| Home | InternetStudies | Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Contact |
|---|

| De pijnlijke ondervindingen uit de jeugd komen altijd weer terug en laten een mens niet met rust. Ze groeien als planten onder water, weelderig en misvormd en stinkend [Stephan Heym, De familie Benda. Amsterdam 1959:417]. |
Als we klasse-noties uit het begin van zijn intellectuele ontwikkeling vergelijken met begrippen die later werden geïntroduceerd, dan is voorspelbaar dat we op een aantal verschillen en tegenstrijdigheden stuiten. Bij explicatie en interpretatie van Marx' teksten zou zowel rekening gehouden moeten worden met de plaats die afzonderlijke teksten innemen in de volgorde van de theorie-historische als in de intellectueel-biografische ontwikkeling. Dit kan nog nader worden gespecificeerd.
De eigen af- of herkomst en de eigen grondslagen van de klassentheorie moeten steeds opnieuw worden doordacht.[1] Van een zelfreflexieve wetenschappelijke theorie mag worden verwacht dat zij tracht haar eigen ontstaan en ontstaansvoorwaarden te verklaren. Een verklaring van de genese van de klassentheorie is een complexe aangelegenheid waarbij zowel systematische, theorie-historische als biografische elementen een rol spelen.
a) Systematische aspecten -- Het ontstaan van klassentheorie is verbonden met het werkelijke verloop van de geschiedenis van de klassenstrijd. Pas op een bepaald ontwikkelingsniveau van de burgerlijke maatschappij kon een socialistisch georiënteerde klassentheorie worden geformuleerd. Het ontstaan van dergelijke klassentheorieën veronderstelt in de eerste plaats dat de kapitaalverhouding de dominante en daarmee ook de klassentegenstellingen bepalende maatschappelijke arbeidsverhouding is. Het veronderstelt niet alleen dat de kapitalen zich relatief vrij kunnen vermeerderen en de klasse der kapitalisten zich kan ontplooien[2], maar ook de transformatie van een veelvoud van loonarbeiders in de klasse van proletariërs; bovendien veronderstelt het een vergaande verburgerlijking van de adel en uitbreiding van de steden. Het feitelijke historische uitgangspunt van de klassentheorie van Marx is de werkelijke crisismatige ontwikkeling van de kapitalistische economie en de meer of minder tegenstrijdige wijze waarop deze ontwikkeling in de wetenschappelijke theorievorming wordt gethematiseerd. Een systematische verklaring van de genese van de klassentheorie betekent dat uitgaande van de werkelijke, specifiek kapitalistische levensverhoudingen, de noodzaak en mogelijkheidsvoorwaarden worden geïdentificeerd van de overgang van ideologisch bepaalde - dat wil zeggen in de mystificatie van de kapitalistische verhoudingen bevangen bewustzijnsvormen - naar wetenschappelijke kennis.[3] De ontwikkeling van de klassentheorie is echter zelf een historisch proces, dat niet lineair-parallel verloop met het ontwikkelingspatroon van de burgerlijke maatschappij en de sociaal-politieke strijd die daarin plaats vind.
b) Theorie-historische aspecten -- Het ontstaan van de klassentheorie veronderstelt niet alleen dat de kapitaalverhouding de dominante klassenstructurerende arbeidsverhouding is. Het veronderstelt tevens de intellectuele inspanningen van economen en filosofen om de tegenspraken van de burgerlijke maatschappij te systematiseren en te verklaren [Armanski 1974:10]. Het theorie-historische uitgangspunt van de klassentheorie van Marx is het 'gedachtenmateriaal' dat door zijn voorgangers is nagelaten. Tegen de achtergrond van een systematische fundering van het ontstaan van de klassentheorie kunnen de theorie-historische en individueel-biografische aspecten van dit proces worden ontcijferd. De theoretische reflecties van Marx die vooraf gingen aan de uitwerking van zijn 'systeem van de kritiek van de politieke economie' zijn niet goed te interpreteren als men voorbij gaat aan een systematische fundering van de klassentheorie. Dit zou leiden tot de bekende overwaardering van de theorie-historische dimensie, waarbij ontstaan en uitwerking van de klassentheorie wordt opgevat als een produkt van een synthese of versmelting van verschillende elementen van ideologisch bepaald (want in 'idealisme', 'vulgair-materialisme', 'economisme', 'utopisme' bevangen) denken van zijn voorgangers. Deze reductie komt onder andere tot uiting in de simpele opvatting van de zogenaamde 'drie bronnentheorie', waarin de theorie van Marx wordt voorgesteld als het resultaat van een gecompliceerd versmeltingsproces van drie stromingen van het maatschappelijk denken: de Duitse idealistische filosofie, de Engelse klassieke politieke economie en het Franse socialisme. Daarbij blijven een aantal cruciale vragen - die ook hier niet verder worden uitgewerkt - onbeantwoord. Hoe is het mogelijk dat uit de samenvatting van drie 'ideologische' denktradities een kwalitatief nieuwe 'wetenschappelijke' theorie kon ontstaan? Wat zijn de maatschappelijke voorwaarden voor deze synthese van nogal uiteenlopende elementen van het maatschappelijk denken? En via welke tussenschakels kunnen deze verschillende gedaanten van ideologisch bepaalde denken door het versmeltingsproces worden getransformeerd in wetenschappelijke kennis?[4]
Een geschiedenis van het begrip klasse bestaat niet of nauwelijks.[5] Dat is verwonderlijk omdat het nut van een dergelijke onderneming herhaaldelijk is onderstreept. Al in 1852 adviseert Marx "de heren democraten"[6] om, voordat zij kritiek uitoefenen op zijn benadering, zich eerst vertrouwd te maken met de burgerlijke literatuur.[7] Wat betreft de historische studies verwijst hij onder andere naar het werk van de Franse liberale historicus Augustin Thierry, de Franse historicus en politiek reactionair Guizot en de Engelse historicus-econoom John Wade.
Voor de analyse van het ontstaan van het klassieke, burgerlijk-liberale klassebegrip concentreer ik mij vooral op Frankrijk. Dat neemt niet weg dat de vroegste vorming van het maatschappelijke klassebegrip niet in Frankrijk plaatsvond, maar in Engeland. Strikt genomen werd het maatschappelijke klassebegrip voor het eerst in de 17e eeuw in Engeland geformuleerd, vooral door de Engelse politieke economen, zoals bijvoorbeeld William Petty.[8] In essentie heeft zich eenzelfde proces een eeuw later in Frankrijk voltrokken. Het klassebegrip vloeide in beide landen voort uit de overwinning van de feodale orde door een zegevierende bourgeoisie. Toch is het klassieke burgerlijk-liberale klassebegrip met name in Frankrijk ontstaan. Terwijl in Engeland de feodale aristocratie al eeuwen zonder wereldschokkende hoogtepunten verburgerlijkte, stonden aan het einde van de 18e eeuw in Frankrijk een nog steeds heersende en vastberaden feodale aristocratie tegenover een voor de machtsuitoefening overrijp geworden burgerij. Dit was bepalend voor de hardheid waarmee de Franse aristocratie en bourgeoisie op elkaar botsen en daarmee voor de 'klassiciteit' van het daar ontwikkelde het klassebegrip.
|
In het werk van Saint-Simon voltrekt zich een dubbele overgang. Hij vertrekt vanuit een voor-liberaal klassebegrip, d.w.z. het klassebegrip van de vroege, nog in de Verlichting bevangen bourgeoisie op het keerpunt van de 18e en 19e eeuw. Van daaruit baant hij enerzijds de weg naar een liberaal-burgerlijk klassebegrip. Anderzijds voltrekt hij tegen het einde van zijn leven de overgang naar een vroeg-socialistisch klassebegrip.
De deling van de maatschappij in klassen beschouwt hij al vroeg als invalshoek voor de kennis van het historisch proces. Aanvankelijk deelt hij de maatschappij in drie klassen in.
Saint-Simon is er vast van overtuigd dat er niet alleen behoefte bestaat aan een politieke wetenschap op basis waarvan de maatschappelijke ontwikkeling geregisseerd zou kunnen worden, maar ook dat deze een mate van betrouwbaarheid en positiviteit zou kunnen bereiken die gelijk was aan die van de natuurwetenschappen. In aansluiting bij het systeem van Newton zou het hele sociaal-wetenschappelijke en politieke kennisbestand in één uniform systeem ondergebracht moeten worden.
Tijdens zijn leven is hij niet alleen getuige van de napoleontische oorlogen, van het echec van het imperium en van de restauratieperiode, maar ook van de zich doorzettende industriële revolutie en de toenemende activiteit van de verarmende, bezitsloze volksmassa. De ervaringen brengen zowel zijn beeld van de geschiedenis als zijn politieke visie in beweging. Hij begint de geschiedenis te analyseren als een historisch proces, waarin de klassen de belangrijkste actoren waren.[12] Hij doet een eerste poging om het ontstaan van de klassen in Frankrijk te verklaren. Daarbij neemt hij de economische verhoudingen (en met name de produktie van materiële goederen) als uitgangspunt:
"De beste maatschappelijke orde is die, welke de levensomstandigheden van de meerderheid van de mensen in de maatschappij zo gunstig mogelijk maakt, doordat zij hen zoveel mogelijk middelen en mogelijkheden verschaft om hun fundamentele behoeften te bevredigen."
Hoewel hij de hele geschiedenis van Westeuropa sinds de 15 eeuw vanuit de economische verhoudingen beschouwt[13], verklaart hij de Middeleeuwse maatschappij als resultaat van verovering. Hij maakt daarbij gebruik van de legende dat de klassen in Frankrijk zijn ontstaan vanuit de onderwerping van de Galliërs door de Franken - een legende die zich doorzet in het werk van alle historici van de restauratieperiode, en met name bij zijn leerling Thierry.[14] De Franken zouden een heersende klasse kunnen worden op grond van hun rol als 'organisatoren van de produktie'. Van de 5e tot de 15e eeuw waardeert hij het feodale systeem als progressief, omdat de heersende feodalen hun taak als organisatoren van de produktie vervulden. Hierna werd het een reactionaire orde, omdat de feodalen hun produktieve rol verloren en 'bloedzuigers van het volk' werden. De opkomende burgerij zou deze taak als organisator van de produktie steeds meer moeten overnemen. Deze nieuwe klasse ('de industriëlen'), met het vermogen om "het verloop van de civilisatie" vooruit te drijven, raadt hij aan niet met de tegenstander te spelen, maar deze 'een dodelijke slag' toe te brengen. Hij heeft zeer grote verwachtingen over alle zegeningen die de opkomende industrie zou brengen. Hij eist staatsmacht voor de 'industriële klasse' en roept bankiers en fabrikanten op om de leiding op zich te nemen van de noodlijdende massa.
Onder deze 'industriële klasse' rekent hij alle mensen die direct of indirect met de industrie van doen hadden: niet alleen bankiers, fabrikanten en arbeiders, maar ook de employés en kooplieden, ja zelfs de dichters en schilders die met hun produkten de industrie bezielden. Saint-Simon heeft dan nog geen oog voor de nieuwe klassentegenstellingen die de burgerlijke maatschappij zelf met zich meebracht. Hij is nog bevangen in de voor de 18e eeuw geldige opvatting dat aristocratie 'leeglopers', 'nietsnutten', 'lanterfanters' waren. Hij ziet dus nog niet dat er nieuwe klassentegenstellingen waren ontstaan en dat de parameters van de klassenstrijd inmiddels verschoven waren.
Na de economische crisis van 1815-16 neemt hij een sprong die hem aan gene zijde van het burgerlijk-liberale klassebegrip zou brengen. Op zestig jarige leeftijd begint hij de burgerlijke kennisgrenzen te doorbreken [zie: De sprong naar de andere oever]. Hij begint nu grote nadruk te leggen op de kenbaarheid en planbaarheid van de maatschappelijke ontwikkeling[15], en op de klasse-gebondenheid van alle morele categorieën. Hij krijgt oog voor de modern burgerlijke vormen van klassenstrijd en onderstreept de noodzaak van organisatie: hij roept de arbeidersklasse en in het bijzonder de arbeiders in de industrie - als wier woordvoerder en zaakwaarnemer hij zich profileert - op zich te organiseren om de ondernemers een omvangrijk plan voor publieke werken voor te leggen. Saint-Simon begint de "de talrijkste en armste klasse" bij haar naam te noemen, hij ziet zichzelf niet meer als spreekbuis van 'de onwetende klasse', maar van "de talrijkste klasse, de proletariërs." Hij probeert weliswaar geen echte theorie van klassenstrijd te ontwikkelen, maar formuleert wel hoekstenen van een radikaal socialistisch perspectief: "Om het lot van de massa te verbeteren is het niet voldoende de privileges op anderen over te dragen, men moet ze vernietigen; het is niet voldoende de misbruiken tegen andere te ruilen, men moet ze afschaffen."
De vaak bonte tegenstrijdigheden en wilde tegenspraken waarin Saint-Simon zijn nieuwe gedachten formuleerde kunnen hier natuurlijk niet breed worden uitgemeten. Om echter zijn ongemeen felle houding tegenover onproduktieve leeglopers en zijn dubbelzinnige, de liberale bourgeoisie onwelgevallige pleidooien voor 'de industriëlen' te illustreren, volsta ik met een verwijzing naar de beroemde parabel die hij in 1819 in zijn tijdschrift L'Organisateur publiceerde. Daarin stelt hij de vraag wat het voor de Franse natie zou betekenen, wanneer zij plotseling de bloem van haar 'industriëlen' zou verliezen: drieduizend van de eerste geleerden, kunstenaars, mestselaars en mannen van het bedrijf. Dan zou Frankrijk de kop en de ziel van haar leven verliezen en in rang plotseling beneden andere naties dalen; er zou minstens een hele generatie nodig zijn om dit verlies te vergoeden. En veronderstel nu eens dat in een nacht alle onproduktieve leeglopers zouden overlijden: koninklijke en adelijke figuren, ministers en maarschalken, kardinalen en rechter, beamten en de tienduizend rijkste eigenaars. Dit ongeluk zou Frankrijk zeker bedroeven, omdat de Fransen nu eenmaal goedhartig zijn. Maar verder zou het niet veel uitmaken - daarmee zou slechts het kwaad worden uitgeroeid.[16]
De betekenis die Saint-Simon heeft gehad voor de ontwikkeling van het latere socialisme kan moeilijk worden overdreven. Want zoals Fr. Engels in zijn brochure over De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap opmerkt, beschikte hij over "een geniale brede blik... dankzij welke haast alle niet strikt economische gedachten van de latere socialisten bij hem in de kiem aanwezig zijn" [MEW 19:195 - vert. p. 40].[17]
Dit hele complex van sociaal-politieke transformaties breekt - via zijn persoonlijke 'negatieve ervaringen' - in op het illusoire, utopische verwachtingspatroon van Saint-Simon en opent zijn ogen voor de nieuwe figuratie die klassenverhoudingen en -strijd inmiddels hadden aangenomen. In zijn woedende verontwaardiging over de 'politieke apatie van de industriëlen' [Oeuvres, 1:104], waarvoor hij ook bij de koning geen gehoor vind, laat hij de burgerlijke legende van binnenuit ontploffen. Hij zoekt nieuwe adressanten voor zijn hervormingsvoorstellen, de opkomende arbeidersbeweging lijkt hiervoor de enige geschikte kandidaat. |
De Franse historicus Augustin Thierry (1795-1856) beschreef de geschiedenis als een strijd van klassen en stelde zich hierbij op een progressief-burgerlijke standpunt. Na 1848 komen echter "zowel het helder inzicht als het vooruitstrevend standpunt in het gedrang [Mehring 1918:518]. Zijn boek Histoire de la formations et du progrès du Tiers Etat werd door Marx geprezen om de wijze waarop hij daarin de opkomst van de burgerlijke klasse analyseert:
In Vue des révolutions d'Anglettere analyseert Thierry de geschiedenis van de Engelse revoluties als strijd van de bourgeoisie tegen de aristocratie.
De religieuze bewegingen van die tijd weerspiegelen volgens Thierry slechts de 'positieve belangen' van de maatschappelijke klassen:
Met instemming citeert Thierry hierbij de woorden van Fox (History of the Reign of James the Second):
Thierry sympatiseerde hartstochtelijk met de strijd van de derde stand tegen de aristocratie. Het ontstaan van deze klassen en standen verklaarde hij uitsluitend door veroveringen: "Tout cela date d'une conquête, il y a une conquête là dessous" (in: Histoire de la conquête).[20] De gedachte dat alles uit de tijd van de verovering - als internationale politieke handeling - stamt en dat aan alle klassen- en standsverhoudingen in laatste instantie veroveringen ten grondslag liggen, heeft hij in vele journalistieke opstellen en wetenschappelijke studies uitgewerkt. Plechanow [1894:36] heeft er al op gewezen dat zijn materiaal over de verovering van Engeland door de Noormannen de conclusie toelaat, dat de verovering geen doel op zichzelf is, maar dat ook daaraan 'positieve'. d.w.z. economische belangen ten grondslag liggen. Thierry doet dit echter niet en maakt ook geen duidelijk onderscheid tussen initiële, primordiale of oorspronkelijke ontstaansvoorwaarden van klassen en hun actuele bestaansvoorwaarden. Zijn uitgebreide schets van de historische ontwikkeling van de bourgeoisie (in: Histoire de la formations et du progrès du Tiers Etat en in zijn analyse van de geschiedenis van de interne verhoudingen in Frankrijk en Engeland) maakt juist duidelijk dat het ontstaan en de ontwikkeling van een bepaalde sociale ordening niet - en in ieder geval nooit uitsluitend - aan veroveringen opgehangen kan worden. Zijn opvattingen over de historische rol van veroveringen worden dus door zijn eigen historische onderzoek niet bevestigd, maar juist ondergraven.[21]
Ook François-August Mignet (1796-1884) legt een sterke nadruk op
het feit dat grondbezit gebaseerd is op verovering [De la féodalité de St.-Louis et
de l'influence de la législation de ce prince. Paris 1822, p. 50]. Het verloop van sociale bewegingen wordt volgens hem bepaald door 'heersende belangen':
Zijn geschiedenis van de Franse revolutie beschrijft de gebeurtenissen vanuit
het standpunt van de 'behoeften' van de diverse maatschappelijke klassen. De
strijd van deze klassen is ook volgens hem de belangrijkste drijfveer van de
politieke gebeurtenissen. Hij analyseert de partijen die achtereenvolgens de
revolutie sturen en laat zien welke relaties er bestaan tussen deze partijen en
de maatschappelijke klassen [Histoire de la revolution Française (1848)].
De Franse staatsman en geschiedschrijver François-Pierre Guillaume
Guizot (1787-1874) kende vóór 1848 groot gewicht toe aan de
klassenstrijd van adel en 'derde stand'. Hij ontwikkelde zijn visie
rechtstreeks tegenover die van de Italiaanse filosoof en socioloog Vico e.a,
waarin de geschiedenis van het civiele recht worden verklaard uit politieke
revoluties. Volgens Guizot moet de politieke ordening uit de levenswijze,
d.w.z. uit het civiele recht worden verklaard.
"Het grootste deel van de schrijvers, geleerden, historici of publicisten heeft
geprobeerd door de bestudering van de politieke instellingen zicht te krijgen
op de toestand van de maatschappij, op de mate of de aard van haar civilisatie.
Het zou echter verstandiger zijn eerst de maatschappij zelf te onderzoeken om
haar politieke instellingen te kennen en te begrijpen. Instituties zijn
gevolg/werking, eer ze oorzaak worden; de maatschappij creëert ze, eer zij
door hen wordt veranderd; en in plaats van in het systeem of de vormen van
regering te zoeken, wat de toestand van een volk is, moet men vooral de
toestand van het volk onderzoeken, om te weten wat de aard van de regering moet
zijn, wat de aard kan zijn...De maatschappij, haar samenstelling, de
levenswijze van de afzonderlijke mensen overeenkomstig hun sociale situatie, de
relaties van de verschillende klassen van individuen, kortom, de
levenswijze van de mensen (l'état des personnes) - dat is zeer
zeker de eerste vraag die de aandacht vraagt van de historicus, die het leven
van de volken wil onderzoeken, en van de publicist die wil weten hoe ze worden
geregeerd" [Essais sur l'histoire de France 1821:73 e.v.].
Hij preciseert zijn analyse van de 'maatschappelijke samenstelling' door te
laten zien dat de 'civiele levenswijze' van alle volken die sinds de ondergang
van het Westromeinse rijk het toneel van de geschiedenis hebben betreden in
zeer nauwe samenhang staat met de grond- en bodemverhoudingen
(l'état de terres). Daarom moet de studie van deze bodemverhoudingen
vooraf gaan aan de studie van het civiele leven:
"Om de politieke instellingen te begrijpen moet men de verschillende lagen die
in de maatschappij bestaan en hun wederzijdse betrekkingen onderzoeken. Om deze
diverse sociale lagen te begrijpen, moet men de aard van de bodemverhoudingen
kennen" [Essais. p. 75].
Vanuit dit perspectief onderzoekt Guizot de geschiedenis van Frankrijk tijdens
de eerste twee dynastieën. Hij thematiseert deze periode als geschiedenis
van een strijd van verschillende lagen van de toenmalige maatschappij. In zijn
latere studie over de geschiedenis van de Engelse revolutie gaat Guizot nog een
stap verder. Hij interpreteert de Engelse revolutie als strijd van bourgeoisie
tegen aristocratie. Daarbij onderkent hij impliciet, dat het voor de verklaring
van het politieke leven van een land niet voldoende is om alleen de grond- en
bodemverhoudingen te bestuderen, en dat men álle eigendomsverhoudingen
moet thematiseren. Net als Thierry stelt hij dat de strijd van de religieuze en
politieke partijen in het Engeland van de 17e eeuw een maatschappelijk
vraagstuk bedekt, namelijk 'de strijd van de verschillende klassen om invloed
en macht'.
"Deze klassen waren in Engeland niet zo diep van elkaar gescheiden en stonden
niet zo vijandig tegenover elkaar als in andere landen. De grote baronnen
hadden niet alleen voor hun eigen vrijheden gepleit, maar ook voor die van het
volk, en het volk had dat niet vergeten. Landadel en stedelijke burgerij zaten
sinds drie decennia in naam van de gemeenten van Engeland in het parlement.
Maar sinds een eeuw waren er in de krachtsverhoudingen van de verschillende
klassen grote veranderingen opgetreden in de schoot van de maatschappij, zonder
dat hiermee corresponderende veranderingen in de regering tot stand kwamen.
Bourgeoisie, landadel, boeren en kleine grondbezitters, die destijds zeer
talrijk waren, oefenden op de publieke aangelegenheden niet de invloed uit die
overeen zo komen met hun betekenis in het land. Zij waren groter geworden, maar
niet vooruitgekomen. Daardoor ontstond bij hen en in de lagen onder hen een
zeer sterke eerzucht die elke gelegenheid te baat zou nemen om los te breken"
[Discours sur l'histoire de la révolution d'Angleterre. 1850, p.
9-10.].
In zijn zesdelige studie over de geschiedenis van de eerste Engelse revolutie
en in zijn biografieën over verschillende staatsmannen van zijn tijd
werkte Guizot deze visie verder uit, waarbij hij - zoals Plechanow [1894:50]
opmerkt - maar zelden het standpunt van de klassenstrijd verlaat. Het meest
pregnant heeft hij zijn denkbeelden samengevat, tijdens een reeks colleges die
hij in 1828 in Parijs hield. Daarin schetst hij het ontstaan van de bourgeoisie
('de grote sociale klasse'), haar interne samenstelling in de afzonderlijke
historische fasen, haar langdurige strijd tegen het feodalisme. De onderlinge
strijd van de klassen beschouwt hij als "de strijd die de inhoud van de
gebeurtenissen uitmaakt en de moderne geschiedenis vervult":
"Het moderne Europa werd geboren in de strijd van de verschillende
maatschappelijke klassen. [...] De strijd tussen de maatschappelijke klassen
werd echter geen uitgangspunt van stagnatie, maar een oorzaak van de
vooruitgang. De onderlinge verhoudingen tussen de verschillende klassen, de
noodzakelijkheid om elkaar waar dan ook te bestrijden en wederzijds toe te
geven, de verscheidenheid van hun belangen, van hun hartstocht om te
overwinnen, zonder dat zij de macht hebben om op grond van de overwinning tot
het einde te gaan - de bundel van deze omstandigheden is misschien het
energiekste en vruchtbaarste ontwikkelingsprincipe van de Europese civilisatie"
[Guizot, Cours d'histoire moderne, histoire générale de la
civilisation en Europe. Paris 1828, 1e college, p. 1].
Het hier geformuleerde inzicht van de klassenstrijd als principe van
historische ontwikkeling en maatschappelijke progressie, vormt samen met zijn
opvattingen over de economische grondslag van de klassenverhoudingen, een zo
niet hét hoogtepunt van de burgerlijke geschiedenisopvatting. Een
hoogtepunt, waarin echter tegelijkertijd de grenzen van de burgerlijk-liberale
klassentheorie zichtbaar worden. Hij universaliseert zijn principes zo sterk
dat de burgerlijke klassenverhoudingen voor de eeuwigheid worden
vastgeschreven: als het onmogelijk is om 'tot het einde te gaan' dan zijn
klassenverhoudingen en -strijd immers geen historisch vergankelijke verschijnselen, aan gene zijde waarvan een
klassenloze maatschappij minstens denkbaar is. En zo bereikt Guizot de
bovengrens van zijn inzicht in het historisch proces:
"En toch zijn de klassen steeds meer naar elkaar toegegroeid, hebben zij zich
geassimileerd en zijn zij op een lijn gekomen. Elk Europees land heeft in haar
schoot een bepaalde allesomvattende geest, een bepaalde gemeenschappelijkheid
van belangen, van gedachten en gevoelens voortgebracht, die de verscheidenheid
en de strijd overwonnen hebben. In Frankrijk was bijvoorbeeld in de 17e en 18e
eeuw de kloof tussen de klassen in sociaal en moreel opzicht nog zeer diep. Er
bestaat geen twijfel aan dat de fusie sindsdien zeer ver is voortgeschreden
[...] In het moderne Europa is vanuit de verscheidenheid, de vijandschap en van
de strijd de nationale eenheid voortgevloeid. Deze nationale eenheid heeft de
tendens zich verder te ontplooien, zich met nog hogere glans te reinigen"
[idem, p. 30].
In plaats van het heldere inzicht in de historische betekenis van klassenstrijd
als 'energiekste en meest vruchtbare ontwikkelingsprincipe' komt nu de dons van
'nationale eenheid' en 'klassevrede'; in plaats van een nuchter inzicht in de
tegenstellingen waarin het historisch proces verloopt, wordt nu de lof gezongen
op de 'gemeenschappelijkheid van belangen, gedachten en gevoelens'. De weg die
hij zelf baande, leek vrij voor nieuwe revolutionaire inzichten, maar door "de
mist van dienstbaar gezwets" [Herrnstadt 1965:362] verdween het perspectief.
De liberale bourgeoisie wilde aanvankelijk een consequente klassenstrijd
voeren tegen de feodale aristocratie. Inmiddels had zij echter de feodalen
nodig als bondgenoten tegenover de opkomende, zichzelf organiserende
arbeidersbeweging. In Guizot's werk manifesteert zich enerzijds het
onbekommerde, anti-feodale klassebelang van de liberalen. Guizot doet echter
geen poging het inzicht in de klassenstrijd als 'energiekste en vruchtbaarste
ontwikkelingsprincipe' consequent door te trokken en uit te werken. Dit zou
immers ook de arbeidersklasse wel eens kunnen stimuleren in haar strijd tegen
de klasse als wier woordvoerder hij opereerde. Guizot heeft dit feilloos
aangevoeld en breekt zijn denken af.
Hierdoor kwam voor Guizot, zoals Herrnstadt opmerkt, de weg vrij voor hoge
functies, titels en ordes van de burgerlijke staat. In 1830 vuurt Guizot de
burgers in het noorden van Frankrijk nog aan om zich te verrijken:
'enrichessez-vous'. In november 1831 - hij wordt direct na julirevolutie
minister van het nieuwe contra-revolutionaire regering - laat hij zijn kanonnen
vuren op opstandige fabrieksarbeiders in Lyon. In 1845 geeft hij op instigatie
van de Pruisische regering de medewerkers en redacteuren van het progressieve
tijdschrift Vorwärts - waaronder Marx, Ruge en Bakunin, maar met
uitzondering van Heinrich Heine - het bevel om Frankrijk binnen 24 uur te
verlaten. En als tenslotte in 1848, wanneer hij tot ministerpresident
gepromoveerd is, uiteindelijk "het gansche liberale getimmerte van Louis
Philippe en Guizot" [Quack 1900 III:128] omvergeworpen wordt, lijkt hij nog
maar een leuze te kennen: 'Orde!' Zodra de arbeidersklasse het politieke toneel
betreedt, wil hij van geen klassenstrijd meer weten en beland hij in een
conservatief doctrinisme. Niettemin was en bleef hij "een man van literaire
beschaving" [Mehring 1918/21:495].[22]
"Deze beweging gaat door alle tegengestelde hindernissen heen op haar doel af, ze houdt op wanneer ze haar doel heeft bereikt, en wordt door een andere beweging afgelost, die in eerste instantie ongemerkt verloopt en pas opvalt wanneer zij machtig wordt. Deze ordening had de maatschappij nodig, totdat ze zich had doorgezet - dat was haar eerste periode; toen bestond ze feitelijk, maar was niet meer noodzakelijk - de tweede periode. En dit leidde ertoe dat ze ophield een feit te zijn. Nog nooit is een revolutie langs een andere weg
verlopen" [idem, p. 76-7].
1.3 De klassieke burgerlijke politieke economie: David Ricardo
Wie de 'kritiek van de politieke economie' wil kritiseren zou zich volgens Marx
echter vooral eerst grondig moeten oriënteren op de beginselen van de
politieke economie. Daarbij is het volgens hem voldoende om "het grote werk van
Ricardo" open te slaan [Brief aan Weydemeyer uit 1852, in: Briefe:58. Vgl. MEW 28:508]. Voor de
potentiële critici van zijn eigen werk verwijst Marx daarom aan het eind
van zijn studie eerst naar het werk van de meest klassieke vertegenwoordiger
van de burgerlijke politieke economie.[23]
David Ricardo (1772-1823) spoorde het interne verband op tussen vormen van maatschappelijke rijkdom die in eerste instantie onafhankelijk van elkaar lijken te zijn: grondrente, ondernemerswinst, rente, loon, salaris enz. Hij berooft deze brokstukken van de maatschappelijke rijkdom van hun schijnbare zelfstandigheid. De vormen waarin alle niet-arbeiders delen in de maatschappelijke rijkdom voert hij allemaal terug tot die ene vorm van winst. Deze winst wordt op zijn beurt weer opgelost in meerwaarde, d.w.z. in onbetaalde arbeid. Tegenover elkaar staan dus (1) het betaalde deel van de arbeid resp. het arbeidsloon en (2) de onbetaalde arbeid, d.w.z. onder verschillende titels toegeëigende, maar feitelijk door het kapitaal afgeperste vormen van meerarbeid. De klassieke politieke economie kent dus slechts twee 'oorspronkelijke' of 'primaire' inkomens: arbeidsloon of aandelen in de meerwaarde in de vorm van ondernemerswinst, rente enz. Alle andere personen moeten hun aandeel in de maatschappelijke rijkdom verwerven via 'diensten' voor deze beide klassen of door een andere vorm van (familiaire, communale, sociale) herverdeling.
De 'waar' is de elementaire vorm van de maatschappelijke rijkdom in de burgerlijke maatschappij. De waarde van deze waren valt - afgezien van de waardebestanddelen die telkens worden overgedragen - uiteen in onbetaalde en betaalde arbeid. In laatste instantie wordt de waarde van de waren dus teruggevoerd tot louter arbeidstijd. Het interne verband tussen de diverse vormen die het produktieproces van het materiële leven uiterlijk vertoont, is volgens de vertegenwoordigers van de klassieke politieke economie gelegen in de bepaling van de waarde door de arbeidstijd. Deze 'verborgen grondslag' van het burgerlijke economische systeem werd door Ricardo het meest consequent geformuleerd.
De grote historisch betekenis van Ricardo voor de economische theorie is dus, dat hij ontdekte dat 'de bepaling van de waarde door de arbeidstijd' de grondslag en het uitgangspunt vormt voor het begrip van de interne samenhang van de burgerlijke maatschappij en van het sociale levensproces dat zich daarin ontwikkelt [vgl. MEW 26.2:163]. Van daaruit heeft Ricardo onderzocht: (a) In hoeverre de verschijningsvormen van het systeem corresponderen met deze grondslag, waarop de innerlijke samenhang, de werkelijke fysiologie van de burgerlijke maatschappij berust. (b) In hoeverre de andere produktie- en samenlevingsverhoudingen die in de burgerlijke maatschappij bestaan corresponderen met het uitgangspunt van dit systeem. (c) In hoeverre de economische categorieën - d.w.z. de theoretische uitdrukkingen van de produktie- en klassenverhoudingen - overeenkomen met het uitgangspunt van het burgerlijke systeem. (d) In hoeverre een wetenschap, die slechts de verschijningsvormen van dit proces weergeeft, überhaupt inzicht kan geven in deze grondslag waarop de interne samenhang van het burgerlijke systeem berust.
Ricardo onderzoekt dus in het algemeen de tegenspraak tussen de schijnbare en de werkelijke beweging van het economische systeem en dwingt de wetenschap om hiermee rekening te houden:
"Met deze wetenschappelijke verdienste hangt nauw samen, dat Ricardo de economische tegenstelling van de klassen - zoals die uit de innerlijke samenhang voortvloeit - ontdekt en formuleert; hij ontdekt daarom in de economie het fundament van de historische strijd en van het ontwikkelingsproces" [MEW 26.2:163].
Al vóór Marx toont Ricardo dus aan dat het bestaan van klassen in de burgerlijke maatschappij niet verbonden is aan politieke privileges en monopolies, maar aan specifieke economische voorwaarden. Voor Ricardo zijn rente (grondeigendom), winst (kapitaal) en arbeidsloon (loonarbeid) voorwaarden van de maatschappelijke tegenstellingen en van klassenstrijd; hij beschouwde ze niet als inkomenssoorten die uit de drie factoren van elke produktie voortvloeien en die als zodanig ondanks hun verscheidenheid harmonisch bij elkaar horen. Dat is tevens de belangrijkste reden waarom Ricardo een schietschijf werd voor burgerlijke critici die niet alleen de onderlinge strijd, maar zelfs het bestaan van maatschappelijke klassen ontkenden. Marx nam Ricardo in bescherming tegen rabiate critici, zoals de Amerikaanse econoom Henry Charles Carey (1793-1874), die hem attaqueerde als 'vader van het communisme':
"Het systeem van Ricardo is een systeem van tweedracht...het loopt erop uit de vijandschap tussen klassen en naties te stichten. [...] Zijn tekst is het ware handboek van de demagoog, die naar macht streeft door middel van landverdeling, van oorlog en van plundering" [Carey 1848].[24]
Terwijl Marx Ricardo beschouwde als de 'meest stoïcijnse tegenstander van de arbeidersklasse', werd deze door Carey c.s. aan de paal genageld als een man wiens boeken het arsenaal vormen voor anarchisten, socialisten en alle andere vijanden van de burgerlijke orde. Ricardo en andere klassieke burgerlijke economen wordt voor de voeten geworpen "dat zij de maatschappij verscheuren en de burgeroorlog voorbereiden doordat zij bewijzen dat de economische grondslagen van de verschillende klassen een noodzakelijke en steeds groeiend antagonisme tussen de klassen moet voortbrengen" [Marx, Briefe: 59].
Ricardo raakt in zijn analyses de kern van de kapitalistische produktiewijze, namelijk dat de maatschappelijke rijkdom zich ontwikkelt door, maar niet voor de directe producenten resp. de arbeidersklasse.[25] Enerzijds beschouwt hij de arbeid als enige bron van ruilwaarde, anderzijds ziet hij het kapitaal niet alleen als hoogste doel van de produktie, maar ook als bron van alle rijkdom. De bovengrens van Ricardo's creatieve denken is dat hij deze tegenspraak niet analyseert als een specifiek historische vorm waarin de kapitalistische maatschappij zich ontwikkelt. Hij beschouwt de kapitalistische arbeidsverhoudingen als eeuwige, natuurlijke vorm van elk produktieproces en vat de basisverhouding tussen kapitalist en arbeider op als een natuurlijke verhouding waarop elk produktieproces berust.
Wat is tegen deze theorie-historische achtergrond 'het nieuwe' dat Marx aan de klassentheorie heeft toegevoegd? In welk opzicht betekent zijn bijdrage een breuk met het gedachtengoed waarop hij kon steunen?
Ik heb er al eerder op gewezen dat Marx in het 52e hoofdstuk van Het Kapitaal niet expliciet aangeeft waarin zijn benadering van het klassenvraagstuk verschilt van die Ricardo en andere klassieke economen. Op andere plaatsen maakt hij echter wel zeer duidelijk dat niet hem de eer toekomt om het bestaan van klassen en hun onderlinge strijd ontdekt te hebben. In een bekende en veel geciteerde brief aan Weydemeyer schrijft hij al in 1852:
Wie inzicht wil krijgen in de geschiedenis van de klassen in het verleden adviseert Marx daarom eerst maar eens de historische werken van Thierry, Guizot, John Wade, en de economische werken van Ricardo te bestuderen. Marx was zich echter even bewust van zijn nieuwe ontdekkingen. Hij meent aangetoond te hebben:[27]
Wat heeft Marx in zijn kritiek van de politieke economie voor nieuws gebracht? We hebben gezien dat de revolutionaire breuk van de theorie van Marx met de klassieke economie niet gelegen is in het feit dat hij de klassenstrijd in de burgerlijke maatschappij benadrukt (de klassenstrijd werd al door burgerlijke historici voor Marx geanalyseerd), ook niet dat hij wijst op de economische grondslagen van de klassen (dat hadden de klassieke economen al aangetoond), en ook niet dat de economische grondslagen van de verschillende klassen tot een steeds groter wordend antagonisme tussen de klassen leidt (dat inzicht was al op robuuste wijze door Ricardo geformuleerd). De vooruitgang tegenover de traditionele theorie was dat Marx in zijn analyse van de economische structuur van de burgerlijke maatschappij laat zien dat deze verhoudingen historische geworden en vergankelijk zijn. Zelfs in zijn analyse van de meest eenvoudige economische vorm, de waar, ontrafelt Marx in tegenstelling tot Smith en Ricardo al het historisch specifieke, karakter van de burgerlijke produktieverhoudingen. De ontcijfering van het dubbelkarakter van de burgerlijke arbeid, het inzicht in de waarde als een historisch specifieke vorm van maatschappelijke arbeid is het vertrekpunt van zijn analyse van alle verder ontwikkelde economische verhoudingen. In al deze verhoudingen manifesteert zich niet alleen de fundamentele tegenstrijdigheid, maar ook de historische relativiteit van de burgerlijke produktiewijze. Door de klassenproblematiek te verbinden is aan specifieke arbeids- en exploitatieverhoudingen van de burgerlijke maatschappij werd de weg vrijgemaakt voor een niet-speculatieve verklaring van de mogelijkheid klassenloze maatschappij en voor een afbakening van de mogelijke wegen die daartoe zouden kunnen leiden.
2.1 Geen lineaire ontwikkeling
De ontwikkeling van Marxs denkbeelden over het klassevraagstuk verloopt niet als een lineaire progressie naar een doel; zij kan dus niet mechanisch worden geïnterpreteerd als een proces van permanente accumulatie van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Het ontwikkelingsproces van zijn denkbeelden kan evenmin organisch worden begrepen als het ontkiemen van inzichten die vanaf het begin af aan aanwezig zijn: de suggestie dat ongeveer alles wat in Het Kapitaal ontdekt werd al in embrionale vorm aanwezig zou zijn in de Filosofisch Economische Manuscripten van 1844. En tenslotte wordt dit proces ook niet verhelderd met een idealistisch interpretatiemodel dat de klassentheorie Van Marx laat beginnen met onaantastbare principes waaruit vervolgens moeizaam de consequenties worden afgeleid. Wetenschappelijke progressie impliceert immers dat er nieuwe kennis wordt geproduceerd die met terugwerkende kracht de uitgangspunten aan het wankelen brengt om deze tenslotte volledig te ondermijnen. Wetenschap gaat vooruit door retrograde bewegingen: zij verlaat geleidelijke oude uitgangsstellingen en neemt nieuwe in: een wetenschap gaat niet uit van principes, zij gaat er naar toe.
Zodra men de idee van een lineaire progressie loslaat kan men de teksten van Marx niet meer op een hoop gooien of als een granieten blok voorstellen. De omtrekkende en terugtrekkende bewegingen via welke theoretisch werk zich ontwikkelt worden hierdoor aan het gezichtsveld onttrokken. Dit stimuleert een 'lui marxisme' [Hall 1973:16] dat zichzelf bevredigt met twee suggesties: (a) dat er geen kritische reconstructies meer nodig zijn om de ontwikkelingen, breukvlakken en lacunes in het werk van Marx zelf analyseren, en (b) dat men verder zou kunnen steunen op de 'evidentie' van 'het marxisme' dat in de teksten van Marx altijd latent aanwezig is. Dat een dergelijk 'common sense marxisme' de noodzakelijke reconstructie en verdere ontwikkeling van deze klassentheorie alleen maar heeft geblokkeerd, hoeft hier niet meer te worden gedemonstreerd.
2.2 Verandering van problematieken: breuken/cesuren
De theoretische benadering voor het onderzoek van de klassenverhoudingen was het resultaat van een intensieve periode van werken, waarin Marx zijn aanvankelijk nog in het idealisme bevangen uitgangspunten verlaat om een nieuw wetenschappelijk programma te funderen. De wetenschappelijke ontdekking van
Marx impliceerde een breuk met vroegere 'ideologische'
geschiedenisopvattingen.
Deze breuk in de ontwikkeling van het denken van Marx is echter niet eenmalig maar processueel. Tussen de 'jonge' en de 'oude' Marx bestaat er daarom geen simple scheidslijn. In het ontstaans- en ontwikkelingsproces van de klassentheorie van Marx kunnen een aantal breuken en fasen worden onderscheiden. Daarom variëren de teksten die Marx in verschillende periode van zijn leven schreef niet alleen in thematische doelstelling, maar ook in theoretische status. Het verschil in theoretische status van teksten is met name het gevolg van het feit, dat zij verbonden zijn aan en gedomineerd worden door de problematieken waarin Marx op dat moment dacht en schreef [Hall 1973:16], Van Dijk 1984:344]. Onder problematiek (of zo men wil paradigma) versta ik de architectuur van begrippen welke de specifieke vragen genereert die aan het onderzoeksobject worden gesteld en de vragen die niet worden gesteld, omdat zij buiten de definitie van het theoretisch object vallen.
Een reconstructie van de verschuivingen in problematieken die in de loop van Marx' intellectuele arbeid optreden, maakt het mogelijk om het 'nieuws' dat hij op het gebied van de klassenanalyse te bieden heeft beter te identificeren. Zijn 'ontdekkingen' vinden plaats op de breukvlakken tussen de verschuivende problematieken. Een analyse van deze verschuivingen kan uitsluitsel geven over de vraag, welke begrippen, thema's en vraagstellingen nog behoren bij de 'ideologische' voorgeschiedenis en welke gerekend kunnen worden tot de zogenaamde harde kern van klassentheorie zelf.
2.3 Kwadratuur van een cirkel?
Bij deze onderneming stuit men op twee lastige vragen. Ten eerste: op welke wijze kunnen er verschillende problematieken in teksten worden geïdentificeerd en geordend? Ten tweede: op grond van welke criteria en met welke normen is het mogelijk om in het werk van Marx een grens te trekken tussen wetenschappelijk houdbare elementen en restanten van de 'ideologische'
voorgeschiedenis van deze klassentheorie? In principe kunnen deze vragen op drie manieren worden beantwoord: historisch-chronologisch, intern-retrospectief en extern-retrospectief.
a Historisch-chronologische beschouwingen Als men het ontstaan van de klassentheorie van Marx historisch-chronologisch benadert, raakt men gemakkelijk verstrikt in een cirkel van problemen, waarin de oplossing van het ene probleem de oplossing van het andere veronderstelt. Enerzijds moeten we om de klassentheorie van Marx goed te begrijpen duidelijkheid hebben over het ontstaansproces van die theorie: een begrip van de vroegere ontwikkelingsetappes is immers nodig om de latere ontwikkelingsfasen van de theorie te begrijpen. Anders gezegd: men moet de vóór-wetenschappelijke formuleringen kennen om het specifiek wetenschappelijk van de theorie te kunnen begrijpen. Anderzijds is echter voor het begrijpen van de genese van de klassentheorie en van de specifieke aard van de vroege etappes al de kennisstand van de ontwikkelde theorie verondersteld. Kortom: het begrijpen van de 'voor-wetenschappelijke' fase veronderstelt inzicht dat voortvloeit uit het onderzoek van de ontwikkelde theorie.
|
|
b Intern retrospectief: in het licht van Het Kapitaal We kunnen het ontstaansproces van de klassentheorie ook bekijken vanuit het gezichtspunt van de rijpe en ontwikkelde theorie, d.w.z. in het licht van Het Kapitaal [Hall 1973:19]. In Het Kapitaal geeft Marx immers zijn meest ontwikkelde uiteenzetting van de kapitalistische produktiewijze en van de daarmee corresponderende klassenverhoudingen. Op basis van deze ontwikkelde uiteenzetting van de kritiek van de politieke economie kan een beoordeling worden gegeven van de verschillende ontwikkelingsfasen tijdens de uitwerking van de klassentheorie.
c Extern retrospectief: in het licht van de na-geschiedenis Het licht van Het Kapitaal kan echter nooit een absolute norm zijn. Zoals eerder gezegd is ook de bijdrage van 'de oude Marx' immers eerder een onvoltooide systematische aanzet dan een 'voltooid systeem' (whatever that may be). Een klassenanalytisch onderzoeksprogramma dat wetenschappelijk enigszins houdbaar is, is noodzakelijkerwijze open voor verdere ontwikkeling. In dogmatische beschouwingen over de klassentheorie van Marx wordt vaak uitgegaan van de mytische vooronderstelling van de 'zuiverheid van de bron', van een 'autentiek marxisme'. Vanuit deze vooronderstelling wordt de ontwikkeling van de klassentheorie beschreven als een cyclus van contaminatie (besmetting, deformatie, vervlakking, verval) en van purificatie (zuivering, herstel). Onder het motto 'terug naar de bron' wordt theoriegeschiedenis bedreven als een chroniek van splitsingen en vervormingen. Dergelijke geschiedenissen zijn geobsedeerd door 'fouten' en 'afwijkingen' van de theoretische zuiverheid, het zijn puristische geschiedenissen. De door puristen zo verfoeide 'afwijkigen', 'revisies', 'vervlakkingen' en 'vulgarisaties' worden niet meer in verband gebracht met de structuur van de betreffende theorie zelf.
Marx uiteenzetting in Het Kapitaal moet uiteraard niet tot norm worden verheven op grond waaraan men het wetenschappelijke gehalte van klassentheorieën kan meten. Om de geschiedenis van theorievorming van de mutatie van problematieken te kunnen schrijven heeft men actuele normen nodig, d.w.z. normen die ontleend zijn aan de actuele ontwikkelingsstand van de sociale wetenschap. Bij de beoordeling van de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van de klassentheorie dient dus gebruik gemaakt te worden van het zgn. retrospectieve of recurrentie-effect.
Ik zal hier geen uitvoerige uiteenzetting geven over de ontwikkeling van het denken van Marx en Engels. Ik zal hier slechts een globale schets geven van een aantal voor ons thema belangrijkte verschuivingen en breukvlakken.
3.1 Van materialistische geschiedenisopvatting naar kritiek van de politieke economie
De verschillende analyse-eenheden en abstractie-niveaus worden door Marx aanvankelijk niet duidelijk uit elkaar gehouden. Problematisch is hierbij vooral de relatie tussen de algemene klassentheorie die meerdere maatschappijformaties omvat en de analyse van de specifieke klassenverhoudingen van de burgerlijke maatschappij.
Daarbij kan men in het algemeen zeggen dat er een verschuiving optreedt van het thematiseren van algemene voorwaarden van het bestaan van sociale klassen naar het onderzoek van specifieke vormen van klasseheerschappij in de burgerlijke maatschappij. In de vroegere werken - zoals in de Duitse Ideologie en de Filosofisch-Economische Manuscripten, Ellende van de Filosofie, en in de kritieken op Proudhon - bestaat er een tamelijk directe verknoping tussen
Marx heeft weliswaar geen algemene klassentheorie gesystematiseerd, maar heeft hiervoor wel een paar systematische voorzetten gegeven, waarbij met name wordt ingegaan op de methodische verhouding tussen het algemene en maatschappijformatiespecifieke analytische niveau [vergelijk bijvoorbeeld de bekende aap-mens-verhouding in de Grundrisse]. Ook bij een interpretatie van Marx's opvattingen over de algemene voorwaarden van het ont- en bestaan van maatschappelijke klassen moet men er rekening mee houden dat er een grote interpretatie-speelruimte is vanwege de zeer uiteenlopende aard van de teksten. Marx en Engels onderbouwen hun theoretische optiek niet uitvoerig, maar demarkeren hun eigen benadering slechts door afgrenzingen te geven ten opzichte van andere posities Bovendien zijn de betreffende teksten vaak meerduidig en laten dus verschillende interpretaties toe. Marx en Engels waren zelf zeer voorzichtig zijn met het formuleren van algemene leidraden voor analyses van historisch specifieke maatschappijformaties. Zij waarschuwen herhaaldelijk tegen 'recepten' en geschiedenisschemas. [MEW 19:107 en de vaak geciteerde latere brieven van Friedrich Engels over het historisch-materialisme, met name de brieven aan Conrad Schmidt (5 augustus 1890, in: MEW 37:435-8), Joseph Bloch (21 september 1890, in: MEW 37:462-5), Conrad Schmidt (27 october 1890, in: MEW 37:488-95) en W. Borgius (25 januari 1894, in: MEW 39:205-7). Al deze brieven zijn in het Nederlands vertaald in: TEU 19 (3/4), 1972]. Daarom zijn de teksten die hiervoor het meest worden geciteerd Duitse Ideologie, Vorwort bij Zur Kritiek en Einleitung bij Grundrisse door henzelf bewust niet zijn gepubliceerd.
3.2 Verschuiving van centrale klasseconstituerende begrippen
De vroege teksten van Marx en Engels worden sterk gekleurd door thematieken en vokabulaire van de theorieën en filosofieën die zij kritiseren. "Wie die erste Kritik jeder Wissenschaft notwendig in Voraussetzungen der Wissenschaft, die sie bekämpft, befangen ist" [MEW 2:32]. Onder invloed van de filosofie van Hegel en het humanisme van Feuerbach verschijnen de klassen in hun vroege teksten eerder als filosofische figuren - 'universele klasse' - dan als substraten van de maatschappij. Zij naderen wel twee basisthema's van de materialistische maatschappij- en geschiedenisopvatting: (a) dat de produktiewijze de beslissende rol in de ontwikkeling van de maatschappijformaties speelt en (b) dat de geschiedenis moet worden opgevat als geschiedenis van de klassenstrijd. De centrale analysecategorieën zijn
privé-eigendom en vervreemde arbeid [zie hiervoor met name de Heilige Familie - 1845]. Met deze algemene categorieën slagen zij er nog niet in de specifieke vorm van de burgerlijke klasseheerschappij te analyseren. In de loop van hun verdere studies treedt er een verschuiving op: in plaats van de begrippen privé-eigendom en vervreemde arbeid komen de categorieën kapitaal en loonarbeid steeds centraler te staan. In de Economisch-filosofische Manuscripten (1844) wijst Marx de arbeidswaardeleer nog zonder meer af en probeert hij met de
theorie van de vervreemding van de arbeid het wezen van de warenproduktie in het algemeen te vatten. In de Heilige Familie (1845) en Duitse Ideologie (1845/6) wordt deze theorie steeds meer verdrongen. In zijn eerste gepubliceerde economische studie, Elend der Philosophie, begint Marx de arbeidswaardeleer te verdedigen [Tuscheerer 1968:251 e.v.,114 e.v.].
|
"In de vorming van een klasse met radikale ketenen, een klasse van de burgerlijke maatschappij die geen klasse van de burgerlijke maatschappij is, een stand die de ontbinding van alle standen is, een sfeer die door haar universele lijden een universeel karakter bezit en geen bijzonder recht opeist, omdat tegenover haar geen bijzonder onrecht, maar onrecht zonder meer wordt begaan; die zich niet meer op een historisch recht, maar alleen nog maar op het menselijke recht kan beroepen, die niet in eenzijdige tegenstelling staat tot de gevolgen, maar in alzijdige tegenstelling tot de voorwaarden van het Duitse staatswezen; een sfeer tenslotte, die zich niet kan emanciperen zonder zich te emanciperen van alle overige sferen van de maatschappij en daarmee alle overige sferen van de maatschappij te emanciperen, die in één woord het volledig verloren gaan van de mens is, die dus alleen maar door het volledig herwinnen van de mens zichzelf kan winnen. Deze ontbinding van de maatschappij als een bijzondere stand is het proletariaat" [MEW 1:390 - vert. p. 103]. Hoewel Marx in deze kritiek direct polemiseert tegen Hegels opvatting van de bureaucratie als representant van 'het algemene belang' is de 'hegeliaanse choreografie' van deze passage evident [Nicolaus 1970:43 e.v.]. De sterke kant van Marx' uiteenzetting is, dat hij geen 'heldenklasse' tegenover een 'boevenklasse' portretteert en dat hij zijn kandidaat voor de revolutionaire klasse niet verheerlijkt. Hij benadrukt eerder het tegendeel, waar vervreemding wordt gelijkgesteld met volledige dehumanisering. De zwakke kant is:
|
3.3 Van klassenanalyse vanuit distributie/concurrentie naar kapitalistische produktie/accumulatie
Dit heeft tevens gevolgen voor de wijze waarop de arbeidersklasse wordt geanalyseerd. Aanvankelijk wordt de arbeidersklasse vooral beschreven in termen van de arme, bezitloze, werkende klasse.
Deze gesystematiseerde waarneming van de verschijnende beweging van het kapitaal en van de klassen wordt gecombineerd met de eerste aanzetten van de latere waardetheorie. Theoretisch gezien blijven zij echter binnen de parameters van de zgn. produktiefactorentheorie, welke zij later grondig zouden kritiseren [Tuscheerer 1968:102 e.v.,300 e.v.; Wygodsky 1965/74; Armanski 1974:10,133,145,159,183]. Daarna worden hun analyses steeds meer geconcentreerd op de specifieke uitbuitingsverhoudingen die in het kapitalisme dominant zijn. Zij ontdekken dat het 'geheim' van de de kapitalistische produktie- en klassenverhouding gelegen is in de produktie en verdeling van de meerwaarde. In het begin van de jaren vijftig trekt Marx al de conclusie dat het bestaan van de klassen slechts gebonden is aan specifieke fasen in de ontwikkeling van de produktie [Briefe:59].
|
3.4 Van arbeidersklasse als buiten de burgerlijke maatschappij staande klasse tot een in en door de burgerlijke maatschappij geproduceerde en gereproduceerde klasse
Als 'arme', 'bezitloze' en 'werkende' klasse wordt de arbeidersklasse aanvankelijk als een volledig buiten en tegenover de burgerlijke maatschappij staande klasse beschreven. Met name onder invloed van het werk van Engels rijpt het inzicht, dat het proletariaat een klasse is die door de ontwikkeling van de
burgerlijke maatschappij zelf wordt geproduceerd en die zich daarin permanent
reproduceert. De arbeidersklasse wordt nu opgevat als de "negatieve kant van de
tegenspraak" tussen loonarbeid en kapitaal [MEW 2:37]. Deze tegenstelling is
processueel, d.w.z. zij is bepalend voor de dynamiek en ontwikkelingsrichting
van de burgerlijke maatschappij. In de verdere studies over de burgerlijke
maatschappij wordt de arbeidersklasse niet meer als klasse buiten de
maatschappij begrepen, maar als een door de tegenspraak van loonarbeid en
kapitaal geconstitueerde klasse [vgl. Armanski 1974:167, 142 e.v.]; McCarthy 978]. De
klassenbeweging wordt nu aan de economische ontwikkeling verbonden. Structuur
en ontwikkeling van de sociale klassen worden nu niet meer primair bepaald door
de loutere tegenstelling van rijkdom en armoede, maar door de structuur en
dynamiek van de economische verhoudingen. Omdat de structuur- en
ontwikkelingswetten van de economische verhoudingen bepalend zijn voor de
klassenverhoudingen, hangt de verdere voortgang van de klassenanalyse vooral af
van de verdere uitwerking van de centrale economische begrippen, met name van
het begrip waarde en meerwaarde [vgl. Kostede 1974:3/4, Armanski 1974:145].
3.5 Van klasse als verhouding aan de oppervlakte van de burgerlijke maatschappij naar klasse als 'drager van economische verhoudingen'
Aanvankelijk worden de klassenverhoudingen opgevat als verschijnselen aan de
oppervlakte van de burgerlijke maatschappij. Het verschil tussen de
wetmatigheden die de kapitalistische produktie reguleren en hun - noodzakelijk
verdraaide, gemystificeerde - verschijningsvormen aan de oppervlakte van de
ruilverhoudingen van de burgerlijke maatschappij is nog niet doorgrond. Er
wordt nog geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de theorie van de
klassenverhoudingen van de kapitalistische produktiewijze en de analyse van
haar concreet-historische vormen in de burgerlijke maatschappijformatie. Daarom
slagen Marx en Engels er niet in de onderlinge verhoudingen tussen de klassen
en hun interne geleding of fractionering exact te analyseren. Overheersend is
dat zij de klassen analyseren vanuit differentiaties die voortvloeien uit
arbeidsdelingen, waarvan de specifieke maatschappelijke vormen
niet worden gethematiseerd. In Lage der Arbeiterklasse van Engels wordt
de arbeidersklasse geschetst overeenkomstig de uiterlijke verdeling van
arbeidstaken. Hoewel een aantal wezenlijke aspecten van het klassebegrip worden
aangeroerd, staat toch de benadering vanuit het arbeidsproces op
de voorgrond. Het 'dubbelkarakter' van de arbeid en van het produktieproces is
dan nog niet ontdekt. De ontdekking van meerwaardetheorie maakt het pas
mogelijk het produktieproces te analyseren als specifiek kapitalistisch proces,
d.w.z. als eenheid van arbeids- en meerwaardevormingsproces.
Na de eerste formulering van de meerwaardetheorie in de Grundrisse (1857-58) kan Marx de begrippen ontwikkelen waarmee de klassen van de burgerlijke maatschappij in hun onderlinge verhoudingen en interne differentiaties kunnen worden geanalyseerd. Loonarbeid in de strikte economische zin van het woord is nu opgevat als kapitaalvoortbrengende loonarbeid. Niet elke ruil van geobjectiveerde tegen levende arbeid, en niet elke ruil van arbeidskracht tegen geld is zondermeer produktieve arbeid [Grundrisse:372]. Loonarbeid in strikte zin is ruil van arbeidskracht tegen geld als kapitaal. Van nu af aan gaat Marx de term produktieve arbeid gebruiken als een afkortende uitdrukking voor de basisvorm van burgerlijke arbeid, d.w.z. voor de specifieke arbeid waarop het geheel van de kapitalistische produktiewijze berust. Daarvan onderscheiden is de niet-kapitaalproducerende, d.w.z. onproduktieve arbeid. Ook deze vorm van arbeid neemt in de loop van de ontwikkeling van de kapitalistische produktieverhoudingen het karakter aan van loonarbeid. Het gaat om arbeiders zonder bezit van produktiemiddelen, die alleen beschikken over hun eigen arbeidskracht - zij ruilen (het gebruik van) hun arbeidskracht tegen geld. Zij staan echter in een andere economische verhouding: 'onproduktieve' loonarbeiders staan in afgeleide verhoudingen, d.w.z. afgeleid van de produktieve, waardescheppende arbeid. De gebruikswaarde van de onproduktieve, commerciële en dienstverlenende loonarbeiders bestaat volgens Marx slechts als gebruikswaarde voor de consumptie, niet als gebruikswaarde voor de waarde.
In Theorien über den Mehrwert (1861-63) is ondanks een aantal tegenstrijdige uitspraken deze thematiek iets verder uitgewerkt. Volgens Marx kan de gehele economische en klassenstructuur begrepen worden vanuit de produktieve bepaaldheid van de maatschappelijke arbeid. Van belang is daarbij dat produktieve arbeid als kapitaalproducerende arbeid niet alleen wordt onderscheiden van onproduktieve arbeid in het kapitalisme, maar ook van vroegere vormen van arbeid. Omdat de gehele economische structuur van de maatschappij draait om de specifieke verhoudingen waarin de levende arbeid zich realiseert, wordt het onderscheid van produktie en onproduktieve arbeid ook de sleutel tot het begrip van de verschillende maatschappijformaties. Produktieve arbeid is voor Marx de sleutelcategorie die de toegang biedt tot de ontcijfering van de klassenstructuur van haar geheel [zie de zeer gedetailleerde interpretatie van deze teksten door PEM, Der 4 Band des Kapital?, pp. 95-210 en 673 e.v.].
3.6 Van algemene thematisering van maatschappelijk zijn en bewustzijn naar specifieke analyse van bewustzijnsvormen in de burgerlijke maatschappij
De bewustzijnsproblematiek wordt aanvankelijk sterk verbonden aan die van de arbeidsdeling. Daarbij wordt ook het verzelfstandigde en vervreemdende karakter van maatschappelijke ideologieën rechtstreeks teruggevoerd tot het verschijnsel arbeidsdeling (zie hiervoor met name de Duitse Ideologie).
Deze lacune is o.a. zichtbaar in hun analyse van het voortbestaan resp. de verandering van heersende opvattingen en theoretische systemen. Zij nemen daarbij nog niet de reproduktie van de basisverhoudingen van de produktiewijze tot uitgangspunt, een reproduktie die tevens transformatie en het ontstaan van nieuwe sociale verhoudingen insluit. Hun analyse van de omwenteling van bewustzijnsvormen wordt helemaal toegespitst op het idee dat zodra een nieuwe klasse de politieke macht verovert er ook een nieuwe ideeënformatie wordt gevestigd, waarin de aanvankelijk bijzondere belangen van deze klasse worden voorgesteld als het 'algemene belang' [DI:35]. Deze nieuwe ideeënformatie wordt vervolgens door socialisatie en ideologische inprenting 'overgedragen' totdat zij door het ontstaan van sociale conflicten en strijd weer zodanig worden 'omgewenteld', dat zij tenslotte tot 'huichelarij' degenereren [vgl. MEW 3:274].
De maatschappelijke bewustzijnsvormen worden niet expliciet verbonden met de specifiek kapitalistische arbeidsverhoudingen. Daarom kan er ook nog geen rekening worden gehouden met het later ontdekte noodzakelijke verschil tussen kern- en oppervlaktestructuur van de kapitalistische produktie- en klassenverhoudingen.
Rond 1848 beschikken Marx en Engels nog niet over een theoretisch rerefentiekader waarmee zij vat kunnen krijgen op de specifieke en complexe wijze waarop het maatschappelijk bewustzijn van de produktie-actoren wordt gestructureerd door de allesbehalve transparante, maar juist meervoudig gemystificeerde kapitalistische produktie- en circulatieverhoudingen. Dit wordt met name zichtbaar is de thematisering van de voorwaarden waaronder een door het kapitaal georganiseerde en door 'de ideeën van de heersende klasse' beheerste arbeidersklasse zich zou kunnen ontwikkelen tot een zelfbewuste politieke klassebeweging. In zijn latere analyses formuleert Marx hiervoor een aantal systematische aanknopingspunten die geconcentreerd zijn op de specifieke tegenspraken en mystificaties van de kapitaalsverhoudingen en van de hierdoor gestructureerde bewustzijnsvormen [de kernbegrippen en methodiek van deze analyse zijn samengevat in Benschop, Klassen 1993:389-93].
3.7 Van staat en recht als loutere uitdrukking van klasseheerschappij naar specifieke analyse van de burgerlijke staatsvorm
Ook de analyse van de staat blijft aanvankelijk in wezen beperkt tot het algemeen niveau van het historisch materialisme. In zijn kritiek op de staats- en rechtsfilosofie van Hegel analyseert Marx de tegenspraak tussen burgerlijke maatschappij en staat. De staat blijft eigenlijk toch een soort randverschijnsel en kan nog niet worden verbonden met de waarde-analyse en de ontcijfering van 'oppervlaktestructuur' van de produktie- en reproduktieverhoudingen (deze ontcijfering zou overigens ook in Het
Kapitaal niet volledig worden uitgevoerd).
In de tegenstelling tussen privé-eigendom en staat neemt Marx eerst nog de positie in van de 'ideële staat' tegenover de "begeerlijke onrust van het privé-belang" [MEW 1:147 uit 1842]. De staat is de hoeder van het bovenhistorisch recht [MEW EB 1:410]. Pas via de staat kunnen individuen en klassen hun sociale bestaan realiseren [idem, p. 419]. Vlak daarna betrekt Marx de stelling dat de staat - willen haar maatregelen niet zonder effect blijven - moet corresponderen met de burgerlijke toestanden en het burgerlijke bewustzijn [MEW 1:188 - uit 1843]. Daarna neemt Marx de burgerlijke maatschappij als uitgangspunt [MEW 1:324 - 1843]. De staat zelf moet nu vanuit de innerlijke logica van het privé-eigendom, van de burgerlijke maatschappij worden geanalyseerd. De staat zou het 'Gattungswesen' van de mensen representeren - het materieel-partikularistische leven dat zich in de burgerlijke maatschappij afspeelt is hiervan afgescheiden [MEW 1:354 - 1844].
Bij de verdere analyse van de burgerlijke maatschappij wordt ook de staat zelf scherper geanalyseerd. De moderne staat beantwoordt aan de moderne privé-eigendom. Omdat de bourgeoisie een klasse en geen stand meer is, is zij gedwongen zichzelf niet meer lokaal maar nationaal te organiseren en aan haar gemiddeld belang een algemene vorm te geven:
De staat is dus de staat van de economisch heersende klasse. Door middel van deze staat wordt de economisch heersende klasse tevens een politiek heersende klasse die beschikt over regulatie- en repressiemiddelen om de uitbuiting van de onderdrukte klassen te continueren.
In de Duitse Ideologie wordt de staat opgevat als de 'praktisch-idealistische uitdrukking' van de heerschappij van een bepaalde maatschappelijke klasse wier sociale macht berust op haar eigendom [MEW 3:69 -vert. p.41]. De bourgeoisie kan door haar staatsmacht wel de 'onrechtvaardigheid in de eigendomsverhoudingen' overeind houden, maar de staat creëert deze eigendomsverhoudingen niet. Het specifieke karakter van de eigendomsverhoudingen en de daarin verankerde onrechtvaardigheid wordt in deze visie primair bepaald door de moderne arbeidsdeling, concurrentie, ruil enz. Zij vloeien dus niet uit de politieke heerschappij van de bourgeoisie voort: de politieke heerschappij van de bourgeoisklasse vloeit juist voort uit deze moderne produktieverhoudingen [vgl. MEW 3:36 - vert. p. 86; MEW 4:338].
Het eigendomsvraagstuk en niet de politieke staatsvorm is daarom voor het klasseprobleem doorslaggevend.
De politieke bovenbouw van de burgerlijke maatschappij wordt nog als loutere uitdrukking van de economische en klassenverhoudingen opgevat, als haar 'overjas' die door de revolutie van de economische basis zonder meer wordt afgelegd. De specifieke vorm van de staat en de terugwerking hiervan op de burgerlijke klassenverhoudingen worden in eerste instantie nog niet of nauwelijks gethematiseerd.
3.8 Arbeidersbeweging en communisme: van algemeen menselijke emancipatie naar klassespecifieke bevrijding
We hebben gezien dat de 'arme', 'bezitloze' klasse aanvankelijk hoofdzakelijk
vanuit de optiek van de distributie en consumptie wordt beschouwd. Het
'proletariaat' wordt geïdentificeerd met de 'arme klasse' die gekenmerkt
wordt door 'bezitloosheid' en 'directe arbeid' en nog niet door hun specifieke
plaats in de produktieverhoudingen en meer in het bijzonder in
uitbuitingsverhoudingen. Hierdoor blijft het proletariaat nog een soort
pariaklasse die buiten de burgerlijke maatschappij staat en er daarom de
antipode van is of kan worden. Het ontstaan van deze arme klassen en hun eigen
pogingen tot collectieve actie en verzet worden nog niet in de analyse
betrokken.
Deze beperkte opvatting van de positie van de arbeidersklasse werkt door in hun opvatting van communisme. Het communisme wordt in eerste instantie onderbouwd met de verontrusting van het hart, met het protest tegen het onmenswaardige leven [MEW 2:548,555]. Communisme is dus aanvankelijk eerder een proclamatie of beginsel dan een concreet-historische tendens. De moedervlekken van het vroegsocialisme zijn nog duidelijk, zij manifesteren zich vooral in de regelmatige en uitvoerige beschrijving van de toekomstige communistische maatschappij [Armanski 19:171].
Communisme wordt nog geïdentificeerd met de opheffing van de arbeidsdeling:
In hun filosofiekritische fase wordt communisme opgevat als boven de klassen staande zaak van de mensheid:
De eerste tekst waarin Engels een duidelijke proletarische positie inneemt en definitief breekt met het linkshegelianisme en het feuerbachiaanse ware socialisme schreef hij in september 1845 voor het chartistische tijdschrift The Northern Star. Hij herziet daarin zijn waardering voor het Duitse communisme. Hij erkent dat er in de burgerij aanzienlijk wat republikeinen, zelfs communisten en ook jongeren zijn die erg nuttig kunnen zijn als er een algemene opstand komt. Maar omdat deze mensen toch bourgeois, profiteurs en beroepsmatige fabrikanten zijn, is er geen enkele garantie dat zij zich niet door hun beroep en sociale positie laten demoraliseren zij worden immers door hun beroep en sociale levenspositie gedwonen te leven van de arbeid van andere mensen en vet te worden als exploiteurs van de arbeidersklasse. Die revolutionäre Tat wird in Deutschland aus der Mitte der Arbeiterschaft heraus ihrem Anfang nehmen [MEW 3:560]. Deze herwaardering van de relatie tussen communisme en arbeidersbeweging vindt plaats in directe aansluiting bij de eerste contacten tussen Marx en Engels.
De bevrijding van het proletariaat wordt dus aanvankelijk niet klassespecifiek benaderd als taakstellling van de arbeidersbeweging zelf, maar als algemeen menselijke emancipatie. Communisme en arbeidersbeweging zijn in eerste instantie beide geworteld in de vervreemding van de mens. Naarmate Marx en Engels zich van deze filosofische categorie bevrijden, worden beide begrippen ook relatief van elkaar ontkoppeld: het communisme is niet meer alleen of zonder meer een zaak van de arbeidersbeweging. De arbeidersbeweging wordt nu concreter opgevat als strijdbeweging voor de directe verbetering van de levenspositie van de arbeiders. De loonstrijd heeft echter een explosieve lading, de strijd voor lotsverbetering stuit telkens op de wetten van het privé-eigendom. Daarom verwijst deze directe belangenstrijd steeds weer naar de opheffing van de bestaande maatschappij. Communisme en arbeidersbeweging worden nu steeds explicieter opgevat als twee uitingsvormen van hetzelfde ontbindingsproces van de burgerlijke maatschappij'.
Marx, die zich aanvankelijk nog uitdrukkelijk van het communisme distantieert, bepleit een 'radikale kritiek op het bestaande'. Onder het primaat van de theorie wordt de revolutionaire omwenteling, de menselijke emancipatie gezien als resultaat van de vereniging van proletariaat en filosofie. Zijn 'realer Humanismus' [MEW 2: 139] is vreedzaam, burgerlijk en sociaal-hervormend. Pas langzamerhand wordt de arbeidersklasse opgevat als grondslag en doorslaggevende kracht van de socialistische beweging. De gewenste en verwachte revolutionaire omwenteling wordt steeds sterker verbonden met de feitelijke maatschappelijke ontwikkelingsmogelijkheden. En hiermee neemt ook zijn distantie ten opzichte van vroeg-socialistische en idealistische opvattingen toe. Deze distantie - om niet te zeggen afkeer - wordt zelfs zo groot dat hij betekenis en functie van - normatief onderbouwde en programmatisch geconcretiseerde - utopieën bagetelliseert en daaraan in ieder geval nauwelijks meer positieve functies wil toekennen [zie Benschop 1993: II; vgl. Bader 1990: VII].
Communisme wordt opgevat als 'negatie van de negatie' (d.w.z. als ontkenning van de privé-eigendom), als een beweging naar een toekomstige maatschappij, en niet zozeer als een alternatieve maatschappij zelf. Als dit idee begint door te breken, is communisme niet meer het ideaal waarnaar de werkelijkheid zich moet richten, maar "de werkelijke beweging die de huidige toestanden opheft" [MEW 3:35 - vert. DI p.37].
De proletarische revolutie en het communisme worden hier gepropageerd op het niveau van de materialistische geschiedenisopvatting. Communisme wordt hier nog niet geanalyseerd vanuit de historische vorm van de kapitalistische loonarbeid, vanuit de algemene en specifiek-historische tegenspraken van de kapitalistische produktiewijze. De kapitalistische arbeidsverhoudingen worden nog op filosofisch niveau gethematiseerd met de categorie van de vervreemding. Wanneer Marx zijn kritiek van de politieke economie begint uit te werken wordt dit ontwerp concreter. Als bewijs voor de uitvoerbaarheid van het communisme worden de experimenten met goederengemeenschappen in Engeland en de USA aangehaald [vgl. bijv. Engels MEW 2:521].
|
"Innerhalb der kommunistischen Gesellschaft, der einzigen, worin die originelle und freie Entwicklung der Individuen keine Phrase ist, ist sie bedingt eben durch den Zusammenhang der Individuen, ein Zusammenhang, der teils in den ökonomischen Voraussetzungen besteht, teils in den notwendigen Solidarität der freien Entwicklung Aller, und endlich in der universellen Betätigungsweise der Individuen auf der Basis der vorhandenen Produktivkräfte" [MEW 3:424 e.v.]. |
De regeling van de algemene produktie door de maatschappij zou de volledige ontplooiing en zelfrealisatie van het individu mogelijk maken. Een van de "meest wezenlijke principes van dit communisme, waardoor het zich van elk reactionair socialisme onderscheid" is dat de verkeerde, in de huidige verhoudingen verankerde stelling: 'Ieder naar zijn vaardigheden' veranderd moet worden in de stelling: 'Ieder naar behoefte'. Met andere woorden, dat de verscheidenheid in de activiteit, in de arbeid, geen legitieme basis is voor sociale ongelijkheid, voor voorrechten van bezit en genot [MEW 3:528].
Kenmerkend voor deze opvatting is dat er in tegenstelling tot de vroegsocialistische opvattingen sterke nadruk wordt gelegd op de voorwaarden van communisme, en met name op de 'universele' of 'alzijdige' ontwikkeling van de produktieve krachten, waarvan de revolutionaire klasse de grootste is, in de schoot van de oude maatschappij en haar botsing met de produktieverhoudingen. De beperktheid van de strijd voor menselijke emancipatie tot dan toe wordt op het konto van de onontwikkelde materiële basis geschreven [MEW 3:417].
|
|
[2] De vrije kapitaalontwikkeling werd historisch gezien mogelijk gemaakt door een reeks van factoren. Hiertoe behoren in ieder geval: (a) het scheppen van een nationale markt, zonder interne tolheffingen en andere feodale barrières, (b) de vrijheid om industriële ondernemingen te stichten, (c) de opheffing van de beperkingen bij het verwerven van eigendom en i.h.b. van grond, d.w.z. de beschikbaarheid van grond als object van kapitalistische speculatie, (d) de beschikbaarheid van vele arbeidskrachten, die niet alleen bevrijd zijn van persoonlijke dienstverplichtingen aan de feodale heer, maar ook 'bevrijd' zijn van beschikkingsmacht over produktiemiddelen.
[3] Vgl. LUPORINI [1974:24]. Vgl. ook de bespreking van dit boek in BzWS 1/1976:163-86].
[4] Althusser heeft geprobeerd om deze overgang te verklaren vanuit veranderingen van 'het politieke (klasse-)standpunt' van Marx [ALTHUSSER 1970:699]. Hij reduceert de ontstaansvoorwaarden en de ontwikkeling van het 'wetenschappelijk socialisme' door Marx tot een gecombineerde analyse van theorie-historische en biografische aspecten enerzijds en functionele aspecten anderzijds. Bij dit laatste refereert hij met name aan de functie die het wetenschappelijk socialisme vervult in het proces van ontstaan van klassebewustzijn in de arbeidersbeweging: de zogenaamde 'versmelting' van theorie en beweging in de zin van terugwerking van de theorie. Omdat bij Althusser een systematische aanzet ontbreekt kan hij geen adekwate beoordeling geven van de verschillende ontwikkelingsetappes in de uitwerking van de theorie van Marx. Zijn aanvankelijke stelling dat door de lecture van Het Kapitaal een verklaring van het ontstaan van het wetenschappelijk socialisme ontwikkeld kan worden, laat hij hier vallen. Vgl. de kritiek van H. ARENZ/J. BISCHOFF/U. JEAGGI, in: Was ist rev. Marxismus? 1973: xxxiii]
[5] Een van de eerste pogingen om dit gat te vullen deed
Rudolf HERRNSTADT [1965] in zijn studie Die Entdeckung der Klassen. Die
Geschichte des Begriffs Klasse von den Anfängen bis zum Vorabend der
Pariser Julirevolution 1830. Zie in dit verband ook de studies van BRIGGS
[1967/83], CALVERT [1982], hoewel hierin Franse historici als Thierry en Guizot
zelfs niet worden genoemd. Zie ook de korte uiteenzettingen van HEBERLE
[1976], HEGNER [1977], LEHMANN [1977], CONZE/WALTHAU [1980]
In BENSCHOP [1993:18-22] ben uitvoeriger ingegaan op de pre-historie van het klassebegrip.
[6] In deze brief doelt Marx waarschijnlijk op de leden van de zgn. Willich-Schapper fractie. August Willich was een voormalige Pruisische officier, lid van de Communistenbond en een van de leiders van de Badense opstand (in het vrijwilligerskorps dat hij daar had gevormd was Fr. Engels zijn adjudant); zijn militaire bekwaamheden bewees hij later als generaal in de Amerikaanse burgeroorlog. Karl Schapper was een Duitse socialist die optradt als een van de leiders van de Bund der Gerechten; deze voormalig student bosbouwkunde, die zich als letterzetter/taalleraar door het leven sloeg, werd later medeoprichter van de arbeidersontwikkelingsvereniging in Londen. Marx's kritiek op deze stroming richt zich enerzijds tegen hun theoretisch simplisme: "De democratische Simpletons, de onnozele halzen wien de verlichting 'van hooger' te beurt valt, hebben natuurlijk een dergelijke inspanning niet noodig. Waarvoor zouden zij zich met ekonomisch en historisch materiaal kwellen, die Zondagskinderen! Het is immers alles zo eenvoudig, placht de wakkerre Willich mij te zeggen. Alles zoo eenvoudig! In die leege koppen. Inderdaad uiterst 'eenvoudige' kerels!" [geciteerd in MEHRING 1918:192]. Anderzijds polemiseert hij fel tegen hun populisme en in het bijzonder tegen hun verheerlijking van het proletariaat. Omdat zij niet thuis zijn in 'de gang der geschiedenis' en hun revolutionaire ongeduld niet in toom kunnen houden, zijn zij volgens Marx alleen maar bezig met 'revolutietje-spelen', onbezonnen 'revolutiemakerij' en tot mislukken gedoemde samenzweringen. De heftige confrontaties tussen 'de partij Willich-Schapper' en 'de partij Marx' zouden uiteindelijk leiden tot de scheuring van de Communistenbond.
[7] Brief aan Weydemeyer 5 mrt 1852, in: Briefe:58, MEW 28:508]. Vgl. ook de brief van Engels aan Starkenburg van 25 jan. 1894, in: Briefe:366.
[8] Marx beschouwde William Petty (1623-1687) als "de stichter van de moderne politieke economie, een van de geniaalste en origineelste economische onderzoekers." Zie voor zijn theorie-historische situering van Petty: MEW 26.1: 150-152, 330-339.
[9] Vgl. W. C. LEHMANN [John Millar, historical sociologist: some remarkable anticipations of modern sociology, in: BJS 3 (1), mrt 1952:30-47], W.C. LEHMANN [John Millar of Glasgow: His Life and Thought and his Contributions to Sociological Analysis. Cambridge 1960]. Vgl. ook CALVERT [1982:60-2].
[10] Oeuvres de Saint-Simon et d'Enfentin. Paris 1865-78. Premier volume 1868: pp. 26-34. Zijn advies aan de eerste klasse is: "Gij geleerden en kunstenaars hebt de scepter der publieke opinie in uw handen; grijpt die moedig en stevig aan. Overwin slechts de kracht der inertie van uw eigen stand. Welaan, mathematici, begint!". De klasse der eigenaars krijgt het advies: "Aanvaardt het plan, doet het vrijwillig, want anders zult gij er door de geleerden en kunstenaars toe gedwongen worden, en de geschiedenis van 1789 zal zich dan voor u herhalen." De bezitlozen worden tenslotte vriendschappelijk bejegend: "Vrienden, maakt dat de rijken, die tot nu toe geen andere bezigheid hebben gehad, dan u bevelen te geven, gedwongen worden u onderwijs en beschaving te schenken. Betaalt ze dan met aanzien en eer. Wie anders kunnen u nu beschaven en voorthelpen dan de geleerden?"
[11] Saint-Simon bleef zijn hele leven plannen maken voor een toekomstige organisatie van de maatschappij, die hij propageerde in talloze hervormingsvoorstellen en raadgevingen. Daarin onderscheidde hij zich niet wezenlijk van andere kritisch-utopistische socialisten en communisten zoals Charles Fourier en Robert Owen. In het Communistisch Manifest merken Marx en Engels hierover op: "De uitvinders van deze systemen zien weliswaar de tegenstelling der klassen alsook de werkzaamheid van de ontbindende elementen in de heersende maatschappij zelf, maar zij zien aan de zijde van het proletariaat geen historisch zelfhandelen, geen aan het proletariaat eigen beweging. [...] In plaats van de maatschappelijke werkzaamheid moet hun persoonlijke uitvinderswerkzaamheid treden, in de plaats van de historische voorwaarden, fantastische voorwaarden van de bevrijding, in plaats van de geleidelijk plaats vindende organisatie van het proletariaat tot klasse, een zelf uitgedachte organisatie van de maatschappij. De komende wereldgeschiedenis lost zich voor hen op in het propageren en het in de praktijk verwezenlijken van hun maatschappijplannen" [p.76].
[12] Het postulaat van Saint-Simon's geschiedenisfilosofie is, dat de geschiedenis van de mensheid een voortdurende vooruitgang is, waarin slechts twee typen tijdperken onderscheiden kunnen worden: organische tijdperken, waarin bepaalde algemeen erkende principes in de gedachtenwereld van de mensen overheersen, de maatschappelijke hiërarchie is gestabiliseerd en eenheid van confessies bestaat, en de kritische tijdperken, die gekenmerkt worden door desintegratie en chaos, het ontbreken van eenheid en afwezigheid van gemeenschapsgevoel.
[13] Anticiperend op het latere historisch materialisme komt Saint-Simon tot de conclusie dat de ontwikkeling van de produktie-instrumenten de bron is van alle grote politieke veranderingen die zich in de geschiedenis van de mensheid hebben voorgedaan. De veranderingen in de toeëigenings- resp. eigendomsverhoudingen staan daarbij centraal: "Il n'y a point de changement dans l'ordre social sans un changement dans la propriété" [Oeuvres I:242].
[14] Volgens deze constructie zijn de moderne klassen in Frankrijk in de 5e eeuw ontstaan, doordat de germaanse stam van de Franken de Galliërs aan zich onderwierp. Doordat de Franken zich meester maakten van de grond en agrarische produktiemiddelen en de organisatie van de produktie en de militaire leiding overnamen, konden zij een heersende klasse worden, d.w.z. voorlopers van de adel van 1820. De geestelijkheid van de 5e eeuw, die samen met de Franken de privileges van de feodale orde verdeelden, zouden de voorlopers zijn van de clerus. De onderworpen gallische boeren verrichtten het merendeel van de arbeid en kregen als lijfeigenen de status van een hogere categorie vee. Saint-Simon beschouwt hen als de voorvaderen van de inmiddels zegevierende 'derde stand'. De eerste sporen van deze legende zijn vijftig jaar eerder, bij Rousseau's tijdgenoot abbé de Mably (1709-1785) te vinden. Vgl. HERRNSTADT [1965:325], QUACK 1899 [I, pp. 307-326].
[15] Het beheer over het 'industrieel systeem' van de toekomstige maatschappij moest overgaan in handen van de producenten. Daarbij zou de hele produktie planmatig kunnen worden georganiseerd door de omvang en diversiteit van de produktie af te stemmen op de maatschappelijke behoeften. De particuliere eigendom zou echter niet volledig afgeschaft hoeven worden, zij zou van karakter veranderen door de benutting ervan ondergeschikt te maken aan het algemeen belang en dus niet meer over te laten aan de willekeur van de particuliere eigenaar. Het erfrecht zou worden afgeschaft, waardoor de exploitatie van de eigendom in handen zou kunnen komen van degenen die hiervoor competent zijn. Zo zou ook de concurrentie met al zijn destructieve effecten vervangen kunnen worden door een produktieve rivaliteit tussen individuen die hun eigen begaafdheden en competenties in dienst stellen van de maatschappij. Het menselijk handelen zou niet meer alleen door het eigen belang worden bepaald, maar ook door emotionele motieven, zoals enthousiasme, bereidheid tot arbeid ten behoeve van anderen en ethisch-religieuze ideeën (broederschap, naastenliefde). De inkomensverdeling moest niet volledig worden genivelleerd, maar bepaald worden door het principe: 'aan ieder naar zijn arbeid'. De maatschappelijke saamhorigheid zou hierdoor niet worden aangetast. Deze inkomensongelijkheid zou immers niet meer verbonden zijn met uitbuiting ('exploitation de l'homme par l'home') en zou daarom geen aanknopingspunten meer bieden voor het ontstaan van nieuwe klassen en klassentegenstellingen.
[16] Een aantal maanden na de publicatie van deze parabel wordt de tweede Hertog van Berry - wiens vader Saint-Simon nog met name had genoemd als een van die volstrekt overbodige nietsnutten - vermoord. Voor het regime is dit een welkome aanleiding dictatoriale maatregelen te nemen tegen de liberale delen van de bourgeoisie en tegen alle radikale stromingen. Een van de eerste maatregelen richt zich tegen Saint-Simon: hij wordt aangeklaagd als aanstichter tot moord. Hij wordt weliswaar vrijgesproken, maar bijna alle bankiers en fabrikanten verklaren hem nu voor gek en verbreken alle betrekkingen met hem.
[17] Zie over Saint-Simon: QUACK [1900, deel 2:4-133].
[18] De bijdrage van Louis-Adolphe Thiers (1797-1877) blijft hier verder buiten beschouwing. Naast historicus was hij evenals Guizot en Thierry een staatsman: minister van binnenlandse zaken (1832 en 1834), ministerpresident (1836 en 1840), president van de republiek (1871-1873). In de geschiedenis van de arbeidersbeweging staat hij bekend als 'de beul van de Parijse Commune'. Vgl. Marx' analyse in De burgeroorlog in Frankrijk (1871).
[19] Overigens was het zeker niet voor het eerst dat politieke geschiedenis werd geïnterpreteerd in termen van conflicterende belangengroepen en rivaliteit tussen elkaar uitsluitende machtsaanspraken. Al zo'n drie eeuwen eerder werden er stadsgeschiedenissen geschreven ('chronieken') waarin de strijd van de standen om de macht in de stad (en ook door de stad in het hele land) als inhoud van de geschiedenis werd beschreven. Zonder al te veel overdrijving kan men deze benadering van de geschiedenis ook 400 jaar voor onze jaartelling laten beginnen, bij het werk van de grootste geschiedschrijver van de gehele klassieke oudheid Thucidides. Met zijn analyses van de Peloponnesische oorlog tussen Athene en Sparta begint de zgn. pragmatische geschiedschrijving, waarin bij de verklaring van drijfveren en oorzaken van verschijnselen geen plaats meer is voor bovennatuurlijke krachten.
[20] In het voorwoord bij het 6e deel van Dix ans geeft Thierry op p. 6 aan hoe hij na het lezen van Hume op deze voor hem centrale gedachte is gekomen.
[21] We hebben al eerder opgemerkt dat Thierry's gedachten op dit punt in ieder geval sterk beïnvloed werden door zijn leermeester Saint-Simon, die ook de Middeleeuwse maatschappij als resultaat van verovering probeerde te verklaren. Thierry lijkt zijn vroegere binding aan Saint-Simon - hij fungeerde als zijn secretaris - te verdringen en noemt zelfs zijn naam niet als hij in zijn boeken gedachten van hem overneemt. Na hun politiek gemotiveerde en emotionele breuk in 1817 - waarna hij de titel van aangenomen zoon laat varen en Auguste Comte de plaats van secretaris gaat vervullen - in het licht van Thierry's politieke carrière zeer is dit niet zo verwonderlijk. Het resultaat van hun vroegere samenwerking is gedocumenteerd in het in october 1814 verschenen werkje: De la réorganisation de la société Européenne, par M. le Comte de Saint-Simon et par M.A. Thierry, son élève. De tweede editie hiervan werd getroffen door de censuur en is dus danig verminkt. Zij bepleiten hierin onder andere voor elke Europese staat een eigen parlement, waarboven zich een algemeen Europees parlement moest verheffen, inclusief een Europese koning. De parlementen zouden uit twee kamers bestaan, dat der gemeenten en der pairs. Voor de gemeentelijke kamer zouden al degenen die het lezen en schrijven machtig waren het recht om vermogende mannen te benoemen (een koopman, een geleerde, een magistraat en een administrateur). De pairs in het Europese parlement zouden door de Europese koning moeten worden benoemd uit de allerrijkste van Europa (het pairschap zou bovendien erfelijk moeten zijn).
[22] "Aan Guizot werd aangetoond, hoe zelfs de kranigste mannen van het ancien régime, zelfs menschen wien op hun manier historisch talent volstrekt niet viel te ontzeggen, door de Februari-gebeurtenis zoo volslagen in de war waren geraakt, dat hun alle historisch begrip, ja zelfs het begrip voor hun eigen daden van voorheen was vergaan" [MEHRING 1918/21:178].
[23] In een uitgebreider beschrijving van de voorgeschiedenis van het klassebegrip in de periode tussen 1750-1789 zou - naast Quesnay, Turgot, Necker - zeker meer aandacht besteed moeten worden aan de bijdrage van Adam Smith (1723-1780). Enerzijds beschouwt Smith - net als Quesnay en Turgot - de landbouw als een 'hogere' produktiesector. Anderzijds komt hij echter in het industrieel verder ontwikkelde Engeland ook al tot de conclusie dat het hogere produkt van de ene klasse de andere klasse nog niet 'steriel' of 'onproduktief' maakt [vgl. SMITH, Wealth of Nations, deel 3]. De kapitalistisch wordende maatschappij valt volgens hem in drie klassen uiteen: arbeiders, kapitalisten en grondbezitters. Daarbij preciseert hij het begrip 'produktieve arbeiders'. Hij verstaat daaronder niet 'arbeiders die waarde scheppen' en ook niet 'loonarbeiders als zodanig', maar loonarbeiders wier arbeid zich voor de kapitalist direct in meerwaarde omzet. Smith gebruikt het klassebegrip als een voor wetenschappelijke doeleinden noodzakelijk indelingsbegrip. Net als Quesnay en Turgot ziet hij wel dat er klassen bestaan, maar niet dat er tussen deze klassen antagonistische tegenstellingen bestaan, een klassenstrijd. Vgl. ook LEHMANN [1977]. Zie voor MARX' waardering van Smith: MEW 26.1:120 e.v.
[24] CAREY, The Past, the Present, and the Future. Philadelphia 1848, geciteerd uit Marx, MEW 26.2:163. In 1859 publiceerde Carey "The principles of social science." Carey verweet niet alleen Ricardo, maar al leidende economen in Europa (Malthus, Mill, Say, Torrens, Wakefield, Mac Culloch, Senior, Whateley, R. Jones en anderen) dat zij met hun analyses bezig zijn de maatschappij verscheuren en intellectueel de burgeroorlog voorbereiden.
[25] Ricardo merkt op dat de vooruitgang in de produktiviteit van de maatschappelijke arbeid, die kenmerkend is voor de kapitalistische produktiewijze, mogelijk wordt gemaakt door een permanente vergroting van de omvang en totaal-waarde van de produktiemiddelen. Dit veronderstelt dat een relatief steeds groter aandeel van de jaarlijkse nationale produktie aan het kapitaal toevalt, waardoor het aandeel in de maatschappelijke rijkdom dat voor de arbeidersklasse overblijft relatief steeds verder daalt. Ricardo ziet ook al dat dit hoeft niet te betekenen dat het aantal gebruikswaarden dat de arbeidersklasse krijgt zal dalen (d.w.z. dat de absolute levensstandaard daalt), maar wel dat hun aandeel in het totaal geproduceerde waardeprodukt relatief daalt. Marx hadt grote waardering voor deze opvatting van het 'relatieve arbeidsloon' en verwerkt ze in zijn eigen theorie: "De opvatting van het relatieve arbeidsloon is een van de grootste verdiensten van Ricardo. Het is daarin gelegen dat de waarde van het arbeidsloon - absoluut afhangt van het deel van de arbeidsdag dat de arbeiders voor zichzelf werkt ... in verhouding tot het deel van zijn tijd dat aan de kapitalisten behoort. Dit is economisch belangrijk en is in feite slechts een andere uitdrukking voor de ware meerwaardetheorie. Het is verder van belang voor de sociale verhouding van beide klassen" [MEW 26.3:27].
| Home | InternetStudies | Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Contact |
|---|
![]() dr. Albert Benschop Sociale en Gedragswetenschappen Sociologie & Antropologie Universiteit van Amsterdam |