Sociologen Onderwerpen Samenleven Home Zoek Correspondent Contact

De klassentheorie van Marx Marx

II Theorie-historische en biografische context

door: Albert Benschop

  1. Drie theorie-historische contexten
    1.1 Saint-Simon
    1.2 De Franse historici van de restauratie-periode: Thierry | Mignet | Guizot
    1.3 De klassieke burgerlijke politieke economie: David Ricardo
    1.4 'Het nieuwe dat ik heb gedaan was...'
  2. Intellectueel-biografische context
    2.1 Geen lineaire ontwikkeling
    2.2 Verandering van problematieken: breuken / cesuren
    2.3 Kwadratuur van een cirkel?
  3. Verschuivende problematieken
    3.1 Van histomat naar kritiek van de politieke economie
    3.2 Van privé-eigendom & vervreemde arbeid naar kapitaal & loonarbeid
    3.3 Van distributie/concurrentie naar produktie/accumulatie
    3.4 Van arme, bezitsloze klasse naar arbeidersklasse
    3.5 Klasse als drager van economische verhoudingen
    3.6 Ideologiekritiek en bewustzijnsanalyse
    3.7 Burgerlijke staatsvorm
    3.8 Arbeidersbeweging en communisme
Voetnoten
I Waar is de klassentheorie? Inhoud III. Theorie-systematische context


2 Intellectueel-biografische aspecten

Het ontstaan en de uitwerking van 'materialistische' of 'proletarische' klassentheorie is weliswaar een historisch resultaat van de maatschappelijke ontwikkelingen in het midden van de vorige eeuw, maar het is zeker geen spontane of mechanische reflectie van dit historisch proces. Zij is evenmin het produkt van een quasi-spontane chemische verbinding tussen drie burgerlijke denktradities, hoewel zij zonder de eerdere intellectuele prestaties van tal van economen en historici ondenkbaar is. Het ontstaan van deze klassentheorie kan ook niet simpel worden opgevat als het produkt van een afzonderlijk geniaal individu, ook al is zij persoonlijk gekleurd door de intellectuele inspanningen en prestaties van Marx.

2.1 Geen lineaire ontwikkeling

De ontwikkeling van Marx's denkbeelden over het klassevraagstuk verloopt niet als een lineaire progressie naar een doel; zij kan dus niet mechanisch worden geïnterpreteerd als een proces van permanente accumulatie van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Het ontwikkelingsproces van zijn denkbeelden kan evenmin organisch worden begrepen als het ontkiemen van inzichten die vanaf het begin af aan aanwezig zijn: de suggestie dat ongeveer alles wat in Het Kapitaal ontdekt werd al in embrionale vorm aanwezig zou zijn in de Filosofisch Economische Manuscripten van 1844. En tenslotte wordt dit proces ook niet verhelderd met een idealistisch interpretatiemodel dat de klassentheorie Van Marx laat beginnen met onaantastbare 'principes' waaruit vervolgens moeizaam de consequenties worden afgeleid. Wetenschappelijke progressie impliceert immers dat er nieuwe kennis wordt geproduceerd die met terugwerkende kracht de uitgangspunten aan het wankelen brengt om deze tenslotte volledig te ondermijnen. Wetenschap gaat vooruit door 'retrograde' bewegingen: zij verlaat geleidelijke oude uitgangsstellingen en neemt nieuwe in: een wetenschap gaat niet uit van principes, zij gaat er naar toe.[1]

Zodra men de idee van een lineaire progressie loslaat kan men de teksten van Marx niet meer op een hoop gooien of als een granieten blok voorstellen. De omtrekkende en terugtrekkende bewegingen via welke theoretisch werk zich ontwikkelt worden hierdoor aan het gezichtsveld onttrokken. Dit stimuleert een 'lui marxisme' [Hall 1973:16] dat zichzelf bevredigt met twee suggesties: (a) dat er geen kritische reconstructies meer nodig zijn om de ontwikkelingen, breukvlakken en lacunes in het werk van Marx zelf analyseren, en (b) dat men verder zou kunnen steunen op de 'evidentie' van 'het marxisme' dat in de teksten van Marx altijd latent aanwezig is. Dat een dergelijk 'common sense marxisme' de noodzakelijke reconstructie en verdere ontwikkeling van deze klassentheorie alleen maar heeft geblokkeerd, hoeft hier niet meer te worden gedemonstreerd.

2.2 Verandering van problematieken: breuken/cesuren

De theoretische benadering voor het onderzoek van de klassenverhoudingen was het resultaat van een intensieve periode van werken, waarin Marx zijn aanvankelijk nog in het idealisme bevangen uitgangspunten verlaat om een nieuw wetenschappelijk programma te funderen. De wetenschappelijke ontdekking van Marx impliceerde een breuk met vroegere 'ideologische' geschiedenisopvattingen.[2] Deze breuk in de ontwikkeling van het denken van Marx is echter niet eenmalig maar processueel. Tussen de 'jonge' en de 'oude' Marx bestaat er daarom geen simple scheidslijn. In het ontstaans- en ontwikkelingsproces van de klassentheorie van Marx kunnen een aantal breuken en fasen worden onderscheiden. Daarom variëren de teksten die Marx in verschillende periode van zijn leven schreef niet alleen in thematische doelstelling, maar ook in theoretische status. Het verschil in theoretische status van teksten is met name het gevolg van het feit, dat zij verbonden zijn aan en gedomineerd worden door de problematieken waarin Marx op dat moment dacht en schreef.[3] Onder problematiek (of zo men wil 'paradigma') versta ik de architectuur van begrippen welke de specifieke vragen genereert die aan het onderzoeksobject worden gesteld en de vragen die niet worden gesteld, omdat zij buiten de definitie van het theoretisch object vallen.[4]

Een reconstructie van de verschuivingen in problematieken die in de loop van Marx' intellectuele arbeid optreden, maakt het mogelijk om het 'nieuws' dat hij op het gebied van de klassenanalyse te bieden heeft beter te identificeren. Zijn 'ontdekkingen' vinden plaats op de breukvlakken tussen de verschuivende problematieken. Een analyse van deze verschuivingen kan uitsluitsel geven over de vraag, welke begrippen, thema's en vraagstellingen nog behoren bij de 'ideologische' voorgeschiedenis en welke gerekend kunnen worden tot de zogenaamde harde kern van klassentheorie zelf.

2.3 Kwadratuur van een cirkel?

Bij deze onderneming stuit men op twee lastige vragen. Ten eerste: op welke wijze kunnen er verschillende problematieken in teksten worden geïdentificeerd en geordend? Ten tweede: op grond van welke criteria en met welke normen is het mogelijk om in het werk van Marx een grens te trekken tussen wetenschappelijk houdbare elementen en restanten van de 'ideologische' voorgeschiedenis van deze klassentheorie? In principe kunnen deze vragen op drie manieren worden beantwoord: historisch-chronologisch, intern-retrospectief en extern-retrospectief.

a Historisch-chronologische beschouwingen -- Als men het ontstaan van de klassentheorie van Marx historisch-chronologisch benadert, raakt men gemakkelijk verstrikt in een cirkel van problemen, waarin de oplossing van het ene probleem de oplossing van het andere veronderstelt. Enerzijds moeten we om de klassentheorie van Marx goed te begrijpen duidelijkheid hebben over het ontstaansproces van die theorie: een begrip van de vroegere ontwikkelingsetappes is immers nodig om de latere ontwikkelingsfasen van de theorie te begrijpen. Anders gezegd: men moet de vóór-wetenschappelijke formuleringen kennen om het specifiek wetenschappelijk van de theorie te kunnen begrijpen. Anderzijds is echter voor het begrijpen van de genese van de klassentheorie en van de specifieke aard van de vroege etappes al de kennisstand van de ontwikkelde theorie verondersteld. Kortom: het begrijpen van de 'voor-wetenschappelijke' fase veronderstelt inzicht dat voortvloeit uit het onderzoek van de ontwikkelde theorie.

Van mens naar aap
In zijn Inleiding bij de Grundrisse bespreekt Marx voor zijn economische theorie een vergelijkbaar methodologisch probleem. Naar zijn mening is het "ondoenlijk en onjuist om de economische categorieën in dezelfde volgorde te behandelen als waarin zij historisch de determinerende categorieën waren (...) Het gaat niet om de relatie waarin de economische verhoudingen historisch tot elkaar staan in de opeenvolging van de verschillende maatschappijvormen", maar om "de relatie waarin zij in de burgerlijke maatschappij tot elkaar staan". Hiervoor is het niet nodig eerst alle voorafgaande ontwikkelingsfasen van de economische verhoudingen te kennen. Eerder omgekeerd: "De anatomie van de mens levert de sleutel voor de anatomie van de aap. De aanduidingen van een hogere ontwikkeling in de lagere diersoorten kunnen daarentegen slechts begrepen worden wanneer deze hogere ontwikkeling zelf reeds bekend is. De burgerlijke economie levert zo de sleutel voor de antieke etc." [Inleiding Grundrisse: 26; TEU 17: 511].[5]

b Intern retrospectief: in het licht van Het Kapitaal -- We kunnen het ontstaansproces van de klassentheorie ook bekijken vanuit het gezichtspunt van de rijpe en ontwikkelde theorie, d.w.z. 'in het licht van Het Kapitaal' [Hall 1973:19]. In Het Kapitaal geeft Marx immers zijn meest ontwikkelde uiteenzetting van de kapitalistische produktiewijze en van de daarmee corresponderende klassenverhoudingen. Op basis van deze ontwikkelde uiteenzetting van de kritiek van de politieke economie kan een beoordeling worden gegeven van de verschillende ontwikkelingsfasen tijdens de uitwerking van de klassentheorie.[6]

c Extern retrospectief: in het licht van de na-geschiedenis -- Het licht van Het Kapitaal kan echter nooit een absolute norm zijn. Zoals eerder gezegd is ook de bijdrage van 'de oude Marx' immers eerder een onvoltooide systematische aanzet dan een 'voltooid systeem' (whatever that may be). Een klassenanalytisch onderzoeksprogramma dat wetenschappelijk enigszins houdbaar is, is noodzakelijkerwijze open voor verdere ontwikkeling. In dogmatische beschouwingen over de klassentheorie van Marx wordt vaak uitgegaan van de mytische vooronderstelling van de 'zuiverheid van de bron', van een 'autentiek marxisme'. Vanuit deze vooronderstelling wordt de ontwikkeling van de klassentheorie beschreven als een cyclus van contaminatie (besmetting, deformatie, vervlakking, verval) en van purificatie (zuivering, herstel). Onder het motto 'terug naar de bron' wordt theoriegeschiedenis bedreven als een chroniek van splitsingen en vervormingen. Dergelijke geschiedenissen zijn geobsedeerd door 'fouten' en 'afwijkingen' van de theoretische zuiverheid, het zijn puristische geschiedenissen. De door puristen zo verfoeide 'afwijkigen', 'revisies', 'vervlakkingen' en 'vulgarisaties' worden niet meer in verband gebracht met de structuur van de betreffende theorie zelf.[7] De ontwikkeling van de klassentheorie kan niet worden beschreven in termen van een proces van vervlakking of recuperatie van deze theorie door 'externe factoren'. Er bestaat überhaupt geen 'autentiek marxisme' [S. Hall, in: Hunt 1977:16].

Marx' uiteenzetting in Het Kapitaal moet - uiteraard - niet tot norm worden verheven op grond waaraan men het wetenschappelijke gehalte van klassentheorieën kan meten. Om de geschiedenis van theorievorming van de mutatie van problematieken te kunnen schrijven heeft men actuele normen nodig, d.w.z. normen die ontleend zijn aan de actuele ontwikkelingsstand van de sociale wetenschap. Bij de beoordeling van de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van de klassentheorie dient dus gebruik gemaakt te worden van het zgn. retrospectieve of recurrentie-effect.[8] Een analyse van ontstaan en ontwikkeling van de 'marxistische' klassentheorie zou er met name op gericht moeten zijn om in de geschiedenis van deze onderzoekstraditie de begrippen en (deel)theorieën te identificeren die een 'passé actuel' hebben voor de moderne sociale wetenschappen. Dat betekent ook dat we 'verjaarde' termen, begrippen en theoretische constructies moeten identificeren - om er afscheid van te nemen.

Index


3 Verschuivende problematieken

De klassentheorie van Marx en Engels heeft zich in nauwe samenhang met de kritiek van de politieke economie ontwikkeld. Aan de latere formuleringen van hun klassentheorie ging een langdurige periode vooraf van kritiek op de rechtsfilosofie van Hegel, op de klassieke burgerlijke economen, op het vigerende model van historische analyse en op de verschillende socialistische doctrines van hun tijd. In hun vroege teksten wordt door een 'radikale kritiek' op deze posities en stromingen de weg vrijgemaakt voor een historisch-materialistische opvatting van de geschiedenis. Omdat zij zich al vroeg intensief met de politieke economie bezig hadden gehouden, konden zij in hun eerste teksten al elementen van een materialistische klassentheorie presenteren, zonder dat de pijlers van de kritiek van de politieke economie waren uitgewerkt. Het programmatische karakter van dit 'historisch materialisme', waarin de eerste aanzet wordt geformuleerd van een eigen klassentheoretisch concept, wordt pas overwonnen na de ontdekking van de grondslagen van de kritiek van de politieke economie. Door de ontdekking en systematische uitwerking van begrippen als 'waarde', 'meerwaarde', 'produktieve arbeid', 'uitbuitingsratio' is Marx in staat om zich zowel inhoudelijk als terminologisch los te maken van de voorgeschiedenis van de klassentheorie. Naarmate zijn kritiek van de politieke economie meer vaste, systematische vormen aanneemt, is hij in staat om uit te gaan boven de zeer algemene bepalingen van de historisch-materialistische klasse-opvatting en door te dringen in de specifieke eigenschappen van kapitalistische klassenstructuren. In de loop van de ontwikkeling van de kritiek van de politieke economie krijgt Marx een 'sleutel' in handen voor een systematische analyse van de klassenstructuren van de kapitalistische produktiewijze. Dan pas is hij in staat om (1) meer consistente uitspraken te doen over structuur- en ontwikkelingstendensen van klassenverhoudingen in burgerlijke maatschappijformaties;[9] (2) de verschillende analyse-eenheden en abstractieniveaus waarop hij opereert methodisch stringenter uit elkaar te houden, en (3) ontstaat er ook iets meer consistentie in de klasse-terminologie.

Ik zal hier geen uitvoerige uiteenzetting geven over de ontwikkeling van het denken van Marx en Engels.[10] Ik zal hier slechts een globale schets geven van een aantal voor ons thema belangrijkte verschuivingen en breukvlakken.

3.1 Van materialistische geschiedenisopvatting naar kritiek van de politieke economie

De verschillende analyse-eenheden en abstractie-niveaus worden door Marx aanvankelijk niet duidelijk uit elkaar gehouden. Problematisch is hierbij vooral de relatie tussen de 'algemene klassentheorie' welke meerdere maatschappijformaties omvat en de analyse van de specifieke klassenverhoudingen van de burgerlijke maatschappij.[11]

Daarbij kan men in het algemeen zeggen dat er een verschuiving optreedt van het thematiseren van algemene voorwaarden van het bestaan van sociale klassen naar het onderzoek van specifieke vormen van klasseheerschappij in de burgerlijke maatschappij. In de vroegere werken - zoals in de Duitse Ideologie en de Filosofisch-Economische Manuscripten, Ellende van de Filosofie, en in de kritieken op Proudhon - bestaat er een tamelijk directe verknoping tussen (a) het uitwerken van de basiselementen van een algemene theorie van historische maatschappijformaties via de kritiek op de idealistische filosofie en op abstract beschouwelijk materialisme, en (b) de eerste aanzetten van de kritiek van de politieke economie resp. een waardetheorie, als rationele grondslag voor de analyse van de burgerlijke maatschappijformatie.[12] Deze verbinding markeert het keerpunt in zijn intellectuele ontwikkeling. Na de 'omslag van historisch materialisme in de kritiek van de politieke economie' (Armanski) probeert Marx de beide abstractie-niveaus en analyse-eenheden strikter uit elkaar te houden. Dit betekent overigens niet dat zijn denken over klassen in verschillende maatschappijformatie ophoudt bij de vroege geschriften. Zijn reflecties over een meer algemene, meerdere maatschappijformaties omvattende klassentheorie krijgen meer diepgang en worden systematischer. Zo merkt hij bijvoorbeeld in de Grundrisse, op dat de indeling van zijn studie kennelijk als volgt gemaakt moet worden:

"1. De algemene abstracte bepalingen die bijgevolg geldig zijn voor min of meer alle maatschappijvormen [...], 2. De categorieën die de interne structuur van de burgerlijke maatschappij vormen en waarop de fundamentele klassen berusten" [Grundrisse:28 - vert: TEU 17:55] [13].

Marx heeft weliswaar geen 'algemene klassentheorie' gesystematiseerd, maar heeft hiervoor wel een paar systematische voorzetten gegeven, waarbij met name wordt ingegaan op de methodische verhouding tussen het algemene en maatschappijformatiespecifieke analytische niveau.[14] Ook bij een interpretatie van Marx's opvattingen over de algemene voorwaarden van het ont- en bestaan van maatschappelijke klassen moet men er rekening mee houden dat er een grote interpretatie-speelruimte is vanwege de zeer uiteenlopende aard van de teksten. Marx en Engels onderbouwen hun theoretische optiek niet uitvoerig, maar demarkeren hun eigen benadering slechts door afgrenzingen te geven ten opzichte van andere posities Bovendien zijn de betreffende teksten vaak meerduidig en laten dus verschillende interpretaties toe. Marx en Engels waren zelf zeer voorzichtig zijn met het formuleren van algemene leidraden voor analyses van historisch specifieke maatschappijformaties. Zij waarschuwen herhaaldelijk tegen 'recepten' en geschiedenisschema's.[15] Daarom zijn de teksten die hiervoor het meest worden geciteerd - Duitse Ideologie, Vorwort bij Zur Kritiek en Einleitung bij Grundrisse - door henzelf bewust niet zijn gepubliceerd.

3.2 Verschuiving van centrale klasseconstituerende begrippen

De vroege teksten van Marx en Engels worden sterk gekleurd door thematieken en vokabulaire van de theorieën en filosofieën die zij kritiseren. "Wie die erste Kritik jeder Wissenschaft notwendig in Voraussetzungen der Wissenschaft, die sie bekämpft, befangen ist" [MEW 2:32]. Onder invloed van de filosofie van Hegel en het humanisme van Feuerbach verschijnen de klassen in hun vroege teksten eerder als filosofische figuren - 'universele klasse' - dan als substraten van de maatschappij. Zij naderen wel twee basisthema's van de materialistische maatschappij- en geschiedenisopvatting: (a) dat de produktiewijze de beslissende rol in de ontwikkeling van de maatschappijformaties speelt en (b) dat de geschiedenis moet worden opgevat als geschiedenis van de klassenstrijd. De centrale analysecategorieën zijn privé-eigendom en vervreemde arbeid.[16] Met deze algemene categorieën slagen zij er nog niet in de specifieke vorm van de burgerlijke klasseheerschappij te analyseren. In de loop van hun verdere studies treedt er een verschuiving op: in plaats van de begrippen privé-eigendom en vervreemde arbeid komen de categorieën kapitaal en loonarbeid steeds centraler te staan. In de Economisch-filosofische Manuscripten (1844) wijst Marx de arbeidswaardeleer nog zonder meer af en probeert hij met de theorie van de vervreemding van de arbeid het wezen van de warenproduktie in het algemeen te vatten. In de Heilige Familie (1845) en Duitse Ideologie (1845/6) wordt deze theorie steeds meer verdrongen. In zijn eerste gepubliceerde economische studie, Elend der Philosophie, begint Marx de arbeidswaardeleer te verdedigen.[17]

Proletariaat als universele klasse
In zijn inleiding op Bijdrage tot de kritiek op Hegels Rechtsfilosofie (1844) beantwoordt Marx de vraag, waarin de positieve mogelijkheid van de Duitse emancipatie ligt als volgt:

"In de vorming van een klasse met radikale ketenen, een klasse van de burgerlijke maatschappij die geen klasse van de burgerlijke maatschappij is, een stand die de ontbinding van alle standen is, een sfeer die door haar universele lijden een universeel karakter bezit en geen bijzonder recht opeist, omdat tegenover haar geen bijzonder onrecht, maar onrecht zonder meer wordt begaan; die zich niet meer op een historisch recht, maar alleen nog maar op het menselijke recht kan beroepen, die niet in eenzijdige tegenstelling staat tot de gevolgen, maar in alzijdige tegenstelling tot de voorwaarden van het Duitse staatswezen; een sfeer tenslotte, die zich niet kan emanciperen zonder zich te emanciperen van alle overige sferen van de maatschappij en daarmee alle overige sferen van de maatschappij te emanciperen, die in één woord het volledig verloren gaan van de mens is, die dus alleen maar door het volledig herwinnen van de mens zichzelf kan winnen. Deze ontbinding van de maatschappij als een bijzondere stand is het proletariaat" [MEW 1:390 - vert. p. 103].

Hoewel Marx in deze kritiek direct polemiseert tegen Hegels opvatting van de bureaucratie als representant van 'het algemene belang' is de 'hegeliaanse choreografie' van deze passage evident [Nicolaus 1970:43 e.v.]. De sterke kant van Marx' uiteenzetting is, dat hij geen 'heldenklasse' tegenover een 'boevenklasse' portretteert en dat hij zijn kandidaat voor de revolutionaire klasse niet verheerlijkt. Hij benadrukt eerder het tegendeel, waar vervreemding wordt gelijkgesteld met volledige dehumanisering. De zwakke kant is:

"it does not yet bring to the fore the active potentiality of the proletariat's place in society. This weakness is entirely bound up with its underlying vice: it has no economic underpinning. There is yet no understanding of economic exploitation as the root of the social position of the proletariat, as the root also of many of the assertions which appear only as insights. Hence a general view of the class struggle is missing, and with it the solution to (among other things) the dehumanizing effect of the new bourgeois society" [Draper 1977:147. Vgl. ook Armanski 1974:143,199].

3.3 Van klassenanalyse vanuit distributie/concurrentie naar kapitalistische produktie/accumulatie

Dit heeft tevens gevolgen voor de wijze waarop de arbeidersklasse wordt geanalyseerd. Aanvankelijk wordt de arbeidersklasse vooral beschreven in termen van de 'arme', 'bezitloze', 'werkende' klasse.[18] De eerste analyses van Marx en Engels over de sociale klassenstructuur zijn verspreid en onsystematisch. Hun klasseopvatting is primair gebaseerd op ordeningen van empirische observaties. Omdat de wetmatigheden van het economisch proces aanvankelijk alleen descriptief worden verduidelijkt beweegt de analyse van de klassen zich hoofdzakelijk op het verklaringsniveau van concurrentie en anarchie. Zowel de intern-kapitalistische concurrentie als de concurrentie binnen de arbeidersklasse worden primair als marktverschijnselen behandeld.[19] Het verband met processen van waarde- en meerwaardevorming in de kapitalistische arbeidsverhoudingen kan nog niet worden gelegd. Daarom slagen zij er aanvankelijk niet in om de ontwikkeling van de sociale klassenstructuur te thematiseren vanuit het kapitalistische produktie- en accumulatieproces.

Deze gesystematiseerde waarneming van de verschijnende beweging van het kapitaal en van de klassen wordt gecombineerd met de eerste aanzetten van de latere waardetheorie. Theoretisch gezien blijven zij echter binnen de parameters van de zgn. produktiefactorentheorie, welke zij later grondig zouden kritiseren.[20] Daarna worden hun analyses steeds meer geconcentreerd op de specifieke uitbuitingsverhoudingen die in het kapitalisme dominant zijn. Zij ontdekken dat het 'geheim' van de de kapitalistische produktie- en klassenverhouding gelegen is in de produktie en verdeling van de meerwaarde. In het begin van de jaren vijftig trekt Marx al de conclusie dat het bestaan van de klassen slechts gebonden is aan specifieke fasen in de ontwikkeling van de produktie [Briefe:59].

Produktiefactorentheorie
Volgens de theorie van de drie produktiefactoren zijn het loon, de grondrente en de interest de vergoeding/beloning die de eigenaars ontvangen voor het ter beschikking stellen van de produktiefactoren, of voor de produktieve prestaties ervan. De bekende bezwaren tegen deze theorie kunnen als volgt worden samengevat:
  1. Een grondeigenaar die zijn grond niet zelf bewerkt voegt niets aan de produktie/waardevorming toe. De grondeigenaar verleent de pachter slechts toestemming om de van nature ter beschikking staande grond te gebruiken en voor deze toestemming wordt pacht betaald. Alleen omdat de grondeigenaar gerechtigd is alle anderen van het gebruik van de grond uit te sluiten is zijn instemming noodzakelijk en kan deze zich hiervoor laten betalen.
  2. De kapitalist levert als zodanig (nml. als niet-werkende) geen produktieve prestaties, maar geeft slechts aan anderen toestemming om zijn kapitaal tijdelijk te gebruiken. Kapitaalgoederen moeten weliswaar - i.t.t. de van nature gegeven grond - worden geproduceerd, maar deze produktie prestatie wordt niet door de kapitalist als zodanig verricht, maar door degenen die kapitaalgoederen voortbrengen. Kapitaalgoederen kunnen evenals grond als produktiemiddel worden gebruikt, d.w.z er kunnen produktieve prestaties mee worden verricht. Deze worden evenwel niet door de kapitalist verricht, maar door de producenten die de kapitaalgoederen gebruiken. De kapitalist verleent slechts toestemming om het kapitaal of in het geval van verhuur kapitaalgoed tijdelijk te gebruiken. Voor deze toestemming wordt interest (resp. huur) betaald. Interest en grondrente zijn dus geen vergoeding voor het ter beschikking stellen van produktieve prestaties van het kapitaal en de grond.
  3. Het loon is geen vergoeding voor de arbeid, maar de prijs van het - meer of minder gekwalificeerde, meer of minder schaarse enz. - arbeidsvermogen resp. de arbeidskracht. ('De arbeid' vericht überhaupt geen produktieve prestaties: de arbeid wordt door arbeiders verricht, en de produktieve prestatie bestaat juist in deze verrichting). In een kapitalistische wareneconomie wordt als regel nooit betaald voor een prestatie: wanneer men het verlangde niet voor niets kan krijgen, dan betaalt men prijzen en geen vergoedingen. Het loon is de prijs die betaald moet worden voor het tijdelijk gebruik van de arbeidskracht, net zoals interest de prijs is voor het tijdelijk in gebruik geven van kapitaal, en de grondrente de prijs is voor het tijdelijk in gebruik geven van grond.[21]

3.4 Van arbeidersklasse als buiten de burgerlijke maatschappij staande klasse tot een in en door de burgerlijke maatschappij geproduceerde en gereproduceerde klasse

Als 'arme', 'bezitloze' en 'werkende' klasse wordt de arbeidersklasse aanvankelijk als een volledig buiten en tegenover de burgerlijke maatschappij staande klasse beschreven. Met name onder invloed van het werk van Engels rijpt het inzicht, dat het proletariaat een klasse is die door de ontwikkeling van de burgerlijke maatschappij zelf wordt geproduceerd en die zich daarin permanent reproduceert. De arbeidersklasse wordt nu opgevat als de "negatieve kant van de tegenspraak" tussen loonarbeid en kapitaal [MEW 2:37]. Deze tegenstelling is processueel, d.w.z. zij is bepalend voor de dynamiek en ontwikkelingsrichting van de burgerlijke maatschappij. In de verdere studies over de burgerlijke maatschappij wordt de arbeidersklasse niet meer als klasse buiten de maatschappij begrepen, maar als een door de tegenspraak van loonarbeid en kapitaal geconstitueerde klasse [vgl. Armanski 1974:167, 142 e.v.]; McCarthy 978]. De klassenbeweging wordt nu aan de economische ontwikkeling verbonden. Structuur en ontwikkeling van de sociale klassen worden nu niet meer primair bepaald door de loutere tegenstelling van rijkdom en armoede, maar door de structuur en dynamiek van de economische verhoudingen. Omdat de structuur- en ontwikkelingswetten van de economische verhoudingen bepalend zijn voor de klassenverhoudingen, hangt de verdere voortgang van de klassenanalyse vooral af van de verdere uitwerking van de centrale economische begrippen, met name van het begrip waarde en meerwaarde [vgl. Kostede 1974:3/4, Armanski 1974:145].

3.5 Van klasse als verhouding aan de oppervlakte van de burgerlijke maatschappij naar klasse als 'drager van economische verhoudingen'

Aanvankelijk worden de klassenverhoudingen opgevat als verschijnselen aan de oppervlakte van de burgerlijke maatschappij. Het verschil tussen de wetmatigheden die de kapitalistische produktie reguleren en hun - noodzakelijk verdraaide, gemystificeerde - verschijningsvormen aan de oppervlakte van de ruilverhoudingen van de burgerlijke maatschappij is nog niet doorgrond. Er wordt nog geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de theorie van de klassenverhoudingen van de kapitalistische produktiewijze en de analyse van haar concreet-historische vormen in de burgerlijke maatschappijformatie. Daarom slagen Marx en Engels er niet in de onderlinge verhoudingen tussen de klassen en hun interne geleding of fractionering exact te analyseren. Overheersend is dat zij de klassen analyseren vanuit differentiaties die voortvloeien uit arbeidsdelingen, waarvan de specifieke maatschappelijke vormen niet worden gethematiseerd. In Lage der Arbeiterklasse van Engels wordt de arbeidersklasse geschetst overeenkomstig de uiterlijke verdeling van arbeidstaken. Hoewel een aantal wezenlijke aspecten van het klassebegrip worden aangeroerd, staat toch de benadering vanuit het arbeidsproces op de voorgrond. Het 'dubbelkarakter' van de arbeid en van het produktieproces is dan nog niet ontdekt. De ontdekking van meerwaardetheorie maakt het pas mogelijk het produktieproces te analyseren als specifiek kapitalistisch proces, d.w.z. als eenheid van arbeids- en meerwaardevormingsproces.

Na de eerste formulering van de meerwaardetheorie in de Grundrisse (1857-58) kan Marx de begrippen ontwikkelen waarmee de klassen van de burgerlijke maatschappij in hun onderlinge verhoudingen en interne differentiaties kunnen worden geanalyseerd. Loonarbeid in de strikte economische zin van het woord is nu opgevat als kapitaalvoortbrengende loonarbeid. Niet elke ruil van geobjectiveerde tegen levende arbeid, en niet elke ruil van arbeidskracht tegen geld is zondermeer produktieve arbeid [Grundrisse:372]. Loonarbeid in strikte zin is ruil van arbeidskracht tegen geld als kapitaal. Van nu af aan gaat Marx de term produktieve arbeid gebruiken als een afkortende uitdrukking voor de basisvorm van burgerlijke arbeid, d.w.z. voor de specifieke arbeid waarop het geheel van de kapitalistische produktiewijze berust. Daarvan onderscheiden is de niet-kapitaalproducerende, d.w.z. onproduktieve arbeid. Ook deze vorm van arbeid neemt in de loop van de ontwikkeling van de kapitalistische produktieverhoudingen het karakter aan van loonarbeid. Het gaat om arbeiders zonder bezit van produktiemiddelen, die alleen beschikken over hun eigen arbeidskracht - zij ruilen (het gebruik van) hun arbeidskracht tegen geld. Zij staan echter in een andere economische verhouding: 'onproduktieve' loonarbeiders staan in afgeleide verhoudingen, d.w.z. afgeleid van de produktieve, waardescheppende arbeid. De gebruikswaarde van de onproduktieve, commerciële en dienstverlenende loonarbeiders bestaat volgens Marx slechts als gebruikswaarde voor de consumptie, niet als gebruikswaarde voor de waarde.

In Theorien über den Mehrwert (1861-63) is ondanks een aantal tegenstrijdige uitspraken deze thematiek iets verder uitgewerkt. Volgens Marx kan de gehele economische en klassenstructuur begrepen worden vanuit de produktieve bepaaldheid van de maatschappelijke arbeid. Van belang is daarbij dat produktieve arbeid als kapitaalproducerende arbeid niet alleen wordt onderscheiden van onproduktieve arbeid in het kapitalisme, maar ook van vroegere vormen van arbeid. Omdat de gehele economische structuur van de maatschappij draait om de specifieke verhoudingen waarin de levende arbeid zich realiseert, wordt het onderscheid van produktie en onproduktieve arbeid ook de sleutel tot het begrip van de verschillende maatschappijformaties. Produktieve arbeid is voor Marx de sleutelcategorie die de toegang biedt tot de ontcijfering van de klassenstructuur van haar geheel [vgl. de zeer gedetailleerde interpretatie van deze teksten door PEM, Der 4 Band des Kapital?, pp. 95-210 en 673 e.v.].

3.6 Van algemene thematisering van maatschappelijk zijn en bewustzijn naar specifieke analyse van bewustzijnsvormen in de burgerlijke maatschappij

De bewustzijnsproblematiek wordt aanvankelijk sterk verbonden aan die van de arbeidsdeling. Daarbij wordt ook het verzelfstandigde en vervreemdende karakter van maatschappelijke ideologieën rechtstreeks teruggevoerd tot het verschijnsel arbeidsdeling (zie hiervoor met name de Duitse Ideologie).

In deze ideologie-analyse wordt enerzijds verondersteld dat "de heersende ideeën" niets anders zijn dan de ideële uitdrukking van de heersende materiële verhoudingen", anderzijds dat "de ideeën van de heersende klasse [...] in elk tijdperk de heersende ideeën" zijn [DI:52-3]. Omdat de heersende klasse niet alleen over de middelen tot geestelijke produktie beschikt, maar tevens een 'klasse van hoofdarbeiders' in dienst neemt die ontstaan is uit de deling van lichamelijke en geestelijke arbeid, zou zij tevens beschikken over de hoofden van degenen die aan haar heerschappij zijn onderworpen. De ambivalentie van deze analyse vloeit voort uit het feit dat er geen rekening mee wordt gehouden dat de (terugwerkende) invloed van de 'geestelijke produktie' op het denken van alle leden van de maatschappij een zeer bepaalde structuur van alledaagsbewustzijn veronderstelt, welke door de specifieke arbeids- of produktiewijze is gestructureerd. Wat in deze analyse dus ontbreekt is (a) de samenhang tussen alledaagsbewustzijn en de hierop aansluitende en gebaseerde economische, politieke, religieuze enz. ideeënformaties, en (b) de samenhang van specifieke (re)produktievormen met alledaagse en ideologische bewustzijnsvormen.
Deze lacune is o.a. zichtbaar in hun analyse van het voortbestaan resp. de verandering van heersende opvattingen en theoretische systemen. Zij nemen daarbij nog niet de reproduktie van de basisverhoudingen van de produktiewijze tot uitgangspunt, een reproduktie die tevens transformatie en het ontstaan van nieuwe sociale verhoudingen insluit. Hun analyse van de omwenteling van bewustzijnsvormen wordt helemaal toegespitst op het idee dat zodra een nieuwe klasse de politieke macht verovert er ook een nieuwe ideeënformatie wordt gevestigd, waarin de aanvankelijk bijzondere belangen van deze klasse worden voorgesteld als het 'algemene belang' [DI:35]. Deze nieuwe ideeënformatie wordt vervolgens door socialisatie en ideologische inprenting 'overgedragen' totdat zij door het ontstaan van sociale conflicten en strijd weer zodanig worden 'omgewenteld', dat zij tenslotte tot 'huichelarij' degenereren [vgl. MEW 3:274].

De maatschappelijke bewustzijnsvormen worden niet expliciet verbonden met de specifiek kapitalistische arbeidsverhoudingen. Daarom kan er ook nog geen rekening worden gehouden met het later ontdekte noodzakelijke verschil tussen kern- en oppervlaktestructuur van de kapitalistische produktie- en klassenverhoudingen.[22] Rond 1848 beschikken Marx en Engels nog niet over een theoretisch rerefentiekader waarmee zij vat kunnen krijgen op de specifieke en complexe wijze waarop het maatschappelijk bewustzijn van de produktie-actoren wordt gestructureerd door de allesbehalve transparante, maar juist meervoudig gemystificeerde kapitalistische produktie- en circulatieverhoudingen. Dit wordt met name zichtbaar is de thematisering van de voorwaarden waaronder een door het kapitaal georganiseerde en door 'de ideeën van de heersende klasse' beheerste arbeidersklasse zich zou kunnen ontwikkelen tot een zelfbewuste politieke klassebeweging. In zijn latere analyses formuleert Marx hiervoor een aantal systematische aanknopingspunten die geconcentreerd zijn op de specifieke tegenspraken en mystificaties van de kapitaalsverhoudingen en van de hierdoor gestructureerde bewustzijnsvormen [de kernbegrippen en methodiek van deze analyse zijn samengevat in Benschop, Klassen 1992:389-93].

3.7 Van staat en recht als loutere uitdrukking van klasseheerschappij naar specifieke analyse van de burgerlijke staatsvorm

Ook de analyse van de staat blijft aanvankelijk in wezen beperkt tot het algemeen niveau van het historisch materialisme. In zijn kritiek op de staats- en rechtsfilosofie van Hegel analyseert Marx de tegenspraak tussen burgerlijke maatschappij en staat. De staat blijft eigenlijk toch een soort randverschijnsel en kan nog niet worden verbonden met de waarde-analyse en de ontcijfering van 'oppervlaktestructuur' van de produktie- en reproduktieverhoudingen (deze ontcijfering zou overigens ook in Het Kapitaal niet volledig worden uitgevoerd).

In de tegenstelling tussen privé-eigendom en staat neemt Marx eerst nog de positie in van de 'ideële staat' tegenover de "begeerlijke onrust van het privé-belang" [MEW 1:147 uit 1842]. De staat is de hoeder van het bovenhistorisch recht [MEW EB 1:410]. Pas via de staat kunnen individuen en klassen hun sociale bestaan realiseren [idem, p. 419]. Vlak daarna betrekt Marx de stelling dat de staat - willen haar maatregelen niet zonder effect blijven - moet corresponderen met de burgerlijke toestanden en het burgerlijke bewustzijn [MEW 1:188 - uit 1843]. Daarna neemt Marx de burgerlijke maatschappij als uitgangspunt [MEW 1:324 - 1843]. De staat zelf moet nu vanuit de innerlijke logica van het privé-eigendom, van de burgerlijke maatschappij worden geanalyseerd. De staat zou het 'Gattungswesen' van de mensen representeren - het materieel-partikularistische leven dat zich in de burgerlijke maatschappij afspeelt is hiervan afgescheiden [MEW 1:354 - 1844].

Bij de verdere analyse van de burgerlijke maatschappij wordt ook de staat zelf scherper geanalyseerd. De moderne staat beantwoordt aan de moderne privé-eigendom. Omdat de bourgeoisie een klasse en geen stand meer is, is zij gedwongen zichzelf niet meer lokaal maar nationaal te organiseren en aan haar gemiddeld belang een algemene vorm te geven:

"Door de emancipatie van de partikuliere eigendom uit de communale samenleving heeft de staat een bijzonder bestaan gekregen, naast en buiten de burgerlijke maatschappij; maar hij is niets anders dan de organisatievorm die de bourgeois zowel naar buiten als naar binnen toe noodzakelijk aannemen voor de wederzijdse waarborging van hun eigendom en belangen" [MEW 3:60; vert. p. 87 - Duitse Ideologie].

De staat is dus de staat van de economisch heersende klasse. Door middel van deze staat wordt de economisch heersende klasse tevens een politiek heersende klasse die beschikt over regulatie- en repressiemiddelen om de uitbuiting van de onderdrukte klassen te continueren.

"Omdat de staat de vorm is, waarin de individuen van een heersende klasse hun gemeenschappelijke belangen tot gelding brengen en waarin heel de burgerlijke maatschappij van een tijdperk zich samenvat, volgt, dat alle gemeenschappelijke instellingen middels de staat tot stand komen, en een politieke vorm krijgen. Vandaar de illusie dat de wet op de wel gebaseerd is, en wel op de aan zijn reële basis ontheven wil, de vrije wil. Precies zo wordt het recht dan op zijn beurt herleid tot de wet' [MEW 3:62 - vert. p.88]. Daarom wordt de strijd tussen democratie en autocratie (monarchie, aristocratie) en de strijd om het algemeen kiesrecht los van de werkelijke onderlinge strijd van de klassen gevoerd.

In de Duitse Ideologie wordt de staat opgevat als de 'praktisch-idealistische uitdrukking' van de heerschappij van een bepaalde maatschappelijke klasse wier sociale macht berust op haar eigendom [MEW 3:69 -vert. p.41]. De bourgeoisie kan door haar staatsmacht wel de 'onrechtvaardigheid in de eigendomsverhoudingen' overeind houden, maar de staat creëert deze eigendomsverhoudingen niet. Het specifieke karakter van de eigendomsverhoudingen en de daarin verankerde onrechtvaardigheid wordt in deze visie primair bepaald door de moderne arbeidsdeling, concurrentie, ruil enz. Zij vloeien dus niet uit de politieke heerschappij van de bourgeoisie voort: de politieke heerschappij van de bourgeoisklasse vloeit juist voort uit deze moderne produktieverhoudingen [vgl. MEW 3:36 - vert. p. 86; MEW 4:338].

Het eigendomsvraagstuk en niet de politieke staatsvorm is daarom voor het klasseprobleem doorslaggevend.

"De moderne staatsmacht is slechts een comité, dat de gemeenschappelijke belangen van de gehele burgerlijke klasse beheert" [MEW 4:464 - vert. p. 43].

De politieke bovenbouw van de burgerlijke maatschappij wordt nog als loutere uitdrukking van de economische en klassenverhoudingen opgevat, als haar 'overjas' die door de revolutie van de economische basis zonder meer wordt afgelegd. De specifieke vorm van de staat en de terugwerking hiervan op de burgerlijke klassenverhoudingen worden in eerste instantie nog niet of nauwelijks gethematiseerd.

3.8 Arbeidersbeweging en communisme: van algemeen menselijke emancipatie naar klassespecifieke bevrijding

We hebben gezien dat de 'arme', 'bezitloze' klasse aanvankelijk hoofdzakelijk vanuit de optiek van de distributie en consumptie wordt beschouwd. Het 'proletariaat' wordt geïdentificeerd met de 'arme klasse' die gekenmerkt wordt door 'bezitloosheid' en 'directe arbeid' en nog niet door hun specifieke plaats in de produktieverhoudingen en meer in het bijzonder in uitbuitingsverhoudingen. Hierdoor blijft het proletariaat nog een soort pariaklasse die buiten de burgerlijke maatschappij staat en er daarom de antipode van is of kan worden. Het ontstaan van deze arme klassen en hun eigen pogingen tot collectieve actie en verzet worden nog niet in de analyse betrokken.

Deze beperkte opvatting van de positie van de arbeidersklasse werkt door in hun opvatting van communisme. Het communisme wordt in eerste instantie onderbouwd met de 'verontrusting van het hart', met het protest tegen het onmenswaardige leven [vgl. MEW 2:548,555]. Communisme is dus aanvankelijk eerder een proclamatie of beginsel dan een concreet-historische tendens. "De moedervlekken van het vroegsocialisme zijn nog duidelijk, zij manifesteren zich vooral in de regelmatige en uitvoerige beschrijving van de toekomstige communistische maatschappij" [Armanski 19:171].[23]. Communisme wordt nog geïdentificeerd met de opheffing van de arbeidsdeling:

"In de communistische maatschappij, waar niemand één exclusieve sfeer van werkzaamheid heeft, maar iedereen zich in welke richting hij maar wil kan bekwamen, de maatschappij de algemene produktie regelt en mij juist daardoor de mogelijkheid geeft, vandaag dit en morgen dat te doen, 's ochtends te jagen, 's middags te vissen, 's avonds veeteelt te bedrijven en na het eten de kritiek te beoefenen, alnaargelang ik verkies, zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden" [MEW 3:33; vert. 35 - Duitse Ideologie].

In hun filosofiekritische fase wordt communisme opgevat als boven de klassen staande zaak van de mensheid:

"Het communisme staat op grond van zijn principe boven de tweespalt tussen bourgeoisie en proletariaat, het erkent deze slechts in zijn historische betekenis voor het heden, maar niet als ook voor de toekomst gerechtvaardigd; het wil juist deze tweespalt opheffen. Het erkent daarom weliswaar, zolang de tweespalt bestaat, de verbittering van het proletariaat tegen zijn onderdrukkers als een noodzaak, als de belangrijkste hefboom van de beginnende arbeidersbeweging, maar het gaat boven deze verbittering uit, juist omdat het een zaak van de mensheid en niet alleen van de arbeiders is. ... En daar het communisme boven de tegenstelling tussen proletariaat en bourgeoisie staat, zal het ook voor het betere deel van de bourgeoisie - maar dat zijn ontzettend weinigen en op aanvulling ervan kan alleen uit het midden van de opgroeiende generatie gerekend worden - gemakkelijker zijn, zich daarbij aan te sluiten dan bij het uitsluitend proletarisch chartisme" [Engels, MEW 3:505 e.v. - vert. p.351 e.v.].[24]

De bevrijding van het 'proletariaat' wordt dus aanvankelijk niet klassespecifiek benaderd als taakstellling van de arbeidersbeweging zelf, maar als algemeen menselijke emancipatie. Communisme en arbeidersbeweging zijn in eerste instantie beide geworteld in de vervreemding van de mens. Naarmate Marx en Engels zich van deze filosofische categorie bevrijden, worden beide begrippen ook relatief van elkaar ontkoppeld: het communisme is niet meer alleen of zonder meer een zaak van de arbeidersbeweging. De arbeidersbeweging wordt nu concreter opgevat als strijdbeweging voor de directe verbetering van de levenspositie van de arbeiders. De loonstrijd heeft echter een explosieve lading, de strijd voor lotsverbetering stuit telkens op de wetten van het privé-eigendom. Daarom verwijst deze directe belangenstrijd steeds weer naar de opheffing van de bestaande maatschappij. Communisme en arbeidersbeweging worden nu steeds explicieter opgevat als twee uitingsvormen van hetzelfde 'ontbindingsproces van de burgerlijke maatschappij'.

Marx, die zich aanvankelijk nog uitdrukkelijk van het communisme distantieert, bepleit een 'radikale kritiek op het bestaande'. Onder het primaat van de theorie wordt de revolutionaire omwenteling, de menselijke emancipatie gezien als resultaat van de vereniging van proletariaat en filosofie. Zijn 'realer Humanismus' [MEW 2: 139] is vreedzaam, burgerlijk en sociaal-hervormend. Pas langzamerhand wordt de arbeidersklasse opgevat als grondslag en doorslaggevende kracht van de socialistische beweging. De gewenste en verwachte revolutionaire omwenteling wordt steeds sterker verbonden met de feitelijke maatschappelijke ontwikkelingsmogelijkheden. En hiermee neemt ook zijn distantie ten opzichte van vroeg-socialistische en idealistische opvattingen toe. Deze distantie - om niet te zeggen afkeer - wordt zelfs zo groot dat hij betekenis en functie van - normatief onderbouwde en programmatisch geconcretiseerde - utopieën bagetelliseert en daaraan in ieder geval nauwelijks meer positieve functies wil toekennen [zie Benschop 1992: II; vgl. Bader 1990: VII].

Communisme wordt opgevat als 'negatie van de negatie' (d.w.z. als ontkenning van de privé-eigendom), als een beweging naar een toekomstige maatschappij, en niet zozeer als een alternatieve maatschappij zelf. Als dit idee begint door te breken, is communisme niet meer het ideaal waarnaar de werkelijkheid zich moet richten, maar "de werkelijke beweging die de huidige toestanden opheft" [MEW 3:35 - vert. DI p.37].

"De theoretische stellingen van de communisten berusten geenszins op ideeën, op beginselen die door deze of gene wereldverbeteraar zijn uitgevonden of ontdekt. Zij zijn slechts algemene uitdrukking van feitelijke verhoudingen van een bestaande klassenstrijd, van een zich onder onze ogen afspelende historische beweging " [MEW 4:475 - vert. p. 57, Het Communistisch Manifest. Vgl. MEW [4:321;363]

De proletarische revolutie en het communisme worden hier gepropageerd op het niveau van de materialistische geschiedenisopvatting. Communisme wordt hier nog niet geanalyseerd vanuit de historische vorm van de kapitalistische loonarbeid, vanuit de algemene en specifiek-historische tegenspraken van de kapitalistische produktiewijze. De kapitalistische arbeidsverhoudingen worden nog op filosofisch niveau gethematiseerd met de categorie van de vervreemding. Wanneer Marx zijn kritiek van de politieke economie begint uit te werken wordt dit ontwerp concreter. Als bewijs voor de uitvoerbaarheid van het communisme worden de experimenten met goederengemeenschappen in Engeland en de USA aangehaald [vgl. bijv. Engels MEW 2:521].

Simpel toekomstbeeld
In deze visie wordt een simpel optimistisch toekomstbeeld geschetst, dat - zeker na meer dan 45 jaar ervaring met socialistische planeconomieën - rustig naïef genoemd kan worden. Na de opheffing van de belangenversplintering zou het nog maar "een kleinigheid [zijn] om de produktie naar de behoeften te regelen" [MEW 2:538/9]. Produktie, circulatie en consumptie zouden veel efficiënter kunnen worden georganiseerd, de overbodige circulatie- en transportkapitalisten zouden overbodig worden. Justitiële overheden, politie en bestuur zouden overbodig worden, omdat de sociale basis aan de misdaad onttrokken zou zijn; een staand leger zou overbodig worden, aan de verspilling van arbeidskrachten als dienstpersoneel voor de rijken zou een einde komen. Er stond een 'menselijke maatschappij' voor de deur van 'overvloed aan produktiekrachten' die slechts wacht 'op een verstandige organisatie, op een geordende verdeling' met het grootste voordeel voor allen. [MEW 2:545]. Naast het benutten van arbeidskrachten die nu worden verspild, komt de 'vereniging van de afzonderlijke krachten tot sociale kollectieve kracht' die in een 'gemeinwirtschaftlichem Leben' een betere economie van het leven mogelijk maakt.

"Innerhalb der kommunistischen Gesellschaft, der einzigen, worin die originelle und freie Entwicklung der Individuen keine Phrase ist, ist sie bedingt eben durch den Zusammenhang der Individuen, ein Zusammenhang, der teils in den ökonomischen Voraussetzungen besteht, teils in den notwendigen Solidarität der freien Entwicklung Aller, und endlich in der universellen Betätigungsweise der Individuen auf der Basis der vorhandenen Produktivkräfte" [MEW 3:424 e.v.].

De regeling van de algemene produktie door de maatschappij zou de volledige ontplooiing en zelfrealisatie van het individu mogelijk maken. Een van de "meest wezenlijke principes van dit communisme, waardoor het zich van elk reactionair socialisme onderscheid" is dat de verkeerde, in de huidige verhoudingen verankerde stelling: 'Ieder naar zijn vaardigheden' veranderd moet worden in de stelling: 'Ieder naar behoefte'. Met andere woorden, dat de verscheidenheid in de activiteit, in de arbeid, geen legitieme basis is voor sociale ongelijkheid, voor voorrechten van bezit en genot [MEW 3:528].

Kenmerkend voor deze opvatting is dat er in tegenstelling tot de vroegsocialistische opvattingen sterke nadruk wordt gelegd op de voorwaarden van communisme, en met name op de 'universele' of 'alzijdige' ontwikkeling van de produktieve krachten, waarvan de revolutionaire klasse de grootste is, in de schoot van de oude maatschappij en haar botsing met de produktieverhoudingen. De beperktheid van de strijd voor menselijke emancipatie tot dan toe wordt op het konto van de onontwikkelde materiële basis geschreven [MEW 3:417].[25]

I Waar is de klassentheorie? Inhoud III. Theorie-systematische context

Index


Noten

Index


Sociologen Onderwerpen Samenleven Home Zoek Correspondent Contact