| Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Home | Zoek | Correspondent | Contact |
|---|

Het klassebegrip van Marx is echter meer dan een van de fundamentele begrippen van zijn theorie. Het werd in zekere zin het symbool van zijn hele theorie en van zijn politieke programma [Ossowski 1963:93 e.v.]. Het klassebegrip symboliseert zijn belangrijkste wetenschappelijke ontdekkingen en vormt als het ware het baken waarmee zijn historische betekenis in de politieke geschiedenis van de klassenstrijd wordt gemarkeerd. Het klassebegrip figureert in verschillende theoretische contexten:
Wie zich ooit waagde aan een bespreking van de klassentheorie van Marx stootte al snel op een merkwaardige contradictie: hoewel Marx in zijn theoretische, historische en politieke geschriften regelmatig het klassebegrip hanteert of impliceert, heeft hij nooit een afzonderlijke verhandeling geschreven over de klassentheorie en lijkt hij nergens een systematische klassedefinitie uit te werken. In zijn Marx-biografie merkt Willem Banning hierover op:
"De man die het begrip klasse en klassenstrijd tot met vuur geladen begrippen heeft gesmeed en daardoor de miljoenen van het proletariaat in machtige emancipatiebeweging heeft bezield en aan de andere kant felle haat en afkeer heeft gewerkt; de man die in zijn wetenschappelijke analyse van de maatschappij blijk geeft van een bijzondere scherpzinnigheid; die de begrippen klasse en klassenstrijd al hanteert in de veertiger jaren der vorige eeuw, is aan het eind van zijn leven nog bezig een definitie te zoeken" [Banning 1960/1972:107 e.v.].
Bij het lezen van teksten van Marx lijken de emoties tamelijk snel naar twee uitersten gezogen te worden: fascinatie of ergernis. En wie gericht op zoek ging naar 'de klassentheorie van Marx' bekroop vaak het gevoel van teleurstelling:
"Een bespreking van de klasseopvatting van K. Marx moet noodzakelijk beginnen met een grote teleurstelling. Immers, als men bij iemand een duidelijk en nauwkeurig omschreven klassebegrip zou hebben verwacht, dan is het zeker bij Marx [...] en toch zal men in de werken van Marx tevergeefs zoeken naar een nauwkeurig omschreven definitie van zijn klassebegrip" [Janssens 1938:160].
Het is al vaker geconstateerd dat deze ongenoeglijke teleurstelling vooral is ontstaan bij het lezen van het laatste hoofdstuk van Das Kapital.
Wat Marx voor ogen heeft gestaan kan men onder andere opmaken uit een brief die hij op 30 april 1868 aan Engels schreef. Daarin schetst hij in drastische bewoordingen waar dit zevende deel en speciaal het laatste hoofdstuk over moest gaan:
"Tenslotte zijn we aanbeland bij de verschijningsvormen, die de vulgair (econoom) als uitgangspunt neemt: grondrente die uit de aarde voortvloeit, winst (rente) uit het kapitaal, arbeidsloon uit arbeid. Vanuit ons standpunt ziet de zaak er nu echter heel anders uit. De schijnbare beweging wordt verklaard. Verder gooi ik de onzin [Blödsinn] van A. Smith omver, die de hoeksteen is geworden van alle economie tot nu toe, namelijk dat de prijs van de waren voortvloeit uit de drie revenuen, dus alleen uit variabel kapitaal (arbeidsloon) en meerwaarde (grondrente, winst, rente). Tenslotte, omdat de drie (arbeidsloon, grondrente, winst (rente)) de inkomensbronnen van de drie klassen van grondbezitters, kapitalisten en loonarbeiders zijn - de klassenstrijd als slot, waarin de beweging en ontbinding van de hele drek ['Scheiße'] wordt opgelost ..." [Briefe über 'Das Kapital':172].
Aan de theoretische ontbinding van deze 'drek' is hij niet meer toegekomen. Het fragment bevat niet meer dan een aanduiding van de inzet van het hoofdstuk, een vraagstelling: 'Was bildet eine Klasse?' en een paar argumenten tegen onjuiste benaderingen van het probleem. Dat gebeurt in 13 zinnen en 36 regels. Het eindigt met de door Friedrich Engels toegevoegde opmerking: "hier breekt het manuscript af".
Hoe schamel dit fragment ook is, het bevat mijns inziens toch drie referentiepunten die typerend zijn voor Marx's benadering van de klassen: het bevat zowel een theorie-historisch, een sociaal-historisch als een theorie-systematisch referentiepunt.
1 Theorie-historisch referentiepunt: Ricardo
Het fragment begint met een geleende omschrijving van "de drie grote
maatschappelijke klassen van de moderne maatschappij die gebaseerd is op de
kapitalistische produktiewijze". Het zijn "de eigenaren van louter
arbeidskracht, de eigenaren van kapitaal en de grondeigenaren" [MEW 25:982-3].
Deze drie klassen corresponderen met de drie kwalitatief onderscheiden
inkomensbronnen: arbeidsloon, winst en grondrente; zij constitueren samen het
kader van de ontwikkelde kapitalistische maatschappij [vgl. MEW 25:632]. Deze
omschrijving van drie klassen neemt Marx bijna woordelijk over van de klassieke
burgerlijke econoom David Ricardo (1772-1823). Het is een halfcitaat van de
openingszin van de inleiding op zijn theoretisch hoofdwerk On the principles
of political economy and taxation (1821):
"The produce of the earth - all that is derived from its surface by the united
application of labour, machinery, and capital, is devided among three classes
of the community; namely the proprietor of the land, the owner of the stock or
capital necessary for its cultivation, and the labourers by whose industry it
is cultivated.
But in different stages of society, the proportions of the whole
produce of the earth which will be allotted to each of these classes, under the
names of rent, profit, and wages, will be essentially different; depending
mainly on the actual fertility of the soil, on the accumulation of capital and
population, and on the skill, ingenuity, and instruments employed in
agriculture" [Ricardo 1821/1925:1].
Dat zijn uiteenzetting over de klassen begint met een verwijzing naar Ricardo is niet toevallig. Het is enerzijds een eerbetoon aan de wetenschappelijke prestaties van "de meest klassieke vertegenwoordiger van de bourgeoisie en de meest stoïcijnse tegenstander van het proletariaat" [Marx, Briefe:59]. Anderzijds is het op zich al een teken dat hij slechts bij dit door de burgerlijke economie opgestelde klassecriterium aanknoopt, om door de kritiek erop te komen tot zijn eigen bepaling van het klassebegrip.[6] In het 52e hoofdstuk wordt echter niet expliciet aangegeven waarin zijn benadering van het klassenvraagstuk verschilt met die van Ricardo en andere klassieke economen.
2 Sociaal-historisch referentiepunt: Engeland
Marx geeft een zeer korte aanduiding van de inzet van het 52e hoofdstuk.
Sociaal-historisch gezien oriënteert hij zich hierbij op het 'model'
Engeland, omdat daar in zijn tijd de economische structuur van de burgerlijke
maatschappij het meest ver en 'klassiek' ontwikkeld was. Maar zelfs in deze
Engelse maatschappij "verschijnt de klassenstructuur niet in een zuivere vorm."
De grenzen tussen de klassen worden ook hier, vooral in de steden, bedekt door
middenlagen en overgangsniveaus. Deze 'Grenzbestimmungen' zijn voor Marx echter
"van geen belang", omdat zijn analyse gaat over de basisstructuren van de
klassenverhoudingen die kenmerkend zijn voor elke ontwikkelde kapitalistische
produktiewijze.
3 Theorie-systematisch referentiepunt: zuivere klassenstructuur van de
kapitalistische produktiewijze
Marx wil hier dus geen empirische of historische analyse geven van de
klassenverhoudingen van een bepaalde maatschappij in een bepaald land. Hij wil
een theoretische reconstructie geven van "de klassenstructuur in een zuivere
vorm" zoals deze voortvloeit uit de kapitalistische produktiewijze als zodanig.
Hierbij wordt teruggegrepen op de analyse die hij eerder in Het Kapitaal
maakte. Daar hebben we gezien "dat het de permanente tendens en
ontwikkelingswet van de kapitalistische produktiewijze is om de
produktiemiddelen steeds meer te scheiden van de arbeid en de versplinterde
produktiemiddelen steeds meer in grote groepen te concentreren." Deze tendens
van klassenpolarisatie en concentratie van kapitaal leidt er enerzijds toe dat
"de arbeid steeds meer wordt getransformeerd in loonarbeid en de
produktiemiddelen in kapitaal." Anderzijds leidt deze tendens tot de "scheiding
van de grondeigendom van het kapitaal en arbeid". Alle grondeigendom wordt
getransformeerd in "een vorm van grondeigendom welke past bij de
kapitalistische produktiewijze."
De eerste vraag die Marx in het 52e hoofdstuk wil beantwoorden is: "Wat constitueert een klasse?" Hij geeft hierop geen rechtstreeks antwoord, maar modificeert de vraag. Het antwoord zou namelijk vanzelf voortvloeien uit de beantwoording van de vraag: "Waarom vormen loonarbeiders, kapitalisten en grondeigenaren de drie grote maatschappelijke klassen?" Op het eerste gezicht lijkt het antwoord te zijn, dat men klassen kan onderscheiden op grond van het feit "dat zij dezelfde inkomens en inkomensbronnen hebben." Klassen kunnen dan worden opgevat als "grote maatschappelijke groepen" waarvan de componenten, d.w.z. de individuen waaruit zij bestaan, leven van arbeidsloon, winst en grondrente, respectievelijk van het gebruik ("Verwertung") van hun arbeidskracht, hun kapitaal en hun grondeigendom.
Maar dit 'op het eerste gezicht'-antwoord is voor Marx niet bevredigend. Hij geeft hiervoor twee overwegingen. In de eerste plaats zouden vanuit deze optiek bijvoorbeeld artsen en ambtenaren ook twee aparte klassen vormen. Zij horen immers bij twee verschillende maatschappelijke groepen "waarbij de inkomens van de leden van elke groep uit dezelfde bron komen." Het bezwaar hiertegen wordt door Marx niet expliciet geformuleerd, maar zijn voorbeeld maakt wel duidelijk dat het antwoord niet adekwaat is aan de vraagstelling: als men inkomen of inkomensbronnen als klassecriteria hanteert, resulteert dit in de regel in een bijna eindeloze veelvoud van klassen - en daarom is dit geen antwoord op de vraag wat constitutief is voor de drie grote maatschappelijke klassen. Hetzelfde bezwaar geldt nog sterker wanneer men vanuit dit gezichtspunt rekening zou houden met "de oneindige fragmentatie van de belangen en posities, waarin zowel de arbeiders als de kapitalisten en grondeigenaren worden gesplitst door de maatschappelijke arbeidsdeling."
Niet op het eerste gezicht maar bij nader inzien, zo kan men concluderen, krijgt men geen zicht op de klassenstructuur van de kapitalistische produktiewijze als men de klassendeling probeert af te leiden uit (1) de identiteit van inkomens of inkomensbronnen, of uit (2) de differentiële belangen en posities die voortvloeien uit de maatschappelijke arbeidsdeling. Marx geeft hier dus geen positief antwoord op zijn vraag - hij bakent af en lijkt slechts de weg vrij te maken voor een systematische beantwoording van zijn vraagstelling.
"Op een voor de theorie en praktijk van de arbeidersbeweging noodlottige wijze breekt het hoofdwerk van Marx af, waar het begint de klassen te bepalen. De latere beweging was op dit beslissende punt aangewezen op interpretaties, op compilaties van afzonderlijke uitlatingen van Marx en Engels, op zelfstandig uitwerken en toepassen van de methode" [Lukacs 1923/68:218].
"Er is vaak gewezen op de ironie dat het laatste hoofdstuk van het laatste (derde) deel van Het Kapitaal, ...onvoltooid is gebleven" [Dahrendorf 1959:8].
Voor de onvoltooidheid van het 52e hoofdstuk zijn verschillende suggesties gedaan die als verklaringen zouden moeten dienen.
"Marx dropped the class analysis of society at the moment when he was approaching its real difficulties [...] Marx would have run up against more complicated questions of the motivations of economic groups if he had gone on with his anatomy of society" [Edmund W. Wilson 1940/53:301].
Marx zou dus gewoon niet in staat zijn geweest om zijn uiteenzetting over klassen te voltooien. Hij was wel in staat om vanuit de historische feiten van de Engelse kapitalistische economie te komen tot een daarachter liggend abstract economisch model. "But it is very difficult to see how he could have moved from the abstract model out through the complicated tangle of existing social classes to define anything as thick and rich as the life of a working class" [Welch 1979:189]. Dit zou Marx ervan hebben weerhouden om Het Kapitaal te voltooien: "he didn't finish it because he couldn't" [idem].
|
Voor Schumpeter is de theorie van Marx sowieso "een zeer bekrompen en
kromme theorie" waarin eindeloos wordt gezeurd over klassenstrijd tussen
bezitters en niet-bezitters" [Schumpeter 1943/63: 56]. De hele theorie van Marx
is een "ingenieuze tautologie [...] die nooit au serieux had moeten worden
genomen" [idem:30]. Dat geldt met name ook voor de marxistische theorie van de
sociale klassen, die hij vriendelijk omschrijft als "het kreupele zusje van de
economische geschiedenisinterpretatie" [idem: 18]. Terwijl het klassebegrip een
van de pijlers is waarop zijn denken berustte, heeft Marx er nooit een
systematische uitwerking aan gegeven. Verder dan het toepassen van deze
onderontwikkelde theorie op speciale gevallen zijn Marx en zijn discipelen
nooit gekomen (Klassenstrijd in Frankrijk is hiervan volgens hem nog het
beste voorbeeld). Daarnaast zijn er slechts een paar losse opmerkingen en korte
schetsjes die verspreid liggen in de werken van de meester. Het samenvoegen van
deze fragmenten is zo delicaat, dat Schumpeter zich hier niet aan waagt. Maar
de grondgedachte is voor hem duidelijk genoeg: het een theorie "die zelfs in de
gunstigste omstandigheden niet de kern raakt van het verschijnsel dat ermee
moet worden verklaard" [idem: 23]. De enthousiastelingen die de marxistische
theorie van de sociale klassen op zichzelf bewonderen, zijn blind voor de
tekortkomingen en sluiten zich op in een "synthetisch bos dat verdacht veel
lijkt op een intellectueel concentratiekamp" [idem: 26,54]. Vanuit een gereformeerd-christelijke optiek vind ook G. Kuiper Hzn. het opmerkelijk "dat Marx nooit tot een theorie over de klassen is gekomen [...] Marx' eigen gebruik van het woord klasse in zijn andere geschriften is ook allerminst eenduidig en dit alles heeft geleid tot veel strijd over zijn klassebegrip" Kuiper Hzn 1965: 101]. De opmerkelijke onvoltooidheid van Marx' klassentheorie is voor de socioloog Kuiper echter geen aanleiding voor nadere argumentatie of verder onderzoek, want: "De klassenstrijd is altijd als onchristelijk gekenmerkt en terecht" [idem]. |
Op deze ridiculiserende kritieken werd vanuit de marxistische traditie meestal fel gereageerd. Volgens Adler demonstreert de stelling van 'burgerlijke geleerden' dat Marx überhaupt geen klassebegrip heeft geformuleerd en dat de materialistische geschiedenisopvatting alleen daarom al wetenschappelijk waardeloos is "een voorbarigheid en oppervlakkigheid van het oordeel, die men juist van geleerde critici niet zou verwachten en ook niet mag vergeven" [Adler 1932/62:18]. Zijn diagnose luidt: zij lijden aan een specifieke beroepsziekte van geleerden, namelijk aan "overschatting van begripsformules en definities." De suggestie dat Marx en Engels helemaal geen eenduidige opvatting van klassen hebben "steunt in wezen alleen op de uiterlijke omstandigheid dat men bij hen nergens een zin vind die begint met de verlossende woorden: 'Onder klasse versta ik...' " [idem: 19]. Met Adler gingen de meeste marxistisch georiënteerde auteurs er vanuit, dat men de betekenis van het klassebegrip in de theorie van Marx moet ontlenen aan de héle theoretische produktie van Marx en Engels en dat het niet zo moeilijk is om deze betekenis hieruit te destileren.
| In Contemporary sociological Theories (1928) benadrukt Pitirim Sorokin dat de onvoltooidheid van het 52e hoofdstuk ertoe geleid heeft, (1) dat we "geen duidelijke conceptie van sociale of economische klassen uit de werken van Marx en Engels" krijgen, en (2) dat de pogingen van Marxisten zoals Kautsky, Bernstein, Cunow e.a. om een concept en classificatie van sociale klassen uit te werken slechts geleid heeft tot een reeks tegengestelde en onbevredigende definities van sociale klassen. "Daarom zijn zowel de Marxse theorie van de sociale klassen als de gebruikelijke termen 'proletariaat', 'bourgeoisie' e.d. nog steeds ongedefinieerd. Het zijn 'shibboleths' waarvan de exacte betekenis niet bekend is" [Sorokin 1928:543]. Kortom: de Marxse theorie van de klassen en de klassenstrijd "are nothing but fallacies." [idem] In zijn System of Sociology geeft Sorokin zelf niet minder dan 32 principiële vormen van klassedefinities. Zijn oproep om een einde te maken aan deze 'anarchie' heeft kennelijk niet veel indruk gemaakt. |
In de marxistische traditie werd op deze kritieken meestal defensief gereageerd. De problemen met Marx' klassedefinitie - of het ontbreken daarvan - werden enerzijds teruggespeeld naar de critici zelf, door ze te interpreteren als een uitvloeisel van een vergaande 'academisering van het marxisme'. Het werd gezien als een uitvloeisel van pogingen om het marxisme als intellectuele discipline acceptabel - 'katheterfähig' - te maken, van haar opsluiting en verkokering door de academische disciplinegrenzen, van haar isolementen ten opzichte van radicale strijdpraktijken, van haar vergaande terminologische en methodologische specialisatie. Anderzijds werden de mogelijkheid en sociaal-wetenschappelijke zin van het geven van een klassedefinitie als zodanig ter discussie gesteld. Barbara en John Ehrenreich formuleren dit als volgt:
"If Marx did not bother to define class in a simple formalistic way, it was because he didn't think it important to do so. He lived in a time when certain classes were defining themselves... So it is futile to look to Marx for a 'scientific' definition of class. Marx's legacy is more demanding" [Ehrenreich 1979:323].
Als men ervan uitgaat 'dat klassen zichzelf definiëren' dan heeft het natuurlijk helemaal geen zin om over 'definities van sociale klassen' te discussiëren. In een dergelijke benadering is een klassedefinitie in structurele termen zo niet onmogelijk, dan toch op z'n minst overbodig.[11]
Vragen naar een 'definitie van klassen' is vragen naar Marx' analyse van de kapitalistische klassenmaatschappij [Ollman 1968]. De marxologen die Marx hebben berispt omdat hij geen woordenboek-definitie van klasse heeft gegeven die zij als zodanig kunnen herkennen, zoeken naar iets dat vreemd is aan de methode van Marx. Zij zijn op zoek naar "een soort lakmoespapiertest voor klasse welke op basis van formele beschrijvende elementen kan worden toegepast, geabstraheerd van de specifieke maatschappelijke verhoudingen" [Draper 1977 I:15 e.v.]. Marx weigert bewust en met redenen dergelijke abstracties. Hij kritiseert de economen die de burgerlijke produktieverhoudingen (eigendom, kapitaal, geld, crediet enz.) voorstellen als vaste, onveranderlijke, eeuwige begrippen. Al in Das Elend der Philosophie [1847] pleit hij voor historisch specifieke begrippen en keert zich tegen het verheffen van de 'logische formules' tot absolute methode van kennisverwerving. Hij heeft niets op met gladgestreken, uniforme synthetische formules waarin elk spoor van tegenstrijdige elementen is verdwenen; dergelijke formules zijn volledig ongeschikt om een op tegenstellingen gebaseerd produktiewijze te analyseren. Dit geldt natuurlijk ook voor de analyse van de sociale klassen die in deze produktiewijze zijn verankerd. In elke historische periode hebben de klassen zich zeer verschillend en onder een reeks zeer uiteenlopende maatschappelijke verhoudingen ontwikkeld. Het definiëren van de klassen van de burgerlijke maatschappij kan dus niets anders zijn dan het analyseren van de maatschappelijke verhoudingen van de kapitalistische produktie. De poging om een definitie van klassen te geven "als een op zichzelf staande, onafhankelijke verhouding, als een aparte categorie, een abstracte eeuwige idee, is niets meer dan een illusie van metafysica of jurisprudentie" [Marx, Das Elend:493 e.v.].
Preoccupatie met formeel-sociologische definities is een van de barrières voor een vruchtbare toeëigening en reconstructie van de bijdrage van Marx en daarom ook een rem op verdere ontwikkeling en uitwerking van een klassentheorie. Het eenzijdig benadrukken van formele definities en classificatieschema's verdringt al snel de analyses die aan het gebruik van die definities ten grondslag liggen. Een illustratie hiervan is het debat dat in het begin van de jaren zestig werd gevoerd tussen vertegenwoordigers van communistische partijen over structuur en omvang van de arbeidersklasse: het werd in vergaande mate gereduceerd tot een discussie over zogenaamde 'smalle' en 'brede' definities van arbeidersklasse.[12]
In discussies over de klassentheorie kunnen definities (ook geformaliseerde) wel degelijk een produktieve rol spelen. Dat zou men niet al te gemakkelijk af moeten doen als "een debat tussen sociologen" [Balibar 1974:47] of een teken van "academisering van het marxisme" [Ehrenreich 1979:321]. Wetenschappelijke analyse is weliswaar iets anders en omvat zeker veel meer dan het aaneenrijgen van 'hapklare' definities. Maar het zoeken naar een adequate samenvatting van de meest algemene en belangrijke kenmerken van een begrip in een definitie is natuurlijk zeer nuttig, zolang men van een definitie niet te veel verwacht, d.w.z. meer dan er regelijkerwijs van samenvattende formulering verlangd kan worden.[13] In klassedefinities zijn de constitutieve momenten van een klasse geformuleerd en zij vormen een belangrijke schakel tussen klassentheorie en empirische onderzoeksprojecten. Zij vormen het snijpunt van de relatie tussen theorie en empirisch onderzoek van de ontwikkeling van de klassenstructuren: zij verwijzen enerzijds naar een specifieke analyse van maatschappelijke verhoudingen (klassentheorie), anderzijds naar geoperationaliseerde indelingscriteria die meer of minder direct in het empirisch-historische onderzoekswerk fungeren.
Volgens Gurvitch[15], Dahrendorf[16] e.a. zijn deze tegenstrijdigheden grotendeels terug te voeren tot het feit dat Marx zelf bevangen bleef in de spanning tussen de sociale wetenschapper en de sociaal-filosoof. Zijn geschiedenisfilosofie zou tot eschatologische visies leiden, die met name tot uitdrukking komen in zijn conceptie over 'de historische opdracht van het proletariaat'.[17] De spanning tussen sociologische analyse en filosofische speculatie zou een rigoreuze conceptualisering van sociale klassen hebben verhinderd en tot een grote diversiteit van klassebegrippen hebben geleid.
|
De Poolse socioloog Stanislaw Ossowski heeft deze gedachte het verste uitgewerkt. Marx maakte de 'grote synthese' waarin de problemen van de sociologie, de politieke economie, de filosofie en de politiek zijn samengevat; zijn werk vormt als het ware "een brandspiegel waarin de veelvoudige stromingen van het Europese denken worden gebroken" [Ossowski 1957:97]. In de conceptie van Marx treffen we de drie algemene schemata van de sociale structuur aan die "vanaf de bijbelse legende tot aan de moderne sociologie" /31/ bepalend zijn geweest voor de opvattingen over de klassenmaatschappijen: het dichotome, graduele en functionele schema.
De fundamentele dichotomie van de revolutionaire agitator
Het graduele schema van de socioloog
Het functionele schema van de econoom
Interferentie van gezichtspunten "In Marx' beeld van de kapitalistische maatschappij refereert de dichotomie aan klassen die deelnemen aan de kapitalistische produktie, die niet de enige vorm van produktie in de actuele kapitalistische maatschappijen is. Dichotomie is dus het basisschema van Marx' model van de kapitalistische maatschappij: het gaat hier om twee grote klassen die zich - zoals Labriola zegt - 'binnen het kapitalistische bedrijf' aan ons tonen. Als men de twee-klassenstructuur van de kapitalistische maatschappij op deze wijze opvat, dan is dit niet in tegenspraak met het bestaan van andere sociale groepen, wanneer men aanneemt, dat zich in de schoot van deze maatschappij nog andere vormen van produktieverhoudingen voortbestaan, en bijgevolg ook de met hen corresponderende klassen. Het dichotome schema karakteriseert de kapitalistische maatschappij met betrekking tot de heersende en haar bijzonder kenmerkende vorm van de produktieverhoudingen, het meervoudige schema met betrekking tot de werkelijke sociale structuur" /108/. Met dit laatste argument zinspeelt Ossowski op het analytisch-methodisch onderscheid tussen (a) algemene theorie van de klassen van een 'zuivere' kapitalistische produktiewijze, (b) theorie van klassen in een kapitalistische maatschappijformatie, d.w.z. een maatschappijformatie die gedomineerd wordt door de kapitalistische organisatie van de maatschappelijke arbeid waarin ook nog andere organisatievormen bestaan, en (c) het empirisch onderzoek van klassenverhoudingen in een nationaal georganiseerde, historisch specifieke maatschappij. Ossowski blijft dus niet staan bij de constatering dat er bij Marx meerdere, op het eerste gezicht niet onderling consistente klassedefinities te vinden zijn: hij ordent de diverse klassenoties in een aantal analytische schema's. Hij veronderstelt dat Marx verschillende maatschappijbeelden of -modellen ontwikkelde, al naar gelang het specifieke doel van zijn analyses. Hij benadrukt dat het legitiem is om meerdere modellen en schemata te hanteren[19], maar laat de drie analytische modellen naast elkaar staan: ze overlappen elkaar en laten het ene of andere aspect op de voorgrond treden, maar ze vertonen geen onderlinge samenhang, zij vormen geen analytische eenheid. De vraag die Ossowski niet aan de orde stelt is: "zijn dit op elkaar gestapelde analysepatronen of zijn het verschillende niveaus van een enkel analytisch proces van synthese?" [Dos Santos 1970:170; vgl. ook Jung 1972:29; Jasinska/Nowak 1979:76 e.v.]. |
Dit geldt natuurlijk ook, en soms in nog veel sterkere mate voor 'marxistisch-leninistische', dogmatische varianten van de completeringsstrategie, waarin de klassentheorie van Marx wordt voorgesteld als een afgesloten geheel. In de vulgair-marxistische interpretatie worden de meest algemene uitspraken en stellingen uit hun historische en systematische samenhang losgescheurd, onbemiddeld naast elkaar gesteld en in hun meest algemene versie gedogmatiseerd [vgl. de kritiek van Steiner 1966:864 e.v.]. Het adagium van Semjenow is hiervoor exemplarisch:
"Die marxistisch-leninistische Theorie der Klassen und des Klassenkampfes ist eine einheitliche Theorie über die Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft der Klassen und der Klassenbeziehungen in der menschlichen Gesellschaft, eine Theorie über die Entstehung, Entwicklung und das Verschwinden gesellschaftlicher Klassen, eine Theorie der Umwandlung der Klassengesellschaft in eine klassenlose Gesellschaft" [Semjenow 1969:14].
We hebben gezien dat dat zowel critici als sympatisanten veel aandacht hebben aan het onvoltooide 52e hoofdstuk. Soms krijgt men zelfs de indruk dat Het Kapitaal op de chinese wijze is gelezen: men begint te lezen aan het einde van het derde deel en houdt op waar het hoofdstuk over klassen begint.[20] In ieder geval is dit hoofdstuk sterk overgewaardeerd en overgeïnterpreteerd. De reden hiervoor is mijns inziens, (a) dat de klassentheorie wordt opgevat als een soort 'sociologisch aanhangsel' van Marx' kritiek van de politieke economie en (b) dat verondersteld wordt dat de maatschappelijke klassen in de rest van Het Kapitaal afwezig zijn.
In kritische reconstructies wordt deze vooronderstelling losgelaten: klassentheorie wordt niet meer opgevat als sociologisch aanhangsel van, maar als element van de kritiek van de politieke economie.[21] Daarbij wordt vastgehouden aan het kritische inzicht van Marx, dat produktie- en ruilverhoudingen ('economie') niet gescheiden zijn van het bestaan en de onderlinge strijd tussen maatschappelijke klassen, maar dat alle voorwaarden van de kapitalistische arbeidsverhoudingen beheerst worden door en doordrongen zijn van het bestaan van sociale klassen en van klassenstrijd. Mijn reconstructie van de klassentheorie gaat uit van de vooronderstelling dat de klassentheorie - op specifieke wijze en tot op bepaalde hoogte - is geïmpliceerd in de kritiek van de politieke economie. In Marx' systematische uiteenzetting van de kritiek van de politieke economie zijn de klassen vanaf het begin tot het eind 'aanwezig'.[22] Bij een dergelijke reconstructie staan twee probleemcomplexen centraal.
Dit brengt direct al een aantal vragen met zich mee. Waar moeten we zoeken als we die 'immanente klassentheorie' willen identificeren? Wát moeten we lezen en hoé moeten we deze teksten lezen? Met wat voor soorten tekstueel materiaal hebben we te maken en wat voor soort lezing kunnen we toepassen?
Het 'lezen' van de klassentheoretische benadering is niet zo eenvoudig, omdat deze op een niet altijd even stringente en eenduidige wijze in zijn gehele werk, in zeer uiteenlopende teksten doordringt. Wie een samenvattend en systematisch overzicht wil geven van de aanzet van Marx stuit al snel op de volgende vier problemen.
Ik heb hierboven de afkorting 'M/E' gebruikt om aan te duiden dat Marx en Engels deze tekst samen schreven. Zoals bekend was de samenwerking tussen Marx en Engels zeer intensief. Zij discussieerden uitvoerig over hun studies en consulteerden elkaar vooraf bij elke publicatie. "Wij werken beide samen volgens een gemeenschappelijk plan en overeenstemming vooraf" [MEW 14:472]. De 'arbeidsdeling' tussen beiden impliceerde dat Engels tijdens het leven van Marx veel populariserende uiteenzettingen schreef. Marx las en kritiseerde de manuscripten voordat Engels ze publiceerde. In ieder geval tot 1882 is het niet aannemelijk dat Engels iets van betekenis publiceerde dat fundamenteel van Marx's visies afweek.[27] Daarom is het legitiem de bijdragen van Engels te beschouwen als onderdeel van de tekstuele basis van de bespreking van 'de klassentheorie van Marx' (en dus ook: Engels). De teksten van Engels die in dit verband bijzonder van belang zijn: De toestand van de arbeidersklasse in Engeland (1845), De Duitse boerenoorlog (1875), De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat (1890-91), en de diverse recensies over en inleidingen bij Het Kapitaal.
Wie deze teksten leest om greep te krijgen op de theoretische structuur van Marx' klassentheoretische aanzet, zal vaak concepten tegenkomen die nog in 'praktische staat' verkeren, d.w.z. die nog niet precies gedefinieerd zijn binnen een geëxpliciteerd theoretisch kader. Ook als men veronderstelt dat Marx en Engels in hun politieke teksten het klassebegrip op een systematische wijze hanteren, dan blijft het dubieus om hieruit algemeen geldende omschrijvingen of definities van klassen af te leiden. Hun politiek-historische teksten van strijdsituaties in Duitsland en Frankrijk hebben immers steeds betrekking op concrete historische situaties en specifieke politieke conjuncturen. Daarom is het twijfelachtig een algemeen of maatschappijformatie-specifiek klassebegrip te destileren uit de politieke analyses van concrete situaties [vgl. Leppert 1976:76; Steiner 1966, in: Ludz 1972:422].
|
Dit voorstel lijkt op het protocol van het symptomaal lezen van theoretische teksten dat Althusser heeft voorgesteld. De term 'symptomaal' refereert aan Freud's theorie van de formatie van symptomen in het discours van een patiënt (Zie Traumdeutung). Tegenover 'onschuldige' lezingen van Marx stelt Althusser een symptomale lezing voor die het mogelijk maakt om de theoretische structuur van een tekst te lezen uit formuleringen waarin begrippen nog in een 'praktische staat' verkeren. Maar er is ook een symptomale lezing die een dekmantel is voor een vertaling van 'praktische concepten' in hun 'zuivere' theoretische staat waarbij men een tekst alles kan laten zeggen wat de lezer zich al had voorgenomen erin te vinden. Symptomaal lezen moet niet worden gehanteerd als een 'theoretische guillotine' waarmee elk begrip wordt onthoofd dat de vermetelheid heeft af te wijken van het aangegeven pad. Dan is er immers geen enkele controle meer mogelijk op deze leeswijze. In Lire le Capital [1965/8] heeft Althusser de methode van het symptomale lezen rigoreus toegepast. Treffend formuleert Stuart Hall: "Wanneer men de 'praktische concepten' van Marx systematisch verheft tot een meer theoretisch niveau met de hulp van structuralistische instrumenten en concepten, dan is het niet moeilijk om op deze wijze aan het eind een 'structuralist Marx' te produceren" [Hall 1973:18]. Op deze wijze kan niet meer de vraag worden beantwoord die aan het begin van Lire le Capital wordt gesteld: wat voor soort 'structuralist' de rijpe Marx werkelijk was. De noodzakelijk gesloten circulariteit van een 'lezing' waarin de 'antwoorden' al verondersteld zijn in de vorm van de vragen die het stelt noemde Althusser overigens later zelf - in: Pour Marx [1965] - 'ideologisch'. |
De betekenis van een tekst is altijd een co-produktie van auteur en lezer. Elke lezing grijpt in op de tekst, plaatst deze in andere contexten en geeft betekenis aan tekstuele ambiguïteiten. Een verantwoorde en controleerbare lezing moet echter in de eerste plaats rekening gehouden met de contexten van afzonderlijke teksten of tekstfragmenten zelf. Bij de explicatie, interpretatie en reconstructie van Marx' klassentheoretische bijdrage zou mijns inziens minstens rekening moeten worden houden met de volgende drie contextuele bundels:
Intro
Inhoud
II. Theorie-historische context |
|---|
[2] De notie van klassenstrijd is "the basic stuff of politics" [BARRINGTON MOORE 1958: 116].
[3] Sinds de eerste opkomst van het klassebegrip in de politieke en economische literatuur heeft het een polemische en politieke betekenis gehad [HEBERLE 1959:18].
[4] Vgl. bijvoorbeeld MACRAE [1953/4:14]. Een dergelijke opvatting dient mijns inziens even sterk gerelativeerd te worden als de idee, dat de hele 20e eeuwse sociologie kan worden opgevat als 'een debat met de geest van Marx'.
[5]
"The literature of American social class analysis has been completely dominated by the Weberian orientation, at least whenever there has been any attempt at theoretical construction. Weber has traditionally been considered as more valid and more relevant than Marx" [ANDERSON 1974:116].
In Sociale ongelijkheid en klassen heb ik een uitvoerige reconstructie gegeven van Max Weber's bijdrage aan de theorie van sociale ongelijkheid en klassen. In het vierde hoofdstuk daarvan, Weber(ianisme) vs Marx(isme) worden een aantal redenen gegeven waarom in de academisch geïnstitutionaliseerde sociale wetenschappen het legitimerend beroep op het werk van Weber groter is dan ten aanzien van Marx.
[6] Vgl. hiervoor al het commentaar van Karl KORSCH [1926:159/260].
[7] "We are left without a codified definition of social class from the 'father' of social stratification. Marx was actually so occupied with the dynamics of the class system he evidently took voor granted that his readers understood implicitly what for him constituted a class" [ANDERSON 1974:99].
[8] Vergelijk hiervoor de volgende definities van 'arbeidersklasse', 'proletariaat' en 'proletariër':
In het Communistisch Manifest wordt het proletariaat omschreven als "de klasse van de moderne arbeiders, die slechts zo lang leven als zij arbeid vinden, en die slechts zo lang arbeid vinden als hun arbeid het kapitaal vermeerdert. Deze arbeiders, die zichzelf stuksgewijs moeten verkopen, zijn een waar als ieder ander handelsartikel en daarom evenzeer aan alle wisselvalligheden van de concurrentie, aan alle schommelingen van de markt blootgesteld" [Manifest 1848:48].
In het eerste deel van Het Kapitaal: "Onder 'proletariër' moet economisch niets anders worden verstaan dan de loonarbeider die 'kapitaal' produceert en realiseert en die op straat wordt gegooid zodra hij overbodig is voor de meerwaardebehoeften van 'mijnheer Kapitaal', zoals Pecquer deze persoon noemt" [MEW 23:652, noot 70].
[9] Vgl. THOMPSON [1963:9 e.v.], PRZEWORKSI [1977].
[10] Vgl. CALVES [1956:197], OSSOWSKI [1957:94], SOUBISE [1967:21], CAREN-HUNT [1963: 65], GIDDENS [1973:24, 27].
[11] Vergelijk de al eerder besproken opvatting van Edward Thompson. Hij wil klasse per sé niet opvatten als een 'structuur' of als een 'categorie', maar als "iets dat in feite gebeurt en waarvan men kan aantonen dat het in menselijke relaties gebeurt". Natuurlijk worden klassen gedefinieerd "door mensen die hun eigen geschiedenis (be)leven" [THOMPSON 1979:9, 11]. Zodra men echter beweert dat dit uiteindelijk "de enige definitie" is, slaat men sociale wetenschappers en historici elk analytisch referentiekader uit handen. In deze en vergelijkbare non-definities blijft immers volledig in het duister wát er feitelijk in menselijke relaties moet gebeuren wil men überhaupt van 'klasse' kunnen spreken.
[12] Dit debat werd gedocumenteerd in verschillende afleveringen van het tijdschrift Probleme des Friedens und des Sozialismus. Vgl. ook de kritische overzichten van: PKA [1973:310 e.v.], EISLER/SEIFERT [1977:352], HAGELSTANGE [1988:89-94].
[13] Vgl. ENGELS [MEW 20:578], NEUMANN [1976:82].
[14] Vgl. GURVITCH [1954], HOOK [1955:39], OSSOWSKI [1957:94], SOUBISE [1967:87 e.v.], GIDDENS [1973:92,105], EHRENREICH [1979:322].
[15] GURVITCH [1954] benadrukt dat Marx nooit duidelijk heeft gemaakt of klassebewustzijn een noodzakelijke factor is in de definitie van sociale klasse: soms lijkt de aanwezigheid van klassebewustzijn een beslissende factor van het bestaan van sociale klasse terwijl in andere gevallen de maatschappelijke klasse verschijnt zonder klassebewustzijn.
[16] "De klassentheorie levert de problematische verbinding tussen sociologische analyse en filosofische speculatie in het werk van Marx" [DAHRENDORF 1959:8]. Beide elementen worden verbonden door "een fascinerende definitie-truc". Deze "briljante" truc bestaat volgens hem vooral hierin dat Marx een relatie legt tussen 'privé-bezit' en 'klassen', nml. in de stelling dat klassen met privé-bezit ontstaan en zouden vergaan [idem:30]. De sociologische analyse kan door empirische observaties worden gefalsifieerd; de filosofische laten geen empirische toetsing toe [idem: 28]. "Marx's filosofie heeft hem gedwongen zijn sociologie te verraden" [idem: 31] Beide invalshoeken moeten volgens Dahrendorf worden gescheiden, maar dan wordt ook de klassentheorie in tweeën gesneden [idem: 25,28]. Vgl. ook DAHRENDORF [1955]. Zie voor de discussie over dit thema in de DDR-sociologie: RÖDER [1972:68],
[17] De eschatologische tendens in Marx visie op de arbeidersklasse wordt meestal geïllustreerd aan de passage uit Die Heilige Familie, hoofdstuk IV [MEW 2:38]. In zijn afscheid van (de mythe van) het proletariaat parafraseert André Gorz' deze tekst als volgt:
"De marxistische theorie over het proletariaat is niet gebaseerd op empirische studie van de klassentegenstellingen of op een ervaring op basis van actie, van de proletarische radicaliteit. Geen enkele empirische waarneming en geen enkele actie-ervaring kunnen leiden tot de ontdekking van de historische opdracht van het proletariaat, die volgens Marx de grondslag vormt van zijn klasse-zijn. Marx is er herhaalde malen op teruggekomen: niet het empirisch observeren van de proletariërs maakt het mogelijk, hun klasseopdracht te leren kennen. Integendeel, het kennen van hun klasseopdracht maakt het mogelijk het zijn van de proletariërs in zijn ware aard te onderscheiden. De graad van bewustzijn die de proletariërs hebben van hun zijn, doet er dientengevolge weinig toe, en het doet er weinig toe, wat ze denken te doen of te willen, het gaat er alleen om, wat ze zijn. Zelfs als hun gedragingen tijdelijk door mystificatie verkeerd gericht zijn en de doeleinden die ze denken na te streven in tegenspraak met hun historische opdracht, zal vroeg of laat het zijn de schijn overwinnen en de rede de mystificaties. Met andere woorden, het zijn van het proletariaat is transcendent aan de proletariërs; het vormt een transcendentale garantie, dat de proletariërs de juiste klasselijn aannemen" [GORZ 1980/1:25 e.v.].
[18] Theodor Geiger karakteriseerde de theorie van Marx als een 'heilsboodschap van een politiek-sociale beweging' [GEIGER 1949:141] en tegelijk als 'metafysica en sociaal-filosofie" [GEIGER 1955:434]. Vgl. ook SCHUMPETER [1943], PARSONS [1949], W. WARNER [1960], REISMAN [1960], SCHELSKY[1961/5].
[19] Ossowski verbindt hieraan een tamelijk lapidaire en in ieder geval niet onderbouwde suggestie, dat het dichotome model in de tijd van Marx nog een zekere dominantie had, maar dat tegenwoordig het gradatieschema op de voorgrond staat omdat de positie ten opzichte van de eigendom van de produktiemiddelen aan "adequaatheid ingeboet" zou hebben [OSSOWSKI 1957:223, vgl, ook p. 225].
[20] Vgl. de kritische opmerking van TRONTI [1966/74:197].
[21] Vgl. STEINER [1967:13,56,99], OLLMAN [1968:580], MAUKE [1970:8,68], PKA [Mat I 1973:20], HERKOMMER [1976:58], STOLZMAN/GAMBERG [1973}, ALTHUSSER [1975:106 e.v.]. Zij protesteren in verschillende bewoordingen tegen de bekende opsplitsing van de maatschappijtheorie in economische en sociologische analyses, waarbij de ene groep zich met 'de economie' resp. 'de logica van het kapitaal' kan bezighouden terwijl de andere groep zich kan concentreren op de 'logica van het sociaal handelen'. In deze indeling schuilt de kern van het economisme , namelijk een voorstelling van het kapitalistische produktiesysteem als een 'produktie-automaat' (Przeworski), waarin de actoren alleen nog maar figureren als marionetten van 'mechanismen', 'wetten'. Het elementaire feit dat sociale structuren altijd slechts door het sociale handelen van actoren wordt gereproduceerd en getransformeerd verdwijnt hiermee onder tafel. Naast anderen heeft TESCHNER [1989:7] erop gewezen dat ook Marx bij zijn analyse van het kapitalistische produktiesysteem niet helemaal loskomt van het beeld van de produktie-automaat, en dat dit hem belemmerd heeft om een systematisch en helder verband te leggen tussen de ontwikkeling van de kapitaalaccumulatie en die van de klassenverhoudingen.
[22] "De sociale klassen staan niet aan het slot van Het Kapitaal: zij zijn van begin tot eind aanwezig. De klassenstrijd is geen (afgeleide) uitwerking van het bestaan van de sociale klassen: de klassenstrijd en het bestaan van klassen zijn een en dezelfde zaak. De klassenstrijd is de 'beslissende tussenschakel' om Het Kapitaal te begrijpen" [ALTHUSSER 1975:106 - Elemente der Selbstkritik]. Althusser kritiseert alle opvattingen waarin de sociale klassen (en dus de klassenstrijd) worden opgevat als een louter produkt van de structuur van de kapitalistische produktiewijze, als een loutere uitwerking van de kapitalistische economie. In zijn Antwoord aan John Lewis stelt hij:
"Voor de reformisten bestaan de klassen voor de klassenstrijd, ongeveer zoals twee rugbyteams ieder op zijn eigen helft voor het begin van de wedstrijd. Elke klasse bestaat in haar eigen kamp, leeft binnen haar eigen bestaansvoorwaarden: zelfs wanneer de ene klasse de andere uitbuit, is dat nog niet de klassenstrijd. Op zekere dag treffen de twee klassen elkaar en binden de strijd aan, en pas dan begint de klassenstrijd. Zij raken slaags, de strijd spitst zich toe en de uitgebuite klasse overwint uiteindelijk de andere: dat is de revolutie -, of delft het onderspit in de strijd: dat is de kontra-revolutie. Hoe men de zaak ook wendt of keert, men zal altijd op hetzelfde denkbeeld stuitten: de klassen bestaan voor en onafhankelijk van de klassenstrijd en de klassenstrijd bestaat pas nadien. Naar de opvatting van de revolutionairen daarentegen kunnen klassen en klassenstrijd niet van elkaar gescheiden worden. De klassenstrijd en het bestaan van de klassen zijn een en hetzelfde. In een 'maatschappij' zijn er slechts klassen, indien de maatschappij in klassen gedeeld is: deze deling voltrekt zich niet achteraf, maar de uitbuiting van een klasse door een andere, m.a.w. de klassenstrijd konstitueert de klassendeling. Want de uitbuiting is reeds klassenstrijd. Men moet dus van de klassenstrijd uitgaan om de klassendeling te begrijpen, om het bestaan en de aard van de klassen te begrijpen. De klassenstrijd moet dus op de eerste plaats gesteld worden...De klassenstrijd is de historiese vorm van de (aan een produktiewijze inherente) tegenspraak die de klassen tot klassen deelt" [ALTHUSSER 1973/4:23 e.v.]
[23] Vgl. KOSIK [1971:174 e.v.].
[24] NB: Theorie-systematisch uitgangspunt: de analyse van de 'fertigen' gedaante van de maatschappelijke verhoudingen, d.w.z. de versteende en ten opzichte van elkaar verzelfstandigde vormen waarin de maatschappelijke arbeid aan de oppervlakte van de burgerlijke maatschappij verschijnt.
[25] Vgl. JANSSENS [1938:161], MELLOR [1972:1], GIDDENS [1973:24], LEPPERT [1976:76], EHRENREICH [1979:322], JASINSKA/NOWAK [1979:79].
[26] VAN DIJK [1984:307] spreekt in aansluiting bij THERBORN van "de fragmentarische dubbelzinnigheid van Marx' eigen behandeling van het klassebegrip buiten een paradigmatische kern".
[27] Zie over de specifieke betekenis en bijdragen van Engels en zijn relatie met Marx: MAYER [1971], EICHLER [1970,1971].
| Sociologen | Onderwerpen | Samenleven | Home | Zoek | Correspondent | Contact |
|---|