Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact

Klassendefinities bij de vleet

Heaps of Class Definitions

Albert Benschop

1805 - Charles Hall
1828 - William A. MacKinnon
1846/94 - Karl Marx
1875 - Albert Schäffle
1905 - Alfred Vierkandt
1905 - Cyrille van Overbergh
1908 - Eduard Bernstein
1912 - Gustav Schmoller
1913 - Wladimir Simkhowitsch
1914 - Emil Hammacher
1916 - Eugen von Philippovich
1919 - Vladimir Iljitsj Lenin
1919 - Werner Sombart
1919 - Heinrich Cunow
1911/20 - Max Weber
1923 - Nicolai Bucharin
1923 - Paul Mombert
1926 - Götz Briefs
1929 - Leopold von Wiese
1932 - Theodor Geiger
1937 - Robert M. MacIver
1940 - Talcott Parsons
1941 - William Loydd Warner
1948 - Frederick van Heek
1949 - Richard Centers
1950 - Thomas H. Marshall
1950 - H.D. Lasswell/A. Kaplan
1951 - Ernst Niekisch
1954 - Fritz Croner
1956 - Reinhard Bendix
1959 - Ralf Dahrendorf
1960 - Robin Murphy Williams
1963 - Edward P. Thompson
1974 - Nicos Poulantzas
1979 - Erik Olin Wright
1979 - Pierre Bourdieu
1979 - John Welch
1980 - Arthur Marwick
1983 - G.E.M. de Ste. Croix
1985 - John Elster
1988 - Veit Bader/Albert Benschop
1989 - Ivan Reid


    Charles Hall
  1. “The people in a civilized state may be divided into different orders; but for the purpose of investigating the manner in which they enjoy or are deprived of the requisites to support the health of their bodies and minds, they need only be divided into two classes, viz. the rich and the poor.”
    [The Effects of Civilisation on the People in European States. 1805:3]

    Karl Marx

  2. “Was ist die Gesellschaft, welches immer auch ihre Form sei? Das Produkt des wechselseitigen Handelns der Menschen. Steht es den Menschen frei, diese oder jene Gesellschaftsform zu wählen? Keineswegs. Setzen Sie einen bestimmten Entwicklungsstand der Produktivkräfte der Menschen voraus, und Sie erhalten eine bestimmte Form des Verkehrs … und der Konsumtion. Setzen Sie bestimmte Stufen der Entwicklung der Produktion, des Verkehrs und der Konsumtion voraus, und Sie erhalten eine entsprechende soziale Ordnung, eine entsprechende Organisation der Familie, der Stände oder der Klassen, mit einem Wort eine entsprechende Gesellschaft … Setzen Sie eine solche Gesellschaft voraus, und Sie erhalten eine entsprechende politische Ordnung, die nur der offizielle Ausdruck der Gesellschaft ist.”
    [Brief aan Annenkow. 1846 - MEW 4, 548]
      Vertaling: “Wat is de maatschappij, los van haar bijzondere vormen? Het is het product van het wederkerig handelen van mensen. Staat het dan mensen vrij om deze of gene maatschappijvorm te kiezen? Geenzins. Wanneer je een bepaalde ontwikkelingsstand van de productiekrachten van de mens veronderstelt, dan krijg je een bepaalde ontwikkelingsface van de productie, de distributie en consumptie. Dan krijg je ook een daarmee corresponderende sociale ordening, een corresponderende organisatie van het gezin, van de standen of van de klassen. … Wanneer je zo’n maatschappij veronderstelt dan krijg je ook een corresponderende politieke ordening, die slechts de officiële uitdrukking van de samenleving is. ”

    “Die Eigentümer von bloßer Arbeitskraft, die Eigentümer von Kapital und die Grundeigentümer, deren respektive Einkommensquellen Arbeitslohn, Profit und Grundrente sind, also Lohnarbeiter, Kapitalisten und Grundeigentümer, bilden die drei großen Klassen der modernen, auf der Kapitalistischen Produktionsweise beruhenden Gesellschaft.”
    [Das Kapital III. 1894 - MEW 25: 982]

      Vertaling: “De eigenaars van louter arbeidskracht, de eigenaars van kapitaal en de eigenaars van grond, wier respectievelijke inkomensbronnen arbeidsloon, winst en grondrente zijn, dus loonarbeiders, kapitalisten en grondeigenaars, vormen de drie grote klassen van de moderne, op de kapitalistische productiewijze berustende maatschappij.“

    William Alexander MacKinnon

  3. “The only means by which the classes of society can be defined, in a community where the laws are equal, is from the amount of property, either real or personal, possessed by individuals. As long as freedom and civilization exist, property is so entirely the only power that no other means, or choice is left of distinguishing the several classes, than by the amount of property belonging to the individuals of which they are formed.”
    [On the Rise, Progress, and Present State of Public Opinion. 1828:2]

    Albert Schäffle

  4. “Die Klasse ist wesentlich eine Schichtung nach Unterschieden der Besitzgröße und Besitzart, bzw. nach dem Unterschied von Besitz und Nichtbesitz.”
    [Bau und Leben des sozialen Körpers. 1875/78]
      Vertaling: “De klasse is in wezen een gelaagdheid naar verschillen in omvang en aard van het bezit, resp. naar het verschil tussen bezit en niet-bezit.”

    Alfred Vierkandt

  5. “Eine weitgehende Mischung zwischen den Ständen hat deren äußere Schranken niedergerissen und in Verbindung mit anderen Einflüssen ihre Einheitlichkeit und ihren inneren Zusammenhang zerstört. Die an ihre Stelle getretenen Klassen sind Mengen von Menschen, die in erster Linie durch wirtschaftliche Interessen, also durch den Nutzen, zusammengehalten werden, während ein einheitliche kulturelle Sonderart ihnen nicht zukommt. Sie haben keinen Gruppencharakter, sondern sind bloße Aggregate. … Am meisten gilt das wohl vom Bürgertum.”
    [Gesellschaftslehre. 1905, 4e uitg. 1923]
      Vertaling: “Een vergaande vermenging tussen de standen heeft hun uiterlijke grenzen afgebroken en in combinatie met andere invloeden hun uniformiteit en hun interne samenhang vernietigd. De klassen die op hun plaats zijn gekomen zijn massa’s mensen die in de eerste plaats bijeen worden gehouden door economische belangen, dus door het nut, terwijl zij geen coherente culturele bijzonderheden vertonen. Zij hebben geen groepskarakter, maar zijn louter aggregaten. … Dat geldt nog wel het meest voor de burgerij.”

    Cyrille van Overbergh

  6. “Sociale klassen onderscheiden zich in wezen van elkaar door bezit en niet-bezit van de productiemiddelen.”
    [La classe sociale. 1905]

    Eduard Bernstein

  7. “Eine Klasse der modernen Gesellschaft enthält Elemente dieser Gesellschaft, welche in der Hauptsache unter gleichen Lebensbedingungen existieren.”
      Vertaling: “Een klasse van de moderne maatschappij bevat elementen van deze maatschappij, die hoofdzakelijk onder gelijke levensomstandigheden leven”
      [Was ist Sozialismus? 1908]

    Gustavs Schmoller

  8. “Wir verstehen unter sozialen Klassen diejenigen größeren Gruppen einer arbeitsteiligen Gesellschaft, die sich nicht nach Blut, Geschlecht, Verwandschaft, nicht nach Religion, nicht nach Orts-, Kreis-, Provinzial-, und Staatszusammengehörigkeit bilden, sondern die durch gleiche und ähnliche Eigenschaften und Lebensbedingungen, durch gleiche oder ähnliche Besitzart und Besitzgröße, durch gleiche oder ähnliche Art der Einfügung in die Ordnung der Volkswirtschaft oder des Staates, durch gleichen oder ähnlichen Rang in der hierarchischen Gesellschaftsordnung, durch gleiche oder ähnliche Interessen aller Art ein Bewußtsein der Zusammengehörigkeit haben und dem Ausdruk geben.”
    [Die soziale Frage. 1912:12]
      Vertaling: “Onder sociale klassen verstaan wij de grotere groepen van een arbeidsdelige maatschappij, die zich niet constitueren naar bloedbanden, geslacht, verwantschap, niet naar religie, niet naar plaatselijke, lokale, provinciale of staatssaamhorigheid, maar door gelijke en soortgelijke eigenschappen en levensomstandigheden, door gelijke of soortgelijke aard en omvang van bezit, door gelijke of soortgelijke invoeging in de ordening van de nationale economie of van de staat, door gelijke of soortgelijke rang in de hiërarchische maatschappelijke ordening, door gelijke of soortgelijke belangen van allerlei soort, en die een bewustzijn hebben van de saamhorigheid en hieraan uitdrukking geven.”
      Notitie: Dit is een typisch voorbeeld van een ‘gemengd klassebegrip’ (Schmoller), waarin zgn. ‘objectieve’ en ‘psychische’ kenmerken samen het begrip klasse constitueren. Geiger noemde zo’n klassebegrip een ‘logisch onding’, “omdat een begrip niet gelijktijdig in twee categoriaal verschillende denkniveaus gesitueerd kan zijn”. Een dergelijke “verknoping van fundamenteel verschillende begripsconstituanten” is volgens Geiger [1932:3] onmogelijk. Het eerste, ‘objectieve’ deel van Schmoller’s klasssebegrip zelf is overigens al te complex om nog een duidelijke maatstaf te kunnen leveren voor de feitelijke sociale structurering.

    Wladimir Simkhowitsch

  9. “Klassen sind Gruppen, welche ähnliche Einkommensquellen haben und sich ähnlicher oder identischer ökonomischer Interessen bewußt sind.”
    [Marxismus gegen Sozialismus. 1913]
      Vertaling: “Klassen zijn groepen die gelijksoortige inkomensbronnen hebben en die zich bewust zijn van gelijksoortige of identieke economische belangen.”

    Emil Hammacher

  10. “Klassen sind Bezitsschichten, während Stände Beruf-Schichten sind.”
    [Hauptfragen der modernen Kultur. 1914]
      Vertaling: “Klassen zijn bezitslagen, terwijl standen beroepslagen zijn.”

    Eugen von Philippovich

  11. “Klassen sind gesellschaftliche Gruppen, geschieden nach Macht, Ansehen und äußerem Rang.”
    [Grundriß der politischen Ökonomie. 1916]

    Vladimir Iljitsj Lenin

  12. “Onder klassen verstaan we grote groepen mensen, die zich van elkaar onderscheiden door hun plaats in een historisch specifiek systeem van maatschappelijke productie, door hun (grotendeels in wetten gefixeerde en geformuleerde) verhouding tot de productiemiddelen, door hun rol in de maatschappelijke organisatie van de arbeid en bijgevolg door de wijze van verwerving en de omvang van het aandeel in de maatschappelijke rijkdom waarover zij beschikken. Klassen zijn groepen mensen waarvan de een zich de arbeid van de ander kan toeëigenen als gevolg van de verscheidenheid van hun plaats in een specifiek systeem van de maatschappelijke economie.”
    [Die große Initiative. 1919 - LW 9:410]

    Werner Sombart

  13. “Soziale Klasse ist eine Gesellschaftgruppe, die ihrer Idee nach ein bestimmtes Wirtschaftssystem vertritt”, d.h. “eine bestimmte Wirtschaftsordnung mit einem oder mehreren hervorstehenden Wirtschaftsprinzipien.”
    [Sozialismus und soziale Bewegung. 1919]
    “Klassen sind durch gemeinsamen Interessen an einem Wirtschaftssystem äußerlich zusammengehaltene, in ein Gemeinwesen mechanisch eingefügte individualistischen Großverbände.”
    [idem, Der Moderne Kapitalismus. 1921]
      Vertaling: “Sociale klasse is een maatschappelijke groep, die in hun idee een bepaald economisch systeem vertegenwoordigt,” d.w.z. “een bepaalde economische ordening met een of meerdere opvallende economische principes.”
      “Klassen zijn individualistische grote associaties die door gemeenschappelijke belangen bij een economisch systeem uiterlijk worden bijeengehouden en mechanisch in een gemeenschap worden ingevoegd.”
      Notitie: In zijn begripsbepaling van sociale klassen neemt Sombart geen enkel kenmerk op van sociaal milieu of situatie. Het criterium is een soort ideologische bekentenis. Zijn klassebegrip is universeel sociologisch-historisch.

    Heinrich Cunow

  14. “Klasse ist eine in der jeweiligen Wirtschaftsform wurzelnde Interessengemeinschaft.”
    [Die Marx’sche Klassenkampf-Theorie. 1919]
      Vertaling: “Klasse is een belangengemeenschap die geworteld is in de gegeven economische verhoudingen.”
      Notitie: Voor Cunow zijn ‘economische vorm’ en ‘productieverhoudingen’ onlosmakelijk met elkaar verbonden.

    MaxWeber

  15. “Wir wollen da von einer ‘Klasse’ reden, wo 1. einer Mehrzahl von Menschen eine spezifische ursächliche Komponente ihrer Lebenschancen gemeinsam ist, soweit 2. diese Komponente lediglich durch ökonomische Güterbesitz- und Erwerbsinteressen und zwar 3. unter den Bedingungen des (Güter- oder Arbeits-)Markts dargestellt wird (‘Klassenlage’).”
    [Wirtschaft und Gesellschaft. WG:531]
      Vertaling: “We zullen spreken van een ‘klasse’ wanneer (a) een aantal mensen een specifieke oorzakelijke component van hun levenssituatie gemeen heeft, voorzover (b) deze component uitsluitend te maken heeft met economische belangen van goederenbezit en verwerving, en wel (c) onder de voorwaarden van de goederen- of arbeidsmarkt (‘klassepositie’).”
      [Wirtschaft und Gesellschaft. vert. 79-80]

    “Klassenlage soll die typische Chance 1. der Güterversorgung, 2. der äußeren Lebensstellung, 3. des inneren Lebenschicksals heißen, welche aus Maß und Art der Verfügungsgewalt (oder des Fehlens solcher) über Güter oder Leistungsqualifikationen und aus der gegebenen Art ihrer Verwertbarkeit für die Erzielung von Einkommen oder Einkünften innerhalb einer gegebenen Wirtschaftsordnung folgt.”
    [idem:177]

      Vertaling: “Onder ‘klassepositie’ verstaan we de typische kans op (1) goederenvoorziening, (2) de uiterlijke levenspositie, (3) het innerlijke levenslot, welke voortvloeit uit de mate en aard van de beschikkingsmacht (of het ontbreken daarvan) over goederen of prestatiekwalificaties en uit de wijze waarop deze worden gebruikt als bron van inkomen of inkomsten binnen een gegeven economische orde. Elke groep mensen die zich in eenzelfde klassepositie bevindt noemen we ‘klasse’.” [idem:177; vert. 113]

    Nicolai Bucharin

  16. “Wir haben gesehen daß unter einer gesellschaftlichen Klasse die Gesamtheit der Personen zu verstehen ist, die in der Produktion die gleiche Rolle spielen, die im Produktionsprozeß in gleichen Verhältnissen zu den anderen stehen, wobei diese Verhältnisse auch in den Dingen (Arbeitsmitteln) ihren Ausdruk finden. Daraus ergibt sich der Umstand, daß im Distributionsprozeß jede Klasse durch die einheitliche Einkommensquelle verbunden ist, denn die Verhältnisse der Distribution der Produkte werden durch die Verhältnisse der Produktion bestimmt.”
    [Theorie des historischen Materialismus. 1922:323 e.v.].
      Vertaling: “Onder een maatschappelijke klasse moet worden verstaan het geheel van personen die in de productie dezelfde rol spelen, die in het productieproces in dezelfde verhoudingen tot de anderen staan, waarbij deze verhoudingen ook in de dingen (arbeidsmiddelen) worden uitgedrukt. Daaruit vloeit voort dat in het productieproces elke klasse door dezelfde inkomensbron verbonden is, want de verhoudingen van de distributie van de producten worden bepaald door de verhoudingen van de productie.”

    Paul Mombert

  17. “Es soll dort von sozialen Klassen gesprochen werden, wo bestimmte Gruppen von Menschen vorhanden sind, zwischen denen in typischer Weise gesellschaftliche Rangsabstufingen und Abhängigkeitsverhältnisse vorkommen und, wo Hand in Hand mit diesen gesellschaftlichen Unterschieden typische Verschiedenheiten der äußeren und inneren Lebensbedingungen in der Weise vorhanden sind, daß man von einer gemeinsamen Klassenlage reden kann. Dabei ist wesentlich, daß zwischen diesen Gruppen ein Wechsel persönlich und in der Generationenfolge leicht möglich ist und typisch stattzufinden pflegt.”
    s[Zum Wesen der sozialen Klasse. 1923]
      Vertaling: “We spreken van sociale klassen wanneer er bepaalde groepen mensen bestaan, waartussen op typische wijze maatschappelijke rangordeningen en afhankelijkheidsverhoudingen voorkomen, en waar hand in hand met deze maatschappelijke verschillen op zodanige wijze typische verschillen van uiterlijke en innerlijke levensomstandigheden bestaan, dat van een gemeenschappelijke klassesituatie gesproken kan worden. Daarbij is wezenlijk, dat tussen deze groepen persoonlijk en in de opeenvolging van generaties een wisseling gemakkelijk mogelijk is en typisch pleegt plaats te vinden.”

    Götz Briefs

  18. “Proletarier … ist der besitzlose, im Zeitalter des Kapitalismus als soziale Masse auftretende Lohnarbeiter, der sich und seinesgleichen als gesellschaftliche Klasse sieht, in Klassenbewußtsein und nach Klassenidealen lebt und denkt, und aus Klassenbewußtsein die herrschende Ordnung in Wirtschaft und Gesellschaft verneint.”
    [Das gewerbliche Proletariat. 1926]

    Leopold von Wiese

  19. “Klassen schließen die Menschen zu einer relativen (unvollkommenen) Einheit zusammen, die durch ungefähre Gleichheit des Eigentumsumfangs, der Bildung und des Maßes an innerpolitischer Macht einen Zusammenhang der Interessen und der Lebensbeurteilung schaffen. Sie suchen der Gefahr zu begegnen, daß der isolierte Einzelne das Opfer der Ausbeutung anderer werde.”
    [Allgemeine Soziologie, II. Gebildelehre. 1929]
      Vertaling: “Klassen sluiten mensen aaneen tot een relatieve (onvolkomen) eenheid, die door globale gelijkheid van de omvang van eigendom en vorming (‘Bildung’) en de mate van intern-politieke macht een samenhang van belangen en van de beoordeling van het leven scheppen. Zij proberen het gevaar te keren dat het geïsoleerde individu het slachtoffer wordt van de uitbuiting van anderen.”

    Theodor Geiber

  20. “Klasse heißt eine Schicht dann, wenn das kennzeichnende Merkmal des Bevölkerungsteils … das spezifische Verhältnis der Menschen zu den Produktionsmitteln ist (Produktionsverhältnis).”
    [Die soziale Schichtung des deutschen Volkes. Stuttgart 1932].
      Vertaling: “Een laag wordt een klasse genoemd wanneer een deel van de bevolking wordt gekenmerkt door… hun specifieke verhoudingen tot de productiemiddelen is (productieverhouding).”

    Robert Morrison MacIver

  21. “We shall then mean by a social class any portion of a community which is marked off from the rest, not by limitations arising out of language, locality, or specialization, but primarily by social status.”
    [Society. 1937:167; vgl. 1965:86-7]

    Talcott Parsons

  22. “It is … proposed to define a social class here as consisting of the group of persons who are member of effective kinship units which, as units, are approximately equally valued. According to this definition, the class structure of social systems may differ both in the composition or structure of the effective kinship unit or units which are units of class structure and in the criteria by which such units are differentiated from one another. The class status of an individual is that rank in the system of stratification which can be ascribed to him by virtue of those of his kinship ties which bind him to a unit in the class structure.”
    [Analytical approach to the Theory of Social Stratification. 1940:77]

    “A class may then be difined as a plurality of kinship units which, in those respects where status in a hierarchical context is shared by their members, have approximately equal status.”
    [Social Classes and Class Conflict in the Light of Recent Sociological Theory. 1949:328. Vgl. 1953:427 en 1970:24].

    William Cecil Headrick

  23. “A social class in any society is the sum total of all similar local social-status groups, such as will permit a family to leave one and enter the other freely. These smaller groups, in turn, are made up of families that recognize each other as approximately equal in status and which associate with each other regularly in eating, playing, and gossiping. By means of the last-mentioned factor they maintain social class codes, standards, attitudes, morals, and ideals. These families give their children such training as will fit them for the same, or nearly the same, social class. Social status is normally the common property of the family; it cannot be individualized. For lack of better terminology, the social classes should probably be plainly listed as highest, upper, middle, lower, and lowest.”
    [William Cecil Headrick, A Study of Social Stratification with Reference to Social Class Barriers and Social Class Rigidity, 1941:27].

    William Lloyd Warner

  24. “By class is meant two or more orders of people who are believed to be, and are accordingly ranked by the members of the community, in socially superior and inferior positions.”
    [W. Loydd Warner & P.S. Lunt, The Social Life of a Modern Community. 1941:82]

    Klasse is “the largest group of people whose members have intimate acces to one another. A class is composed of families and social cliques. The interrelationship between these families and cliques in such informal activities as visiting, dances, reception, teas, and lager informal affairs, constitute the structure of a social class.”
    [W. Lloyd Warner, A methodical note. 1945:772-3].

    Frederick van Heek

  25. “…kunnen wij vaststellen dat een maatschappij een klassenstructuur heeft, indien zij voornamelijk bestaat uit groepen, die bij een stelsel van overwegend individueel eigendom, sociaal ongelijkwaardig zijn, omdat zij op de arbeids- en goederenmarkt, waar zij tegengestelde belangen hebben, marktposities van verschillende sterkte innemen. Het aldus omschreven begrip van klassenstructuur vormt de grondslag voor zowel het sociaal-economische als voor het sociaal-psychologische klassenbegrip of … zowel voor de toestandsklasse als voor de mentaliteitsklasse. Toestandsklassen zijn uitsluitend gebaseerd op een gelijke economische situatie van haar leden. Deze zijn zich van hun eenheid echter nog niet bewust en hebben geen saamhorigheidsgevoel. De toestandsklasse draagt derhalve ook geen strijdkarakter. Zij is potentieel aanwezig op basis van een bestaande economische situatie, maar heeft zich sociaal-psychologisch nog niet gerealiseerd: haar leden zijn als zodanig passief. … De mentaliteitsklasse heeft geen toelatingsnormen; zij ontleent haar kracht aan de solidariteit der massa, zij het de massa van haar aanhangers of die van haar kapitaalbezit.”
    [Klassen- en standenstructuur tegen het einde van het hoogkapitalisme. 1948/73:46 e.v.,49]

    “Toestandsklassen (klassen zonder klassebewustzijn). Het betreft hier groeperingen die op grond van machtsrelaties, b.v. op de arbeidsmarkt, of op grond van welk andere economische of politieke machtsrelatie dan ook, sociaal ongelijkwaardig zijn. … Mentaliteitsklassen (klassen met klassebewustzijn). Het betreft hier toestandsklassen, die zich van hun situatie bewustzijn geworden en die als zodanig saamhorigheidsgevoel bezitten.”
    [idem, Begripskader en ideologische achtergrond van onderzoeksmodellen. 1971/3:111]

      Notitie: Voor de omschrijving van de ‘toestandsklasse’ verwijst Van Heek naar de omschrijving die Marx gaf van de ‘Klasse an sich’. De termen ontleende hij aan Kruyt [1937:841] die over een ‘toestands- en mentaliteitsgroep’ spreekt.

    Richard Centers

  26. “Classes are psycho-social groupings, something that is essentially subjective in character, dependent upon class consciousness (i.e., a feeling of group membership), and class lines of cleavage may or may not conform to what seem to social scientists to be logical lines of cleavage in the objective or stratification sense. … Class, as distinguished from stratum, can well be regarded as a psychological phenomenon in the fullest sense of the term. That is, a man’s class is part of his ego, a feeling on his part of belonginess to something, an identification with something larger than himself.”
    [The Psychology of Social Class: A Study of Class Consiousness. 1949: 27]

    Thomas H. Marshall

  27. “The essence of social class is the way a man is treated by his fellows (and, reciprocally, the way he treats him), not the qualities or the possessions which cause that treatment.” Klasse “is a force that unites into groups people who differ from one another, by overriding the differences between them.”
    [Citizenship and Social Class. 1950:92,114]

    Harold D. Lasswell/Abraham Kaplan

  28. “A class is a major aggregate of persons engaging in practices giving them a similar relation to the shaping and distribution (and enjoyment) of one or more specific values.”
    [Power and Society. 1950:62]

    Ernst Niekisch

  29. “Der Begriff der ‘Klasse’ ist doppelsinnig. Auf der einen Seite formuliert er einfach die Feststellung gesellschaftlicher Tatsachen. Die Gesellschaft scheidet sich in zwei groβe Gruppen, die Gruppe der Besitzer von Produktionsmitteln und die Gruppe derer, die an den Produktionsmitteln keinen Anteil haben und infolgedessen in die Abhängigkeit der Besitzer geraten. Die erste Gruppe bildet die Klasse der Besitzenden, der Bürger, die zweite die Klasse der werktätigen Bevölkerung, der Proletarier insbesondere. Andererseits bedeutet die Klasse den politisch aktiv gewordenen, sich seiner Situation bewussten und zur Umwälzung dieser Situation entschlossenen Teil der Arbeiterschaft.”
    [Europäische Bilanz, Potsdam 1951]
      Vertaling:“Het begrip ‘klasse’ is dubbelzinnig. Aan de ene kant formuleert het eenvoudig de vaststelling van maatschappelijke feiten. De maatschappij is opgesplitst in twee grote groepen: de groep van de bezitters van productiemiddelen, en de groep die geen aandeel heeft in de productiemiddelen en daarom afhankelijk worden van de bezitters. De eerste groep vormt de klasse van de bezitters, de burgers, de tweede klasse is de werkende bevolking en in het bijzonder het proletariaat. Anderzijds betekent klasse de politiek actief geworden arbeiders die zich van hun situatie bewust zijn en besloten hebben om deze situatie om te wentelen.”

    Fritz Croner

  30. “Sociale klassen [zijn] sociale groepen die bepaald zijn door drie factoren, namelijk (1) gelijke sociale voorwaarden, (2) gelijke sociale status, (3) gelijke sociale waarden.”
    [Die Angestellten in der modernen Gesellschaft. 1954:183]

    Reinhard Bendix

  31. “Social class refers to the universal tendency of men who are similarly situated socially and economically to develop common ideas and to engage in collective action. … Social classes are groups of individuals whose common interests in the social and economic order now and again give rise to unifying ideas and united actions but whose cohesion is more or less unstable. … The formation of a social class may be analyzed in terms of the ideas by which they achieve a measure of self-identification or class consciousness.”
    [Work and Authority in Industry. 1956:xx,7,15]

    Ralf Dahrendorf

  32. “By social class shall be understood such organized or unorganized collectivities of individuals as share manifest or latent interests arising from and relates to the authority structure of imperatively coordinated associations. It follows from the definitions of latent and manifest interestst that social classes are always conflict groups.”
    [Class and Class Conflict in Industrial Society. 1959:238].

    R. M. Williams

  33. “We shall use the term ‘social class’ to refer to an agregate of individuals who occupy a broadly similar position in the scale of prestige.”
    [American Society: A Sociological Interpretation. 1960:98]

    Edward P. Thompson

  34. “By class I understand a historical phenomenon, unifying a number of disparate and seemingly unconnected events, both in the raw material of experience and in consciousness. I emphasize that it is a historical phenomenon. I do not see class as a ‘structure’, nor even as a ‘category’, but as something which in fact happens (and can be shown to have happened) in human relationships. … And class happens when some men, as a result of common experiences (inherited of shared), feel and articulate the identity of their interests as between themselves, and as against other men whose interests are different from (and usually opposed to) theirs. The class experience is largely determined by the productive relations into which men are born - or enter involuntarily. Class-consciousness is the way in which these experiences are handled in cultural terms: embodied in traditions, value-systems, ideas, and institutional forms. … Class is defined by men as they live their own history, and, in the end, this is its only definition.”
    [The Making of the English Working Class. 1963/80:8,8-9,10]
      Vertaling: “Ik leg er de nadruk op dat het een historisch fenomeen is. Ik zie een klasse niet als een ‘structuur’, zelfs niet als een ‘categorie’, maar als iets, dat in feite gebeurt (en waarvan men kan aantonen dat het gebeurd is) in menselijke relaties” [p. 8]. “Een klasse wordt gedefinieerd door mensen die hun eigen geschiedenis (be)leven en uiteindelijk is dit de enige definite” [p. 11]. “De klasse-ervaring wordt grotendeels bepaald door de productieve verhoudingen waarin mensen geboren worden - of waar zij onvrijwillig in terechtkomen.” [p. 10].

    Nicos Poulantzas

  35. “Les classes sociales sont des ensembles d’agents sociaux déterminés principalement, mais non exclusivement, par leur place dans le procès de production, c’est-à-dire dans la sphère économique. […] On peut dire ainsi qu’une classe sociale se définit par sa place dans l’ensemble des pratiques sociales, c’est-à-dire par sa place dans l’ensemble de la division sociale du travail, qui comprend les rapports politiques et les rapports idéologiques.”
    [Les classes sociales dans le capitalisme aujourd’hui. 1974:16]
      Vertaling: “De maatschappelijke klassen zijn gehelen van maatschappelijke actoren, die hoofdzakelijk maar niet uitsluitend bepaald worden door hun positie (place) in het productieproces, d.w.z. in de economische sfeer. […] Men kan dus zeggen dat een maatschappelijke klasse wordt gedefinieerd door haar positie in het geheel van de maatschappelijke praktijken, d.w.z. door haar positie in het geheel van de maatschappelijke arbeidsdeling die ook de politieke en ideologische verhoudingen omvat.”
      [Klassen in het huidige kapitalisme. 1974:16; vgl. 1976:16]

    Eric Olin Wright

  36. “Classes within the Marxist theory, in short, are defined as common positions within the social relations of production, where production is analyzed above all as a system of exploitation. … Class relations may give rise to class organizations, but classes per se are not organizations. Classes constitute common positions within a special kind of contradictory social relationship, social relations of production. There are four important parts of this definition: classes constitute common positions, those positions are relational, those relations are contradictory, and those contradictory relations are located within production.”
    [Class Structure and Income Determination, 1979:17,20]

    “As an abstract concept, the Marxist concept of class is built around four basic structural properties: classes are relational, those relations are antagonistic, those antagonisms are rooted in exploitation; and exploitation is based on the social relations of production.” [Wright 1985:34]. Hierbij wordt exploitatie gedefinieerd als “an economically oppressive appropriation of the fruits of the labour of one class by another” [idem:77].

    Pierre Bourdieu

  37. “Donc construire la classe objective, comme ensemble d’agents qui sont placés dans des conditions d’existence homogènes, imposant des conditionnements homogènes et produisant des systèmes de dispositions homogènes, propres à engendrer des pratiques semblables, et qui possèdent un ensemble de propriétés communes, propriétés objectivées, parfois juridiquement garanties (comme la possession de biens ou de pouvoirs) ou incorporées comme les habitus de classe (et, en particulier, les systèmes de schèmes classificatoires). […] La classe objective ne doit pas être confondue avec la classe mobilisée, ensemble d’agents rassemblés, sur la base de l’homogénéité des propriétés objectivées ou incorporées, qui définissent la classe objective, en vue de la lutte destinée à sauvegarder ou à modifier la structure de la distribution des propriétés objectivées.”
    [La Distinction. 1979:112-3].
      Vertaling: “Men moet dus de objectieve klasse construeren, het geheel van de actoren die in homogene levensvoorwaarden geplaatst zijn en homogene systemen van disposities produceren die in staat zijn om gelijksoortige praktijken te genereren en die een serie gemeenschappelijke eigenschappen hebben, geobjectiveerde eigenschappen, die soms juridisch zijn gegarandeerd (als bezit van goederen en macht) of eigenschappen die als klassehabitus belichaamd zijn (en in het bijzonder als systemen van klassificerende schema’s). […] De objectieve klasse moet niet worden verward met de gemobiliseerde klasse, het geheel van individuen dat verenigd is op basis van de homogeniteit van de geobjectiveerde of belichaamde eigenschappen die de objectieve klasse defini&eum;ren, met het doel te strijden voor het behoud of de verandering van de structuur van de verdeling van de geobjectiveerde eigenschappen.”

    “La classe sociale n’est pas définie par une propriété … ni par une somme de propriétés … ni davantage par une chaîne de propriétés, toutes ordonnées à partir d’une propriété fondamentale (la position dans les rapports de production), dans une relation de cause à effet, de conditionnant à conditionné, mais par la structure des relations, entre toutes les propriétés pertinentes qui confère à chacune d’elles et aux effets qu’elle exerce sur les pratiques, leur valeur propre.”
    [idem:117-8]

      Vertaling: “Een sociale klasse wordt niet gedefinieerd door een eigenschap […] noch door een verzameling eigenschappen, […] en zelfs niet door een keten eigenschappen die zich uitstrekt van een fundamentele eigenschap (positie in de productieverhoudingen) in een relatie van oorzaak en gevolg, van het bepalende tot het bepaalde, maar door de structuur van de verhoudingen tussen alle pertinente eigenschappen die aan elk van hen zijn specifieke waarde toekent en aan de effecten die zij op praktijken uitoefenen.”

    “Op basis van onze kennis over de ruimte der posities kan men klassen onderscheiden in de logische zin des woords, d.w.z. verzamelingen actoren die overeenkomstige posities bekleden en die, omdat zij in gelijksoortige omstandigheden verkeren en onderworpen zijn aan gelijksoortige conditioneringen, naar alle waarschijnlijkheid gelijksoortige disposities en belangen hebben en daardoor gelijksoortige praktijken en houdingen zullen vertonen. Deze ‘papieren klasse’ heeft het theoretisch bestaan van alle theorieën: omdat zij het product is van verklarende klassificatie en daarin volstrekt gelijk aan die van zoölogen en botanisten, biedt zij de mogelijkheid de gedragingen en eigenschappen van de geklassificeerde eenheden te verklaren en te voorspellen — daaronder valt ook hun groepsvormend gedrag. Zij is dus niet werkelijk een klasse, een feitelijke klasse in de zin van een groep die voor de strijd gemobiliseerd is, zij zou hoogstens een waarschijnlijke klasse genoemd kunnen worden, in de zin van een verzameling actoren die minder dan enige andere obstakels zal opwerpen tegen pogingen tot mobilisatie” [De sociale ruimte en de genese van ‘klassen’ 1984/9:145].

    John Welch

  38. “Classes define themselves.”
    [New Left Knots. 1979:183]

    Arthur Marwick

  39. “I prefer the ‘ordinary language’. I prefer ‘class’ to mean what people in everyday live mean by it, rather than what Runciman or Weber tell me I should mean by it. … Class perhaps, is too serious a subject to leave to the social scientists.”
    [Class: Image and Reality. 1980]

    Geoffey Ernest Maurice de Ste. Croix

  40. “Class (essentially a relationship) is the collective social expression of the fact of exploitation, the way in which exploitation is embodied in a social structure. … A class (a particular class) is a group of persons in a community identified by their position in the whole system of social production, defined above all according to their relationship (primarily in terms of the degree of ownership or control) to the conditions of production (that is to say, the means and labour of production) and to other classes.”
    [The Class Struggle in the Ancient Greek World. 1983:43]

    John Elster

  41. “A class is a group of people who by virtue of what they possess are compelled to engage in the same activities if they want to make the best use of their endowments.”
    [Making sense of Marx. 1985:331; vgl. 319,325]
      Notitie: Met deze activiteiten bedoelt hij “working vs. not working, selling vs. buying labour-power, lending vs. borrowing capital, renting vs. hiring land, giving or receiving commands in the management of corporate property” [Elster 1985:330 e.v.].

    Veit Bader & Albert Benschop

  42. “Onder klasseposities verstaan wij alle posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen die gekenmerkt worden door geïnstitutionaliseerde en structurele toeëigening van meerarbeid. Klassen zijn positionele groepen en potentiële handelingscollectieven waarvan de onderlinge relaties in arbeidsverhoudingen uitbuitingsverhoudingen zijn, of deze nu als zodanig worden ervaren en onderkend of niet. Het zijn dus objectief antagonistische relaties.”
    [Ongelijk-heden. 1988:199]

    Ivan Reid

  43. ”Social class is a group of people into categories on the basis of occupation. This is not to suggest that social class is simply or only based on occupation, or for that matter any other single criterion such as income or education. In any case … occupational classifications of class involve fairly elaborate consideration of a number of associated factors.”
    [Social Class Differences in Britain. 1989:6]
      Notitie: Zowel sociologen als het algemene publiek onderschrijven volgens Ivan Reid het bestaan van sociale klassen in brede algemene termen. “Both groups share the basic idea that occupation is a factor in social class, but not the only one. They are therefore equally likely to be unhappy with the use of occupation as the sole criterion of social class, social standing or status in society. But neither party, apparently, can put forward any simple or complex alternative definition, and both are likely to resort to occupation as the best, the only or the most convenient ‘shorthand’ reference-point in terms of which to pin down this extensively used, though hazy, concept” [Reid 1989:52].

Index 

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact

dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 13 September, 2013