| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
XV. Sociale klassen en politiek klassenhandelen
Figuur 15_1: Niveaus van structurering van klassenhandelen |
|
|
|---|
Most subordinate classes throughout most of history have rarely been afforded the luxury of open, organized, political activity ... Most subordinated classes are, after all, far less interested in changing large structures of the state and the law than in ... working the system to their minimum disadvantage [J.C. Scott 1985:xv].
| 1. Stelling en afbakening |
|---|
Politiek klassenhandelen is handelen van een sociale klasse die niet alleen een eigen klassenspecifieke habitus en levensstijl heeft ontwikkeld, maar ook een collectieve identiteit, een collectief bewustzijn en bovendien in staat is haar belangen en aspiraties te articuleren en haar leden hiervoor te mobiliseren. Politiek klassenhandelen en sociale klassenbewegingen kunnen ontstaan op basis van sociale klassen, maar dat is niet noodzakelijk en altijd het geval.
Deze stelling impliceert ten eerste een afbakening ten opzichte van politicistische benaderingen die de structurering van klassenhandelen reduceren tot processen van articulatie van ontevredenheid en/of organisatie en mobilisatie van klasseleden. In deze benaderingen wordt geen of onvoldoende aandacht besteed aan het feit dat klassenhandelen zowel wordt (voor)gestructureerd door objectieve klasseposities en daarin verankerde belangentegenstellingen, als door netwerken van klassenspecifieke sociale relaties, door klassenspecifieke habitus, levensstijlen en culturen, en door klassenspecifiek gekleurde bewustzijnsvormen en handelingsoriëntaties. Voorbeelden hiervan zijn de Przeworski en Beck.
|
Beck operereert met een nogal simpel historisch contrastmodel. In de negentiende eeuw zouden klassen-identiteiten en -gemeenschappen louter van onder (vanuit de directe werk- en levensomstandigheden) tot stand komen. Voorzover er in de 19e en begin 20e eeuw sprake was van klassenidentiteit of -bewustzijn, was dit natuurlijk ook mede het product van organisaties en publicaties van de socialistische arbeidersbeweging. Dat klassenbewustzijn tot stand gebracht en mede geproduceerd wordt door processen van organisatie en belangenarticulatie, is dus niet zo nieuw. Het bewustzijn van de gemeenschappelijke klassensituatie, de manifeste belangen, het collectieve handelingsvermogen van klassen of andere sociale groepen echter nooit alléén het product van massamedia of organisaties. Organisatie en media knopen willen zij effectief zijn altijd aan bij gemeenschappelijke ervaringen en belangen van de betrokkenen [Kocka 1983:96; Neal 1983:290]. Beck komt mijns inziens veel te dicht in de buurt van het dualistisch historisch denken waarin een communautaire en solidaire abreidersklasse die haar politieke kracht direct ontleende aan een tranparant 19e eeuwse klassenantagonisme gesteld wordt tegenover de geatomiseerde en consumentistisch georiënteerde moderne werknemer die volledig door de burgerlijke cultuurindustrie wordt bepaald. Met sociologisch of historisch onderzoek heeft dit weinig of niets te maken. |
In de tweede plaats bevat deze stelling een afbakening ten opzichte van spontanistische benaderingen waarin wordt verondersteld dat een (meer of minder ontwikkeld) klassenbewustzijn automatisch leidt tot klassenhandelen. Kenmerkend voor deze benaderingen is de onderschatting van de betekenis van processen van articulatie, organisatie en mobilisatie voor het ontstaan van politiek klassenhandelen en klassenbewegingen.
In de derde plaats impliceert deze stelling een afbakening ten opzichte van alle actionistische benaderingen waarin klassen zonder meer als politieke actoren worden behandeld. In deze benaderingen worden aan klassen eigenschappen toegeschreven die alleen aan personen toekomen: klassen worden toegerust met wilsvermogen, intenties, handelingsvermogen en met morele eigenschappen. Klassen worden dus opgevat als een subject in grootformaat, als een super-subject. Sociale klassen hebben echter als zodanig geen wil of handelingsvermogen.
Het idee dat klassen evenals individuen over een eigen wil en handelingsvermogen beschikken en dus als klassen kunnen handelen is een metafoor die ontstaat door een verwisseling van het taal- en analyseniveau van de klassenstructuur en het taal- en analyseniveau van de organisatie van collectief handelen.
In zijn repliek op deze kritiek treft Anderson natuurlijk wel doel met zijn opmerking dat deze redenering van A tot Z indruist tegen de hele opzet van The Making of the English Working Class: Want als het al misleidend is klassen een wil en identiteit toe te schrijven, hoe kunnen we dan spreken van een arbeidersklasse als een klasse die zichzelf maakt? [Anderson 1980/3:441]. Zie eerder hoofdstuk XIII, § 4·4 - Edward Thompson: geniale model-culturalist?
Bourdieu [1989:213-45] maakt een soortgelijke analyse van het mechanisme van de politieke vertegenwoordiging. Ook Kreckel maakt een onderscheid tussen het analyseniveau van de klassenstructuur en dat van de organisatie van collectief handelen. Hij benadrukt dat het niet mogelijk is om uit een analyse van de objectieve klasseposities direct conclusies te trekken ten aanzien van de interne opbouw, de beslissingsprocedures, doelstellingen en strategieën van de Personenverbände die als klassenorganisatie optreden. Maar Kreckel is niet in staat om de samenhang tussen deze analyseniveaus aan te geven. In plaats daarvan presenteert hij het inmiddels bekende model van de gescheiden verantwoordelijkheden: de klassenstructuur moet structuurtheoretisch worden benaderd, terwijl de organisatie van collectief handelen alleen met handelingstheoretische concepten ontsleuteld kan worden [Kreckel 1990:59]. Kortom: (klassen)structuur en (klassen)handelen worden weer uiterlijk aan elkaar gekoppeld. Zo wordt schijnbaar tegemoet gekomen aan de principiële bezwaren tegen structuralistische en actionistische benaderingen: er wordt zowel gebruik gemaakt van de logica van structurele posities als van de logica van collectief handelen. Door de optelling van deze twee gehalveerde logicas, krijgt men echter nog geen inzicht in de logica en niveaus van handelingsstructurering. |
2. Niveaus van politieke klassenhandelen |
|---|
Voor het ontstaan van politiek klassenhandelen (klassenstrijd) en sociale bewegingen op klassebasis (klassenbewegingen) is het niet voldoende dat sociale klassen een zekere mate aan sociale of demografische cohesie vertonen en dat zij een sociaal-culturele identiteit ontwikkeld hebben die zich manifesteert in een klassenspecifieke habitus, eigen levensstijlen en culturen, en in een zekere mate van klassenbewustzijn.
Klassenactoren en klassenbewegingen articuleren hun onvrede (of juist hun tevredenheid) met de bestaande klassenverhoudingen in specifieke meer of minder discursieve, complexe, abstracte, eenduidige en consistente politieke talen.
Een klassenideologie is een geobjectiveerde politieke taal waarin de bestaande klassentegenstellingen worden gelegitimeerd (onzichtbaar gemaakt, genaturaliseerd, geharmoniseerd en als normatief gewenst of acceptabel voorgesteld) en draagt hierdoor bij aan de stabilisatie of verscherping van de bestaande klassenongelijkheden.
Een klassenutopie is een geobjectiveerde politieke taal waarin de bestaande klassentegenstellingen worden gedelegitimeerd (zichtbaar gemaakt, gedenaturaliseerd en als normatief ongewenst en overwinbaar voorgesteld) en draagt hierdoor bij aan de verkleining of overwinning van de bestaande klassenongelijkheden [Bader 1991:189-92 in aansluiting bij Mannheim 1930:52,173].
Zowel klassenideologieën (bijvoobeeld burgerlijke ideologieën) als klassenutopieën (bijvoorbeeld de socialistische utopieën) dringen door in álle niveaus van de politieke talen. Zij zijn ingebouwd in de alledaagse of omgangstaal, in het vocabulaire en de grammatica, in de common sense (spreekwoorden, gezegdes, grappen enzovoort), in rudimentaire alledaagse theorieën (ingebakken in legendes, sagen, verhalen en sprookjes), in veldspecifieke talen en theorieën (zoals in economische theorieën, maar ook in diverse strategische kundigheden en kunsten) en in symbolische universa (zoals in mythologieën, theologieën, filosofieën, cosmologieën en wetenschappen).
Daarom vindt cognitieve en normatieve bevrijding van klassenideologieën niet slechts op één van deze niveaus van politieke talen plaats en wordt deze bevrijding ook niet eenduidig van onderaf (op het niveau van de alledaagse taal) of juist van bovenaf (op het niveau van gesystematiseerde, discursieve wereld- en maatschappijbeelden) in gang gezet.
De Occupy Wall Street-beweging die medio 2011 in de Verenigde Staten ontstond en die al snel miljoenen mensen in beweging bracht over de hele wereld, is een volkse reactie op de bankencrisis en de kapitalistische graaicultuur. Verzet bieden tegen het graaikapitalisme en de bankiers ter verantwoording roepen, dat lijkt de enige samenbindende factor. Daarnaast uiten de deelnemers een hele waslijst aan andere maatschappelijke klachten. De beweging articuleerde geen alternatief, laat staan een alternatief maatschappijbeeld. Bovendien worden al deze klachten en eisen niet in hoogstaande politieke talen naar voren gebracht, maar in alledaagse talen en rudimentaire alledaagse theorieën.
De Occupy-beweging is een beweging in de meest letterlijke zin van het woord. Het is een netwerk van bewegingsassociaties zonder vaste structuurpatronen, zonder woordvoerders, zonder leiders, zonder formele organisatie, zonder duidelijk omschreven gemeenschappelijke doelen en zonder agenda waarin prioriteiten worden gesteld. Toch slaagde de Occupy-beweging er in om miljoenen mensen over de hele wereld op de been te brengen. Haar mobilisatiekracht is verankerd in nieuwe vormen van virtuele sociale georganiseerdheid: zij ontstaat niet zoals de arbeidersbeweging ondergronds vanuit de achterkamers van lokale cafés, maar in de wolken van de sociale media. Wat we op de straten voor de bankgebouwen te zien krijgen is slechts het aardse gezicht van een sociale wolkbeweging (cloud movement) die vanuit ons lokale perspectief grotendeels onzichtbaar is. De kracht van deze wolkbeweging is dat zij hierdoor ook moeilijk valt te bestrijden of te manipuleren. Er zijn geen woordvoerders waarmee men kan overleggen. Er zijn geen leiders waarmee men kan onderhandelen en compromissen sluiten. Er zijn geen organisatiekantoren die men kan sluiten of waarvan men administraties in beslag kan nemen.
De wolkbeweging is een protest tegen sociale en economische ongelijkheid, tegen gegraai van ondernemers en vooral van geldkapitalisten (financiers, speculanten, beurshandelaren en casinokapitalisten). Het is een volksbeweging van de 99% tegen de top 1% rijksten: We are the 99%. Het enige dat deze nieuwe wolkbeweging lijkt samen te binden is het inzicht dat de banken/bankiers de crisis hebben veroorzaakt en dat zij daar rekenschap voor dienen af te leggen laat de graaiers de rekening betalen. De monetaire crisis wordt zoals gebruikelijk afgewenteld op mensen die daar níet verantwoordelijk voor zijn. En de mensen die verantwoordelijk zijn voor de recessie komen weg met massieve bonussen. Tegen deze onrechtvaardigheid komen de deelnemers aan de wolkbeweging in opstand. Daarom laten zij hun protesten niet horen voor de poorten van politieke instellingen, maar voor de goudbeslagen deuren van de bank- en beursinstellingen. In bewoordingen die op occupywallst.org (OWS) gebruikt worden:
Academici die sociale bewegingen bestuderen hebben moeite om grip te krijgen op de eigenaardigheden van deze mondiale wolkbeweging. Hetzelfde geldt voor journalisten die de beweging een gezicht en steevast op zoek gaan naar woordvoerders: Bring me to your leader. De bestaande theorieën van collectief handelen en sociale bewegingen ondergaan een nieuwe vuurproef. Zij zullen steeds meer beoordeeld worden op hun vermogen om de eigenaardigheden en kenmerkende processen van virtuele protesten en verzetsbewegingen tot begrip te brengen.
|
Door hun feitelijke positie in het maatschappelijke arbeids- en reproductieproces zijn klassen altijd al in meer of minder sterke mate sociaal georganiseerd. De netwerken van klassenspecifieke sociale relaties zijn een belangrijk uitgangspunt en grondslag voor politiek klassenhandelen.
Politiek klassenhandelen komt tot stand wanner de leden van een klasse hun sociale georganiseerdheid transformeren in enigerlei vorm van klassenorganisatie. Zij moeten in staat en bereid zijn een deel van het bronnenpotentieel waarover zij beschikken in te zetten voor opbouw en uitbouw van hun klassenassociaties (zoals cultuur-, sport-, ontspannings- of consumptieverenigingen) of politieke conflictorganisaties (zoals actiegroepen, vakbonden en partijen), maar dat zij uit eigen kring of daarbuiten ook leiders moeten recruteren die in staat zijn de activiteiten van zon organisatie te coärdineren en te plannen.
Klassenorganisaties zijn alle formele organisaties die programmatisch en/of praktisch zijn betrokken op de doelen van een klassenspecifieke sociale beweging. Er zijn twee type klasseorganisaties: bewegingsassociaties en conflictorganisaties [Bader 1991:219].
Klassenorganisatie zou dus nadrukkelijk niet beperkt moeten worden tot (specifieke typen van) conflictorganisaties zoals politieke partijen of vakbonden.
Uit sociale klassen kunnen pas sociale klassenbewegingen ontstaan wanneer zij in beweging worden gebracht. Klassen zijn slechts potentiële collectieve actoren, zij moeten worden gemobiliseerd willen hieruit feitelijke politieke conflictgroepen of actoren ontstaan. De relatieve kracht en betekenis van deze actoren is enerzijds afhankelijk van het bronnenpotentieel dat een sociale klasse, respectievelijk haar organisatie kan mobiliseren (zoals de materiële bronnen en het geld waarover haar leden beschikken, de kwalificatie, informatie en motivatie van haar leden, maar bijvoorbeeld ook de beschikbare vrije tijd van haar leden en het prestige van organisatieleiders), anderzijds van de kwaliteit van de gehanteerde mobilisatiestrategieën.
Bovendien moeten zij zich in de strategische interacties met tegenstanders en in de dynamiek van klasseconflicten telkens opnieuw bewijzen. Zij moeten zich dus niet laten imponeren door feitelijke of symbolische bedreigingen door tegenstanders, zij moeten waakzaam zijn voor een zodanige escalatie van conflicten dat slechts zelfvernietiging in het verschiet ligt, en zij moeten hun inschatting van de krachtsverhoudingen zoveel mogelijk vrijwaren van zowel overdreven en rigide en zich in escalerende conflicten soms fataal versterkende vijandbeelden als van irrealistische toekomstverwachtingen. Zie Bader [1991:296-363] voor een pro-theoretische typering van deze laatste factoren.
Hiermee is in grote lijnen de lange en moeizame weg van klasse an sich naar klasse für sich geschetst. Ik heb al eerder opgemerkt dat deze formule meer bedekt dan ze uitdrukt. Het is veeleer een verlegenheidsformule waarachter een ingewikkeld samenspel tussen een aantal niet als zodanig gedefinieerde en gedifferentieerde structureringsniveaus van klassenhandelen schuilt.
In de voorafgaande hoofdstukken zijn deze structureringsniveaus in meer of minder uitvoerige mate behandeld: de constitutie en reproductie van uitbuitings- en klasseposities, van sociale klassen, van klassenspecifieke habitus en levensstijlen, van klassenspecifieke handelingsoriëntaties en bewustzijnsvormen tot aan het alledaagse en politieke klassenhandelen. De metafoor van de klasse an sich naar de klasse für sich is hiervoor in het meest gunstige geval een korte en pregnante samenvatting. Deze metafoor heeft echter in het verleden ook de functie gehad de complexe samenhang tussen de structureringsniveaus van klassenhandelen níet te analyseren.
Zoals ik reeds eerder opmerkte, heeft deze standaardformule uit de marxistische traditie bovendien het grote nadeel dat sociale klassen uiteindelijk toch weer als politieke krachten, dat wil zeggen als handelingsbekwame super-subjecten ten tonele worden gevoerd.
| Als klassen geen politieke actoren zijn dan moet men ook vermijden zinnen te schrijven waarin de arbeidersklasse, de kleinburgerij of de bourgeoisie optreden als handelingsbekwame subjecten die waarnemen, zoeken, strijden, denken, eisen en dergelijke [Reddy 1992:24]. |
Om deze niet-reductionistische gedachte kracht bij te zetten zou men bijna de stelling van Roberto Unger onderschrijven:
Hoezeer sociale klassen ook de articulatiebases van parties of opinion worden, zij zullen hierdoor echter nooit vervangen worden tenzij deze partijen erin slagen de bases waaraan zij hun ontstaan te danken hebben zodanig te veranderen dat men niet meer van een klassenmaatschappij kan spreken .
3. Tussen droom en daad
|
|---|
We worden verscheurd tussen dromen die onrealistisch lijken en vooruitzichten die nauwelijks de moeite waard zijn [Unger 1987 I: 331].
Het socialisme moest tot wetenschap worden verheven en daarom zou het overbodig en zelfs gevaarlijk zijn om recepten voor de gaarkeukens van de toekomst te bedenken. Karl Kautsky, de ongezalfde paus van de Tweede Socialistische Internationale, heeft deze gedachte min of meer gecodificeerd. De socialistische partij was volgens hem alleen maar in staat op basis van feitelijke gegevens voorstellen te doen voor de verandering van de bestaande maatschappij; alle op vooronderstellingen gebaseerde suggesties over de contouren van een toekomstige maatschappij waren volgens hem zinloos, het waren slechts fantasieën of dromen.
Het is nauwelijks overdreven te stellen dat marxisten er zelfs trots op waren dat ze niet nadachten over de toekomst [Hobsbawm 1991:22]. De utopie van een andere toekomst bleef echter een integrerend (en intrigerend) onderdeel van het socialisme. Deze aardse heilsleer vervulde echter een nogal dubbelzinnige rol. Naarmate de socialistische beweging zich verder institutionaliseerde en tot op zekere hoogte in de burgerlijke maatschappij en staat werd geïntegreerd, verwaterde deze utopie, maar groeide haar expressieve gewicht.
|
In aansluiting op Kalma [1972] benadrukt hij dat het socialisme als de utopie van een totaal andere maatschappij geen enkele politieke inhoud heeft: het zou alleen maar dienen om het zicht op de werkelijke prestaties van de sociaal-democratische bewegingen te verdoezelen. In zijn visie heeft het democratisch socialisme zich van deze dubbelzinnigheid kunnen bevrijden door de utopie in te ruilen voor het ideaal.
Het probleem is dus niet zozeer dat utopie en ideaal door elkaar heen worden gebruikt, maar dat er verschillende typen van utopieën/idealen met elkaar worden vermengd en tegen elkaar uitgespeeld.
|
Vandaag de dag wordt van verschillende kanten gepleit voor een verdergaande utopie-abstinentie. De verschrompeling van de negentiende eeuwse utopieën wordt niet als een betreurenswaardig feit gezien, maar als een min of meer noodzakelijke consequentie van een algehele ontideologisering in de postmoderne tijd.
Het postmoderne individu zou zodanig zijn gefragmenteerd dat het zich überhaupt niet meer in Grote Verhalen kan herkennen en zich niet meer door Fantastische Utopieën laat inspireren. Deze trendy opvatting van het einde van de grote verhalen zou men ook wat nuchterder en genuanceerder kunnen formuleren.
De individualisering van de levensverhoudingen in de burgerlijke maatschappij leidt tot interne pluralisering van de subjecten. Zij zijn meer gedecentreerde, gedetotaliseerde actoren geworden met meervoudige positionaliteiten (die steeds moeilijker zijn te herleiden tot die ene Allesverklarende Positionaliteit) en partiële identiteiten (die zich steeds slechter laten integreren in die ene Allesomvattende Identiteit). Door de interne democratisering van de subjecten weigeren zij om de oorzaken van maatschappelijke problemen tot één Achterliggende Oorzaak of één Overkoepelend Probleem te herleiden.
Het failliet van alle Grote Verhalen wordt veroorzaakt door de toenemende weerstand tegen gesloten (hiërarchisch gecentreerde) en totaliserende (reducerende) wereldbeelden en toekomstvisies. Het afscheid van inmiddels toch al verschrompelde negentiende eeuwse totale of integrale utopieën is aan het begin van de eenentwintigste eeuw zeker geen betreurenswaardig feit. Het heeft niet alleen ruimte geschapen voor liberalen zonder burgerlijkheid, socialisten zonder benepen parlementarisme en religieuzen zonder god, maar ook voor communisten zonder heilsstaat, pacifisten zonder vijand en voor democraten zonder respect voor kapitalistische eigendomsverhoudingen. Deze vormen van ontideologisering betekenen echter nog niet het einde van alle utopieën.
Sociale emancipatiebewegingen kunnen zich niet ongestraft distantiëren van elke vorm van utopie. De volgende vier problemen spelen daarbij een rol.
Het eerste thema is eenvoud en transparantie: de aanname dat de complexiteit en mate van functionele differentiatie van zon samenleving veel geringer is of dient te zijn dan die van het kapitalistische heden, en dat zij alleen al daarom doorzichtig en relatief makkelijk bestuurbaar is of zou moeten zijn.
Het tweede thema is harmonie: de aanname dat door het verdwijnen van klasse-exploitatie, politieke onderdrukking, ascriptieve discriminatie en sociale (uit)sluitingen er geen basis meer zou (moeten) bestaan voor maatschappelijke conflicten, en dus ook geen noodzaak voor instituties en mechanismen van conflictregulatie.
De harmonieuze eenvoud van dergelijke utopieën maakt begrijpelijk waarom deze zo goed kunnen worden gebruikt als een vehikel voor een regressief romantisch verlangen naar een gemoedelijke herinvoering in het organische geheel van een agrarische of zelfs feodale maatschappij. Zoals Bourdieu in zijn analyse van de politieke ontologie van Heidegger heeft opgemerkt, is dit slechts de keerzijde van de met haat doordrenkte angst voor alles wat zich tegenwoordig als een dreigende toekomst aandient: het kapitalisme en het marxisme, het kapitalistisch materialisme van de bourgeoisie en het goddeloze rationalisme van de socialisten. Regressieve of achterwaards gerichte utopieën zijn het product van een specifieke verwerking van moderniteitsangsten en -tegenspraken.
Dit brengt ons tot de vraag hoe (on)geloofwaardig de idealen zijn die in politieke programmas en schemas van maatschappelijke reconstructie worden gepresenteerd. De discussies die over deze vraag zijn gevoerd, zijn door Roberto Unger uitstekend samengevat:
Tot nu toe werden er weinig expliciete pogingen gedaan om utopische en pragmatische denkstijlen te combineren en om te zetten in een politiek programma waarin belangenbehartiging binnen bestaande maatschappelijke contexten organisch wordt verbonden met de transformatie van deze contexten.
Politieke fantasie en utopische denkbeelden blijven nooit ongeorganiseerd op straat liggen. De politieke fantasie van leden van de geëxploiteerde klassen kan met reactionaire politieke inhouden worden bezet. Zo was de fascistische modellering van collectieve fantasieën alleen maar succesvol omdat het socialisme er niet in was geslaagd vergelijkbare utopieën en aspiraties positief te bezetten, dat wil zeggen te integreren in een aantrekkelijk en mobiliserend maatschappijbeeld en handelingsstimulerend programma [Negt 1977:292; Naumann 1983].
In politieke analyses van de ontstaansvoorwaarden en relatieve effectiviteit van het moderne populisme en neonationalisme zou dit probleem zeker een centrale plaats moeten innemen.
In de marxistische onderzoekstraditie werden lange tijd geen of nauwelijks serieuze analyses gemaakt van het probleem van de utopie en van het utopische bewustzijn. Centraal in het moderne utopie-onderzoek staat de in het alledaagse leven ervaren discrepantie tussen mogelijkheid en werkelijkheid, die zich met name doet gelden wanneer bijzonder belangrijke basisbehoeften van individuen niet bevredigd kunnen worden.
Er ontstaat een conflictueuze relatie tussen utopie en levenspraktijk. Conflictgeladen complexen van utopie en levensstijl leiden niet noodzakelijkerwijs tot een sociaal isolement. Onder bepaalde omstandigheden kan de ervaring van deze spanningsverhouding ook leiden tot een progressieve herstructurering van de persoonlijke identiteit en soms zelfs tot meer of minder omvattende politieke handelingsmodellen en tot politiek protest [Heubrock 1988].
De richting van deze biografische herstructurering en dus ook de mogelijkheid om politieke handelingsmodellen te ontwikkelen, is niet alleen afhankelijk van de specifieke levenssituatie van een persoon, van de bronnen en vaardigheden waarover deze beschikt, van leeftijd en sociale klassepositie. Zij is ook en met name afhankelijk van de in hoeverre iemand erin slaagt het nieuwe, in eerste instantie slechts geanticipeerde perspectief praktisch te realiseren. In ieder geval lijkt het utopische moment belangrijker te worden naarmate de betrokkenheid van individuen bij sociale bewegingen een vastere vorm aanneemt.
Tijdens een biografische herstructurering bieden sociale bewegingen niet alleen groepsbescherming aan individuen, maar worden zij ook in staat gesteld ervaring op te doen met praktische solidariteit. Sociale bewegingen verkleinen hierdoor de feitelijke of gevreesde risicos die verbonden zijn aan de onzekerheid over de dagelijkse werkelijkheid van een alternatieve sociale levensvorm.
In utopieën krijgen compenserende en protestgeoriënteerde handelingsmodellen een grotere betekenis dan resignatieve, worden collectieve vormen van levensorganisatie sterker benadrukt dan individuele en neemt de mate van politiek engagement toe.
Individuele en maatschappelijke utopieën bevatten dus een protestpotentieel. Of en in hoeverre dit latente potentieel omslaat in een politieke veranderingspraktijk is van een aantal factoren afhankelijk. Er is nog onvoldoende onderzocht welke individuele handelingsmotieven precies tot politieke activiteit, berusting dan wel onthouding leiden. Wel is duidelijk dat algemene structurele kenmerken (positionele gegevens) nauwelijks betrouwbare informatie geven over de omstandigheden die uiteindelijk een politiserings- of depolitiseringsproces bevorderen of remmen.
| Ook in analyses die vanuit de theorie van relatieve deprivatie vertrekken, wordt meestal een veel te rechtlijnige, directe en onbemiddelde overgang van ontevredenheid naar collectief handelen verondersteld. Vgl. de kritiek van Bader [1991:27,48,130]. |
We hebben eerder gezien dat objectieve klassenbelangen gearticuleerd kunnen worden in meer of minder abstracte utopieën en handelingsmodellen. Objectieve mogelijkheden en belangen fungeren als maatstaf voor de duiding van handelingen en voorstellingen, maar vervullen tegelijk de functie van leermotief [Heubrock 1989:574; Negt 1975:95; Bader 1991:146 e.v.].
4. Schematische samenvatting van basisbegrippen
|
|---|
In de voorgaande hoofdstukken zijn een groot aantal basistermen van het klassenanalytische begripsrepertoire aan de orde gekomen. In het onderstaande diagram zijn de belangrijkste basisbegrippen schematisch geordend.
| Het diagram kan het beste van boven naar beneden gelezen worden. Dat is alleen lastig voor wie de metafoor van onder(bouw) en boven(bouw) iets te letterlijk hebben opgevat. |
Het structureringsmodel is dus niet volledig, maar het verduidelijkt wel de meest cruciale relaties tussen een aantal basisbegrippen van een transformatiloneel klassentheoretisch programma, waarvoor hier de bouwstenen zijn aangedragen.
Figuur 15_1: Niveaus van structurering van klassenhandelen
|
In dit schema herkent men gemakkelijk de vijf niveaus van handelingsstructurering die in het voorafgaande zijn uiteengezet: objectieve klasseposities, sociale klassen, habitus en levensstijlen, handelingsoriëntaties en klassenbewustzijn, en de specifieke voorwaarden van klassenhandelen. We hebben gezien dat elk niveau van handelingsstructurering zelf weer een tamelijk complexe figuratie is van uiteenlopende mechanismen en factoren.
In het linker gedeelte van het schema zijn de belangrijkste processen en mechanismen opgenomen die voor de constitutie van de niveaus van handelingsstructurering bepalend zijn (exploitatie, stabilisatie van uitbuitingsposities, allocatie van individuen op klasseposities, socialisatie van habitus, definitie van de klassesituatie en organisatie). In het rechter gedeelte van het schema zijn de belangrijkste resultaten opgenomen die op elk niveau van handelingsstructurering worden geproduceerd.
We hebben echter ook gezien dat de structurering van klassenhandelen zich op meerdere aggregatieniveaus tegelijkertijd voltrekt. De afzonderlijke niveaus van handelingsstructurering zijn dus in werkelijkheid binnen verschillende (maatschappelijke, organisationele en interactionele) handelingscontexten geïntegreerd.
Hiervan uitgaande zou het analytische perspectief van de niveaus van structurering van klassenhandelen dus gecombineerd moeten worden met het analytische perspectief van de niveaus van handelingsintegratie. Als men deze beide perspectieven op elkaar betrekt, krijgt men zicht op de analytische assen waarlangs de feitelijke complexiteit van de structurering van klassenhandelen kan worden ontrafeld. Enerzijds zou voor elk niveau van handelingsstructurering afzonderlijk moeten worden vastgesteld hoe de daarin werkzame mechanismen op maatschappelijk, organisationeel en interactioneel niveau zijn geïntegreerd, en wat het verschil en de onderlinge samenhang is tussen de resultaten en effecten binnen deze handelingscontexten.
Vanuit dit perspectief komen vragen naar voren zoals: wat is het verschil en het onderlinge verband tussen exploitatieprocessen die zich synchroon voltrekken in de handelingscontext van maatschappelijke arbeidsverhoudingen, van arbeidsorganisaties en van de persoonlijke interacties binnen arbeidsorganisaties en wat zijn hiervan op elk integratieniveau de specifieke en mogelijk tegenstrijdige resultaten?
Vanuit hetzelfde perspectief kan men ook vragen opwerpen over de samenhang tussen bepaalde aspecten van klassenbewustzijn, zoals: wat is het verschil en het onderlinge verband tussen klassesolidariteit (solidariteit tussen individuen als leden van een sociale klasse), organisatiesolidariteit (solidariteit tussen klassegenoten als lid van een specifieke arbeidsorganisaties) en groepssolidariteit (solidariteit tussen klassegenoten binnen een onderneming als lid van een specifiek arbeidscollectief) en in welke mate versterken deze solidariteitsvormen elkaar of zwakken zij elkaar af?
Anderzijds kan op elk niveau van handelingsintegratie afzonderlijk worden nagegaan hoe zich daarin de verschillende niveaus van handelingsstructurering tot elkaar verhouden. Vanuit dit perspectief kunnen vragen ontstaan zoals: welke relatie bestaat er op interactioneel niveau tussen vormen van directe persoonlijke exploitatie, persoonlijke selecties en uitsluitingen bij de allocatie op klasseposities, klassenspecifieke netwerken van persoonlijke relaties, groepsspecifieke levensstijlen, groepsidentiteit en interactionele voorwaarden van collectieve actie? Het moge duidelijk zijn dat er juist uit de gecombineerde inzet van beide analytische perspectieven zeer veel vragen voor empirisch-historisch onderzoek gesteld kunnen worden, en zeker veel meer dan hier ook maar bij benadering behandeld kunnen worden.
![]() |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]() dr. Albert Benschop Sociale en Gedragswetenschappen Sociologie & Antropologie Universiteit van Amsterdam Gepubliceerd: Januari 1993 Laatst gewijzigd: 04 November, 2011 |