| Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Home | Zoek | Correspondent | Contact |
|---|

|
III. Theorie-systematische context
Inhoud
|
|---|
We komen nu aan de derde en laatste contextuele bundel, de sociaal-historisch context, d.w.z de verhouding van teksten tot het historisch tijdperk waarin zij werden geproduceerd. Hieronder versta ik zowel de situering in de historische actualiteit van het tijdperk waarin Marx en Engels leefden [§ 1], de semantische contextualisering, d.w.z. de plaats van teksten in de alledaagse en wetenschappelijke taalcultuur [§ 2], en last but not least: de relevantie van de in deze teksten vervatte uitspraken (stellingen, hypothesen, prognoses) ten aanzien van actuele klassenverhoudingen [§ 3].
De algemene theorie van klassen in de zuivere kapitalistische produktiewijze bleef zeker niet onberoerd door de specifieke historische kenmerken van het tijdperk waarin Marx en Engels leefden. Zij schreven in een historische periode waarin de kapitalistische arbeidswijze zich in Europa en Noord-Amerika begon te ontwikkelen tot een dominante arbeidswijze. In deze maatschappelijke situatie, die tegenwoordig vaak wordt aangeduid als de fase van het 'vroege' of 'concurrentie-kapitalisme', waren de specifiek kapitalistische klassenstructuren nog sterk vermengd met produktievormen en klassegroeperingen die uit het feodale tijdperk waren overgebleven. Deze concrete sociaal-historische omstandigheden dringen op verschillende manieren door in de algemene theoretische uiteenzetting van de door de kapitalistische produktiewijze gestructureerde klassenverhoudingen.
Dit speelt onder andere een rol bij het aantal klassen dat wordt onderscheiden. Bij het benoemen van de 'hoofdklassen' van het kapitalisme wordt soms gesproken over loonarbeiders-kapitalisten-grondbezitters, nu eens over bourgeoisie-proletariaat, dan weer over bourgeoisie-middenklassen-proletariaat. Soms worden er nadrukkelijk drie hoofdklassen van de moderne maatschapppij onderscheiden [MEW 25, hft. 52; MEW 26.2:461], dan weer: "hier gibt es nur zwei Klassen" [MEW 24:419].[1]
Hoe specifiek historische omstandigheden doordringen in de algemene theorie is tevens zichtbaar in de wijze waarop Marx de verschillende vormen van onproduktieve arbeid bespreekt. Daarbij heeft hij vaak de 'dienende klasse' (bedienden, koks, particuliere chauffeurs enzovoort) op het oog, welke in de huidige ontwikkelingsfase van het kapitalisme nog slechts marginale betekenis heeft. Marx gaat niet of nauwelijks in op de positie van de in loondienst van de staat werkzame categorieën, die geen beschikkingsmacht over produktie- of bestuursmiddelen hebben en ook niet in een directe uitbuitings- en afhankelijkheidsverhouding staat ten opzichte van kapitalistische ondernemers. De reden is simpel: deze nieuwe, loonafhankelijke middenklasse speelde in zijn tijd nog geen rol van betekenis.[2]
|
Een terminologie is het geheel van termen ('termini technici') van een bepaald wetenschapsgebied. De termen van een wetenschap zijn woorden of samengestelde uitdrukkingen die ontleend zijn aan de eigen of een vreemde 'natuurlijke' taal, of die kunstmatig zijn gecreëerd. De betekenis en het gebruik van termen wordt binnen een wetenschap min of meer eenduidig in 'definities' vastgelegd (wat niet uitsluit dat soms hetzelfde woord in verschillende wetenschappen wordt gebruikt als term met verschillende betekenissen). De terminologie van een wetenschap is onderdeel van de wetenschapstaal, d.w.z. het geheel van taalmiddelen van een wetenschap én de regels voor hun gebruik. De grondslag van de wetenschapstaal is de 'natuurlijke' of 'alledaagse' taal. Geen enkele wetenschap kan zich echter beperken tot uitsluitend gebruik van de natuurlijke taal. De natuurlijke of alledaagse taal heeft immers een paar bekende eigenschappen die nadelig zijn voor het gebruik in de wetenschap. In de eerste plaats is de betekenisvariatie van woorden in de natuurlijke taal tamelijk groot, woorden kunnen soms onopvallend snel van betekenis veranderen. In de tweede plaats zijn veel woorden uit de natuurlijke taal meerduidig (zij fungeren in uiteenlopende contexten) en vaak niet scherp afgebakend. In de derde plaats zijn 'natuurlijke' talen weliswaar meer omvattend en flexibel (en daarom meer dan wetenschappelijke begrippen open voor nieuwe ervaringen), maar niet complex [vgl. Bader 1991: hft. VII]. De afzonderlijke wetenschappen kunnen een specifieke terminologie, een eigen vocabulaire ontwikkelen om (1) de eenduidigheid in de gebruikte uitdrukkingen te vergroten en (2) de wijze van uitdrukking te verkorten en overzichtelijker (consistenter, systematischer) te maken. Sommige wetenschappen, zoals de formele logica en methematica, chemie en in mindere mate de economie, beschikken over een wetenschapstaal die gesymboliseerde taal bevat, met uitdrukkingen die nog korter en overzichtelijker zijn dan de loutere termini. De 'ideale' wetenschapstaal is natuurlijk een geformaliseerde taal, waarin de gebreken van de vormregels van de 'natuurlijke' taal maximaal zijn overwonnen. Hoe hoog een wetenschap haar taal ook heeft ontwikkeld, zij kan zich - gelukkig! - nooit volledig emanciperen van de natuurlijke taal. Zij heeft altijd een natuurlijke taal, met al haar flexibiliteiten en meerduidigheden nodig. Zonder deze verbinding met de natuurlijke talen zou niet alleen een inleiding in de terminologie van de betreffende wetenschap onmogelijk zijn, maar ook zou het gebruik van de resultaten van deze wetenschap in andere maatschappelijke gebieden praktisch onmogelijk worden. |
|
In de eerste plaats omdat stand een begrip van de feodale orde is, terwijl het proletariaat daarentegen bij de kapitalistische orde hoort. De bijzonderheid van standen is dat hun leden vanaf hun geboorte met bepaalde, wettelijk vastgelegde voorrechten zijn uitgerust; de overige leden van de maatschappij, die 'niet van stand' zijn worden hierdoor gekenmerkt door rechteloosheid. Bij de karakterisering van de standen wordt dus - net als later bij Weber - de nadruk gelegd op de specifieke werking van conventioneel-juridische garantiemechanismen: privileges (in de zin van toegeëigende beschikkingsmachten) worden als 'voorrechten' geïnstitutionaliseerd en conventioneel gesanctioneerd door positieve of negatieve sociale waardering van de 'eer'. In de tweede plaats benadrukken Marx en Engels - in aansluiting bij Saint-Simon - het principiële argument, dat het proletariaat vanuit haar positie in de maatschappij niet geïntesseerd kan zijn aan privileges. Het gaat er niet om privileges op anderen over te dragen of 'eerlijker' te verdelen. Privileges veronderstellen immers altijd het bestaan van negatief geprivilegieerden, onderdrukten enz. [vgl. Comm. Manifest, MEW 4:472 - vert. p.54]. |
a. Biologische analogieën: ras, geslacht
Loonarbeiders worden door Marx soms aangeduid als een 'ras' van specifieke warenbezitters. De prijs waarvoor de arbeider zijn arbeidskracht verkoopt/verhuurt wordt gedefinieerd als de kosten ter 'instandhouding van zichzelf en zijn ras'. De term 'ras' wordt hier als synoniem voor 'soort', 'slag' of 'klasse' gebruikt en dit kan misverstanden oproepen. Voor de arbeidersklasse gebruikt Marx soms ook de term 'geslacht', als uitdrukking van het regeneratieve aspect, voor het biologische noodlot van de arbeidersklasse.
b. Geologische analogie: laag
Als synoniem voor 'klasse' en soms ook voor 'stand' wordt soms ook de term 'laag' (Schicht, stratum) gebruikt. Maar Marx en Engels spreken zelden ongespecificeerd en buiten de klassendeling over sociale lagen. Zij doen dat eigenlijk alleen in de context van omschrijvingen van het 'volk', dat alle werkenden delen van 'de bevolking' omvat. In deze zin spreken zij over 'alle lagen' van 'de Engelse volksmassa' in het tijdperk van Cromwell [MEW 23:776], en worden de Engelse trekarbeiders aangeduid als een 'volkslaag' van landelijke oorsprong [MEW 23:693].[6]
Meestal refereert de term 'laag' echter aan inkomensverschillen of verschillen in omvang van eigendom van een klasse, welke onder andere tot uiting komen in de levenshouding. Zo is "de bourgeoisie zelf slechts de hoogste laag van de middenklasse" [MEW 11:96]. En met het oog op hun rijkdom en luxueuze levensstijl wordt de kapitalistenklasse met hun aanhang eenmaal aangeduid als 'maatschappelijke lagen' [MEW 23:468]. De relevantie van inkomen als stratificatiecriterium komt echter voornamelijk tot uiting in empirische beschrijvingen van de sociale situatie van de loonarbeidersklasse, welke door loondruk, verarming en werkloosheid wordt gefragmenteerd. Bij de theoretische bepaling en empirische illustratie van de algemene wetten van de kapitalistische accumulatie gaat Marx nader in op "de verschillende lagen van de arbeidersklasse' [MEW 23:666], "de slechtst betaalde lagen van de Britse industriële arbeidersklasse" [MEW 23:684], "de ellende van de strijd toenemende lagen van het actieve reserveleger' [MEW 23:674] en op de sfeer van het pauperisme als "lazaruslaag van de arbeidersklasse" [MEW 23: 673]. Het "bestbetaalde deel van de arbeidersklasse" noemt Marx hun 'aristocratie' [MEW 23:675].
Het begrip 'sociale laag' heeft in het werk van Marx en Engels geen systematische plaats gekregen (dit in tegenstelling tot de aanname in de 'marxistisch-leninistische sociologie'). Men kan dit o.a. aflezen uit een passage uit de Boerenoorlog van Fr. Engels waarin hij spreekt over 'sociale gelaagdheid' ['Schichtenbau'] van Duitsland en over de boeren en plebejers als de "laagste van alle overige standen geëxploiteerde lagen van de natie" [MEW 7:330, 341]. En in het Communistisch Manifest wordt het proletariaat aangeduid als "de onderste laag van de huidige maatschappij" die zich niet kan verheffen "zonder dat de hele bovenbouw van de lagen, die de officiële maatschappij vormen, in de lucht zal springen" [MEW 4:472]. In dezelfde tekst schrijven zij echter over "de lagere lagen van de middenklasse" in de betekenis van laag als onderdeel van klasse. Soms figureert het laagbegrip dus als synoniem voor klasse, soms figureert het als term om de interne differentiatie van klassen ('Feingliederung') aan te duiden. Deze laatste notie is bijv. sterk aanwezig in Revolutie en contra-revolutie in Duitsland: "de grote klasse van de kleine landbouwers... viel zelf weer uiteen in verschillende lagen" [MEW 9:11; vert.:14].
Deze en andere passages maken duidelijk dat Marx en Engels het laagbegrip slechts metaforisch hanteren en geen exacte en consistente klassenterminologie ontwikkelen. En zoals bekend zijn terminologische inconsistenties meestal een indicatie voor een onvoldoende scherp afgebakend begrip, en wijzen dus op theoretische lacunes. Het laagbegrip heeft bij Marx en Engels dus "geen systematische betekenis, noch in het systeem van de kritiek van de politieke economie, noch in de politieke geschriften, waar het meestal op een metaforische wijze wordt gebruikt" [Herkommer 1976a:59]. Ook meer uitvoerige filologische exercities - zoals die van Draper - hebben duidelijk gemaakt dat er op dit punt niet veel van Marx en Engels te leren valt. Dat betekent echter nog niet dat in de theorie van Marx inhoudelijk gezien het laagbegrip niet geïmpliceerd is. Als men het laagbegrip inhoudelijk scherper wil afbakenen moet men niet beginnen met definities, maar moet men het klassenanalytisch onderzoeksprogramma vanuit haar methodologische vooronderstellingen reconstrueren.
De termen 'klasse' en 'klassefractie' zijn eerder structurele en historisch specifieke begrippen. De term (sociale) 'laag' heeft een meer descriptieve, classificerende betekenis. Op zich genomen is 'laag' een even 'chaotische voorstelling van het geheel' [Grundrisse:21] als de abstracte voorstelling van de 'bevolking'. Deze wordt pas begrijpelijk door het inzicht in de klassen waaruit ze bestaat en in de produktiewijze die de bevolking in klassen deelt; als resultaat van zo'n analyse verschijnt de bevolking als een 'rijke totaliteit van vele bepalingen en betrekkingen'. Pas op grond van een dergelijke analyse kan de term 'laag' historische inhoud krijgen als aanduiding van een nadere onderverdeling van een sociale klasse [vgl. Herkommer 1976a, 1976b]. De inhoudelijke en logische relatie tussen de begrippen 'klasse', 'fractie' en 'sociale laag' wordt uitvoerig behandeld in Benschop [1992 - hft. XI].
c. Militaire analogieën: legers, kampen, officieren en onderofficieren
De militaire analogie, die ook verwijst naar de oorsprongen van de loonarbeid in het soldatenwezen, gebruikt Marx meestal betrokken op de sociale organisatie van de industriële arbeid.[7] Ongeacht de rang die de arbeiders in de industriële hiërarchie innemen, zijn loonarbeiders net als soldaten in het leger gedwongen om te functioneren binnen een organisatie waarvan de doelstellingen buiten hun invloedssfeer liggen. De loonarbeiders moeten gehoorzamen aan de belangenrationaliteit van hun 'industriële leger' en op bevel van het betreffende kapitaal moeten zij industriële veldslagen voeren. In de term 'leger' komt op pregnante wijze het maatschappelijke gecombineerde karakter van de grootschalige industriële produktie tot uiting, maar tegelijk ook het repressieve karakter van de organisatie, de disciplinering en de toeëigening van collectieve arbeid [vgl. MEW 23:765].
Uit de voorbeelden die ik eerder heb gegeven blijkt onder andere dat de termen 'klasse' en '(klasse)fractie' niet consistent worden gebruikt. Wat hiervan de betekenis is kan worden gedemonstreerd aan het voorbeeld van de industriële en geldkapitalisten die soms als 'twee specifieke klasse van kapitalisten' worden aangeduid.
In zijn voorbereidende studie voor Het Kapitaal probeert Marx aan te tonen dat het verschil tussen rente en winst een zodanige tastbare vorm aanneemt dat er 'een klasse van monied capitalists' tegenover 'klasse van industrial capitalists' komt te staan [Grundrisse:734]. Zodra de totale winst gesplitst wordt in twee bijzondere soorten revenuen - rente en ondernemerswinst - kunnen daarop 'twee soorten kapitalisten', 'twee bijzondere klassen van kapitalisten' groeien.[8] Dat neemt echter niet weg dat "de algemene economische basis van een klasse in onderscheid van een andere klasse" gevormd wordt door het 'kapitaal in het algemeen' - dat daarom geen loutere abstractie is [idem, p. 735]. Hieruit blijkt enerzijds dat er wel degelijk een inhoudelijk scherp onderscheid gemaakt wordt tussen (a) het 'kapitaal in het algemeen' als algemene economische basis van de klassendeling tussen loonarbeiders en kapitalisten en (b) de onderscheidingen binnen deze algemene klassebepalingen die terug te voeren zijn tot de bijzondere economische vormen waarin deze algemene economische basis is gedifferentieerd. Anderzijds blijkt echter ook dat de klasseterminologie inconsistent en soms regelrecht verwarrend is. Een strikt afgebakende wetenschapstaal is op dit punt - en niet alleen in de Grundrisse - bij Marx niet aanwezig.
In latere teksten, met name in Het Kapitaal, wordt de klasseterminologie weliswaar consistenter, maar ze wordt niet volledig gesystematiseerd. De termen 'klasse' en 'klassefractie' worden wel inhoudelijk gethematiseerd, maar de eenduidigheid in de gebruikte terminologie is zeker niet optimaal. De klassenterminologie wordt dus niet in een strikt afgebakende wetenschapstaal gegoten. Het ontwikkelen van een meer consistente klassenterminologie blijft een van de taken van interpretatie en reconstructie.
III. Theorie-systematische context
Inhoud
|
|---|
[2] Dit is overigens niet de enige reden waarom Marx nauwelijks aandacht besteedt aan de moderne loonafhankelijke middenklassen. Ik heb eerder al betoogd dat dit ook en vooral voortvloeit uit het feit, dat Marx zich in zijn systematische uiteenzetting van de kritiek van de politieke economie bewust beperkt tot de zuivere kapitalistische produktiewijze. Omdat hierbij geabstraheerd wordt van de staat, wordt ook niet ingegaan op klassecategoriën die verankerd zijn in de 'produktiewijze van de staat'. Dit wordt zeer expliciet geformuleerd in Grundrisse, p. 26: de staat en de 'onproduktieve' klassen vallen buiten het onderzoek naar de door het kapitaal gestructureerde klassenverhoudingen en dienen apart behandeld te worden.
[3] Zie DRAPER [1977 I:16 e.v.] voor de samenhang tussen 'ervaringscontext' en 'linguïstische' of 'taalcontext' (de klasse-vocabulaire, de klasse-taal).
[4] In Die Lage der Arbeiterklasse in Engeland (1845) worden m.b.t. de arbeidersklasse voortdurend verschillende termen gelijkbetekenend gehanteerd: 'arbeiders' ('workingmen'), 'proletariërs', 'arbeidersklasse', 'bezitloze klasse' [MEW 2:234]. Zie hiervoor: DRAPER [1977 I:130; 1979 II:33 e.v.], ARMANSKI [1974], Annemarie RICKE, Der Ursprung des Begriffs Proletariat und die Begriffsbestimmung bei Karl Marx.. Freiburg 1929. Zie voor het gebruik van de term middenklasse: OSSOWSKI [1957/62:99], DRAPER [1977:13 e.v.]; RIEGE [1976]. Zie voor bourgeoisie: ARMANSKI [1974].
[5] Met betrekking tot het feodalisme spreken Marx en Engels echter nu eens over klassen, dan weer over standen [vgl. MEW 4:357,469]; de verhouding tussen burgers en slaven in antieke maatschappijen wordt niet steeds als klassenverhouding aangeduid. vgl. MEW 3:23; MEW 4:462.
[6] Vgl. ook het Communistisch Manifest waarin het lompenproletariaat wordt aangeduid als de "lijdelijke verroting van de onderste lagen van de oude maatschappij" [Comm. Man. :53].
[7] Militaire metaforen worden overigens ook in breder verband gebruikt. De term 'Lager' (kamp) is een van de synoniemen die aan het militaire vocabulaire is ontleend: "Meer en meer splitst zich de gehele maatschappij in twee grote vijandelijke kampen, in twee rechtstreeks tegenover elkaar staande klassen: bourgeoisie en proletariaat" [MEW 4:463 - vert. Manifest p. 41].
[8] Het werkelijke verschil tussen winst en rente "bestaat als het verschil tussen een 'moneyed class of capitalists' tegen een 'industrial class of capitalists'. Het feit dat twee van dergelijke klassen tegenover elkaar kunnen komen te staan,... veronderstelt echter dat de meerwaarde die door het kapitaal wordt toegeëigend wordt gescheiden" [Grundrisse:737].
| Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Home | Zoek | Correspondent | Contact |
|---|