Home InternetStudies Sociologen Onderwerpen Samenleven Zoek Contact

Marx

De klassentheorie van Marx

door: dr. Albert Benschop

I. Waar is de klassentheorie?

  1. Fundamentele en symbolische betekenis van het klassebegrip
  2. 'De klassentheorie van Marx bestaat niet'
  3. Tragiek van een onvoltooid hoofdstuk
  4. Een magere erfenis?
  5. Strategieën van omgang met de erfenis
    5.1 Ridiculiseren
    5.2 Formaliseren
    5.3 Compileren
    5.4 Completeren
    5.5 Kritisch-systematisch interpreteren en reconstrueren
  6. Marx lezen
    6.1 Interpretatie en reconstructieproblemen
    6.2 Leesprotocol: teksten en contexten
Voetnoten


1. Fundamentele en symbolische betekenis van het klassebegrip

Het begrip 'klasse' neemt in het werk van Marx een zeer belangrijke plaats in. Het is ongetwijfeld een van de meest fundamentele analytische begrippen in zowel zijn politiek-theoretische als empirisch-historische studies. Al vroeg in de jaren '40 van de vorige eeuw hanteerde Marx de begrippen klasse en klassenstrijd en tot aan het eind van zijn leven zouden ze zowel in zijn maatschappijanalyses als zijn politieke verhandelingen een centrale rol blijven spelen. De opmerking van Lenin, dat alles wat Marx schreef in zekere zin over het klassenvraagstuk ging, is maar weinig overdreven. Sympathisanten en critici hebben het werk van Marx opgevat als een uitgebreid onderzoek naar de klasse-notie.[1]

Het klassebegrip van Marx is echter meer dan een van de fundamentele begrippen van zijn theorie. Het werd in zekere zin het symbool van zijn hele theorie en van zijn politieke programma [Ossowski 1963:93 e.v.]. Het klassebegrip symboliseert zijn belangrijkste wetenschappelijke ontdekkingen en vormt als het ware het baken waarmee zijn historische betekenis in de politieke geschiedenis van de klassenstrijd wordt gemarkeerd. Het klassebegrip figureert in verschillende theoretische contexten:

Ook voor Marx en Engels zelf was het klassebegrip meer dan een analytisch instrument in sociaal-wetenschappelijk onderzoek, zij hanteerden het als een politiek parool, als een strijdbegrip.[3] Hun opvattingen over klassen en klassenstrijd hebben veel invloed uitgeoefend op de ontwaakte proletarische emancipatiebewegingen van hun tijd. En als geen ander hebben zij de aandacht van sociale wetenschappers gevestigd op het klasseverschijnsel. Volgens sommigen zou zelfs de gehele geschiedenis, de ontwikkeling, de vooruitgang en terugval van het moderne stratificatieonderzoek alleen begrepen kunnen worden door constant aan Marx te refereren.[4] Een van de belangrijkste reden hiervoor is, dat de officieel erkende 'vaders van de sociologie' (Comte, Spencer) op dit gebied zo weinig gewicht hebben - voorzover zij over klassen en stratificatie schreven deden zij dat in beschrijvende categorieën die geen onderdeel vormden van een gearticuleerde klassentheorie. Veel sociale wetenschappers beschouwen daarom Marx als de vader van de klassenanalyse. Dat neemt overigens niet weg dat moderne stratificatieonderzoekers zich meer laten inspireren door, althans eerder een legitimerend beroep doen op het werk van Weber dan op dat van Marx.[5]

Index


2 'De klassentheorie van Marx bestaat niet'

Er zouden nog vele boeiende wetenschapssociologische studies gedaan kunnen worden naar de wijze waarop de universitaire intelligentia is omgesprongen met de erfenis van Marx. Over de gevestigde academici die volledig aan de klassentheoretische bijdrage van Marx voorbij gingen, omdat zij werkelijk meenden of anderen wilden doen geloven dat zij al in een klassenloze maatschappij leefden. Over de academische reputaties die gevestigd werden door het spook van Marx met gespierde kritieken te bezweren. Over de pogingen om een directe confrontatie te omzeilen door het klassebegrip te neutraliseren, dat wil zeggen te 'verheffen' tot een zuiver formeel-sociologische basiscategorie welke op alle maatschappijen in alle tijden van toepassing zou zijn. Maar ook over degenen die tegen de verdrukking in en met grote hardnekkigheid de erfenis van Marx verdedigden als ware het de heilige graal, of die juist probeerden om de aanzet van Marx produktief verder te ontwikkelen. We zullen dit spoor hier niet verder volgen maar ons voorlopig concentreren op een, maar wel zeer opvallend 'detail'.

Wie zich ooit waagde aan een bespreking van de klassentheorie van Marx stootte al snel op een merkwaardige contradictie: hoewel Marx in zijn theoretische, historische en politieke geschriften regelmatig het klassebegrip hanteert of impliceert, heeft hij nooit een afzonderlijke verhandeling geschreven over de klassentheorie en lijkt hij nergens een systematische klassedefinitie uit te werken. In zijn Marx-biografie merkt Willem Banning hierover op:

Bij het lezen van teksten van Marx lijken de emoties tamelijk snel naar twee uitersten gezogen te worden: fascinatie of ergernis. En wie gericht op zoek ging naar 'de klassentheorie van Marx' bekroop vaak het gevoel van teleurstelling:

Het is al vaker geconstateerd dat deze ongenoeglijke teleurstelling vooral is ontstaan bij het lezen van het laatste hoofdstuk van Das Kapital.

Index


3 Tragiek van een onvoltooid hoofdstuk

Marx heeft zijn klassentheoretische opvattingen nooit meer in een aparte verhandeling systematisch uiteen kunnen zetten. Hij stierf voordat hij zijn theoretisch hoofdwerk kon afronden. Afhankelijk van het standpunt van de beoordelaar ligt er een zekere tragiek of ironie in het feit dat juist het laatste hoofdstuk van het derde boek van Das Kapital een fragment is gebleven. Marx stierf op het moment dat hij begon het hoofdstuk te redigeren dat speciaal gewijd was aan de maatschappelijke klassen. Dit beruchte 52 hoofdstuk, Die Klassen was gepland als afsluitend hoofdstuk van de zevende afdeling: Die Revenuen und ihre Quellen. Hij concipieerde dit hoofdstuk als een 'afsluitende samenvatting' (Engels) van zijn voorafgaande theoretische uiteenzetting. Zijn intentie was, om hierin de maatschappelijke klassen - corresponderende met de inkomensvormen - en de met hun bestaan noodzakelijke klassenstrijd te analyseren. Dergelijke afsluitende en samenvattende hoofdstukken stelde hij meestal uit tot de eindredactie, zodat de meest recente historische gebeurtenissen als bewijzen of illustraties voor zijn theoretische uiteenzetting te benut konden worden [Engels, MEW 25:14-5].

Wat Marx voor ogen heeft gestaan kan men onder andere opmaken uit een brief die hij op 30 april 1868 aan Engels schreef. Daarin schetst hij in drastische bewoordingen waar dit zevende deel en speciaal het laatste hoofdstuk over moest gaan:

Aan de theoretische ontbinding van deze 'drek' is hij niet meer toegekomen. Het fragment bevat niet meer dan een aanduiding van de inzet van het hoofdstuk, een vraagstelling: 'Was bildet eine Klasse?' en een paar argumenten tegen onjuiste benaderingen van het probleem. Dat gebeurt in 13 zinnen en 36 regels. Het eindigt met de door Friedrich Engels toegevoegde opmerking: "hier breekt het manuscript af".

Hoe schamel dit fragment ook is, het bevat mijns inziens toch drie referentiepunten die typerend zijn voor Marx's benadering van de klassen: het bevat zowel een theorie-historisch, een sociaal-historisch als een theorie-systematisch referentiepunt.

1 Theorie-historisch referentiepunt: Ricardo
Het fragment begint met een geleende omschrijving van "de drie grote maatschappelijke klassen van de moderne maatschappij die gebaseerd is op de kapitalistische produktiewijze". Het zijn "de eigenaren van louter arbeidskracht, de eigenaren van kapitaal en de grondeigenaren" [MEW 25:982-3]. Deze drie klassen corresponderen met de drie kwalitatief onderscheiden inkomensbronnen: arbeidsloon, winst en grondrente; zij constitueren samen het kader van de ontwikkelde kapitalistische maatschappij [vgl. MEW 25:632]. Deze omschrijving van drie klassen neemt Marx bijna woordelijk over van de klassieke burgerlijke econoom David Ricardo (1772-1823). Het is een halfcitaat van de openingszin van de inleiding op zijn theoretisch hoofdwerk On the principles of political economy and taxation (1821):

Dat zijn uiteenzetting over de klassen begint met een verwijzing naar Ricardo is niet toevallig. Het is enerzijds een eerbetoon aan de wetenschappelijke prestaties van "de meest klassieke vertegenwoordiger van de bourgeoisie en de meest stoïcijnse tegenstander van het proletariaat" [Marx, Briefe:59]. Anderzijds is het op zich al een teken dat hij slechts bij dit door de burgerlijke economie opgestelde klassecriterium aanknoopt, om door de kritiek erop te komen tot zijn eigen bepaling van het klassebegrip.[6] In het 52e hoofdstuk wordt echter niet expliciet aangegeven waarin zijn benadering van het klassenvraagstuk verschilt met die van Ricardo en andere klassieke economen.

2 Sociaal-historisch referentiepunt: Engeland
Marx geeft een zeer korte aanduiding van de inzet van het 52e hoofdstuk. Sociaal-historisch gezien oriënteert hij zich hierbij op het 'model' Engeland, omdat daar in zijn tijd de economische structuur van de burgerlijke maatschappij het meest ver en 'klassiek' ontwikkeld was. Maar zelfs in deze Engelse maatschappij "verschijnt de klassenstructuur niet in een zuivere vorm." De grenzen tussen de klassen worden ook hier, vooral in de steden, bedekt door middenlagen en overgangsniveaus. Deze 'Grenzbestimmungen' zijn voor Marx echter "van geen belang", omdat zijn analyse gaat over de basisstructuren van de klassenverhoudingen die kenmerkend zijn voor elke ontwikkelde kapitalistische produktiewijze.

3 Theorie-systematisch referentiepunt: zuivere klassenstructuur van de kapitalistische produktiewijze
Marx wil hier dus geen empirische of historische analyse geven van de klassenverhoudingen van een bepaalde maatschappij in een bepaald land. Hij wil een theoretische reconstructie geven van "de klassenstructuur in een zuivere vorm" zoals deze voortvloeit uit de kapitalistische produktiewijze als zodanig. Hierbij wordt teruggegrepen op de analyse die hij eerder in Het Kapitaal maakte. Daar hebben we gezien "dat het de permanente tendens en ontwikkelingswet van de kapitalistische produktiewijze is om de produktiemiddelen steeds meer te scheiden van de arbeid en de versplinterde produktiemiddelen steeds meer in grote groepen te concentreren." Deze tendens van klassenpolarisatie en concentratie van kapitaal leidt er enerzijds toe dat "de arbeid steeds meer wordt getransformeerd in loonarbeid en de produktiemiddelen in kapitaal." Anderzijds leidt deze tendens tot de "scheiding van de grondeigendom van het kapitaal en arbeid". Alle grondeigendom wordt getransformeerd in "een vorm van grondeigendom welke past bij de kapitalistische produktiewijze."

De eerste vraag die Marx in het 52e hoofdstuk wil beantwoorden is: "Wat constitueert een klasse?" Hij geeft hierop geen rechtstreeks antwoord, maar modificeert de vraag. Het antwoord zou namelijk vanzelf voortvloeien uit de beantwoording van de vraag: "Waarom vormen loonarbeiders, kapitalisten en grondeigenaren de drie grote maatschappelijke klassen?" Op het eerste gezicht lijkt het antwoord te zijn, dat men klassen kan onderscheiden op grond van het feit "dat zij dezelfde inkomens en inkomensbronnen hebben." Klassen kunnen dan worden opgevat als "grote maatschappelijke groepen" waarvan de componenten, d.w.z. de individuen waaruit zij bestaan, leven van arbeidsloon, winst en grondrente, respectievelijk van het gebruik ("Verwertung") van hun arbeidskracht, hun kapitaal en hun grondeigendom.

Maar dit 'op het eerste gezicht'-antwoord is voor Marx niet bevredigend. Hij geeft hiervoor twee overwegingen. In de eerste plaats zouden vanuit deze optiek bijvoorbeeld artsen en ambtenaren ook twee aparte klassen vormen. Zij horen immers bij twee verschillende maatschappelijke groepen "waarbij de inkomens van de leden van elke groep uit dezelfde bron komen." Het bezwaar hiertegen wordt door Marx niet expliciet geformuleerd, maar zijn voorbeeld maakt wel duidelijk dat het antwoord niet adekwaat is aan de vraagstelling: als men inkomen of inkomensbronnen als klassecriteria hanteert, resulteert dit in de regel in een bijna eindeloze veelvoud van klassen - en daarom is dit geen antwoord op de vraag wat constitutief is voor de drie grote maatschappelijke klassen. Hetzelfde bezwaar geldt nog sterker wanneer men vanuit dit gezichtspunt rekening zou houden met "de oneindige fragmentatie van de belangen en posities, waarin zowel de arbeiders als de kapitalisten en grondeigenaren worden gesplitst door de maatschappelijke arbeidsdeling."

Niet op het eerste gezicht maar bij nader inzien, zo kan men concluderen, krijgt men geen zicht op de klassenstructuur van de kapitalistische produktiewijze als men de klassendeling probeert af te leiden uit (1) de identiteit van inkomens of inkomensbronnen, of uit (2) de differentiële belangen en posities die voortvloeien uit de maatschappelijke arbeidsdeling. Marx geeft hier dus geen positief antwoord op zijn vraag - hij bakent af en lijkt slechts de weg vrij te maken voor een systematische beantwoording van zijn vraagstelling.

Index


4 Een magere erfenis?

Marx's analyse van de maatschappelijke klassen, die de uiteenzetting in Het Kapitaal moest afronden en completeren bleef dus onvoltooid. In de receptie- en interpretatiegeschiedenis van zijn klassentheorie speelt dit fragment een merkwaardige rol. De schamele anderhalve pagina zijn met opvallend veel emoties gelezen. De reacties lopen uiteen van het onderkoelde 'opvallend' (Kuiper), 'merkwaardig' (Banning), 'teleurstellend' (Janssens) tot 'tantalizing' (MacRae, Cottrell), 'dramatisch' (Ossowski), 'droevig' (Wright), 'noodlottig' (Lukacs) en zelfs 'hartverscheurend'. Waar bij sommige critici ironische en cynische reacties overwegen, daar voeren bij anderen tragische emoties de boventoon:

Voor de onvoltooidheid van het 52e hoofdstuk zijn verschillende suggesties gedaan die als verklaringen zouden moeten dienen.

  1. Marx zou zozeer in termen van klassebegrippen hebben gedacht, dat hij het niet nodig vond zich te bekommeren om een definitieve formulering uit te werken [Schumpeter 1943:20]. Voor de grondleggers van het 'wetenschappelijk socialisme' zou met name het begrip van de arbeidersklasse eigenlijk te vanzelfsprekend en dus niet-problematisch zijn geweest [Hunt 1977b; Welch 1979: 188].[7] Er bestaat dus ook geen 'klassiek marxistische' definitie van de arbeidersklasse - de arbeidersklasse werd geïdentificeerd met het fabrieks- of industriële proletariaat. Het concept leek dus evident en helder: de arbeidersklasse, dat was de klasse die uitsluitend leeft van de verkoop van de eigen arbeidskracht, gescheiden is van de produktiemiddelen, en wier lot afhankelijk is van de wisselingen van het kapitaal.[8]

  2. Marx vond het kennelijk onbelangrijk en volledig overbodig om de klassen precies te definiëren, omdat hij leefde in een tijd dat klassen zichzelf definieerden [Ehrenreich 1979:323]. Omdat klassen een 'historisch fenomeen' zijn en geen 'structurele categorie' zou het helemaal geen zin hebben om over definities van sociale klasse te discussiëren.[9]

  3. Marx zou de systematische presentatie van zijn klassentheorie hebben uitgesteld juist omdát hij de klassentheorie zo belangrijk vond. Zijn systematische uitwerking zou hij hebben uitgesteld ten gunste van verfijningen door empirische analyses - tot het te laat was. "Marx stelde de systematische presentatie van zijn klassentheorie uit totdat de dood hem de pen uit handen nam" [Dahrendorf 1959:8. Vgl. ook Schumpeter 1943:20].

  4. Marx kon er zelf niet uitkomen, omdat de weg naar een volledig ontwikkelde klassentheorie werd versperd door bepaalde moeilijkheden die hij zelf in het leven had geroepen, "door aan te dringen op een zuiver economisch en sterk vereenvoudigd begrip van het verschijnsel" [Schumpeter 1943/63:20]. Marx zou op zijn eigen vooronderstellingen zijn vastgelopen :

    "Marx dropped the class analysis of society at the moment when he was approaching its real difficulties [...] Marx would have run up against more complicated questions of the motivations of economic groups if he had gone on with his anatomy of society" [Edmund W. Wilson 1940/53:301].

    Marx zou dus gewoon niet in staat zijn geweest om zijn uiteenzetting over klassen te voltooien. Hij was wel in staat om vanuit de historische feiten van de Engelse kapitalistische economie te komen tot een daarachter liggend abstract economisch model. "But it is very difficult to see how he could have moved from the abstract model out through the complicated tangle of existing social classes to define anything as thick and rich as the life of a working class" [Welch 1979:189]. Dit zou Marx ervan hebben weerhouden om Het Kapitaal te voltooien: "he didn't finish it because he couldn't" [idem].

Index

5 Strategieën van omgang met de erfenis

Commentatoren en critici van Marx hebben hun teleurstelling of ironie naar aanleiding van het onvoltooide 52e hoofdstuk op verschillende manieren verwerkt. Aan de geschetste 'duidingen' werden zeer uiteenlopende conclusies verbonden. We kunnen vijf strategieën van omgang met de erfenis van Marx onderscheiden: (1) ridiculiseren, (2) formaliseren, (3) compileren, (4) completeren, (5) reconstrueren.

5.1 Ridiculiseren

Sommige critici hebben deze lacune aangegrepen om hun stelling kracht bij te zetten dat Marx überhaupt geen klassebegrip heeft ontwikkeld (Sombart, Delbrück, Mises e.a.) en dat Marx' bijdrage als zodanig niet serieus genomen dient te worden (Schumpeter, Kuiper Hzn e.a.).

Voor Schumpeter is de theorie van Marx sowieso "een zeer bekrompen en kromme theorie" waarin eindeloos wordt gezeurd over klassenstrijd tussen bezitters en niet-bezitters" [Schumpeter 1943/63: 56]. De hele theorie van Marx is een "ingenieuze tautologie [...] die nooit au serieux had moeten worden genomen" [idem:30]. Dat geldt met name ook voor de marxistische theorie van de sociale klassen, die hij vriendelijk omschrijft als "het kreupele zusje van de economische geschiedenisinterpretatie" [idem: 18]. Terwijl het klassebegrip een van de pijlers is waarop zijn denken berustte, heeft Marx er nooit een systematische uitwerking aan gegeven. Verder dan het toepassen van deze onderontwikkelde theorie op speciale gevallen zijn Marx en zijn discipelen nooit gekomen (Klassenstrijd in Frankrijk is hiervan volgens hem nog het beste voorbeeld). Daarnaast zijn er slechts een paar losse opmerkingen en korte schetsjes die verspreid liggen in de werken van de meester. Het samenvoegen van deze fragmenten is zo delicaat, dat Schumpeter zich hier niet aan waagt. Maar de grondgedachte is voor hem duidelijk genoeg: het een theorie "die zelfs in de gunstigste omstandigheden niet de kern raakt van het verschijnsel dat ermee moet worden verklaard" [idem: 23]. De enthousiastelingen die de marxistische theorie van de sociale klassen op zichzelf bewonderen, zijn blind voor de tekortkomingen en sluiten zich op in een "synthetisch bos dat verdacht veel lijkt op een intellectueel concentratiekamp" [idem: 26,54].

Vanuit een gereformeerd-christelijke optiek vind ook G. Kuiper Hzn. het opmerkelijk "dat Marx nooit tot een theorie over de klassen is gekomen [...] Marx' eigen gebruik van het woord klasse in zijn andere geschriften is ook allerminst eenduidig en dit alles heeft geleid tot veel strijd over zijn klassebegrip" [Kuiper Hzn 1965: 101]. De opmerkelijke onvoltooidheid van Marx' klassentheorie is voor de socioloog Kuiper echter geen aanleiding voor nadere argumentatie of verder onderzoek, want: "De klassenstrijd is altijd als onchristelijk gekenmerkt en terecht" [idem].

Op deze ridiculiserende kritieken werd vanuit de marxistische traditie meestal fel gereageerd. Volgens Adler demonstreert de stelling van 'burgerlijke geleerden' dat Marx überhaupt geen klassebegrip heeft geformuleerd en dat de materialistische geschiedenisopvatting alleen daarom al wetenschappelijk waardeloos is "een voorbarigheid en oppervlakkigheid van het oordeel, die men juist van geleerde critici niet zou verwachten en ook niet mag vergeven" [Adler 1932/62:18]. Zijn diagnose luidt: zij lijden aan een specifieke beroepsziekte van geleerden, namelijk aan "overschatting van begripsformules en definities." De suggestie dat Marx en Engels helemaal geen eenduidige opvatting van klassen hebben "steunt in wezen alleen op de uiterlijke omstandigheid dat men bij hen nergens een zin vind die begint met de verlossende woorden: 'Onder klasse versta ik...' " [idem: 19]. Met Adler gingen de meeste marxistisch georiënteerde auteurs er vanuit, dat men de betekenis van het klassebegrip in de theorie van Marx moet ontlenen aan de héle theoretische produktie van Marx en Engels en dat het niet zo moeilijk is om deze betekenis hieruit te destileren.

5.2 Formaliseren

Sociale wetenschappers die pas tevreden zijn wanneer zij met 'afgeronde definities' kunnen werken heeft Marx het zeker niet gemakkelijk gemaakt. In veel van zijn teksten wordt de term klasse op een nogal losse wijze gehanteerd, zonder dat er een formele definitie wordt gegeven die rechtstreeks in een sociologisch leerboek kan worden opgenomen. Dat is niet alleen lastig als men zich concentreert op formele definities probeert om via registers en indexen een inzicht te krijgen in methodiek en begripsmatige opbouw van de klassentheorie. Het is al door velen opgemerkt dat het gebruik van de term klasse door Marx zelf aanzienlijk is gecompliceerd omdat hij nergens een uitgewerkte formele definitie van het begrip heeft gegeven - het zou dus strikt genomen een ongedefinieerde term zijn.[10]

In Contemporary sociological Theories (1928) benadrukt Pitirim Sorokin dat de onvoltooidheid van het 52e hoofdstuk ertoe geleid heeft, (1) dat we "geen duidelijke conceptie van sociale of economische klassen uit de werken van Marx en Engels" krijgen, en (2) dat de pogingen van Marxisten zoals Kautsky, Bernstein, Cunow e.a. om een concept en classificatie van sociale klassen uit te werken slechts geleid heeft tot een reeks tegengestelde en onbevredigende definities van sociale klassen. "Daarom zijn zowel de Marxse theorie van de sociale klassen als de gebruikelijke termen 'proletariaat', 'bourgeoisie' e.d. nog steeds ongedefinieerd. Het zijn 'shibboleths' waarvan de exacte betekenis niet bekend is" [Sorokin 1928:543]. Kortom: de Marxse theorie van de klassen en de klassenstrijd "are nothing but fallacies." [idem] In zijn System of Sociology geeft Sorokin zelf niet minder dan 32 principiële vormen van klassedefinities. Zijn oproep om een einde te maken aan deze 'anarchie' heeft kennelijk niet veel indruk gemaakt.

In de marxistische traditie werd op deze kritieken meestal defensief gereageerd. De problemen met Marx' klassedefinitie - of het ontbreken daarvan - werden enerzijds teruggespeeld naar de critici zelf, door ze te interpreteren als een uitvloeisel van een vergaande 'academisering van het marxisme'. Het werd gezien als een uitvloeisel van pogingen om het marxisme als intellectuele discipline acceptabel - 'katheterfähig' - te maken, van haar opsluiting en verkokering door de academische disciplinegrenzen, van haar isolementen ten opzichte van radicale strijdpraktijken, van haar vergaande terminologische en methodologische specialisatie. Anderzijds werden de mogelijkheid en sociaal-wetenschappelijke zin van het geven van een klassedefinitie als zodanig ter discussie gesteld. Barbara en John Ehrenreich formuleren dit als volgt:

Als men ervan uitgaat 'dat klassen zichzelf definiëren' dan heeft het natuurlijk helemaal geen zin om over 'definities van sociale klassen' te discussiëren. In een dergelijke benadering is een klassedefinitie in structurele termen zo niet onmogelijk, dan toch op z'n minst overbodig.[11]

Vragen naar een 'definitie van klassen' is vragen naar Marx' analyse van de kapitalistische klassenmaatschappij [Ollman 1968]. De marxologen die Marx hebben berispt omdat hij geen woordenboek-definitie van klasse heeft gegeven die zij als zodanig kunnen herkennen, zoeken naar iets dat vreemd is aan de methode van Marx. Zij zijn op zoek naar "een soort lakmoespapiertest voor klasse welke op basis van formele beschrijvende elementen kan worden toegepast, geabstraheerd van de specifieke maatschappelijke verhoudingen" [Draper 1977 I:15 e.v.]. Marx weigert bewust en met redenen dergelijke abstracties. Hij kritiseert de economen die de burgerlijke produktieverhoudingen (eigendom, kapitaal, geld, crediet enz.) voorstellen als vaste, onveranderlijke, eeuwige begrippen. Al in Das Elend der Philosophie [1847] pleit hij voor historisch specifieke begrippen en keert zich tegen het verheffen van de 'logische formules' tot absolute methode van kennisverwerving. Hij heeft niets op met gladgestreken, uniforme synthetische formules waarin elk spoor van tegenstrijdige elementen is verdwenen; dergelijke formules zijn volledig ongeschikt om een op tegenstellingen gebaseerd produktiewijze te analyseren. Dit geldt natuurlijk ook voor de analyse van de sociale klassen die in deze produktiewijze zijn verankerd. In elke historische periode hebben de klassen zich zeer verschillend en onder een reeks zeer uiteenlopende maatschappelijke verhoudingen ontwikkeld. Het definiëren van de klassen van de burgerlijke maatschappij kan dus niets anders zijn dan het analyseren van de maatschappelijke verhoudingen van de kapitalistische produktie. De poging om een definitie van klassen te geven "als een op zichzelf staande, onafhankelijke verhouding, als een aparte categorie, een abstracte eeuwige idee, is niets meer dan een illusie van metafysica of jurisprudentie" [Marx, Das Elend:493 e.v.].

Preoccupatie met formeel-sociologische definities is een van de barrières voor een vruchtbare toeëigening en reconstructie van de bijdrage van Marx en daarom ook een rem op verdere ontwikkeling en uitwerking van een klassentheorie. Het eenzijdig benadrukken van formele definities en classificatieschema's verdringt al snel de analyses die aan het gebruik van die definities ten grondslag liggen. Een illustratie hiervan is het debat dat in het begin van de jaren zestig werd gevoerd tussen vertegenwoordigers van communistische partijen over structuur en omvang van de arbeidersklasse: het werd in vergaande mate gereduceerd tot een discussie over zogenaamde 'smalle' en 'brede' definities van arbeidersklasse.[12]

In discussies over de klassentheorie kunnen definities (ook geformaliseerde) wel degelijk een produktieve rol spelen. Dat zou men niet al te gemakkelijk af moeten doen als "een debat tussen sociologen" [Balibar 1974:47] of een teken van "academisering van het marxisme" [Ehrenreich 1979:321]. Wetenschappelijke analyse is weliswaar iets anders en omvat zeker veel meer dan het aaneenrijgen van 'hapklare' definities. Maar het zoeken naar een adequate samenvatting van de meest algemene en belangrijke kenmerken van een begrip in een definitie is natuurlijk zeer nuttig, zolang men van een definitie niet te veel verwacht, d.w.z. meer dan er regelijkerwijs van samenvattende formulering verlangd kan worden.[13] In klassedefinities zijn de constitutieve momenten van een klasse geformuleerd en zij vormen een belangrijke schakel tussen klassentheorie en empirische onderzoeksprojecten. Zij vormen het snijpunt van de relatie tussen theorie en empirisch onderzoek van de ontwikkeling van de klassenstructuren: zij verwijzen enerzijds naar een specifieke analyse van maatschappelijke verhoudingen (klassentheorie), anderzijds naar geoperationaliseerde indelingscriteria die meer of minder direct in het empirisch-historische onderzoekswerk fungeren.

5.3 Compileren

Omdat Marx zijn klassentheorie in het kader van zijn 'kritiek van de politieke economie' niet meer samenhangend heeft uiteengezet, hebben veel auteurs zich beperkt tot het samenstellen van een compilatie van Marx-citaten over het klasseprobleem. Op grond van dergelijke compilaties werd vaak geconcludeerd dat Marx en Engels het klassebegrip 'uiteenlopend', 'inconsistent' of 'tegenstrijdig' hanteren.[14] Soms werden hiervoor links en rechts wat citaten uit hun inhoudelijke samenhang en methodische context geplukt om zo een eigen papieren tijger te componeren die vervolgens in stukken gescheurd kon worden (klassiek voorbeeld is Sorokin 1928). Anderen hebben zich beperkt tot nuchtere opsommingen van inconsistenties en tegenstrijdigheden. De meest gememoreerde tegenstrijdigheden zijn: (1) de variatie in het aantal klassen dat in de burgerlijke maatschappij wordt onderscheiden, (2) inconsistenties bij het gebruik van de term 'klasse' in onderscheid van 'fractie' en 'sociale laag', (3) de onduidelijke afbakening van de 'klasse an sich' en de 'klasse für sich' en de rol die 'politieke' en 'ideologische' factoren spelen bij de constitutie van maatschappelijke klassen.

Volgens Gurvitch[15], Dahrendorf[16] e.a. zijn deze tegenstrijdigheden grotendeels terug te voeren tot het feit dat Marx zelf bevangen bleef in de spanning tussen de sociale wetenschapper en de sociaal-filosoof. Zijn geschiedenisfilosofie zou tot eschatologische visies leiden, die met name tot uitdrukking komen in zijn conceptie over 'de historische opdracht van het proletariaat'.[17] De spanning tussen sociologische analyse en filosofische speculatie zou een rigoreuze conceptualisering van sociale klassen hebben verhinderd en tot een grote diversiteit van klassebegrippen hebben geleid.

Stanislaw Ossowski

De Poolse socioloog Stanislaw Ossowski heeft deze gedachte het verste uitgewerkt. Marx maakte de 'grote synthese' waarin de problemen van de sociologie, de politieke economie, de filosofie en de politiek zijn samengevat; zijn werk vormt als het ware "een brandspiegel waarin de veelvoudige stromingen van het Europese denken worden gebroken" [Ossowski 1957:97]. In de conceptie van Marx treffen we de drie algemene schemata van de sociale structuur aan die "vanaf de bijbelse legende tot aan de moderne sociologie" /31/ bepalend zijn geweest voor de opvattingen over de klassenmaatschappijen: het dichotome, graduele en functionele schema.

De fundamentele dichotomie van de revolutionaire agitator
Als "revolutionair en schepper van de dramatische visie van de geschiedenis"/98/ ontwikkelt Marx de dichotome conceptie van de klassenmaatschappij: de maatschappij is opgesplitst in twee tegengestelde klassen die in een "verhouding van asymmetrische afhankelijkheid"/58/ staan. Klassenverhoudingen worden voorgesteld als een scherpe oppositie tussen heersende en overheerste klassen. Als politicus en agitator accentueert Marx de meest gewelddadige aspecten van de klassenstrijd. Dit dichotome schema vinden we vooral in het Communistisch Manifest, maar komt ook voor in Het Kapitaal als tegenstelling tussen kapitalisten en arbeidersklasse. Het dichotome schema wordt door Ossowski direct verbonden aan de specifieke sociale functie van teksten: het gaat om revolutionaire propaganda.[18] Het nieuwe aan Marx' opvatting van het klassensysteem is volgens hem, dat hij drie dichotome delingen kruist /97/. Marx hanteert drie criteria die elk op zich de grondslag vormen voor een dichotome afbakening: (1) bezit van produktiemiddelen: bezittende en bezitloze klasse; (2) arbeid: werkende en niet-werkende klasse en (3) niet-benutten van loonarbeid: hiermee wordt de middenklasse beperkter, namelijk alleen zij die geen vreemde arbeidskracht benutten /100/. De kruising van deze drie dichotome delingen werd "het klassieke schema van Marx". In zijn overwegingen over het klassebegrip op de laatste pagina's van Het Kapitaal maakte hij van dit schema echter geen gebruik /107/.

Het graduele schema van de socioloog
Marx "de socioloog"/99/ differentieert de klassen door hogere en lagere posities te onderscheiden op een graduele schaal (bijv. kleinbourgeoisie als middensector, overeenkomstig de omvang van hun bezit)/105/ en moet rekening houden met de middenklassen, "de tussen proletariaat en bourgeoisie staande massa der natie" [Marx, Klassenstrijd in Frankrijk]. De diversiteit van sociale posities en economische situatie bij deze middenklasse maakt het moeilijk om ze in één schema te vangen. De aanduiding 'middenklassen' suggereert al een gradueel schema. Bij Marx treft men vaak een conceptie van middenklassen aan als een groep individuen die een middenpositie innemen in een economische gradatie (onafhankelijk van de relatie tot de produktiemiddelen en onafhankelijk van de onderscheiden maatschappelijke rollen en inkomensbronnen. In Ansprache der Zentralbehörde an den Bund von Kommunisten [1850] vatten Marx en Engels ook de vertegenwoordigers van het kleine kapitaal, wier belangen tegenover die van de grote kapitalisten staan, op als onderdeel van de 'kleinburgerij'. En in Burgeroorlog in Frankrijk  schrijft Marx over "de liberale Duitse middenklassen, met hun professoren, hun kapitalisten, hun stadsafgevaardigden, hun krantenmannen" - een soort 'middle class' in de Amerikaanse zin van het woord.

Het functionele schema van de econoom
Als 'econoom' hanteert Marx een drieledig schema dat hij aan Adam Smith ontleende. Hoewel hij dit schema niet frequent hanteerde is het des te belangrijker omdat juist dit schema het uitgangspunt vormt van het 52e hoofdstuk van Het Kapitaal. Hier vertrekt Marx vanuit de kwalitatief verschillende inkomensbronnen, waarbij de inkomensbronnen worden opgevat als resultaat van verschillende functies die mensen in het maatschappelijke leven vervullen /103/.

Interferentie van gezichtspunten
Het feit dat Marx drie verschillende schemata hanteert betekent echter nog niet dat zij tot elkaar tegensprekende stellingen leiden. Ossowski geeft hiervoor vier redenen: (1) "Het dichotome aspect in de klassentheorie van Marx toont de ontwikkelingsrichting van de kapitalistische maatschappijen aan en ín dat perspectief moeten de meervoudige schemata gelden voor de overgangsverschijnselen" /107/. (2) Het drie-klassen-schema en het dichotome schema bijten elkaar ook niet echt; het is immers voldoende om grondbezitters en kapitaalbezitters samen te vatten in de categorie 'bezittende klasse' en daartegenover de 'bezitters van arbeidskracht' te stellen als 'bezitloze klasse'. (3) Het drieledige graduele schema kan men ook verzoenen met de dichotome conceptie, wanneer men de middenklassen opvat als sfeer van elkaar kruisende omvangen, of als grensgebieden tussen twee tegenover elkaar staande klassen. (4) En tenslotte is er nog een andere verklaring mogelijk:

"In Marx' beeld van de kapitalistische maatschappij refereert de dichotomie aan klassen die deelnemen aan de kapitalistische produktie, die niet de enige vorm van produktie in de actuele kapitalistische maatschappijen is. Dichotomie is dus het basisschema van Marx' model van de kapitalistische maatschappij: het gaat hier om twee grote klassen die zich - zoals Labriola zegt - 'binnen het kapitalistische bedrijf' aan ons tonen. Als men de twee-klassenstructuur van de kapitalistische maatschappij op deze wijze opvat, dan is dit niet in tegenspraak met het bestaan van andere sociale groepen, wanneer men aanneemt, dat zich in de schoot van deze maatschappij nog andere vormen van produktieverhoudingen voortbestaan, en bijgevolg ook de met hen corresponderende klassen. Het dichotome schema karakteriseert de kapitalistische maatschappij met betrekking tot de heersende en haar bijzonder kenmerkende vorm van de produktieverhoudingen, het meervoudige schema met betrekking tot de werkelijke sociale structuur" /108/.

Met dit laatste argument zinspeelt Ossowski op het analytisch-methodisch onderscheid tussen (a) algemene theorie van de klassen van een 'zuivere' kapitalistische produktiewijze, (b) theorie van klassen in een kapitalistische maatschappijformatie, d.w.z. een maatschappijformatie die gedomineerd wordt door de kapitalistische organisatie van de maatschappelijke arbeid waarin ook nog andere organisatievormen bestaan, en (c) het empirisch onderzoek van klassenverhoudingen in een nationaal georganiseerde, historisch specifieke maatschappij.

Ossowski blijft dus niet staan bij de constatering dat er bij Marx meerdere, op het eerste gezicht niet onderling consistente klassedefinities te vinden zijn: hij ordent de diverse klassenoties in een aantal analytische schema's. Hij veronderstelt dat Marx verschillende maatschappijbeelden of -modellen ontwikkelde, al naar gelang het specifieke doel van zijn analyses. Hij benadrukt dat het legitiem is om meerdere modellen en schemata te hanteren[19], maar laat de drie analytische modellen naast elkaar staan: ze overlappen elkaar en laten het ene of andere aspect op de voorgrond treden, maar ze vertonen geen onderlinge samenhang, zij vormen geen analytische eenheid. De vraag die Ossowski niet aan de orde stelt is: "zijn dit op elkaar gestapelde analysepatronen of zijn het verschillende niveaus van een enkel analytisch proces van synthese?" [Dos Santos 1970:170; vgl. ook Jung 1972:29; Jasinska/Nowak 1979:76 e.v.].

5.4 Completeren

Soms werden meer of minder serieuze pogingen ondernomen om het onafgemaakte werk van Marx te completeren door allerlei brokstukken uit diverse teksten van Marx (en Engels) te combineren. Zo ging Ralf Dahrendorf er vanuit dat Marx op basis van zijn eigen klassebegrip minstens "de rudimenten van een klassentheorie, het model van een klassenmaatschappij" ontwikkelde. Het feit dat juist het hoofdstuk over de klassen in Das Kapital onvoltooid is gebleven mag ironisch zijn, maar voor de grondige lezer van Marx is dit geen reden tot wanhoop. "Als hij wil, kan hij dit hoofdstuk voor Marx completeren" [Dahrendorf 1959:8]. De poging die Dahrendorf hiertoe zelf ondernam, pretendeert niets substantieels toe te voegen 'aan wat Marx zelf zei': hij ordent een aantal citaten en probeert ze systematisch met elkaar te verbinden in een "coherente tekst". Het probleem met dergelijke completeringen is dat hierin in de regel ook de werkelijke ambivalenties en tegenstrijdigheden verdwijnen die er binnen en tussen de diverse teksten van Marx bestaan.

Dit geldt natuurlijk ook, en soms in nog veel sterkere mate voor 'marxistisch-leninistische', dogmatische varianten van de completeringsstrategie, waarin de klassentheorie van Marx wordt voorgesteld als een afgesloten geheel. In de vulgair-marxistische interpretatie worden de meest algemene uitspraken en stellingen uit hun historische en systematische samenhang losgescheurd, onbemiddeld naast elkaar gesteld en in hun meest algemene versie gedogmatiseerd [vgl. de kritiek van Steiner 1966:864 e.v.]. Het adagium van Semjenow is hiervoor exemplarisch:

5.5 Kritisch-systematisch interpreteren en reconstrueren

We hebben gezien dat dat zowel critici als sympatisanten veel aandacht hebben aan het onvoltooide 52e hoofdstuk. Soms krijgt men zelfs de indruk dat Het Kapitaal op de chinese wijze is gelezen: men begint te lezen aan het einde van het derde deel en houdt op waar het hoofdstuk over klassen begint.[20] In ieder geval is dit hoofdstuk sterk overgewaardeerd en overgeïnterpreteerd. De reden hiervoor is mijns inziens, (a) dat de klassentheorie wordt opgevat als een soort 'sociologisch aanhangsel' van Marx' kritiek van de politieke economie en (b) dat verondersteld wordt dat de maatschappelijke klassen in de rest van Het Kapitaal afwezig zijn.

In kritische reconstructies wordt deze vooronderstelling losgelaten: klassentheorie wordt niet meer opgevat als sociologisch aanhangsel van, maar als element van de kritiek van de politieke economie.[21] Daarbij wordt vastgehouden aan het kritische inzicht van Marx, dat produktie- en ruilverhoudingen ('economie') niet gescheiden zijn van het bestaan en de onderlinge strijd tussen maatschappelijke klassen, maar dat alle voorwaarden van de kapitalistische arbeidsverhoudingen beheerst worden door en doordrongen zijn van het bestaan van sociale klassen en van klassenstrijd. Mijn reconstructie van de klassentheorie gaat uit van de vooronderstelling dat de klassentheorie - op specifieke wijze en tot op bepaalde hoogte - is geïmpliceerd in de kritiek van de politieke economie. In Marx' systematische uiteenzetting van de kritiek van de politieke economie zijn de klassen vanaf het begin tot het eind 'aanwezig'.[22] Bij een dergelijke reconstructie staan twee probleemcomplexen centraal.

Index


6 Marx lezen

6.1 Interpretatie en reconstructieproblemen

Dat Marx noch Engels er ooit toe gekomen zijn hun klassebegrip systematisch uiteen te zetten, behoort zeker tot een van "de grote en voor de ontwikkeling van het marxisme ongunstige lacunes" in hun teksten [Adler 1922/64:18]. Het onvoltooide karakter van het 52e hoofdstuk van Het Kapitaal is een van de factoren die ertoe hebben bijgedragen dat het debat over de interpretatie van het werk van Marx werd gecompliceerd.[25] Een nauwkeuriger indentificatie van de klassentheoretische erfenis van Marx is in zoverre problematisch, dat we op beslissende punten zijn aangewezen op explicaties, interpretaties en reconstructies. De interpretatiespeelruimte is relatief groot.[26] Door de afwezigheid van een expliciete en systematische behandeling van de klassentheorie moet het werk van Marx en Engels onderzocht worden op een - in de kritiek van de politieke economie - geïmpliceerde of immanente klassentheorie.

Dit brengt direct al een aantal vragen met zich mee. Waar moeten we zoeken als we die 'immanente klassentheorie' willen identificeren? Wát moeten we lezen en hoé moeten we deze teksten lezen? Met wat voor soorten tekstueel materiaal hebben we te maken en wat voor soort lezing kunnen we toepassen?

Het 'lezen' van de klassentheoretische benadering is niet zo eenvoudig, omdat deze op een niet altijd even stringente en eenduidige wijze in zijn gehele werk, in zeer uiteenlopende teksten doordringt. Wie een samenvattend en systematisch overzicht wil geven van de aanzet van Marx stuit al snel op de volgende vier problemen.

  1. Veel teksten -- We moeten veel teksten lezen. Ik heb al eerder opgemerkt dat in bijna alles wat Marx schreef de begrippen klasse, klassenverhoudingen en klassenstrijd een centrale plaats innemen. Voor een reconstructie is dus lezing van praktisch zijn gehele oeuvre nodig.

  2. Verschillende typen -- We moeten verschillende typen teksten lezen. De variëteit van typen teksten en documenten die gelezen zouden moeten worden omdat zij voor het thema relevant zijn is zeer groot. Het betreft al dan niet gepubliceerde en al dan niet voltooide boeken, essays, brochures, artikelen, brieven enzovoort. We hebben te maken met:
    • Boeken en belangrijke essays die onder controle van de auteur werden gepubliceerd, met de gebruikelijke gelegenheid voor correctie, revisie e.d. Voorbeelden hiervan zijn: De heilige familie (1845 - M/E), De ellende van de filosofie (1847), Het communistisch manifest (1848 - M/E), De klassenstrijd in Frankrijk (1850), De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte (1852), Zur Kritik der politischen Ökonomie (1859), het 1e deel van Het Kapitaal (1876), De burgeroorlog in Frankrijk (1870-71).
    • Artikelen die onder controle van de auteur werden gepubliceerd. Zowel gesigneerde politieke statements voor een politiek publiek, als vaak niet ondertekende journalistieke artikelen.
    • Artikelen die niet onder controle van de auteur werden gepubliceerd, zoals bijvoorbeeld de artikelen in de New York Tribune, die door redacteuren werden herschreven.
    • Ongepubliceerde manuscripten. Dat zijn enerzijds onvoltooide of fragmentarische teksten die vaak nooit herlezen of gereviseerd zijn. Hieronder vallen onder andere de drie delen van Theorien über den Mehrwert (1861-1863) en deel 2 en 3 van Het Kapitaal. Anderzijds zijn er ook de nooit gepubliceerde, niet of bijna niet voltooide teksten, zoals de Economisch-filosofische manuscripten (1848), Duitse Ideologie (1845-6 - M/E) en het Voorwoord bij Zur Kritik (1859).
    • Brieven die soms zeer openhartig zijn (zoals de correspondentie met Fr. Engels), maar soms ook een meer diplomatiek karakter hebben (zoals circulaire politieke brieven, 'educatieve' brieven, interne brieven, ad-hoc brieven).
    • Privé-notities, aantekeningen en voorstudies, werkboeken, zoals bijvoorbeeld de Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie (1850-59), Resultate des unmittelbaren Produktionsprozeßes (1863-65).

    Ik heb hierboven de afkorting 'M/E' gebruikt om aan te duiden dat Marx en Engels deze tekst samen schreven. Zoals bekend was de samenwerking tussen Marx en Engels zeer intensief. Zij discussieerden uitvoerig over hun studies en consulteerden elkaar vooraf bij elke publicatie. "Wij werken beide samen volgens een gemeenschappelijk plan en overeenstemming vooraf" [MEW 14:472]. De 'arbeidsdeling' tussen beiden impliceerde dat Engels tijdens het leven van Marx veel populariserende uiteenzettingen schreef. Marx las en kritiseerde de manuscripten voordat Engels ze publiceerde. In ieder geval tot 1882 is het niet aannemelijk dat Engels iets van betekenis publiceerde dat fundamenteel van Marx's visies afweek.[27] Daarom is het legitiem de bijdragen van Engels te beschouwen als onderdeel van de tekstuele basis van de bespreking van 'de klassentheorie van Marx' (en dus ook: Engels). De teksten van Engels die in dit verband bijzonder van belang zijn: De toestand van de arbeidersklasse in Engeland (1845), De Duitse boerenoorlog (1875), De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat (1890-91), en de diverse recensies over en inleidingen bij Het Kapitaal.

  3. Ongelijkwaardige teksten -- We moeten zeer ongelijkwaardige teksten lezen. De teksten van Marx hebben een verschillende inzet, thematische doelstelling en theoretische status. We hebben te maken met:
    • Algemeen historische, filosofische en methodologische uiteenzettingen, zoals in Duitse Ideologie, Inleiding bij Grundrisse en Voorwoord bij Zur Kritik.
    • Systematische theoretische uiteenzettingen van produktie- en klassenverhoudingen in de burgerlijke maatschappij, zoals in Het Kapitaal en Grundrisse.
    • Politiek-historische studies over strijdsituaties in Duitsland en Frankrijk, zoals Klassenstrijd in Frankrijk, De 18e Brumaire, Revolutie en contra-revolutie in Duitsland, Burgeroorlog in Frankrijk. Deze teksten gaan over concrete historische situaties en politieke conjuncturen.
    • Politieke strijdschriften zoals Het communistisch manifest.

    Wie deze teksten leest om greep te krijgen op de theoretische structuur van Marx' klassentheoretische aanzet, zal vaak concepten tegenkomen die nog in 'praktische staat' verkeren, d.w.z. die nog niet precies gedefinieerd zijn binnen een geëxpliciteerd theoretisch kader. Ook als men veronderstelt dat Marx en Engels in hun politieke teksten het klassebegrip op een systematische wijze hanteren, dan blijft het dubieus om hieruit algemeen geldende omschrijvingen of definities van klassen af te leiden. Hun politiek-historische teksten van strijdsituaties in Duitsland en Frankrijk hebben immers steeds betrekking op concrete historische situaties en specifieke politieke conjuncturen. Daarom is het twijfelachtig een algemeen of maatschappijformatie-specifiek klassebegrip te destileren uit de politieke analyses van concrete situaties [vgl. Leppert 1976:76; Steiner 1966, in: Ludz 1972:422].

  4. Verschillende problematieken -- De teksten zijn in verschillende perioden geschreven en zijn daarom verbonden aan en worden gereguleerd door de verschillende problematieken waarin Marx op dat moment dacht. Daarom is en blijft het een hachelijke onderneming elementen die in verschillende stadia van de theoretische ontwikkeling zijn geschreven te compileren tot een geheel.

6.2 Leesprotocol: teksten en contexten

Een lezing van de klassenanalytisch relevante teksten van Marx en Engels mag dus niet 'onschuldig' zijn. Stuart Hall heeft daarom een specifieke 'leespraktijk' voorgesteld, die "probeert de logica van het argument en van de uiteenzetting van een tekst bijeen te houden, binnen de matrix van vooronderstellingen en begrippen die het betoog van een tekst mogelijk maken, die het genereren" [Hall 1973:16]. Bij het lezen van een complexe tekst zou men steeds een oog gericht moeten houden op de matrix van begripsmatige premissen en proposities die het betoog genereren (en waaraan een tekst haar theoretische coherentie ontleend). Hierdoor kunnen de 'stiltes', de lacunes van een betoog gemakkelijker worden geïdentificeerd. 'Lezen op afwezigheid' is een van de principiële fundamenten voor een kritische theoretische praktijk.

Symptomaal lezen
Dit voorstel lijkt op het protocol van het symptomaal lezen van theoretische teksten dat Althusser heeft voorgesteld. De term ‘symptomaal’ refereert aan Freud’s theorie van de formatie van symptomen in het discours van een patiënt (Zie Traumdeutung). Tegenover ‘onschuldige’ lezingen van Marx stelt Althusser een symptomale lezing voor die het mogelijk maakt om de theoretische structuur van een tekst te lezen uit formuleringen waarin begrippen nog in een ‘praktische staat’ verkeren.

Maar er is ook een symptomale lezing die een dekmantel is voor een vertaling van ‘praktische concepten’ in hun ‘zuivere’ theoretische staat waarbij men een tekst alles kan laten zeggen wat de lezer zich al had voorgenomen erin te vinden. Symptomaal lezen moet niet worden gehanteerd als een theoretische guillotine waarmee elk begrip wordt onthoofd dat de vermetelheid heeft af te wijken van het aangegeven pad. Dan is er immers geen enkele controle meer mogelijk op deze leeswijze. In Lire le Capital [1965/8] heeft Althusser de methode van het symptomale lezen rigoreus toegepast. Treffend formuleert Stuart Hall:

    “Wanneer men de ‘praktische concepten’ van Marx systematisch verheft tot een meer theoretisch niveau met de hulp van structuralistische instrumenten en concepten, dan is het niet moeilijk om op deze wijze aan het eind een ’structuralist Marx’ te produceren” [Hall 1973:18].
Op deze wijze kan niet meer de vraag worden beantwoord die aan het begin van Lire le Capital wordt gesteld: wat voor soort ‘structuralist’ de rijpe Marx werkelijk was. De noodzakelijk gesloten circulariteit van een 'lezing' waarin de ‘antwoorden’ al verondersteld zijn in de vorm van de vragen die het stelt noemde Althusser overigens later zelf –in: Pour Marx [1965]– ‘ideologisch’.

De betekenis van een tekst is altijd een co-produktie van auteur en lezer. Elke lezing grijpt in op de tekst, plaatst deze in andere contexten en geeft betekenis aan tekstuele ambiguïteiten. Een verantwoorde en controleerbare lezing moet echter in de eerste plaats rekening gehouden met de contexten van afzonderlijke teksten of tekstfragmenten zelf. Bij de explicatie, interpretatie en reconstructie van Marx’ klassentheoretische bijdrage zou mijns inziens minstens rekening moeten worden houden met de volgende drie contextuele bundels:

  1. de theorie-historische context, dat wil zeggen de plaats van een bepaalde tekst in de geschiedenis van een theorie of theorietraditie [hoofdstuk II];
  2. de theorie-systematische context, dat wil zeggende plaats in de systematiek van een theorie [hoofdstuk III] en
  3. de sociaal-historisch context, dat wil zeggen de verhouding van teksten tot het historisch tijdperk waarin zij werden geproduceerd [hoofdstuk IV].

Index


Noten

Plaatje

top


Home InternetStudies Sociologen Onderwerpen Samenleven Zoek Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam