| Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Home | Zoek | Correspondent | Contact |
|---|

III. Theorie-systematische context
"Whatever shortcomings they may have,
das ist der Vorzug meiner Schriften,
daß sie ein artistisches Ganzes sind"
[Briefe, p. 127 - aan Engels 24
juni 1865]
De betekenis van diverse formuleringen van het klassebegrip en van de uitwerkingen die Marx aan specifieke klassethema's heeft gegeven is sterk afhankelijk van de specifieke inzet van zijn teksten. Zijn begrippen, stellingen en hypothesen zouden daarom niet moeten worden losgemaakt van het specifieke abstractieniveau van theoretische analyse waarop zij worden geformuleerd en waarvoor zij geldigheid claimen. Zij zouden ook niet ontkoppeld moeten worden van de specifieke - temporele, sociale en geografische - afbakening van de analyse-eenheid die het onderwerp vormt van een empirisch-historisch onderzoeksverslag. Het kennisobject van de klassentheorie is geen enkelvoudige of homogene entiteit: het is een complex van meervoudig gestructureerde verhoudingen dat op onderscheiden abstractieniveaus van theoretische analyse gethematiseerd kan worden en waarbij verschillende analyse-eenheden van empirisch-historisch onderzoek geselecteerd kunnen worden .
We hebben al eerder opgemerkt dat Marx een steeds duidelijker onderscheid begint te maken tussen de analyse van de algemene voorwaarden van het ontstaan en bestaan van klassen ('historisch materialisme') en de analyse klassen in de kapitalistische produktiewijze ('kritiek van de politieke economie'). Er zijn echter nog meer analytische lagen in zijn klassenanalyse te onderscheiden. Klassenverhoudingen worden door Marx op minstens vier abstractieniveaus geanalyseerd:
"De specifieke economische vorm, waarin de onbetaalde meerarbeid uit de directe producenten wordt gepompt, bepaalt de verhouding tussen heersers en overheersten, zoals deze direct uit de produktie zelf voortkomt en op haar beurt bepalend op de produktie terugwerkt. Hierop berust echter de hele organisatie van de economische gemeenschap die uit de produktieverhoudingen zelf voortspruit, en daarmee tegelijk ook haar specifieke politieke organisatie. De directe verhouding van de eigenaars van de produktievoorwaarden tot de directe producenten [...][2] vormt telkens het diepste geheim, de verborgen grondslag van de hele maatschappelijke constructie en dus ook van de politieke vorm van de soevereiniteits- en afhankelijkheidsverhouding, kortom van de gegeven specifieke staatsvorm. Dit neemt niet weg dat dezelfde economische basis [...] door talloze verschillende empirische omstandigheden, natuurlijke voorwaarden, raciale verhoudingen, van buiten werkende historische invloeden enz., oneindige variaties en differentiaties kan vertonen, die alleen te begrijpen zijn door de analyse van deze empirisch gegeven omstandigheden" [MEW 25:799-800].[3]
Deze passage is de meest systematische formulering van de kern van het 'historisch materialisme'. Hieruit blijkt duidelijk "dat zelfs al begint de analyse van het kapitalisme en van de kapitalisten met de begrippen waren en waarde, de maatschappijtheorie van Marx begint vanuit het onderscheid tussen noodzakelijke en meerarbeid" [Therborn 1976:374].
Wat is nu de status van deze zeer algemene reflecties? Wat zijn beperkingen en mogelijke gevaren van deze meest algemene, historische klassentheorie en waarin bestaat haar relevantie?
a) Het algemene klassebegrip van Marx heeft weliswaar een zeer grote historische reikwijdte, maar zij heeft zeker geen bovenhistorische gelding. Het algemene klassenbegrip refereert niet aan de 'hele geschiedenis van de mensheid', maar aan de geschiedenis van de mensheid "sedert de opheffing van de primitieve orde der gens met haar gemeenschappelijk grondbezit" [Engels 1888 KM:27]. De algemeenheid van het klassebegrip wordt gelimiteerd door het feit dat zij refereert aan alle uitbuitingsmaatschappijen. Het is dus geen historisch universeel klassebegrip. Het klassebegrip wordt echter ook niet beperkt tot een enkele, bijvoorbeeld de burgerlijke kapitalistishce maatschappijformatie. De begrippen 'klasse' en 'uitbuiting' zijn niet exclusief gebonden aan kapitalistische verhoudingen - zoals bijvoorbeeld Mombert [1923:228] en Roemer [1982:253] beweren.
b) Marx presenteert geen algemeen historische of filosofische theorie in de zin van een passe-partout voor de analyse van de geschiedenis [vgl. MEW 19:107]. Zijn 'algemene' klassentheorie is dus zeker geen excuus om de feitelijke geschiedenis níet gedetailleerd te bestuderen, maar een leidraad voor historisch onderzoek. Een dergelijke 'algemene' theorie van klassen in produktiewijzen is slechts relevant als men bedenkt:
"In alle maatschappijvormen is het een bepaalde produktie, die alle overige domineert en waarvan de verhoudingen bijgevolg ook rang en invloed van alle overige produktie bepalen. Het is een algemene belichting waarin alle overige kleuren zijn gedompeld en [waardoor] hun specifieke karakter wordt gemodificeerd. Het is een bijzondere ether, die het soortelijk gewicht bepaalt van al het bestaande dat zich daarin verheft" [Grundrisse:27 - vert.:512].
Het primaat van de analyse van de dominerende produktiewijze binnen elke maatschappij levert een belangrijke, verhelderende richtlijn, maar het is geen analytische dwangbuis [vgl. Miliband 1977:15].
c) De wijze waarop een dominerende produktiewijze andere produktievormen en arbeidsverhoudingen structureert en modificeert, de manier waarop zij tevens politieke, staats- en andere levensverhoudingen van de maatschappij structureert, moeten steeds weer opnieuw worden vastgesteld. Het vereist dus telkens weer specifiek en uitvoerig empirisch onderzoek. Vooral ook om te bepalen hoe de politieke en juridische staatsverhoudingen en processen op hun beurt het economische proces bepalen, conditioneren en modificeren.
d) De denkwijze van Marx is op dit punt sterk anti-deterministisch. Hij verwerpt alle transhistorische en absolute determinaties en pleit ervoor steeds rekening te houden met al die talloze verschillende empirische omstandigheden die niet door 'theoretische afleiding', maar slechts door specifieke empirisch-historische analyse begrepen kunnen worden [zie par 2.4].
Vooral de analyses die Marx in Het Kapitaal maakt opereren op dit niveau. Maar ook daarbinnen kunnen de abstractieniveaus nog verder worden gedifferentieerd. De algemene theoretische bepaling van de klassenstructuur is een gecompliceerd proces, dat in verschillende etappes verloopt.Volgens de methode van 'het opstijgen van het abstracte naar het concrete' [MEW 13:632] wordt via een aantal tussenschakels de weg bewandeld van het abstracte analytische niveau van de 'kernstructuren' naar de noodzakelijke 'oppervlaktevormen' van de klassenrelaties in de kapitalistische produktiewijze. Om zijn theoretische object, de klassen van de kapitalistische produktiewijze zuiver in het vizier te krijgen, moet Marx eerst een aantal 'heroïsche abstracties' maken, die vervolgens bij verdere concretisering weer in het theoretisch model worden ingepast.[4] Ik zet een aantal van deze abstracties op een rij.
|
"Class 1 is a group of people who either produce surplus value, but don't own it, or do not produce surplus value, but own it". Op dit abstractieniveau - dat Marx bijna het hele eerste en tweede deel van Het Kapitaal volhoudt - bestaan slechts industriële kapitalisten (die meerwaarde toeëigenen zonder het te produceren) en industriële loonarbeiders (die meerwaarde produceren maar niet ontvangen). "Class 2 is a group of people who receive profit without producing it with their own labour, or do not receive it although they produce it with their labour." Als men de vooronderstelling laat vallen dat industriële kapitalisten hun eigen produkten op de markt brengen, dan moet een nieuwe categorie van commerciële kapitalisten worden geïntroduceerd. Klasse 2 bestaat dus uit actieve - industriële of commerciële - kapitalisten en industriële of commerciële loonarbeiders. De status van commerciële loonarbeiders is anders omdat zij geen meerwaarde produceren, maar commerciële kapitalisten van winst voorzien. "Class 3 is a group of people who appropriate profit without producing it themselves, or receive interest on capital, or neither receive the profit they produce, nor take interest on loaned capital." Laat men ook de vooronderstelling vallen dat industriële ondernemers geen geld lenen maar slechts hun eigen kapitaal gebruiken, dan kan de categorie van geldkapitalisten (en de hier werkzame loonarbeiders) worden geïntroduceerd. Klasse 3 bestaat nu uit actieve kapitalisten en geldkapitalisten versus loonarbeiders van industrieel, commercieel en bankkapitaal. De status van bankemployés is anders, omdat zij geen meerwaarde produceren, maar bankkapitalisten van winst voorzien. "Class 4 is a group of all the people who own the same source of income." Laat men de vooronderstelling vallen dat industriële ondernemers en kapitalistische boeren geen grondrente betalen voor hun land (omdat zij deze zelf bezitten) dan kan de categorie van grondbezitters worden geïntroduceerd. Klasse 4 bestaat nu uit kapitalisten, grondbezitters en loonarbeiders. "Class 5 is group of people with the same source of income." Laat men de vooronderstelling vallen dat ondernemers zelf zorg dragen voor algemeen maatschappelijke en persoonlijke diensten, dan kunnen de 'derde persoonsrubrieken' worden geïntroduceerd. Daarom bestaat klasse 5 niet alleen uit kapitalisten, grondbezitters en loonarbeiders, maar ook uit categorieën die leven van afgeleide inkomens, zoals particuliere dienstverleners, ambtenaren in overheidsdienst. Bij de definitie van klasse 5 wordt de term 'inkomensbron' in gewijzigde betekenis gebruikt: alle mensen hebben een bepaalde inkomensbron die of mede-eigenaars zijn van meerwaarde in de vorm van rente, interest enz., of die van de eersten geld ontvangen van voor hun diensten. "Class 6 is a group of people who have the same source, and a similar level of income." Zodra men de vooronderstelling laat vallen dat alle mensen van een bepaalde klasse min of meer hetzelfde inkomen ontvangen dan kan een nadere differentiatie worden aangebracht tussen grote, midden en kleine kapitalisten; inclusief loondifferentiaties in arbeidersklasse tussen arbeidersaristocratie en slecht betaalde arbeiders. "Class 7 is a group of people with a similar level of income, close realized interests, mode of life and culture." Als men de vooronderstelling laat vallen dat mensen in alle klassen een vergelijkbaar cultureel niveau en levensstijl hebben, dan kan bij de klassedefinitie rekening worden gehouden met de mate van sociaal-culturele homogeniteit van klassen. Klasse 7 bestaat uit de sociaal-culturele entiteiten 'bourgeoisie' en 'proletariaat'. "Class 8 is a class, whose members are class-conscious." Laat men de vooronderstelling vallen dat alle sociale categorieën geen 'literaire' of 'ideologische representanten' kennen, dan moet ook de bewustzijnsdimensie de klassedefinitie worden geïntroduceerd. Klasse 8 is echter nog geen politiek actieve 'class for itself'. "Class 9 is class 8 which has 'political representation'." Als men de vooronderstelling laat vallen dat klassen niet politiek gerepresenteerd en georganiseerd zijn, dan kan de politiek-organisationele dimensie in de klassedefinitie worden geïntroduceerd. Klasse 9 is de politiek actieve klasse 'für sich'. Pas op dit punt krijgt men een meer of minder volledig beeld van klassenstrijd. De sterke kant van deze reconstructie is dat men op deze wijze kan laten zien dat het gevarieerde gebruik van de term klasse een gevolg is van het feit dat er op verschillende abstractieniveaus (met steeds minder idealiserende vooronderstellingen) wordt gewerkt, waarbij de connotaties successievelijk worden gemodificeerd (wat ook betekent dat zij in een conceptuele relatie van concretisering blijven staan). Een groot deel van de vermeende inconsistenties tussen empirisch-historische studies over klassenstructuren en het gesimplificeerde dichotome model van de klassenstructuur in de algemene klassentheorie vloeit voort uit het feit dat er geen rekening wordt gehouden met de specifieke vooronderstellingen van de betreffende abstractieniveaus. De diverse omschrijvingen van klassen worden uit de theorie-systematisch context gelicht en extern met elkaar geconfronteerd. De zwakte van hun reconstructie is echter dat zij de abstractieniveaus niet als 'reële abstracties' in de zin van Marx beschouwen, maar als een soort ideaaltypische modellen in de Weberiaanse zin. Bovendien definiëren zij zelfs op het hoogste abstractieniveau klassen nog als afzonderlijke groepen van mensen en niet als een relationele structuur [vgl. de kritiek van Van Dijk 1984: 338]. |
Het theoretisch object van Het Kapitaal is niet "de produktie in het algemeen" [Grundrisse:7], het analyseert niet de meest abstracte en meest algemene kenmerken die alle tijdperken van de menselijke produktiegeschiedenis gemeen hebben, maar de historisch specifieke produktie- en klassenverhoudingen van de kapitalistische produktiewijze. Bij "de analyse van de economische vormen" [MEW 23:12 - vert. xiv] van de burgerlijke maatschappij, gaat het erom "de zuivere vormbepalingen" vast te houden [Grundrisse:619]. In Het Kapitaal worden de economische verhoudingen geanalyseerd waarin zich het 'stofwisselingsproces mens-natuur' in de burgerlijke maatschappij voltrekt.
Het abstractieniveau van Marx' hele argumentatie in Het Kapitaal veronderstelt dus dat "de werkelijke verhoudingen corresponderen met hun begrip, of wat hetzelfde is: de werkelijke verhoudingen worden slechts uiteengezet voorzover zij haar eigen algemene type uitdrukken" [MEW 25:152]. In alle drie de delen van Het Kapitaal wil Marx uitgaan van de methodische vooronderstelling, dat "de verschijnselen in hun wetmatige, met hun begrip corresponderende gedaante" [MEW 25:199] geanalyseerd moeten worden. Hij wil dus alleen "de interne organisatie van de kapitalistische produktiewijze, zogezegd haar ideale gemiddelde" [MEW 25:839] analyseren.
Historisch gezien bestaat er natuurlijk geen kapitalisme dat volledig correspondeert met haar zuivere begrip. "De burgerlijke maatschappij bestaat niet zuiver, ... niet zichzelf adequaat" [Grundrisse:844], zij wijkt altijd meer of minder van haar zuivere vorm af. Maar bij het ontwerpen van een klassentheorie moet hiervan in eerste instantie worden geabstraheerd. In de theorie moeten de kapitalistische produktie- en klassenverhoudingen in hun 'kernstructuur' [MEW 25:278], in hun zuivere vorm worden geanalyseerd.
In de drie delen van Het Kapitaal wordt dus verslag gedaan van "het algemene onderzoek van de kapitalistische produktie [MEW 25:152]. Dit omvat meer dan de analyse van "het kapitaal in het algemeen", maar minder dan de empirische analyse van de werkelijke dynamiek van de kapitalistische verhoudingen (inclusief concurrentie, krediet, aandelenkapitaal, grondeigendom, loonarbeid, staat, buitenlandse handel, wereldmarkt en krisis).
1 Klassen op het analyseniveau van het kapitaal in het algemeen
Object van de analyse van 'het kapitaal in het algemeen' zijn kenmerken die elk
kapitaal als zodanig gemeen heeft resp. die elke bepaalde som van waarden tot
kapitaal maken [Grundrisse:353]. Het gaat dus om het geheel van eigenschappen
waardoor de waarde als kapitaal zich onderscheidt van louter waarde of geld
[Grundrisse:217]. Op dit meest abstracte niveau van onderzoek van de
kapitalistische produktiewijze wordt enerzijds geabstraheerd van de bijzondere
vormen van het kapitaal, d.w.z. van het warenhandels-, geldhandels- en
rentedragend kapitaal. Deze van het industriële kapitaal onderscheiden
economische verhoudingen mogen de analyse van het kapitaal in het algemeen niet
storen. Anderzijds wordt ook geabstraheerd van het bestaan van het
afzonderlijke kapitaal van andere afzonderlijke kapitalisten.[5] De kapitalist wordt behandeld als toeëigenaar
van de totale meerwaarde, d.w.z. er wordt geabstaheerd van de opsplitsing van
de meerwaarde tussen industriële kapitalisten, commerciële
kapitalisten, bankiers en grondbezitters. Op dit abstractieniveau veronderstelt
Marx dat de totale meerwaarde gelijk is aan de winsten van de industriële
kapitalisten: de term 'industrieel kapitalist' is op dit niveau van toepassing
op elke tak van 'het bedrijfsleven' dat op kapitalistische basis wordt
bedreven.[6]
2 Klassen op het analyseniveau van de afzonderlijke kapitalen
In het verdere verloop van zijn analyse laat Marx deze vooronderstellingen los en wordt zijn analyse stap voor stap concreter. Hij analyseert hoe de totale meerwaarde uiteenvalt in industriële winst, commerciële winst, rente en grondrente, en hij behandelt de concurrentie tussen de kapitalen, krediet, aandelenkapitaal enz.[7] De gedaanten van het kapitaal zoals deze in deel 3
van Het Kapitaal worden geanalyseerd "benaderen dus stapsgewijze de
vorm, waarin zij aan de oppervlakte an de maatschappij, in de actie van de
verschillende kapitalen op elkaar, de concurrentie en in het alledaagse
bewustzijn van de produktie-actoren zelf optreden" [MEW 25:33]. De beweging van
'het opstijgen van het abstracte naar het concrete' wordt door Marx afgerond
met de ontcijfering van de zgn. triniteitsformule, als uitdrukking van de meest
grillige, verdinglijkte en gemystificeerde vormen waarin het geheel van de
kapitalistische produktiewijze zich aan haar produktie-actoren voordoet.[8] De versteende en ten opzichte van elkaar
verzelfstandigde vormen waarin de maatscahppelijke arbeid aan de oppervlakte
van de maatschappij verschijnt (arbeidsloon, winst en grondrente) zijn bij Marx
het systematische uitgangspunt voor zijn klassenanalyse.[9]
Hieruit kan men echter nog niet concluderen dat daarmee de algemene analyse van de kapitalistische produktiewijze is afgesloten (zoals o.a. Grossmann 1929/71:56 meende) en tevens een voldoende grondslag en referentiekader biedt om over te gaan tot empirisch-historische analyse ('Realanalyse'). De analyses die Marx in Het Kapitaal presenteert geven een nog incompleet beeld van de algemene structuur en dynamiek van het kapitaal, waardoor er kortsluitingen optreden wanneer men deze tracht te verinden met de historisch specifieke, empirische bijzonderheden van de maatschappelijke werkelijkheid.
3 Een onvoltooid theorieprogramma
Het algemene analyse van de kapitalistische produktie- en klassenverhoudingen is door Marx zeker niet volledig uitgewerkt. Empirisch-historische analyse van klassenverhoudingen veronderstelt niet alleen gedetailleerd deelonderzoek over concurrentie, krediet, aandelenkapitaal, grondeigendom en loonarbeid. Het veronderstelt ook algemene analyses van staat, buitenlandse handel, wereldmarkt en crisis. Marx was zich hiervan zo pijnlijk
bewust dat hij herhaaldelijk heeft aangegeven welke enorme theoretische taken
er nog in de agenda moeten worden moeten worden gezet.[10] In zijn agenda komen in ieder geval telkens de
volgende drie elementen naar voren.
Binnen de kapitalistische maatschappijformatie is de kapitalistische produktiewijze weliswaar de dominante - andere produktievormen en daarin geïmpliceerde uitbuitings- en klassenrelaties kleurende - wijze van maatschappelijke arbeidsorganisatie, maar het is zeker niet de enige produktievorm. Die andere produktievormen kunnen zijn:
|
De aanpak van Wright [1985] mag 'orthodoxer' lijken, maar is mijns inziens veel produktiever. Een produktiewijze wordt net als bij Marx opgevat als een arbeidsverhouding die gekenmerkt wordt door een effectieve ongelijke beschikkingsmacht over bronnen (bij Wright 'productive resources') welke de mogelijkheid biedt voor toeëigening van meerarbeid, en daarmee de grondslag vormt voor een antagonistische klassenverhouding. De coëxistentie van meerdere klassen in een maatschappijformatie is gebaseerd op de combinatie van verschillende produktiewijzen en verschillende ontwikkelingsstadia van een produktiewijze. Wright specificeert de verschillende manieren waarop deze combinaties kunnen variëren. Hij bespreekt (1) het relatieve gewicht van de verschillende typen exploitatie, (2) de mate waarin deze diverse exploitaties intern of extern aan elkaar verbonden zijn, en (3) de mate waarin intern gerelateerde exploitatieverhoudingen elkaar overlappen of onderscheiden zijn [Wright 1985:109 e.v.]. |
De architectuur van Marx' klassentheorie is in zoverre complex dat zij in verschillende analytische niveaus ('etages van abstractie') is geconstrueerd die elk hun eigen betekenis hebben en op specifieke wijze aan elkaar verbonden zijn. Dit impliceert niet alleen dat men bij de reconstructie van zijn klassentheorie rekening moeten houden met analyseniveaus of logische velden waarbinnen begrippen, hypothesen en stellingen zijn geformuleerd. Het stelt in zekere zin ook eisen aan de manier waarop dit theorieprogramma verder ontwikkeld kan worden en in empirisch-historisch onderzoek kan worden ingezet. Men kan zo'n complex opgebouwde theorie natuurlijk afwijzen omdat ze 'te ingewikkeld' is en de weg naar naar de gewenste empirisch-historische resultaten 'te lang' is. Maar dan zou men ook moeten aangeven hoe de meervoudig gestructureerde arbeids-, uitbuitings- en klassenrelaties 'in één klap' analytisch ontsleuteld kan worden en waar de snelweg ligt die zonder omwegen tot betrouwbare en relevante empirische resultaten leidt.
Een op deze wijze geconcipieerde klassentheorie zou het referentiekader moeten vormen voor het empirisch-historisch onderzoek naar:
We hebben gezien dat Marx' klassentheorie - met name de systematisch aanzet die hij hiervoor in Het Kapitaal geeft - op verschillende abstractie- en concretiseringsniveaus is geconstrueerd. Doorslaggevend hiervoor zijn de opeenvolgende stappen waarin de specifieke maatschappelijke vorm van de arbeidsverhoudingen ('economische vormen') begripsmatig worden ontleed. De interne samenhang tussen deze economische vormen is bepalend voor de 'logica van het kapitaal'. Vanuit deze logica van het kapitaal wordt via een reeks tussenschakels een theoretische reconstructie gegeven van de 'algemene oppervlaktevormen', d.w.z. verschijnselen aan de oppervlakte die kenmerkend zijn voor élk historisch concreet kapitalistisch systeem. In de terminologie van Marx zijn dit de 'noodzakelijke' verschijningsvormen: in de kernstructuur die daaraan ten grondslag ligt moet reeds geïmpliceerd zijn wat er in deze oppervlakte van de kapitaal- en klassenverhoudingen verschijnt.[17]
Deze oppervlaktevormen worden door Marx duidelijk onderscheiden van de historische realiteit van het concrete kapitaal en de concrete klassen. In hun feitelijk empirisch bestaan zijn immers niet naast 'logische wetten' ook talloze andere toevallige factoren werkzaam die per sé niet kunnen worden 'afgeleid' uit het algemene begrip van het kapitaal. De noodzakelijke (of 'substantiële') en de accidentele (historisch contingente) kapitaal- en klassenbeweging doen zich als een onlosmakelijke eenheid aan ons voor. Met behulp van een analyse die opereert met de isolerende abstracties wordt het pas mogelijk om de begrippen van het kapitaal in het algemeen uit te werken, op basis waarvan de concrete empirische verschijnselen die wij kunnen observeren als systeem-structureel en historisch-dynamisch bemiddelde verschijnselen begrepen kunnen worden.[18]
Schema 7 Kern- & oppervlaktestructuur en historisch contingente factoren
In mijn studie over Weber's bijdrage aan de theorie van sociale ongelijkheid en klassen heb ik in hoofdstuk IV, § 5.4 dit schema iets gedifferentieerder uitgewerkt. In dit schema is dubbele ruil van loonarbeid en kapitaal opgenomen, alsmede de relatie tussen toeëigening van meerwaarde en ruil van ekwivalenten.
Een theoretische analyse van de algemene structuur en dynamiek van de klassenverhoudingen kan nooit een vervanging zijn voor de empirische analyse van de klassenverhoudingen in een bepaald land. Uit zijn eigen empirische analyses blijkt dat Marx zich bewust is van het gevaar van schematisme. Hij weet aan dit aan gevaar te ontkomen omdat hij bij het toepassen van zijn klassentheorie zeer goed beseft dat hij daarmee in eerste instantie alleen maar greep krijgt op de concrete empirische, kwantitatieve vorm de fundamentele klassenstructuur en op de essentiële patronen van handelingsstructurering. Wanneer hij eenmaal in grove lijnen een beeld van de klassewerkelijkheid heeft verkregen, wordt ook het verdere verloop van het empirisch onderzoek zichtbaar. In aanvullende detailstudies, die rekening houden met alle relaties en wisselwerkingen, waarvan de interne verband of de logica niet (of nog niet) theoretisch kan worden verklaard, vult hij zijn eerder verkregen inzichten aan, vult hij lacunes op en corrigeert hij zijn eerder gemaakte fouten. Op deze manier probeert hij een schematische werkwijze bij het toepassen van zijn theorie op specifieke lokale of nationale klasseverhoudingen te vermijden. Hij maakt dus niet de fout om alle empirische verhoudingen met hun veelvoudige verschijningsvormen vanuit de 'economische verhoudingen' te verklaren en heeft een scherp oog voor de enorme complexiteit van de wisselwerkingen en voor de historische, nationale, klimatologische enz. bijzonderheden en toevalligheden.[19] Daarom heeft Marx er steeds weer op geattendeerd dat men rekening moet houden met al die "talloze verschillende empirische omstandigheden" die niet door 'theoretische afleiding', maar slechts door specifieke empirisch-historische analyse begrepen kunnen worden [MEW 25:800]. Dit geldt niet alleen voor natuurlijke, klimatologische en geografische omstandigheden en voorwaarden (zoals Nederland's ligging aan de kust en aan Rijnmonding)[20], maar ook voor van buitenaf werkende historische invloeden (zoals wereldoorlogen), de specifieke configuraties van tradities en conventies (zoals de verzuiling in Nederland) en voor etnisch-raciale bevolkingsopbouw (als specifieke effecten van koloniale overheersing en migratie).[21]
Het is niet moeilijk om uit het werk van Marx en Engels een reeks citaten aan te halen waarin schijnbaar tegenstrijdige uitspraken worden gedaan over het aantal klassen in de burgerlijke maatschappij (vgl. de kritieken van Sorokin en Gurvitch). Een populair procedé is om een aantal verschillende 'klassenschema's' naast elkaar te zetten: historische, geschiedsfilosofische, economische en politieke klassenschema's (vgl. de kritieken van Gurvitch, Ossowski en Dahrendorf). De analytisch niveau binnen een methode worden verzelfstandigd in verschillende benaderingen, voor verschillende - decisionistisch bepaalde - doeleinden.[23] Deze kritieken kunnen grotendeels worden teruggevoerd tot onbegrip van de logische structuur en methodologische opbouw van de klassentheorie. (en soms ook wel tot onbegrip van de principes van theorieconstructie als zodanig).
Als men geen rekening houdt met de sociaal-historische specificiteit van de analyse-eenheden dan kan aan specifieke uitspraken gemakkelijk een algemeen historische of maatschappelijke betekenis worden toegekend. Dit speelt bijvoorbeeld een rol bij de interpretatie van de stelling van Marx, dat het industrieel ontwikkelde land een minder ontwikkeld land het beeld van de eigen toekomst voorhoud [MEW 23:12]. Zo kunnen bepaalde stellingen van Marx simpel worden opgevat als algemene historische of maatschappelijke wetten met een geschiedsfilosofisch karakter. Marx is hieraan gedeeltelijk zelf schuldig. Hoewel hij zich later fel keert tegen een dergelijke denkwijze, waagde hij zich eerder soms ook aan geschiedsfilosofische constructies (zie Heilige Familie) en formuleert hij specifieke stellingen vaak niet specifiek genoeg.
II. Theorie-historische context
Inhoud
IV. Sociaal-historische context |
|---|
[2] De specifieke vorm van deze verhouding tussen eigenaars van produktievoorwaarden en directe producenten correspondeert volgens Marx steeds met "een bepaald ontwikkelingsstadium in de wijze van arbeid en dus met de maatschappelijke produktiekracht van de arbeid".
[3] Vgl. ook de volgende passages:
[4] Dit is kenmerkend voor de wijze van theorieconstructie van Marx.
[5] "We hebben hier met het kapitaal als zodanig te maken ... De verscheidenheid enz. van de kapitalen interesseert ons hier nog niet" [Grundrisse:252]. Nadat de eigenschappen van het kapitaal in het algemeen zijn geëxpliciteerd is het pas mogelijk de verhouding tussen de vele afzonderlijke kapitalen te verklaren [Grundrisse:416,217].
[6] Zie voor het begrip 'kapitaal in het algemeen' de baanbrekende studie van ROSDOLSKY [1968 I:61 e.v.].
[7]
Zie voor concurrentie [MEW 25, Afdeling 1 tot 3], krediet en aandelenkapitaal [MEW 25, Afdeling 5], vormen van loonarbeid [MEW 23, Hoofdstuk 8, 17-20,23] en grondeigendom [MEW 25, Afdeling 6]. Vgl. uitvoeriger voor grondrente: RINKLEFF [1974].
Ook deze elementen worden door Marx niet empirisch-historisch maar
algemeen-theoretisch geanalyseerd. In de analyse van de concurrentie gaat het
bijvoorbeeld alleen om de algemene kenmerken van de feitelijke concurrentie die
zich in elke historische ontwikkelingsfase van het kapitaal voordoen. Vgl.
BADER e.a. [1975, Krise und Kapitalismus bei Marx].
[8] De triniteitsformule wordt geanalyseerd in afdeling 7 van het derde deel van Het Kapitaal. "Eindelijk zijn we aanbeland bij de verschijningsvormen die voor de vulgaire econoom als uitgangspunt dienen: grondrente vloeit uit de aarde voort, winst (rente) uit het kapitaal, arbeidsloon uit de arbeid. Vanuit ons standpunt ziet de zaak er echter heel anders uit. De schijnbare beweging wordt verklaard" [MEW 25:33].
[9] De verdienste van Joachim Bischoff en de leden van het voormalige Projekt Klassenanalyse is dat zij dit systematische uitgangspunt van de klassenanlyse serieus hebben genomen. Net als bij Marx gaan hun theoretische analyses van de klassen en van de economische voorwaarden van de klassenstrijd uit van de bestaansvoorwaarden van de klassen van loonarbeiders, kapitalisten en grondeigenaren, van hun respectievelijke inkomensbronnen arbeidsloon, winst en grondrente. "Het systematische uitgangspunt van het volgende onderzoek is dus de analyse van de kant en klare gedaante van de maatschappelijke verhoudingen, zoals deze door Marx ... is gemaakt". Bij de analyse van de verhoudingen waarin de producenten en toeëigenaars van de meerwaarde in hun dagelijkse handelen ten opzichte van elkaar staan, gaat het echter niet alleen om hun directe relaties, maar ook om de wijze waarop deze bemiddeld worden door de 'innerlijke aard' van het kapitalistische produktieproces, "Daarom gaat het geheel van de vormbepalingen van de kapitaalverhouding als vooronderstelling op in het onderzoek van de klassenrelaties" [PKA 1973:19].
[10] Al in de onvoltooid gebleven Einleitung zur Kritik der politischen Ökonomie [sept 1857] geeft Marx aan hoe de indeling van zijn werk moet zijn [MEW 13:639]. In de Grundrisse wordt deze indeling nog tweemaal in ongeveer gelijke bewoordingen maar met een verschillende mate van gedetailleerdheid herhaald [Grundrisse 28, 175,186]. De eerste twee punten van zijn programma zijn telkens: (1) de algemeen abstracte bepalingen, die min of meer aan alle maatschappijformen eigen zijn, en (2) de categorieën die de innterlijke structuur van de burgerlijke maatschappij uitdrukken en waarop de funamentele klassen berusten. Vgl. uitvoeriger: WYGODSKI [1965/74:132 e.v.]
[11] Zie voor interpretatie en uitwerking: PKA [1973:269-305; 1974a], HIRSCH [1973], ARMANSKI e.a. [1975, 1977], KRÄTKE [1984], WRIGHT [1989:325 - over 'mediated class locations'].
[12] Zie voor interpretatie en uitwerking: POULANTZAS [1976:43 e.v]
[13] Zie voor interpretatie en uitwerking: SOST [1981], WALLERSTEIN [1974,1979].
[14] Vgl. MEW 25:94,120,128,152,207,245,323,370,372,413,627,632,772, 839.
[15] Vgl. KRÄTKE [1984:127-37].
[16] Dit laatste geldt natuurlijk niet voor Marx' empirisch-historisch gerichte politieke studies over klassebewegingen in Frankrijk. Maar ook daarin worden de specifieke voorwaarden van klassehandelen niet systematisch behandeld en ook zeker niet pro-theoretisch geordend. Zie voor een uitvoeriger interpretatie van de Frankrijk geschriften van Marx, PKA [1972 - Zur Taktik der proletarischen Partei - Marxsche Klassenanalyse Frankreichs von 1848-71].
[17] In marxistisch jargon wordt dit ook wel aangeduidt als 'algemene empirie' welke niet empirisch-historisch, maar 'logisch' bepaald wordt door 'de wetten van het kapitaal'.
[18] Zie voor uitvoeriger analyses van de architectuur van Het Kapitaal de studies van: ZELENY [1968], REICHELT [1970], ILJENKOW [1973], PEM [1973], PROJEKTGRUPPE ZUR KRITIK DER POLITISCHEN ÖKONOMIE [1973].
[19] Marx maakt overigens ook niet de omgekeerde fout om - gezien het feit dat dergelijke complexe wisselwerkingen empirisch plaatsvinden en schijnbaar het dagelijkse gebeuren bepalen - de wisselsweking zelf tot methodisch uitgangspunt van de empirisch analyse te maken.
[20] "Het is de ligging van Holland die het gemaakt heeft tot wat het werd; zijn ligging aan de grote riviermonden en aan zee, en naar de landkant toe beschermd door onzeker water en even onzeker land" [Jan & Annie ROMEIN, De lage landen bij de zee. Amsterdam 1934/77: 103].
[21] In haar bijdrage tot de economische geschiedenis der 19e eeuw heeft Henriëtte ROLAND-HOLST [1902] in ieder geval gedemonstreerd hoe men al deze historisch contingente factoren en gebeurtenissen (waarvan de onderlinge samenhang geheel niet of slechts zeer indirect aantoonbaar is) in de analyse van de klassenstrutuur en van de politieke klassebewegingen kan betrekken. Meer dan tachtig jaar later heeft Siep STUURMAN [1983] laten zien hoe men de specifiek Nederlandse processen van verzuiling en de specifieke bijzonderheden van de verhoudingen tussen de seksen kan betrekken in het onderzoek naar de politieke krachtsverhoudingen tussen de klassen en de verdichting daarvan in de Nederlandse staatsstructuren.
[22] Vergelijk in dit verband Marx' uiteenzetting van de theorie van de dalende winstvoet. Hierin onderscheidt hij de hoofdtendens (dalende winstvoet) van de tegentendensen (zoals verhoogde intensiteit van uitbuiting, goedkoper worden van elementen van het constant kapitaal enz.).
[23] Vgl. de kritiek van Dos SANTOS en Böhm [1978:69] op Gurvitch, Ossowski en Dahrendorf. Zie ook het excurs over Ossowski in hft. 1, § 5.3.
| Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Home | Zoek | Correspondent | Contact |
|---|