Home InternetStudies Sociologen Onderwerpen Samenleven Zoek Contact

Marx

De klassentheorie van Marx

door: dr. Albert Benschop

III. Theorie-systematische context

  1. Plaats in theoretische structuur: theoretische status
  2. Structuurtheoretische abstractieniveaus
    2.1 Meerdere maatschappijformaties omvattend klassebegrip
    2.2 Klassen in (kapitalistische) produktiewijze
    2.3 Klassen in (kapitalistische) maatschappijformatie
    2.4 Klassen in empirisch-historische maatschappijen
    2.5 Klassebegrippen op niveau: ‘fallacy of misplaced concreteness’
  3. Sociaal-historische reikwijdte: analyse-eenheden
Noten


1 Plaats in theoretische structuur: theoretische status

Bij de theorie-systematische contextualisering van teksten gaat het om de vraag welke plaats de daarin ingenomen begrippen, stellingen en hypothesen hebben in de systematiek resp. de logisch-methodische opbouw van de klassentheorie. Deze vraag kan in twee onderdelen worden behandeld. In de eerste plaats gaat het om de vraag naar de structuur-theoretische status van afzonderlijke begrippen, stellingen en hypothesen in de architectuur van Marx' klassentheorie [§ 2]. In de tweede plaats gaat het om vraag naar de sociaal-historische reikwijdte van die begrippen, stellingen en hypothesen [§ 3].

De betekenis van diverse formuleringen van het klassebegrip en van de uitwerkingen die Marx aan specifieke klassethema's heeft gegeven is sterk afhankelijk van de specifieke inzet van zijn teksten. Zijn begrippen, stellingen en hypothesen zouden daarom niet moeten worden losgemaakt van het specifieke abstractieniveau van theoretische analyse waarop zij worden geformuleerd en waarvoor zij geldigheid claimen. Zij zouden ook niet ontkoppeld moeten worden van de specifieke - temporele, sociale en geografische - afbakening van de analyse-eenheid die het onderwerp vormt van een empirisch-historisch onderzoeksverslag. Het kennisobject van de klassentheorie is geen enkelvoudige of homogene entiteit: het is een complex van meervoudig gestructureerde verhoudingen dat op onderscheiden abstractieniveaus van theoretische analyse gethematiseerd kan worden en waarbij verschillende analyse-eenheden van empirisch-historisch onderzoek geselecteerd kunnen worden .

Index


2 Structuurtheoretische abstractieniveaus

De theoretische status van de diverse begrippen en stellingen bij Marx varieert nogal omdat zij in de structuur, de logisch-methodologische opbouw van zijn klassentheorie een ongelijkwaardige plaats innemen. De analytische opbouw van de Marx' klassentheorie is relatief complex. In zijn systematisch-theoretische uiteenzetting opereert hij op verschillende abstractieniveaus die relatief autonoom, maar ook op specifieke wijze aan elkaar verbonden zijn. Zelf beschouwde hij daarom Het Kapitaal als een dialectisch gestructureerd 'artistiek geheel'.[1] Een groot deel van de constroverses over en kritieken op Marx' klassentheorie vloeit rechtstreeks voort uit een gebrek aan begrip van deze specifieke logische opbouw en methodologische structuur.

We hebben al eerder opgemerkt dat Marx een steeds duidelijker onderscheid begint te maken tussen de analyse van de algemene voorwaarden van het ontstaan en bestaan van klassen ('historisch materialisme') en de analyse klassen in de kapitalistische produktiewijze ('kritiek van de politieke economie'). Er zijn echter nog meer analytische lagen in zijn klassenanalyse te onderscheiden. Klassenverhoudingen worden door Marx op minstens vier abstractieniveaus geanalyseerd:

2.1 Meerdere maatschappijformaties omvattend klassebegrip

Het meest abstract zijn de teksten waarin een 'zuiver' model van klasseheerschappij wordt gepresenteerd dat op alle typen uitbuitings- en klassesystemen van toepassing is. In zijn aanzet voor een algemene of historische theorie van de klassen onderzoekt Marx de verschillende vormen waarin meerarbeid aan de directe producenten wordt onttrokken: onteigening/toeëigening van meerarbeid onder voorwaarde van beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen. Het uitgangspunt daarbij is dat de historisch specifieke wijze van organisatie van de maatschappelijke arbeid ('produktiewijze') telkens de specifieke uitbuitings- en klassenverhoudingen structureert. Centraal staat dus zijn theorie over verschillende produktiewijzen. Aan het slot van het derde deel van Het Kapitaal wordt dit als volgt samengevat:

"De specifieke economische vorm, waarin de onbetaalde meerarbeid uit de directe producenten wordt gepompt, bepaalt de verhouding tussen heersers en overheersten, zoals deze direct uit de produktie zelf voortkomt en op haar beurt bepalend op de produktie terugwerkt. Hierop berust echter de hele organisatie van de economische gemeenschap die uit de produktieverhoudingen zelf voortspruit, en daarmee tegelijk ook haar specifieke politieke organisatie. De directe verhouding van de eigenaars van de produktievoorwaarden tot de directe producenten [...][2] vormt telkens het diepste geheim, de verborgen grondslag van de hele maatschappelijke constructie en dus ook van de politieke vorm van de soevereiniteits- en afhankelijkheidsverhouding, kortom van de gegeven specifieke staatsvorm. Dit neemt niet weg dat dezelfde economische basis [...] door talloze verschillende empirische omstandigheden, natuurlijke voorwaarden, raciale verhoudingen, van buiten werkende historische invloeden enz., oneindige variaties en differentiaties kan vertonen, die alleen te begrijpen zijn door de analyse van deze empirisch gegeven omstandigheden" [MEW 25:799-800].[3]

Deze passage is de meest systematische formulering van de kern van het 'historisch materialisme'. Hieruit blijkt duidelijk "dat zelfs al begint de analyse van het kapitalisme en van de kapitalisten met de begrippen waren en waarde, de maatschappijtheorie van Marx begint vanuit het onderscheid tussen noodzakelijke en meerarbeid" [Therborn 1976:374].

Wat is nu de status van deze zeer algemene reflecties? Wat zijn beperkingen en mogelijke gevaren van deze meest algemene, historische klassentheorie en waarin bestaat haar relevantie?

a) Het algemene klassebegrip van Marx heeft weliswaar een zeer grote historische reikwijdte, maar zij heeft zeker geen bovenhistorische gelding. Het algemene klassenbegrip refereert niet aan de 'hele geschiedenis van de mensheid', maar aan de geschiedenis van de mensheid "sedert de opheffing van de primitieve orde der gens met haar gemeenschappelijk grondbezit" [Engels 1888 KM:27]. De algemeenheid van het klassebegrip wordt gelimiteerd door het feit dat zij refereert aan alle uitbuitingsmaatschappijen. Het is dus geen historisch universeel klassebegrip. Het klassebegrip wordt echter ook niet beperkt tot een enkele, bijvoorbeeld de burgerlijke kapitalistishce maatschappijformatie. De begrippen 'klasse' en 'uitbuiting' zijn niet exclusief gebonden aan kapitalistische verhoudingen - zoals bijvoorbeeld Mombert [1923:228] en Roemer [1982:253] beweren.

b) Marx presenteert geen algemeen historische of filosofische theorie in de zin van een passe-partout voor de analyse van de geschiedenis [vgl. MEW 19:107]. Zijn 'algemene' klassentheorie is dus zeker geen excuus om de feitelijke geschiedenis níet gedetailleerd te bestuderen, maar een leidraad voor historisch onderzoek. Een dergelijke 'algemene' theorie van klassen in produktiewijzen is slechts relevant als men bedenkt:

"In alle maatschappijvormen is het een bepaalde produktie, die alle overige domineert en waarvan de verhoudingen bijgevolg ook rang en invloed van alle overige produktie bepalen. Het is een algemene belichting waarin alle overige kleuren zijn gedompeld en [waardoor] hun specifieke karakter wordt gemodificeerd. Het is een bijzondere ether, die het soortelijk gewicht bepaalt van al het bestaande dat zich daarin verheft" [Grundrisse:27 - vert.:512].

Het primaat van de analyse van de dominerende produktiewijze binnen elke maatschappij levert een belangrijke, verhelderende richtlijn, maar het is geen analytische dwangbuis [vgl. Miliband 1977:15].

c) De wijze waarop een dominerende produktiewijze andere produktievormen en arbeidsverhoudingen structureert en modificeert, de manier waarop zij tevens politieke, staats- en andere levensverhoudingen van de maatschappij structureert, moeten steeds weer opnieuw worden vastgesteld. Het vereist dus telkens weer specifiek en uitvoerig empirisch onderzoek. Vooral ook om te bepalen hoe de politieke en juridische staatsverhoudingen en processen op hun beurt het economische proces bepalen, conditioneren en modificeren.

d) De denkwijze van Marx is op dit punt sterk anti-deterministisch. Hij verwerpt alle transhistorische en absolute determinaties en pleit ervoor steeds rekening te houden met al die talloze verschillende empirische omstandigheden die niet door 'theoretische afleiding', maar slechts door specifieke empirisch-historische analyse begrepen kunnen worden [zie par 2.4].

2.2 Klassen in (kapitalistische) produktiewijze

De aandacht van Marx was overwegend gericht op de analyse van de klassen in het kapitalisme. De algemene theorie van de klassenverhoudingen in het kapitalisme is zelf weer gedifferentieerd in analyses die gesitueerd zijn op het abstractieniveau van de 'produktiewijze' en dat van de 'maatschappijformatie'. In veel teksten worden er alleen op een zeer hoog abstractieniveau uitspraken gedaan over de basiskenmerken van de klassenverhoudingen van de 'zuivere' kapitalistische produktiewijze.

Vooral de analyses die Marx in Het Kapitaal maakt opereren op dit niveau. Maar ook daarbinnen kunnen de abstractieniveaus nog verder worden gedifferentieerd. De algemene theoretische bepaling van de klassenstructuur is een gecompliceerd proces, dat in verschillende etappes verloopt.Volgens de methode van 'het opstijgen van het abstracte naar het concrete' [MEW 13:632] wordt via een aantal tussenschakels de weg bewandeld van het abstracte analytische niveau van de 'kernstructuren' naar de noodzakelijke 'oppervlaktevormen' van de klassenrelaties in de kapitalistische produktiewijze. Om zijn theoretische object, de klassen van de kapitalistische produktiewijze zuiver in het vizier te krijgen, moet Marx eerst een aantal 'heroïsche abstracties' maken, die vervolgens bij verdere concretisering weer in het theoretisch model worden ingepast.[4] Ik zet een aantal van deze abstracties op een rij.

Negen klassebegrippen?
Jasinska/Nowok [1979] pleiten voor een reconstructie van de vooronderstellingen van de klassentheorie van Marx vanuit de methodologische principes die hij zelf hanteerde. Zij benadrukken dat Marx' klassebegrip op meerdere abstractieniveaus gedefinieerd kan worden en onderscheiden daarbij negen niveaus, waarop zij evenzovele klassebegrippen formuleren. Om een indruk te geven van hun werkwijze refereer ik hier kort de omschrijvingen van de negen klassebegrippen.

"Class 1 is a group of people who either produce surplus value, but don't own it, or do not produce surplus value, but own it". Op dit abstractieniveau - dat Marx bijna het hele eerste en tweede deel van Het Kapitaal volhoudt - bestaan slechts industriële kapitalisten (die meerwaarde toeëigenen zonder het te produceren) en industriële loonarbeiders (die meerwaarde produceren maar niet ontvangen).

"Class 2 is a group of people who receive profit without producing it with their own labour, or do not receive it although they produce it with their labour." Als men de vooronderstelling laat vallen dat industriële kapitalisten hun eigen produkten op de markt brengen, dan moet een nieuwe categorie van commerciële kapitalisten worden geïntroduceerd. Klasse 2 bestaat dus uit actieve - industriële of commerciële - kapitalisten en industriële of commerciële loonarbeiders. De status van commerciële loonarbeiders is anders omdat zij geen meerwaarde produceren, maar commerciële kapitalisten van winst voorzien.

"Class 3 is a group of people who appropriate profit without producing it themselves, or receive interest on capital, or neither receive the profit they produce, nor take interest on loaned capital." Laat men ook de vooronderstelling vallen dat industriële ondernemers geen geld lenen maar slechts hun eigen kapitaal gebruiken, dan kan de categorie van geldkapitalisten (en de hier werkzame loonarbeiders) worden geïntroduceerd. Klasse 3 bestaat nu uit actieve kapitalisten en geldkapitalisten versus loonarbeiders van industrieel, commercieel en bankkapitaal. De status van bankemployés is anders, omdat zij geen meerwaarde produceren, maar bankkapitalisten van winst voorzien.

"Class 4 is a group of all the people who own the same source of income." Laat men de vooronderstelling vallen dat industriële ondernemers en kapitalistische boeren geen grondrente betalen voor hun land (omdat zij deze zelf bezitten) dan kan de categorie van grondbezitters worden geïntroduceerd. Klasse 4 bestaat nu uit kapitalisten, grondbezitters en loonarbeiders.

"Class 5 is group of people with the same source of income." Laat men de vooronderstelling vallen dat ondernemers zelf zorg dragen voor algemeen maatschappelijke en persoonlijke diensten, dan kunnen de 'derde persoonsrubrieken' worden geïntroduceerd. Daarom bestaat klasse 5 niet alleen uit kapitalisten, grondbezitters en loonarbeiders, maar ook uit categorieën die leven van afgeleide inkomens, zoals particuliere dienstverleners, ambtenaren in overheidsdienst. Bij de definitie van klasse 5 wordt de term 'inkomensbron' in gewijzigde betekenis gebruikt: alle mensen hebben een bepaalde inkomensbron die of mede-eigenaars zijn van meerwaarde in de vorm van rente, interest enz., of die van de eersten geld ontvangen van voor hun diensten.

"Class 6 is a group of people who have the same source, and a similar level of income." Zodra men de vooronderstelling laat vallen dat alle mensen van een bepaalde klasse min of meer hetzelfde inkomen ontvangen dan kan een nadere differentiatie worden aangebracht tussen grote, midden en kleine kapitalisten; inclusief loondifferentiaties in arbeidersklasse tussen arbeidersaristocratie en slecht betaalde arbeiders.

"Class 7 is a group of people with a similar level of income, close realized interests, mode of life and culture." Als men de vooronderstelling laat vallen dat mensen in alle klassen een vergelijkbaar cultureel niveau en levensstijl hebben, dan kan bij de klassedefinitie rekening worden gehouden met de mate van sociaal-culturele homogeniteit van klassen. Klasse 7 bestaat uit de sociaal-culturele entiteiten 'bourgeoisie' en 'proletariaat'.

"Class 8 is a class, whose members are class-conscious." Laat men de vooronderstelling vallen dat alle sociale categorieën geen 'literaire' of 'ideologische representanten' kennen, dan moet ook de bewustzijnsdimensie de klassedefinitie worden geïntroduceerd. Klasse 8 is echter nog geen politiek actieve 'class for itself'.

"Class 9 is class 8 which has 'political representation'." Als men de vooronderstelling laat vallen dat klassen niet politiek gerepresenteerd en georganiseerd zijn, dan kan de politiek-organisationele dimensie in de klassedefinitie worden geïntroduceerd. Klasse 9 is de politiek actieve klasse 'für sich'. Pas op dit punt krijgt men een meer of minder volledig beeld van klassenstrijd.

De sterke kant van deze reconstructie is dat men op deze wijze kan laten zien dat het gevarieerde gebruik van de term klasse een gevolg is van het feit dat er op verschillende abstractieniveaus (met steeds minder idealiserende vooronderstellingen) wordt gewerkt, waarbij de connotaties successievelijk worden gemodificeerd (wat ook betekent dat zij in een conceptuele relatie van concretisering blijven staan). Een groot deel van de vermeende inconsistenties tussen empirisch-historische studies over klassenstructuren en het gesimplificeerde dichotome model van de klassenstructuur in de algemene klassentheorie vloeit voort uit het feit dat er geen rekening wordt gehouden met de specifieke vooronderstellingen van de betreffende abstractieniveaus. De diverse omschrijvingen van klassen worden uit de theorie-systematisch context gelicht en extern met elkaar geconfronteerd.

De zwakte van hun reconstructie is echter dat zij de abstractieniveaus niet als 'reële abstracties' in de zin van Marx beschouwen, maar als een soort ideaaltypische modellen in de Weberiaanse zin. Bovendien definiëren zij zelfs op het hoogste abstractieniveau klassen nog als afzonderlijke groepen van mensen en niet als een relationele structuur [vgl. de kritiek van Van Dijk 1984: 338].

Het theoretisch object van Het Kapitaal is niet "de produktie in het algemeen" [Grundrisse:7], het analyseert niet de meest abstracte en meest algemene kenmerken die alle tijdperken van de menselijke produktiegeschiedenis gemeen hebben, maar de historisch specifieke produktie- en klassenverhoudingen van de kapitalistische produktiewijze. Bij "de analyse van de economische vormen" [MEW 23:12 - vert. xiv] van de burgerlijke maatschappij, gaat het erom "de zuivere vormbepalingen" vast te houden [Grundrisse:619]. In Het Kapitaal worden de economische verhoudingen geanalyseerd waarin zich het 'stofwisselingsproces mens-natuur' in de burgerlijke maatschappij voltrekt.

Het abstractieniveau van Marx' hele argumentatie in Het Kapitaal veronderstelt dus dat "de werkelijke verhoudingen corresponderen met hun begrip, of wat hetzelfde is: de werkelijke verhoudingen worden slechts uiteengezet voorzover zij haar eigen algemene type uitdrukken" [MEW 25:152]. In alle drie de delen van Het Kapitaal wil Marx uitgaan van de methodische vooronderstelling, dat "de verschijnselen in hun wetmatige, met hun begrip corresponderende gedaante" [MEW 25:199] geanalyseerd moeten worden. Hij wil dus alleen "de interne organisatie van de kapitalistische produktiewijze, zogezegd haar ideale gemiddelde" [MEW 25:839] analyseren.

Historisch gezien bestaat er natuurlijk geen kapitalisme dat volledig correspondeert met haar zuivere begrip. "De burgerlijke maatschappij bestaat niet zuiver, ... niet zichzelf adequaat" [Grundrisse:844], zij wijkt altijd meer of minder van haar zuivere vorm af. Maar bij het ontwerpen van een klassentheorie moet hiervan in eerste instantie worden geabstraheerd. In de theorie moeten de kapitalistische produktie- en klassenverhoudingen in hun 'kernstructuur' [MEW 25:278], in hun zuivere vorm worden geanalyseerd.

In de drie delen van Het Kapitaal wordt dus verslag gedaan van "het algemene onderzoek van de kapitalistische produktie [MEW 25:152]. Dit omvat meer dan de analyse van "het kapitaal in het algemeen", maar minder dan de empirische analyse van de werkelijke dynamiek van de kapitalistische verhoudingen (inclusief concurrentie, krediet, aandelenkapitaal, grondeigendom, loonarbeid, staat, buitenlandse handel, wereldmarkt en krisis).

1 Klassen op het analyseniveau van het kapitaal in het algemeen
Object van de analyse van 'het kapitaal in het algemeen' zijn kenmerken die elk kapitaal als zodanig gemeen heeft resp. die elke bepaalde som van waarden tot kapitaal maken [Grundrisse:353]. Het gaat dus om het geheel van eigenschappen waardoor de waarde als kapitaal zich onderscheidt van louter waarde of geld [Grundrisse:217]. Op dit meest abstracte niveau van onderzoek van de kapitalistische produktiewijze wordt enerzijds geabstraheerd van de bijzondere vormen van het kapitaal, d.w.z. van het warenhandels-, geldhandels- en rentedragend kapitaal. Deze van het industriële kapitaal onderscheiden economische verhoudingen mogen de analyse van het kapitaal in het algemeen niet storen. Anderzijds wordt ook geabstraheerd van het bestaan van het afzonderlijke kapitaal van andere afzonderlijke kapitalisten.[5] De kapitalist wordt behandeld als toeëigenaar van de totale meerwaarde, d.w.z. er wordt geabstaheerd van de opsplitsing van de meerwaarde tussen industriële kapitalisten, commerciële kapitalisten, bankiers en grondbezitters. Op dit abstractieniveau veronderstelt Marx dat de totale meerwaarde gelijk is aan de winsten van de industriële kapitalisten: de term 'industrieel kapitalist' is op dit niveau van toepassing op elke tak van 'het bedrijfsleven' dat op kapitalistische basis wordt bedreven.[6]

2 Klassen op het analyseniveau van de afzonderlijke kapitalen
In het verdere verloop van zijn analyse laat Marx deze vooronderstellingen los en wordt zijn analyse stap voor stap concreter. Hij analyseert hoe de totale meerwaarde uiteenvalt in industriële winst, commerciële winst, rente en grondrente, en hij behandelt de concurrentie tussen de kapitalen, krediet, aandelenkapitaal enz.[7] De gedaanten van het kapitaal zoals deze in deel 3 van Het Kapitaal worden geanalyseerd "benaderen dus stapsgewijze de vorm, waarin zij aan de oppervlakte an de maatschappij, in de actie van de verschillende kapitalen op elkaar, de concurrentie en in het alledaagse bewustzijn van de produktie-actoren zelf optreden" [MEW 25:33]. De beweging van 'het opstijgen van het abstracte naar het concrete' wordt door Marx afgerond met de ontcijfering van de zgn. triniteitsformule, als uitdrukking van de meest grillige, verdinglijkte en gemystificeerde vormen waarin het geheel van de kapitalistische produktiewijze zich aan haar produktie-actoren voordoet.[8] De versteende en ten opzichte van elkaar verzelfstandigde vormen waarin de maatscahppelijke arbeid aan de oppervlakte van de maatschappij verschijnt (arbeidsloon, winst en grondrente) zijn bij Marx het systematische uitgangspunt voor zijn klassenanalyse.[9]

Hieruit kan men echter nog niet concluderen dat daarmee de algemene analyse van de kapitalistische produktiewijze is afgesloten (zoals o.a. Grossmann 1929/71:56 meende) en tevens een voldoende grondslag en referentiekader biedt om over te gaan tot empirisch-historische analyse ('Realanalyse'). De analyses die Marx in Het Kapitaal presenteert geven een nog incompleet beeld van de algemene structuur en dynamiek van het kapitaal, waardoor er kortsluitingen optreden wanneer men deze tracht te verinden met de historisch specifieke, empirische bijzonderheden van de maatschappelijke werkelijkheid.

3 Een onvoltooid theorieprogramma
Het algemene analyse van de kapitalistische produktie- en klassenverhoudingen is door Marx zeker niet volledig uitgewerkt. Empirisch-historische analyse van klassenverhoudingen veronderstelt niet alleen gedetailleerd deelonderzoek over concurrentie, krediet, aandelenkapitaal, grondeigendom en loonarbeid. Het veronderstelt ook algemene analyses van staat, buitenlandse handel, wereldmarkt en crisis. Marx was zich hiervan zo pijnlijk bewust dat hij herhaaldelijk heeft aangegeven welke enorme theoretische taken er nog in de agenda moeten worden moeten worden gezet.[10] In zijn agenda komen in ieder geval telkens de volgende drie elementen naar voren.

Marx heeft er zelf herhaaldelijk op aangedrongen dat deze - voor de uitwerking van de klassentheorie zo beslissende - elementen niet vergeten mogen worden worden.[14] Maar dergelijke - zeer omvangrijke en complexe analyses zijn niet in Het Kapitaal of in de Grundrisse vervat en werden door hem ook niet in andere afzonderlijke studies uitgewerkt.

2.3 Klassen in (kapitalistische) maatschappijformatie

De analyse van deze 'zuivere' klassenverhoudingen van de kapitalistische produktiewijze is een eerste stap in de systematische analyse van de klassenverhoudingen van concreet-historische kapitalistische maatschappijen. Sommige uitspraken van Marx zijn geformuleerd op het lagere abstractieniveau van de klassen van de kapitalistische 'maatschappijformatie'. Op dit niveau van analyse zijn de klassenverhoudingen niet meer zo 'zuiver' en dus complexer, omdat hierbij klassenrelaties in het vizier komen die niet direct verankerd zijn in de specifiek kapitalistische organisatie van de maatschappelijke arbeid.

Binnen de kapitalistische maatschappijformatie is de kapitalistische produktiewijze weliswaar de dominante - andere produktievormen en daarin geïmpliceerde uitbuitings- en klassenrelaties kleurende - wijze van maatschappelijke arbeidsorganisatie, maar het is zeker niet de enige produktievorm. Die andere produktievormen kunnen zijn:

Maatschappijformaties omvatten dus in de regel meerdere produktiewijzen en - vormen die op een specifieke wijze zijn gecombineerd. De overgangsperioden tussen maatschappijformaties worden gekenmerkt door een bijzonder (wankel) evenwicht tussen de verschillende produktiewijzen en - vormen. In een relatief gestabiliseerde maatschappijformatie is echter in de regel een produktiewijze dominant. Deze dominante produktiewijze structureert plaats en betekenis van de andere produktiewijzen en -vormen en verleent aan deze maatschappijformaties hun (feodale, kapitalistische enz.) karakter. Zo wordt in de kapitalistische maatschappijformatie, waarin de kapitalistische produktiewijze domineert, alle grondeigendom getransformeerd in "een vorm van grondeigendom welke past bij de kapitalistische produktiewijze" [MEW 23:892; vgl. het in § 2.1 aangehaalde citaat uit Grundrisse:27 - vert.:512].

Integraal klassebegrip?
In de marxistische discussie werd de relatie tussen produktiewijze en maatschappijformatie o.a. uitgewerkt door Balibar [1968:79 e.v. - Lire le Capital II] en Poulantzas [1968; 1976:17, 25,50; ], 1976a:701 - De kapitalistische staat. Een antwoord aan Miliband en Laclau, in: TEU 23]. Zij rekken echter het begrip produktiewijze (en daarmee ook dat van de maatschappijformatie) op door er 'politieke' en 'ideologische' verhoudingen in op te nemen. Daarmee wordt wel 'iets nieuws' toegevoegd aan het 'economisch' afgebakende begrip van produktiewijze bij Marx, maar het wordt er zeker niet 'iets beter' (d.i. scherper) door. Ik heb in Klassen [1992:139-42] uitvoerige kritiek geleverd op benaderingen zoals die van Poulantzas en Bourdieu waarin het klassebegrip oeverloos wordt opgerekt middels het brede, synthetische concent van produktiewijze.

De aanpak van Wright [1985] mag ‘orthodoxer’ lijken, maar is mijns inziens veel produktiever. Een produktiewijze wordt net als bij Marx opgevat als een arbeidsverhouding die gekenmerkt wordt door een effectieve ongelijke beschikkingsmacht over bronnen (bij Wright ‘productive resources’) welke de mogelijkheid biedt voor toeëigening van meerarbeid, en daarmee de grondslag vormt voor een antagonistische klassenverhouding. De coëxistentie van meerdere klassen in een maatschappijformatie is gebaseerd op de combinatie van verschillende produktiewijzen en verschillende ontwikkelingsstadia van een produktiewijze. Wright specificeert de verschillende manieren waarop deze combinaties kunnen variëren. Hij bespreekt (1) het relatieve gewicht van de verschillende typen exploitatie, (2) de mate waarin deze diverse exploitaties intern of extern aan elkaar verbonden zijn, en (3) de mate waarin intern gerelateerde exploitatieverhoudingen elkaar overlappen of onderscheiden zijn [Wright 1985:109 e.v.].

De architectuur van Marx' klassentheorie is in zoverre complex dat zij in verschillende analytische niveaus ('etages van abstractie') is geconstrueerd die elk hun eigen betekenis hebben en op specifieke wijze aan elkaar verbonden zijn. Dit impliceert niet alleen dat men bij de reconstructie van zijn klassentheorie rekening moeten houden met analyseniveaus of logische velden waarbinnen begrippen, hypothesen en stellingen zijn geformuleerd. Het stelt in zekere zin ook eisen aan de manier waarop dit theorieprogramma verder ontwikkeld kan worden en in empirisch-historisch onderzoek kan worden ingezet. Men kan zo'n complex opgebouwde theorie natuurlijk afwijzen omdat ze 'te ingewikkeld' is en de weg naar naar de gewenste empirisch-historische resultaten 'te lang' is. Maar dan zou men ook moeten aangeven hoe de meervoudig gestructureerde arbeids-, uitbuitings- en klassenrelaties 'in één klap' analytisch ontsleuteld kan worden en waar de snelweg ligt die zonder omwegen tot betrouwbare en relevante empirische resultaten leidt.

2.4 Klassen in empirisch-historische maatschappijen

Op het laatste en laagste (want meest concrete) abstractieniveau worden klassenverhoudingen door Marx gethematiseerd als verschijnselen die specifiek zijn voor een bepaalde eenheid van historisch-empirische analyse. In historisch-empirische analyses worden de eenheden van onderzoek zowel sociaal, geografisch als temporeel afgebakend; het gaat altijd om empirisch-historische analyse van specifieke klassenmaatschappijen in bepaalde periodes. Deze 'Realanalyse' is het eindpunt van het wetenschappelijk ontsleutelen van het op wereldniveau bestaande kapitalisme, waarin de empirisch direct gegeven maatschappelijke realiteit via "een lange reeks van tussenschakels" [MEW 23:179] uit de algemene structuur en dynamiek van het kapitaal worden verklaard. De analyse van de algemene voorwaarden van het ontstaan en bestaan van sociale klassen vormt samen met de analyse van de bijzondere produktiewijze en van de afzonderlijke maatschappijformatie de theoretische grondslag voor empirisch onderzoek naar de feitelijke klassenverhoudingen van een bepaalde maatschappij.

Een op deze wijze geconcipieerde klassentheorie zou het referentiekader moeten vormen voor het empirisch-historisch onderzoek naar:

  1. de sociaal-statistische gegevens over klassedimensies van de sociale structuren en levensposities,
  2. de tendensen en breukvlakken in de historische ontwikkeling van die klassenstructuren en levensposities,
  3. de dynamieken en breukvlakken die in de klasseformaties en -bewegingen zelf liggen opgesloten;
  4. de ontwikkeling van de politieke krachtsverhoudingen tussen de klassen en de hegemoniale crisi die zich daarin kunnen voordoen;
  5. de hieruit voortvloeiende voorwaarden en aanknopingspunten voor klassepolitieke handelingsstrategieën en programma's.
Voor de analyse van de laatste drie elementen is uiteraard verondersteld dat er in de klassentheorie (pro-)theoretische noties zijn verdisconteerd die over álle niveaus van handelingsstructurering [zie Bader/Benschop 1988: II, § 3.3; Benschop 1992:82 e.v., en het samenvattende schema op p. 447]. In de klassentheorie van Marx is dit echter niet het geval. In Het Kapitaal en de daaraan voorafgaande politiek-economische studies ligt het accent eenduidig op het eerste niveau van handelingsstructurering, namelijk op dat van de objectieve klasseposities. Er zijn weliswaar elementen die verwijzen naar andere niveaus waarop klassehandelen gestructureerd is, maar deze zijn niet of nauwelijks gesystematiseerd of getheoretiseerd. Dit geldt in sterke mate voor het niveau van klassespecifieke habitus en levensstijlen, in minder sterke mate voor het niveau van klassebewustzijn, terwijl de specifieke voorwaarden van klassehandelen zoals bronnenmobilisatie en organisatie bijna volledig ontbreken.[16]

We hebben gezien dat Marx' klassentheorie - met name de systematisch aanzet die hij hiervoor in Het Kapitaal geeft - op verschillende abstractie- en concretiseringsniveaus is geconstrueerd. Doorslaggevend hiervoor zijn de opeenvolgende stappen waarin de specifieke maatschappelijke vorm van de arbeidsverhoudingen ('economische vormen') begripsmatig worden ontleed. De interne samenhang tussen deze economische vormen is bepalend voor de 'logica van het kapitaal'. Vanuit deze logica van het kapitaal wordt via een reeks tussenschakels een theoretische reconstructie gegeven van de 'algemene oppervlaktevormen', d.w.z. verschijnselen aan de oppervlakte die kenmerkend zijn voor élk historisch concreet kapitalistisch systeem. In de terminologie van Marx zijn dit de 'noodzakelijke' verschijningsvormen: in de kernstructuur die daaraan ten grondslag ligt moet reeds geïmpliceerd zijn wat er in deze oppervlakte van de kapitaal- en klassenverhoudingen verschijnt.[17]

Deze oppervlaktevormen worden door Marx duidelijk onderscheiden van de historische realiteit van het concrete kapitaal en de concrete klassen. In hun feitelijk empirisch bestaan zijn immers niet naast 'logische wetten' ook talloze andere toevallige factoren werkzaam die per sé niet kunnen worden 'afgeleid' uit het algemene begrip van het kapitaal. De noodzakelijke (of 'substantiële') en de accidentele (historisch contingente) kapitaal- en klassenbeweging doen zich als een onlosmakelijke eenheid aan ons voor. Met behulp van een analyse die opereert met de isolerende abstracties wordt het pas mogelijk om de begrippen van het kapitaal in het algemeen uit te werken, op basis waarvan de concrete empirische verschijnselen die wij kunnen observeren als systeem-structureel en historisch-dynamisch bemiddelde verschijnselen begrepen kunnen worden.[18]

Schema 7 Kern- & oppervlaktestructuur en historisch contingente factoren

In mijn studie over Weber's bijdrage aan de theorie van sociale ongelijkheid en klassen heb ik in hoofdstuk IV, § 5.4 dit schema iets gedifferentieerder uitgewerkt. In dit schema is dubbele ruil van loonarbeid en kapitaal opgenomen, alsmede de relatie tussen toeëigening van meerwaarde en ruil van ekwivalenten.

Een theoretische analyse van de algemene structuur en dynamiek van de klassenverhoudingen kan nooit een vervanging zijn voor de empirische analyse van de klassenverhoudingen in een bepaald land. Uit zijn eigen empirische analyses blijkt dat Marx zich bewust is van het gevaar van schematisme. Hij weet aan dit aan gevaar te ontkomen omdat hij bij het toepassen van zijn klassentheorie zeer goed beseft dat hij daarmee in eerste instantie alleen maar greep krijgt op de concrete empirische, kwantitatieve vorm de fundamentele klassenstructuur en op de essentiële patronen van handelingsstructurering. Wanneer hij eenmaal in grove lijnen een beeld van de klassewerkelijkheid heeft verkregen, wordt ook het verdere verloop van het empirisch onderzoek zichtbaar. In aanvullende detailstudies, die rekening houden met alle relaties en wisselwerkingen, waarvan de interne verband of de logica niet (of nog niet) theoretisch kan worden verklaard, vult hij zijn eerder verkregen inzichten aan, vult hij lacunes op en corrigeert hij zijn eerder gemaakte fouten. Op deze manier probeert hij een schematische werkwijze bij het toepassen van zijn theorie op specifieke lokale of nationale klasseverhoudingen te vermijden. Hij maakt dus niet de fout om alle empirische verhoudingen met hun veelvoudige verschijningsvormen vanuit de 'economische verhoudingen' te verklaren en heeft een scherp oog voor de enorme complexiteit van de wisselwerkingen en voor de historische, nationale, klimatologische enz. bijzonderheden en toevalligheden.[19] Daarom heeft Marx er steeds weer op geattendeerd dat men rekening moet houden met al die "talloze verschillende empirische omstandigheden" die niet door 'theoretische afleiding', maar slechts door specifieke empirisch-historische analyse begrepen kunnen worden [MEW 25:800]. Dit geldt niet alleen voor natuurlijke, klimatologische en geografische omstandigheden en voorwaarden (zoals Nederland's ligging aan de kust en aan Rijnmonding)[20], maar ook voor van buitenaf werkende historische invloeden (zoals wereldoorlogen), de specifieke configuraties van tradities en conventies (zoals de verzuiling in Nederland) en voor etnisch-raciale bevolkingsopbouw (als specifieke effecten van koloniale overheersing en migratie).[21]

2.5 Klassebegrippen op niveau en de 'fallacy of misplaced concreteness'

We hebben hiervoor gezien wat de structuur-theoretische status is van de afzonderlijke begrippen, stellingen en hypothesen in de architectuur van Marx' klassentheorie. Ik heb geprobeerd aannemelijk te maken dat de klassenanalyse van Marx minstens vier analytische lagen kent. Bij reconstructie van Marx' klassentheorie - en uiteraard ook bij elke constructie van een hierop aansluitend model van klassenanalyse - moet rekening worden gehouden met deze 'etages van abstractie' waarop de begrippen, hypothesen en stellingen zijn gesitueerd. In een tussenbalans kunnen er inmiddels twee conclusies worden getrokken.
  1. Variatiaties -- We hebben gezien dat het gevarieerde gebruik van de term klasse een gevolg is van het feit dat er op verschillende abstractieniveaus (met steeds minder idealiserende vooronderstellingen) wordt gewerkt, waarbij de connotaties successievelijk worden gemodificeerd. Dit betekent ook dat de onderscheiden klassebegrippen in een conceptuele relatie van concretisering blijven staan. De variatie in de klassendefinities zijn dus primair een gevolg van het feit dat de verklaringselementen in een 'structuur-theoretische hiërarchie' staan (níet in een empirisch-historische volgorde).[22] De volgorde van deze elementen kan niet straffeloos worden veranderd. Het tegenover elkaar uitspelen van definities die op sterk uiteenlopende abstractieniveaus zijn gedefnieerd is een schoolvoorbeeld van de 'fallacy of misplaced concreteness'.

  2. Misverstanden -- Veel kritieken op Marx' klassentheorie demonstreren een meer of minder fundamenteel onbegrip van de methode van Marx, en met name een onbegrip van het noodzakelijke abstractiekarakter van de klassentheorie [Steiner 1966:442 e.v.; Herkommer 1976a:58; Jasinska/Nowak 1979]. Een groot deel van de vermeende inconsistenties tussen empirisch-historische studies over klassenstructuren en het gesimplificeerde dichotome model van de klassenstructuur in de algemene klassentheorie vloeit voort uit het feit dat er geen rekening wordt gehouden met de specifieke vooronderstellingen van de betreffende abstractieniveaus. De diverse omschrijvingen van klassen worden uit de theorie-systematisch context gelicht en extern met elkaar geconfronteerd.

    Het is niet moeilijk om uit het werk van Marx en Engels een reeks citaten aan te halen waarin schijnbaar tegenstrijdige uitspraken worden gedaan over het aantal klassen in de burgerlijke maatschappij (vgl. de kritieken van Sorokin en Gurvitch). Een populair procedé is om een aantal verschillende 'klassenschema's' naast elkaar te zetten: historische, geschiedsfilosofische, economische en politieke klassenschema's (vgl. de kritieken van Gurvitch, Ossowski en Dahrendorf). De analytisch niveau binnen een methode worden verzelfstandigd in verschillende benaderingen, voor verschillende - decisionistisch bepaalde - doeleinden.[23] Deze kritieken kunnen grotendeels worden teruggevoerd tot onbegrip van de logische structuur en methodologische opbouw van de klassentheorie. (en soms ook wel tot onbegrip van de principes van theorieconstructie als zodanig).

Index


3 Sociaal-historische reikwijdte: analyse-eenheden

De sociaal-historische reikwijdte van de diverse teksten varieert nogal. Marx' uitspraken over klassen hebben in sommige teksten en passages nadrukkelijk een zeer brede sociaal-historische strekking, d.w.z. zij claimen geldigheid voor de historische ontwikkeling van alle - althans alle antagonistische, op exploitatie berustende - maatschappijformaties. Soms hebben zijn stellingen een beperktere sociaal-historische reikwijdte en refereren zij uitsluitend aan een bijzondere (dominante) produktiewijze (bijv. antieke produktiewijze) of bijzondere maatschappijformaties (bijv. de burgerlijke maatschappijformatie). De sociaal-historische reikwijdte is nog beperkter waar het gaat om empirische uitspraken in teksten die concrete analyses bevatten van specifieke maatschappijen of naties in een bepaalde periode.

Als men geen rekening houdt met de sociaal-historische specificiteit van de analyse-eenheden dan kan aan specifieke uitspraken gemakkelijk een algemeen historische of maatschappelijke betekenis worden toegekend. Dit speelt bijvoorbeeld een rol bij de interpretatie van de stelling van Marx, dat het industrieel ontwikkelde land een minder ontwikkeld land het beeld van de eigen toekomst voorhoud [MEW 23:12]. Zo kunnen bepaalde stellingen van Marx simpel worden opgevat als algemene historische of maatschappelijke wetten met een geschiedsfilosofisch karakter. Marx is hieraan gedeeltelijk zelf schuldig. Hoewel hij zich later fel keert tegen een dergelijke denkwijze, waagde hij zich eerder soms ook aan geschiedsfilosofische constructies (zie Heilige Familie) en formuleert hij specifieke stellingen vaak niet specifiek genoeg.

Index


Noten

Plaatje

top


Home InternetStudies Sociologen Onderwerpen Samenleven Zoek Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam