Home InternetStudies Sociologen Onderwerpen Samenleven Zoek Contact

Marx

De klassentheorie van Marx

door: dr. Albert Benschop

II. Theorie-historische en biografische context

  1. Drie theorie-historische contexten
    1.1 Saint-Simon
    1.2 De Franse historici van de restauratie-periode: Thierry | Mignet | Guizot
    1.3 De klassieke burgerlijke politieke economie: David Ricardo
    1.4 ‘Het nieuwe dat ik heb gedaan was...’
  2. Intellectueel-biografische context
    2.1 Geen lineaire ontwikkeling
    2.2 Verandering van problematieken: breuken / cesuren
    2.3 Kwadratuur van een cirkel?
  3. Verschuivende problematieken
    3.1 Van histomat naar kritiek van de politieke economie
    3.2 Van privé-eigendom & vervreemde arbeid naar kapitaal & loonarbeid
    3.3 Van distributie/concurrentie naar produktie/accumulatie
    3.4 Van arme, bezitsloze klasse naar arbeidersklasse
    3.5 Klasse als drager van economische verhoudingen
    3.6 Ideologiekritiek en bewustzijnsanalyse
    3.7 Burgerlijke staatsvorm
Voetnoten


“De pijnlijke ondervindingen uit de jeugd komen altijd weer terug en laten een mens niet met rust. Ze groeien als planten onder water, weelderig en misvormd en stinkend” [Stephan Heym, De familie Benda. Amsterdam 1959:417].

1 Drie theorie-historische contexten

Het is evident dat Marx in intellectueel opzicht niet als ‘marxist’ is geboren. De specifieke klassenopvatting van Marx heeft zich pas in de loop van zijn theoretisch-politieke studies gevormd. De aanzet voor een eigen klassentheorie was het resultaat van een lange periode van werken, waarin hij zijn aanvankelijk nog in het idealisme bevangen uitgangspunten verlaat om een nieuw wetenschappelijk programma te funderen. We moeten Marx dus zijn 'voor-wetenschappelijke jeugd' gunnen.

Als we klasse-noties uit het begin van zijn intellectuele ontwikkeling vergelijken met begrippen die later werden geïntroduceerd, dan is voorspelbaar dat we op een aantal verschillen en tegenstrijdigheden stuiten. Bij explicatie en interpretatie van Marx' teksten zou zowel rekening gehouden moeten worden met de plaats die afzonderlijke teksten innemen in de volgorde van de theorie-historische als in de intellectueel-biografische ontwikkeling. Dit kan nog nader worden gespecificeerd.

De eigen af- of herkomst en de eigen grondslagen van de klassentheorie moeten steeds opnieuw worden doordacht.[1] Van een zelfreflexieve wetenschappelijke theorie mag worden verwacht dat zij tracht haar eigen ontstaan en ontstaansvoorwaarden te verklaren. Een verklaring van de genese van de klassentheorie is een complexe aangelegenheid waarbij zowel systematische, theorie-historische als biografische elementen een rol spelen.

a) Systematische aspecten -- Het ontstaan van klassentheorie is verbonden met het werkelijke verloop van de geschiedenis van de klassenstrijd. Pas op een bepaald ontwikkelingsniveau van de burgerlijke maatschappij kon een socialistisch georiënteerde klassentheorie worden geformuleerd. Het ontstaan van dergelijke klassentheorieën veronderstelt in de eerste plaats dat de kapitaalverhouding de dominante en daarmee ook de klassentegenstellingen bepalende maatschappelijke arbeidsverhouding is. Het veronderstelt niet alleen dat de kapitalen zich relatief vrij kunnen vermeerderen en de klasse der kapitalisten zich kan ontplooien[2], maar ook de transformatie van een veelvoud van loonarbeiders in de klasse van proletariërs; bovendien veronderstelt het een vergaande verburgerlijking van de adel en uitbreiding van de steden. Het feitelijke historische uitgangspunt van de klassentheorie van Marx is de werkelijke crisismatige ontwikkeling van de kapitalistische economie en de meer of minder tegenstrijdige wijze waarop deze ontwikkeling in de wetenschappelijke theorievorming wordt gethematiseerd. Een systematische verklaring van de genese van de klassentheorie betekent dat uitgaande van de werkelijke, specifiek kapitalistische levensverhoudingen, de noodzaak en mogelijkheidsvoorwaarden worden geïdentificeerd van de overgang van ideologisch bepaalde - dat wil zeggen in de mystificatie van de kapitalistische verhoudingen bevangen bewustzijnsvormen - naar wetenschappelijke kennis.[3] De ontwikkeling van de klassentheorie is echter zelf een historisch proces, dat niet lineair-parallel verloop met het ontwikkelingspatroon van de burgerlijke maatschappij en de sociaal-politieke strijd die daarin plaats vind.

b) Theorie-historische aspecten -- Het ontstaan van de klassentheorie veronderstelt niet alleen dat de kapitaalverhouding de dominante klassenstructurerende arbeidsverhouding is. Het veronderstelt tevens de intellectuele inspanningen van economen en filosofen om de tegenspraken van de burgerlijke maatschappij te systematiseren en te verklaren [Armanski 1974:10]. Het theorie-historische uitgangspunt van de klassentheorie van Marx is het 'gedachtenmateriaal' dat door zijn voorgangers is nagelaten. Tegen de achtergrond van een systematische fundering van het ontstaan van de klassentheorie kunnen de theorie-historische en individueel-biografische aspecten van dit proces worden ontcijferd. De theoretische reflecties van Marx die vooraf gingen aan de uitwerking van zijn 'systeem van de kritiek van de politieke economie' zijn niet goed te interpreteren als men voorbij gaat aan een systematische fundering van de klassentheorie. Dit zou leiden tot de bekende overwaardering van de theorie-historische dimensie, waarbij ontstaan en uitwerking van de klassentheorie wordt opgevat als een produkt van een synthese of versmelting van verschillende elementen van ideologisch bepaald (want in 'idealisme', 'vulgair-materialisme', 'economisme', 'utopisme' bevangen) denken van zijn voorgangers. Deze reductie komt onder andere tot uiting in de simpele opvatting van de zogenaamde 'drie bronnentheorie', waarin de theorie van Marx wordt voorgesteld als het resultaat van een gecompliceerd versmeltingsproces van drie stromingen van het maatschappelijk denken: de Duitse idealistische filosofie, de Engelse klassieke politieke economie en het Franse socialisme. Daarbij blijven een aantal cruciale vragen - die ook hier niet verder worden uitgewerkt - onbeantwoord. Hoe is het mogelijk dat uit de samenvatting van drie 'ideologische' denktradities een kwalitatief nieuwe 'wetenschappelijke' theorie kon ontstaan? Wat zijn de maatschappelijke voorwaarden voor deze synthese van nogal uiteenlopende elementen van het maatschappelijk denken? En via welke tussenschakels kunnen deze verschillende gedaanten van ideologisch bepaalde denken door het versmeltingsproces worden getransformeerd in wetenschappelijke kennis?[4]

Een geschiedenis van het begrip klasse bestaat niet of nauwelijks.[5] Dat is verwonderlijk omdat het nut van een dergelijke onderneming herhaaldelijk is onderstreept. Al in 1852 adviseert Marx "de heren democraten"[6] om, voordat zij kritiek uitoefenen op zijn benadering, zich eerst vertrouwd te maken met de burgerlijke literatuur.[7] Wat betreft de historische studies verwijst hij onder andere naar het werk van de Franse liberale historicus Augustin Thierry, de Franse historicus en politiek reactionair Guizot en de Engelse historicus-econoom John Wade.

Voor de analyse van het ontstaan van het klassieke, burgerlijk-liberale klassebegrip concentreer ik mij vooral op Frankrijk. Dat neemt niet weg dat de vroegste vorming van het maatschappelijke klassebegrip niet in Frankrijk plaatsvond, maar in Engeland. Strikt genomen werd het maatschappelijke klassebegrip voor het eerst in de 17e eeuw in Engeland geformuleerd, vooral door de Engelse politieke economen, zoals bijvoorbeeld William Petty.[8] In essentie heeft zich eenzelfde proces een eeuw later in Frankrijk voltrokken. Het klassebegrip vloeide in beide landen voort uit de overwinning van de feodale orde door een zegevierende bourgeoisie. Toch is het klassieke burgerlijk-liberale klassebegrip met name in Frankrijk ontstaan. Terwijl in Engeland de feodale aristocratie al eeuwen zonder wereldschokkende hoogtepunten verburgerlijkte, stonden aan het einde van de 18e eeuw in Frankrijk een nog steeds heersende en vastberaden feodale aristocratie tegenover een voor de machtsuitoefening overrijp geworden burgerij. Dit was bepalend voor de hardheid waarmee de Franse aristocratie en bourgeoisie op elkaar botsen en daarmee voor de 'klassiciteit' van het daar ontwikkelde het klassebegrip.

Fixatie op Frankrijk?
Waarom zou men zich bij de identificatie van het klassieke burgerlijk-liberale klassebegrip op Frankrijk concentreren? In aansluiting op Herrnstadt [1965:103 e.v.] kunnen hiervoor twee redenen worden aangegeven.
  1. Het uitgangspunt van de ontwikkeling van het klassebegrip is de Engelse revolutie van 1640. Hoewel deze omwenteling door een vroegtijdig compromis tussen burgerij en aristocratie tot stand kwam, ontstond hier voor het eerst in de geschiedenis een burgerlijke natie [Heberle 1959:19]. Dit bracht schijnbaar onbeperkte elasticiteit, nieuwe tolerantievormen en normen, en vooral: uiterst imponerende economische resultaten met zich mee. Juist in het licht van deze nieuwe Engelse verhoudingen begon Frankrijk er anders uit te zien. De refeodalisering die in Frankrijk had plaats gevonden, werd met name door de burgerij steeds meer als ondraaglijk en onacceptabel ervaren.

      “De pogingen van de koninklijke Bourbons om, steunend op de oude feodale adel en de clerus, de ontwikkeling sinds 1789 terug te draaien naar de toestand van voor de revolutie, dwong de burgerij nog eenmaal om haar rijen te sluiten voor een beslissende strijd om de oude gemeenschappelijke doelen” [Grossman/Grünberg 1930/3:257].

    In tegenstelling tot het door talloze rivaliserende landvorsten verdeelde Duitsland, was Frankrijk al twee eeuwen, met zijn afgebakende markt een nationale staat net als Engeland. De hoofdtegenspraak die Frankrijk in beweging bracht was die tussen het bestaan van een nationale eenheidsstaat en de onmogelijkheid deze nationale staat bruikbaar te maken voor de kapitalistische ontwikkeling. Deze tegenspraak werkte op alle maatschappelijke niveaus door. Daarom verplaatste zich tevens de klassieke ontwikkeling van het klassebegrip naar Frankrijk [Herrnstadt 1965:108 e.v.].

  2. Een tweede reden is dat ook Marx en Engels zich vooral op Frankrijk concentreerden. In het algemeen is dit natuurlijk nog geen goede (en zeker geen doorslaggevende) reden om dit na te volgen. Maar in de context van de reconstructie van de voorgeschiedenis van het specifiek marxistische klassebegrip zou men hiermee toch serieus rekening moeten houden. Marx en Engels baseerden zich bij de formulering van hun 'proletarische' klassebegrip vooral op de geschiedenis van de Franse bourgeoisie en hun grote revolutie en niet op de Engelse en hun revolutie van 1640. Zij deden dit niet zozeer omdat de Franse revolutie dichterbij lag, maar omdat ook zij de Franse situatie als 'klassiek' beschouwden: het klassebegrip in Frankrijk vloeide voort uit het diepste van de maatschappelijke tegenspraken.

    Omdat ik hier de nadruk leg op een aantal Franse historici die het klassedenken van Marx hebben beïnvloed, laat ik William Petty en andere Engelse invloeden buiten beschouwing. Dit geldt bijvoorbeeld voor John Millar (1735-1801). Hoewel het woord klasse niet in Millar's vocabulaire voorkomt, kan hij toch worden beschouwd als een belangrijke voorloper van het moderne klasse- en ongelijkheidsonderzoek. Hij schreef twee werken die tijdens zijn leven op grote schaal werden geprezen, maar die - hoewel bewonderd door Sombart - later werden genegeerd, tot zij recentelijk als serieuze bijdrage aan de sociologie werden herontdekt. De eerste daarvan is Observations Concerning the Distinction of Ranks in Society, in latere edities afgekort tot The Origin of the Distinctions of Ranks (1771). Het tweede is An Historical View of the English Government from the Settlement of the Saxons in Britain to the Accession of the House of Stewart (1787). In dit laatste werk poneert hij de stelling dat de eigendomsverdeling de oorzaak is van de volledige onderwerping van het niet-bezittende volk aan de politieke regering:

      "The distribution of property among any people is the principal circumstance that contributes to reduce them under Civil Government, and to determine the form of their political constitution. The poor are naturally dependent upon the rich, from whom they derive subsistence, and according to the accidental differences of wealth possessed by individuals, a subordination of ranks is gradually introduced, and different degrees of power and authority are assumed without opposition, by particular persons, or bestowed upon them by the general voice of the society" [p. 84].

    De wetenschappelijke bestudering van de sociale gelaagdheid begin pas aan het eind van de 18e eeuw in Schotland. Tegen de achtergrond van het filosofisch en sociaal scepticisme van Hume, de economische en morele studies van Adam Smith (met wie hij bevriend was), de denkbeelden van de historici uit Edinburgh, produceerde Millar voor "the first scientific analyses of stratification and the functions of rank" [Macrea 1953/4:9]. 'Distinctions of ranks' worden door Millar als een proces benaderd. Ongelijkheden manifesteren zich altijd in machtsrelaties die altijd neigen om - in verschillende vormen - geïnstitutionaliseerd te worden. Hoewel hij geen enkelvoudige oorzaak aanwijst voor het ontstaan en voortbestaan van sociale ongelijkheden en rangverschillen, beschouwde hij toch de technische en economische ordeningen als ultieme determinanten van de sociale structuur.[9]

1.1 Saint-Simon

Voordat ik nader inga op de historici van de restauratie-periode zal eerst de betekenis van Saint-Simon worden besproken. Het werk van Claude-Henri, graaf de Saint-Simon (1760-1825) heeft meer dan alle andere voorlopers (zoals Chaptal en Berthollet) de ontwikkeling van het burgerlijk-liberale klassentheorie beïnvloed. En ook meer dan de coryfeeën van de liberale bourgeoisie bereid waren om toe te geven. "De later gevierde klassentheoretici van de bourgeoisie, Guizot, Thierry, Mignet enz., hebben rijkelijk met zijn talenten gewoekerd, in de regel zonder hem te noemen" [Herrnstadt 1965:305]. Voor een inzicht in de ontwikkeling van het burgerlijke klassebegrip is het dus nodig hier eerst de inzichten van Saint-Simon te memoreren.

In het werk van Saint-Simon voltrekt zich een dubbele overgang. Hij vertrekt vanuit een voor-liberaal klassebegrip, d.w.z. het klassebegrip van de vroege, nog in de Verlichting bevangen bourgeoisie op het keerpunt van de 18e en 19e eeuw. Van daaruit baant hij enerzijds de weg naar een liberaal-burgerlijk klassebegrip. Anderzijds voltrekt hij tegen het einde van zijn leven de overgang naar een vroeg-socialistisch klassebegrip.

De deling van de maatschappij in klassen beschouwt hij al vroeg als invalshoek voor de kennis van het historisch proces. Aanvankelijk deelt hij de maatschappij in drie klassen in.

  1. De eerste klasse - waartoe hij zichzelf rekende - was die van de vooruitgang: zij bestond uit geleerden, kunstenaars en allen die liberale ideeën hebben.
  2. De tweede klasse was die van het behoud: zij bestond uit bezitters die niet tot de eerste klasse horen en die 'geen veranderingen' in hun blazoen hebben geschreven - de vraag of het om feodale grondbezitters of kapitalisten gaat, speelt hier nog geen rol.
  3. De derde klasse was die van de gelijkheid: zij bestond uit alle bezitlozen die door de eigenaars van grond en kapitaal worden gecommandeerd en uitgebuit.[10]
Geïmponeerd door de almacht van de rede, stelt Saint-Simon voor om uit de meest getalenteerden van de eerste klasse een wereldregering te vormen aan wie, op grond van hun superieure wetenschappelijke inzichten en politieke-morele progressiviteit de leiding over de noodzakelijke maatschappelijke hervormingen kan worden toevertrouwd - onder het motto: 'Ruimte voor de Archimedessen!' Een uiterst belangrijke en dringende taak was daarbij de verlichting en opvoeding van de bezitlozen. Hij vertrouwt erop dat de rijken en grote bezitters de redelijkheid van zijn voorstellen zullen inzien, ze uiteindelijk zullen ondersteunen en vrijwillig een deel van hun macht zullen afstaan.[11]

Saint-Simon is er vast van overtuigd dat er niet alleen behoefte bestaat aan een politieke wetenschap op basis waarvan de maatschappelijke ontwikkeling geregisseerd zou kunnen worden, maar ook dat deze een mate van betrouwbaarheid en positiviteit zou kunnen bereiken die gelijk was aan die van de natuurwetenschappen. In aansluiting bij het systeem van Newton zou het hele sociaal-wetenschappelijke en politieke kennisbestand in één uniform systeem ondergebracht moeten worden.

Tijdens zijn leven is hij niet alleen getuige van de napoleontische oorlogen, van het echec van het imperium en van de restauratieperiode, maar ook van de zich doorzettende industriële revolutie en de toenemende activiteit van de verarmende, bezitsloze volksmassa. De ervaringen brengen zowel zijn beeld van de geschiedenis als zijn politieke visie in beweging. Hij begint de geschiedenis te analyseren als een historisch proces, waarin de klassen de belangrijkste actoren waren.[12] Hij doet een eerste poging om het ontstaan van de klassen in Frankrijk te verklaren. Daarbij neemt hij de economische verhoudingen (en met name de produktie van materiële goederen) als uitgangspunt:

"De beste maatschappelijke orde is die, welke de levensomstandigheden van de meerderheid van de mensen in de maatschappij zo gunstig mogelijk maakt, doordat zij hen zoveel mogelijk middelen en mogelijkheden verschaft om hun fundamentele behoeften te bevredigen."

Hoewel hij de hele geschiedenis van Westeuropa sinds de 15 eeuw vanuit de economische verhoudingen beschouwt[13], verklaart hij de Middeleeuwse maatschappij als resultaat van verovering. Hij maakt daarbij gebruik van de legende dat de klassen in Frankrijk zijn ontstaan vanuit de onderwerping van de Galliërs door de Franken - een legende die zich doorzet in het werk van alle historici van de restauratieperiode, en met name bij zijn leerling Thierry.[14] De Franken zouden een heersende klasse kunnen worden op grond van hun rol als 'organisatoren van de produktie'. Van de 5e tot de 15e eeuw waardeert hij het feodale systeem als progressief, omdat de heersende feodalen hun taak als organisatoren van de produktie vervulden. Hierna werd het een reactionaire orde, omdat de feodalen hun produktieve rol verloren en 'bloedzuigers van het volk' werden. De opkomende burgerij zou deze taak als organisator van de produktie steeds meer moeten overnemen. Deze nieuwe klasse ('de industriëlen'), met het vermogen om "het verloop van de civilisatie" vooruit te drijven, raadt hij aan niet met de tegenstander te spelen, maar deze 'een dodelijke slag' toe te brengen. Hij heeft zeer grote verwachtingen over alle zegeningen die de opkomende industrie zou brengen. Hij eist staatsmacht voor de 'industriële klasse' en roept bankiers en fabrikanten op om de leiding op zich te nemen van de noodlijdende massa.

Onder deze 'industriële klasse' rekent hij alle mensen die direct of indirect met de industrie van doen hadden: niet alleen bankiers, fabrikanten en arbeiders, maar ook de employés en kooplieden, ja zelfs de dichters en schilders die met hun produkten de industrie bezielden. Saint-Simon heeft dan nog geen oog voor de nieuwe klassentegenstellingen die de burgerlijke maatschappij zelf met zich meebracht. Hij is nog bevangen in de voor de 18e eeuw geldige opvatting dat aristocratie 'leeglopers', 'nietsnutten', 'lanterfanters' waren. Hij ziet dus nog niet dat er nieuwe klassentegenstellingen waren ontstaan en dat de parameters van de klassenstrijd inmiddels verschoven waren.

Na de economische crisis van 1815-16 neemt hij een sprong die hem aan gene zijde van het burgerlijk-liberale klassebegrip zou brengen. Op zestig jarige leeftijd begint hij de burgerlijke kennisgrenzen te doorbreken [zie: De sprong naar de andere oever]. Hij begint nu grote nadruk te leggen op de kenbaarheid en planbaarheid van de maatschappelijke ontwikkeling[15], en op de klasse-gebondenheid van alle morele categorieën. Hij krijgt oog voor de modern burgerlijke vormen van klassenstrijd en onderstreept de noodzaak van organisatie: hij roept de arbeidersklasse en in het bijzonder de arbeiders in de industrie - als wier woordvoerder en zaakwaarnemer hij zich profileert - op zich te organiseren om de ondernemers een omvangrijk plan voor publieke werken voor te leggen. Saint-Simon begint de "de talrijkste en armste klasse" bij haar naam te noemen, hij ziet zichzelf niet meer als spreekbuis van 'de onwetende klasse', maar van "de talrijkste klasse, de proletariërs." Hij probeert weliswaar geen echte theorie van klassenstrijd te ontwikkelen, maar formuleert wel hoekstenen van een radikaal socialistisch perspectief: "Om het lot van de massa te verbeteren is het niet voldoende de privileges op anderen over te dragen, men moet ze vernietigen; het is niet voldoende de misbruiken tegen andere te ruilen, men moet ze afschaffen."

De vaak bonte tegenstrijdigheden en wilde tegenspraken waarin Saint-Simon zijn nieuwe gedachten formuleerde kunnen hier natuurlijk niet breed worden uitgemeten. Om echter zijn ongemeen felle houding tegenover onproduktieve leeglopers en zijn dubbelzinnige, de liberale bourgeoisie onwelgevallige pleidooien voor 'de industriëlen' te illustreren, volsta ik met een verwijzing naar de beroemde parabel die hij in 1819 in zijn tijdschrift L'Organisateur publiceerde. Daarin stelt hij de vraag wat het voor de Franse natie zou betekenen, wanneer zij plotseling de bloem van haar 'industriëlen' zou verliezen: drieduizend van de eerste geleerden, kunstenaars, mestselaars en mannen van het bedrijf. Dan zou Frankrijk de kop en de ziel van haar leven verliezen en in rang plotseling beneden andere naties dalen; er zou minstens een hele generatie nodig zijn om dit verlies te vergoeden. En veronderstel nu eens dat in een nacht alle onproduktieve leeglopers zouden overlijden: koninklijke en adelijke figuren, ministers en maarschalken, kardinalen en rechter, beamten en de tienduizend rijkste eigenaars. Dit ongeluk zou Frankrijk zeker bedroeven, omdat de Fransen nu eenmaal goedhartig zijn. Maar verder zou het niet veel uitmaken - daarmee zou slechts het kwaad worden uitgeroeid.[16]

De betekenis die Saint-Simon heeft gehad voor de ontwikkeling van het latere socialisme kan moeilijk worden overdreven. Want zoals Fr. Engels in zijn brochure over De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap opmerkt, beschikte hij over "een geniale brede blik... dankzij welke haast alle niet strikt economische gedachten van de latere socialisten bij hem in de kiem aanwezig zijn" [MEW 19:195 - vert. p. 40].[17]

De sprong naar de andere oever
De vraag waarom Saint-Simon in zijn laatste levensjaren nog een sprong kon maken die hem naar de andere oever bracht en waardoor hij in de geschiedenis van het maatschappelijke denken zo'n bijzondere rol speelt, is vaak gesteld, maar nooit concreet beantwoord. Zijn breuk met het liberalisme laat zich nog het beste verklaren vanuit de bijzonderheden van de sociaal-politieke situatie in het toenmalige Frankrijk. Herrnstadt heeft hiertoe een poging gedaan. De kernpunten van deze verklaring kunnen in vier punten worden samengevat.
  1. De economische crisis van 1815-1816 verpletterde het idee dat er nu een ononderbroken en snelle progressie van de winsten mogelijk was geworden. Deze crisis werd volgens Saint-Simon veroorzaakt door onbegrip - resp. het negeren van zijn eigen inzichten en voorstellen - die de messiaanse opgave van de 'industriëlen' vertraagde.
  2. Wederom steekt hij de 'noodlijdende mensheid' de helpende hand toe: hij verklaart zich bereid zijn jongste inzichten over de beste manier om de ongekende mogelijkheden die in de industrie in de 'industriëlen' besloten liggen bekend te maken. Het hiertoe met financiële steun van bankiers en fabrikanten opgerichte tijdschrift, L'Industrie dat vanaf 1817 verschijnt, wordt de grond ingeboord nadat praktisch alle geldgevers zich na het vierde nummers openlijk van hem distantiëren in een brief aan de minister van politie van het Bourbon-regime. Niet zozeer vanwege zijn opmerkingen tegen de instituties van het koningschap, alswel om zijn leer van de 'aardse moraal'. Om de overgang naar een nieuwe maatschappij zo gemakkelijk en vreedzaam mogelijk te maken, had hij voorgesteld de hemelse moraal in een aardse, wetenschappelijke moraal om te smelten. Hoewel hij hierbij nog abstraheerde van klassen en klassenstrijd, roept hij de rijke en bewust geworden bourgeoisie op om de héle mensheid te verlossen van nood en katastrofen. Dit botst scherp met wat de bourgeoisie wil: export-premies, staatskredieten, lagere lonen, hogere winsten, uitschakeling van de linkse ultra's. En het staat frontaal tegenover het reactionaire regime, dat politiespionnnen in de biechtstoel had gezet, de onfeilbaarheid van God en eeuwigheid van de christelijke moraal tot dogma had verklaard.
  3. Saint Simon ergert zich over het feit dat men niet wil toegeven dat de heerschappij van het christendom voorbij is. En hem bekruipt steeds meer het gevoel dat de industriëlen' de rol die hij hen had toegewezen, hun messianistische taak, niet konden of wilden vervullen.
  4. In de periode van economische opbloei van 1820 tot 1850 bracht voor bankiers en kooplieden een ongekende expansie van hun winsten met zich mee. Saint-Simon had verwacht zij hierdoor steeds beschaafder en onbaatzuchtiger zouden worden, dat zij de politieke macht aan de wetenschappers zouden overdragen, dat de ellende en nood van het werkende volk uit de wereld gebannen zou worden, dat de klassenstrijd tegen de leeglopers consequent tot een hoogtepunt doorgevoerd zou worden en dat het verschil tussen bezitters en bezitlozen zou afnemen. Dat bleek niet het geval. De aristocraten werden niet bestreden; er werden bij bosjes nieuwe leeglopers gekweekt; wetenschappelijk geschoolden werden voornamelijk als geprivilegieerde employés te werk gesteld door textielfabrikanten en zeephandelaren; fabrikanten en bankiers streefden slechts naar nog grotere winsten en verloren de laatste resten van hun verantwoordelijkheidsgevoel voor de arbeiders; hun gigantische verrijking leek hun hebzucht en winsthonger slechts te stimuleren; de arbeidende klasse profiteerde niet of nauwelijks mee van de economische opbloei en werden in deze periode van hoogconjunctuur gekweld door werkloosheid; de kloof tussen bezitters en bezitlozen, tussen rijkdom en armoede leek zich veeleer te verdiepen en te verscherpen; en er was nauwelijks nog een bankier of fabrikant te vinden die naar Saint-Simon's raadgevingen wilde luisteren [vgl. Herrnstadt 1965:328-41].

Dit hele complex van sociaal-politieke transformaties breekt - via zijn persoonlijke 'negatieve ervaringen' - in op het illusoire, utopische verwachtingspatroon van Saint-Simon en opent zijn ogen voor de nieuwe figuratie die klassenverhoudingen en -strijd inmiddels hadden aangenomen. In zijn woedende verontwaardiging over de 'politieke apatie van de industriëlen' [Oeuvres, 1:104], waarvoor hij ook bij de koning geen gehoor vind, laat hij de burgerlijke legende van binnenuit ontploffen. Hij zoekt nieuwe adressanten voor zijn hervormingsvoorstellen, de opkomende arbeidersbeweging lijkt hiervoor de enige geschikte kandidaat.

1.2 De Franse historici van de restauratie-periode

Dat er in de maatschappij klassen bestaan was al rond 1750 bekend (bij de Franse fysiocraten Quesnay en Turgot, en bij Abbé Seyès; bij de Engelse politieke econoom Adam Smith). Ook het feit dat klassen met elkaar in conflict kunnen komen was minstens sinds de Franse revolutie van 1789 duidelijk geworden (niet alleen bij Babeuf, maar ook bij Necker). Daarbij was echter onduidelijk gebleven wat klassen precies zijn, hoe zij zich van elkaar onderscheiden en welke functies zij in het historisch proces vervullen. Er was nog geen poging gedaan om de geschiedenis vanuit het gezichtspunt van de waargenomen klassen te analyseren [Hernnstadt 1965:284]. De historici van de restauratieperiode begonnen te vermoeden dat het in de politieke strijd in laatste instantie gaat om heerschappij-aanspraken van klassen. Zij beschouwen dit "als sleutel voor het begrip van de Franse geschiedenis sinds de Middeleeuwen [Engels, Feuerbach, MEW 21:299 - vert. p.]. De Franse historici van de restauratieperiode (Thierry, Guizot, Mignet, Thiers)[18] hadden dus een ding gemeen - zij kwamen allen tot het inzicht, dat politieke strijd en revoluties als klassenstrijd geïnterpreteerd diende te worden. Zij analyseerden de Engelse en Franse burgerlijke revoluties als momenten van de geschiedenis van de klassenstrijd.[19]

De Franse historicus Augustin Thierry (1795-1856) beschreef de geschiedenis als een strijd van klassen en stelde zich hierbij op een progressief-burgerlijke standpunt. Na 1848 komen echter "zowel het helder inzicht als het vooruitstrevend standpunt in het gedrang [Mehring 1918:518]. Zijn boek Histoire de la formations et du progrès du Tiers Etat werd door Marx geprezen om de wijze waarop hij daarin de opkomst van de burgerlijke klasse analyseert:

In Vue des révolutions d'Anglettere analyseert Thierry de geschiedenis van de Engelse revoluties als strijd van de bourgeoisie tegen de aristocratie.

De religieuze bewegingen van die tijd weerspiegelen volgens Thierry slechts de 'positieve belangen' van de maatschappelijke klassen:

Met instemming citeert Thierry hierbij de woorden van Fox (History of the Reign of James the Second):

Thierry sympatiseerde hartstochtelijk met de strijd van de derde stand tegen de aristocratie. Het ontstaan van deze klassen en standen verklaarde hij uitsluitend door veroveringen: "Tout cela date d'une conquête, il y a une conquête là dessous" (in: Histoire de la conquête).[20] De gedachte dat alles uit de tijd van de verovering - als internationale politieke handeling - stamt en dat aan alle klassen- en standsverhoudingen in laatste instantie veroveringen ten grondslag liggen, heeft hij in vele journalistieke opstellen en wetenschappelijke studies uitgewerkt. Plechanow [1894:36] heeft er al op gewezen dat zijn materiaal over de verovering van Engeland door de Noormannen de conclusie toelaat, dat de verovering geen doel op zichzelf is, maar dat ook daaraan 'positieve'. d.w.z. economische belangen ten grondslag liggen. Thierry doet dit echter niet en maakt ook geen duidelijk onderscheid tussen initiële, primordiale of oorspronkelijke ontstaansvoorwaarden van klassen en hun actuele bestaansvoorwaarden. Zijn uitgebreide schets van de historische ontwikkeling van de bourgeoisie (in: Histoire de la formations et du progrès du Tiers Etat en in zijn analyse van de geschiedenis van de interne verhoudingen in Frankrijk en Engeland) maakt juist duidelijk dat het ontstaan en de ontwikkeling van een bepaalde sociale ordening niet - en in ieder geval nooit uitsluitend - aan veroveringen opgehangen kan worden. Zijn opvattingen over de historische rol van veroveringen worden dus door zijn eigen historische onderzoek niet bevestigd, maar juist ondergraven.[21]

Ook François-August Mignet (1796-1884) legt een sterke nadruk op het feit dat grondbezit gebaseerd is op verovering [De la féodalité de St.-Louis et de l'influence de la législation de ce prince. Paris 1822, p. 50]. Het verloop van sociale bewegingen wordt volgens hem bepaald door 'heersende belangen':

Zijn geschiedenis van de Franse revolutie beschrijft de gebeurtenissen vanuit het standpunt van de 'behoeften' van de diverse maatschappelijke klassen. De strijd van deze klassen is ook volgens hem de belangrijkste drijfveer van de politieke gebeurtenissen. Hij analyseert de partijen die achtereenvolgens de revolutie sturen en laat zien welke relaties er bestaan tussen deze partijen en de maatschappelijke klassen [Histoire de la revolution Française (1848)].

De Franse staatsman en geschiedschrijver François-Pierre Guillaume Guizot (1787-1874) kende vóór 1848 groot gewicht toe aan de klassenstrijd van adel en 'derde stand'. Hij ontwikkelde zijn visie rechtstreeks tegenover die van de Italiaanse filosoof en socioloog Vico e.a, waarin de geschiedenis van het civiele recht worden verklaard uit politieke revoluties. Volgens Guizot moet de politieke ordening uit de levenswijze, d.w.z. uit het civiele recht worden verklaard.

"Het grootste deel van de schrijvers, geleerden, historici of publicisten heeft geprobeerd door de bestudering van de politieke instellingen zicht te krijgen op de toestand van de maatschappij, op de mate of de aard van haar civilisatie. Het zou echter verstandiger zijn eerst de maatschappij zelf te onderzoeken om haar politieke instellingen te kennen en te begrijpen. Instituties zijn gevolg/werking, eer ze oorzaak worden; de maatschappij creëert ze, eer zij door hen wordt veranderd; en in plaats van in het systeem of de vormen van regering te zoeken, wat de toestand van een volk is, moet men vooral de toestand van het volk onderzoeken, om te weten wat de aard van de regering moet zijn, wat de aard kan zijn...De maatschappij, haar samenstelling, de levenswijze van de afzonderlijke mensen overeenkomstig hun sociale situatie, de relaties van de verschillende klassen van individuen, kortom, de levenswijze van de mensen (l'état des personnes) - dat is zeer zeker de eerste vraag die de aandacht vraagt van de historicus, die het leven van de volken wil onderzoeken, en van de publicist die wil weten hoe ze worden geregeerd" [Essais sur l'histoire de France 1821:73 e.v.].

Hij preciseert zijn analyse van de 'maatschappelijke samenstelling' door te laten zien dat de 'civiele levenswijze' van alle volken die sinds de ondergang van het Westromeinse rijk het toneel van de geschiedenis hebben betreden in zeer nauwe samenhang staat met de grond- en bodemverhoudingen (l'état de terres). Daarom moet de studie van deze bodemverhoudingen vooraf gaan aan de studie van het civiele leven:

"Om de politieke instellingen te begrijpen moet men de verschillende lagen die in de maatschappij bestaan en hun wederzijdse betrekkingen onderzoeken. Om deze diverse sociale lagen te begrijpen, moet men de aard van de bodemverhoudingen kennen" [Essais. p. 75].

Vanuit dit perspectief onderzoekt Guizot de geschiedenis van Frankrijk tijdens de eerste twee dynastieën. Hij thematiseert deze periode als geschiedenis van een strijd van verschillende lagen van de toenmalige maatschappij. In zijn latere studie over de geschiedenis van de Engelse revolutie gaat Guizot nog een stap verder. Hij interpreteert de Engelse revolutie als strijd van bourgeoisie tegen aristocratie. Daarbij onderkent hij impliciet, dat het voor de verklaring van het politieke leven van een land niet voldoende is om alleen de grond- en bodemverhoudingen te bestuderen, en dat men álle eigendomsverhoudingen moet thematiseren. Net als Thierry stelt hij dat de strijd van de religieuze en politieke partijen in het Engeland van de 17e eeuw een maatschappelijk vraagstuk bedekt, namelijk 'de strijd van de verschillende klassen om invloed en macht'.

"Deze klassen waren in Engeland niet zo diep van elkaar gescheiden en stonden niet zo vijandig tegenover elkaar als in andere landen. De grote baronnen hadden niet alleen voor hun eigen vrijheden gepleit, maar ook voor die van het volk, en het volk had dat niet vergeten. Landadel en stedelijke burgerij zaten sinds drie decennia in naam van de gemeenten van Engeland in het parlement. Maar sinds een eeuw waren er in de krachtsverhoudingen van de verschillende klassen grote veranderingen opgetreden in de schoot van de maatschappij, zonder dat hiermee corresponderende veranderingen in de regering tot stand kwamen. Bourgeoisie, landadel, boeren en kleine grondbezitters, die destijds zeer talrijk waren, oefenden op de publieke aangelegenheden niet de invloed uit die overeen zo komen met hun betekenis in het land. Zij waren groter geworden, maar niet vooruitgekomen. Daardoor ontstond bij hen en in de lagen onder hen een zeer sterke eerzucht die elke gelegenheid te baat zou nemen om los te breken" [Discours sur l'histoire de la révolution d'Angleterre. 1850, p. 9-10.].

In zijn zesdelige studie over de geschiedenis van de eerste Engelse revolutie en in zijn biografieën over verschillende staatsmannen van zijn tijd werkte Guizot deze visie verder uit, waarbij hij - zoals Plechanow [1894:50] opmerkt - maar zelden het standpunt van de klassenstrijd verlaat. Het meest pregnant heeft hij zijn denkbeelden samengevat, tijdens een reeks colleges die hij in 1828 in Parijs hield. Daarin schetst hij het ontstaan van de bourgeoisie ('de grote sociale klasse'), haar interne samenstelling in de afzonderlijke historische fasen, haar langdurige strijd tegen het feodalisme. De onderlinge strijd van de klassen beschouwt hij als "de strijd die de inhoud van de gebeurtenissen uitmaakt en de moderne geschiedenis vervult":

"Het moderne Europa werd geboren in de strijd van de verschillende maatschappelijke klassen. [...] De strijd tussen de maatschappelijke klassen werd echter geen uitgangspunt van stagnatie, maar een oorzaak van de vooruitgang. De onderlinge verhoudingen tussen de verschillende klassen, de noodzakelijkheid om elkaar waar dan ook te bestrijden en wederzijds toe te geven, de verscheidenheid van hun belangen, van hun hartstocht om te overwinnen, zonder dat zij de macht hebben om op grond van de overwinning tot het einde te gaan - de bundel van deze omstandigheden is misschien het energiekste en vruchtbaarste ontwikkelingsprincipe van de Europese civilisatie" [Guizot, Cours d'histoire moderne, histoire générale de la civilisation en Europe. Paris 1828, 1e college, p. 1].

Het hier geformuleerde inzicht van de klassenstrijd als principe van historische ontwikkeling en maatschappelijke progressie, vormt samen met zijn opvattingen over de economische grondslag van de klassenverhoudingen, een zo niet hét hoogtepunt van de burgerlijke geschiedenisopvatting. Een hoogtepunt, waarin echter tegelijkertijd de grenzen van de burgerlijk-liberale klassentheorie zichtbaar worden. Hij universaliseert zijn principes zo sterk dat de burgerlijke klassenverhoudingen voor de eeuwigheid worden vastgeschreven: als het onmogelijk is om 'tot het einde te gaan' dan zijn klassenverhoudingen en -strijd immers geen historisch vergankelijke verschijnselen, aan gene zijde waarvan een klassenloze maatschappij minstens denkbaar is. En zo bereikt Guizot de bovengrens van zijn inzicht in het historisch proces:

"En toch zijn de klassen steeds meer naar elkaar toegegroeid, hebben zij zich geassimileerd en zijn zij op een lijn gekomen. Elk Europees land heeft in haar schoot een bepaalde allesomvattende geest, een bepaalde gemeenschappelijkheid van belangen, van gedachten en gevoelens voortgebracht, die de verscheidenheid en de strijd overwonnen hebben. In Frankrijk was bijvoorbeeld in de 17e en 18e eeuw de kloof tussen de klassen in sociaal en moreel opzicht nog zeer diep. Er bestaat geen twijfel aan dat de fusie sindsdien zeer ver is voortgeschreden [...] In het moderne Europa is vanuit de verscheidenheid, de vijandschap en van de strijd de nationale eenheid voortgevloeid. Deze nationale eenheid heeft de tendens zich verder te ontplooien, zich met nog hogere glans te reinigen" [idem, p. 30].

In plaats van het heldere inzicht in de historische betekenis van klassenstrijd als 'energiekste en meest vruchtbare ontwikkelingsprincipe' komt nu de dons van 'nationale eenheid' en 'klassevrede'; in plaats van een nuchter inzicht in de tegenstellingen waarin het historisch proces verloopt, wordt nu de lof gezongen op de 'gemeenschappelijkheid van belangen, gedachten en gevoelens'. De weg die hij zelf baande, leek vrij voor nieuwe revolutionaire inzichten, maar door "de mist van dienstbaar gezwets" [Herrnstadt 1965:362] verdween het perspectief.

De liberale bourgeoisie wilde aanvankelijk een consequente klassenstrijd voeren tegen de feodale aristocratie. Inmiddels had zij echter de feodalen nodig als bondgenoten tegenover de opkomende, zichzelf organiserende arbeidersbeweging. In Guizot's werk manifesteert zich enerzijds het onbekommerde, anti-feodale klassebelang van de liberalen. Guizot doet echter geen poging het inzicht in de klassenstrijd als 'energiekste en vruchtbaarste ontwikkelingsprincipe' consequent door te trokken en uit te werken. Dit zou immers ook de arbeidersklasse wel eens kunnen stimuleren in haar strijd tegen de klasse als wier woordvoerder hij opereerde. Guizot heeft dit feilloos aangevoeld en breekt zijn denken af.

Hierdoor kwam voor Guizot, zoals Herrnstadt opmerkt, de weg vrij voor hoge functies, titels en ordes van de burgerlijke staat. In 1830 vuurt Guizot de burgers in het noorden van Frankrijk nog aan om zich te verrijken: 'enrichessez-vous'. In november 1831 - hij wordt direct na julirevolutie minister van het nieuwe contra-revolutionaire regering - laat hij zijn kanonnen vuren op opstandige fabrieksarbeiders in Lyon. In 1845 geeft hij op instigatie van de Pruisische regering de medewerkers en redacteuren van het progressieve tijdschrift Vorwärts - waaronder Marx, Ruge en Bakunin, maar met uitzondering van Heinrich Heine - het bevel om Frankrijk binnen 24 uur te verlaten. En als tenslotte in 1848, wanneer hij tot ministerpresident gepromoveerd is, uiteindelijk "het gansche liberale getimmerte van Louis Philippe en Guizot" [Quack 1900 III:128] omvergeworpen wordt, lijkt hij nog maar een leuze te kennen: 'Orde!' Zodra de arbeidersklasse het politieke toneel betreedt, wil hij van geen klassenstrijd meer weten en beland hij in een conservatief doctrinisme. Niettemin was en bleef hij "een man van literaire beschaving" [Mehring 1918/21:495].[22]

1.3 De klassieke burgerlijke politieke economie: David Ricardo

Wie de 'kritiek van de politieke economie' wil kritiseren zou zich volgens Marx echter vooral eerst grondig moeten oriënteren op de beginselen van de politieke economie. Daarbij is het volgens hem voldoende om "het grote werk van Ricardo" open te slaan [Brief aan Weydemeyer uit 1852, in: Briefe:58. Vgl. MEW 28:508]. Voor de potentiële critici van zijn eigen werk verwijst Marx daarom aan het eind van zijn studie eerst naar het werk van de meest klassieke vertegenwoordiger van de burgerlijke politieke economie.[23]

David Ricardo (1772-1823) spoorde het interne verband op tussen vormen van maatschappelijke rijkdom die in eerste instantie onafhankelijk van elkaar lijken te zijn: grondrente, ondernemerswinst, rente, loon, salaris enz. Hij berooft deze brokstukken van de maatschappelijke rijkdom van hun schijnbare zelfstandigheid. De vormen waarin alle niet-arbeiders delen in de maatschappelijke rijkdom voert hij allemaal terug tot die ene vorm van winst. Deze winst wordt op zijn beurt weer opgelost in meerwaarde, d.w.z. in onbetaalde arbeid. Tegenover elkaar staan dus (1) het betaalde deel van de arbeid resp. het arbeidsloon en (2) de onbetaalde arbeid, d.w.z. onder verschillende titels toegeëigende, maar feitelijk door het kapitaal afgeperste vormen van meerarbeid. De klassieke politieke economie kent dus slechts twee 'oorspronkelijke' of 'primaire' inkomens: arbeidsloon of aandelen in de meerwaarde in de vorm van ondernemerswinst, rente enz. Alle andere personen moeten hun aandeel in de maatschappelijke rijkdom verwerven via 'diensten' voor deze beide klassen of door een andere vorm van (familiaire, communale, sociale) herverdeling.

De 'waar' is de elementaire vorm van de maatschappelijke rijkdom in de burgerlijke maatschappij. De waarde van deze waren valt - afgezien van de waardebestanddelen die telkens worden overgedragen - uiteen in onbetaalde en betaalde arbeid. In laatste instantie wordt de waarde van de waren dus teruggevoerd tot louter arbeidstijd. Het interne verband tussen de diverse vormen die het produktieproces van het materiële leven uiterlijk vertoont, is volgens de vertegenwoordigers van de klassieke politieke economie gelegen in de bepaling van de waarde door de arbeidstijd. Deze 'verborgen grondslag' van het burgerlijke economische systeem werd door Ricardo het meest consequent geformuleerd.

De grote historisch betekenis van Ricardo voor de economische theorie is dus, dat hij ontdekte dat 'de bepaling van de waarde door de arbeidstijd' de grondslag en het uitgangspunt vormt voor het begrip van de interne samenhang van de burgerlijke maatschappij en van het sociale levensproces dat zich daarin ontwikkelt [vgl. MEW 26.2:163]. Van daaruit heeft Ricardo onderzocht: (a) In hoeverre de verschijningsvormen van het systeem corresponderen met deze grondslag, waarop de innerlijke samenhang, de werkelijke fysiologie van de burgerlijke maatschappij berust. (b) In hoeverre de andere produktie- en samenlevingsverhoudingen die in de burgerlijke maatschappij bestaan corresponderen met het uitgangspunt van dit systeem. (c) In hoeverre de economische categorieën - d.w.z. de theoretische uitdrukkingen van de produktie- en klassenverhoudingen - overeenkomen met het uitgangspunt van het burgerlijke systeem. (d) In hoeverre een wetenschap, die slechts de verschijningsvormen van dit proces weergeeft, überhaupt inzicht kan geven in deze grondslag waarop de interne samenhang van het burgerlijke systeem berust.

Ricardo onderzoekt dus in het algemeen de tegenspraak tussen de schijnbare en de werkelijke beweging van het economische systeem en dwingt de wetenschap om hiermee rekening te houden:

"Met deze wetenschappelijke verdienste hangt nauw samen, dat Ricardo de economische tegenstelling van de klassen - zoals die uit de innerlijke samenhang voortvloeit - ontdekt en formuleert; hij ontdekt daarom in de economie het fundament van de historische strijd en van het ontwikkelingsproces" [MEW 26.2:163].

Al vóór Marx toont Ricardo dus aan dat het bestaan van klassen in de burgerlijke maatschappij niet verbonden is aan politieke privileges en monopolies, maar aan specifieke economische voorwaarden. Voor Ricardo zijn rente (grondeigendom), winst (kapitaal) en arbeidsloon (loonarbeid) voorwaarden van de maatschappelijke tegenstellingen en van klassenstrijd; hij beschouwde ze niet als inkomenssoorten die uit de drie factoren van elke produktie voortvloeien en die als zodanig ondanks hun verscheidenheid harmonisch bij elkaar horen. Dat is tevens de belangrijkste reden waarom Ricardo een schietschijf werd voor burgerlijke critici die niet alleen de onderlinge strijd, maar zelfs het bestaan van maatschappelijke klassen ontkenden. Marx nam Ricardo in bescherming tegen rabiate critici, zoals de Amerikaanse econoom Henry Charles Carey (1793-1874), die hem attaqueerde als 'vader van het communisme':

"Het systeem van Ricardo is een systeem van tweedracht...het loopt erop uit de vijandschap tussen klassen en naties te stichten. [...] Zijn tekst is het ware handboek van de demagoog, die naar macht streeft door middel van landverdeling, van oorlog en van plundering" [Carey 1848].[24]

Terwijl Marx Ricardo beschouwde als de 'meest stoïcijnse tegenstander van de arbeidersklasse', werd deze door Carey c.s. aan de paal genageld als een man wiens boeken het arsenaal vormen voor anarchisten, socialisten en alle andere vijanden van de burgerlijke orde. Ricardo en andere klassieke burgerlijke economen wordt voor de voeten geworpen "dat zij de maatschappij verscheuren en de burgeroorlog voorbereiden doordat zij bewijzen dat de economische grondslagen van de verschillende klassen een noodzakelijke en steeds groeiend antagonisme tussen de klassen moet voortbrengen" [Marx, Briefe: 59].

Ricardo raakt in zijn analyses de kern van de kapitalistische produktiewijze, namelijk dat de maatschappelijke rijkdom zich ontwikkelt door, maar niet voor de directe producenten resp. de arbeidersklasse.[25] Enerzijds beschouwt hij de arbeid als enige bron van ruilwaarde, anderzijds ziet hij het kapitaal niet alleen als hoogste doel van de produktie, maar ook als bron van alle rijkdom. De bovengrens van Ricardo's creatieve denken is dat hij deze tegenspraak niet analyseert als een specifiek historische vorm waarin de kapitalistische maatschappij zich ontwikkelt. Hij beschouwt de kapitalistische arbeidsverhoudingen als eeuwige, natuurlijke vorm van elk produktieproces en vat de basisverhouding tussen kapitalist en arbeider op als een natuurlijke verhouding waarop elk produktieproces berust.

1.4 'Het nieuwe dat ik heb gedaan was...'

We hebben eerder gezien hoe in de 17e en 18e eeuw het in de natuurwetenschappen ontwikkelde classificatiebegrip werd overgedragen op de maatschappijwetenschappen. We hebben zowel de geboorte van het klassiek-liberale als het vroeg-socialistische klassebegrip besproken, waaruit de eerste moderne inzichten in het bestaan van klassen resulteerde. We hebben gezien dat in het liberale klassebegrip niet alleen de economische voorwaarden van het bestaan en de tegenstellingen tussen de klassen werd erkend, maar tevens de eerste pogingen werden gedaan om hiermee politieke en sociale geschiedenis te interpreteren. We hebben echter ook bij Saint-Saint gezien dat er getornd werd aan limieten van het burgerlijk-liberale klassebegrip, en met name aan de ‘naturalisering’ van kapitalistische klassenverhoudingen.

Wat is tegen deze theorie-historische achtergrond 'het nieuwe' dat Marx aan de klassentheorie heeft toegevoegd? In welk opzicht betekent zijn bijdrage een breuk met het gedachtengoed waarop hij kon steunen?

Ik heb er al eerder op gewezen dat Marx in het 52e hoofdstuk van Het Kapitaal niet expliciet aangeeft waarin zijn benadering van het klassenvraagstuk verschilt van die Ricardo en andere klassieke economen. Op andere plaatsen maakt hij echter wel zeer duidelijk dat niet hem de eer toekomt om het bestaan van klassen en hun onderlinge strijd ontdekt te hebben. In een bekende en veel geciteerde brief aan Weydemeyer schrijft hij al in 1852:

Wie inzicht wil krijgen in de geschiedenis van de klassen in het verleden adviseert Marx daarom eerst maar eens de historische werken van Thierry, Guizot, John Wade, en de economische werken van Ricardo te bestuderen. Marx was zich echter even bewust van zijn nieuwe ontdekkingen. Hij meent aangetoond te hebben:[27]

Wat heeft Marx in zijn kritiek van de politieke economie voor nieuws gebracht? We hebben gezien dat de revolutionaire breuk van de theorie van Marx met de klassieke economie niet gelegen is in het feit dat hij de klassenstrijd in de burgerlijke maatschappij benadrukt (de klassenstrijd werd al door ‘burgerlijke’ historici voor Marx geanalyseerd), ook niet dat hij wijst op de economische grondslagen van de klassen (dat hadden de klassieke economen al aangetoond), en ook niet dat de economische grondslagen van de verschillende klassen tot een steeds groter wordend antagonisme tussen de klassen leidt (dat inzicht was al op robuuste wijze door Ricardo geformuleerd). De vooruitgang tegenover de traditionele theorie was dat Marx in zijn analyse van de economische structuur van de burgerlijke maatschappij laat zien dat deze verhoudingen historische geworden en vergankelijk zijn. Zelfs in zijn analyse van de meest eenvoudige economische vorm, de waar, ontrafelt Marx —in tegenstelling tot Smith en Ricardo— al het historisch specifieke, karakter van de burgerlijke produktieverhoudingen. De ontcijfering van het dubbelkarakter van de burgerlijke arbeid, het inzicht in de waarde als een historisch specifieke vorm van maatschappelijke arbeid is het vertrekpunt van zijn analyse van alle verder ontwikkelde economische verhoudingen. In al deze verhoudingen manifesteert zich niet alleen de fundamentele tegenstrijdigheid, maar ook de historische relativiteit van de burgerlijke produktiewijze. Door de klassenproblematiek te verbinden is aan specifieke arbeids- en exploitatieverhoudingen van de burgerlijke maatschappij werd de weg vrijgemaakt voor een niet-speculatieve verklaring van de mogelijkheid klassenloze maatschappij en voor een afbakening van de mogelijke wegen die daartoe zouden kunnen leiden.

Index


2. Intellectueel-biografische aspecten

Het ontstaan en de uitwerking van 'materialistische' of 'proletarische' klassentheorie is weliswaar een historisch resultaat van de maatschappelijke ontwikkelingen in het midden van de vorige eeuw, maar het is zeker geen spontane of mechanische reflectie van dit historisch proces. Zij is evenmin het produkt van een quasi-spontane chemische verbinding tussen drie burgerlijke denktradities, hoewel zij zonder de eerdere intellectuele prestaties van tal van economen en historici ondenkbaar is. Het ontstaan van deze klassentheorie kan ook niet simpel worden opgevat als het produkt van een afzonderlijk geniaal individu, ook al is zij persoonlijk gekleurd door de intellectuele inspanningen en prestaties van Marx.

2.1 Geen lineaire ontwikkeling
De ontwikkeling van Marx’s denkbeelden over het klassevraagstuk verloopt niet als een lineaire progressie naar een doel; zij kan dus niet mechanisch worden geïnterpreteerd als een proces van permanente accumulatie van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Het ontwikkelingsproces van zijn denkbeelden kan evenmin organisch worden begrepen als het ontkiemen van inzichten die vanaf het begin af aan aanwezig zijn: de suggestie dat ongeveer alles wat in Het Kapitaal ontdekt werd al in embrionale vorm aanwezig zou zijn in de Filosofisch Economische Manuscripten van 1844. En tenslotte wordt dit proces ook niet verhelderd met een idealistisch interpretatiemodel dat de klassentheorie Van Marx laat beginnen met onaantastbare ‘principes’ waaruit vervolgens moeizaam de consequenties worden afgeleid. Wetenschappelijke progressie impliceert immers dat er nieuwe kennis wordt geproduceerd die met terugwerkende kracht de uitgangspunten aan het wankelen brengt om deze tenslotte volledig te ondermijnen. Wetenschap gaat vooruit door retrograde bewegingen: zij verlaat geleidelijke oude uitgangsstellingen en neemt nieuwe in: een wetenschap gaat niet uit van principes, zij gaat er naar toe.

Zodra men de idee van een lineaire progressie loslaat kan men de teksten van Marx niet meer op een hoop gooien of als een granieten blok voorstellen. De omtrekkende en terugtrekkende bewegingen via welke theoretisch werk zich ontwikkelt worden hierdoor aan het gezichtsveld onttrokken. Dit stimuleert een 'lui marxisme' [Hall 1973:16] dat zichzelf bevredigt met twee suggesties: (a) dat er geen kritische reconstructies meer nodig zijn om de ontwikkelingen, breukvlakken en lacunes in het werk van Marx zelf analyseren, en (b) dat men verder zou kunnen steunen op de 'evidentie' van 'het marxisme' dat in de teksten van Marx altijd latent aanwezig is. Dat een dergelijk 'common sense marxisme' de noodzakelijke reconstructie en verdere ontwikkeling van deze klassentheorie alleen maar heeft geblokkeerd, hoeft hier niet meer te worden gedemonstreerd.

2.2 Verandering van problematieken: breuken/cesuren
De theoretische benadering voor het onderzoek van de klassenverhoudingen was het resultaat van een intensieve periode van werken, waarin Marx zijn aanvankelijk nog in het idealisme bevangen uitgangspunten verlaat om een nieuw wetenschappelijk programma te funderen. De wetenschappelijke ontdekking van Marx impliceerde een breuk met vroegere 'ideologische' geschiedenisopvattingen.

Deze breuk in de ontwikkeling van het denken van Marx is echter niet eenmalig maar processueel. Tussen de 'jonge' en de 'oude' Marx bestaat er daarom geen simple scheidslijn. In het ontstaans- en ontwikkelingsproces van de klassentheorie van Marx kunnen een aantal breuken en fasen worden onderscheiden. Daarom variëren de teksten die Marx in verschillende periode van zijn leven schreef niet alleen in thematische doelstelling, maar ook in theoretische status. Het verschil in theoretische status van teksten is met name het gevolg van het feit, dat zij verbonden zijn aan en gedomineerd worden door de problematieken waarin Marx op dat moment dacht en schreef [Hall 1973:16], Van Dijk 1984:344]. Onder problematiek (of zo men wil ‘paradigma’) versta ik de architectuur van begrippen welke de specifieke vragen genereert die aan het onderzoeksobject worden gesteld en de vragen die niet worden gesteld, omdat zij buiten de definitie van het theoretisch object vallen.

Een reconstructie van de verschuivingen in problematieken die in de loop van Marx' intellectuele arbeid optreden, maakt het mogelijk om het 'nieuws' dat hij op het gebied van de klassenanalyse te bieden heeft beter te identificeren. Zijn 'ontdekkingen' vinden plaats op de breukvlakken tussen de verschuivende problematieken. Een analyse van deze verschuivingen kan uitsluitsel geven over de vraag, welke begrippen, thema's en vraagstellingen nog behoren bij de 'ideologische' voorgeschiedenis en welke gerekend kunnen worden tot de zogenaamde harde kern van klassentheorie zelf.

2.3 Kwadratuur van een cirkel?
Bij deze onderneming stuit men op twee lastige vragen. Ten eerste: op welke wijze kunnen er verschillende problematieken in teksten worden geïdentificeerd en geordend? Ten tweede: op grond van welke criteria en met welke normen is het mogelijk om in het werk van Marx een grens te trekken tussen wetenschappelijk houdbare elementen en restanten van de 'ideologische' voorgeschiedenis van deze klassentheorie? In principe kunnen deze vragen op drie manieren worden beantwoord: historisch-chronologisch, intern-retrospectief en extern-retrospectief.

a Historisch-chronologische beschouwingen — Als men het ontstaan van de klassentheorie van Marx historisch-chronologisch benadert, raakt men gemakkelijk verstrikt in een cirkel van problemen, waarin de oplossing van het ene probleem de oplossing van het andere veronderstelt. Enerzijds moeten we om de klassentheorie van Marx goed te begrijpen duidelijkheid hebben over het ontstaansproces van die theorie: een begrip van de vroegere ontwikkelingsetappes is immers nodig om de latere ontwikkelingsfasen van de theorie te begrijpen. Anders gezegd: men moet de vóór-wetenschappelijke formuleringen kennen om het specifiek wetenschappelijk van de theorie te kunnen begrijpen. Anderzijds is echter voor het begrijpen van de genese van de klassentheorie en van de specifieke aard van de vroege etappes al de kennisstand van de ontwikkelde theorie verondersteld. Kortom: het begrijpen van de 'voor-wetenschappelijke' fase veronderstelt inzicht dat voortvloeit uit het onderzoek van de ontwikkelde theorie.

Van mens naar aap
In zijn Inleiding bij de Grundrisse bespreekt Marx voor zijn economische theorie een vergelijkbaar methodologisch probleem. Naar zijn mening is het “ondoenlijk en onjuist om de economische categorieën in dezelfde volgorde te behandelen als waarin zij historisch de determinerende categorieën waren (…) Het gaat niet om de relatie waarin de economische verhoudingen historisch tot elkaar staan in de opeenvolging van de verschillende maatschappijvormen”, maar om “de relatie waarin zij in de burgerlijke maatschappij tot elkaar staan”. Hiervoor is het niet nodig eerst alle voorafgaande ontwikkelingsfasen van de economische verhoudingen te kennen. Eerder omgekeerd: “De anatomie van de mens levert de sleutel voor de anatomie van de aap. De aanduidingen van een hogere ontwikkeling in de lagere diersoorten kunnen daarentegen slechts begrepen worden wanneer deze hogere ontwikkeling zelf reeds bekend is. De burgerlijke economie levert zo de sleutel voor de antieke etc.” [Inleiding Grundrisse: 26; TEU 17: 511]. Vergelijk ook: Althusser [1973:33,44,54,59 - Über den Junge Marx, ]. Arenz/Bischoff/Jeaggie [1973:xlv e.v.], Bischoff [1973 - Gesellaftliche Arbeit].

b Intern retrospectief: in het licht van Het Kapitaal — We kunnen het ontstaansproces van de klassentheorie ook bekijken vanuit het gezichtspunt van de rijpe en ontwikkelde theorie, d.w.z. ‘in het licht van Het Kapitaal’ [Hall 1973:19]. In Het Kapitaal geeft Marx immers zijn meest ontwikkelde uiteenzetting van de kapitalistische produktiewijze en van de daarmee corresponderende klassenverhoudingen. Op basis van deze ontwikkelde uiteenzetting van de kritiek van de politieke economie kan een beoordeling worden gegeven van de verschillende ontwikkelingsfasen tijdens de uitwerking van de klassentheorie.

c Extern retrospectief: in het licht van de na-geschiedenis — Het licht van Het Kapitaal kan echter nooit een absolute norm zijn. Zoals eerder gezegd is ook de bijdrage van 'de oude Marx' immers eerder een onvoltooide systematische aanzet dan een 'voltooid systeem' (whatever that may be). Een klassenanalytisch onderzoeksprogramma dat wetenschappelijk enigszins houdbaar is, is noodzakelijkerwijze open voor verdere ontwikkeling. In dogmatische beschouwingen over de klassentheorie van Marx wordt vaak uitgegaan van de mytische vooronderstelling van de 'zuiverheid van de bron', van een 'autentiek marxisme'. Vanuit deze vooronderstelling wordt de ontwikkeling van de klassentheorie beschreven als een cyclus van contaminatie (besmetting, deformatie, vervlakking, verval) en van purificatie (zuivering, herstel). Onder het motto 'terug naar de bron' wordt theoriegeschiedenis bedreven als een chroniek van splitsingen en vervormingen. Dergelijke geschiedenissen zijn geobsedeerd door 'fouten' en 'afwijkingen' van de theoretische zuiverheid, het zijn puristische geschiedenissen. De door puristen zo verfoeide 'afwijkigen', 'revisies', 'vervlakkingen' en 'vulgarisaties' worden niet meer in verband gebracht met de structuur van de betreffende theorie zelf.

De ontwikkeling van de klassentheorie kan niet worden beschreven in termen van een proces van vervlakking of recuperatie van deze theorie door 'externe factoren'. Er bestaat überhaupt geen 'autentiek marxisme' [S. Hall, in: Hunt 1977:16].

Marx’ uiteenzetting in Het Kapitaal moet —uiteraard— niet tot norm worden verheven op grond waaraan men het wetenschappelijke gehalte van klassentheorieën kan meten. Om de geschiedenis van theorievorming van de mutatie van problematieken te kunnen schrijven heeft men actuele normen nodig, d.w.z. normen die ontleend zijn aan de actuele ontwikkelingsstand van de sociale wetenschap. Bij de beoordeling van de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van de klassentheorie dient dus gebruik gemaakt te worden van het zgn. retrospectieve of recurrentie-effect.

Een analyse van ontstaan en ontwikkeling van de 'marxistische' klassentheorie zou er met name op gericht moeten zijn om in de geschiedenis van deze onderzoekstraditie de begrippen en (deel)theorieën te identificeren die een 'passé actuel' hebben voor de moderne sociale wetenschappen. Dat betekent ook dat we ‘verjaarde’ termen, begrippen en theoretische constructies moeten identificeren — om er afscheid van te nemen.

Index


3. Verschuivende problematieken

De klassentheorie van Marx en Engels heeft zich in nauwe samenhang met de kritiek van de politieke economie ontwikkeld. Aan de latere formuleringen van hun klassentheorie ging een langdurige periode vooraf van kritiek op de rechtsfilosofie van Hegel, op de klassieke burgerlijke economen, op het vigerende model van historische analyse en op de verschillende socialistische doctrines van hun tijd. In hun vroege teksten wordt door een 'radikale kritiek' op deze posities en stromingen de weg vrijgemaakt voor een historisch-materialistische opvatting van de geschiedenis. Omdat zij zich al vroeg intensief met de politieke economie bezig hadden gehouden, konden zij in hun eerste teksten al elementen van een materialistische klassentheorie presenteren, zonder dat de pijlers van de kritiek van de politieke economie waren uitgewerkt. Het programmatische karakter van dit 'historisch materialisme', waarin de eerste aanzet wordt geformuleerd van een eigen klassentheoretisch concept, wordt pas overwonnen na de ontdekking van de grondslagen van de kritiek van de politieke economie. Door de ontdekking en systematische uitwerking van begrippen als 'waarde', 'meerwaarde', 'produktieve arbeid', 'uitbuitingsratio' is Marx in staat om zich zowel inhoudelijk als terminologisch los te maken van de voorgeschiedenis van de klassentheorie. Naarmate zijn kritiek van de politieke economie meer vaste, systematische vormen aanneemt, is hij in staat om uit te gaan boven de zeer algemene bepalingen van de historisch-materialistische klasse-opvatting en door te dringen in de specifieke eigenschappen van kapitalistische klassenstructuren. In de loop van de ontwikkeling van de kritiek van de politieke economie krijgt Marx een 'sleutel' in handen voor een systematische analyse van de klassenstructuren van de kapitalistische produktiewijze. Dan pas is hij in staat om (1) meer consistente uitspraken te doen over structuur- en ontwikkelingstendensen van klassenverhoudingen in burgerlijke maatschappijformaties [Kostede 1974:4; Armanski 1974:132]; (2) de verschillende analyse-eenheden en abstractieniveaus waarop hij opereert methodisch stringenter uit elkaar te houden, en (3) ontstaat er ook iets meer consistentie in de klasse-terminologie.

Ik zal hier geen uitvoerige uiteenzetting geven over de ontwikkeling van het denken van Marx en Engels. Ik zal hier slechts een globale schets geven van een aantal voor ons thema belangrijkte verschuivingen en breukvlakken.

3.1 Van materialistische geschiedenisopvatting naar kritiek van de politieke economie
De verschillende analyse-eenheden en abstractie-niveaus worden door Marx aanvankelijk niet duidelijk uit elkaar gehouden. Problematisch is hierbij vooral de relatie tussen de algemene klassentheorie die meerdere maatschappijformaties omvat en de analyse van de specifieke klassenverhoudingen van de burgerlijke maatschappij.

Daarbij kan men in het algemeen zeggen dat er een verschuiving optreedt van het thematiseren van algemene voorwaarden van het bestaan van sociale klassen naar het onderzoek van specifieke vormen van klasseheerschappij in de burgerlijke maatschappij. In de vroegere werken - zoals in de Duitse Ideologie en de Filosofisch-Economische Manuscripten, Ellende van de Filosofie, en in de kritieken op Proudhon - bestaat er een tamelijk directe verknoping tussen

  1. het uitwerken van de basiselementen van een algemene theorie van historische maatschappijformaties via de kritiek op de idealistische filosofie en op abstract beschouwelijk materialisme, en
  2. de eerste aanzetten van de kritiek van de politieke economie resp. een waardetheorie, als rationele grondslag voor de analyse van de burgerlijke maatschappijformatie [Jung 1972:22; PKA 1973:386 - Materialien I; Giddens 1973:27; Armanski 1974: 144].
Deze verbinding markeert het keerpunt in zijn intellectuele ontwikkeling. Na de 'omslag van historisch materialisme in de kritiek van de politieke economie' (Armanski) probeert Marx de beide abstractie-niveaus en analyse-eenheden strikter uit elkaar te houden. Dit betekent overigens niet dat zijn denken over klassen in verschillende maatschappijformatie ophoudt bij de vroege geschriften. Zijn reflecties over een meer algemene, meerdere maatschappijformaties omvattende klassentheorie krijgen meer diepgang en worden systematischer. Zo merkt hij bijvoorbeeld in de Grundrisse, op dat de indeling van zijn studie kennelijk als volgt gemaakt moet worden:

Marx heeft weliswaar geen algemene klassentheorie gesystematiseerd, maar heeft hiervoor wel een paar systematische voorzetten gegeven, waarbij met name wordt ingegaan op de methodische verhouding tussen het algemene en maatschappijformatiespecifieke analytische niveau [vergelijk bijvoorbeeld de bekende aap-mens-verhouding in de Grundrisse]. Ook bij een interpretatie van Marx's opvattingen over de algemene voorwaarden van het ont- en bestaan van maatschappelijke klassen moet men er rekening mee houden dat er een grote interpretatie-speelruimte is vanwege de zeer uiteenlopende aard van de teksten. Marx en Engels onderbouwen hun theoretische optiek niet uitvoerig, maar demarkeren hun eigen benadering slechts door afgrenzingen te geven ten opzichte van andere posities Bovendien zijn de betreffende teksten vaak meerduidig en laten dus verschillende interpretaties toe. Marx en Engels waren zelf zeer voorzichtig zijn met het formuleren van algemene leidraden voor analyses van historisch specifieke maatschappijformaties. Zij waarschuwen herhaaldelijk tegen 'recepten' en geschiedenisschema’s. [MEW 19:107 en de vaak geciteerde latere brieven van Friedrich Engels over het historisch-materialisme, met name de brieven aan Conrad Schmidt (5 augustus 1890, in: MEW 37:435-8), Joseph Bloch (21 september 1890, in: MEW 37:462-5), Conrad Schmidt (27 october 1890, in: MEW 37:488-95) en W. Borgius (25 januari 1894, in: MEW 39:205-7). Al deze brieven zijn in het Nederlands vertaald in: TEU 19 (3/4), 1972]. Daarom zijn de teksten die hiervoor het meest worden geciteerd —Duitse Ideologie, Vorwort bij Zur Kritiek en Einleitung bij Grundrisse— door henzelf bewust niet zijn gepubliceerd.

3.2 Verschuiving van centrale klasseconstituerende begrippen
De vroege teksten van Marx en Engels worden sterk gekleurd door thematieken en vokabulaire van de theorieën en filosofieën die zij kritiseren. "Wie die erste Kritik jeder Wissenschaft notwendig in Voraussetzungen der Wissenschaft, die sie bekämpft, befangen ist" [MEW 2:32]. Onder invloed van de filosofie van Hegel en het humanisme van Feuerbach verschijnen de klassen in hun vroege teksten eerder als filosofische figuren - 'universele klasse' - dan als substraten van de maatschappij. Zij naderen wel twee basisthema's van de materialistische maatschappij- en geschiedenisopvatting: (a) dat de produktiewijze de beslissende rol in de ontwikkeling van de maatschappijformaties speelt en (b) dat de geschiedenis moet worden opgevat als geschiedenis van de klassenstrijd. De centrale analysecategorieën zijn privé-eigendom en vervreemde arbeid [zie hiervoor met name de Heilige Familie - 1845]. Met deze algemene categorieën slagen zij er nog niet in de specifieke vorm van de burgerlijke klasseheerschappij te analyseren. In de loop van hun verdere studies treedt er een verschuiving op: in plaats van de begrippen privé-eigendom en vervreemde arbeid komen de categorieën kapitaal en loonarbeid steeds centraler te staan. In de Economisch-filosofische Manuscripten (1844) wijst Marx de arbeidswaardeleer nog zonder meer af en probeert hij met de theorie van de vervreemding van de arbeid het wezen van de warenproduktie in het algemeen te vatten. In de Heilige Familie (1845) en Duitse Ideologie (1845/6) wordt deze theorie steeds meer verdrongen. In zijn eerste gepubliceerde economische studie, Elend der Philosophie, begint Marx de arbeidswaardeleer te verdedigen [Tuscheerer 1968:251 e.v.,114 e.v.].

Proletariaat als universele klasse
In zijn inleiding op Bijdrage tot de kritiek op Hegels Rechtsfilosofie (1844) beantwoordt Marx de vraag, waarin de positieve mogelijkheid van de Duitse emancipatie ligt als volgt:

"In de vorming van een klasse met radikale ketenen, een klasse van de burgerlijke maatschappij die geen klasse van de burgerlijke maatschappij is, een stand die de ontbinding van alle standen is, een sfeer die door haar universele lijden een universeel karakter bezit en geen bijzonder recht opeist, omdat tegenover haar geen bijzonder onrecht, maar onrecht zonder meer wordt begaan; die zich niet meer op een historisch recht, maar alleen nog maar op het menselijke recht kan beroepen, die niet in eenzijdige tegenstelling staat tot de gevolgen, maar in alzijdige tegenstelling tot de voorwaarden van het Duitse staatswezen; een sfeer tenslotte, die zich niet kan emanciperen zonder zich te emanciperen van alle overige sferen van de maatschappij en daarmee alle overige sferen van de maatschappij te emanciperen, die in één woord het volledig verloren gaan van de mens is, die dus alleen maar door het volledig herwinnen van de mens zichzelf kan winnen. Deze ontbinding van de maatschappij als een bijzondere stand is het proletariaat" [MEW 1:390 - vert. p. 103].

Hoewel Marx in deze kritiek direct polemiseert tegen Hegels opvatting van de bureaucratie als representant van 'het algemene belang' is de 'hegeliaanse choreografie' van deze passage evident [Nicolaus 1970:43 e.v.]. De sterke kant van Marx' uiteenzetting is, dat hij geen 'heldenklasse' tegenover een 'boevenklasse' portretteert en dat hij zijn kandidaat voor de revolutionaire klasse niet verheerlijkt. Hij benadrukt eerder het tegendeel, waar vervreemding wordt gelijkgesteld met volledige dehumanisering. De zwakke kant is:

    "it does not yet bring to the fore the active potentiality of the proletariat's place in society. This weakness is entirely bound up with its underlying vice: it has no economic underpinning. There is yet no understanding of economic exploitation as the root of the social position of the proletariat, as the root also of many of the assertions which appear only as insights. Hence a general view of the class struggle is missing, and with it the solution to (among other things) the dehumanizing effect of the new bourgeois society" [Draper 1977:147. Vgl. ook Armanski 1974:143,199].

3.3 Van klassenanalyse vanuit distributie/concurrentie naar kapitalistische produktie/accumulatie
Dit heeft tevens gevolgen voor de wijze waarop de arbeidersklasse wordt geanalyseerd. Aanvankelijk wordt de arbeidersklasse vooral beschreven in termen van de ‘arme’, ‘bezitloze’, ‘werkende’ klasse.

De eerste analyses van Marx en Engels over de sociale klassenstructuur zijn verspreid en onsystematisch. Hun klasseopvatting is primair gebaseerd op ordeningen van empirische observaties. Omdat de wetmatigheden van het economisch proces aanvankelijk alleen descriptief worden verduidelijkt beweegt de analyse van de klassen zich hoofdzakelijk op het verklaringsniveau van concurrentie en anarchie. Zowel de intern-kapitalistische concurrentie als de concurrentie binnen de arbeidersklasse worden primair als marktverschijnselen behandeld [Armanski 1974:151,159-164, 199]. Het verband met processen van waarde- en meerwaardevorming in de kapitalistische arbeidsverhoudingen kan nog niet worden gelegd. Daarom slagen zij er aanvankelijk niet in om de ontwikkeling van de sociale klassenstructuur te thematiseren vanuit het kapitalistische produktie- en accumulatieproces.

Deze gesystematiseerde waarneming van de verschijnende beweging van het kapitaal en van de klassen wordt gecombineerd met de eerste aanzetten van de latere waardetheorie. Theoretisch gezien blijven zij echter binnen de parameters van de zgn. produktiefactorentheorie, welke zij later grondig zouden kritiseren [Tuscheerer 1968:102 e.v.,300 e.v.; Wygodsky 1965/74; Armanski 1974:10,133,145,159,183]. Daarna worden hun analyses steeds meer geconcentreerd op de specifieke uitbuitingsverhoudingen die in het kapitalisme dominant zijn. Zij ontdekken dat het 'geheim' van de de kapitalistische produktie- en klassenverhouding gelegen is in de produktie en verdeling van de meerwaarde. In het begin van de jaren vijftig trekt Marx al de conclusie dat het bestaan van de klassen slechts gebonden is aan specifieke fasen in de ontwikkeling van de produktie [Briefe:59].

Produktiefactorentheorie
Volgens de theorie van de drie produktiefactoren zijn het loon, de grondrente en de interest de vergoeding/beloning die de eigenaars ontvangen voor het ter beschikking stellen van de produktiefactoren, of voor de produktieve prestaties ervan. De bekende bezwaren tegen deze theorie kunnen als volgt worden samengevat:
  1. Een grondeigenaar die zijn grond niet zelf bewerkt voegt niets aan de produktie/waardevorming toe. De grondeigenaar verleent de pachter slechts toestemming om de van nature ter beschikking staande grond te gebruiken en voor deze toestemming wordt pacht betaald. Alleen omdat de grondeigenaar gerechtigd is alle anderen van het gebruik van de grond uit te sluiten is zijn instemming noodzakelijk en kan deze zich hiervoor laten betalen.
  2. De kapitalist levert als zodanig (nml. als niet-werkende) geen produktieve prestaties, maar geeft slechts aan anderen toestemming om zijn kapitaal tijdelijk te gebruiken. Kapitaalgoederen moeten weliswaar - i.t.t. de van nature gegeven grond - worden geproduceerd, maar deze produktie prestatie wordt niet door de kapitalist als zodanig verricht, maar door degenen die kapitaalgoederen voortbrengen. Kapitaalgoederen kunnen evenals grond als produktiemiddel worden gebruikt, d.w.z er kunnen produktieve prestaties mee worden verricht. Deze worden evenwel niet door de kapitalist verricht, maar door de producenten die de kapitaalgoederen gebruiken. De kapitalist verleent slechts toestemming om het kapitaal of in het geval van verhuur kapitaalgoed tijdelijk te gebruiken. Voor deze toestemming wordt interest (resp. huur) betaald. Interest en grondrente zijn dus geen vergoeding voor het ter beschikking stellen van produktieve prestaties van het kapitaal en de grond.
  3. Het loon is geen vergoeding voor de arbeid, maar de prijs van het - meer of minder gekwalificeerde, meer of minder schaarse enz. - arbeidsvermogen resp. de arbeidskracht. ('De arbeid' vericht überhaupt geen produktieve prestaties: de arbeid wordt door arbeiders verricht, en de produktieve prestatie bestaat juist in deze verrichting). In een kapitalistische wareneconomie wordt als regel nooit betaald voor een prestatie: wanneer men het verlangde niet voor niets kan krijgen, dan betaalt men prijzen en geen vergoedingen. Het loon is de prijs die betaald moet worden voor het tijdelijk gebruik van de arbeidskracht, net zoals interest de prijs is voor het tijdelijk in gebruik geven van kapitaal, en de grondrente de prijs is voor het tijdelijk in gebruik geven van grond [Otto Conrad, Over de theorie van de drie produktiefactoren, in: De armoede van de ekonomiese wetenschap - Twaalf essays. Nijmegen 1975].

3.4 Van arbeidersklasse als buiten de burgerlijke maatschappij staande klasse tot een in en door de burgerlijke maatschappij geproduceerde en gereproduceerde klasse
Als 'arme', 'bezitloze' en 'werkende' klasse wordt de arbeidersklasse aanvankelijk als een volledig buiten en tegenover de burgerlijke maatschappij staande klasse beschreven. Met name onder invloed van het werk van Engels rijpt het inzicht, dat het proletariaat een klasse is die door de ontwikkeling van de burgerlijke maatschappij zelf wordt geproduceerd en die zich daarin permanent reproduceert. De arbeidersklasse wordt nu opgevat als de "negatieve kant van de tegenspraak" tussen loonarbeid en kapitaal [MEW 2:37]. Deze tegenstelling is processueel, d.w.z. zij is bepalend voor de dynamiek en ontwikkelingsrichting van de burgerlijke maatschappij. In de verdere studies over de burgerlijke maatschappij wordt de arbeidersklasse niet meer als klasse buiten de maatschappij begrepen, maar als een door de tegenspraak van loonarbeid en kapitaal geconstitueerde klasse [vgl. Armanski 1974:167, 142 e.v.]; McCarthy 978]. De klassenbeweging wordt nu aan de economische ontwikkeling verbonden. Structuur en ontwikkeling van de sociale klassen worden nu niet meer primair bepaald door de loutere tegenstelling van rijkdom en armoede, maar door de structuur en dynamiek van de economische verhoudingen. Omdat de structuur- en ontwikkelingswetten van de economische verhoudingen bepalend zijn voor de klassenverhoudingen, hangt de verdere voortgang van de klassenanalyse vooral af van de verdere uitwerking van de centrale economische begrippen, met name van het begrip waarde en meerwaarde [vgl. Kostede 1974:3/4, Armanski 1974:145].

3.5 Van klasse als verhouding aan de oppervlakte van de burgerlijke maatschappij naar klasse als 'drager van economische verhoudingen'
Aanvankelijk worden de klassenverhoudingen opgevat als verschijnselen aan de oppervlakte van de burgerlijke maatschappij. Het verschil tussen de wetmatigheden die de kapitalistische produktie reguleren en hun - noodzakelijk verdraaide, gemystificeerde - verschijningsvormen aan de oppervlakte van de ruilverhoudingen van de burgerlijke maatschappij is nog niet doorgrond. Er wordt nog geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de theorie van de klassenverhoudingen van de kapitalistische produktiewijze en de analyse van haar concreet-historische vormen in de burgerlijke maatschappijformatie. Daarom slagen Marx en Engels er niet in de onderlinge verhoudingen tussen de klassen en hun interne geleding of fractionering exact te analyseren. Overheersend is dat zij de klassen analyseren vanuit differentiaties die voortvloeien uit arbeidsdelingen, waarvan de specifieke maatschappelijke vormen niet worden gethematiseerd. In Lage der Arbeiterklasse van Engels wordt de arbeidersklasse geschetst overeenkomstig de uiterlijke verdeling van arbeidstaken. Hoewel een aantal wezenlijke aspecten van het klassebegrip worden aangeroerd, staat toch de benadering vanuit het arbeidsproces op de voorgrond. Het 'dubbelkarakter' van de arbeid en van het produktieproces is dan nog niet ontdekt. De ontdekking van meerwaardetheorie maakt het pas mogelijk het produktieproces te analyseren als specifiek kapitalistisch proces, d.w.z. als eenheid van arbeids- en meerwaardevormingsproces.

Na de eerste formulering van de meerwaardetheorie in de Grundrisse (1857-58) kan Marx de begrippen ontwikkelen waarmee de klassen van de burgerlijke maatschappij in hun onderlinge verhoudingen en interne differentiaties kunnen worden geanalyseerd. Loonarbeid in de strikte economische zin van het woord is nu opgevat als kapitaalvoortbrengende loonarbeid. Niet elke ruil van geobjectiveerde tegen levende arbeid, en niet elke ruil van arbeidskracht tegen geld is zondermeer produktieve arbeid [Grundrisse:372]. Loonarbeid in strikte zin is ruil van arbeidskracht tegen geld als kapitaal. Van nu af aan gaat Marx de term produktieve arbeid gebruiken als een afkortende uitdrukking voor de basisvorm van burgerlijke arbeid, d.w.z. voor de specifieke arbeid waarop het geheel van de kapitalistische produktiewijze berust. Daarvan onderscheiden is de niet-kapitaalproducerende, d.w.z. onproduktieve arbeid. Ook deze vorm van arbeid neemt in de loop van de ontwikkeling van de kapitalistische produktieverhoudingen het karakter aan van loonarbeid. Het gaat om arbeiders zonder bezit van produktiemiddelen, die alleen beschikken over hun eigen arbeidskracht - zij ruilen (het gebruik van) hun arbeidskracht tegen geld. Zij staan echter in een andere economische verhouding: 'onproduktieve' loonarbeiders staan in afgeleide verhoudingen, d.w.z. afgeleid van de produktieve, waardescheppende arbeid. De gebruikswaarde van de onproduktieve, commerciële en dienstverlenende loonarbeiders bestaat volgens Marx slechts als gebruikswaarde voor de consumptie, niet als gebruikswaarde voor de waarde.

In Theorien über den Mehrwert (1861-63) is ondanks een aantal tegenstrijdige uitspraken deze thematiek iets verder uitgewerkt. Volgens Marx kan de gehele economische en klassenstructuur begrepen worden vanuit de produktieve bepaaldheid van de maatschappelijke arbeid. Van belang is daarbij dat produktieve arbeid als kapitaalproducerende arbeid niet alleen wordt onderscheiden van onproduktieve arbeid in het kapitalisme, maar ook van vroegere vormen van arbeid. Omdat de gehele economische structuur van de maatschappij draait om de specifieke verhoudingen waarin de levende arbeid zich realiseert, wordt het onderscheid van produktie en onproduktieve arbeid ook de sleutel tot het begrip van de verschillende maatschappijformaties. Produktieve arbeid is voor Marx de sleutelcategorie die de toegang biedt tot de ontcijfering van de klassenstructuur van haar geheel [zie de zeer gedetailleerde interpretatie van deze teksten door PEM, Der 4 Band des Kapital?, pp. 95-210 en 673 e.v.].

3.6 Van algemene thematisering van maatschappelijk zijn en bewustzijn naar specifieke analyse van bewustzijnsvormen in de burgerlijke maatschappij
De bewustzijnsproblematiek wordt aanvankelijk sterk verbonden aan die van de arbeidsdeling. Daarbij wordt ook het verzelfstandigde en vervreemdende karakter van maatschappelijke ideologieën rechtstreeks teruggevoerd tot het verschijnsel arbeidsdeling (zie hiervoor met name de Duitse Ideologie).

De maatschappelijke bewustzijnsvormen worden niet expliciet verbonden met de specifiek kapitalistische arbeidsverhoudingen. Daarom kan er ook nog geen rekening worden gehouden met het later ontdekte noodzakelijke verschil tussen kern- en oppervlaktestructuur van de kapitalistische produktie- en klassenverhoudingen.

Rond 1848 beschikken Marx en Engels nog niet over een theoretisch rerefentiekader waarmee zij vat kunnen krijgen op de specifieke en complexe wijze waarop het maatschappelijk bewustzijn van de produktie-actoren wordt gestructureerd door de allesbehalve transparante, maar juist meervoudig gemystificeerde kapitalistische produktie- en circulatieverhoudingen. Dit wordt met name zichtbaar is de thematisering van de voorwaarden waaronder een door het kapitaal georganiseerde en door 'de ideeën van de heersende klasse' beheerste arbeidersklasse zich zou kunnen ontwikkelen tot een zelfbewuste politieke klassebeweging. In zijn latere analyses formuleert Marx hiervoor een aantal systematische aanknopingspunten die geconcentreerd zijn op de specifieke tegenspraken en mystificaties van de kapitaalsverhoudingen en van de hierdoor gestructureerde bewustzijnsvormen [de kernbegrippen en methodiek van deze analyse zijn samengevat in Benschop, Klassen 1993:389-93].

3.7 Van staat en recht als loutere uitdrukking van klasseheerschappij naar specifieke analyse van de burgerlijke staatsvorm
Ook de analyse van de staat blijft aanvankelijk in wezen beperkt tot het algemeen niveau van het historisch materialisme. In zijn kritiek op de staats- en rechtsfilosofie van Hegel analyseert Marx de tegenspraak tussen burgerlijke maatschappij en staat. De staat blijft eigenlijk toch een soort randverschijnsel en kan nog niet worden verbonden met de waarde-analyse en de ontcijfering van 'oppervlaktestructuur' van de produktie- en reproduktieverhoudingen (deze ontcijfering zou overigens ook in Het Kapitaal niet volledig worden uitgevoerd).

In de tegenstelling tussen privé-eigendom en staat neemt Marx eerst nog de positie in van de 'ideële staat' tegenover de "begeerlijke onrust van het privé-belang" [MEW 1:147 uit 1842]. De staat is de hoeder van het bovenhistorisch recht [MEW EB 1:410]. Pas via de staat kunnen individuen en klassen hun sociale bestaan realiseren [idem, p. 419]. Vlak daarna betrekt Marx de stelling dat de staat - willen haar maatregelen niet zonder effect blijven - moet corresponderen met de burgerlijke toestanden en het burgerlijke bewustzijn [MEW 1:188 - uit 1843]. Daarna neemt Marx de burgerlijke maatschappij als uitgangspunt [MEW 1:324 - 1843]. De staat zelf moet nu vanuit de innerlijke logica van het privé-eigendom, van de burgerlijke maatschappij worden geanalyseerd. De staat zou het 'Gattungswesen' van de mensen representeren - het materieel-partikularistische leven dat zich in de burgerlijke maatschappij afspeelt is hiervan afgescheiden [MEW 1:354 - 1844].

Bij de verdere analyse van de burgerlijke maatschappij wordt ook de staat zelf scherper geanalyseerd. De moderne staat beantwoordt aan de moderne privé-eigendom. Omdat de bourgeoisie een klasse en geen stand meer is, is zij gedwongen zichzelf niet meer lokaal maar nationaal te organiseren en aan haar gemiddeld belang een algemene vorm te geven:

De staat is dus de staat van de economisch heersende klasse. Door middel van deze staat wordt de economisch heersende klasse tevens een politiek heersende klasse die beschikt over regulatie- en repressiemiddelen om de uitbuiting van de onderdrukte klassen te continueren.

In de Duitse Ideologie wordt de staat opgevat als de 'praktisch-idealistische uitdrukking' van de heerschappij van een bepaalde maatschappelijke klasse wier sociale macht berust op haar eigendom [MEW 3:69 -vert. p.41]. De bourgeoisie kan door haar staatsmacht wel de 'onrechtvaardigheid in de eigendomsverhoudingen' overeind houden, maar de staat creëert deze eigendomsverhoudingen niet. Het specifieke karakter van de eigendomsverhoudingen en de daarin verankerde onrechtvaardigheid wordt in deze visie primair bepaald door de moderne arbeidsdeling, concurrentie, ruil enz. Zij vloeien dus niet uit de politieke heerschappij van de bourgeoisie voort: de politieke heerschappij van de bourgeoisklasse vloeit juist voort uit deze moderne produktieverhoudingen [vgl. MEW 3:36 - vert. p. 86; MEW 4:338].

Het eigendomsvraagstuk en niet de politieke staatsvorm is daarom voor het klasseprobleem doorslaggevend.

De politieke bovenbouw van de burgerlijke maatschappij wordt nog als loutere uitdrukking van de economische en klassenverhoudingen opgevat, als haar 'overjas' die door de revolutie van de economische basis zonder meer wordt afgelegd. De specifieke vorm van de staat en de terugwerking hiervan op de burgerlijke klassenverhoudingen worden in eerste instantie nog niet of nauwelijks gethematiseerd.

3.8 Arbeidersbeweging en communisme: van algemeen menselijke emancipatie naar klassespecifieke bevrijding
We hebben gezien dat de 'arme', 'bezitloze' klasse aanvankelijk hoofdzakelijk vanuit de optiek van de distributie en consumptie wordt beschouwd. Het 'proletariaat' wordt geïdentificeerd met de 'arme klasse' die gekenmerkt wordt door 'bezitloosheid' en 'directe arbeid' en nog niet door hun specifieke plaats in de produktieverhoudingen en meer in het bijzonder in uitbuitingsverhoudingen. Hierdoor blijft het proletariaat nog een soort pariaklasse die buiten de burgerlijke maatschappij staat en er daarom de antipode van is of kan worden. Het ontstaan van deze arme klassen en hun eigen pogingen tot collectieve actie en verzet worden nog niet in de analyse betrokken.

Deze beperkte opvatting van de positie van de arbeidersklasse werkt door in hun opvatting van communisme. Het communisme wordt in eerste instantie onderbouwd met de ‘verontrusting van het hart’, met het protest tegen het onmenswaardige leven [MEW 2:548,555]. Communisme is dus aanvankelijk eerder een proclamatie of beginsel dan een concreet-historische tendens. “De moedervlekken van het vroegsocialisme zijn nog duidelijk, zij manifesteren zich vooral in de regelmatige en uitvoerige beschrijving van de toekomstige communistische maatschappij” [Armanski 19:171].

Communisme wordt nog geïdentificeerd met de opheffing van de arbeidsdeling:

In hun filosofiekritische fase wordt communisme opgevat als boven de klassen staande zaak van de mensheid:

De bevrijding van het ‘proletariaat’ wordt dus aanvankelijk niet klassespecifiek benaderd als taakstellling van de arbeidersbeweging zelf, maar als algemeen menselijke emancipatie. Communisme en arbeidersbeweging zijn in eerste instantie beide geworteld in de vervreemding van de mens. Naarmate Marx en Engels zich van deze filosofische categorie bevrijden, worden beide begrippen ook relatief van elkaar ontkoppeld: het communisme is niet meer alleen of zonder meer een zaak van de arbeidersbeweging. De arbeidersbeweging wordt nu concreter opgevat als strijdbeweging voor de directe verbetering van de levenspositie van de arbeiders. De loonstrijd heeft echter een explosieve lading, de strijd voor lotsverbetering stuit telkens op de wetten van het privé-eigendom. Daarom verwijst deze directe belangenstrijd steeds weer naar de opheffing van de bestaande maatschappij. Communisme en arbeidersbeweging worden nu steeds explicieter opgevat als twee uitingsvormen van hetzelfde ontbindingsproces van de burgerlijke maatschappij'.

Marx, die zich aanvankelijk nog uitdrukkelijk van het communisme distantieert, bepleit een 'radikale kritiek op het bestaande'. Onder het primaat van de theorie wordt de revolutionaire omwenteling, de menselijke emancipatie gezien als resultaat van de vereniging van proletariaat en filosofie. Zijn 'realer Humanismus' [MEW 2: 139] is vreedzaam, burgerlijk en sociaal-hervormend. Pas langzamerhand wordt de arbeidersklasse opgevat als grondslag en doorslaggevende kracht van de socialistische beweging. De gewenste en verwachte revolutionaire omwenteling wordt steeds sterker verbonden met de feitelijke maatschappelijke ontwikkelingsmogelijkheden. En hiermee neemt ook zijn distantie ten opzichte van vroeg-socialistische en idealistische opvattingen toe. Deze distantie - om niet te zeggen afkeer - wordt zelfs zo groot dat hij betekenis en functie van - normatief onderbouwde en programmatisch geconcretiseerde - utopieën bagetelliseert en daaraan in ieder geval nauwelijks meer positieve functies wil toekennen [zie Benschop 1993: II; vgl. Bader 1990: VII].

Communisme wordt opgevat als 'negatie van de negatie' (d.w.z. als ontkenning van de privé-eigendom), als een beweging naar een toekomstige maatschappij, en niet zozeer als een alternatieve maatschappij zelf. Als dit idee begint door te breken, is communisme niet meer het ideaal waarnaar de werkelijkheid zich moet richten, maar "de werkelijke beweging die de huidige toestanden opheft" [MEW 3:35 - vert. DI p.37].

De proletarische revolutie en het communisme worden hier gepropageerd op het niveau van de materialistische geschiedenisopvatting. Communisme wordt hier nog niet geanalyseerd vanuit de historische vorm van de kapitalistische loonarbeid, vanuit de algemene en specifiek-historische tegenspraken van de kapitalistische produktiewijze. De kapitalistische arbeidsverhoudingen worden nog op filosofisch niveau gethematiseerd met de categorie van de vervreemding. Wanneer Marx zijn kritiek van de politieke economie begint uit te werken wordt dit ontwerp concreter. Als bewijs voor de uitvoerbaarheid van het communisme worden de experimenten met goederengemeenschappen in Engeland en de USA aangehaald [vgl. bijv. Engels MEW 2:521].

Simpel toekomstbeeld
In deze visie wordt een simpel optimistisch toekomstbeeld geschetst, dat - zeker na meer dan 45 jaar ervaring met socialistische planeconomieën - rustig naïef genoemd kan worden. Na de opheffing van de belangenversplintering zou het nog maar "een kleinigheid [zijn] om de produktie naar de behoeften te regelen" [MEW 2:538/9]. Produktie, circulatie en consumptie zouden veel efficiënter kunnen worden georganiseerd, de overbodige circulatie- en transportkapitalisten zouden overbodig worden. Justitiële overheden, politie en bestuur zouden overbodig worden, omdat de sociale basis aan de misdaad onttrokken zou zijn; een staand leger zou overbodig worden, aan de verspilling van arbeidskrachten als dienstpersoneel voor de rijken zou een einde komen. Er stond een 'menselijke maatschappij' voor de deur van 'overvloed aan produktiekrachten' die slechts wacht 'op een verstandige organisatie, op een geordende verdeling' met het grootste voordeel voor allen. [MEW 2:545]. Naast het benutten van arbeidskrachten die nu worden verspild, komt de 'vereniging van de afzonderlijke krachten tot sociale kollectieve kracht' die in een 'gemeinwirtschaftlichem Leben' een betere economie van het leven mogelijk maakt.

"Innerhalb der kommunistischen Gesellschaft, der einzigen, worin die originelle und freie Entwicklung der Individuen keine Phrase ist, ist sie bedingt eben durch den Zusammenhang der Individuen, ein Zusammenhang, der teils in den ökonomischen Voraussetzungen besteht, teils in den notwendigen Solidarität der freien Entwicklung Aller, und endlich in der universellen Betätigungsweise der Individuen auf der Basis der vorhandenen Produktivkräfte" [MEW 3:424 e.v.].

De regeling van de algemene produktie door de maatschappij zou de volledige ontplooiing en zelfrealisatie van het individu mogelijk maken. Een van de "meest wezenlijke principes van dit communisme, waardoor het zich van elk reactionair socialisme onderscheid" is dat de verkeerde, in de huidige verhoudingen verankerde stelling: 'Ieder naar zijn vaardigheden' veranderd moet worden in de stelling: 'Ieder naar behoefte'. Met andere woorden, dat de verscheidenheid in de activiteit, in de arbeid, geen legitieme basis is voor sociale ongelijkheid, voor voorrechten van bezit en genot [MEW 3:528].

Kenmerkend voor deze opvatting is dat er in tegenstelling tot de vroegsocialistische opvattingen sterke nadruk wordt gelegd op de voorwaarden van communisme, en met name op de 'universele' of 'alzijdige' ontwikkeling van de produktieve krachten, waarvan de revolutionaire klasse de grootste is, in de schoot van de oude maatschappij en haar botsing met de produktieverhoudingen. De beperktheid van de strijd voor menselijke emancipatie tot dan toe wordt op het konto van de onontwikkelde materiële basis geschreven [MEW 3:417].

Index


Noten

Plaatje

top


Home InternetStudies Sociologen Onderwerpen Samenleven Zoek Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam