Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 3 Structurering van klassenhandelen: van klassenposities naar politieke actoren

XV. Sociale klassen en politiek klassenhandelen

  1. Stelling en afbakening
  2. Niveaus van politiek klassenhandelen
  3. Tussen droom en daad
  4. Samenvatting van basisbegrippen

Figuur 15_1: Niveaus van structurering van klassenhandelen

Literatuur

© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

1. Stelling en afbakening

Politiek klassenhandelen is handelen van een sociale klasse die niet alleen een eigen klassenspecifieke habitus en levensstijl heeft ontwikkeld, maar ook een collectieve identiteit, een collectief bewustzijn en bovendien in staat is haar belangen en aspiraties te articuleren en haar leden hiervoor te mobiliseren. Politiek klassenhandelen en sociale klassenbewegingen kunnen ontstaan op basis van sociale klassen, maar dat is niet noodzakelijk en altijd het geval.

Deze stelling impliceert ten eerste een afbakening ten opzichte van ‘politicistische’ benaderingen die de structurering van klassenhandelen reduceren tot processen van articulatie van ontevredenheid en/of organisatie en mobilisatie van klasseleden. In deze benaderingen wordt geen of onvoldoende aandacht besteed aan het feit dat klassenhandelen zowel wordt (voor)gestructureerd door objectieve klasseposities en daarin verankerde belangentegenstellingen, als door netwerken van klassenspecifieke sociale relaties, door klassenspecifieke habitus, levensstijlen en culturen, en door klassenspecifiek gekleurde bewustzijnsvormen en handelingsoriëntaties. Voorbeelden hiervan zijn de Przeworski en Beck.

Klassenformatie van onder en boven
Volgens Ulrich Beck komen processen van klassenformatie in steeds sterkere mate tot stand door organisatorische belangendefinitie en -articulatie: in plaats van de ‘geleefde’ gemeenschappelijkheden in gezin en buurt zouden er steeds meer processen van organisatorische en vakbondsmatige belangendefinitie en articulatie optreden. Het gesprek aan het tuinhekje als medium van het scheppen en bekrachtigen van gemeenschappelijkheden zou steeds meer vervangen worden door geplande opleidingen en politieke scholingen, die op hun beurt CAO-onderhandelingen, wetenschappelijk onderzoek enzovoort veronderstellen. Het ontstaan van gemeenschappelijkheden verschuift van ‘onder’ naar ‘boven’ [Beck 1983:63].

Beck operereert met een nogal simpel historisch contrastmodel. In de negentiende eeuw zouden klassen-identiteiten en -gemeenschappen louter ‘van onder’ (vanuit de directe werk- en levensomstandigheden) tot stand komen. Voorzover er in de 19e en begin 20e eeuw sprake was van klassenidentiteit of -bewustzijn, was dit natuurlijk ook mede het product van organisaties en publicaties van de socialistische arbeidersbeweging. Dat klassenbewustzijn ‘tot stand gebracht’ en mede geproduceerd wordt door processen van organisatie en belangenarticulatie, is dus niet zo nieuw. Het bewustzijn van de gemeenschappelijke klassensituatie, de manifeste belangen, het collectieve handelingsvermogen van klassen of andere sociale groepen echter nooit alléén het product van massamedia of organisaties. Organisatie en media knopen — willen zij effectief zijn — altijd aan bij gemeenschappelijke ervaringen en belangen van de betrokkenen [Kocka 1983:96; Neal 1983:290].

Beck komt mijns inziens veel te dicht in de buurt van het dualistisch historisch denken waarin een communautaire en solidaire abreidersklasse die haar politieke kracht direct ontleende aan een tranparant 19e eeuwse klassenantagonisme gesteld wordt tegenover de geatomiseerde en consumentistisch georiënteerde moderne werknemer die volledig door de burgerlijke cultuurindustrie wordt bepaald. Met sociologisch of historisch onderzoek heeft dit weinig of niets te maken.

In de tweede plaats bevat deze stelling een afbakening ten opzichte van ‘spontanistische’ benaderingen waarin wordt verondersteld dat een (meer of minder ontwikkeld) klassenbewustzijn automatisch leidt tot klassenhandelen. Kenmerkend voor deze benaderingen is de onderschatting van de betekenis van processen van articulatie, organisatie en mobilisatie voor het ontstaan van politiek klassenhandelen en klassenbewegingen.

In de derde plaats impliceert deze stelling een afbakening ten opzichte van alle ‘actionistische’ benaderingen waarin klassen zonder meer als politieke actoren worden behandeld. In deze benaderingen worden aan klassen eigenschappen toegeschreven die alleen aan personen toekomen: klassen worden toegerust met wilsvermogen, intenties, handelingsvermogen en met morele eigenschappen. Klassen worden dus opgevat als een subject in grootformaat, als een super-subject. Sociale klassen hebben echter als zodanig geen wil of handelingsvermogen.

Het idee dat klassen evenals individuen over een eigen wil en handelingsvermogen beschikken en dus als klassen kunnen handelen is een metafoor die ontstaat door een verwisseling van het taal- en analyseniveau van de klassenstructuur en het taal- en analyseniveau van de organisatie van collectief handelen.

Misleidende metafoor
In zijn kritiek op Anderson en Nairn heeft Edward Thompson laten zien waar de schoen wringt. Hij levert scherpe kritiek op benaderingen waarin klassen worden behandeld als met wils- en handelingsvermogen begiftigde supersubjecten. Het gebruik van een dergelijke metafoor is bijna altijd misleidend en fungeert vaak als dekmantel om de feitelijke geschiedenis niet te bestuderen. Een bewust gebruik van deze metafoor kan echter soms ook dienen om bepaalde inzichten in historische ontwikkelingslijnen bondig te formuleren.
    “Class is clothed throughout in anthropomorphic imagery. Classes have the attributes of personal identity, with volition, conscious goals, and moral qualities. Even when overt conflict is quiescent we are to suppose a class with an unbroken ideal identity, which is slumbering or has instincts and the rest. This is in part a matter of metaphor; and — as we see in the hands of Marx — it sometimes offers a superbly swift comprehension of some historical pattern. But one must never forget that it remains a metaphorical description of a more complex process, which happens without volition or identity. If the metaphor, in the hands of Marx, sometimes misleads, in the hands of Anderson and Nairn it becomes a substitute for history” [Thompson 1978:69-70].

In zijn repliek op deze kritiek treft Anderson natuurlijk wel doel met zijn opmerking dat deze redenering van A tot Z indruist tegen de hele opzet van The Making of the English Working Class: “Want als het al misleidend is klassen een ‘wil en identiteit’ toe te schrijven, hoe kunnen we dan spreken van een arbeidersklasse ‘als een klasse die zichzelf maakt’?” [Anderson 1980/3:441]. Zie eerder hoofdstuk XIII, § 4·4 - Edward Thompson: geniale model-culturalist?


Gescheiden verantwoordelijkheden en twee gehalveerde logica’s
Reinhard Kreckel laat zien hoe de metafoor van de ‘handelende klasse’ politiek misbruikt kan worden voor repressieve praktijken.
    “Bestimmte Individuen oder organisierte Kollektive pflegen aber den Anspruch zu erheben, in ihrem Namen zu handeln. Dieser Anspruch ist besonders dann erfolgsversprechend, wenn die gewählten oder selbsternannten Repräsentanten einer Klasse sich zu ihrer Rechtfertigung auf eine klassenrealistische Alltagstheorie berufen kännen, wenn sie also ihr Tun auf den Glauben an die ‘reale’ Existenz von Klassen und Klasseninteressen stützen und sich selbst als deren legitime Vertreter darstellen kännen. Das unrühmlichste Beispiel in dieser Hinsicht ist wohl die NSDAP gewesen, die ‘Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei’, die sich ja unter anderem auch als Repräsentantin von ‘socialistischen Arbeiterinteressen’ ausgegeben hat” [Kreckel 1990:58].

    Bourdieu [1989:213-45] maakt een soortgelijke analyse van het mechanisme van de politieke vertegenwoordiging.

Ook Kreckel maakt een onderscheid tussen het analyseniveau van de klassenstructuur en dat van de organisatie van collectief handelen. Hij benadrukt dat het niet mogelijk is om uit een analyse van de objectieve klasseposities direct conclusies te trekken ten aanzien van de interne opbouw, de beslissingsprocedures, doelstellingen en strategieën van de ‘Personenverbände’ die als klassenorganisatie optreden.

Maar Kreckel is niet in staat om de samenhang tussen deze analyseniveaus aan te geven. In plaats daarvan presenteert hij het inmiddels bekende model van de gescheiden verantwoordelijkheden: de klassenstructuur moet ‘structuurtheoretisch’ worden benaderd, terwijl de organisatie van collectief handelen alleen met ‘handelingstheoretische’ concepten ontsleuteld kan worden [Kreckel 1990:59].

Kortom: (klassen)structuur en (klassen)handelen worden weer uiterlijk aan elkaar gekoppeld. Zo wordt schijnbaar tegemoet gekomen aan de principiële bezwaren tegen structuralistische en actionistische benaderingen: er wordt zowel gebruik gemaakt van de ‘logica van structurele posities’ als van de ‘logica van collectief handelen’. Door de optelling van deze twee gehalveerde logica’s, krijgt men echter nog geen inzicht in de logica en niveaus van handelingsstructurering.

Index2. Niveaus van politieke klassenhandelen

Voor het ontstaan van politiek klassenhandelen (‘klassenstrijd’) en sociale bewegingen op klassebasis (‘klassenbewegingen’) is het niet voldoende dat sociale klassen een zekere mate aan sociale of demografische cohesie vertonen en dat zij een sociaal-culturele identiteit ontwikkeld hebben die zich manifesteert in een klassenspecifieke habitus, eigen levensstijlen en culturen, en in een zekere mate van klassenbewustzijn.

  1. Articulatie van onvrede, en klassenideologie en -utopie
    Klassenactoren en klassenbewegingen ontstaan pas wanneer leden van een sociale klasse hun onvrede met hun bestaande positie te articuleren in alternatieve maatschappijbeelden, situatieduidingen en programmatische alternatieven. Zij moeten hun specifieke klassenbelangen formuleren, aangeven wat de oorzaken van hun klachten zijn en welke structuren of processen hun ontevredenheid opwekt, de thema’s benoemen waarvoor zij actief willen optreden, definiëren wat hun tegenstanders en hun mogelijke bondgenoten zijn, en zij moeten zichzelf en anderen helderheid verschaffen over de doelen, strategieën en tactieken van de acties die zij willen ondernemen.

    Klassenactoren en klassenbewegingen articuleren hun onvrede (of juist hun tevredenheid) met de bestaande klassenverhoudingen in specifieke — meer of minder discursieve, complexe, abstracte, eenduidige en consistente — politieke talen.

      In aansluiting bij Berger/Luckman [1967] en Bader [1991:169-82] onderscheiden we vier niveaus van politieke talen: (1) voortheoretische alledaagse talen, (2) rudimentaire alledaagse theorieën, (3) veldspecifieke talen en theorieën en (4) symbolische universa. Deze politieke talen worden nader uitgewerkt in hoofdstuk XVI, § 4·3·2 en § 5·3.

    Een klassenideologie is een geobjectiveerde politieke taal waarin de bestaande klassentegenstellingen worden gelegitimeerd (onzichtbaar gemaakt, genaturaliseerd, geharmoniseerd en als normatief gewenst of acceptabel voorgesteld) en draagt hierdoor bij aan de stabilisatie of verscherping van de bestaande klassenongelijkheden.

    Een klassenutopie is een geobjectiveerde politieke taal waarin de bestaande klassentegenstellingen worden gedelegitimeerd (zichtbaar gemaakt, gedenaturaliseerd en als normatief ongewenst en overwinbaar voorgesteld) en draagt hierdoor bij aan de verkleining of overwinning van de bestaande klassenongelijkheden [Bader 1991:189-92 in aansluiting bij Mannheim 1930:52,173].

    Zowel klassenideologieën (bijvoobeeld burgerlijke ideologieën) als klassenutopieën (bijvoorbeeld de socialistische utopieën) dringen door in álle niveaus van de politieke talen. Zij zijn ingebouwd in de alledaagse of omgangstaal, in het vocabulaire en de grammatica, in de ‘common sense’ (spreekwoorden, gezegdes, grappen enzovoort), in rudimentaire alledaagse theorieën (ingebakken in legendes, sagen, verhalen en sprookjes), in veldspecifieke talen en theorieën (zoals in ‘economische’ theorieën, maar ook in diverse strategische kundigheden en kunsten) en in symbolische universa (zoals in mythologieën, theologieën, filosofieën, cosmologieën en wetenschappen).

      “Alternatieve omgangstalen, ironische of cynische distantiëringen van de dominante betekenis van woorden en wijsheden, politieke grappen en dergelijke zijn niet minder belangrijk dan alternatieve interpretaties van de bestaande symbolische universa, of (re)constructie van alternatieve politieke utopieën” [Bader 1991:190].

    Daarom vindt cognitieve en normatieve bevrijding van klassenideologieën niet slechts op één van deze niveaus van politieke talen plaats en wordt deze bevrijding ook niet eenduidig ‘van onderaf’ (op het niveau van de alledaagse taal) of juist ‘van bovenaf’ (op het niveau van gesystematiseerde, discursieve wereld- en maatschappijbeelden) in gang gezet.

    Occupy: geen eisen, geen programma, geen organisatie, geen leiders, wel klachten
    De Occupy Wall Street-beweging die medio 2011 in de Verenigde Staten ontstond en die al snel miljoenen mensen in beweging bracht over de hele wereld, is een volkse reactie op de bankencrisis en de kapitalistische graaicultuur. Verzet bieden tegen het graaikapitalisme en de bankiers ter verantwoording roepen, dat lijkt de enige samenbindende factor. Daarnaast uiten de deelnemers een hele waslijst aan andere maatschappelijke klachten. De beweging articuleerde geen alternatief, laat staan een alternatief maatschappijbeeld. Bovendien worden al deze klachten en eisen niet in hoogstaande politieke talen naar voren gebracht, maar in alledaagse talen en rudimentaire alledaagse theorieën.

    De Occupy-beweging is een beweging in de meest letterlijke zin van het woord. Het is een netwerk van bewegingsassociaties zonder vaste structuurpatronen, zonder woordvoerders, zonder leiders, zonder formele organisatie, zonder duidelijk omschreven gemeenschappelijke doelen en zonder agenda waarin prioriteiten worden gesteld.

    Toch slaagde de Occupy-beweging er in om miljoenen mensen over de hele wereld op de been te brengen. Haar mobilisatiekracht is verankerd in nieuwe vormen van virtuele sociale georganiseerdheid: zij ontstaat niet zoals de arbeidersbeweging ‘ondergronds’ vanuit de achterkamers van lokale café’s, maar ‘in de wolken’ van de sociale media. Wat we op de straten voor de bankgebouwen te zien krijgen is slechts het aardse gezicht van een sociale wolkbeweging (cloud movement) die vanuit ons lokale perspectief grotendeels onzichtbaar is.

    De kracht van deze wolkbeweging is dat zij hierdoor ook moeilijk valt te bestrijden of te manipuleren. Er zijn geen woordvoerders waarmee men kan overleggen. Er zijn geen leiders waarmee men kan onderhandelen en compromissen sluiten. Er zijn geen organisatiekantoren die men kan sluiten of waarvan men administraties in beslag kan nemen.

    De zichzelf virtueel organiserende Occupy-beweging bestaat uit duizenden kleinere en grotere online clubjes en netwerken die open staan voor iedereen die mee wil doen. Daarin wordt algemene onvrede over het graaikapitalisme moeiteloos verbonden met kleine en grote klachten over en agenda’s voor de meest uiteenlopende maatschappelijke problemen. De sociale achtergrond van de deelnemers is even divers als hun persoonlijke, politieke, levensbeschouwelijke of religieuze oriëntaties. De wolkbeweging is een containerprotest tegen alles wat de deelnemers als onrechtvaardig, ondemocratisch of niet-humaan beschouwen.

    De wolkbeweging is een protest tegen sociale en economische ongelijkheid, tegen gegraai van ondernemers en vooral van geldkapitalisten (financiers, speculanten, beurshandelaren en casinokapitalisten). Het is een volksbeweging van de 99% tegen de top 1% rijksten: “We are the 99%”.

    Het enige dat deze nieuwe wolkbeweging lijkt samen te binden is het inzicht dat de banken/bankiers de crisis hebben veroorzaakt en dat zij daar rekenschap voor dienen af te leggen — ‘laat de graaiers de rekening betalen’. De monetaire crisis wordt —zoals gebruikelijk— afgewenteld op mensen die daar níet verantwoordelijk voor zijn. En de mensen die verantwoordelijk zijn voor de recessie komen weg met massieve bonussen. Tegen deze onrechtvaardigheid komen de deelnemers aan de wolkbeweging in opstand. Daarom laten zij hun protesten niet horen voor de poorten van politieke instellingen, maar voor de goudbeslagen deuren van de bank- en beursinstellingen. In bewoordingen die op occupywallst.org (OWS) gebruikt worden:

    • “#OWS is fighting back against the corrosive power major banks and unaccountable multinational corporations wield against democracy, and the role of Wall Street in creating the economic collapse that has caused the greatest recession in nearly a century.”
    • ”#OWS is conversation, organization, and action focused on ending the tyranny of the 1%.” - “We are our demands.”
    • “#OWS has no space for racism, sexism, transphobia, anti-immigrant hatred, xenophobia, and hatred in general.”

    Academici die sociale bewegingen bestuderen hebben moeite om grip te krijgen op de eigenaardigheden van deze mondiale wolkbeweging. Hetzelfde geldt voor journalisten die de beweging ‘een gezicht’ en steevast op zoek gaan naar woordvoerders: Bring me to your leader.

    De bestaande theorieën van collectief handelen en sociale bewegingen ondergaan een nieuwe vuurproef. Zij zullen steeds meer beoordeeld worden op hun vermogen om de eigenaardigheden en kenmerkende processen van virtuele protesten en verzetsbewegingen tot begrip te brengen.

    “I am occupying Wall Street because it is my future, my generations’ future, that is at stake. Inspired by the peaceful occupation of Tahrir Square in Cairo, tonight we are are coming together in Times Square to show the world that the power of the people is an unstoppable force of global change. Today, we are fighting back against the dictators of our country - the Wall Street banks - and we are winning” [Linnea Palmer Paton, 23 jaar, student New York University].

  2. Klassenorganisatie
    Door hun feitelijke positie in het maatschappelijke arbeids- en reproductieproces zijn klassen altijd al in meer of minder sterke mate sociaal georganiseerd. De netwerken van klassenspecifieke sociale relaties zijn een belangrijk uitgangspunt en grondslag voor politiek klassenhandelen.

    Politiek klassenhandelen komt tot stand wanner de leden van een klasse hun sociale georganiseerdheid transformeren in enigerlei vorm van klassenorganisatie. Zij moeten in staat en bereid zijn een deel van het bronnenpotentieel waarover zij beschikken in te zetten voor opbouw en uitbouw van hun klassenassociaties (zoals cultuur-, sport-, ontspannings- of consumptieverenigingen) of politieke conflictorganisaties (zoals actiegroepen, vakbonden en partijen), maar dat zij uit eigen kring of daarbuiten ook leiders moeten recruteren die in staat zijn de activiteiten van zo’n organisatie te coärdineren en te plannen.

    Klassenorganisaties zijn alle formele organisaties die programmatisch en/of praktisch zijn betrokken op de doelen van een klassenspecifieke sociale beweging. Er zijn twee type klasseorganisaties: bewegingsassociaties en conflictorganisaties [Bader 1991:219].

    • Bewegingsassociaties zijn alle formele klassenorganisaties met of zonder bestuurlijke staf, die hun leden overwegend rekruteren uit sociaal-structureel gedefinieerde klassen, of zij zijn programmatisch betrokken op de doelstellingen van klassenbewegingen zonder gespecialiseerd te zijn in strategische conflictleiding. De geschiedenis van de arbeidersbeweging laat zien welke enorme betekenis arbeidersassociaties spelen.
        “Het gehele alledaagse leven van arbeiders was van de wieg tot het graf ingebed in een netwerk van vrijwillige, vaak concurrerende (evangelische, katholieke, sociaal-democratische, communistische enzovoort) verenigingen, instellingen, clubs, bonden: verenigingen van verschillende beroepsgroepen, ondersteunings- en ziektekassen, consumptieverenigingen, woningbouwverenigingen, zang-, vormings-, theater-, sport- en trekkersverenigingen, vrijdenkersbond, natuurvrienden, begrafenisverenigingen enzovoort” [Bader 1991: 226]. De betekenis van klassenspecifieke associaties voor het ontstaan en de ontwikkeling van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940 werd nauwkeurig geanalyseerd door Ger Harmsen [1961]. De betekenis van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling (1924-1940) en van het vormings- en scholingswerk van de Nederlandse sociaal-democratie werd onderzocht door Henk Michielse [1980].

    • Conflictorganisaties zijn alle formele organisaties die programmatisch en/of feitelijk betrokken zijn op de doelen van een klassenbeweging met een bestuurlijke staf, waarvan de leden overwegend gerekruteerd worden uit een of meerdere sociaal-structureel gedefinieerde klassen en gespecialiseerd zijn in strategische conflicthantering (dat wil zeggen in ‘verovering van klassemacht’). Omdat het in dit verband om klassenspecifieke conflictorganisaties gaat die gespecialiseerd zijn in de strategische hantering van klasseconflicten zou men deze organisaties ook ‘klassestrijdorganisaties’ kunnen noemen.

    Klassenorganisatie zou dus nadrukkelijk niet beperkt moeten worden tot (specifieke typen van) conflictorganisaties zoals politieke partijen of vakbonden.

      Zie voor rol en betekenis van de vakorganisaties in Nederland: Harmsen [1975], Harmsen [1982: 91-194], Van Dongen e.a. [1976], Windmuller/De Galan [1977]. Zie voor verzuiling van de Nederlandse arbeidersbeweging: Stuurman [1983:150 e.v.]. Zie voor de communistische partij: Harmsen [1982].

  3. Mobilisatie
    Uit sociale klassen kunnen pas sociale klassenbewegingen ontstaan wanneer zij ‘in beweging’ worden gebracht. Klassen zijn slechts potentiële collectieve actoren, zij moeten worden gemobiliseerd willen hieruit feitelijke politieke conflictgroepen of actoren ontstaan. De relatieve kracht en betekenis van deze actoren is enerzijds afhankelijk van het bronnenpotentieel dat een sociale klasse, respectievelijk haar organisatie kan mobiliseren (zoals de materiële bronnen en het geld waarover haar leden beschikken, de kwalificatie, informatie en motivatie van haar leden, maar bijvoorbeeld ook de beschikbare vrije tijd van haar leden en het prestige van organisatieleiders), anderzijds van de kwaliteit van de gehanteerde mobilisatiestrategieën.

  4. Externe handelingskansen
    Sociale klassenbewegingen en -acties worden tenslotte pas daadwerkelijk een duurzaam en relevant verschijnsel wanneer de georganiseerde leden van een klasse in staat zijn gebruik te maken van de externe handelingskansen die zich voordoen en — ondanks de tegenmobilisatie door tegenstanders — voldoende handelingsruimte weten te bevechten om te kunnen blijven ageren.

  5. Strategische interacties en dynamiek van klassenconflicten
    Bovendien moeten zij zich in de strategische interacties met tegenstanders en in de dynamiek van klasseconflicten telkens opnieuw bewijzen. Zij moeten zich dus niet laten imponeren door feitelijke of symbolische bedreigingen door tegenstanders, zij moeten waakzaam zijn voor een zodanige escalatie van conflicten dat slechts zelfvernietiging in het verschiet ligt, en zij moeten hun inschatting van de krachtsverhoudingen zoveel mogelijk vrijwaren van zowel overdreven en rigide — en zich in escalerende conflicten soms fataal versterkende — vijandbeelden als van irrealistische toekomstverwachtingen. Zie Bader [1991:296-363] voor een pro-theoretische typering van deze laatste factoren.

Hiermee is in grote lijnen de lange en moeizame weg van ‘klasse an sich’ naar ‘klasse für sich’ geschetst. Ik heb al eerder opgemerkt dat deze formule meer bedekt dan ze uitdrukt. Het is veeleer een verlegenheidsformule waarachter een ingewikkeld samenspel tussen een aantal niet als zodanig gedefinieerde en gedifferentieerde structureringsniveaus van klassenhandelen schuilt.

In de voorafgaande hoofdstukken zijn deze structureringsniveaus in meer of minder uitvoerige mate behandeld: de constitutie en reproductie van uitbuitings- en klasseposities, van sociale klassen, van klassenspecifieke habitus en levensstijlen, van klassenspecifieke handelingsoriëntaties en bewustzijnsvormen tot aan het alledaagse en politieke klassenhandelen. De metafoor van de ‘klasse an sich’ naar de ‘klasse für sich’ is hiervoor in het meest gunstige geval een korte en pregnante samenvatting. Deze metafoor heeft echter in het verleden ook de functie gehad de complexe samenhang tussen de structureringsniveaus van klassenhandelen níet te analyseren.

Zoals ik reeds eerder opmerkte, heeft deze standaardformule uit de marxistische traditie bovendien het grote nadeel dat sociale klassen uiteindelijk toch weer als politieke krachten, dat wil zeggen als handelingsbekwame super-subjecten ten tonele worden gevoerd.

Als klassen geen politieke actoren zijn dan moet men ook vermijden zinnen te schrijven waarin de arbeidersklasse, de kleinburgerij of de bourgeoisie optreden als handelingsbekwame subjecten die waarnemen, zoeken, strijden, denken, eisen en dergelijke [Reddy 1992:24].
Klassen zijn echter als zodanig geen politieke actoren: klasseposities en de sociale klassen die zich op basis daarvan kunnen formeren, zijn een grondslag (precieser: een van de grondslagen) waarop politieke krachten kunnen ontstaan. Deze politieke krachten (de klassenbewegingen en hun associaties en organisaties) kunnen niet tot deze grondslagen worden herleid.

Om deze niet-reductionistische gedachte kracht bij te zetten zou men bijna de stelling van Roberto Unger onderschrijven:

Hoezeer sociale klassen ook de articulatiebases van ‘parties of opinion’ worden, zij zullen hierdoor echter nooit vervangen worden — tenzij deze partijen erin slagen de bases waaraan zij hun ontstaan te danken hebben zodanig te veranderen dat men niet meer van een klassenmaatschappij kan spreken .

Index3. Tussen droom en daad

Ik heb er al eerder op gewezen dat men zich vooral in de marxistisch geïnspireerde socialistische traditie lange tijd sterk negatief heeft afgeschermd van het utopische denken. Marx’ scherpe kritiek op ‘utopisch socialistische’ politici en intellectuelen die zich inspannen om een afbeelding van de toekomstige socialistische orde te schetsen, heeft hierop een grote invloed gehad.

Het socialisme moest tot ‘wetenschap’ worden verheven en daarom zou het overbodig en zelfs gevaarlijk zijn om ‘recepten voor de gaarkeukens van de toekomst’ te bedenken. Karl Kautsky, de ongezalfde paus van de Tweede Socialistische Internationale, heeft deze gedachte min of meer gecodificeerd. De socialistische partij was volgens hem alleen maar in staat op basis van feitelijke gegevens voorstellen te doen voor de verandering van de bestaande maatschappij; alle op vooronderstellingen gebaseerde suggesties over de contouren van een toekomstige maatschappij waren volgens hem zinloos, het waren slechts fantasieën of dromen.

Het is nauwelijks overdreven te stellen dat marxisten er zelfs trots op waren dat ze niet nadachten over de toekomst [Hobsbawm 1991:22]. De utopie van een andere toekomst bleef echter een integrerend (en intrigerend) onderdeel van het socialisme. Deze aardse heilsleer vervulde echter een nogal dubbelzinnige rol. Naarmate de socialistische beweging zich verder institutionaliseerde en tot op zekere hoogte in de burgerlijke maatschappij en staat werd geïntegreerd, verwaterde deze utopie, maar groeide haar expressieve gewicht.

Utopieën in veelvoud
Deze dubbelzinnige werking van de utopie in de socialistische beweging werd onder andere geanalyseerd door Bart Tromp. Hij concentreert zich op de samenhang tussen de politiek inhoudelijke uitholling van de socialistische utopie en haar toenemende expressieve functie. “Naarmate de kloof tussen praktijk en retoriek toeneemt, groeit de expressieve functie van de utopie” [Tromp, Volkskrant, 30.12. 1989].

In aansluiting op Kalma [1972] benadrukt hij dat het socialisme als de utopie van een totaal andere maatschappij geen enkele politieke inhoud heeft: het zou alleen maar dienen om het zicht op de werkelijke prestaties van de sociaal-democratische bewegingen te verdoezelen. In zijn visie heeft het democratisch socialisme zich van deze dubbelzinnigheid kunnen bevrijden door de utopie in te ruilen voor het ideaal.

    “De utopie is een maatschappelijke orde die zo ver van de bestaande af staat, dat het noch zeker is of die kan bestaan, noch duidelijk hoe ernaar te streven vanuit het bestaande. Het ideaal is daarentegen een regulerend principe, dat richting en bezieling geeft aan het dagelijks handelen.”
De benadering van Tromp is gebaseerd op een nogal kunstmatig onderscheid tussen utopie en ideaal als twee mogelijke inspiratiebronnen van politiek. Utopieën zijn er immers altijd al in verschillende vormen en maten geweest: van zeer abstracte, als geloofsartikelen gepresenteerde opvattingen over een alternatieve maatschappij tot zeer concrete, als handelingsoriëntaties geformuleerde opvattingen over de relatie tussen hervorming en structurele maatschappijverandering.

Het probleem is dus niet zozeer dat utopie en ideaal door elkaar heen worden gebruikt, maar dat er verschillende typen van utopieën/idealen met elkaar worden vermengd en tegen elkaar uitgespeeld.

  1. Utopieën en idealen verschillen enerzijds in hun normatieve inhoud. Uitbuitings- en klassenrelaties kunnen bijvoorbeeld egalitair, meritocratisch, libertair, communautair of democratisch worden ge(de)legitimeerd. Bovendien kunnen zij meer omvangrijk dan wel beperkt zijn. Zij lopen uiteen van integrale utopieën/idealen waarin ‘bevrijding van elke vorm van uitbuiting, onderdrukking en discriminatie’ wordt voorgesteld tot aan reducerende utopieën/idealen waarin de ultiem denkbare toekomst wordt voorgesteld als een maatschappij waarin niemand meer het recht heeft een ander uit te buiten, inclusief de hoop dat daarmee andere extractieve machtsverhoudingen vanzelf wel zullen verdwijnen.

  2. Utopieën en idealen verschillen anderzijds naar mate van precisie en met name in institutionele concretisering. Zij lopen uiteen van uiterst dunne, slechts abstract normatief geformuleerde utopieën tot aan zeer nauwkeurig uitgewerkte, economisch en strategisch becalculeerde en institutioneel gepreciseerde alternatieven.

Vandaag de dag wordt van verschillende kanten gepleit voor een verdergaande utopie-abstinentie. De verschrompeling van de negentiende eeuwse utopieën wordt niet als een betreurenswaardig feit gezien, maar als een min of meer noodzakelijke consequentie van een algehele ‘ontideologisering’ in de postmoderne tijd.

Het postmoderne individu zou zodanig zijn gefragmenteerd dat het zich überhaupt niet meer in Grote Verhalen kan herkennen en zich niet meer door Fantastische Utopieën laat inspireren. Deze trendy opvatting van ‘het einde van de grote verhalen’ zou men ook wat nuchterder en genuanceerder kunnen formuleren.

De individualisering van de levensverhoudingen in de burgerlijke maatschappij leidt tot ‘interne pluralisering’ van de subjecten. Zij zijn meer gedecentreerde, gedetotaliseerde actoren geworden met meervoudige positionaliteiten (die steeds moeilijker zijn te herleiden tot die ene Allesverklarende Positionaliteit) en partiële identiteiten (die zich steeds slechter laten integreren in die ene Allesomvattende Identiteit). Door de ‘interne democratisering’ van de subjecten weigeren zij om de oorzaken van maatschappelijke problemen tot één Achterliggende Oorzaak of één Overkoepelend Probleem te herleiden.

Het ‘failliet van alle Grote Verhalen’ wordt veroorzaakt door de toenemende weerstand tegen gesloten (hiërarchisch gecentreerde) en totaliserende (reducerende) wereldbeelden en toekomstvisies. Het afscheid van inmiddels toch al verschrompelde negentiende eeuwse ‘totale’ of ‘integrale’ utopieën is aan het begin van de eenentwintigste eeuw zeker geen betreurenswaardig feit. Het heeft niet alleen ruimte geschapen voor ‘liberalen zonder burgerlijkheid’, ‘socialisten zonder benepen parlementarisme’ en ‘religieuzen zonder god’, maar ook voor ‘communisten zonder heilsstaat’, ‘pacifisten zonder vijand’ en voor ‘democraten zonder respect voor kapitalistische eigendomsverhoudingen’. Deze vormen van ontideologisering betekenen echter nog niet het einde van alle utopieën.

Sociale emancipatiebewegingen kunnen zich niet ongestraft distantiëren van elke vorm van utopie. De volgende vier problemen spelen daarbij een rol.

  1. De ruimte die geschapen wordt door een rigoreuze utopie-abstinentie wordt meestal opgevuld door verouderde of niet getransformeerde restanten uit de negentiende eeuwse utopische traditie. Daarbij moet men niet alleen denken aan de bekende thema’s van de ‘afschaffing van de arbeidsdeling’ en ‘vervanging van de regering over mensen door het beheren van zaken’, maar ook aan de verabsolutering van de principes van ‘directe democratie’ (tegenover louter representatieve democratie) en van ‘sociale democratie’ (tegenover louter politieke democratie), en — last but not least — aan het verabsoluteren van ‘egalitaire principes’ (tegenover libertaire principes). Niet-getransformeerde utopische denkbeelden over een toekomstige ‘ideale’ samenleving worden vaak — onbewust — beheerst door twee basisthema’s.

    Het eerste thema is eenvoud en transparantie: de aanname dat de complexiteit en mate van functionele differentiatie van zo’n samenleving veel geringer is of dient te zijn dan die van het kapitalistische heden, en dat zij alleen al daarom doorzichtig en relatief makkelijk bestuurbaar is of zou moeten zijn.

    Het tweede thema is harmonie: de aanname dat door het verdwijnen van klasse-exploitatie, politieke onderdrukking, ascriptieve discriminatie en sociale (uit)sluitingen er geen basis meer zou (moeten) bestaan voor maatschappelijke conflicten, en dus ook geen noodzaak voor instituties en mechanismen van conflictregulatie.

    De harmonieuze eenvoud van dergelijke utopieën maakt begrijpelijk waarom deze zo goed kunnen worden gebruikt als een vehikel voor een regressief romantisch verlangen naar een gemoedelijke herinvoering in het organische geheel van een agrarische of zelfs feodale maatschappij. Zoals Bourdieu in zijn analyse van de politieke ontologie van Heidegger heeft opgemerkt, is dit slechts de keerzijde van de met haat doordrenkte angst voor alles wat zich tegenwoordig als een dreigende toekomst aandient: het kapitalisme en het marxisme, het kapitalistisch materialisme van de bourgeoisie en het goddeloze rationalisme van de socialisten. Regressieve of achterwaards gerichte utopieën zijn het product van een specifieke verwerking van moderniteitsangsten en -tegenspraken.

    Dit brengt ons tot de vraag hoe (on)geloofwaardig de idealen zijn die in politieke programma’s en schema’s van maatschappelijke reconstructie worden gepresenteerd. De discussies die over deze vraag zijn gevoerd, zijn door Roberto Unger uitstekend samengevat:

      “Few may accept the domesticated romantic trope of the marriage as a community that could be equally free of hierarchy and of conflict. But fewer yet have devised any conception that might replace that trope. Similarly, many have ceased to believe — if they ever did — the utopian socialist and communist ideas of a redeemed humanity (the collective historical counterpart to the romantic idea of marriage) without finding any alternative way to imagine a radically bettered society. Such utopian ideals are unbelievable for two apparently contradictory reasons. On the one hand they represent an effortless reconstruction of established reality: the reimagination of society disconnected from the idea of constraint and, therefore, also from the sustaining and persuasive touch of reality. On the other hand, they lack authority for the superficially opposite reason: that, in seeming to escape established society they in fact return to it. The vision of the effortlessly reconstructed social order turns out, on closer inspection, to be only the reverse image of the established society. The mind that has failed to struggle with experienced or imagined constraint, and that lacks any scheme of transformative variation with which to work, can, in the end, only reproduce through inversion what it want to abolish. Thus, the sanctification of established society and the effortless denial of it represent two sides of the same circumstance. The unbelievability of the most radical ideals result, surprisingly, from the failure to be radical enough. The people who oscillate between vague utopianism and a depressed tinkering feel unable to ground proposals for social reconstruction in views of social reality and possibility” [Unger1987 — Introduction:39 e.v.].

    Tot nu toe werden er weinig expliciete pogingen gedaan om utopische en pragmatische denkstijlen te combineren en om te zetten in een politiek programma waarin belangenbehartiging binnen bestaande maatschappelijke contexten organisch wordt verbonden met de transformatie van deze contexten.

      Unger formuleert een tamelijk gedifferentieerde en stimulerende conceptie van ‘realistische paden van contextuele verandering’ waarin hij deze beide genres van programmatisch denken probeert te combineren. In zijn programma voor een krachtige democratie (‘empowered democracy’) combineert hij discussies over idealen (abstracte normatieve principes, zoals vrijheid en democratie) met een analyse van de diverse actuele of mogelijke institutionele vertalingen van deze principes [Unger 1987 I: hft. 5]. Zie voor een kritische beschouwing: Bader [1990].

  2. Utopische denkbeelden en mentaliteiten zijn op zichzelfgeen teken van zwakte van een sociale beweging, of dit nu een klassenspecifieke beweging is (zoals de arbeidersbeweging) of niet (zoals veel moderne sociale emancipatiebewegingen). De relatieve kracht of zwakte van een sociale beweging is afhankelijk van de manier waarop deze utopische momenten worden aangesproken en in welk politiek perspectief zij worden gearticuleerd.

    Politieke fantasie en utopische denkbeelden blijven nooit ‘ongeorganiseerd op straat liggen’. De politieke fantasie van leden van de geëxploiteerde klassen kan met reactionaire politieke inhouden worden bezet. Zo was de fascistische modellering van collectieve fantasieën alleen maar succesvol omdat het socialisme er niet in was geslaagd vergelijkbare utopieën en aspiraties positief te ‘bezetten’, dat wil zeggen te integreren in een aantrekkelijk en mobiliserend maatschappijbeeld en handelingsstimulerend programma [Negt 1977:292; Naumann 1983].

    In politieke analyses van de ontstaansvoorwaarden en relatieve effectiviteit van het moderne populisme en neonationalisme zou dit probleem zeker een centrale plaats moeten innemen.

      In de analyses van het Engelse National Front werd dit probleem als eerste aan de orde gesteld door Stuart Hall c.s. Ook Margaret Thatcher besfte wat de politieke betekenis en werking van idealen is. Zij spiegelde haar onderdanen een schitterende toekomst voor: “het paradijs van onroerend goedbezitters en aandeelhouders” (Thatcher).

  3. Er is al vaker op gewezen dat de ‘verwetenschappelijking van het marxisme’ heeft geleid tot bepaalde verkortingen van het revolutionaire perspectief en met name tot een reductie van zijn oorspronkelijke, zeer omvattende libertaire aspiraties [Bloch 1968/80:71; Thompson 1959/76:740,792]. Van feministische kant wordt bijvoorbeeld vaak opgemerkt dat de houding van utopisch-socialisten ten opzichte van vrouwenbevrijding superieur is aan die van het latere ‘wetenschappelijk socialisme’. Zo is Barbara Taylor van mening dat de Owenistische visie van “a society freed from deformations of both class exploitation and sexual oppression” in moreel en politiek opzicht superieur is aan die van de latere generaties marxisten die deze ambitie loslieten in de naam van wetenschap en proletarische revolutie [Taylor 1983:286]. Deze superioriteit van het Owenistische perspectief moet overigens met een korreltje zout worden genomen: gecollectiveerd huishoudelijk werk was weliswaar onderdeel van het Owenistische plan, maar het werd feitelijk overwegend door vrouwen en soms door kinderen verricht [Weir/Wilson 1984:85].
      Leven en werk van Robert Owen wordt o.a. beschreven in Quack [1900 II:272-423],. Zie voor een uitvoerige interpretatie van de oude utopisten vanuit feministische optiek: Poldervaart.

  4. Werking van utopische bewustzijnsvormen
    De rigoreuze afgrenzing ten opzichte van het utopische denken heeft niet alleen geleid tot een miskenning of onderschatting van de politieke kracht van utopieën. Het impliceerde ook een analytische blinde vlek ten aanzien van de grondslagen en werking van utopische bewustzijnsvormen.

    In de marxistische onderzoekstraditie werden lange tijd geen of nauwelijks serieuze analyses gemaakt van het probleem van de utopie en van het utopische bewustzijn. Centraal in het moderne utopie-onderzoek staat de in het alledaagse leven ervaren discrepantie tussen mogelijkheid en werkelijkheid, die zich met name doet gelden wanneer bijzonder belangrijke basisbehoeften van individuen niet bevredigd kunnen worden.

    Er ontstaat een conflictueuze relatie tussen utopie en levenspraktijk. Conflictgeladen complexen van utopie en levensstijl leiden niet noodzakelijkerwijs tot een sociaal isolement. Onder bepaalde omstandigheden kan de ervaring van deze spanningsverhouding ook leiden tot een progressieve herstructurering van de persoonlijke identiteit en soms zelfs tot meer of minder omvattende politieke handelingsmodellen en tot politiek protest [Heubrock 1988].

    De richting van deze ‘biografische herstructurering’ en dus ook de mogelijkheid om politieke handelingsmodellen te ontwikkelen, is niet alleen afhankelijk van de specifieke levenssituatie van een persoon, van de bronnen en vaardigheden waarover deze beschikt, van leeftijd en sociale klassepositie. Zij is ook en met name afhankelijk van de in hoeverre iemand erin slaagt het nieuwe, in eerste instantie slechts geanticipeerde perspectief praktisch te realiseren. In ieder geval lijkt het utopische moment belangrijker te worden naarmate de betrokkenheid van individuen bij sociale bewegingen een vastere vorm aanneemt.

    Tijdens een biografische herstructurering bieden sociale bewegingen niet alleen groepsbescherming aan individuen, maar worden zij ook in staat gesteld ervaring op te doen met praktische solidariteit. Sociale bewegingen verkleinen hierdoor de feitelijke of gevreesde risico’s die verbonden zijn aan de onzekerheid over de dagelijkse werkelijkheid van een alternatieve sociale levensvorm.

    In utopieën krijgen compenserende en protestgeoriënteerde handelingsmodellen een grotere betekenis dan resignatieve, worden collectieve vormen van levensorganisatie sterker benadrukt dan individuele en neemt de mate van politiek engagement toe.

    Individuele en maatschappelijke utopieën bevatten dus een protestpotentieel. Of en in hoeverre dit latente potentieel omslaat in een politieke veranderingspraktijk is van een aantal factoren afhankelijk. Er is nog onvoldoende onderzocht welke individuele handelingsmotieven precies tot politieke activiteit, berusting dan wel onthouding leiden. Wel is duidelijk dat algemene structurele kenmerken (positionele gegevens) nauwelijks betrouwbare informatie geven over de omstandigheden die uiteindelijk een politiserings- of depolitiseringsproces bevorderen of remmen.

    Ook in analyses die vanuit de theorie van relatieve deprivatie vertrekken, wordt meestal een veel te rechtlijnige, directe en onbemiddelde overgang van ontevredenheid naar collectief handelen verondersteld. Vgl. de kritiek van Bader [1991:27,48,130].
    Deze lacune werd lange tijd overbrugd door de ‘ontevredenheids’-hypothese, die echter steeds meer wordt bekritiseerd [Prester 1987]. De betekenis van ‘onvrede’ voor politiek handelen is onduidelijk omdat onvrede (of ‘klachten’) geen helderheid verschaft over de onderliggende handelingsmotieven. Hierdoor blijft ook de samenhang tussen sociaal-structurele en sociaal-psychologische, en tussen individueel-biografische en macro-politieke verklaringen tamelijk zwak.

    We hebben eerder gezien dat objectieve klassenbelangen gearticuleerd kunnen worden in meer of minder abstracte utopieën en handelingsmodellen. Objectieve mogelijkheden en belangen fungeren als maatstaf voor de duiding van handelingen en voorstellingen, maar vervullen tegelijk de functie van leermotief [Heubrock 1989:574; Negt 1975:95; Bader 1991:146 e.v.].

Index4. Schematische samenvatting van basisbegrippen

In de voorgaande hoofdstukken zijn een groot aantal basistermen van het klassenanalytische begripsrepertoire aan de orde gekomen. In het onderstaande diagram zijn de belangrijkste basisbegrippen schematisch geordend.

Het diagram kan het beste van boven naar beneden gelezen worden. Dat is alleen lastig voor wie de metafoor van onder(bouw) en boven(bouw) iets te letterlijk hebben opgevat.
De rode pijlen in het diagram geven een aanduiding van de ‘structurering van onderaf’. Zij indiceren de centrale mechanismen van structurele limitatie. Dit eenvoudige schema kan complexer worden gemaakt de introductie van de wisselwerkingen en terugkoppelingen van de opgevoerde begrippen, of door het modelmatig detaillieren van mechanismen van mediatie en transformatie.

Het structureringsmodel is dus niet volledig, maar het verduidelijkt wel de meest cruciale relaties tussen een aantal basisbegrippen van een transformatiloneel klassentheoretisch programma, waarvoor hier de bouwstenen zijn aangedragen.

Figuur 15_1: Niveaus van structurering van klassenhandelen

In dit schema herkent men gemakkelijk de vijf niveaus van handelingsstructurering die in het voorafgaande zijn uiteengezet: objectieve klasseposities, sociale klassen, habitus en levensstijlen, handelingsoriëntaties en klassenbewustzijn, en de specifieke voorwaarden van klassenhandelen. We hebben gezien dat elk niveau van handelingsstructurering zelf weer een tamelijk complexe figuratie is van uiteenlopende mechanismen en factoren.

In het linker gedeelte van het schema zijn de belangrijkste processen en mechanismen opgenomen die voor de constitutie van de niveaus van handelingsstructurering bepalend zijn (exploitatie, stabilisatie van uitbuitingsposities, allocatie van individuen op klasseposities, socialisatie van habitus, definitie van de klassesituatie en organisatie). In het rechter gedeelte van het schema zijn de belangrijkste resultaten opgenomen die op elk niveau van handelingsstructurering worden geproduceerd.

We hebben echter ook gezien dat de structurering van klassenhandelen zich op meerdere aggregatieniveaus tegelijkertijd voltrekt. De afzonderlijke niveaus van handelingsstructurering zijn dus in werkelijkheid binnen verschillende (maatschappelijke, organisationele en interactionele) handelingscontexten geïntegreerd.

Hiervan uitgaande zou het analytische perspectief van de niveaus van structurering van klassenhandelen dus gecombineerd moeten worden met het analytische perspectief van de niveaus van handelingsintegratie. Als men deze beide perspectieven op elkaar betrekt, krijgt men zicht op de analytische assen waarlangs de feitelijke complexiteit van de structurering van klassenhandelen kan worden ontrafeld. Enerzijds zou voor elk niveau van handelingsstructurering afzonderlijk moeten worden vastgesteld hoe de daarin werkzame mechanismen op maatschappelijk, organisationeel en interactioneel niveau zijn geïntegreerd, en wat het verschil en de onderlinge samenhang is tussen de resultaten en effecten binnen deze handelingscontexten.

Vanuit dit perspectief komen vragen naar voren zoals: wat is het verschil en het onderlinge verband tussen exploitatieprocessen die zich synchroon voltrekken in de handelingscontext van maatschappelijke arbeidsverhoudingen, van arbeidsorganisaties en van de persoonlijke interacties binnen arbeidsorganisaties en wat zijn hiervan op elk integratieniveau de specifieke en mogelijk tegenstrijdige resultaten?

Vanuit hetzelfde perspectief kan men ook vragen opwerpen over de samenhang tussen bepaalde aspecten van klassenbewustzijn, zoals: wat is het verschil en het onderlinge verband tussen klassesolidariteit (solidariteit tussen individuen als leden van een sociale klasse), organisatiesolidariteit (solidariteit tussen klassegenoten als lid van een specifieke arbeidsorganisaties) en groepssolidariteit (solidariteit tussen klassegenoten binnen een onderneming als lid van een specifiek arbeidscollectief) en in welke mate versterken deze solidariteitsvormen elkaar of zwakken zij elkaar af?

Anderzijds kan op elk niveau van handelingsintegratie afzonderlijk worden nagegaan hoe zich daarin de verschillende niveaus van handelingsstructurering tot elkaar verhouden. Vanuit dit perspectief kunnen vragen ontstaan zoals: welke relatie bestaat er op interactioneel niveau tussen vormen van directe persoonlijke exploitatie, persoonlijke selecties en uitsluitingen bij de allocatie op klasseposities, klassenspecifieke netwerken van persoonlijke relaties, groepsspecifieke levensstijlen, groepsidentiteit en interactionele voorwaarden van collectieve actie? Het moge duidelijk zijn dat er juist uit de gecombineerde inzet van beide analytische perspectieven zeer veel vragen voor empirisch-historisch onderzoek gesteld kunnen worden, en zeker veel meer dan hier ook maar bij benadering behandeld kunnen worden.

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 13 September, 2013