, maar lage mobiliteitsratios; en grote kansenongelijkheid. THERNSTROM spreekt van stagnatie van mobiliteitsratios in de 20e eeuw, hoewel in de VS relatief hoge niveau van beroepsmobiliteit en verticale mobiliteit. Hiertegen voor de BRD: KAELBE [1978:109-125].
[15] Vgl. al MICHELS [1922/68:175 - in SEIDEL/JENKIND]: "Die Straffheit der sozialen Klasse wirdt gelähmt, wo die zugehörigkeit der Wirtschaftsmenschen zu ihr einen transitorischen Charakter aufweist und die Übergänge von einer Klasse in die andere leichter sind.... Von Gesellschaftsklassen kann deshalb rigoros nur dan gesprochen werden, wenn die Zugehörigkeit zu einer Klasse auf Lebenszeit besteht...". Een zeker minimum aan stabiliteit en duurzaamheid van het behoren tot een klasse(positie) is noodzakelijk om bijvoorbeeld netwerken van contacten te knopen, collectieve identiteiten en duidingsmodellen, strategieën en organisaties te ontwikkelen. [verplaatsen naar H II: klassepositie - sociale klasse - politiek handelen]. Vgl. BERGER [1990:335].
[16] Tegen deze uitbreiding van de klassenindeling van Max Weber kunnen een aantal bezwaren worden ingebracht. Het is problematisch om het begrip verzorgingsklassen op hetzelfde begripsmatige niveau te situeren als verwervings- en bezitsklassen [BERGER 1986:193]. Bovendien zou men het klassebegrip niet zo ver moeten oprekken dat het principiële verschil tussen sociale transfers via de staat en klassenmatige 'toeëigening via marktkansen' in de constitutie van ongelijke levensposities verdwijnt [KOCKA [1979:164]. Hierdoor zou tegelijkertijd worden onderschat dat er een zeer nauwe correspondentie blijft bestaan tussen markt- en sociale zekerheidspositie [KRÄTKE].
[17] RITSERT [1987] heeft een poging gedaan om de verschillende betekenissen van de term pluralisering in kaart te brengen. Hij onderscheidt de volgende betekenissen:
| Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Home | Zoek | Correspondent | Contact |
|---|