| Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Home | Zoek | Correspondent | Contact |
|---|

Zodra men de idee van een lineaire progressie loslaat kan men de teksten van Marx niet meer op een hoop gooien of als een granieten blok voorstellen. De omtrekkende en terugtrekkende bewegingen via welke theoretisch werk zich ontwikkelt worden hierdoor aan het gezichtsveld onttrokken. Dit stimuleert een 'lui marxisme' [Hall 1973:16] dat zichzelf bevredigt met twee suggesties: (a) dat er geen kritische reconstructies meer nodig zijn om de ontwikkelingen, breukvlakken en lacunes in het werk van Marx zelf analyseren, en (b) dat men verder zou kunnen steunen op de 'evidentie' van 'het marxisme' dat in de teksten van Marx altijd latent aanwezig is. Dat een dergelijk 'common sense marxisme' de noodzakelijke reconstructie en verdere ontwikkeling van deze klassentheorie alleen maar heeft geblokkeerd, hoeft hier niet meer te worden gedemonstreerd.
Een reconstructie van de verschuivingen in problematieken die in de loop van Marx' intellectuele arbeid optreden, maakt het mogelijk om het 'nieuws' dat hij op het gebied van de klassenanalyse te bieden heeft beter te identificeren. Zijn 'ontdekkingen' vinden plaats op de breukvlakken tussen de verschuivende problematieken. Een analyse van deze verschuivingen kan uitsluitsel geven over de vraag, welke begrippen, thema's en vraagstellingen nog behoren bij de 'ideologische' voorgeschiedenis en welke gerekend kunnen worden tot de zogenaamde harde kern van klassentheorie zelf.
a Historisch-chronologische beschouwingen -- Als men het ontstaan van de klassentheorie van Marx historisch-chronologisch benadert, raakt men gemakkelijk verstrikt in een cirkel van problemen, waarin de oplossing van het ene probleem de oplossing van het andere veronderstelt. Enerzijds moeten we om de klassentheorie van Marx goed te begrijpen duidelijkheid hebben over het ontstaansproces van die theorie: een begrip van de vroegere ontwikkelingsetappes is immers nodig om de latere ontwikkelingsfasen van de theorie te begrijpen. Anders gezegd: men moet de vóór-wetenschappelijke formuleringen kennen om het specifiek wetenschappelijk van de theorie te kunnen begrijpen. Anderzijds is echter voor het begrijpen van de genese van de klassentheorie en van de specifieke aard van de vroege etappes al de kennisstand van de ontwikkelde theorie verondersteld. Kortom: het begrijpen van de 'voor-wetenschappelijke' fase veronderstelt inzicht dat voortvloeit uit het onderzoek van de ontwikkelde theorie.
|
|
b Intern retrospectief: in het licht van Het Kapitaal -- We kunnen het ontstaansproces van de klassentheorie ook bekijken vanuit het gezichtspunt van de rijpe en ontwikkelde theorie, d.w.z. 'in het licht van Het Kapitaal' [Hall 1973:19]. In Het Kapitaal geeft Marx immers zijn meest ontwikkelde uiteenzetting van de kapitalistische produktiewijze en van de daarmee corresponderende klassenverhoudingen. Op basis van deze ontwikkelde uiteenzetting van de kritiek van de politieke economie kan een beoordeling worden gegeven van de verschillende ontwikkelingsfasen tijdens de uitwerking van de klassentheorie.[6]
c Extern retrospectief: in het licht van de na-geschiedenis -- Het licht van Het Kapitaal kan echter nooit een absolute norm zijn. Zoals eerder gezegd is ook de bijdrage van 'de oude Marx' immers eerder een onvoltooide systematische aanzet dan een 'voltooid systeem' (whatever that may be). Een klassenanalytisch onderzoeksprogramma dat wetenschappelijk enigszins houdbaar is, is noodzakelijkerwijze open voor verdere ontwikkeling. In dogmatische beschouwingen over de klassentheorie van Marx wordt vaak uitgegaan van de mytische vooronderstelling van de 'zuiverheid van de bron', van een 'autentiek marxisme'. Vanuit deze vooronderstelling wordt de ontwikkeling van de klassentheorie beschreven als een cyclus van contaminatie (besmetting, deformatie, vervlakking, verval) en van purificatie (zuivering, herstel). Onder het motto 'terug naar de bron' wordt theoriegeschiedenis bedreven als een chroniek van splitsingen en vervormingen. Dergelijke geschiedenissen zijn geobsedeerd door 'fouten' en 'afwijkingen' van de theoretische zuiverheid, het zijn puristische geschiedenissen. De door puristen zo verfoeide 'afwijkigen', 'revisies', 'vervlakkingen' en 'vulgarisaties' worden niet meer in verband gebracht met de structuur van de betreffende theorie zelf.[7] De ontwikkeling van de klassentheorie kan niet worden beschreven in termen van een proces van vervlakking of recuperatie van deze theorie door 'externe factoren'. Er bestaat überhaupt geen 'autentiek marxisme' [S. Hall, in: Hunt 1977:16].
Marx' uiteenzetting in Het Kapitaal moet - uiteraard - niet tot norm worden verheven op grond waaraan men het wetenschappelijke gehalte van klassentheorieën kan meten. Om de geschiedenis van theorievorming van de mutatie van problematieken te kunnen schrijven heeft men actuele normen nodig, d.w.z. normen die ontleend zijn aan de actuele ontwikkelingsstand van de sociale wetenschap. Bij de beoordeling van de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van de klassentheorie dient dus gebruik gemaakt te worden van het zgn. retrospectieve of recurrentie-effect.[8] Een analyse van ontstaan en ontwikkeling van de 'marxistische' klassentheorie zou er met name op gericht moeten zijn om in de geschiedenis van deze onderzoekstraditie de begrippen en (deel)theorieën te identificeren die een 'passé actuel' hebben voor de moderne sociale wetenschappen. Dat betekent ook dat we 'verjaarde' termen, begrippen en theoretische constructies moeten identificeren - om er afscheid van te nemen.
Ik zal hier geen uitvoerige uiteenzetting geven over de ontwikkeling van het denken van Marx en Engels.[10] Ik zal hier slechts een globale schets geven van een aantal voor ons thema belangrijkte verschuivingen en breukvlakken.
Daarbij kan men in het algemeen zeggen dat er een verschuiving optreedt van het thematiseren van algemene voorwaarden van het bestaan van sociale klassen naar het onderzoek van specifieke vormen van klasseheerschappij in de burgerlijke maatschappij. In de vroegere werken - zoals in de Duitse Ideologie en de Filosofisch-Economische Manuscripten, Ellende van de Filosofie, en in de kritieken op Proudhon - bestaat er een tamelijk directe verknoping tussen (a) het uitwerken van de basiselementen van een algemene theorie van historische maatschappijformaties via de kritiek op de idealistische filosofie en op abstract beschouwelijk materialisme, en (b) de eerste aanzetten van de kritiek van de politieke economie resp. een waardetheorie, als rationele grondslag voor de analyse van de burgerlijke maatschappijformatie.[12] Deze verbinding markeert het keerpunt in zijn intellectuele ontwikkeling. Na de 'omslag van historisch materialisme in de kritiek van de politieke economie' (Armanski) probeert Marx de beide abstractie-niveaus en analyse-eenheden strikter uit elkaar te houden. Dit betekent overigens niet dat zijn denken over klassen in verschillende maatschappijformatie ophoudt bij de vroege geschriften. Zijn reflecties over een meer algemene, meerdere maatschappijformaties omvattende klassentheorie krijgen meer diepgang en worden systematischer. Zo merkt hij bijvoorbeeld in de Grundrisse, op dat de indeling van zijn studie kennelijk als volgt gemaakt moet worden:
"1. De algemene abstracte bepalingen die bijgevolg geldig zijn voor min of meer alle maatschappijvormen [...], 2. De categorieën die de interne structuur van de burgerlijke maatschappij vormen en waarop de fundamentele klassen berusten" [Grundrisse:28 - vert: TEU 17:55] [13].
Marx heeft weliswaar geen 'algemene klassentheorie' gesystematiseerd, maar heeft hiervoor wel een paar systematische voorzetten gegeven, waarbij met name wordt ingegaan op de methodische verhouding tussen het algemene en maatschappijformatiespecifieke analytische niveau.[14] Ook bij een interpretatie van Marx's opvattingen over de algemene voorwaarden van het ont- en bestaan van maatschappelijke klassen moet men er rekening mee houden dat er een grote interpretatie-speelruimte is vanwege de zeer uiteenlopende aard van de teksten. Marx en Engels onderbouwen hun theoretische optiek niet uitvoerig, maar demarkeren hun eigen benadering slechts door afgrenzingen te geven ten opzichte van andere posities Bovendien zijn de betreffende teksten vaak meerduidig en laten dus verschillende interpretaties toe. Marx en Engels waren zelf zeer voorzichtig zijn met het formuleren van algemene leidraden voor analyses van historisch specifieke maatschappijformaties. Zij waarschuwen herhaaldelijk tegen 'recepten' en geschiedenisschema's.[15] Daarom zijn de teksten die hiervoor het meest worden geciteerd - Duitse Ideologie, Vorwort bij Zur Kritiek en Einleitung bij Grundrisse - door henzelf bewust niet zijn gepubliceerd.
|
"In de vorming van een klasse met radikale ketenen, een klasse van de burgerlijke maatschappij die geen klasse van de burgerlijke maatschappij is, een stand die de ontbinding van alle standen is, een sfeer die door haar universele lijden een universeel karakter bezit en geen bijzonder recht opeist, omdat tegenover haar geen bijzonder onrecht, maar onrecht zonder meer wordt begaan; die zich niet meer op een historisch recht, maar alleen nog maar op het menselijke recht kan beroepen, die niet in eenzijdige tegenstelling staat tot de gevolgen, maar in alzijdige tegenstelling tot de voorwaarden van het Duitse staatswezen; een sfeer tenslotte, die zich niet kan emanciperen zonder zich te emanciperen van alle overige sferen van de maatschappij en daarmee alle overige sferen van de maatschappij te emanciperen, die in één woord het volledig verloren gaan van de mens is, die dus alleen maar door het volledig herwinnen van de mens zichzelf kan winnen. Deze ontbinding van de maatschappij als een bijzondere stand is het proletariaat" [MEW 1:390 - vert. p. 103]. Hoewel Marx in deze kritiek direct polemiseert tegen Hegels opvatting van de bureaucratie als representant van 'het algemene belang' is de 'hegeliaanse choreografie' van deze passage evident [Nicolaus 1970:43 e.v.]. De sterke kant van Marx' uiteenzetting is, dat hij geen 'heldenklasse' tegenover een 'boevenklasse' portretteert en dat hij zijn kandidaat voor de revolutionaire klasse niet verheerlijkt. Hij benadrukt eerder het tegendeel, waar vervreemding wordt gelijkgesteld met volledige dehumanisering. De zwakke kant is: "it does not yet bring to the fore the active potentiality of the proletariat's place in society. This weakness is entirely bound up with its underlying vice: it has no economic underpinning. There is yet no understanding of economic exploitation as the root of the social position of the proletariat, as the root also of many of the assertions which appear only as insights. Hence a general view of the class struggle is missing, and with it the solution to (among other things) the dehumanizing effect of the new bourgeois society" [Draper 1977:147. Vgl. ook Armanski 1974:143,199]. |
Deze gesystematiseerde waarneming van de verschijnende beweging van het kapitaal en van de klassen wordt gecombineerd met de eerste aanzetten van de latere waardetheorie. Theoretisch gezien blijven zij echter binnen de parameters van de zgn. produktiefactorentheorie, welke zij later grondig zouden kritiseren.[20] Daarna worden hun analyses steeds meer geconcentreerd op de specifieke uitbuitingsverhoudingen die in het kapitalisme dominant zijn. Zij ontdekken dat het 'geheim' van de de kapitalistische produktie- en klassenverhouding gelegen is in de produktie en verdeling van de meerwaarde. In het begin van de jaren vijftig trekt Marx al de conclusie dat het bestaan van de klassen slechts gebonden is aan specifieke fasen in de ontwikkeling van de produktie [Briefe:59].
|
Na de eerste formulering van de meerwaardetheorie in de Grundrisse (1857-58) kan Marx de begrippen ontwikkelen waarmee de klassen van de burgerlijke maatschappij in hun onderlinge verhoudingen en interne differentiaties kunnen worden geanalyseerd. Loonarbeid in de strikte economische zin van het woord is nu opgevat als kapitaalvoortbrengende loonarbeid. Niet elke ruil van geobjectiveerde tegen levende arbeid, en niet elke ruil van arbeidskracht tegen geld is zondermeer produktieve arbeid [Grundrisse:372]. Loonarbeid in strikte zin is ruil van arbeidskracht tegen geld als kapitaal. Van nu af aan gaat Marx de term produktieve arbeid gebruiken als een afkortende uitdrukking voor de basisvorm van burgerlijke arbeid, d.w.z. voor de specifieke arbeid waarop het geheel van de kapitalistische produktiewijze berust. Daarvan onderscheiden is de niet-kapitaalproducerende, d.w.z. onproduktieve arbeid. Ook deze vorm van arbeid neemt in de loop van de ontwikkeling van de kapitalistische produktieverhoudingen het karakter aan van loonarbeid. Het gaat om arbeiders zonder bezit van produktiemiddelen, die alleen beschikken over hun eigen arbeidskracht - zij ruilen (het gebruik van) hun arbeidskracht tegen geld. Zij staan echter in een andere economische verhouding: 'onproduktieve' loonarbeiders staan in afgeleide verhoudingen, d.w.z. afgeleid van de produktieve, waardescheppende arbeid. De gebruikswaarde van de onproduktieve, commerciële en dienstverlenende loonarbeiders bestaat volgens Marx slechts als gebruikswaarde voor de consumptie, niet als gebruikswaarde voor de waarde.
In Theorien über den Mehrwert (1861-63) is ondanks een aantal tegenstrijdige uitspraken deze thematiek iets verder uitgewerkt. Volgens Marx kan de gehele economische en klassenstructuur begrepen worden vanuit de produktieve bepaaldheid van de maatschappelijke arbeid. Van belang is daarbij dat produktieve arbeid als kapitaalproducerende arbeid niet alleen wordt onderscheiden van onproduktieve arbeid in het kapitalisme, maar ook van vroegere vormen van arbeid. Omdat de gehele economische structuur van de maatschappij draait om de specifieke verhoudingen waarin de levende arbeid zich realiseert, wordt het onderscheid van produktie en onproduktieve arbeid ook de sleutel tot het begrip van de verschillende maatschappijformaties. Produktieve arbeid is voor Marx de sleutelcategorie die de toegang biedt tot de ontcijfering van de klassenstructuur van haar geheel [vgl. de zeer gedetailleerde interpretatie van deze teksten door PEM, Der 4 Band des Kapital?, pp. 95-210 en 673 e.v.].
In deze ideologie-analyse wordt enerzijds verondersteld
dat "de heersende ideeën" niets anders zijn dan de ideële uitdrukking
van de heersende materiële verhoudingen", anderzijds dat "de ideeën
van de heersende klasse [...] in elk tijdperk de heersende ideeën"
zijn [DI:52-3]. Omdat de heersende klasse niet alleen over de middelen tot
geestelijke produktie beschikt, maar tevens een 'klasse van hoofdarbeiders' in
dienst neemt die ontstaan is uit de deling van lichamelijke en geestelijke
arbeid, zou zij tevens beschikken over de hoofden van degenen die aan haar
heerschappij zijn onderworpen. De ambivalentie van deze analyse vloeit voort
uit het feit dat er geen rekening mee wordt gehouden dat de (terugwerkende)
invloed van de 'geestelijke produktie' op het denken van alle leden van de
maatschappij een zeer bepaalde structuur van alledaagsbewustzijn veronderstelt,
welke door de specifieke arbeids- of produktiewijze is gestructureerd. Wat in
deze analyse dus ontbreekt is (a) de samenhang tussen alledaagsbewustzijn en de
hierop aansluitende en gebaseerde economische, politieke, religieuze enz.
ideeënformaties, en (b) de samenhang van specifieke (re)produktievormen
met alledaagse en ideologische bewustzijnsvormen.
Deze lacune is o.a. zichtbaar in hun analyse van het voortbestaan resp. de
verandering van heersende opvattingen en theoretische systemen. Zij nemen
daarbij nog niet de reproduktie van de basisverhoudingen van de produktiewijze
tot uitgangspunt, een reproduktie die tevens transformatie en het ontstaan van
nieuwe sociale verhoudingen insluit. Hun analyse van de omwenteling van
bewustzijnsvormen wordt helemaal toegespitst op het idee dat zodra een nieuwe
klasse de politieke macht verovert er ook een nieuwe ideeënformatie wordt
gevestigd, waarin de aanvankelijk bijzondere belangen van deze klasse worden
voorgesteld als het 'algemene belang' [DI:35]. Deze nieuwe ideeënformatie
wordt vervolgens door socialisatie en ideologische inprenting 'overgedragen'
totdat zij door het ontstaan van sociale conflicten en strijd weer zodanig
worden 'omgewenteld', dat zij tenslotte tot 'huichelarij' degenereren [vgl. MEW
3:274].
De maatschappelijke bewustzijnsvormen worden niet expliciet verbonden met de specifiek kapitalistische arbeidsverhoudingen. Daarom kan er ook nog geen rekening worden gehouden met het later ontdekte noodzakelijke verschil tussen kern- en oppervlaktestructuur van de kapitalistische produktie- en klassenverhoudingen.[22] Rond 1848 beschikken Marx en Engels nog niet over een theoretisch rerefentiekader waarmee zij vat kunnen krijgen op de specifieke en complexe wijze waarop het maatschappelijk bewustzijn van de produktie-actoren wordt gestructureerd door de allesbehalve transparante, maar juist meervoudig gemystificeerde kapitalistische produktie- en circulatieverhoudingen. Dit wordt met name zichtbaar is de thematisering van de voorwaarden waaronder een door het kapitaal georganiseerde en door 'de ideeën van de heersende klasse' beheerste arbeidersklasse zich zou kunnen ontwikkelen tot een zelfbewuste politieke klassebeweging. In zijn latere analyses formuleert Marx hiervoor een aantal systematische aanknopingspunten die geconcentreerd zijn op de specifieke tegenspraken en mystificaties van de kapitaalsverhoudingen en van de hierdoor gestructureerde bewustzijnsvormen [de kernbegrippen en methodiek van deze analyse zijn samengevat in Benschop, Klassen 1992:389-93].
In de tegenstelling tussen privé-eigendom en staat neemt Marx eerst nog de positie in van de 'ideële staat' tegenover de "begeerlijke onrust van het privé-belang" [MEW 1:147 uit 1842]. De staat is de hoeder van het bovenhistorisch recht [MEW EB 1:410]. Pas via de staat kunnen individuen en klassen hun sociale bestaan realiseren [idem, p. 419]. Vlak daarna betrekt Marx de stelling dat de staat - willen haar maatregelen niet zonder effect blijven - moet corresponderen met de burgerlijke toestanden en het burgerlijke bewustzijn [MEW 1:188 - uit 1843]. Daarna neemt Marx de burgerlijke maatschappij als uitgangspunt [MEW 1:324 - 1843]. De staat zelf moet nu vanuit de innerlijke logica van het privé-eigendom, van de burgerlijke maatschappij worden geanalyseerd. De staat zou het 'Gattungswesen' van de mensen representeren - het materieel-partikularistische leven dat zich in de burgerlijke maatschappij afspeelt is hiervan afgescheiden [MEW 1:354 - 1844].
Bij de verdere analyse van de burgerlijke maatschappij wordt ook de staat zelf scherper geanalyseerd. De moderne staat beantwoordt aan de moderne privé-eigendom. Omdat de bourgeoisie een klasse en geen stand meer is, is zij gedwongen zichzelf niet meer lokaal maar nationaal te organiseren en aan haar gemiddeld belang een algemene vorm te geven:
"Door de emancipatie van de partikuliere eigendom uit de communale samenleving heeft de staat een bijzonder bestaan gekregen, naast en buiten de burgerlijke maatschappij; maar hij is niets anders dan de organisatievorm die de bourgeois zowel naar buiten als naar binnen toe noodzakelijk aannemen voor de wederzijdse waarborging van hun eigendom en belangen" [MEW 3:60; vert. p. 87 - Duitse Ideologie].
De staat is dus de staat van de economisch heersende klasse. Door middel van deze staat wordt de economisch heersende klasse tevens een politiek heersende klasse die beschikt over regulatie- en repressiemiddelen om de uitbuiting van de onderdrukte klassen te continueren.
"Omdat de staat de vorm is, waarin de individuen van een heersende klasse hun gemeenschappelijke belangen tot gelding brengen en waarin heel de burgerlijke maatschappij van een tijdperk zich samenvat, volgt, dat alle gemeenschappelijke instellingen middels de staat tot stand komen, en een politieke vorm krijgen. Vandaar de illusie dat de wet op de wel gebaseerd is, en wel op de aan zijn reële basis ontheven wil, de vrije wil. Precies zo wordt het recht dan op zijn beurt herleid tot de wet' [MEW 3:62 - vert. p.88]. Daarom wordt de strijd tussen democratie en autocratie (monarchie, aristocratie) en de strijd om het algemeen kiesrecht los van de werkelijke onderlinge strijd van de klassen gevoerd.
In de Duitse Ideologie wordt de staat opgevat als de 'praktisch-idealistische uitdrukking' van de heerschappij van een bepaalde maatschappelijke klasse wier sociale macht berust op haar eigendom [MEW 3:69 -vert. p.41]. De bourgeoisie kan door haar staatsmacht wel de 'onrechtvaardigheid in de eigendomsverhoudingen' overeind houden, maar de staat creëert deze eigendomsverhoudingen niet. Het specifieke karakter van de eigendomsverhoudingen en de daarin verankerde onrechtvaardigheid wordt in deze visie primair bepaald door de moderne arbeidsdeling, concurrentie, ruil enz. Zij vloeien dus niet uit de politieke heerschappij van de bourgeoisie voort: de politieke heerschappij van de bourgeoisklasse vloeit juist voort uit deze moderne produktieverhoudingen [vgl. MEW 3:36 - vert. p. 86; MEW 4:338].
Het eigendomsvraagstuk en niet de politieke staatsvorm is daarom voor het klasseprobleem doorslaggevend.
"De moderne staatsmacht is slechts een comité, dat de gemeenschappelijke belangen van de gehele burgerlijke klasse beheert" [MEW 4:464 - vert. p. 43].
De politieke bovenbouw van de burgerlijke maatschappij wordt nog als loutere uitdrukking van de economische en klassenverhoudingen opgevat, als haar 'overjas' die door de revolutie van de economische basis zonder meer wordt afgelegd. De specifieke vorm van de staat en de terugwerking hiervan op de burgerlijke klassenverhoudingen worden in eerste instantie nog niet of nauwelijks gethematiseerd.
Deze beperkte opvatting van de positie van de arbeidersklasse werkt door in hun opvatting van communisme. Het communisme wordt in eerste instantie onderbouwd met de 'verontrusting van het hart', met het protest tegen het onmenswaardige leven [vgl. MEW 2:548,555]. Communisme is dus aanvankelijk eerder een proclamatie of beginsel dan een concreet-historische tendens. "De moedervlekken van het vroegsocialisme zijn nog duidelijk, zij manifesteren zich vooral in de regelmatige en uitvoerige beschrijving van de toekomstige communistische maatschappij" [Armanski 19:171].[23]. Communisme wordt nog geïdentificeerd met de opheffing van de arbeidsdeling:
"In de communistische maatschappij, waar niemand één exclusieve sfeer van werkzaamheid heeft, maar iedereen zich in welke richting hij maar wil kan bekwamen, de maatschappij de algemene produktie regelt en mij juist daardoor de mogelijkheid geeft, vandaag dit en morgen dat te doen, 's ochtends te jagen, 's middags te vissen, 's avonds veeteelt te bedrijven en na het eten de kritiek te beoefenen, alnaargelang ik verkies, zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden" [MEW 3:33; vert. 35 - Duitse Ideologie].
In hun filosofiekritische fase wordt communisme opgevat als boven de klassen staande zaak van de mensheid:
"Het communisme staat op grond van zijn principe boven de tweespalt tussen bourgeoisie en proletariaat, het erkent deze slechts in zijn historische betekenis voor het heden, maar niet als ook voor de toekomst gerechtvaardigd; het wil juist deze tweespalt opheffen. Het erkent daarom weliswaar, zolang de tweespalt bestaat, de verbittering van het proletariaat tegen zijn onderdrukkers als een noodzaak, als de belangrijkste hefboom van de beginnende arbeidersbeweging, maar het gaat boven deze verbittering uit, juist omdat het een zaak van de mensheid en niet alleen van de arbeiders is. ... En daar het communisme boven de tegenstelling tussen proletariaat en bourgeoisie staat, zal het ook voor het betere deel van de bourgeoisie - maar dat zijn ontzettend weinigen en op aanvulling ervan kan alleen uit het midden van de opgroeiende generatie gerekend worden - gemakkelijker zijn, zich daarbij aan te sluiten dan bij het uitsluitend proletarisch chartisme" [Engels, MEW 3:505 e.v. - vert. p.351 e.v.].[24]
De bevrijding van het 'proletariaat' wordt dus aanvankelijk niet klassespecifiek benaderd als taakstellling van de arbeidersbeweging zelf, maar als algemeen menselijke emancipatie. Communisme en arbeidersbeweging zijn in eerste instantie beide geworteld in de vervreemding van de mens. Naarmate Marx en Engels zich van deze filosofische categorie bevrijden, worden beide begrippen ook relatief van elkaar ontkoppeld: het communisme is niet meer alleen of zonder meer een zaak van de arbeidersbeweging. De arbeidersbeweging wordt nu concreter opgevat als strijdbeweging voor de directe verbetering van de levenspositie van de arbeiders. De loonstrijd heeft echter een explosieve lading, de strijd voor lotsverbetering stuit telkens op de wetten van het privé-eigendom. Daarom verwijst deze directe belangenstrijd steeds weer naar de opheffing van de bestaande maatschappij. Communisme en arbeidersbeweging worden nu steeds explicieter opgevat als twee uitingsvormen van hetzelfde 'ontbindingsproces van de burgerlijke maatschappij'.
Marx, die zich aanvankelijk nog uitdrukkelijk van het communisme distantieert, bepleit een 'radikale kritiek op het bestaande'. Onder het primaat van de theorie wordt de revolutionaire omwenteling, de menselijke emancipatie gezien als resultaat van de vereniging van proletariaat en filosofie. Zijn 'realer Humanismus' [MEW 2: 139] is vreedzaam, burgerlijk en sociaal-hervormend. Pas langzamerhand wordt de arbeidersklasse opgevat als grondslag en doorslaggevende kracht van de socialistische beweging. De gewenste en verwachte revolutionaire omwenteling wordt steeds sterker verbonden met de feitelijke maatschappelijke ontwikkelingsmogelijkheden. En hiermee neemt ook zijn distantie ten opzichte van vroeg-socialistische en idealistische opvattingen toe. Deze distantie - om niet te zeggen afkeer - wordt zelfs zo groot dat hij betekenis en functie van - normatief onderbouwde en programmatisch geconcretiseerde - utopieën bagetelliseert en daaraan in ieder geval nauwelijks meer positieve functies wil toekennen [zie Benschop 1992: II; vgl. Bader 1990: VII].
Communisme wordt opgevat als 'negatie van de negatie' (d.w.z. als ontkenning van de privé-eigendom), als een beweging naar een toekomstige maatschappij, en niet zozeer als een alternatieve maatschappij zelf. Als dit idee begint door te breken, is communisme niet meer het ideaal waarnaar de werkelijkheid zich moet richten, maar "de werkelijke beweging die de huidige toestanden opheft" [MEW 3:35 - vert. DI p.37].
"De theoretische stellingen van de communisten berusten geenszins op ideeën, op beginselen die door deze of gene wereldverbeteraar zijn uitgevonden of ontdekt. Zij zijn slechts algemene uitdrukking van feitelijke verhoudingen van een bestaande klassenstrijd, van een zich onder onze ogen afspelende historische beweging " [MEW 4:475 - vert. p. 57, Het Communistisch Manifest. Vgl. MEW [4:321;363]
De proletarische revolutie en het communisme worden hier gepropageerd op het niveau van de materialistische geschiedenisopvatting. Communisme wordt hier nog niet geanalyseerd vanuit de historische vorm van de kapitalistische loonarbeid, vanuit de algemene en specifiek-historische tegenspraken van de kapitalistische produktiewijze. De kapitalistische arbeidsverhoudingen worden nog op filosofisch niveau gethematiseerd met de categorie van de vervreemding. Wanneer Marx zijn kritiek van de politieke economie begint uit te werken wordt dit ontwerp concreter. Als bewijs voor de uitvoerbaarheid van het communisme worden de experimenten met goederengemeenschappen in Engeland en de USA aangehaald [vgl. bijv. Engels MEW 2:521].
|
"Innerhalb der kommunistischen Gesellschaft, der einzigen, worin die originelle und freie Entwicklung der Individuen keine Phrase ist, ist sie bedingt eben durch den Zusammenhang der Individuen, ein Zusammenhang, der teils in den ökonomischen Voraussetzungen besteht, teils in den notwendigen Solidarität der freien Entwicklung Aller, und endlich in der universellen Betätigungsweise der Individuen auf der Basis der vorhandenen Produktivkräfte" [MEW 3:424 e.v.]. |
De regeling van de algemene produktie door de maatschappij zou de volledige ontplooiing en zelfrealisatie van het individu mogelijk maken. Een van de "meest wezenlijke principes van dit communisme, waardoor het zich van elk reactionair socialisme onderscheid" is dat de verkeerde, in de huidige verhoudingen verankerde stelling: 'Ieder naar zijn vaardigheden' veranderd moet worden in de stelling: 'Ieder naar behoefte'. Met andere woorden, dat de verscheidenheid in de activiteit, in de arbeid, geen legitieme basis is voor sociale ongelijkheid, voor voorrechten van bezit en genot [MEW 3:528].
Kenmerkend voor deze opvatting is dat er in tegenstelling tot de vroegsocialistische opvattingen sterke nadruk wordt gelegd op de voorwaarden van communisme, en met name op de 'universele' of 'alzijdige' ontwikkeling van de produktieve krachten, waarvan de revolutionaire klasse de grootste is, in de schoot van de oude maatschappij en haar botsing met de produktieverhoudingen. De beperktheid van de strijd voor menselijke emancipatie tot dan toe wordt op het konto van de onontwikkelde materiële basis geschreven [MEW 3:417].[25]
I Waar is de klassentheorie?
Inhoud
III. Theorie-systematische context |
|---|
[2] Deze theoretische discontinuïteit tussen het wetenschappelijk programma van Marx en haar eigen ideologische voorgeschiedenis is o.a. uitgewerkt door ALTHUSSER [1970; vert. in TEU 17:694 e.v.]. Zie voor 'epistemologische breuk' of 'cesuur' het werk van BACHELARD [1951 a+b]. Een kritisch overzicht over de epistemologische bijdragen van Bachelard, Canguilhelm en Foucault geeft LECOURT [1972]. MANSCHOT [1980] geeft in hoofdstuk II een uiteenzetting van de begrippen epistemologische 'breuk', 'regio' en 'obstakel' waarmee Bachelard het historische en dialectische ontwikkelingsproces van wetenschappelijke kennis wil ontsleutelen. Vgl. ook: FICHANT/PECHEUX [1971:101 e.v.]; BALIBAR [1978:207-237].
[3] Vgl. HALL [1973:16], Van DIJK [1984:344].
[4] Vergelijk ook de volgende omschrijvingen: "Een problematiek verwijst naar de theoretische structuur van begrippen, noties enz. die op een bepaalde wijze samenhangen, en wel zó, dat bepaalde vragen er per sé in gesteld moeten worden, terwijl andere vragen pertinent niet gesteld kunnen worden binnen zó'n problematiek" [R. SIERKSMA, De materialistische stadsanalyse van M. Castells, in: TEU 25, p. 444]. Een problematiek is de "innerlijke orde die de vragen bepaalt welke een theorie aan haar object stelt" [POULANTZAS, Over de marxistische rechtstheorie, in: Recht en Kritiek, 2/1975, p. 135]. "Een wetenschap van een specifiek domein is gebaseerd op de ontdekking van een specifieke coherentie van zijn object" [J. MEPHAM, The structuralist sciences and philosophy, in: D. Robey (ed.), Structuralism. Oxford 1973].
[5] Vgl. verder: ALTHUSSER [Über den Junge Marx, VSA 1973:33,44,54,59], ARENZ/BISCHOFF/ JEAGGI [1973:XLV e.v.], BISCHOFF [1973 - Gesell. Arbeit].
[6] Uit het voorgaande is echter al duidelijk geworden dat de beschreven cirkel niet volledig doorbroken kan worden door uitsluitend na te denken over intern-theoretische vooronderstellingen. We moeten de concrete omstandigheden aangeven waaronder de 'overgang van ideologie naar wetenschap' mogelijk is, om te begrijpen op grond van welke omstandigheden Marx deze overgang kon voltrekken. NB HERHALING
[7] Voor aanhangers van het 'teleologische model' behoeven alleen ontsporingen, afwijkingen van de te verwachten koers een externe verklaring. "Ware theorieën en rationele handelingen behoeven volgens dit model geen verklaring, want zij worden geleid door een interne logica, die als het ware de rails verschaft waarop de trein van de rationeel gestuurde wetenschappelijke vooruitgang voortdendert" [KUNNEMAN 1986:55].
[8] "Rekurrentie is die epistemologiese akt, waardoor de geschiedenis van een wetenschappelijke discipline onderscheiden wordt in een 'histoire périmée en een 'histoire sanctionnée', d.w.z. in een verzameling begrippen, theorieën die geen aktualiteit voor de kontemporaine wetenschap bezit en een verzameling die deze wel bezit; deze laatste bezit een 'passé actuel'. De rekurrerende geschiedschrijving moet steeds opnieuw geschreven worden, omdat geen enkele wetenschap definitief is" [H.C. BOEKRAAD, TEU 17:695 - noot]. Dit thema is ontleend aan de epistemologie van G. Bachelard en werd door Louis Althusser in de marxistische discussie geïntroduceerd [ALTHUSSER 1970, in TEU 17].
[9] Vgl. KOSTEDE [1974:4]. ARMANSKI [1974:132].
[10] Zie voor uitvoeriger analyses van de ontwikkeling van het denken van Marx en Engels: over klassentheorie MAUKE [1970], ARMANSKI [1974], over de politieke theorie en klassentheorie: DRAPER [1977/8], AVERINI [1968], over de verhouding tot de vroeg-socialisten: VESTER [1971], ENGELSING [1956], SCHRÖDER [1975], M. HAHN [1975], voor de economische theorie: ROSDOLSKY [1968 I & II], TUSCHEERER [1968], WYGODSKI [1965/1974], over de filosofische ontwikkeling: KOJÈVE [@@}, BEKKER [z.j.], CALVEZ [1956].
[11] Op het hoogste abstractieniveau kunnen klasseposities en klassen worden geanalyseerd als verschijnselen die kenmerkend zijn voor verschillende historische maatschappijformaties. Het 'algemene' karakter van deze klassentheorie betekent natuurlijk niet dat klassen worden opgevat als universalia van alle menselijke samenlevingen. Zie II par. 4.1. Vgl. BENSCHOP [1992:71 e.v.], BADER/BENSCHOP [1988: 59 e.v.,201].
[12] Vgl. JUNG [1972:22]. PKA [1973:386 - Materialien I], GIDDENS [1973:27], ARMANSKI [1974: 144].
[13] In deze eerste schets voor de opbouw van Het Kapitaal uit 1857 neemt Marx zich voor een inleiding te schrijven waarin hij deze abstracte bepalingen die "in alle maatschappelijke toestanden voorkomen, dus zonder historisch karakter, menselijk, if you please" afzonderlijk behandeld [Grundrisse: 226]. Vgl. ROSDOLSKY [1968 I:24].
[14] Vgl. bijv. de bekende aap-mens-verhouding in de Grundrisse.
[15] Vgl. MEW 19:107 en de vaak geciteerde latere brieven van Friedrich Engels over het historisch-materialisme, met name de brieven aan Conrad Schmidt (5 augustus 1890, in: MEW 37:435-8), Joseph Bloch (21 september 1890, in: MEW 37:462-5), Conrad Schmidt (27 october 1890, in: MEW 37:488-95) en W. Borgius (25 januari 1894, in: MEW 39:205-7). Al deze brieven zijn in het Nederlands vertaald in: TEU 19 (3/4), 1972.
[16] Zie hiervoor met name de Heilige Familie [1845].
[17] Vgl. TUSCHEERER [1968:251 e.v.,114 e.v.].
[18] DRAPER [1977: hft. 6 en 7] schetst een helder beeld van de taalcultuur en -conventies die in de eerste helft van de vorige eeuw bepalend waren voor het begrip 'proletariaat'. Aanvankelijk werd met termen als 'volk' of 'proletariaat' gerefereerd aan iedereen behalve een klein aantal aristocraten en uitbuitende burgers. Tegen het midden van de 19e eeuw krijgt de term 'proletariaat' een meer specifieke betekenis, zij werd verbonden aan de steeds duidelijker te identificeren klasse van loonarbeiders die met de ontwikkeling van het kapitalisme ontstonden. Deze nieuwe betekenis van 'proletariaat' kreeg vooral bekendheid door het werk van Lorenz VON STEIN over de socialistische en communistische tendensen in Frankrijk [1842 - Der Sozialismus und Kommunismus des heutigen Frankreichs. Leipzig]. Maar de oude, bredere betekenis bleef een belangrijke rol spelen en werkt ook door in het werk van Marx en Engels.
[19] Vgl. ARMANSKI [1974:151,159-164, 199].
[20] Vgl. TUSCHEERER [1968:102 e.v.,300 e.v.], WYGODSKY [1965/74], ARMANSKI [1974: 10,133, 145,159,183].
[21] Vgl. Otto CONRAD, Over de theorie van de drie produktiefactoren, in: De armoede van de ekonomiese wetenschap - Twaalf essays. Nijmegen 1975.
[22] Vgl. MEW [2:204; - vert. p. 32 e.v.]. Zie hiervoor ook Marx's kritiek op List [Über F. Lists Buch "Das nationale System der politischen Ökonomie". Westberlin 1972] en de kritiek van BISCHOFF e.a. [1981: 58, 135-157 - Deutsche Ideologie - Kommentar].
[23] Vgl. MARX [MEW EB I:462 e.v. - Auszüge aus James Mill], MARX/ENGELS [MEW 3:33,35. - Duitse Ideologie], ENGELS [MEW 2:521 e.v. - Beschreibung der in der neuerer Zeit entstandenen und noch bestehenden kommunistischen Ansiedlungen 1845].
[24] Friedrich Engels ontdekte de miserabele sociale omstandigheden van de arbeidersklasse relatief vroeg. Al in 1839 schreef hij op achttienjarige leeftijd zijn Brieven uit Wuppertal voor een liberaal literair tijdschrift in Hamburg, waarin hij de ellende van de arbeiders en hun gezinnen aan de kaak stelde. Na zijn aankomst in Engeland in augustus 1842 komt hij in een reeks artikelen voor de Rheinische Zeitung tot de conclusie dat er niet alleen een gewelddadige revolutie nodig is om de materiële levenspositie van het Engelse proletariaat te verbeteren, maar dat een sociale revolutie ('een open oolog van de armen tegen de rijken' - MEW 2:555) daar ook zeer waarschijnlijk, ja zelfs zeker is. Daarbij beschouwt hij het 'filosofisch communisme in Duitsland' (d.w.z. jong-hegelianen zoals Moses Hess, Arnold Ruge, Georg Herwegh, Marx en zichzelf) als bondgenoot van de Engelse en Franse arbeidersbewegingen. De eerste tekst waarin Engels een duidelijke 'proletarische positie' inneemt en definitief breekt met het linkshegelianisme en het feuerbachiaanse 'ware socialisme' schreef hij in september 1845 voor het chartistische tijdschrift The Northern Star. Hij herziet daarin zijn waardering voor het Duitse communisme. Hij erkent dat er in de burgerij aanzienlijk wat republikeinen, zelfs communisten en ook jongeren zijn die erg nuttig kunnen zijn als er een algemene opstand komt. Maar omdat deze mensen toch 'bourgeois', profiteurs en beroepsmatige fabrikanten zijn, is er geen enkele garantie dat zij zich niet door hun beroep en sociale positie laten demoraliseren - zij worden immers door hun beroep en sociale levenspositie gedwonen te leven van de arbeid van andere mensen en vet te worden als 'exploiteurs' van de arbeidersklasse. "Die revolutionäre Tat wird in Deutschland aus der Mitte der Arbeiterschaft heraus ihrem Anfang nehmen" [MEW 3:560]. Deze herwaardering van de relatie tussen communisme en arbeidersbeweging vindt plaats in directe aansluiting bij de eerste contacten tussen Marx en Engels.
[25] Vgl. LUDES [1979: hft. 3 en Anhang I]. Vgl. ook: ARMANSKI [1974:178-82]
| Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Home | Zoek | Correspondent | Contact |
|---|