Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 4 Transformationele klassenanalyse in ontwikkeling

XVII. Een onvoltooid project

  1. Structureringsmodi en -modellen
    1·1 Stelling en afbakening
    1·2 Structurering versus determinatie
    1·3 Structureringsmodi
  2. Klassentheorie en empirisch onderzoek
    2·1 Stelling en afbakening
    2·2 Reikwijdte van klassenanalyse en grens van klassentheorie
  3. Klassenanalyse en politieke strategie
    3·1 Stelling en afbakening
    3·2 Zelfreflexieve klassenanalyse

Figuur 17_1: Samenvattend
Literatuur

© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

1. Structureringsmodi en -modellen

1·1 Stelling en afbakening
We hebben gezien dat de structurering van klassenhandelen op vijf onderscheiden niveaus geanalyseerd kan worden. Elke niet-reductionistische klassentheorie zou in principe deze niveaus van handelingsstructurering moeten omvatten en ze analytisch duidelijk moeten onderscheiden. We hebben bovendien gezien dat klassenhandelen niet alleen is gestructureerd op het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie, maar ook op de organisationele en interactionele integratieniveaus. Een niet-reductionistische klassentheorie zou daarom tevens deze niveaus van handelingsintegratie moeten omvatten.

Alle specifieke afbakeningen die in deze stelling besloten liggen zijn in de voorafgaande hoofdstukken al uitvoerig aan de orde geweest. Zowel bij de explicatie van de ‘harde kern’ als van de hulphypothesen is telkens kritiek geleverd op een groot aantal uiteenlopende benaderingen. Om deze afbakeningen zo duidelijk en beknopt mogelijk te formuleren, zijn er veel nuances in deze benaderingen buiten beschouwing gebleven. Het risico daarvan is dat de indruk kan ontstaan dat deze ‘afgewezen’ benaderingen voor het klassenanalytisch onderzoek nutteloos of overbodig zouden zijn en dat men hieraan verder geen aandacht hoeft te schenken.

Natuurlijk is dat niet de intentie van deze uiteenzetting: de voortgang van het klassenanalytische project is nog altijd meer gebaat bij permanente uitwisseling tussen diverse concurrerende benaderingen dan bij zelfgenoegzaam opereren met ‘de’ benadering die niets meer van haar rivalen meent te kunnen leren.

Klassenanalyse is een wetenschap waarvan de progressie niet wordt gekenmerkt door een steeds grotere consensus, maar door een verfijning van het debat. De uitgangsstelling was:
In hoofdstuk I en III § 2·2 is er al op gewezen dat er vrijwel geen klassentheorieën met een dergelijke reikwijdte voorhanden zijn.
een niet-reductionistische klassentheorie moet in principe alle niveaus van handelingsstructurering en -integratie omvatten en analytisch duidelijk onderscheiden.

Dit wil echter niet zeggen dat klassenanalyses alleen zin hebben wanneer zij ál deze niveaus omvatten. Integendeel, de meest vruchtbare klassentheorieën en empirische klassenanalyses beperken zich veelal tot één bepaald niveau van handelingsstructurering, waarbij methodisch bewust wordt geabstraheerd van de andere niveaus.

Ira Katznelson
Het structureringsmodel dat in deze studie is uitgewerkt kan worden vergeleken met dat van Amerikaanse sociaal-historicus Ira Katznelson [1986]. Het grote voordeel van zijn heuristische model is dat hij het probleem van de niveaus waarop klassenhandelen is gestructureerd expliciet aan de orde stelt en zich inspant de verschillende structureringsniveaus te specificeren. Bovendien maakt hij zeer duidelijk dat de ‘levels of class’ moeten worden opgevat als een serie noodzakelijke stadia of als een natuurlijke progressie. Hij beschouwt zijn heuristische model als “a classification that aims to promote the development of theory free from developmental assumptions”.

Katznelson maakt een onderscheid tussen vier niveaus: (1) structuur van de economische ontwikkeling van het kapitalisme, (2) levenswijze, (3) disposities en (4) collectief handelen.

  • Het eerste niveau wordt niet duidelijk afgebakend en nauwelijks intern gedifferentieerd, maar komt globaal overeen met het niveau van objectieve klassenposities in het transformationele model.

  • Het tweede niveau van de levenswijze refereert zeer breed aan de “sociale organisatie van de samenleving die geleefd wordt door actuele mensen in werkelijke sociale formaties” /14/. Daaronder vat hij het —door de structuur van kapitalistische ontwikkeling bepaalde— geheel van de sociale verhoudingen op de arbeidsmarkt en binnen de arbeidsorganisatie (maar ook woonomstandigheden en -gemeenschappen). Het komt globaal overeen met het niveau van sociale klassen in het transformationele model.

  • Het derde niveau van de disposities wordt in eerste instantie beperkend (en nogal vaag) gedefinieerd in termen van “cognitieve constructies” /17/die het terrein van geleefde ervaring in kaart brengen en de grenzen definiëren van het mogelijke en onmogelijke. In tweede instantie wordt deze beperking tot cognitieve dimensies echter weer losgelaten en maakt hij een onderscheid tussen ‘kennis- en normgebaseerde disposities’ /18/. Hij wijst er terecht op dat de disposities die door de leden van een klasse worden gedeeld niet noodzakelijkerwijze klassenspecifiek hoeven te zijn (niet in analytisch noch in normatief opzicht). Het derde niveau van Katznelsons model komt dus ongeveer overeen met het derde niveau in mijn heuristische model, namelijk dat van de habitus en levensstijlen.

  • Het vierde niveau van het transformationele model (typen en graden van klassenbewustzijn) ontbreekt bij Katznelson volledig. Hij wil de term klassenbewustzijn vermijden, maar heeft hiervoor geen overtuigend argument en stelt ook geen alternatief voor. Hij zet zich af tegen de notie van graden van klassenbewustzijn, waarvan de hoogste zou corresponderen met de ‘werkelijke’ belangen van de arbeidersklasse /17/. Men kan deze specifieke opvatting van (graden van) klassenbewustzijn afwijzen. Maar dat is nog geen goede reden om zonder meer elke referentie aan klassenbewustzijn of klassenspecifieke handelingsoriëntaties uit het heuristische model te schrappen.

  • Het vierde niveau van Katznelson refereert aan “klassen die georganiseerd zijn en die via bewegingen en organisaties proberen om de samenleving en de positie van klassen daarbinnen te veranderen” /20/. Ook als men afziet van zijn reïficerende taalgebruik (klassen handelen niet!) is dit een merkwaardige formulering. Het doel van het heuristische model is immers om een analytisch onderscheid te maken tussen de niveaus waarop het collectieve handelen van de leden van sociale klassen is gestructureerd. Daarom is het onzinnig om ‘collectieve actie’ als een apart structureringsniveau in het verklaringsmodel op te nemen. In plaats daarvan moeten de specifieke voorwaarden van politiek klassenhandelen in het model worden opnemen. Deze — in hoofdstuk XV behandelde — voorwaarden van politiek klassenhandelen ontbreken in het model van Katznelson.

Index


1·2 Structurering versus determinatie
We hebben gezien dat de transformationele klassentheorie steunt op een duidelijke analytisch onderscheid tussen de niveaus waarop klassenhandelen wordt gestructureerd. Zij moet echter ook gebaseerd zijn op een precisering van de onderlinge samenhang tussen deze niveaus.

Meestal wordt hierbij gebruik gemaakt van formuleringen zoals ‘bepaald’ of ‘gestructureerd’. Deze uitdrukkingen zijn echter even vaag als de globale uitspraken over het feit dat bepaalde niveaus en factoren ‘belangrijk’ of ‘betekenisvol’ zijn. De relatieve structurerende kracht, het relatieve belang van de niveaus en de factoren zou theoretisch uitvoerig moeten worden beargumenteerd en empirisch getoetst.

In het voorgaande zijn al een aantal uitspraken gedaan over de specifieke verbindingen tussen de niveaus van handelingsstructurering. In de eerste plaats werd er bij de omschrijving van de niveaus van handelingsstructurering van uitgegaan dat de systeemstructuur (de structuur van exploitatieve arbeidsverhoudingen) zowel de positionele structuur (de structuur van klassenposities) als de groepsstructuur (de sociale klassenstructuur) structureert.

Systeemstructuur —> Positionele klassenstructuur —> Sociale klassenstructuur

In de tweede plaats werd ervan uitgegaan dat de objectieve klassenpositie niet alleen de sociale klassen, de habitus/levensstijlen en de typen en graden van klassenbewustzijn structureert, maar ook de voorwaarden van klassenhandelen en de verschillende vormen van klassenhandelen.

Objectieve
klassen-
posities
—> Sociale
klassen
—> Habitus en
levensstijlen
—> Typen en graden
van klassen-
bewustzijn
—> Voorwaarden
van politiek
klassenhandeln
—> Klassen-
handelen

Dergelijke uitspraken hebben alleen zin als we een onderscheid maken tussen structureren en determineren. Bij determineren wordt meestal een strikte oorzaak-gevolg relatie verondersteld, terwijl dit bij structureren expliciet niet het geval is.

Ten eerste sluit structurering niet uit dat gestructureerde factoren op hun beurt terugwerken op structurerende factoren; het sluit dus geen wisselwerkingen of interactie-effecten uit. Bij de analyse van de niveaus en factoren die collectief bewustzijn en handelen bepalen, zijn vele correlaties en wisselwerkingen in het geding. Met enkelvoudige causale relaties kan hier dus niet veel worden verklaard. Daarom zouden we gebruik moeten maken van veel gedifferentieerder modaliteiten van structurele causaliteit.

Ten tweede bestaan er op het gestructureerde niveau altijd zekere vrijheidsmarges of handelingsspeelruimtes die volgens de logica van de structurering steeds nauwer worden afgebakend. “Zonder deze vrijheidsmarges zou er überhaupt niet meer zinvol gesproken kunnen worden over een relatieve eigen logica en eigen dynamiek, die verondersteld is in de vlotte formulering van ‘structurerende kracht van gestructureerde structuren” [Bader/Benschop 1988:67].

Ik zal de niveaus van structurering van klassenhandelen die in de voorafgaande hoofdstukken zijn beschreven in een iets complexer schema samenvatten. De afhankelijkheidsrelaties tussen de niveaus zijn in dit schema met pijlen aangegeven. Om het schema overzichtelijk te houden zijn er geen grafische aanduidingen gegeven van alle mogelijke terugwerkende krachten en wisselwerkingen. Gezien de hieronder genoemde mogelijkheden voor specificatie van diverse structureringsmodi is het dus nog een uitermate grof model, waarin slechts enkele (meestal enkelvoudige) causale relaties worden gelegd tussen een beperkt aantal basisbegrippen.

Figuur 17_1: Objectieve klassenposities — habitus/levensstijlen — typen en graden van klassenbewustzijn — vormen van klassenhandelen


Dit schema is gebaseerd op het voor sociale ongelijkheden geconstrueerde schema van
Bader/Benschop [1988:68]. Het is hier toegespitst op klassenverhoudingen en aangevuld
met het niveau van de sociale klasse.

Er zijn diverse pogingen gedaan deze modi van structurering nader te differentiëren. In aansluiting bij Stinchcombe [1968] heeft Wright [1978:15-29] laten zien dat binnen het globale concept van structurele causaliteit minstens zes modi van structurering kunnen worden onderscheiden: structurele limitatie, selectie, reproductie/nonreproductie, limieten van functionele compatibiliteit, transformatie en mediatie.

Index


1·3 Structureringsmodi
De zes verschillende typen van structurering worden hier kort weergegeven. Daarbij zal ik ter illustratie telkens aangeven hoe deze typen gebruikt kunnen worden om de relaties tussen de niveaus van handelingsstructurering te verduidelijken.
  1. Structurele limitatie
    Structurele limitatie is een wijze van structurering waarbij een structuur of proces de grenzen vastlegt waarbinnen een andere structuur of een ander proces kan variëren, en tegelijkertijd binnen deze grenzen de kans (structurele waarschijnlijkheid) bepaalt dat specifieke structuren of processen zich daadwerkelijk voordoen. Zo worden bepaalde mogelijkheden voor de gestructureerde structuur volledig uitgesloten en zijn bepaalde mogelijke structuren en processen waarschijnlijker dan andere. Zollberg [1986:400] heeft deze gedachte uitgewerkt voor historisch vergelijkende macro-analyse.

    Bijvoorbeeld. De objectieve positie van de arbeidersklasse stelt specifieke grenzen aan de mogelijke habitus en levensstijlen die de leden van deze klasse kunnen ontwikkelen. Een hoogburgerlijke levensstijl is op grond van de materiële en sociale voorwaarden van deze klassenpositie eenvoudig uitgesloten. Daarmee wordt echter nog niet op rigide wijze gedetermineerd welk type habitus en levensstijl binnen de arbeidersklasse zal domineren. Of dit een specifieke ‘proletarische’ levensstijl is (en welke variant hiervan), of dat er een kleinburgerlijke levenswijze wordt toegeëigend of gekopieerd, is relatief open. Het is echter structureel waarschijnlijker dat de leden van de arbeidersklasse zich een bepaalde variant van ‘proletarische’ habitus, levensstijl en cultuur toeëigenen.

  2. Selectie
    Selectie is een wijze van structurering waarbij grenzen aan grenzen worden gesteld. Selectie opereert dus altijd binnen een breder beperkend proces. Selectie bepaalt de concrete reeks uitkomsten (en in het extreme geval: specifieke uitkomst) binnen een structureel gelimiteerde reeks mogelijkheden. Door negatieve selectie worden bepaalde mogelijkheden uitgesloten; door positieve selectie worden specifieke uitkomsten vastgelegd uit een reeks mogelijke uitkomsten. Positieve en negatieve selectie samen bepalen de concrete structurele uitkomsten binnen grenzen die door structurele limitatie zijn gesteld [Offe 1974].

    Bijvoorbeeld. De specifieke structuur van arbeids- en exploitatieverhoudingen stelt variatiegrenzen aan de wijze waarop individuen worden gerekruteerd voor specifieke klassenposities en aan de structuur van levensstijlen. De klassenbepaalde levensstijlen zelf fungeren op hun beurt als een selectiemechanisme bij de rekrutering van individuen op klassenposities; zij modelleren het patroon van rekrutering binnen de grenzen die door de onderliggende structuur van arbeidsverhoudingen gesteld zijn.

  3. Reproductie/non-reproductie
    Wanneer een bepaalde structuur structureel door een andere structuur wordt gelimiteerd, betekent dit nog niet dat deze structuur noodzakelijkerwijze verandert indien dit structurele limitatiemechanisme afwezig zou zijn. Reproductie is een specifiek soort limiterend proces: binnen zekere variatiegrenzen bewerkstelligt het de instandhouding van de gereproduceerde structuur. Op deze wijze wordt verhinderd dat er fundamentele wijzigingen optreden in de gereproduceerde structuur. Wanneer dit reproductieve structureringsmechanisme niet meer operationeel is, treden er meestal wel fundamentele veranderingen op in de gereproduceerde structuur (hoewel dit is geen noodzakelijke consequentie is).

    Bijvoorbeeld. De cognitieve en normatieve duidingspatronen die in een gegeven maatschappij dominant zijn, kunnen verhinderen dat leden van een geëxploiteerde klasse een helder inzicht ontwikkelen in de samenhang tussen oorzaken en effecten van hun klassenpositie en in hun objectieve klassenbelangen. In dit geval kan men zeggen dat het subalterne bewustzijn van deze klassen gereproduceerd wordt door de maatschappelijk dominante duidingspatronen. Dit betekent enerzijds dat zolang deze duidingspatronen bestaan, verhinderd wordt dat de subalterne klassen een hervormend of revolutionair klassenbewustzijn ontwikkelen. Het betekent anderzijds dat bij ontstentenis van een dergelijk reproductieproces (bijvoorbeeld als gevolg van de opkomst van nieuwe duidingspatronen en duidingen) zich in deze klasse potentieel (maar niet noodzakelijk) een bewustwordingsproces kan voltrekken. Dat specifieke dominante duidingspatronen noodzakelijk zijn voor de reproductie van subaltern of lijdzaam bewustzijn betekent echter niet dat deze duidingspatronen altijd op een perfect optimale wijze opereren voor de reproductie van deze handelingsoriëntaties en bewustzijnsvormen. Zoals bekend zijn dominante duidingspatronen (en met name geïnstitutionaliseerde prestigehiërarchieën) onder bepaalde condities een regelrechte aanleiding tot en aanknopingspunt voor negatieve identiteitsvorming (‘wij proleten’, ‘wij werklozen’) of voor normatieve en cognitieve bevrijding.

  4. Limieten van functionele compatibiliteit
    Limieten van functionele compatibiliteit is een wijze van structurering die bepaalt welke vormen van de gestructureerde structuur reproductief en welke niet-reproductief zijn. De grenzen van functionele compatibiliteit bepalen dus wat de effecten van een gegeven gestructureerde structuur zullen zijn op een structurerende structuur.

    Bijvoorbeeld. De structuur van de arbeidsverhoudingen stelt grenzen aan de variatie van de politieke krachtsverhoudingen tussen de klassen en aan de staatsstructuur waarin zich deze krachtsverhoudingen verdichten. De structuur van de arbeidsverhoudingen kan echter ook bepalen in welke mate zij zelf door de actuele staatsstructuur zal worden gereproduceerd. Deze beide modi van structurering vallen niet noodzakelijk samen. “De grenzen van functionele compatibiliteit zijn niet intrinsiek gecoördineerd met de grenzen van structurele variatie” [Wright 1978:20].

    Het is dus altijd mogelijk dat er een krachtsverhouding tussen de klassen of een staatsstructuur ontstaat die de structuur van de arbeidsverhoudingen niet reproduceert. Er kan dus een structurele tegenstelling ontstaan tussen de arbeidsverhoudingen en de politieke krachtsverhoudingen. In dergelijke situaties zal er ofwel een transformatie van de arbeidsverhoudingen optreden, of de politieke krachtsverhoudingen tussen de klassen zullen zodanig worden veranderd dat zij reproductiever zijn. De uitkomst hiervan wordt in hoge mate bepaald door de klassenstrijd.

  5. Transformatie
    Transformatie is een structureringswijze waarbij de mechanismen van structurele limitatie, selectie en reproductie/transformatie direct worden beïnvloed door klassenhandelen (klassenstrijd of klassenpraktijken). Transformatie is dus essentieel voor het ‘dialectische’ karakter van patronen van structurering: klassenhandelen is niet alleen in zichzelf structureel gelimiteerd en geselecteerd door diverse sociale structuren, maar verandert tegelijkertijd deze structuren. Klassenhandelen is dus intrinsiek een proces van transformatie van de structuren die dit handelen bepalen.

    We hebben gezien dat structurele limitatie en de limieten van compatibiliteit twee structureringsmodi zijn die niet noodzakelijkerwijs met elkaar hoeven te corresponderen. Hierdoor is het mogelijk dat tegenstellingen of contradicties tussen structuren (of structureringsniveaus) kunnen ontstaan. Deze mogelijke contradicties worden echter alleen geactualiseerd wanneer de sociale structuren door klassenhandelen worden getransformeerd.

    Bijvoorbeeld. De structuren van een staat kunnen op een bepaald tijdstip binnen de grenzen van functionele compatibiliteit vallen zoals deze door specifieke arbeids- en klassenstructuren worden gestructureerd. Dit betekent echter niet dat deze compatibiliteit automatisch en duurzaam wordt gereproduceerd. Politiek klassenhandelen transformeert de arbeidsverhoudingen en verandert hierdoor tevens de reproductievereisten. Bovendien worden door politiek klassenhandelen de krachtsverhoudingen tussen de klassen en daarmee de staatsstructuur gewijzigd, waardoor deze op den duur minder reproductief worden. Klassentegenstellingen en politiek klassenhandelen genereren dus systematisch tegenstellingen tussen sociale structuren (niet-reproductieve relaties van structurering). Transformatie betekent dus niet dat een specifieke structuur daadwerkelijk getransformeerd zal worden. De transformatie van arbeids- en klassenstructuren is een mogelijk gevolg van politiek klassenhandelen. De politieke krachten die optreden voor instandhouding van de bestaande arbeids- en klassenverhoudingen kunnen echter ook sterker zijn dan de krachten voor transformatie. Een transformatieve structureringswijze impliceert dat de transformatie van structuren in het geding is, niet dat een dergelijke transformatie altijd zal plaatsvinden.

  6. Mediatie
    Mediatie is de meest complexe vorm van structurering. Het is een type causale relatie waarin een structuur of proces de causale relatie tussen twee andere structuren of processen bepaalt. Een mediërend proces is een contextuele variabele: processen van mediatie bepalen het terrein waarop andere structureringsmodi opereren.
      Mediatie is dus iets anders dan wat in de sociologie meestal een ‘interveniërende’ (of interacterende) variabele wordt genoemd. Een interveniërende variabele is een variabele die causaal gesitueerd is tussen twee andere variabelen: X veroorzaakt Y die op zijn beurt Z veroorzaakt. Een mediërende variabele daarentegen is een variabele die de relatie tussen de twee andere variabelen beïnvloedt: Y beïnvloedt de wijze waarop X invloed uitoefent op Z.

    Mediatie is met name van belang in analyses van de relaties tussen klassenhandelen en relaties van structurele limitatie, selectie en reproductie. Bijvoorbeeld: de positie binnen klassenverhoudingen medieert de andere causale relaties in het model.

    1. Mediatie van selectie. Klassenspecifieke levensstijlen fungeren als een belangrijk selectiemechanisme bij de allocatie van individuen op klassenposities. Deze selectierelatie wordt echter op beslissende wijze gemedieerd door de maatschappelijk dominante prestigehiërarchieën: identiek gestructureerde levensstijlen hebben zeer verschillende gevolgen voor de allocatie afhankelijk van de relatie tussen dominante prestige-hiërarchieën en deze levensstijlen.

    2. Mediatie van transformatie. Op dezelfde wijze wordt de reproductieve structurering gemedieerd door politiek klassenhandelen. De mate waarin een gegeven staatsstructuur reproductief is voor arbeids- en klassenverhoudingen wordt bijvoorbeeld gemedieerd door de typen van klassenstrijd. Wanneer de klassenstrijd intens en sterk gepolitiseerd is, kunnen parlementair-democratische structuren non-reproductief (destabiliserend) werken, terwijl bij een economistische en apolitieke klassenstrijd dezelfde structuren zeer reproductief kunnen functioneren.

    3. Mediatie van relaties van structurele limitatie. Ook de relaties van structurele limitatie worden gemedieerd door klassenhandelen. We hebben gezien dat structurele limitatie niet alleen bepaalt welke vormen van de gestructureerde structuren onmogelijk zijn, maar ook de relatieve waarschijnlijkheid bepaalt van diverse mogelijke vormen van die structuur. Klassenstrijd kan deze relatie mediëren en het patroon van waarschijnlijkheden veranderen. Dit type mediatie is met name van belang in periodes van revolutionaire transformatie van structuren. Wanneer bijvoorbeeld een antikapitalistische klassenbeweging erin slaagt het stelsel van kapitalistische arbeidsverhoudingen te breken, is een grote verscheidenheid van nieuwe arbeidsverhoudingen structureel mogelijk. In de mate dat de arbeidersklasse zelf actief heeft geparticipeerd in de democratische strijd voor medezeggenschap en investeringscontrole is de kans groter dat er een democratische vorm van arbeidsverhoudingen ontstaat.

    Deze provisorische poging van Wright om een meer gedifferentieerd model van structurele causaliteit uit te werken vertoont nog een aantal zwaktes. De betekenis van de afzonderlijke structureringsmodi is nog onvoldoende gepreciseerd, en met name hun onderlinge verhoudingen zijn nogal labiel. Bovendien is onduidelijk wat de relatie is tussen deze vormen van structurele causaliteit en historische causaliteit. Een wetenschapstheoretische verduidelijking van deze modi van structurering is dus zeker geen overbodige luxe. Dat neemt niet weg dat zij zowel voor theorievorming als voor empirisch onderzoek al een belangrijke heuristische functie kunnen vervullen.

    Ten eerste is een structureringsmodel à la Wright zeer geschikt om de relaties tussen de elementen van een theorie te verduidelijken en kan het de integratie van elementen uit diverse (deel)theorieën vergemakkelijken.

    Ten tweede wordt door een dergelijk structureringsmodel een weg gebaand voor empirisch-historisch onderzoek. Het brengt immers het onderzoeksterrein in kaart en expliciteert de logica van de relaties die in specifiek empirisch-historisch onderzoek geanalyseerd moeten worden. Mede hierdoor kan het bijdragen aan integratie en coördinatie van empirische onderzoeksprojecten.

Index2. Klassentheorie en empirisch onderzoek

2·1 Stelling en afbakening
Klassenanalyse omvat zowel klassentheorie als empirisch-historisch onderzoek van de feitelijke sociale klassen en hun onderlinge strijd. Zij is dus niet beperkt tot een abstracte analyse van de voor een specifieke arbeidswijze kenmerkende klassenposities, maar heeft juist tot taak om via een lange reeks tussenschakels inzicht te geven in de wijze waarop klassenverhoudingen zich aan de oppervlakte van de maatschappij aan ons voordoen. De transformationele klassentheorie geeft een zo nauwkeurig mogelijke reconstructie van de noodzakelijke samenhangen tussen de kern- en oppervlaktestructuur van klassenverhoudingen. Hierop aansluitend is het onder andere de taak van empirisch-historisch onderzoek om theoretisch onderbouwde hypothesen te toetsen door de analyse van sociaal, geografisch en temporeel afgebakende eenheden van een bepaalde klassenmaatschappij.

In deze stelling ligt zowel een afbakening besloten ten opzichte van klassentheoretisch essentialisme als ten opzichte van zijn tweelingbroertje, het empirisme. Het klassentheoretische essentialisme concentreert de aandacht volledig op het hoogste abstractieniveau waarop de klassenverhoudingen gethematiseerd kunnen worden. In de marxistische traditie betekende dit meestal een concentratie op het niveau van de productiewijze, dat wil zeggen op klassenposities voor zover deze uit een zuivere of dominante toeëigenings- en arbeidswijze kunnen worden afgeleid. Van een theoretische concretisering naar het niveau van sociale klassen en klassenhandelen is hierbij geen sprake, laat staan van een theoretische reconstructie van de verschijningsvormen van een klassenstructuur.

Een duidelijk voorbeeld van een essentialistische omgang met het klassenbegrip vind men bij Colin Crouch. Hij vertrekt vanuit een uitermate abstract (‘naakt’) klassenbegrip en benadrukt dat klassenfactoren ‘in the last analysis’ altijd van grote importantie zijn. Hij concentreert zich verder op “the many intervening variables that distort and obscure these factors in everyday society” [Crouch 1977:3-4]. Deze interveniërende factoren worden door hem als louter empirische contingenties opgevat. Deze ‘interveniërende factoren’ worden niet in zijn ‘zuivere’ klassentheorie geïnstegreerd. Het resultaat is voorspelbaar: hoe dichter zijn klassentheorie bij de empirische wereld komt die zij wil verklaren, des te minder is zij bruikbaar. Zie ook de kritiek van Strinati [1980].

Het empirisme is hiervan slechts de schijnbare tegenvoeter. In zekere zin is het slechts het complementaire gevolg van essentialisme: als een klassentheorie niet in staat is de samenhang tussen abstracte klassenbepalingen en meer concrete verschijningsvormen van klasserelaties te reconstrueren, dan heeft deze voor empirisch-historisch onderzoek geen vruchtbare hypothesen en onderzoeksstrategieën te bieden. Empirisch onderzoek naar klassenverhoudingen lijkt vervolgens gedoemd tot dataverzamelingen die geordend worden met behulp van criteria die geen enkel inhoudelijk (hoogstens retorisch) verband meer vertonen met theoretisch afgebakende begrippen. Daarom kunnen ook de resultaten van dergelijke empirische exercities niet meer worden terugvertaald naar een theoretisch referentiekader. De empirische cyclus is verbroken: de essentialistische theorie blijft immuun voor transformatie vanuit empirische studies, en empirische studies hebben slechts tot taak de veronderstelde theorie te illustreren [Wright 1978:13; 1989:321].

Index


2·2 Reikwijdte van klassenanalyse en grens van klassentheorie
Bij klassenanalyse gaat het niet alleen om klassenstructuren (relaties tussen klassenposities die verankerd zijn in arbeidsverhoudingen op exploitatieve basis), maar ook om de dynamische relaties tussen en binnen sociale klassen en klassenfracties, om de wijze waarop feitelijke politieke handelingscollectieven op klassenbasis ontstaan, om de onderlinge krachtsverhoudingen tussen deze politieke krachten en om hun onderlinge conflicten en strijd [→ hoofdstuk I, § 4·4·2].

Een klassentheorie gaat uit van de algemene structuurkenmerken van een specifieke arbeidswijze en de daarin verankerde klassenposities om van daaruit een systematische verklaring te geven van de concrete verschijningsvormen van klassenrelaties aan de oppervlakte van de maatschappij.

Kern en oppervlakte
Het onderscheid tussen kern- en oppervlakteverhoudingen van klassenrelaties (of tussen ‘wezen’ en ‘verschijningsvormen’) is niet identiek met het verschil tussen klassenbegrip en klassenwerkelijkheid, maar duidt een relatie aan tussen de niveaus van het algemene klassenbegrip.

Men kan het onderscheid tussen de niveaus van het klassenbegrip niet ongestraft naar de realiteit zelf verleggen. Doet men dit wel dan maakt men van het klassenbegrip een essentialistisch ideaaltype dat tegenover de veelvormigheid van de werkelijkheid komt te staan.

De thematisering van klassenverhoudingen in de terminologie van ‘kern/oppervlakte’ moet duidelijk worden afgebakend ten opzichte van benaderingen waarin ‘verschijningsvormen’ worden opgevat als louter epifenomenale uitdrukking van ‘essenties’.

Hoewel Wright duidelijk is over deze laatste afbakening, sleept hij in zijn argumentatie toch nog een deel van de essentialistische terminologie mee: “the equality of exchange relations (commodity relations) in the capitalist market hides the real relations of exploitation within production” [Wright 1978:12]. Hij contrasteert de verschijningsvormen van ruilrelaties (oppervlakte) met daaronder schuil gaande ‘werkelijke’ uitbuitingsverhoudingen in de productie. Wright weet echter ook dat de ruilverhoudingen op de kapitalistische warenmarkt net zo ‘werkelijk’ zijn als de uitbuitingsverhoudingen die daaraan ten grondslag liggen.

Het verschil is dus niet dat het ene type verhouding meer of minder ‘werkelijk’ is dan het andere, maar dat in de kapitalistische werkelijkheid de samenhang tussen uitbuitings- en ruilverhoudingen niet lineair en transparant, maar complex en gemystificeerd is. Om deze samenhang ook empirisch-historisch te kunnen analyseren is een referentiekader nodig waarin de tussenschakels tussen kern- en oppervlakteverhoudingen theoretisch worden gereconstrueerd.

In zijn latere publicaties zoekt Wright [1989:58 e.v.] aansluiting bij het ‘transcendental realist’ programma van Bhaskar [1978]. Evenals Bhaskar maakt hij een onderscheid tussen drie domeinen van ‘werkelijkheid’: het domein van het ‘real’, van het ‘actual’ en van het ‘empirical’. Hiermee corresponderen drie ontologische categorieën: mechanismen, gebeurtenissen en ervaringen (feiten).

Mechanismen genereren gebeurtenissen, en deze gebeurtenissen genereren (in combinatie met diverse voorwaarden van perceptie/waarneming) onze ervaringen (dat wil zeggen geobserveerde ‘feiten’).

De claim dat ervaringen niet identiek zijn met gebeurtenissen en mechanismen is de basis voor de verwerping van het empiricisme; de claim dat ervaringen gevormd worden door mechanismen en gebeurtenissen (en niet volledig verklaard kunnen worden door condities van perceptie) is de basis voor de verwerping van het radicale idealisme.

Klassentheorie is grondslag en leidraad voor empirisch historisch-sociologisch onderzoek naar

Het feit dat klassentheorie een leidraad is voor historisch en sociologisch onderzoek betekent natuurlijk veel meer dan een loutere ‘toepassing’ of ‘operationalisering’.

Ten eerste kunnen de operationele keuzes die in empirisch onderzoek gemaakt moeten worden meestal niet of hoogstens zeer indirect steunen op klassentheoretische noties. Daarom wordt er in empirische projecten die vanuit hetzelfde theoretische referentiekader vertrekken vaak met uiteenlopende operationele criteria gewerkt, terwijl er omgekeerd vaak dezelfde operationele criteria worden gehanteerd door auteurs die vanuit rivaliserende theorieën vertrekken.

Ten tweede plaats vertonen de meeste klassentheorieën begripsmatige inconsistenties en ambiguïteiten. De marxistische klassentheorieën, met hun hoge aspiratieniveau ten aanzien van begripsmatige en theoretische integratie, zijn hierop geen uitzondering. Sensibele empirische onderzoekers stuiten dus bijna altijd op begripsmatige en theoretische lacunes en incoherenties waarvoor zij in hun projecten zelf oplossingen moeten zien te vinden. Men kan niet blijven wachten tot alle theoretische lacunes zijn opgevuld en de begripsmatige inconsistenties opgelost. Van de kant van empirische onderzoekers vereist dit niet alleen ‘tolerantie’ voor een zekere mate van begripsmatige ambiguïteit en inconsistentie, maar ook het adopteren van een enigszins pragmatische houding ten opzichte van onderzoek [Wright 1989:314].

Historisch-sociologisch onderzoek naar klassenverhoudingen heeft echter nog een andere opdracht, waarin zij niet direct kan steunen op de systematiek van een klassentheorie. In een ontwikkelde klassentheorie worden slechts de noodzakelijke (of systematische) samenhangen tussen de kern- en oppervlaktestructuur van klassenverhoudingen gereconstrueerd. In de historische werkelijkheid zijn echter tal van andere toevallige of contingente factoren werkzaam die per sé niet kunnen worden ‘afgeleid’ uit welke theorie dan ook.

In de empirische werkelijkheid van klassenspecifieke mechanismen en gebeurtenissen zijn zowel de (in theorieën geëxpliciteerde) basistructuren van een klassenformatie als accidentele (historisch contingente of toevallige) elementen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Alleen door middel van empirisch onderzoek is het mogelijk de reeks van historische, nationale, geografische, klimatologische en ecologische bijzonderheden en toevalligheden te identificeren en na te gaan hoe deze contingente elementen de structuur van de klassenverhoudingen modificeren.

Index3. Klassenanalyse en politieke strategie

3·1 Stelling en afbakening
Klassenanalyse is een van de fundamenten van een emancipatorische, maatschappijveranderende politiek. Op basis van een concrete analyse van de klassenverhoudingen in het kapitalisme kunnen zowel uitspraken worden gedaan over de perspectieven van een klasseloze maatschappij, over de veranderingspotentiëlen die daarvoor aanwezig zijn, over de klassenspecifieke subjecten die als waarschijnlijke dragers van een revolutionaire of hervormende beweging aanwezig zijn, als over de parameters van een politieke strategie waarmee de krachtsverhoudingen tussen de klassen en klassenfracties kunnen worden veranderd. De politiek van sociale klassenbewegingen en politieke organisaties kan echter nooit volledig worden afgeleid uit welke klassenanalyse dan ook.

Dze laatste stelling impliceert wederom een dubbele afbakening:

In beide benaderingen worden de complexe spanningsverhoudingen tussen wetenschap en politiek eenzijdig verkort.

Het bezwaar tegen instrumentele benaderingen is niet klassentheoretici zich oriënteren op de politiek-strategische problemen die zich in de praktijk van bepaalde klassenbewegingen en -organisaties voordoen. Het bezwaar is dat de wetenschappelijke analyse van de structuur en dynamiek van de klassenverhoudingen in dienst wordt gesteld van de dominante koers van een bepaalde beweging of organisatie, of van een specifiek ideologisch discours (en dus steeds meer gaat lijken op een ‘hofleverancier van legitimatielegendes’).

In de huidige politieke conjunctuur, waarin ‘wetenschappelijke beleidsvoering’ hoog in het vaandel staat, zijn de kritieken op sciëntistische benaderingen echter van groter belang (de desastreuze traditie van het marxisme-leninisme is tegenwoordig minder actueel).

De bezwaren tegen het sciëntisme zijn bekend en kunnen in drie punten worden samengevat:

Index


3·2 Zelfreflexieve klassenanalyse
Klassenanalyse is onderdeel van een zelfreflexieve sociale wetenschap. Onderzoekers van de klassenverhoudingen mogen hun werk plaatsen in het normatieve perspectief van de mogelijke overwinning van klassentegenstellingen door collectief politiek handelen. Zij mogen ook emancipatiebewegingen die zich richten op de afschaffing van exploitatieve klassenverhoudingen als politiek referentiepunt nemen. Een zelfreflexieve klassenanalyse dient zich echter vooral rekenschap te geven van haar eigen ‘productievoorwaarden’ en van haar eigen effecten op de maatschappelijke ontwikkelingen [Bourdieu 1984; Wright 1989:53].

De afbakening ten opzichte van sciëntisme (de politieke overwaardering van de potenties van wetenschappelijke analyses) en instrumentalisme (de politieke onderschikking en castratie van wetenschap) demarkeert het terrein waarop een zinvolle discussie mogelijk wordt over de spanningsverhouding tussen wetenschap en politiek. Deze spanningsverhouding is altijd groter en in ieder geval explosiever wanneer het gaat om de verbinding tussen een kritische, op emancipatie gerichte maatschappijtheorie en politiek hervormende of revolutionerende praktijken van sociale bewegingen die maatschappijtransformerende doelen nastreven.

De spanningsverhouding tussen wetenschap en politiek is niet per definitie antithetisch. Aanvankelijk kon zelfs Erik Olin Wright zich niet ontworstelen aan een antithetisch beeld van de relatie tussen ‘science and revolution’.

Dit is een overtrokken voorstelling van ‘revolutionaire strijdbaarheid’: revolutionaire bewegingen vereisen eerder ‘open-minded’ activisten met een voldoende dosis ‘revolutionair scepticisme’ dan ‘echte gelovigen’. Fanatisme is geen definierend kenmerk van een revolutionaire houding en strijdbare inzet.

Gepassioneerde betrokkenheid is van essentieel belang voor de ontwikkeling van een maatschappijkritische —op emancipatie gerichte— wetenschap. Een wetenschap die door haar vraagstellingen is verankerd in morele en politieke betrokkenheid en keuzes [Burowoy 1989:79 e.v.].

Politieke utopieën stimuleren kritiek op dominante machtsverhoudingen en instituties, maar ook op organisatiepraktijken en gewoontes binnen hervormende of revolutionaire bewegingen. Zij zijn een stimulans voor revolutionaire praktijken en opstandigheid — ook binnen de eigen organisaties en bewegingen.

‘Marxisme’ figureert als sociaal wetenschappelijke theorie, maar ook als revolutionaire bevrijdingsleer, als utopie van subalterne revolutionaire bewegingen. De daarop geënte politieke theorie van het communisme fungeerde aanvankelijk ook als een utopisch discours (dat bestaande ongelijkheids-, exploitatie- en heerschappijverhoudingen delegitimeert en aanvecht), maar werd steeds meer een ideologisch discours dat de bestaande machtverhoudingen van het ’reëel bestaande socialisme’ legitimeerde en stabiliseerde.

Wanneer ‘marxisme’ of ‘socialisme’ hun karakter als politieke utopie verliezen dan kunnen zij slechts als ideologie, als legitimatielegende voortvegeteren. Kritische wetenschappers dienen niet alleen hun relationele autonomie, maar ook hun emancipatoire normatieve uitgangspunten en persoonlijke integriteit te handhaven. Daarom moeten zij op gepaste afstand blijven van dit ideologisch bolwerk. Dit ‘afscheid van het marxisme’ is geen treurige gebeurtenis. Voor intellectuelen die jarenlang onder het inmiddels bankroete regime van het etatistisch socialisme hebben geleefd en zich ergerden aan die armoedige officiële ‘marxistisch-leninistische ideologie’ had dit afscheid altijd al meer het karakter van een vrolijke begrafenis.

Gepassioneerde betrokkenheid is van essentieel belang is voor de ontwikkeling van een maatschappijkritische —op emancipatie gerichte— wetenschap. De vragen waar sociale wetenschappers zich mee bezighouden zijn altijd gekleurd door hun morele keuzes en politiek engagement. Een wetenschappelijke analyse van de klassenverhoudingen vereist echter ook een zekere distantie, een gezonde dosis scepticisme, het telkens weer ter discussie stellen van zekerheden, het benadrukken van het provisorische karakter van alle verklaringen, en een (moeilijk te overdrijven) bescheidenheid als het gaat om het prognostische vermogen van de theorie. Theorie- en begripsvorming is erop gericht interpretaties en verklaringen te genereren van wat zich in de maatschappij heeft voltrokken of van wat zich actueel aan het voltrekken is en niet om hieruit toekomstige toestanden van het klassensysteem uit af te leiden of om de uitkomsten van experimentele manipulaties te voorspellen [Geertz 1973:26].

Transformationele klassenanalyse genereert interpretaties van toestanden in het verleden, identificeert de patronen van actuele klassenverhoudingen en benoemt daarvan mogelijke ontwikkelingsrichtingen. Klasse mag dan een te serieus onderwerp zijn om aan sociale wetenschappers over te laten, het ontslaat ons niet van de taak om telkens weer opnieuw de veranderingen te analyseren die zich voltrekken in de klassenmaatschappij waarin we leven.

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 23 December, 2013