Sociologen Onderwerpen Samenleven Home Zoek Correspondent Contact

De klassentheorie van Marx Marx

II Theorie-historische en biografische context

door: Albert Benschop

  1. Drie theorie-historische contexten
    1.1 Saint-Simon
    1.2 De Franse historici van de restauratie-periode: Thierry | Mignet | Guizot
    1.3 De klassieke burgerlijke politieke economie: David Ricardo
    1.4 'Het nieuwe dat ik heb gedaan was...'
  2. Intellectueel-biografische context
    2.1 Geen lineaire ontwikkeling
    2.2 Verandering van problematieken: breuken / cesuren
    2.3 Kwadratuur van een cirkel?
  3. Verschuivende problematieken
    3.1 Van histomat naar kritiek van de politieke economie
    3.2 Van privé-eigendom & vervreemde arbeid naar kapitaal & loonarbeid
    3.3 Van distributie/concurrentie naar produktie/accumulatie
    3.4 Van arme, bezitsloze klasse naar arbeidersklasse
    3.5 Klasse als drager van economische verhoudingen
    3.6 Ideologiekritiek en bewustzijnsanalyse
    3.7 Burgerlijke staatsvorm
Voetnoten
I Waar is de klassentheorie? Inhoud III. Theorie-systematische context


"De pijnlijke ondervindingen uit de jeugd komen altijd weer terug en laten een mens niet met rust.
Ze groeien als planten onder water, weelderig en misvormd en stinkend"
[Stephan Heym, De familie Benda. Amsterdam 1959:417].

1 Drie theorie-historische contexten

Het is evident dat Marx in intellectueel opzicht niet als 'marxist' is geboren. De specifieke klassenopvatting van Marx heeft zich pas in de loop van zijn theoretisch-politieke studies gevormd. De aanzet voor een eigen klassentheorie was het resultaat van een lange periode van werken, waarin hij zijn aanvankelijk nog in het idealisme bevangen uitgangspunten verlaat om een nieuw wetenschappelijk programma te funderen. We moeten Marx dus zijn 'voor-wetenschappelijke jeugd' gunnen.

Als we klasse-noties uit het begin van zijn intellectuele ontwikkeling vergelijken met begrippen die later werden geïntroduceerd, dan is voorspelbaar dat we op een aantal verschillen en tegenstrijdigheden stuiten. Bij explicatie en interpretatie van Marx' teksten zou zowel rekening gehouden moeten worden met de plaats die afzonderlijke teksten innemen in de volgorde van de theorie-historische als in de intellectueel-biografische ontwikkeling. Dit kan nog nader worden gespecificeerd.

De eigen af- of herkomst en de eigen grondslagen van de klassentheorie moeten steeds opnieuw worden doordacht.[1] Van een zelfreflexieve wetenschappelijke theorie mag worden verwacht dat zij tracht haar eigen ontstaan en ontstaansvoorwaarden te verklaren. Een verklaring van de genese van de klassentheorie is een complexe aangelegenheid waarbij zowel systematische, theorie-historische als biografische elementen een rol spelen.

a) Systematische aspecten -- Het ontstaan van klassentheorie is verbonden met het werkelijke verloop van de geschiedenis van de klassenstrijd. Pas op een bepaald ontwikkelingsniveau van de burgerlijke maatschappij kon een socialistisch georiënteerde klassentheorie worden geformuleerd. Het ontstaan van dergelijke klassentheorieën veronderstelt in de eerste plaats dat de kapitaalverhouding de dominante en daarmee ook de klassentegenstellingen bepalende maatschappelijke arbeidsverhouding is. Het veronderstelt niet alleen dat de kapitalen zich relatief vrij kunnen vermeerderen en de klasse der kapitalisten zich kan ontplooien[2], maar ook de transformatie van een veelvoud van loonarbeiders in de klasse van proletariërs; bovendien veronderstelt het een vergaande verburgerlijking van de adel en uitbreiding van de steden. Het feitelijke historische uitgangspunt van de klassentheorie van Marx is de werkelijke crisismatige ontwikkeling van de kapitalistische economie en de meer of minder tegenstrijdige wijze waarop deze ontwikkeling in de wetenschappelijke theorievorming wordt gethematiseerd. Een systematische verklaring van de genese van de klassentheorie betekent dat uitgaande van de werkelijke, specifiek kapitalistische levensverhoudingen, de noodzaak en mogelijkheidsvoorwaarden worden geïdentificeerd van de overgang van ideologisch bepaalde - dat wil zeggen in de mystificatie van de kapitalistische verhoudingen bevangen bewustzijnsvormen - naar wetenschappelijke kennis.[3] De ontwikkeling van de klassentheorie is echter zelf een historisch proces, dat niet lineair-parallel verloop met het ontwikkelingspatroon van de burgerlijke maatschappij en de sociaal-politieke strijd die daarin plaats vind.

b) Theorie-historische aspecten -- Het ontstaan van de klassentheorie veronderstelt niet alleen dat de kapitaalverhouding de dominante klassenstructurerende arbeidsverhouding is. Het veronderstelt tevens de intellectuele inspanningen van economen en filosofen om de tegenspraken van de burgerlijke maatschappij te systematiseren en te verklaren [Armanski 1974:10]. Het theorie-historische uitgangspunt van de klassentheorie van Marx is het 'gedachtenmateriaal' dat door zijn voorgangers is nagelaten. Tegen de achtergrond van een systematische fundering van het ontstaan van de klassentheorie kunnen de theorie-historische en individueel-biografische aspecten van dit proces worden ontcijferd. De theoretische reflecties van Marx die vooraf gingen aan de uitwerking van zijn 'systeem van de kritiek van de politieke economie' zijn niet goed te interpreteren als men voorbij gaat aan een systematische fundering van de klassentheorie. Dit zou leiden tot de bekende overwaardering van de theorie-historische dimensie, waarbij ontstaan en uitwerking van de klassentheorie wordt opgevat als een produkt van een synthese of versmelting van verschillende elementen van ideologisch bepaald (want in 'idealisme', 'vulgair-materialisme', 'economisme', 'utopisme' bevangen) denken van zijn voorgangers. Deze reductie komt onder andere tot uiting in de simpele opvatting van de zogenaamde 'drie bronnentheorie', waarin de theorie van Marx wordt voorgesteld als het resultaat van een gecompliceerd versmeltingsproces van drie stromingen van het maatschappelijk denken: de Duitse idealistische filosofie, de Engelse klassieke politieke economie en het Franse socialisme. Daarbij blijven een aantal cruciale vragen - die ook hier niet verder worden uitgewerkt - onbeantwoord. Hoe is het mogelijk dat uit de samenvatting van drie 'ideologische' denktradities een kwalitatief nieuwe 'wetenschappelijke' theorie kon ontstaan? Wat zijn de maatschappelijke voorwaarden voor deze synthese van nogal uiteenlopende elementen van het maatschappelijk denken? En via welke tussenschakels kunnen deze verschillende gedaanten van ideologisch bepaalde denken door het versmeltingsproces worden getransformeerd in wetenschappelijke kennis?[4]

Een geschiedenis van het begrip klasse bestaat niet of nauwelijks.[5] Dat is verwonderlijk omdat het nut van een dergelijke onderneming herhaaldelijk is onderstreept. Al in 1852 adviseert Marx "de heren democraten"[6] om, voordat zij kritiek uitoefenen op zijn benadering, zich eerst vertrouwd te maken met de burgerlijke literatuur.[7] Wat betreft de historische studies verwijst hij onder andere naar het werk van de Franse liberale historicus Augustin Thierry, de Franse historicus en politiek reactionair Guizot en de Engelse historicus-econoom John Wade.

Voor de analyse van het ontstaan van het klassieke, burgerlijk-liberale klassebegrip concentreer ik mij vooral op Frankrijk. Dat neemt niet weg dat de vroegste vorming van het maatschappelijke klassebegrip niet in Frankrijk plaatsvond, maar in Engeland. Strikt genomen werd het maatschappelijke klassebegrip voor het eerst in de 17e eeuw in Engeland geformuleerd, vooral door de Engelse politieke economen, zoals bijvoorbeeld William Petty.[8] In essentie heeft zich eenzelfde proces een eeuw later in Frankrijk voltrokken. Het klassebegrip vloeide in beide landen voort uit de overwinning van de feodale orde door een zegevierende bourgeoisie. Toch is het klassieke burgerlijk-liberale klassebegrip met name in Frankrijk ontstaan. Terwijl in Engeland de feodale aristocratie al eeuwen zonder wereldschokkende hoogtepunten verburgerlijkte, stonden aan het einde van de 18e eeuw in Frankrijk een nog steeds heersende en vastberaden feodale aristocratie tegenover een voor de machtsuitoefening overrijp geworden burgerij. Dit was bepalend voor de hardheid waarmee de Franse aristocratie en bourgeoisie op elkaar botsen en daarmee voor de 'klassiciteit' van het daar ontwikkelde het klassebegrip.

Fixatie op Frankrijk?
Waarom zou men zich bij de identificatie van het klassieke burgerlijk-liberale klassebegrip op Frankrijk concentreren? In aansluiting op Herrnstadt [1965:103 e.v.], wiens opvattingen ik op dit punt deel, kunnen hiervoor twee redenen worden aangegeven.
  1. Het uitgangspunt van de ontwikkeling van het klassebegrip is de Engelse revolutie van 1640. Hoewel deze omwenteling door een vroegtijdig compromis tussen burgerij en aristocratie tot stand kwam, ontstond hier voor het eerst in de geschiedenis een burgerlijke natie [Heberle 1959:19]. Dit bracht schijnbaar onbeperkte elasticiteit, nieuwe tolerantievormen en normen, en vooral: uiterst imponerende economische resultaten met zich mee. Juist in het licht van deze nieuwe Engelse verhoudingen begon Frankrijk er anders uit te zien. De refeodalisering die in Frankrijk had plaats gevonden, werd met name door de burgerij steeds meer als ondraaglijk en onacceptabel ervaren.

    "De pogingen van de koninklijke Bourbons om, steunend op de oude feodale adel en de clerus, de ontwikkeling sinds 1789 terug te draaien naar de toestand van voor de revolutie, dwong de burgerij nog eenmaal om haar rijen te sluiten voor een beslissende strijd om de oude gemeenschappelijke doelen" [Grossman/Grünberg 1930/3:257].

    In tegenstelling tot het door talloze rivaliserende landvorsten verdeelde Duitsland, was Frankrijk al twee eeuwen, met zijn afgebakende markt een nationale staat net als Engeland. De hoofdtegenspraak die Frankrijk in beweging bracht was die tussen het bestaan van een nationale eenheidsstaat en de onmogelijkheid deze nationale staat bruikbaar te maken voor de kapitalistische ontwikkeling. Deze tegenspraak werkte op alle maatschappelijke niveaus door. Daarom verplaatste zich tevens de klassieke ontwikkeling van het klassebegrip naar Frankrijk [Herrnstadt 1965:108 e.v.]

  2. Een tweede reden is dat ook Marx en Engels zich vooral op Frankrijk concentreerden. In het algemeen is dit natuurlijk nog geen goede (en zeker geen doorslaggevende) reden om dit na te volgen. Maar in de context van de reconstructie van de voorgeschiedenis van het specifiek marxistische klassebegrip zou men hiermee toch serieus rekening moeten houden. Marx en Engels baseerden zich bij de formulering van hun 'proletarische' klassebegrip vooral op de geschiedenis van de Franse bourgeoisie en hun grote revolutie en niet op de Engelse en hun revolutie van 1640. Zij deden dit niet zozeer omdat de Franse revolutie dichterbij lag, maar omdat ook zij de Franse situatie als 'klassiek' beschouwden: het klassebegrip in Frankrijk vloeide voort uit het diepste van de maatschappelijke tegenspraken.

    Omdat ik hier de nadruk leg op een aantal Franse historici die het klassedenken van Marx hebben beïnvloed, laat ik William Petty en andere Engelse invloeden buiten beschouwing. Dit geldt bijvoorbeeld voor John Millar (1735-1801). Hoewel het woord klasse niet in Millar's vocabulaire voorkomt, kan hij toch worden beschouwd als een belangrijke voorloper van het moderne klasse- en ongelijkheidsonderzoek. Hij schreef twee werken die tijdens zijn leven op grote schaal werden geprezen, maar die - hoewel bewonderd door Sombart - later werden genegeerd, tot zij recentelijk als serieuze bijdrage aan de sociologie werden herontdekt. De eerste daarvan is Observations Concerning the Distinction of Ranks in Society, in latere edities afgekort tot The Origin of the Distinctions of Ranks (1771). Het tweede is An Historical View of the English Government from the Settlement of the Saxons in Britain to the Accession of the House of Stewart (1787). In dit laatste werk poneert hij de stelling dat de eigendomsverdeling de oorzaak is van de volledige onderwerping van het niet-bezittende volk aan de politieke regering:

    "The distribution of property among any people is the principal circumstance that contributes to reduce them under Civil Government, and to determine the form of their political constitution. The poor are naturally dependent upon the rich, from whom they derive subsistence, and according to the accidental differences of wealth possessed by individuals, a subordination of ranks is gradually introduced, and different degrees of power and authority are assumed without opposition, by particular persons, or bestowed upon them by the general voice of the society" (p. 84).

    De wetenschappelijke bestudering van de sociale gelaagdheid begin pas aan het eind van de 18e eeuw in Schotland. Tegen de achtergrond van het filosofisch en sociaal scepticisme van Hume, de economische en morele studies van Adam Smith (met wie hij bevriend was), de denkbeelden van de historici uit Edinburgh, produceerde Millar voor "the first scientific analyses of stratification and the functions of rank" [Macrea 1953/4:9]. 'Distinctions of ranks' worden door Millar als een proces benaderd. Ongelijkheden manifesteren zich altijd in machtsrelaties die altijd neigen om - in verschillende vormen - geïnstitutionaliseerd te worden. Hoewel hij geen enkelvoudige oorzaak aanwijst voor het ontstaan en voortbestaan van sociale ongelijkheden en rangverschillen, beschouwde hij toch de technische en economische ordeningen als ultieme determinanten van de sociale structuur.[9]

1.1 Saint-Simon

Voordat ik nader inga op de historici van de restauratie-periode zal eerst de betekenis van Saint-Simon worden besproken. Het werk van Claude-Henri, graaf de Saint-Simon (1760-1825) heeft meer dan alle andere voorlopers (zoals Chaptal en Berthollet) de ontwikkeling van het burgerlijk-liberale klassentheorie beïnvloed. En ook meer dan de coryfeeën van de liberale bourgeoisie bereid waren om toe te geven. "De later gevierde klassentheoretici van de bourgeoisie, Guizot, Thierry, Mignet enz., hebben rijkelijk met zijn talenten gewoekerd, in de regel zonder hem te noemen" [Herrnstadt 1965:305]. Voor een inzicht in de ontwikkeling van het burgerlijke klassebegrip is het dus nodig hier eerst de inzichten van Saint-Simon te memoreren.

In het werk van Saint-Simon voltrekt zich een dubbele overgang. Hij vertrekt vanuit een voor-liberaal klassebegrip, d.w.z. het klassebegrip van de vroege, nog in de Verlichting bevangen bourgeoisie op het keerpunt van de 18e en 19e eeuw. Van daaruit baant hij enerzijds de weg naar een liberaal-burgerlijk klassebegrip. Anderzijds voltrekt hij tegen het einde van zijn leven de overgang naar een vroeg-socialistisch klassebegrip.

De deling van de maatschappij in klassen beschouwt hij al vroeg als invalshoek voor de kennis van het historisch proces. Aanvankelijk deelt hij de maatschappij in drie klassen in.

  1. De eerste klasse - waartoe hij zichzelf rekende - was die van de vooruitgang: zij bestond uit geleerden, kunstenaars en allen die liberale ideeën hebben.
  2. De tweede klasse was die van het behoud: zij bestond uit bezitters die niet tot de eerste klasse horen en die 'geen veranderingen' in hun blazoen hebben geschreven - de vraag of het om feodale grondbezitters of kapitalisten gaat, speelt hier nog geen rol.
  3. De derde klasse was die van de gelijkheid: zij bestond uit alle bezitlozen die door de eigenaars van grond en kapitaal worden gecommandeerd en uitgebuit.[10]
Geïmponeerd door de almacht van de rede, stelt Saint-Simon voor om uit de meest getalenteerden van de eerste klasse een wereldregering te vormen aan wie, op grond van hun superieure wetenschappelijke inzichten en politieke-morele progressiviteit de leiding over de noodzakelijke maatschappelijke hervormingen kan worden toevertrouwd - onder het motto: 'Ruimte voor de Archimedessen!' Een uiterst belangrijke en dringende taak was daarbij de verlichting en opvoeding van de bezitlozen. Hij vertrouwt erop dat de rijken en grote bezitters de redelijkheid van zijn voorstellen zullen inzien, ze uiteindelijk zullen ondersteunen en vrijwillig een deel van hun macht zullen afstaan.[11] Saint-Simon is er vast van overtuigd dat er niet alleen behoefte bestaat aan een politieke wetenschap op basis waarvan de maatschappelijke ontwikkeling geregisseerd zou kunnen worden, maar ook dat deze een mate van betrouwbaarheid en positiviteit zou kunnen bereiken die gelijk was aan die van de natuurwetenschappen. In aansluiting bij het systeem van Newton zou het hele sociaal-wetenschappelijke en politieke kennisbestand in één uniform systeem ondergebracht moeten worden.

Tijdens zijn leven is hij niet alleen getuige van de napoleontische oorlogen, van het echec van het imperium en van de restauratieperiode, maar ook van de zich doorzettende industriële revolutie en de toenemende activiteit van de verarmende, bezitsloze volksmassa. De ervaringen brengen zowel zijn beeld van de geschiedenis als zijn politieke visie in beweging. Hij begint de geschiedenis te analyseren als een historisch proces, waarin de klassen de belangrijkste actoren waren.[12] Hij doet een eerste poging om het ontstaan van de klassen in Frankrijk te verklaren. Daarbij neemt hij de economische verhoudingen (en met name de produktie van materiële goederen) als uitgangspunt:

"De beste maatschappelijke orde is die, welke de levensomstandigheden van de meerderheid van de mensen in de maatschappij zo gunstig mogelijk maakt, doordat zij hen zoveel mogelijk middelen en mogelijkheden verschaft om hun fundamentele behoeften te bevredigen."

Hoewel hij de hele geschiedenis van Westeuropa sinds de 15 eeuw vanuit de economische verhoudingen beschouwt[13], verklaart hij de Middeleeuwse maatschappij als resultaat van verovering. Hij maakt daarbij gebruik van de legende dat de klassen in Frankrijk zijn ontstaan vanuit de onderwerping van de Galliërs door de Franken - een legende die zich doorzet in het werk van alle historici van de restauratieperiode, en met name bij zijn leerling Thierry.[14] De Franken zouden een heersende klasse kunnen worden op grond van hun rol als 'organisatoren van de produktie'. Van de 5e tot de 15e eeuw waardeert hij het feodale systeem als progressief, omdat de heersende feodalen hun taak als organisatoren van de produktie vervulden. Hierna werd het een reactionaire orde, omdat de feodalen hun produktieve rol verloren en 'bloedzuigers van het volk' werden. De opkomende burgerij zou deze taak als organisator van de produktie steeds meer moeten overnemen. Deze nieuwe klasse ('de industriëlen'), met het vermogen om "het verloop van de civilisatie" vooruit te drijven, raadt hij aan niet met de tegenstander te spelen, maar deze 'een dodelijke slag' toe te brengen. Hij heeft zeer grote verwachtingen over alle zegeningen die de opkomende industrie zou brengen. Hij eist staatsmacht voor de 'industriële klasse' en roept bankiers en fabrikanten op om de leiding op zich te nemen van de noodlijdende massa.

Onder deze 'industriële klasse' rekent hij alle mensen die direct of indirect met de industrie van doen hadden: niet alleen bankiers, fabrikanten en arbeiders, maar ook de employés en kooplieden, ja zelfs de dichters en schilders die met hun produkten de industrie bezielden. Saint-Simon heeft dan nog geen oog voor de nieuwe klassentegenstellingen die de burgerlijke maatschappij zelf met zich meebracht. Hij is nog bevangen in de voor de 18e eeuw geldige opvatting dat aristocratie 'leeglopers', 'nietsnutten', 'lanterfanters' waren. Hij ziet dus nog niet dat er nieuwe klassentegenstellingen waren ontstaan en dat de parameters van de klassenstrijd inmiddels verschoven waren.

Na de economische crisis van 1815-16 neemt hij een sprong die hem aan gene zijde van het burgerlijk-liberale klassebegrip zou brengen. Op zestig jarige leeftijd begint hij de burgerlijke kennisgrenzen te doorbreken [zie: De sprong naar de andere oever]. Hij begint nu grote nadruk te leggen op de kenbaarheid en planbaarheid van de maatschappelijke ontwikkeling[15], en op de klasse-gebondenheid van alle morele categorieën. Hij krijgt oog voor de modern burgerlijke vormen van klassenstrijd en onderstreept de noodzaak van organisatie: hij roept de arbeidersklasse en in het bijzonder de arbeiders in de industrie - als wier woordvoerder en zaakwaarnemer hij zich profileert - op zich te organiseren om de ondernemers een omvangrijk plan voor publieke werken voor te leggen. Saint-Simon begint de "de talrijkste en armste klasse" bij haar naam te noemen, hij ziet zichzelf niet meer als spreekbuis van 'de onwetende klasse', maar van "de talrijkste klasse, de proletariërs." Hij probeert weliswaar geen echte theorie van klassenstrijd te ontwikkelen, maar formuleert wel hoekstenen van een radikaal socialistisch perspectief: "Om het lot van de massa te verbeteren is het niet voldoende de privileges op anderen over te dragen, men moet ze vernietigen; het is niet voldoende de misbruiken tegen andere te ruilen, men moet ze afschaffen."

De vaak bonte tegenstrijdigheden en wilde tegenspraken waarin Saint-Simon zijn nieuwe gedachten formuleerde kunnen hier natuurlijk niet breed worden uitgemeten. Om echter zijn ongemeen felle houding tegenover onproduktieve leeglopers en zijn dubbelzinnige, de liberale bourgeoisie onwelgevallige pleidooien voor 'de industriëlen' te illustreren, volsta ik met een verwijzing naar de beroemde parabel die hij in 1819 in zijn tijdschrift L'Organisateur publiceerde. Daarin stelt hij de vraag wat het voor de Franse natie zou betekenen, wanneer zij plotseling de bloem van haar 'industriëlen' zou verliezen: drieduizend van de eerste geleerden, kunstenaars, mestselaars en mannen van het bedrijf. Dan zou Frankrijk de kop en de ziel van haar leven verliezen en in rang plotseling beneden andere naties dalen; er zou minstens een hele generatie nodig zijn om dit verlies te vergoeden. En veronderstel nu eens dat in een nacht alle onproduktieve leeglopers zouden overlijden: koninklijke en adelijke figuren, ministers en maarschalken, kardinalen en rechter, beamten en de tienduizend rijkste eigenaars. Dit ongeluk zou Frankrijk zeker bedroeven, omdat de Fransen nu eenmaal goedhartig zijn. Maar verder zou het niet veel uitmaken - daarmee zou slechts het kwaad worden uitgeroeid.[16]

De betekenis die Saint-Simon heeft gehad voor de ontwikkeling van het latere socialisme kan moeilijk worden overdreven. Want zoals Fr. Engels in zijn brochure over De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap opmerkt, beschikte hij over "een geniale brede blik... dankzij welke haast alle niet strikt economische gedachten van de latere socialisten bij hem in de kiem aanwezig zijn" [MEW 19:195 - vert. p. 40].[17]

De sprong naar de andere oever
De vraag waarom Saint-Simon in zijn laatste levensjaren nog een sprong kon maken die hem naar de andere oever bracht en waardoor hij in de geschiedenis van het maatschappelijke denken zo'n bijzondere rol speelt, is vaak gesteld, maar nooit concreet beantwoord. Zijn breuk met het liberalisme laat zich nog het beste verklaren vanuit de bijzonderheden van de sociaal-politieke situatie in het toenmalige Frankrijk. Herrnstadt heeft hiertoe een poging gedaan. De kernpunten van deze verklaring kunnen in vier punten worden samengevat.
  1. De economische crisis van 1815-1816 verpletterde het idee dat er nu een ononderbroken en snelle progressie van de winsten mogelijk was geworden. Deze crisis werd volgens Saint-Simon veroorzaakt door onbegrip - resp. het negeren van zijn eigen inzichten en voorstellen - die de messiaanse opgave van de 'industriëlen' vertraagde.
  2. Wederom steekt hij de 'noodlijdende mensheid' de helpende hand toe: hij verklaart zich bereid zijn jongste inzichten over de beste manier om de ongekende mogelijkheden die in de industrie in de 'industriëlen' besloten liggen bekend te maken. Het hiertoe met financiële steun van bankiers en fabrikanten opgerichte tijdschrift, L'Industrie dat vanaf 1817 verschijnt, wordt de grond ingeboord nadat praktisch alle geldgevers zich na het vierde nummers openlijk van hem distantiëren in een brief aan de minister van politie van het Bourbon-regime. Niet zozeer vanwege zijn opmerkingen tegen de instituties van het koningschap, alswel om zijn leer van de 'aardse moraal'. Om de overgang naar een nieuwe maatschappij zo gemakkelijk en vreedzaam mogelijk te maken, had hij voorgesteld de hemelse moraal in een aardse, wetenschappelijke moraal om te smelten. Hoewel hij hierbij nog abstraheerde van klassen en klassenstrijd, roept hij de rijke en bewust geworden bourgeoisie op om de héle mensheid te verlossen van nood en katastrofen. Dit botst scherp met wat de bourgeoisie wil: export-premies, staatskredieten, lagere lonen, hogere winsten, uitschakeling van de linkse ultra's. En het staat frontaal tegenover het reactionaire regime, dat politiespionnnen in de biechtstoel had gezet, de onfeilbaarheid van God en eeuwigheid van de christelijke moraal tot dogma had verklaard.
  3. Saint Simon ergert zich over het feit dat men niet wil toegeven dat de heerschappij van het christendom voorbij is. En hem bekruipt steeds meer het gevoel dat de industriëlen' de rol die hij hen had toegewezen, hun messianistische taak, niet konden of wilden vervullen.
  4. In de periode van economische opbloei van 1820 tot 1850 bracht voor bankiers en kooplieden een ongekende expansie van hun winsten met zich mee. Saint-Simon had verwacht zij hierdoor steeds beschaafder en onbaatzuchtiger zouden worden, dat zij de politieke macht aan de wetenschappers zouden overdragen, dat de ellende en nood van het werkende volk uit de wereld gebannen zou worden, dat de klassenstrijd tegen de leeglopers consequent tot een hoogtepunt doorgevoerd zou worden en dat het verschil tussen bezitters en bezitlozen zou afnemen. Dat bleek niet het geval. De aristocraten werden niet bestreden; er werden bij bosjes nieuwe leeglopers gekweekt; wetenschappelijk geschoolden werden voornamelijk als geprivilegieerde employés te werk gesteld door textielfabrikanten en zeephandelaren; fabrikanten en bankiers streefden slechts naar nog grotere winsten en verloren de laatste resten van hun verantwoordelijkheidsgevoel voor de arbeiders; hun gigantische verrijking leek hun hebzucht en winsthonger slechts te stimuleren; de arbeidende klasse profiteerde niet of nauwelijks mee van de economische opbloei en werden in deze periode van hoogconjunctuur gekweld door werkloosheid; de kloof tussen bezitters en bezitlozen, tussen rijkdom en armoede leek zich veeleer te verdiepen en te verscherpen; en er was nauwelijks nog een bankier of fabrikant te vinden die naar Saint-Simon's raadgevingen wilde luisteren [vgl. Herrnstadt 1965:328-41].

Dit hele complex van sociaal-politieke transformaties breekt - via zijn persoonlijke 'negatieve ervaringen' - in op het illusoire, utopische verwachtingspatroon van Saint-Simon en opent zijn ogen voor de nieuwe figuratie die klassenverhoudingen en -strijd inmiddels hadden aangenomen. In zijn woedende verontwaardiging over de 'politieke apatie van de industriëlen' [Oeuvres, 1:104], waarvoor hij ook bij de koning geen gehoor vind, laat hij de burgerlijke legende van binnenuit ontploffen. Hij zoekt nieuwe adressanten voor zijn hervormingsvoorstellen, de opkomende arbeidersbeweging lijkt hiervoor de enige geschikte kandidaat.

1.2 De Franse historici van de restauratie-periode

Dat er in de maatschappij klassen bestaan was al rond 1750 bekend (bij de Franse fysiocraten Quesnay en Turgot, en bij Abbé Seyès; bij de Engelse politieke econoom Adam Smith). Ook het feit dat klassen met elkaar in conflict kunnen komen was minstens sinds de Franse revolutie van 1789 duidelijk geworden (niet alleen bij Babeuf, maar ook bij Necker). Daarbij was echter onduidelijk gebleven wat klassen precies zijn, hoe zij zich van elkaar onderscheiden en welke functies zij in het historisch proces vervullen. Er was nog geen poging gedaan om de geschiedenis vanuit het gezichtspunt van de waargenomen klassen te analyseren [Hernnstadt 1965:284]. De historici van de restauratieperiode begonnen te vermoeden dat het in de politieke strijd in laatste instantie gaat om heerschappij-aanspraken van klassen. Zij beschouwen dit "als sleutel voor het begrip van de Franse geschiedenis sinds de Middeleeuwen [Engels, Feuerbach, MEW 21:299 - vert. p.]. De Franse historici van de restauratieperiode (Thierry, Guizot, Mignet, Thiers)[18] hadden dus een ding gemeen - zij kwamen allen tot het inzicht, dat politieke strijd en revoluties als klassenstrijd geïnterpreteerd diende te worden. Zij analyseerden de Engelse en Franse burgerlijke revoluties als momenten van de geschiedenis van de klassenstrijd.[19]

De Franse historicus Augustin Thierry (1795-1856) beschreef de geschiedenis als een strijd van klassen en stelde zich hierbij op een progressief-burgerlijke standpunt. Na 1848 komen echter "zowel het helder inzicht als het vooruitstrevend standpunt in het gedrang [Mehring 1918:518]. Zijn boek Histoire de la formations et du progrès du Tiers Etat werd door Marx geprezen om de wijze waarop hij daarin de opkomst van de burgerlijke klasse analyseert:

"Uit zijn uiteenzetting kan men al opmaken, hoe de klasse opkomt, doordat de verschillende vormen, waarin zij op verschillende tijdstippen haar zwaartepunt heeft liggen, en de verschillende fracties, die door deze vormen invloed krijgen, kapotgaan. Deze opeenvolging van metamorfosen, tot de heerschappij van de klasse ontstaat, is volgens mij nergens [...] zo geanalyseerd" [vgl. MEW 28:382 - Brief aan Engels uit 1854].

In Vue des révolutions d'Anglettere analyseert Thierry de geschiedenis van de Engelse revoluties als strijd van de bourgeoisie tegen de aristocratie.

"Iedereen wiens voorvader tot de veroveraars van Engeland behoorde verliet zijn kasteel en ging naar het koninklijke kamp, waar hij het commando overnam dat met zijn titel overeenkwam. De bewoners van de steden en havens gingen massaal naar het tegenovergestelde kamp. Men zou kunnen zeggen: het veldgeschreeuw van de beide legers was aan de ene kant ledigheid en macht, aan de andere kant arbeid en vrijheid. Want de leeglopers, tot welke laag ze ook behoorden, die geen andere bezigheid in het leven wilden dan zonder inspanning te genieten, sloten zich aan bij de koninklijke troepen, om belangen te verdedigen die met die van henzelf overeenkwamen. In tegenstelling daartoe sloten de nazaten van de veroveraars die een ambacht bedreven, zich aan bij de partij van de gemeenten" [in: Dix ans d'études historique, Bruxelles 1839, Tome 6, p. 57-8].

De religieuze bewegingen van die tijd weerspiegelden volgens Thierry slechts de 'positieve belangen' van de maatschappelijke klassen:

"Om deze positieve belangen werd de oorlog aan beide kanten gevoerd. Al het andere was uiterlijke schijn of voorwendsel. Degenen die voor de zaak van de onderdanen streden waren grotendeels Presbyterrianen, d.w.z. zij wezen ook in de religie elke dwang af. Die van de tegenpartij waren Anglicanen of papisten, d.w.z. zij streefden zelfs in de vormen van de religieuze cultuur nog naar machtsuitoefening en naar het opleggen van belasting aan de mensen" [idem, p. 58]

Met instemming citeert Thierry hierbij de woorden van Fox (History of the Reign of James the Second):

"De Whigs beschouwen alle religieuze opinies vanuit de optiek van de politiek. Zelfs bij hun haat tegen het papisme ging het hen niet zozeer om het bijgeloof of de beweerde godenaanbidding van die impopulaire sekte, maar veeleer om hun streven onbeperkt macht in de staat te veroveren."

Thierry sympatiseerde hartstochtelijk met de strijd van de derde stand tegen de aristocratie. Het ontstaan van deze klassen en standen verklaarde hij uitsluitend door veroveringen: "Tout cela date d'une conquête, il y a une conquête là dessous" (in: Histoire de la conquête).[20] De gedachte dat alles uit de tijd van de verovering - als internationale politieke handeling - stamt en dat aan alle klassen- en standsverhoudingen in laatste instantie veroveringen ten grondslag liggen, heeft hij in vele journalistieke opstellen en wetenschappelijke studies uitgewerkt. Plechanow [1894:36] heeft er al op gewezen dat zijn materiaal over de verovering van Engeland door de Noormannen de conclusie toelaat, dat de verovering geen doel op zichzelf is, maar dat ook daaraan 'positieve'. d.w.z. economische belangen ten grondslag liggen. Thierry doet dit echter niet en maakt ook geen duidelijk onderscheid tussen initiële, primordiale of oorspronkelijke ontstaansvoorwaarden van klassen en hun actuele bestaansvoorwaarden. Zijn uitgebreide schets van de historische ontwikkeling van de bourgeoisie (in: Histoire de la formations et du progrès du Tiers Etat en in zijn analyse van de geschiedenis van de interne verhoudingen in Frankrijk en Engeland) maakt juist duidelijk dat het ontstaan en de ontwikkeling van een bepaalde sociale ordening niet - en in ieder geval nooit uitsluitend - aan veroveringen opgehangen kan worden. Zijn opvattingen over de historische rol van veroveringen worden dus door zijn eigen historische onderzoek niet bevestigd, maar juist ondergraven.[21]

Ook François-August Mignet (1796-1884) legt een sterke nadruk op het feit dat grondbezit gebaseerd is op verovering [De la féodalité de St.-Louis et de l'influence de la législation de ce prince. Paris 1822, p. 50]. Het verloop van sociale bewegingen wordt volgens hem bepaald door 'heersende belangen':

"Deze beweging gaat door alle tegengestelde hindernissen heen op haar doel af, ze houdt op wanneer ze haar doel heeft bereikt, en wordt door een andere beweging afgelost, die in eerste instantie ongemerkt verloopt en pas opvalt wanneer zij machtig wordt. Deze ordening had de maatschappij nodig, totdat ze zich had doorgezet - dat was haar eerste periode; toen bestond ze feitelijk, maar was niet meer noodzakelijk - de tweede periode. En dit leidde ertoe dat ze ophield een feit te zijn. Nog nooit is een revolutie langs een andere weg verlopen" [idem, p. 76-7].

Zijn geschiedenis van de Franse revolutie beschrijft de gebeurtenissen vanuit het standpunt van de 'behoeften' van de diverse maatschappelijke klassen. De strijd van deze klassen is ook volgens hem de belangrijkste drijfveer van de politieke gebeurtenissen. Hij analyseert de partijen die achtereenvolgens de revolutie sturen en laat zien welke relaties er bestaan tussen deze partijen en de maatschappelijke klassen [Histoire de la revolution Française (1848)].

De Franse staatsman en geschiedschrijver François-Pierre Guillaume Guizot (1787-1874) kende vóór 1848 groot gewicht toe aan de klassenstrijd van adel en 'derde stand'. Hij ontwikkelde zijn visie rechtstreeks tegenover die van de Italiaanse filosoof en socioloog Vico e.a, waarin de geschiedenis van het civiele recht worden verklaard uit politieke revoluties. Volgens Guizot moet de politieke ordening uit de levenswijze, d.w.z. uit het civiele recht worden verklaard.

"Het grootste deel van de schrijvers, geleerden, historici of publicisten heeft geprobeerd door de bestudering van de politieke instellingen zicht te krijgen op de toestand van de maatschappij, op de mate of de aard van haar civilisatie. Het zou echter verstandiger zijn eerst de maatschappij zelf te onderzoeken om haar politieke instellingen te kennen en te begrijpen. Instituties zijn gevolg/werking, eer ze oorzaak worden; de maatschappij creëert ze, eer zij door hen wordt veranderd; en in plaats van in het systeem of de vormen van regering te zoeken, wat de toestand van een volk is, moet men vooral de toestand van het volk onderzoeken, om te weten wat de aard van de regering moet zijn, wat de aard kan zijn...De maatschappij, haar samenstelling, de levenswijze van de afzonderlijke mensen overeenkomstig hun sociale situatie, de relaties van de verschillende klassen van individuen, kortom, de levenswijze van de mensen (l'état des personnes) - dat is zeer zeker de eerste vraag die de aandacht vraagt van de historicus, die het leven van de volken wil onderzoeken, en van de publicist die wil weten hoe ze worden geregeerd" [Essais sur l'histoire de France 1821:73 e.v.].

Hij preciseert zijn analyse van de 'maatschappelijke samenstelling' door te laten zien dat de 'civiele levenswijze' van alle volken die sinds de ondergang van het Westromeinse rijk het toneel van de geschiedenis hebben betreden in zeer nauwe samenhang staat met de grond- en bodemverhoudingen (l'état de terres). Daarom moet de studie van deze bodemverhoudingen vooraf gaan aan de studie van het civiele leven:

"Om de politieke instellingen te begrijpen moet men de verschillende lagen die in de maatschappij bestaan en hun wederzijdse betrekkingen onderzoeken. Om deze diverse sociale lagen te begrijpen, moet men de aard van de bodemverhoudingen kennen" [Essais. p. 75].

Vanuit dit perspectief onderzoekt Guizot de geschiedenis van Frankrijk tijdens de eerste twee dynastieën. Hij thematiseert deze periode als geschiedenis van een strijd van verschillende lagen van de toenmalige maatschappij. In zijn latere studie over de geschiedenis van de Engelse revolutie gaat Guizot nog een stap verder. Hij interpreteert de Engelse revolutie als strijd van bourgeoisie tegen aristocratie. Daarbij onderkent hij impliciet, dat het voor de verklaring van het politieke leven van een land niet voldoende is om alleen de grond- en bodemverhoudingen te bestuderen, en dat men álle eigendomsverhoudingen moet thematiseren. Net als Thierry stelt hij dat de strijd van de religieuze en politieke partijen in het Engeland van de 17e eeuw een maatschappelijk vraagstuk bedekt, namelijk 'de strijd van de verschillende klassen om invloed en macht'.

"Deze klassen waren in Engeland niet zo diep van elkaar gescheiden en stonden niet zo vijandig tegenover elkaar als in andere landen. De grote baronnen hadden niet alleen voor hun eigen vrijheden gepleit, maar ook voor die van het volk, en het volk had dat niet vergeten. Landadel en stedelijke burgerij zaten sinds drie decennia in naam van de gemeenten van Engeland in het parlement. Maar sinds een eeuw waren er in de krachtsverhoudingen van de verschillende klassen grote veranderingen opgetreden in de schoot van de maatschappij, zonder dat hiermee corresponderende veranderingen in de regering tot stand kwamen. Bourgeoisie, landadel, boeren en kleine grondbezitters, die destijds zeer talrijk waren, oefenden op de publieke aangelegenheden niet de invloed uit die overeen zo komen met hun betekenis in het land. Zij waren groter geworden, maar niet vooruitgekomen. Daardoor ontstond bij hen en in de lagen onder hen een zeer sterke eerzucht die elke gelegenheid te baat zou nemen om los te breken" [Discours sur l'histoire de la révolution d'Angleterre. 1850, p. 9-10.].

In zijn zesdelige studie over de geschiedenis van de eerste Engelse revolutie en in zijn biografieën over verschillende staatsmannen van zijn tijd werkte Guizot deze visie verder uit, waarbij hij - zoals Plechanow [1894:50] opmerkt - maar zelden het standpunt van de klassenstrijd verlaat. Het meest pregnant heeft hij zijn denkbeelden samengevat, tijdens een reeks colleges die hij in 1828 in Parijs hield. Daarin schetst hij het ontstaan van de bourgeoisie ('de grote sociale klasse'), haar interne samenstelling in de afzonderlijke historische fasen, haar langdurige strijd tegen het feodalisme. De onderlinge strijd van de klassen beschouwt hij als "de strijd die de inhoud van de gebeurtenissen uitmaakt en de moderne geschiedenis vervult":

"Het moderne Europa werd geboren in de strijd van de verschillende maatschappelijke klassen. [...] De strijd tussen de maatschappelijke klassen werd echter geen uitgangspunt van stagnatie, maar een oorzaak van de vooruitgang. De onderlinge verhoudingen tussen de verschillende klassen, de noodzakelijkheid om elkaar waar dan ook te bestrijden en wederzijds toe te geven, de verscheidenheid van hun belangen, van hun hartstocht om te overwinnen, zonder dat zij de macht hebben om op grond van de overwinning tot het einde te gaan - de bundel van deze omstandigheden is misschien het energiekste en vruchtbaarste ontwikkelingsprincipe van de Europese civilisatie" [Guizot, Cours d'histoire moderne, histoire générale de la civilisation en Europe. Paris 1828, 1e college, p. 1].

Het hier geformuleerde inzicht van de klassenstrijd als principe van historische ontwikkeling en maatschappelijke progressie, vormt samen met zijn opvattingen over de economische grondslag van de klassenverhoudingen, een zo niet hét hoogtepunt van de burgerlijke geschiedenisopvatting. Een hoogtepunt, waarin echter tegelijkertijd de grenzen van de burgerlijk-liberale klassentheorie zichtbaar worden. Hij universaliseert zijn principes zo sterk dat de burgerlijke klassenverhoudingen voor de eeuwigheid worden vastgeschreven: als het onmogelijk is om 'tot het einde te gaan' dan zijn klassenverhoudingen en -strijd immers geen historisch vergankelijke verschijnselen, aan gene zijde waarvan een klassenloze maatschappij minstens denkbaar is. En zo bereikt Guizot de bovengrens van zijn inzicht in het historisch proces:

"En toch zijn de klassen steeds meer naar elkaar toegegroeid, hebben zij zich geassimileerd en zijn zij op een lijn gekomen. Elk Europees land heeft in haar schoot een bepaalde allesomvattende geest, een bepaalde gemeenschappelijkheid van belangen, van gedachten en gevoelens voortgebracht, die de verscheidenheid en de strijd overwonnen hebben. In Frankrijk was bijvoorbeeld in de 17e en 18e eeuw de kloof tussen de klassen in sociaal en moreel opzicht nog zeer diep. Er bestaat geen twijfel aan dat de fusie sindsdien zeer ver is voortgeschreden [...] In het moderne Europa is vanuit de verscheidenheid, de vijandschap en van de strijd de nationale eenheid voortgevloeid. Deze nationale eenheid heeft de tendens zich verder te ontplooien, zich met nog hogere glans te reinigen" [idem, p. 30].

In plaats van het heldere inzicht in de historische betekenis van klassenstrijd als 'energiekste en meest vruchtbare ontwikkelingsprincipe' komt nu de dons van 'nationale eenheid' en 'klassevrede'; in plaats van een nuchter inzicht in de tegenstellingen waarin het historisch proces verloopt, wordt nu de lof gezongen op de 'gemeenschappelijkheid van belangen, gedachten en gevoelens'. De weg die hij zelf baande, leek vrij voor nieuwe revolutionaire inzichten, maar door "de mist van dienstbaar gezwets" [Herrnstadt 1965:362] verdween het perspectief.

De liberale bourgeoisie wilde aanvankelijk een consequente klassenstrijd voeren tegen de feodale aristocratie. Inmiddels had zij echter de feodalen nodig als bondgenoten tegenover de opkomende, zichzelf organiserende arbeidersbeweging. In Guizot's werk manifesteert zich enerzijds het onbekommerde, anti-feodale klassebelang van de liberalen. Guizot doet echter geen poging het inzicht in de klassenstrijd als 'energiekste en vruchtbaarste ontwikkelingsprincipe' consequent door te trokken en uit te werken. Dit zou immers ook de arbeidersklasse wel eens kunnen stimuleren in haar strijd tegen de klasse als wier woordvoerder hij opereerde. Guizot heeft dit feilloos aangevoeld en breekt zijn denken af.

Hierdoor kwam voor Guizot, zoals Herrnstadt opmerkt, de weg vrij voor hoge functies, titels en ordes van de burgerlijke staat. In 1830 vuurt Guizot de burgers in het noorden van Frankrijk nog aan om zich te verrijken: 'enrichessez-vous'. In november 1831 - hij wordt direct na julirevolutie minister van het nieuwe contra-revolutionaire regering - laat hij zijn kanonnen vuren op opstandige fabrieksarbeiders in Lyon. In 1845 geeft hij op instigatie van de Pruisische regering de medewerkers en redacteuren van het progressieve tijdschrift Vorwärts - waaronder Marx, Ruge en Bakunin, maar met uitzondering van Heinrich Heine - het bevel om Frankrijk binnen 24 uur te verlaten. En als tenslotte in 1848, wanneer hij tot ministerpresident gepromoveerd is, uiteindelijk "het gansche liberale getimmerte van Louis Philippe en Guizot" [Quack 1900 III:128] omvergeworpen wordt, lijkt hij nog maar een leuze te kennen: 'Orde!' Zodra de arbeidersklasse het politieke toneel betreedt, wil hij van geen klassenstrijd meer weten en beland hij in een conservatief doctrinisme. Niettemin was en bleef hij "een man van literaire beschaving" [Mehring 1918/21:495].[22]

1.3 De klassieke burgerlijke politieke economie: David Ricardo

Wie de 'kritiek van de politieke economie' wil kritiseren zou zich volgens Marx echter vooral eerst grondig moeten oriënteren op de beginselen van de politieke economie. Daarbij is het volgens hem voldoende om "het grote werk van Ricardo" open te slaan [Brief aan Weydemeyer uit 1852, in: Briefe:58. Vgl. MEW 28:508]. Voor de potentiële critici van zijn eigen werk verwijst Marx daarom aan het eind van zijn studie eerst naar het werk van de meest klassieke vertegenwoordiger van de burgerlijke politieke economie.[23]

David Ricardo (1772-1823) spoorde het interne verband op tussen vormen van maatschappelijke rijkdom die in eerste instantie onafhankelijk van elkaar lijken te zijn: grondrente, ondernemerswinst, rente, loon, salaris enz. Hij berooft deze brokstukken van de maatschappelijke rijkdom van hun schijnbare zelfstandigheid. De vormen waarin alle niet-arbeiders delen in de maatschappelijke rijkdom voert hij allemaal terug tot die ene vorm van winst. Deze winst wordt op zijn beurt weer opgelost in meerwaarde, d.w.z. in onbetaalde arbeid. Tegenover elkaar staan dus (1) het betaalde deel van de arbeid resp. het arbeidsloon en (2) de onbetaalde arbeid, d.w.z. onder verschillende titels toegeëigende, maar feitelijk door het kapitaal afgeperste vormen van meerarbeid. De klassieke politieke economie kent dus slechts twee 'oorspronkelijke' of 'primaire' inkomens: arbeidsloon of aandelen in de meerwaarde in de vorm van ondernemerswinst, rente enz. Alle andere personen moeten hun aandeel in de maatschappelijke rijkdom verwerven via 'diensten' voor deze beide klassen of door een andere vorm van (familiaire, communale, sociale) herverdeling.

De 'waar' is de elementaire vorm van de maatschappelijke rijkdom in de burgerlijke maatschappij. De waarde van deze waren valt - afgezien van de waardebestanddelen die telkens worden overgedragen - uiteen in onbetaalde en betaalde arbeid. In laatste instantie wordt de waarde van de waren dus teruggevoerd tot louter arbeidstijd. Het interne verband tussen de diverse vormen die het produktieproces van het materiële leven uiterlijk vertoont, is volgens de vertegenwoordigers van de klassieke politieke economie gelegen in de bepaling van de waarde door de arbeidstijd. Deze 'verborgen grondslag' van het burgerlijke economische systeem werd door Ricardo het meest consequent geformuleerd.

De grote historisch betekenis van Ricardo voor de economische theorie is dus, dat hij ontdekte dat 'de bepaling van de waarde door de arbeidstijd' de grondslag en het uitgangspunt vormt voor het begrip van de interne samenhang van de burgerlijke maatschappij en van het sociale levensproces dat zich daarin ontwikkelt [vgl. MEW 26.2:163]. Van daaruit heeft Ricardo onderzocht: (a) In hoeverre de verschijningsvormen van het systeem corresponderen met deze grondslag, waarop de innerlijke samenhang, de werkelijke fysiologie van de burgerlijke maatschappij berust. (b) In hoeverre de andere produktie- en samenlevingsverhoudingen die in de burgerlijke maatschappij bestaan corresponderen met het uitgangspunt van dit systeem. (c) In hoeverre de economische categorieën - d.w.z. de theoretische uitdrukkingen van de produktie- en klassenverhoudingen - overeenkomen met het uitgangspunt van het burgerlijke systeem. (d) In hoeverre een wetenschap, die slechts de verschijningsvormen van dit proces weergeeft, überhaupt inzicht kan geven in deze grondslag waarop de interne samenhang van het burgerlijke systeem berust.

Ricardo onderzoekt dus in het algemeen de tegenspraak tussen de schijnbare en de werkelijke beweging van het economische systeem en dwingt de wetenschap om hiermee rekening te houden:

"Met deze wetenschappelijke verdienste hangt nauw samen, dat Ricardo de economische tegenstelling van de klassen - zoals die uit de innerlijke samenhang voortvloeit - ontdekt en formuleert; hij ontdekt daarom in de economie het fundament van de historische strijd en van het ontwikkelingsproces" [MEW 26.2:163].

Al vóór Marx toont Ricardo dus aan dat het bestaan van klassen in de burgerlijke maatschappij niet verbonden is aan politieke privileges en monopolies, maar aan specifieke economische voorwaarden. Voor Ricardo zijn rente (grondeigendom), winst (kapitaal) en arbeidsloon (loonarbeid) voorwaarden van de maatschappelijke tegenstellingen en van klassenstrijd; hij beschouwde ze niet als inkomenssoorten die uit de drie factoren van elke produktie voortvloeien en die als zodanig ondanks hun verscheidenheid harmonisch bij elkaar horen. Dat is tevens de belangrijkste reden waarom Ricardo een schietschijf werd voor burgerlijke critici die niet alleen de onderlinge strijd, maar zelfs het bestaan van maatschappelijke klassen ontkenden. Marx nam Ricardo in bescherming tegen rabiate critici, zoals de Amerikaanse econoom Henry Charles Carey (1793-1874), die hem attaqueerde als 'vader van het communisme':

"Het systeem van Ricardo is een systeem van tweedracht...het loopt erop uit de vijandschap tussen klassen en naties te stichten. [...] Zijn tekst is het ware handboek van de demagoog, die naar macht streeft door middel van landverdeling, van oorlog en van plundering" [Carey 1848].[24]

Terwijl Marx Ricardo beschouwde als de 'meest stoïcijnse tegenstander van de arbeidersklasse', werd deze door Carey c.s. aan de paal genageld als een man wiens boeken het arsenaal vormen voor anarchisten, socialisten en alle andere vijanden van de burgerlijke orde. Ricardo en andere klassieke burgerlijke economen wordt voor de voeten geworpen "dat zij de maatschappij verscheuren en de burgeroorlog voorbereiden doordat zij bewijzen dat de economische grondslagen van de verschillende klassen een noodzakelijke en steeds groeiend antagonisme tussen de klassen moet voortbrengen" [Marx, Briefe: 59].

Ricardo raakt in zijn analyses de kern van de kapitalistische produktiewijze, namelijk dat de maatschappelijke rijkdom zich ontwikkelt door, maar niet voor de directe producenten resp. de arbeidersklasse.[25] Enerzijds beschouwt hij de arbeid als enige bron van ruilwaarde, anderzijds ziet hij het kapitaal niet alleen als hoogste doel van de produktie, maar ook als bron van alle rijkdom. De bovengrens van Ricardo's creatieve denken is dat hij deze tegenspraak niet analyseert als een specifiek historische vorm waarin de kapitalistische maatschappij zich ontwikkelt. Hij beschouwt de kapitalistische arbeidsverhoudingen als eeuwige, natuurlijke vorm van elk produktieproces en vat de basisverhouding tussen kapitalist en arbeider op als een natuurlijke verhouding waarop elk produktieproces berust.

1.4 'Het nieuwe dat ik heb gedaan was...'

We hebben eerder gezien hoe in de 17e en 18e eeuw het in de natuurwetenschappen ontwikkelde classificatiebegrip werd overgedragen op de maatschappijwetenschappen. We hebben zowel de geboorte van het klassiek-liberale als het vroeg-socialistische klassebegrip gezien, waaruit de eerste moderne inzichten in het bestaan van klassen resulteerde. We hebben gezien dat in het liberale klassebegrip niet alleen de economische voorwaarden van het bestaan en de tegenstellingen tussen de klassen werd erkend, maar tevens de eerste pogingen werden gedaan om hiermee politieke en sociale geschiedenis te interpreteren. We hebben echter ook bij Saint-Saint gezien dat er getornd werd aan limieten van het burgerlijk-liberale klassebegrip, en met name aan de 'naturalisering' van de kapitalistische klassenverhoudingen.[26] Wat is tegen deze theorie-historische achtergrond 'het nieuwe' dat Marx aan de klassentheorie heeft toegevoegd? In welk opzicht betekent zijn bijdrage een breuk met het gedachtengoed waarop hij kon steunen?

Ik heb er al eerder op gewezen dat Marx in het 52e hoofdstuk van Het Kapitaal niet expliciet aangeeft waarin zijn benadering van het klassenvraagstuk verschilt van die Ricardo en andere klassieke economen. Op andere plaatsen maakt hij echter wel zeer duidelijk dat niet hem de eer toekomt om het bestaan van klassen en hun onderlinge strijd ontdekt te hebben. In een bekende en veel geciteerde brief aan Weydemeyer schrijft hij al in 1852:

"Wat mijzelf betreft, mij komt niet de verdienste toe noch het bestaan van de klassen in de burgerlijke maatschappij ontdekt te hebben noch hun onderlinge strijd. Burgerlijke critici hadden lang voor mij de ontwikkeling van deze strijd van de klassen uiteengezet, en burgerlijke economen de economische anatomie van deze strijd" [Marx, MEW 28:508].

Wie inzicht wil krijgen in de 'geschiedenis van de klassen' in het verleden adviseert Marx daarom eerst maar eens de historische werken van Thierry, Guizot, John Wade, en de economische werken van Ricardo te bestuderen. Marx was zich echter even bewust van zijn nieuwe ontdekkingen. Hij meent aangetoond te hebben:[27]


Wat heeft Marx in zijn kritiek van de politieke economie voor nieuws gebracht? We hebben gezien dat de revolutionaire breuk van de theorie van Marx met de klassieke economie niet gelegen is in het feit dat hij de klassenstrijd in de burgerlijke maatschappij benadrukt (de klassenstrijd werd al door 'burgerlijke' historici voor Marx geanalyseerd), ook dat hij wijst op de economische grondslagen van de klassen (dat hadden de klassieke economen al aangetoond), en ook niet dat de economische grondslagen van de verschillende klassen tot een steeds groter wordend antagonisme tussen de klassen leidt (dat inzicht was al op robuuste wijze door Ricardo geformuleerd). De vooruitgang tegenover de traditionele theorie was, dat Marx in zijn analyse van de economische structuur van de burgerlijke maatschappij laat zien dat deze verhoudingen historische geworden en vergankelijk zijn. Zelfs in zijn analyse van de meest eenvoudige economische vorm, de waar, ontrafelt Marx - in tegenstelling tot Smith en Ricardo - al het historisch specifieke, karakter van de burgerlijke produktieverhoudingen. De ontcijfering van het dubbelkarakter van de burgerlijke arbeid, het inzicht in de waarde als een historisch specifieke vorm van maatschappelijke arbeid is het vertrekpunt van zijn analyse van alle verder ontwikkelde economische verhoudingen. In al deze verhoudingen manifesteert zich niet alleen de fundamentele tegenstrijdigheid, maar ook de historische relativiteit van de burgerlijke produktiewijze. Door de klassenproblematiek te verbinden is aan specifieke arbeids- en exploitatieverhoudingen van de burgerlijke maatschappij werd de weg vrijgemaakt voor een niet-speculatieve verklaring van de mogelijkheid klassenloze maatschappij en voor een afbakening van de mogelijke wegen die daartoe zouden kunnen leiden.[28]

I Waar is de klassentheorie? Inhoud III. Theorie-systematische context

Index


Noten

Index


Sociologen Onderwerpen Samenleven Home Zoek Correspondent Contact