Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 3 Structurering van klassenhandelen: van klassenposities naar politieke actoren

XIV. Klassenbelangen en klassenhandelen

  1. Stelling en afbakening
  2. Het belangenbegrip
    2·1 Particularisme van doelen en rationaliteit
    2·2 Drie afbakeningen
  3. Objectieve basis van klassenbelangen
  4. Individuele en klassenbelangen
  5. Klassenbelangen ≠ Materiële belangen
  6. Objectieve en subjectieve belangen
    6·1 Objectief klassenbelang als hypothetische constructie
    6·2 Typologie van klassenbelangen
    6·3 Morren, remmen en staken
  7. Korte- en langetermijnbelangen
    7·1 Klassenbelangen in tijdsperspectief
    7·2 Tijdshorizon en individuele levensplanning
  8. Directe en fundamentele belangen
  9. Beïnvloeding van definities van klassenbelangen
Figuren
14_1: Klassenposities, klassenbelangen en klassenhandelen
14_2: Typologie van klassenbelangen

Literatuur

© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

1. Stelling en afbakening

Zonder klassenbelangen geen klassenhandelen. In alle realistische verklaringspogingen van klassenhandelen staan strijdende klassenbelangen centraal. Zolang klassenbelangen niet als strijdig of onverenigbaar worden ervaren of gedefinieerd ontstaan er geen klassenconflicten. Klassenbelangen zijn dus belangrijke tussenschakels tussen klassenstructuur en klassenhandelen.

Klassenbelangen worden gestructureerd door de objectieve klassenpositie, klassehabitus en levensstijlen, en door de culturele tradities van een sociale klasse. De definities hiervan worden beïnvloed door dominante en oppositionele (cognitieve en normatieve) duidingspatronen en informatie, door klassengemeenschappen, associaties, organisaties en elites en door de thema’s, vormen en fasen van klassenconflicten zelf.

Klassenbelangen zijn strategische handelingsoriëntaties van individuen die geënt zijn op de objectieve klassensituatie. Klassenbelangen structureren op hun beurt het klassenhandelen, en meer in het bijzonder de organisatie en mobilisatie van de leden van een klassengemeenschap, en het verloop van klassenconflicten. Klassenbelangen vormen de harde kern van de verklaring van het klassenhandelen. Vanwege hun sterke handelingsmotiverende kracht spelen positioneel bepaalde klassenbelangen een cruciale rol in elke theorie van klassenhandelen.

Deze stelling impliceert enerzijds een afbakening ten opzichte van alle benaderingen waarin het tussen klassenstructuur en klassenhandelen mediërende karakter van klassenbelangen wordt genegeerd. In objectivistische benaderingen worden klassenbelangen in meer of minder vergaande mate tot objectieve klassenposities gereduceerd, terwijl in subjectivistische benaderingen klassenbelangen juist als iets louter subjectiefs worden opgevat (in § 3 wordt deze afbakening gepreciseerd).

Anderzijds ligt in deze stelling een afbakening besloten ten opzichte van alle grof-materialistische benaderingen waarin klassenbelangen tot ‘materiële belangen’ worden gereduceerd en ten opzichte van collectivistische benaderingen waarin klassenbelangen — niet slechts metaforisch — worden opgevat als ‘belangen van klassen’ en er dus geen rekening wordt gehouden met het feit dat ook klassenbelangen altijd de belangen van handelingsbekwame individuen zijn (in § 5 wordt deze afbakening gepreciseerd).

In ieder geval sinds Weber [WG:532; WL:210] kan men weten dat het theoretische begrip klassenbelang meerduidig is en het empirische begrip ambigu. Zie Weber over klassenbelang.
De betekenis en reikwijdte van het begrip klassenbelang is zeer omstreden. Om het begrip klassenbelang te preciseren moet in ieder geval aandacht worden besteed aan:

In de volgende paragraven worden al deze afbakeningen en onderscheidingen nader uitgewerkt.

Index2. Het belangenbegrip

2·1 Particularisme van doelen en rationaliteit
Een precisering van het begrip klassenbelang vereist dat eerst het algemene belangenbegrip wordt omschreven. Belangen zijn weliswaar geen behoeften, maar kunnen wel het beste in samenhang met behoeften worden gedefinieerd.

In deze belangendefinitie worden twee elementen op specifieke wijze gecombineerd.

Het eerste element is het particularisme van de doelen: de handelingsdoelen worden bepaald door behoeften die in tegenstelling tot de behoeften van andere actoren als ‘eigen’ worden ervaren en gedefinieerd [Lenski 1966]. Deze oriëntatie op de eigen belangen in tegenstelling tot die van anderen komt tot uiting in het begrip strategische oriëntatie. Belangen zijn altijd particuliere belangen en worden geconstitueerd door een strategische handelingsoriëntatie. De doelen waarop de actoren zich strategisch oriënteren zijn gericht op optimaliseren of maximeren van het eigenbelang.

”Met name het nastreven van stabiele langetermijnbelangen bevordert rationele calculatie, berekenbare efficiëntie, schrandere voorzichtigheid en dus een specifieke vorm van rationaliteit” [Bader 1991:134].
Het tweede element van deze belangendefinitie is rationaliteit. Belangen worden in zekere zin altijd door rede gestuurd: belangenbehartiging stimuleert rationele strategische calculaties en afweging van belangen. Omdat en voorzover rationele afweging zich hierbij niet uitstrekt tot de verschillende mogelijke doelen is dit geen doelrationaliteit. De graden van bewustheid en rationaliteit van de strategische oriëntatie worden in deze algemene belangendefinitie open gelaten. Het particularisme van de doelen en de strategische oriëntatie zijn voor dit belangenbegrip de essentiële criteria.

Index


2·2 Drie afbakeningen
In deze belangendefinitie ligt in de eerste plaats een afbakening besloten ten opzichte van benaderingen waarin het element van particularisme ontbreekt en in plaats daarvan doelrationele of instrumentele oriëntatie als kenmerkende handelingsoriëntatie worden gezien. Resultaatgerichte of doelrationele oriëntatie laat de aard van de doelen open; instrumentele oriëntatie gaat voorbij aan de tegenstelling tot de doelen van anderen.
  1. Strategisch handelen en doelrationeel handelen moeten duidelijk van elkaar worden onderscheiden (anders dan bij Max Weber, die beide termen als synoniemen gebruikt). Doelgerichtheid is een veel bredere term dan gerichtheid op het eigen belang. De ‘doelen’ van doelrationeel handelen zijn immers niet per definitie particularistische doelen [Bader/Benschop 1988:299]. Doelgerichtheid is een veel bredere term en is niet alleen een kenmerk van strategisch handelen. Ook solidair, traditioneel en ethisch gemotiveerd handelen zijn immers gericht op doelrealisatie. De specifieke aard van de doelen van strategisch handelen worden niet gedekt door de bredere term doelgerichtheid of resultaatgerichtheid.
  2. Strategisch handelen is ook specifieker dan handelen dat gericht is op de realisatie van eigen doelen. Ook bij solidair, expressief en normatief handelen gaat het immers altijd om de realisatie van eigen doelen, ook al zijn deze nog zo onbaatzuchtig. Het specifieke van strategische oriëntaties is dat het gaat om eigen particuliere doelen die in tegenstelling staan tot de doelen van anderen.

In de tweede plaats bevat deze definitie een afbakening ten opzichte van benaderingen waarin het element van particularisme wordt beperkt tot burgerlijke varianten van privatisme of egoïsme. In het burgerlijke belangenbegrip wordt uitgegaan van het atomisme van de voor zichzelf verantwoordelijke enkeling. Relevante belangensubjecten zijn echter niet alleen private enkelingen, maar alle actoren die hun belangen in tegenstelling tot andere actoren definiëren: individuen, gezinnen, groepen, klassen, organisaties of staten. De voor belangen kenmerkende gerichtheid op ‘eigen voordeel’ moet dus niet worden opgevat in de beperkte vorm van egoïsme, maar algemener als particularisme.

Zwakke kritiek op utilitarisme
Ook in de kritiek op utilitaristische handelingstheorieën zou men rekening moeten houden met het verschil tussen particularisme en (specifiek burgerlijke vormen van) egoïsme of hebzucht. Dat gebeurt bijvoorbeeld niet in Lockwood’s kritiek op de —meestal impliciete— utilitaristische handelingsschema’s in de marxistische traditie, die tegenwoordig beter bekend staan als ‘rational choice’ theorie. Lockwood concentreert zijn kritiek volledig op “the assumption of rational egoists pursuing their system-determined interests” [Lockwood 1992:xi; vgl. 103 e.v.] en contrasteert deze met ‘normatieve’ handelingsaspecten, waaronder hij ook ‘traditie’ en ‘ideologie’ rekent. Bovendien paralleliseert hij het contrast tussen utilitaire en normatieve handelingsbepalingen met het contrast tussen rationeel en irrationeel handelen [idem:14,209,232].

James Coleman [1990:20] is een bekende vertegenwoordiger van de ‘rational choice’ theorie. Hij definieert belang in termen van een specifieke utiliteitsfunctie die in de economische theorie bekend staat als de Cobb-Douglas utiliteitsfunctie [Coleman 1990:20; vgl. ook 773, 934, 566].

In de derde plaats bevat deze definitie een afbakening van benaderingen waarin algemene belangen worden gepostuleerd. Een algemeen belang is in het gunstigste geval een slechte metafoor voor een onomstreden behoefte. Meestal is een algemeen belang slechts een constructie van “een omvattend collectief belang op lange termijn dat gecontrasteerd wordt met particuliere belangen op korte termijn en ondanks deze constitutieve tegenstelling tot andere belangen besprenkeld wordt met het wijwater van een eigenlijke, toekomstige of geanticipeerde algemeenheid. … Zouden dergelijke algemene belangen werkelijk bestaan, dan zou er alleen overdrachtelijk gesproken kunnen worden van belangen — van de mensheid tegenover de natuur of geïmagineerde ‘space invaders’” [Bader 1991: 133].

Index3. Objectieve basis van klassenbelangen

Klassenbelangen worden primair gestructureerd door objectieve klassenposities. Klassenverhoudingen leiden tot objectieve tegenstrijdige en antagonistische belangen, dat wil zeggen belangen die intrinsiek en niet alleen contingent tegenover elkaar staan.

Klassenbelangen zijn principieel relationeel: klassendoelen kunnen immers zonder vergelijking met (aspecten van) klassenposities en ontwikkelingskansen van andere klassen niet gedacht of gedefinieerd worden.

Klassenbelangen brengen per definitie een onverenigbaarheid, een tegenstrijdigheid of antagonisme tot uitdrukking (en niet slechts belangenverschillen). De realisatie van de belangen van de ene klasse botst noodzakelijkerwijs met de realisatie van de belangen van een andere klasse.

De objectieve basis van antagonistische klassenbelangen zijn de extractieve machtsverhoudingen tussen de klassen [Wright 1985:36].

Figuur 14_1: Klassenposities, klassenbelangen en klassenhandelen


==>Structurering & Selectie
==>Perceptie & Vergelijking

Klassenbelangen moeten echter niet worden geïdentificeerd met objectieve klassenposities en zijn hiervan ook geen simpele afbeelding. “Belangen zijn altijd belangen van handelingsbekwame subjecten” [Bader 1991:132]. Deze referentie aan handelingsbekwame subjecten is constitutief voor alle belangen.

Daarom spreekt ook Wright [1975:88] liever over ‘doelen’ van klasse-actoren spreekt omdat deze term niet (zo sterk) de psychologische bijbetekenis heeft van subjectieve motieven of van bewustzijn. Dat neemt natuurlijk niet weg dat er bij werkelijke doelen van klassenhandelen altijd een zeker samenstel van min of meer bewuste subjectieve motieven van de actoren in het geding is.
Klassenbelangen veronderstellen intentionaliteit en een specifieke zinmatige (namelijk strategi-sche) oriëntatie. Dit betekent echter nog niet dat het bestaan en de causale effectiviteit van klassenbelangen volledig afhankelijk zijn van het individuele besef dat men deze belangen heeft.

Klassenbelangen zijn een specifieke reflexieve bemiddeling tussen klassenspecifieke subjecten en hun objectieve klassensituatie, die handelingseffecten sorteren en/of als directe, min of meer bewuste handelingsmotieven fungeren.

Met deze formulering sluit ik aan bij en preciseer ik de formulering van Neuendorf [1973:7] die belangen opvat als een specifieke “reflexieve bemiddeling tussen het subject en zijn omgeving welke als direct handelingsmotief fungeert.” De term ‘direct handelingsmotief’ kan de indruk wekken dat klassenbelangen fungeren als min of meer bewust en dus subjectief handelingsmotief. De doelen waarop klasse-actoren zich richten, hoeven echter helemaal niet bewust te zijn om toch handelingseffecten te sorteren, en zij hoeven zelfs geen subjectieve motieven in de strikte zin te zijn om toch causaal werkzaam te zijn.

Klassenhandelen wordt evenals andere vormen van sociaal handelen door behoeften en belangen gemotiveerd en met redenen omkleed. De werkelijke motieven van klassenspecifieke handelingen hoeven echter geenszins volledig bewust te zijn, maar zijn ook als onbewuste, voorbewuste of halfbewuste motieven causaal werkzaam. De feitelijke beweegredenen die klasse-actoren aanvoeren voor hun klassenhandelen zijn altijd causaal werkzaam, ook al zijn de aangevoerde cognitieve redenen nog zo incorrect of irrationeel en de normatieve redenen nog zo abject. Bovendien worden deze redenaties zelf natuurlijk weer door behoeften en belangen gemotiveerd, terwijl de handelingsmotieven in meer of minder sterke mate worden beredeneerd.

Twee afbakeningen
In deze stelling liggen twee afbakeningen besloten. Ten eerste ten opzichte van objectivistische benaderingen waarin klassenbelangen tot klassenposities worden gereduceerd zodat klassenpositie en klassenbelang als uitwisselbare termen worden gebruikt. Zowel het voor klassenbelangen kenmerkende specifieke bemiddelingskarakter tussen klassenstructuur en klassenhandelen als de daarin veronderstelde specifieke handelingsoriëntatie worden op deze wijze volkomen genegeerd.

De tweede afbakening is hiervan de spiegelbeeldige tegenpool. In subjectivistische benaderingen worden klassenbelangen als iets louter subjectiefs gezien. Ook in deze benaderingen wordt de specifieke samenhang tussen het subjectieve en het objectieve in het belangenbegrip doorbroken. Klassenbelangen worden uitsluitend of voornamelijk als een bewustzijnsgegeven opgevat. In deze benaderingen is slechts plaats voor subjectieve belangen (en dus voor de relatie tussen latente en manifeste belangen), maar niet voor potentiële en actuele klassenbelangen, laat staan voor objectieve klassenbelangen.

Het ontstaan en bestaan van klassenbelangen is altijd aan specifieke handelingssituaties of contexten gebonden. Behoeften worden immers pas klassenbelangen wanneer de leden van een klasse hun objectieve handelingssituatie zodanig ervaren en beoordelen dat hun behoeften niet gelijktijdig of gemeenschappelijk bevredigd kunnen worden met de behoeften van leden van een andere klasse.

Index4. Individuele en klassenbelangen: handelingsrelevantie van klassenbelangen

“De enige subjecten die belangen kunnen hebben en definiëren zijn natuurlijke personen” [Bader 1991:154]. Belangen zijn dus altijd belangen van handelingsbekwame individuen. Dat wil niet zeggen dat belangen per definitie individuele belangen zijn. Belangen van individuen omvatten zowel individuele (of ‘persoonlijke’) belangen als collectieve belangen.

Klassenbelangen kunnen even reëel en empirisch handelingsmotiverend zijn als strikt individuele belangen. Klassenbelangen zijn echter alleen handelingsrelevant wanneer zij tegelijkertijd actuele belangen van individuen zijn en prevaleren boven andere belangen van dezelfde individuen.

In deze stelling is een principiële afbakening geïmpliceerd ten opzichte van alle benaderingen waarin klassenbelangen van hun individuele dragers worden losgekoppeld.
Dit gebeurt in extreme mate bij Wright [1975:89]: “Class interests can only be defined in terms of the potential subjective motives of collectivities, not simply individuals.” Ook hier geldt: klassen zijn geen handelingsbekwame super-subjecten.
Ook klassenbelangen zijn dus altijd belangen van handelingsbekwame individuen; het zijn immers eigen belangen die individuen als klassenindividu definiëren. Een actueel klassenbelang veronderstelt gelijksoortigheid van de wederzijdse gedragsverwachtingen van de leden van een bepaalde klasse en daarmee ook de tegenstrijdigheid ten opzichte van gelijksoortige gedragsverwachtingen van de leden van een ándere sociale klasse.

Het klassenbelang van loonarbeiders bestaat als empirisch werkzaam collectief belang wanneer individuele loonarbeiders hun klassenbelang zodanig definiëren dat dit prevaleert boven en/of in tegenstelling staat tot (1) hun individuele belangen, (2) de belangen van andere niet formeel georganiseerde groepen of collectieven en (3) de belangen van formele organisaties en instituties waartoe zij niet behoren.

1. Individuele belangen
Loonarbeiders definiëren hun klassenbelangen zodanig dat deze prevaleren boven de strikt individuele belangen. Bijvoorbeeld individuele carrière versus collectieve lotsverbetering, individuele promotie versus actie voor collectieve loonsverhoging.

2a. Belangen van andere groepen waartoe zij zelf behoren
Klassenbelangen worden zodanig gedefinieerd dat zij prevaleren boven de belangen van hun eigen sectorale, beroeps- of inkomensgroep, boven de belangen van hun eigen gezin, boven belangen van hun eigen geslachts-, kleur- of leeftijdsgroep, of boven die van hun eigen geloofs-, taal- of nationale gemeenschap.

2b. Belangen van klassen of groepen waartoe zij zelf niet behoren
Klassenbelangen worden zodanig gedefinieerd dat zij niet alleen in tegenstelling staan tot de belangen van de opponerende kapitalistenklasse, haar klassefracties en de daarmee geassocieerde klassen, maar ook tot de belangen van andere sectorale, beroeps- of inkomensgroepen. Eigen klassenbelangen prevaleren in de regel ook boven de belangen van de andere sekse, van andere etnisch-culturele groepen, van andere naties (nationale minderheden) binnen de staat enzovoort.

Discriminatie als doelrationele strategie van belangenbehartiging
Een strategische definitie van de eigen klassenbelangen sluit dus als zodanig op geen enkele manier uit dat bijvoorbeeld ‘de belangen van de arbeidersklasse’ op een volstrekt racistische of seksistische wijze worden gedefinieerd. Ondanks de vele zwaktes van Parkin’s sociale sluitingstheorie is zijn behandeling van strategieën van duale sluiting van de kant van negatief geprivilegieerde groepen op dit punt empirisch en politiek zeer informatief.

Parkin laat onder andere zien hoe de georganiseerde arbeidersbeweging “usurperende activiteiten tegen ondernemers en de staat” combineerde met “uitsluitende activiteiten tegen andere, minder goed georganiseerde arbeiders, inclusief etnische minderheden en vrouwen” [Parkin 1979:91]. Racisme, seksisme —en ook kolonialisme en imperialisme— zijn in de arbeidersbeweging onderdeel van een doelgerichte en op zichzelf doelrationele strategie van belangenbehartiging [idem:97]. Tegelijkertijd ontstaan hierdoor effectieve barrières voor politiek-normatieve strategieën van klasseneenheid. Deze tendens zal blijven bestaan zolang er nog groepen te vinden zijn die —om het eigen belang te garanderen — uitgesloten kunnen worden van concurrentie om arbeidsplaatsen, beter betaalde banen enz. en zolang de tegenstelling tussen de heersende en onderdrukte klassen niet allesoverheersend wordt.

De negatief geprivilegieerde groepen knopen in hun uitsluitingsstrategieën vaak aan bij —oorspronkelijke of nog bestaande— discriminaties die politiek of door de staat zijn gesanctioneerd [idem:96].

Zie voor een historische analyse van de spanningsverhouding tussen klasse en etniciteit in de Amerikaanse arbeidersbeweging: Schefter [1986]. Hij benadrukt dat klasse en etniciteit niet altijd tot exclusieve, elkaar beconcurrerende loyaliteiten leiden, maar dat zij elkaar vaak, vooral in het politieke leven, versterken.

3a. Belangen van formele organisaties en instellingen waartoe zij zelf behoren
Klassenbelangen kunnen door loonarbeiders zodanig worden gedefinieerd dat zij in tegenstelling staan tot de belangen van hun ‘eigen’ kapitalistische onderneming, van hun eigen kerk en staat.

3b. Belangen van formele organisaties en instellingen waartoe zij zelf niet behoren
Klassenbelangen kunnen door loonarbeiders die lid zijn van een bepaalde organisatie of instelling zodanig worden gedefinieerd dat zij in tegenstelling staan tot de belangen van andere kapitalistische ondernemingen, van andere kerken en van andere — vreemde of vijandige — staten.

Index5. Klassenbelangen zijn niet identiek met materiële belangen

Klassenbelangen moeten niet worden gereduceerd tot materiële klassenbelangen. De mogelijke objecten van klassenbelangen zijn niet a priori beperkt tot materiële zaken, maar zijn juist uitermate divers.

    Distinctie-, machts- en prestigebehoeften zijn hierop in zoverre een uitzondering dat zij per definitie belangen constitueren. Met ‘eigenliefde’ (ijdelheid, ‘amour propre’, ‘vanity’) worden immers behoeften aangeduid die alleen door vergelijkende referentie aan anderen worden geconstitueerd en daarom a priori in tegen-stelling staan tot de behoefte aan ‘eigenliefde’ van anderen. “In tegen-stelling tot de middelen van zelfhandhaving zijn de kansen voor bevreding van de ‘eigenliefde’ per definitie schaars. Roem, eer, macht en prestige bestaan alleen maar in tegenstelling tot de eigenliefde van anderen” [Bader/Benschop 1988: § 1·2·3].
  1. Álle behoeften kunnen in principe klassenbelangen worden wanneer de middelen voor hun bevrediging (dus de bronnen en de beloningen) als schaars worden ervaren en gedefinieerd en er geen coöperatieve handelingsstrategieën worden ontwikkeld.

      “Niet alleen de kansen ter bevrediging van materiële behoeften van leven en overleven kunnen als schaars gedefinieerd worden, maar ook de bevredigingskansen van voortplantings- en gezondheidsbehoeften, van erotische behoeften, van bewegings- en ontspanningsbehoeften, van verzorgingsbehoeften, van emotionele behoeften en distinctiebehoeften, van expressieve en heils- of verlossingsbehoeften, van cognitieve en normatieve duidings- en verklaringsbehoeften, van opvoedings- en educatiebehoeften, van interne en externe veiligheidsbehoeften enzovoort” [Bader 1991:135.; vgl. Bader/Benschop 1988: schema 4a].

    Klassenbelangen omvatten niet alleen materiële levens- en overlevingsbelangen, maar ook gezondheidsbelangen, opvoedings- en educatiebelangen, heilsbelangen, veiligheidsbelangen enzovoort. Klassenbelangen omvatten dus niet alleen economische belangen, maar evenzeer culturele, juridische, politieke en religieuze belangen.

  2. Bovendien worden klassenbelangen niet alleen geconstitueerd door tegenstellingen van objectieve klassenposities die als zodanig worden ervaren en gedefinieerd. Ook verschillen in klassenhabitus en klassenspecifieke levensstijlen, culturen en identiteiten kunnen klassenbelangen constitueren. Dit gebeurt ten eerste wanneer deze verschillen hiërarchisch worden gewaardeerd en deze prestigediscriminatie als krenkend en kwetsend wordt ervaren. Ten tweede gebeurt dit wanneer die klassenspecifieke habitus, levensstijlen en culturen in hun bestaan worden bedreigd of in hun ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. Er ontstaan dan individueel of klassenspecifiek gedefinieerde belangen bij het in stand houden of ontwikkelen van klassengebonden levensstijlen, culturen en identiteiten. Klassenbelangen moeten dus niet tot materiële, economische, en zeker niet tot monetaire belangen worden gereduceerd.

De materialistische reductie
Niet alleen in de alledaagse politieke taal, maar ook in veel maatschappijtheorieën worden belangen vaak tot materiële belangen gereduceerd. Dit gebeurt zowel in de klassieke als in de moderne utilitaristische traditie, in theorieën van bronnenmobilisatie als in Olson’s benadering van ‘the logic of collective action’. In de marxistische traditie is een grof materialistische reductie van klassenbelangen tot materiële belangen schering en inslag. Zelfs Wright kan zich hieraan niet onttrekken. “I have resolutely insisted that class should be understood fundamentally as a concept revolving around the problem of antagonistic material interests based on exploitation” [Wright 1989:205].

Het bezwaar tegen een dergelijke formulering is niet dat klassenbelangen primair worden vastgemaakt aan antagonistische posities in processen van toeëigening en onteigening van meerarbeid. Het bezwaar is dat daarbij stilzwijgend wordt verondersteld dat de objecten van klassenbelangen beperkt zijn tot materiële zaken. Wanneer men klassenbelangen beperkt tot “interests with respect to toil, leisure and consumption” [idem] reduceert men niet alleen het spectrum van mogelijke belangen die in een objectieve klassenpositie besloten liggen, maar gaat men ook voorbij aan het feit dat (bepaalde aspecten van) levensstijlen, (deel)culturen en identiteiten onder bepaalde voorwaarden zelf als klassenbelangen worden ervaren en gedefinieerd.

Index6. Objectieve en subjectieve klassenbelangen

De constructie van objectieve klassenbelangen is een noodzakelijk onderdeel van kritische analyses van klassenhandelen en -conflicten. In de alledaagse politiek en pedagogiek is kritiek op actuele, subjectieve definities van klassenbelangen vanuit een notie van objectieve of potentiële belangen even gebruikelijk als bijvoorbeeld in de conflictsociologische en marxistische traditie. Het zijn echter niet alleen “the knotty philosophical problems” [Wright 1985:36] die het begrip ‘objectief klassenbelang’ zo omstreden maken. Het is vooral de vraag of het mogelijk is om over objectieve en potentiële klassenbelangen te spreken en toch aan het gevaar van paternalisme te ontsnappen dat daaraan volgens sommigen noodzakelijkerwijs is verbonden.

Het idee dat alle constructies van ‘objectieve klassenbelangen’ onlosmakelijk zijn verbonden met of ongewild leiden tot ondemocratische, autoritaire, totalitaire of dictatoriale definities en in het verlengde daarvan liggende praktijken was voor veel auteurs de reden om het begrip ‘objectief belang’ bij te zetten in het mausoleum van verdachte of schuldig verklaarde noties.

Daarbij wordt vaak een beroep gedaan op de liberale en pluralistische stelling van Jeremy Bentham:

Deze normatieve claim is niet per definitie onverenigbaar met de constructie van objectieve klassenbelangen. Het is wel degelijk mogelijk om over objectieve (klasse)belangen te spreken en tegelijkertijd de normatieve kern van de stelling “dat iedereen per definitie de beste rechter is van zijn eigen belangen” [Unger 1984:130] overeind te houden en het gevaar van paternalisme te vermijden.

Index


6·1 De hypothetische constructie van objectieve klassenbelangen
Subjectieve klassenbelangen zijn belangen die door individuen feitelijk en bewust worden ervaren en gedefinieerd. Subjectieve klassenbelangen zijn altijd actuele, handelingsrelevante belangen.

Het hypothetische karakter van objectieve (klassen)belangen wordt door veel auteurs benadrukt: Weber [WL:210], Dahrendorf [1959:175], Wright [1975:89], Elster [1985:349], Bader [1991:141].

“The assumption of ‘objective’ interests associated with social positions has no psychological implications or ramifications; it belongs to the level of sociological analysis proper” [Dahrendorf 1959:175].

Objectieve klassenbelangen zijn belangen die slechts op grond van een hypothetische of theoretische constructie aan de leden van een bepaalde klasse kunnen worden toe-geschreven. Zij worden volledig onafhankelijk van de eigen ervaringen, bewustheid en subjectieve definities van deze individuen geformuleerd. Objectieve klassenbelangen als zodanig hebben dan ook geen enkele handelingsrelevantie voor de individuen waaraan zij worden toegeschreven: het zijn geen feitelijke, maar theoretisch geconceptualiseerde handelingsmotieven.

Objectieve klassenbelangen zijn positioneel bepaalde klassenbelangen die de klasse-actoren als hun eigen klassenbelangen zouden kunnen articuleren;

De constructie van objectieve klassenbelangen gaat dus uit van een hele reeks vooronderstellingen die stuk voor stuk gepreciseerd zouden moeten worden. De door Bader [1991:141] algemeen geformuleerde vooronderstellingen kunnen tamelijk eenvoudig naar objectieve klassenbelangen worden vertaald en gepreciseerd.

  1. Zuiver strategische oriëntatie
    Individuen oriënteren zich meestal niet zuiver strategisch op hun klassenspecifieke doelen, maar ook affectief, traditioneel en normatief. Men kan subjectieve klassenbelangen toetsen op hun strategische gehalte, dat wil zeggen op de gradaties van strategisch handelen en op de combinaties met traditionele, gevoelsmatige en normatieve klassendoelen.

    In de constructie van objectieve klassenbelangen wordt verondersteld dat de actoren zich zuiver strategisch op hun klassenspecifieke doelen oriënteren. Er wordt dus geabstraheerd van alle specifieke zeden, solidariteiten en gemeenschappelijke waarden die van een sociale klasse pas een klassengemeenschap maken.

  2. Graden van rationaliteit
    Mensen oriënteren zich in werkelijkheid nooit zuiver rationeel op hun klassenspecifieke doelen. Meestal worden slechts een aantal aspecten van de handelingsruimte rationeel (bewust en planmatig) gecontroleerd. Negatief geprivilegieerden kunnen hun uitbuiting en klassenafhankelijkheid in zo’n vergaande mate verinnerlijken dat zij praktisch geen enkel handelingsaspect meer reflexief controleren.

    Het is omstreden hoe men de rationaliteitsniveaus analytisch moet onderscheiden. Een bruikbare inde-ling is de door Schluchter [1979:191] voorgestelde rationaliteitspiramide: bij traditioneel handelen worden alleen de middelen reflexief gecontroleerd, bij affectief handelen ook de doelen, bij waarderationeel handelen ook de waarden, en bij doelrationeel handelen ook de gevolgen. Aan dit doelrationele niveau van de piramide zou men kunnen toevoegen: de controle op handelingsvoorwaarden [Döbert 1989:213; Bader 1991:69].
    Strategische oriëntaties op klassenspecifieke doelen zijn in werkelijkheid in verschillende graden gerationaliseerd. Subjectieve definities van klassenbelangen kunnen dus worden getoetst op hun rationaliteit, dat wil zeggen op de mate van reflexieve handelingscontrole en hun verschillende rationaliteitsniveaus (subjectieve klassenbelangen kunnen ‘irrationeel’ zijn).

    Bij de definitie van objectieve klassenbelangen worden in vergelijking met de subjectieve belangendefinities hogere graden van rationaliteit van het individuele of klassenhandelen verondersteld. Er wordt immers verondersteld dat individuen zich rationeel-strategisch op hun klassendoelen oriënteren, dat wil zeggen dat zij de verschillende
    “De eis van een hogere rationaliteit kan worden uitgebreid tot en met het ideale model van maximale of optimale reflexieve handelings-controle bij gegeven particuliere doelen. Deze eis kan echter ook relatief en bescheiden wor-den opgevat: in de constructie van objectieve belangen worden meer handelingsaspecten rationeler of gecontroleerder tegen elkaar afgewogen” [Bader 1991:142].
    (economische, politieke enzovoort) aspecten van hun klassenbelangen rationeel aggregeren en afwegen, en dat zij bovendien een rationele afweging maken van hun eigen individuele en klassenbelangen, van korte-, middellange- en langetermijnbelangen, van directe en fundamentele belangen.

  3. Geïnformeerdheid
    De informatie die in de definitie van subjectieve klassenbelangen wordt gebruikt, kan ontoereikend of vertekend zijn. In klassenmaatschappijen is de informatie die opgaat in situatiedefinities systematisch vertekend en zijn de informatiekansen ongelijk verdeeld.

    Subjectieve klassenbelangendefinities kunnen daarom worden getoetst aan het criterium van geïnformeerdheid, dat wil zeggen op relevantie en validiteit van de informatie die in definities van klassendoelen wordt gebruikt (subjectieve klassenbelangen kunnen ‘verkeerd’ zijn).

    In de definitie van objectieve klassenbelangen wordt verondersteld dat men in vergelijking met subjectieve belangendefinities over betere en voldoende informatie beschikt om objectieve belangendefinities te definiëren.

  4. Autonomie
    Subjectieve klassenbelangen van leden van uitgebuite of subalterne klassen kunnen in de regel niet autonoom worden gearticuleerd. Subjectieve klassenbelangen zijn tot op zekere hoogte altijd heteronoom —in feitelijke afhankelijkheidssituaties— gedefinieerd. Definities van subjectieve klassenbelangen kunnen tot op zekere hoogte door anderen worden opgelegd of afgedwongen. Dit gebeurt niet alleen door woordvoerders en vertegenwoordigers van de eigen sociale klasse, maar ook en met name door autoriteiten en vertegenwoordigers van klassentegenstanders.

    In klassenmaatschappijen zijn de voorwaarden van politieke communicatie systematisch vertekend en asymmetrisch, zelfs wanneer de vrijheden van politieke communicatie wettelijk zijn gegarandeerd. Deze asymmetrie in communicatievoorwaarden verhindert

    1. dat iedereen gelijke kansen heeft om deel te nemen aan communicatieprocessen waarin klassenbelangen worden gedefinieerd (of zich daaraan te onttrekken en een nieuw discours te beginnen) en
    2. dat iedereen bínnen deze communicatieprocessen een gelijke kans heeft om eigen opvattingen naar voren te brengen en uit te werken, kritiek te leveren en alternatieve definities van klassenbelangen aan te dragen. Bovendien bestaan er tussen de deelnemers aan dergelijke communicatieprocessen machtsverschillen die kunnen verhinderen
    3. dat bepaalde definities van klassenbelangen naar voren gebracht kunnen worden of dat bepaalde definities gekritiseerd kunnen worden en
    4. dat de deelnemers zich eerlijk of waarachtig tegenover elkaar uiten, zodat het niet is uitgesloten dat zij elkaar —bewust en gericht of onbewust en ongemerkt— manipuleren.

      Voorwaarden voor communicatieve symmetrie
      Deze voorwaarden voor communicatieve symmetrie zijn door Habermas [1981] gespecificeerd als voorwaarden voor een ideale gesprekssituatie. Deze ideale communicatievoorwaarden zijn niet alleen van essentieel belang voor de argumentatieve toetsing van aanspraken op waarheid van cognitieve uitspraken en op juistheid van normatieve uitgangspunten, maar ook op waarachtigheid of oprechtheid van de bedoelingen en emoties die een spreker bij het doen van uitspraken tot uitdrukking brengt. De hiermee corresponderende vormen van discours zijn het theoretische, praktische en het identiteitsdiscours. In het identiteitsdiscours worden “de waarachtigheid van concrete uitingen en de mogelijkheid om zich waarachtig te uiten in samenhang gebracht met heersende opvattingen over geëigende emoties, wezenlijke behoeften en authentieke ontplooiingsmogelijkheden” [Kunneman 1986:233]. Vgl. Kunneman [1985:163-83].

    Kneedbaarheid en harde kern
    In asymmetrische communicatieprocessen en in ondemocratische processen van meningsvorming kunnen subjectieve definities van klassenbelangen effectief worden gemanipuleerd. De kneedbaarheid van belangendefinities moet echter niet worden overdreven. Omdat definities van klassenbelangen betrokken zijn op de objectieve klassenverhoudingen, worden zij niet alleen kritiseerbaar, maar zijn zij ook maar tot op bepaalde hoogte manipuleerbaar. Klassenbelangen kunnen dus niet op elke willekeurige wijze worden gedefinieerd. “Belangen hebben een harde kern, die weliswaar op verschillende manieren gearticuleerd en dus gericht of omgebogen kan worden, maar zich toch niet weg laat definiëren” [Bader 1991:151].
    Subjectieve definities van klassenbelangen kunnen dus worden getoetst op hun autonomie, dat wil zeggen op de mate van vrijheid van politieke communicatie en de mate van gelijke communicatiekansen. Morele kritiek op subjectieve definities van klassenbelangen richt zich op de authenticiteit van deze definities en kan de ogen openen voor nieuwe, authentieke interpretaties van klassenbelangen (subjectieve klassenbelangen kunnen ‘onwaarachtig’, ‘oneigenlijk’ of ‘onoprecht’ zijn).

    In de constructie van objectieve klassenbelangen wordt hypothetisch verondersteld dat klasse-actoren hun eigen belangen autonoom kunnen articuleren in een situatie van formele en feitelijke vrijheden van politieke communicatie en gelijke communicatiekansen.

    Er wordt dus minimaal verondersteld dat degenen die de subjectieve belangendefinities van klasse-actoren op hun authenticiteit beoordelen over voldoende politieke communicatievrijheden beschikken om dergelijke oordelen te kunnen vellen. Deze minimale voorwaarden kunnen worden opgeschroefd tot het extreem van de ‘ideale gesprekssituatie’. Al naar gelang de vereiste of veronderstelde voorwaarden van communicatieve symmetrie kan men dus een onderscheid maken tussen sterke — maar onhoudbare — en zwakke versies van de definitie van objectieve klassenbelangen. Hier wordt ‘slechts’ de zwakke versie verdedigd.

  5. Kennis en duiding
    Subjectieve belangendefinities zijn kritiseerbaar omdat de particuliere doelen verwijzen naar objectieve klassenstructuren en ontwikkelingen en naar specifieke handelingssituaties. De kennis die in subjectieve belangendefinities is verwerkt, kan verkeerd en inadequaat zijn. Klassenmaatschappijen worden gekenmerkt door structureel ongelijke toegangskansen tot de middelen en instituties van kennisproductie. Hierdoor is niet alleen de feitelijk beschikbare kennis ongelijk verdeeld, maar bestaat er ook een grote klassenongelijkheid om van bestaande cognitieve (dominante en oppositionele) duidingspatronen gebruik te maken, of om deze te kritiseren en alternatieve cognitieve referentiekaders en verklaringen te formuleren).
      Vaak wordt er —ook (of zelfs?) door marxistische auteurs— van uitgegaan dat loonarbeiders op grond van hun feitelijke plaats in de maatschappelijke en organisatie-interne arbeidsdeling en hun klassenselectief beperkte educatiekansen niet in staat zijn de gecompliceerde maatschappelijke samenhang te overzien. Dit is een vooroordeel. Het feit dat loonarbeiders geen systematische kennis van het maatschappelijke klassensysteem hebben, hangt niet zozeer af van hun feitelijke plaats in de arbeidsdeling en van de voor hen ongunstige verdeling van onderwijsprivileges: “dit is een grens van de burgerlijke maatschappij als zodanig, die voor haar beter gesitueerden leden even zeer, in de regel nog sterker geldt” [Herkommer e.a. 1979:256]. Zie mijn eerder opmerking over de zgn. ‘principiële beperktheid van het arbeidersewustzijn’ in hoofdstuk XIII, § 4·3.

    Subjectieve definities van klassenbelangen kunnen worden getoetst op hun waarheidsgehalte, dat wil zeggen op de cognitieve adequaatheid van de definities van klassenbelangen en van de hierbij gebruikte cognitieve duidingspatronen en duidingen. Subjectieve klassenbelangen kunnen ‘onwaar’, ‘niet-welbegrepen’, ‘onrealistisch’ zijn.

    De cognitieve kritiek op subjectieve klassenbelangen kan zich richten op vier aspecten: (1) op de relatie tussen en aggregatie van de verschillende subjectieve (zoals economische, juridische, politieke) klassenbelangen; (2) op de relatie tussen korte- en langetermijnbelangen; (3) op de relatie tussen individuele en klassenbelangen en (4) op de relatie tussen directe en fundamentele belangen. In al deze opzichten kan het waarheidsgehalte van de definities van subjectieve klassenbelangen worden getoetst.

    Bij de constructie van objectieve klassenbelangen wordt verondersteld:

    • dat er in vergelijking met subjectieve belangendefinities objectievere of meer ware uitspraken mogelijk zijn over de (ontwikkeling van de) klassenstructuur en de hierdoor bepaalde antagonistische klassenposities.

    • dat dergelijke uitspraken ook gedaan kunnen worden over de overige factoren die de specifieke handelingssituatie van klassen bepalen (zoals over conjuncturele oorzaken, over de keuze van middelen en over de handelingsgevolgen).

    • dat men over meer ware en realistischer cognitieve duidingspatronen en verklaringen beschikt om informaties en kennisbestanden te interpreteren.

    Er wordt dus minimaal verondersteld dat degenen die de subjectieve belangendefinities van de klasse-actoren cognitief kritiseren, over meer ware en realistischer cognitieve duidingspatronen en verklaringen beschikken en/of over betere, meer valide en relevantere informatie. In de neoklassieke economie en in spel- en beslissingstheorieën worden deze minimale vereisten vaak opgeschroefd tot het ideale extreem van ware en objectieve kennis en van perfecte informatie. “Kennis en informatie kan betrokken worden op de structurele oorzaken van de problemen in specifieke situaties, of er kan de extreme eis worden gesteld dat het alle voor de strategische middelenkeuze relevante factoren en alle handelingsgevolgen moet omvatten” [Bader 1991: 141]. Al naargelang de vereiste of veronderstelde informatie en kennis kan men dus een onderscheid maken tussen sterke — maar onhoudbare! — en zwakke versies van de definitie van objectieve klassenbelangen. Het moge duidelijk zijn dat ook hier ‘slechts’ de zwakke variant wordt verdedigd.

  6. Legitimiteit
    In articulaties van subjectieve klassenbelangen zijn normatieve duidingen en duidingspatronen verwerkt. In klassenmaatschappijen zijn deze normatieve duidingen niet alleen uiterst tegenstrijdig, maar zijn ook de kansen om gebruik te maken van bestaande normatieve (dominante of oppositionele) duidingspatronen ongelijk verdeeld. Dat geldt dus ook voor de kansen om normatieve duidingspatronen aan kritiek te onderwerpen of alternatieve duidingspatronen te construeren.

    Subjectieve definities van klassenbelangen kunnen worden getoetst op hun legitimiteit, dat wil zeggen op de normatieve geldigheid van definities van klassendoelen en van de hierbij gebruikte normatieve duidingspatronen en duidingen. Subjectieve klassenbelangen kunnen ‘illegitiem’, ‘normatief ongeldig’ zijn.

    Strikt genomen zijn alle definities waarin uitbuitingsbelangen impliciet of expliciet worden verdedigd ‘illegitiem’. Uitbuitingsbelangen kunnen immers per definitie niet worden geuniversaliseerd (uitbuiting is nu eenmaal niet mogelijk zonder dat er mensen worden uitgebuit) en staan op schaamteloze voet van vijandschap met de elementaire basisprincipes van elke serieuze democratische ethiek. Uitbuitingsbelangen hebben geen universele strekking die door alle betrokkenen kunnen worden onderschreven — althans niet zonder schending van de democratische basisvoorwaarde van de communicatie. De symmetrie van rechten en plichten is een voorwaarde voor de gelijke vrijheid van alle individuen om hun menselijke vermogens optimaal te ontwikkelen [→ hoofdstuk II, § 1].

      Zie voor een uitwerking van de universaliseringsregel in het kader van de onderbouwing van een discoursethiek: Habermas [1984:53 e.v., 172 e.v.].

    In de constructie van objectieve klassenbelangen wordt verondersteld:

    • dat het mogelijk is om de cognitieve elementen van de belangendefinitie te onderscheiden van hun normatieve aspecten en dat het op grond van rationele argumentatie mogelijk is om het normatieve gehalte van klassenspecifieke doelen zelf te bekritiseren.

    • dat het mogelijk is om over de legitimiteit van subjectieve klassenbelangen te oordelen, zonder dat dit in strijd komt met de — normatief te veronderstellen — autonomie van actoren om uiteindelijk zelf over hun belangen te beslissen.

    • dat degenen die de subjectieve belangendefinities van de klasse-actoren normatief kritiseren zelf over normatief juiste duidingspatronen en democratische waarden beschikken.
        Ook deze minimale vereisten kunnen zo extreem worden opgeklopt dat men absolute geldigheid van normatieve uitgangspunten en waarden gaat veronderstellen. Al naar gelang de vereiste of veronderstelde geldigheid van normatieve uitgangspunten kan men dus een onderscheid maken tussen normatief sterke — maar onhoudbare! — en zwakke versies van de definitie van objectieve klassenbelangen. Het moge duidelijk zijn dat ook op dit punt ‘slechts’ de zwakke variant wordt verdedigd. De sterke variant is immers niet of nauwelijks verenigbaar met de normatief te veronderstellen mondigheid van klasse-actoren.

Uit deze constructie van objectieve klassenbelangen kunnen twee claims worden afgeleid. De eerste claim is dat de actoren hun subjectieve klassenbelangen anders zouden definiëren (meer in overeenstemming met de geconstrueerde objectieve klassenbelangen) wanneer zij zich uitsluitend strategisch zouden gedragen, wanneer zij over ware kennis en betere informatie over hun objectieve klassenpositie zouden beschikken, wanneer zij psychisch vrij zouden zijn en in staat om vrij met elkaar te communiceren De tweede claim is dat de actoren bovendien rationeler zouden handelen dan zij in feite doen wanneer zij meer handelingsaspecten rationeel zouden controleren.

Objectieve klassenbelangen en mystificatie
Voor Wright zijn objectieve klassenbelangen “hypotheses about the objectives of struggles which would occur if the actors in the struggle had a scientifically correct understanding of their situations” [Wright 1979:89]. Het begrip objectief klassenbelang impliceert dus een notie over de rationaliteit van de klasse-actoren (onder specifieke condities).

In aansluiting op Lukács legt hij het zwaartepunt in zijn definitie van objectieve klassenbelangen op het voor de kapitalistische arbeidswijze kenmerkende fenomeen van de mystificatie.

    “Class interests in capitalist society are those potential objectives which become actual objectives of struggle in the absence of the mystifications and distortions of capitalist relations” [idem].
En passant merkt hij op dat dit een wat vereenvoudigde voorstelling van zaken geeft:
    “Mystification is not the only factor which obstructs the translation of objective interests into subjective motives within the class struggle” [idem].
Ook de repressiviteit van de staat speelt een rol omdat dit de organisatie van de strijd rond diverse klassenbelangen kan blokkeren.

Wright beperkt zijn argumentatie tot een afbakening van de claim die uit zijn definitie van objectieve klassenbelangen kan worden afgeleid.

    “To make the claim that socialism is in the ‘interests’ of the working class is not simply to make an ahistorical, moralistic claim that workers ought to be in favour of socialism, nor to make a normative claim that they would be ‘better of’ in a socialist society, but rather to claim that if workers had a scientific understanding of the contradictions of capitalism, they would in fact engage in struggles for socialism. In these terms, the very definition of class is systematically linked to the concept of class struggle: to define a position as located within the working class is to say that such a position can potentially sustain socialist objectives in class struggles” [idem].
Tien jaar later benaderde hij het probleem van de objectieve klassenbelangen iets afstandelijker en vraagt hij zich af hoe een dergelijke claim kan worden gerechtvaardigd. Hij herhaalt zijn inmiddels bekende reductie van klassenbelangen tot materiële belangen. Zijn vooronderstelling is dat mensen altijd een objectief belang bij hun eigen materiële welvaart hebben. Welvaart wordt gedefinieerd als de combinatie van hoeveel mensen consumeren en hoe hard zij voor deze consumptie moeten werken: mensen hebben dus een objectief belang “in reducing the toil necessary to obtain whatever level of consumption they desire” [Wright 1985:36; vgl. Wright/Levine/Sober 1992:39-43].

Het bezwaar tegen Wright’s benadering is niet dat hij aan de mystificaties en vertekeningen van de kapitalistische verhoudingen zo’n prominente plaats toekent. Voor kapitalistische maatschappijformaties is dit de meest doorslaggevende obstruerende factor voor de ‘vertaling’ van objectieve klassenbelangen naar subjectieve klassenbelangen. Zie hoofdstuk XIII, § 4·1 over verdinglijking en klassenbewustzijn.

Het bezwaar is ten eerste dat Wright een nogal beperkte explicatie geeft van de vooronderstellingen van de constructie van objectieve klassenbelangen. Omdat zijn definitie van objectieve klassenbelangen zulke vergaande implicaties heeft (zijn hele theorie van klassenhandelen is hierop gebaseerd!) zou men hier niet licht aan moeten tillen.

Ten tweede schroeft Wright de cognitieve vooronderstellingen van het begrip objectief klassenbelang zo ver op dat alleen klasse-actoren met een ‘wetenschappelijk correct begrip van hun klassensituatie’ in staat zijn hun klassendoelen adequaat te formuleren, dat wil zeggen in overeenstemming te brengen met hun objectieve klassenbelangen. Indien de strijd voor socialisme alleen gedragen zou (kunnen) worden door arbeiders met “een wetenschappelijk begrip van de contradicties van het kapitalisme” dan is onder de huidige voorwaarden van arbeids- en kennisdeling waarschijnlijk slechts een intellectuelen-socialisme (of een socialisme voor intellectuelen) denkbaar. Voor niet-wetenschappelijk geschoolde loonarbeiders is dit in ieder geval geen wenkend perspectief.

De extreme cognitieve vooronderstelling in Wright’s constructie van objectieve klassenbelangen maakt zijn claim weliswaar ‘sterk’, maar in deze vorm ook moeilijk houdbaar.

Kritiek op subjectieve klassenbelangen van uitgebuite klassen is van vitaal belang voor emancipatorische klassenbewegingen, voor een kritische sociale wetenschap en in het bijzonder voor een klassenanalyse. Daarbij speelt de constructie van objectieve klassenbelangen een uitermate belangrijke rol.

Tussen subjectieve en objectieve definities van klassenbelangen en tussen hypothetisch verwacht en feitelijk klassenhandelen bestaat altijd een meer of minder grote discrepantie. In verklarende strategieën van sociale wetenschappers moet deze discrepantie theoretisch worden overwonnen.

Modellen van strategisch-rationeel handelen vervullen in empirische analyses van klassenhandelen een belangrijke heuristische functie. Heuristische exercities wijzen de weg naar verklarende vragen. “Zij dienen als vergelijkingsmaatstaf voor empirisch belangrijke vragen zoals: (a) waarom werd er juist niet strategisch gehan-deld? (b) in welke mate werd er strategisch gehandeld? (c) in welke mate werd er wel strategisch, maar toch niet rationeel gehandeld? (d) in welke mate werd er strategisch-rationeel gehandeld?” [Bader 1991:39].
De constructie van objectieve klassenbelangen maakt het mogelijk om te verklaren waarom de klasse-actoren hun belangen niet zo definiëren of definieerden als op grond van deze constructie verwacht zou mogen worden. In pedagogische of praktische strategieën fungeert de constructie van objectieve klassenbelangen als referentiekader om de subjectieve definities van klassenbelangen zelf te veranderen.

Paternalisme
Onder bepaalde voorwaarden kan cognitieve en normatieve belangenkritiek leiden tot paternalisme van woordvoerders en voorhoedes. Definities van objectieve klassenbelangen worden paternalistisch (i) wanneer de cognitieve of normatieve kritiek op subjectieve klassenbelangen ertoe leidt dat de actoren feitelijk of wettelijk worden verhinderd hun eigen individuele en klassenbelangen zelf te formuleren en (ii) wanneer de critici (als woordvoerder, representant, profeet of plaatsvervanger) in hun plaats beslissen.
    “Het paternalisme is de autocratie met het slechte democratische geweten. Zoals bij alle autocratische beslissingen wordt daarbij beweerd dat de beslissingen van de verlichte, alwetende en goedmoedige heersers of elites in het objectieve belang zijn van degenen over wier hoofden heen beslist wordt. Bovendien wordt beweerd dat deze ondemocratische beslissingspraktijk voorlopig en tijdelijk is: de kinderen worden volwassen en de patiënten gezond, de consumenten leren de ware preferenties kennen en het proletariaat zijn historische missie” [Bader 1991:148].
Definities van objectieve klassenbelangen zijn principieel niet-paternalistisch “wanneer zij normatief uitgaan van de cognitieve en morele mondigheid van de actoren en zij hun uiteindelijke subjectieve belangendefinities en -beslissingen met alle consequenties erkennen, ook indien deze niet overeenstemmen met de door de critici geformuleerde objectieve klassenbelangen (hoe verkeerd of verwerpelijk zij deze uiteindelijke definities en beslissingen in laatste instantie ook mogen vinden)” [idem].

Het gevaar van paternalisme kan worden vermeden. Cognitieve en normatieve kritiek op subjectieve belangen zijn wel degelijk verenigbaar met basisprincipes van democratische besluitvorming (vrijheid, gelijkheid, mondigheid en autonomie). En zij zijn ook verenigbaar met het principe dat actoren over hun eigen individuele en klassenbelangen de definitieve beslissingen dienen te nemen.

Index


6·2 Typologie van klassenbelangen
Tegen de achtergrond van de constructie van objectieve klassenbelangen is het mogelijk een typologie van klassenbelangen te construeren. Deze typologie is georganiseerd rond twee vragen: in welke mate zijn objectieve klassenbelangen feitelijk handelingsrelevant en in welke mate worden deze klassenbelangen als zodanig bewust ervaren en gearticuleerd?

  1. Objectieve klassenbelangen
    Het uitgangspunt van deze typologie zijn de objectieve klassenbelangen. Deze werden gedefinieerd als klassenbelangen die op grond van een hypothetische of theoretische constructie aan individuen worden toegeschreven en dus onafhankelijk van hun ervaring, bewustheid, definitie of articulatie zijn geformuleerd.

    Objectieve klassenbelangen veronderstellen een specifieke strategische oriëntatie op klassenspecifieke doelen. Zij moeten daarom niet worden verwisseld met objectieve klassenposities: ook hypothetische of geconstrueerde oriëntaties blijven oriëntaties.

    Zolang zij geen latente klassenbelangen zijn en niet subjectief als zodanig worden ervaren en gedefinieerd, zijn objectieve klassenbelangen slechts potentiële en geen actuele klassenbelangen. Objectieve klassenbelangen zijn als zodanig geen werkelijke handelingsmotieven en dus niet handelingsrelevant. Hoe ‘waar’ hun constructie ook moge zijn, zij hebben als zodanig geen directe invloed op het handelen van de individuen waaraan deze belangen worden toegeschreven.

    Dit betekent echter niet dat objectieve klassenbelangen louter fictieve, willekeurige of speculatieve constructies zijn.

    • Van objectieve klassenbelangen is immers alleen sprake “wanneer de potentiële belangen die daaraan worden toegeschreven, voldoen aan specificeerbare, controleerbare en kritiseerbare eisen (‘waarheidstest’ van objectieve belangendefinitie)” [Bader 1991:139]. Niet alle willekeurige potentiële klassenbelangen zijn dus objectieve klassenbelangen. Objectieve klassenbelangen zijn potentiële belangen die waarheidstests hebben doorstaan.
    • Bovendien is er een grote structurele waarschijnlijkheid dat objectieve klassenbelangen op den duur als subjectieve klassenbelangen worden gearticuleerd. Dit gebeurt wanneer dit articulatieproces niet meer of in mindere mate wordt belemmerd door de eerder genoemde obstructiemechanismen.
    • Objectieve klassenbelangen bestaan tenslotte voor sociale wetenschappers slechts werkelijk op het niveau van hun klassenanalyse; op dat niveau zijn ze ook werkzaam omdat de analyse van objectieve klassenbelangen een goede ingang biedt voor de analyse van de feitelijke subjectieve definities van klassenbelangen.

  2. Potentiële en actuele klassenbelangen
    Potentiële klassenbelangen zijn belangen die als zodanig geen feitelijke handelingsmotieven vormen. Actuele klassenbelangen zijn feitelijk handelingsrelevant, of zij nu als zodanig bewust zijn of niet.

  3. Latente en manifeste klassenbelangen
    Latente klassenbelangen zijn feitelijk werkzame handelingsmotieven waarvan actoren zich niet als zodanig bewust zijn. Hoe ‘onwaar’, ‘verkeerd’ of ‘ongeinformeerd’ de latente klassenbelangen ook mogen zijn, zij zijn als zodanig handelingsrelevant.

    Manifeste klassenbelangen zijn actuele en als zodanig ervaren en bewuste belangen. Samen met de latente belangen bepalen zij de feitelijke richting waarin de leden van een bepaalde klasse hun belangen nastreven.

    Alles op één hoop
    Wright merkt op dat theoretici kunnen zeggen wat zij willen over de ‘materiële belangen’ van een klasse, “but the people in a class will act on those interests only to the extent that they become actual, subjective preferences. Common material interests, therefore, only become part of the commonality of class membership if they generate a set of systematic experiences that actively shape subjective understanding” [Wright 1989: 288]. Voor Wright zijn belangen dus slechts handelingsrelevant (‘causally effective’) wanneer zij zijn belichaamd in het subjectieve begrip van actoren. Dit komt omdat hij actuele en subjectieve klassenbelangen op een hoop gooit en geen onderscheid maakt tussen bewuste en onbewuste/voorbewuste handelingsmotivatie.

  4. Subjectieve klassenbelangen
    Subjectieve klassenbelangen zijn klassenbelangen die door de individuen feitelijk en bewust als zodanig worden ervaren en gedefinieerd. Subjectieve klassenbelangen zijn altijd actuele, handelingsrelevante belangen.

    Niet alle actuele klassenbelangen zijn echter subjectieve klassenbelangen. Subjectieve klassenbelangen zijn de actuele klassenbelangen die bewust en manifest zijn en als zodanig door de actoren zijn gedefinieerd.

    Subjectieve klassenbelangen kunnen verkeerd, verdraaid, vertekend, ongeïnformeerd en systematisch gemanipuleerd zijn. Dat neemt niet weg dat zij als zodanig de klassenspecifieke handelingen van de actoren bepalen. Het feit dat handelingsgronden (redenen en motieven) causaal werkzaam zijn, betekent zeker niet dat deze gronden ook geldig zijn; daarom is cognitieve en normatieve kritiek op subjectieve belangendefinities mogelijk.

Figuur 14_2: Typologie van klassenbelangen


    Bron: Schema 6 uit Bader [1991:139], voor klassen gemodificeerd.

Index


6·3 Morren, remmen en staken
De mogelijkheden en vruchtbaarheid van deze typologie van klassenbelangen kan hier niet uitvoerig worden gedemonstreerd. In plaats daarvan geef ik een korte illustratie van het uit de geschiedenis van het arbeidersverzet bekende verschijnsel van het ‘remmen’.

De door klassenposities gestructureerde potentiële klassenbelangen zijn als zodanig niet handelingsstructurerend. Zodra deze potentiële belangen echter worden geactualiseerd, leiden zij in eerste instantie tot elementaire — reactieve, onbewuste — vormen van klassenhandelen.

Dit bijna instinctmatige klassenhandelen werd door Max Weber massahandelen genoemd. Het effect van een door de klassenpositie gestructureerd actueel of latent klassenbelang kan beperkt blijven tot “het voortbrengen van in wezen gelijksoortige reacties, dat wil … zeggen: het genereert ‘massahandelen’. En zelfs dit is niet altijd het geval” [Weber WG:533 - vert. 86].

In Weber’s terminologie is massahandelen geen zinmatig, maar causaal bepaald handelen. Strikt genomen is massahandelen dus geen sociaal handelen omdat het niet georiënteerd is op het —actuele, toekomstige of verleden— gedrag van anderen. Massahandelen is louter reageren van een ‘meute’ op een (veranderde) situatie waarin zij tijd-ruimtelijk is geconcentreerd [WG:11, 533].

Toch is dit massahandelen de meest elementaire vorm van klassenhandelen: alle andere vormen bouwen voort op dit spontane klassenhandelen. Wanneer het latente klassenbelang als zodanig wordt ervaren en dus enigszins bewust wordt, ontstaat er in eerste instantie een amorf gemeenschappelijk handelen.
Wat is morren?
De Nederlandse taalkundige synoniemen voor morren duiden aan waar het om gaat: brommen, kankeren, klagen, mompelen, mopperen, mummelen, murmelen, protesteren, pruttelen, ruisen en twisten.

In Bijbels idioom: “Doet alles zonder morren of bedenkingen, opdat u zuiver en smetteloos bent”, of in de oude dictie: “Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspreken” [Filippenzen 2:14].

Een voorbeeld hiervan is het morren van (loon)slaven dat al bekend is uit de oude Oosterse ethiek: de morele afkeuring van het gedrag van de opzichters. De praktische betekenis hiervan is ongeveer dezelfde als het remmen van de arbeiders volgens stilzwijgende afspraak: het opzettelijk beperken van de arbeidsprestaties.

De praktijk van het remmen wijst erop dat het objectieve (maar daarom nog slechts potentiële) klassenbelang dat loonarbeiders hebben bij de bescherming van hun eigen arbeidsinzet tot actueel klassenbelang is geworden (anders zou deze praktijk zich niet kunnen voordoen). Bovendien is dit klassenspecifieke belang manifest geworden en wordt het als zodanig subjectief ervaren. Het remmen is immers een gerichte en grotendeels bewuste beperking van de arbeidsprestatie door loonarbeiders.

Remmen is een bewuste beperking van de arbeidsprestatie van de kant van de arbeiders. De toename van dit verschijnsel loopt parallel met de toenemende rationalisering van de loonsystemen die op planmatige prestatieverhoging zijn gericht, maar ook met de afname van stakingskansen ten gevolge van de verbeterde organisatie van de ondernemers. Ondernemers die de vakbonden verantwoordelijk stellen voor het om zich heen grijpen van het remmen vergissen zich.

In zijn — helaas in de vergetelheid geraakte — studie Zur Psychophysik der industriellen Arbeit [1908/9] analyseert Weber dit verschijnsel uitvoeriger.

Het remmen is een klassenpraktijk met zeer uiteenlopende vormen. Wanneer het specifieke klassenbelang dat aan deze praktijk ten grondslag ligt slechts een latent en nog geen manifest klassenbelang is, zal het remmen een tamelijk willekeurige of spontane vorm aannemen. Wanneer dit klassenbelang echter als zodanig bewust wordt ervaren en subjectief als klassenbelang gedefinieerd, zal het remmen een meer bewuste en strategisch gerichte vorm aannemen.

Wat als elementaire verzetspraktijk historisch is ontstaan en door overlevering in de arbeidersbeweging werd bestendigd, kan op basis van leerprocessen zelfs zodanig strategisch worden gecultiveerd dat het niet alleen een dominante vorm van belangenbehartiging (loonpolitiek én arbeidspolitiek) wordt, maar zelfs uitdrukking kan geven aan meer algemene onvrede met het exploitatiesysteem als zodanig.

Wanneer de externe handelingskansen voor het organiseren van een staking voor lotsverbetering ongunstig zijn, is de moeilijk te onderdrukken, maar vaak uiterst effectieve verzetspraktijk van het remmen een alternatieve manier om zich te weer te stellen tegen planmatig afgedwongen prestatieverhogingen. De kosten van het remmen zijn voor de betrokken loonarbeiders vaak aanzienlijk lager dan bij stakingen. Want bij stakingen gaat het om de strategische vraag wie het langst kan wachten, en het is ook voor ondernemers duidelijk dat zij in ieder geval over een ‘structureel langere adem’ beschikken dan de van hen afhankelijke loonarbeiders.

Het collectieve remmen heeft zich historisch ontwikkeld uit individuele ontwijkings- en verzetspraktijken. Hiertoe behoren onder andere het absenteïsme, het ziekteverzuim (‘ziekvieren’) en de individuele sabotage. Dit zijn allemaal uitdrukkingen van individueel verweer tegen harde en vaak onmenselijke arbeidsomstandigheden waaraan men zich nog niet anders kan onttrekken. Door betweterige sociale wetenschappers en sociaal-historici zijn deze individuele ontwijkings-, ontsnappings- en verzetsstrategieën vaak geïnterpreteerd (en moreel gediscrediteerd) als louter uitingen van blinde hulpeloosheid, als wanhoopsdaden.

Vertwijfeling, opgekropte woede en tragisch isolement spelen natuurlijk bij sommige van deze individuele praktijken een belangrijke of opvallende rol. Dat neemt echter niet weg dat zij ook zeer vaak uitdrukking zijn van een gerichte strategie en dat daarachter een duidelijk besef van individuele en klassenbelangen schuilt.

Index7. Korte- en langetermijnbelangen

7·1 Klassenbelangen in tijdsperspectief
In de verklaring van klassenhandelen spelen toekomstverwachtingen een belangrijke rol. Tussen actuele en toekomstige klassenbelangen bestaat een spanningsverhouding. Dit levert problemen op bij de afweging van belangen op korte, middellange en lange termijn. Bij de afweging van klassenbelangen speelt dit net zo’n grote een rol als bij individuele belangen.

  1. Er bestaat een verschil in tijdsperspectief waarin actoren hun individuele en klassenbelangen definiëren. Deze verschillen zijn echter gradueel en daarom zijn ook de verschillen tussen korte-, middellange- en langetermijnbelangen vloeiend.
      “Familiale reproductie- en prestigebelangen omvatten meerdere generaties en ook individuele carrièrestrategieën verlangen gedifferentieerde afwegingen tussen korte- en langetermijnbelangen. In kapitalistische ondernemingen moet het langetermijnbelang van rentabiliteitsoptimalisering worden afgewogen tegen het korte-termijnbelang van winstmaximalisering” [Bader 1991:152].

  2. Het tijdsperspectief of de tijdshorizon is klassenspecifiek gekleurd. Leden van positief geprivilegieerde klassen hebben op grond van hun klassen- en heerschappijposities betere mogelijkheden om op langere termijn te plannen. Leden van negatief geprivilegieerde klassen beschikken in de regel over te weinig materiële bronnen om op langere termijn te plannen. Voor hun dagelijkse reproductie zijn zij gedwongen hun eigen arbeidskracht permanent te verhuren.

  3. Klassenbelangen op korte termijn worden meestal gemakkelijker herkend en daarom eerder als subjectieve klassenbelangen gedefinieerd dan klassenbelangen op lange termijn. De definitie van klassenbelangen op korte termijn vereist nu eenmaal minder onzekere prognoses.
      “Hun definitie vereist minder prognostiek en bevat minder onzekerheid. De data die in situatiedefinities gebruikt worden, zijn bekender en toegankelijker, de te verwachten strategieën van anderen beter voorspelbaar, en de actuele waarderingspreferenties duidelijker en stabieler. Langetermijnbelangen bevatten uitspraken over ver vooruit liggende toekomstige ontwikkelingen. De toekomst is weliswaar gestructureerd, maar open; de voorspellende mogelijkheden van de actoren en van de wetenschappen, met name van de sociale wetenschappen, zijn zeer beperkt. Langetermijnbelangen zijn daarom vaak slechts potentiële belangen die door complexe en onzekere cognitieve prognoses en door expressieve dramatisering en overdrijving bewust gemaakt moeten worden; bovendien moeten zij tegen de beperkte en op den duur nadelige of zelfdestructieve korte-termijnbelangen worden doorgezet. De grotere cognitieve onzekerheid en onbeslisbaarheid impliceert dat tegelijkertijd de betekenis van normatieve en expressieve aspecten van de situatiedefinities toeneemt: in de strijd om de definitie van de langetermijnbelangen wordt de op zich al poreuze grens tussen wetenschappers en profeten bijna onzichtbaar” [Bader 1991:152].

  4. Klassenbelangen op korte termijn worden meestal hoger gewaardeerd dan die op lange termijn. Het nastreven van klassenbelangen op middellange en lange termijn vereist meestal dat men afziet van actuele consumpties en bevredigingen. Bovendien is het uitermate ingewikkeld om de voor- en nadelen van deze klassenbelangen exact af te wegen. Dit veronderstelt immers dat men in staat is een enigszins nauwkeurige vergelijking te maken tussen actuele en toekomstige winsten of verliezen. Om te kunnen calculeren wordt meestal eenvoudig verondersteld dat de kosten en baten kwantitatief en temporeel vergelijkbaar zijn.

    In speltheoretische modellen wordt dit slechts schijnbaar opgelost door alle belangen tot monetaire belangen te reduceren. In de werkelijke wereld van conflicterende klassenbelangen worden echter telkens contextspecifieke vergelijkingen gemaakt die zich zeker niet tot monetaire klassenbelangen beperken, en er worden afwegingen gemaakt die niet of nauwelijks gekwantificeerd kunnen worden.

    De wijze waarop ondernemers en managers het korte-termijnbelang van winstmaximering afwegen tegen het langetermijnbelang van de rentabiliteitsoptimalisering kan nog enigszins worden berekend omdat hierbij per definitie het geld als maateenheid fungeert. Bij de afweging van de korte- en langetermijnbelangen van de arbeidersklasse is dit praktisch onmogelijk omdat het spectrum van de klassenbelangen hier veel breder en heterogener is.

Index


7·2 Tijdshorizon en individuele levensplanning
De tijdshorizon van de definitie van individuele en klassenbelangen is klassenspecifiek gekleurd. Ook in het moderne kapitalisme leert de arbeidersjeugd op grond van primaire en secundaire socialisatieprocessen en anticipatie op beroepscarrières die binnen hun sociale ervaringshorizon liggen al vroeg een attitude aan waarin relatief weinig ruimte is voor realistische toekomst-planning — wel voor onrealistische toekomstfantasieën. Dit door de objectieve klassenpositie gestructureerde en door klassehabitus gemedieerde relatieve onvermogen om plannen te maken voor de toekomst “vormt een vicieuze cirkel waaruit maar een enkeling weet te ontsnappen. In dit proces wordt de klassenstructuur —als in de diepvries bewaard— van generatie op generatie overgedragen” [Rubin 1976:40].

Vooral in studies over de armoedecultuur is deze vicieuze cirkel uitgebreid geanalyseerd. Dit gebrek aan planning is niet te wijten aan “een of ander gedegenereerd onvermogen van de arbeidersklasse om bevrediging uit te stellen; ze hèbben gewoon maar heel weinig om uit te stellen. In de kontext van hun leven en hun dagelijkse strijd heeft het weinig zin om hetzij achteruit hetzij vooruit te kijken; plannen maken voor de toekomst lijkt nergens op te slaan. Daarom worden in het algemeen geen plannen gemaakt met betrekking tot het werk dat ze in hun leven zullen gaan doen, het gebeurt gewoon” [idem].

‘Wij zijn zo geoefend in het wachten, dat als een kind het bij ons hoort’ — schreef een dichteres waarvan de naam mij helaas ontschoten is.
Leden van uitgebuite werkende klassen zijn juist gedwongen zijn om bevrediging uit te stellen, “terwijl degenen die bovenaan staan er meestal in slagen te hebben én tegoed te houden” [idem:72].

Dit betekent overigens niet dat leden van de arbeidersklasse geen individuele levensplanning maken. Integendeel, door de toegenomen materiële levensstandaard is het voor grote delen van de moderne arbeidersklasse mogelijk geworden om ‘iets opzij te zetten’ voor de individuele verzekering van de toekomst, voor langere-termijnplanning van de individuele consumptie (auto’s, verre reizen) en voor het verwerven van een eigen huis.

Integratie in markteconomie, formele consumptievrijheid en kredietwaardigheid
Omdat proletariërs aanvankelijk geen of in ieder geval geen volledige burgerrechten hadden, waren zij oorspronkelijk geen burgers. Evenals de paupers waren zij een klasse die buiten de burgerlijke maatschappij stond en geen deel had aan burgerlijke normen en omgangsvormen. Het duurde zeer lang voordat de loonarbeiders als een bijzondere categorie eigenaars werden erkend en in de maatschappij van privé-eigenaars werden geïntegreerd.

Voor dit integratieproces van loonarbeiders in de markteconomie waren talloze sociaal-politieke overheidsmaatregelen nodig (zoals afschaffing van gedwongen winkelnering en uitbetaling in goederenbonnen) voordat tenminste de formele consumptievrijheid voor de massa van de loonarbeiders werd bereikt. Het sociale verzekeringsstelsel speelde een katalyserende rol bij deze “emancipatie van de arbeider tot een particuliere geldbezitter en formeel ‘soevereine’ koper van waren” [Krätke 1990:683].

Door de verhoging van de materiële levensstandaard en de verdere uitbouw van de moderne verzorgingsstaat zijn grote delen van de arbeidersklasse ‘fatsoenlijke’ leden van de kapitalistische marktmaatschappij geworden. Loonarbeiders bezitten tegenwoordig niet alleen duurzame consumptiegoederen zoals auto’s en huizen, maar zij hebben ook een eigen bankrekening, betalen met bankpasjes en hebben zelfs kredietkaarten. Een toenemend aantal loon- en soms zelfs uitkeringsafhankelijken heeft inmiddels voldoende zekerheden te bieden om ook door banken als kredietwaardig te worden geaccepteerd [Krätke 1989:289, 1991, 1992].

Een centraal element in deze levensplanning is de verbetering van de levenskansen van de opgroeiende generatie. De actuele belangen worden binnen de tijdshorizon van de familiaire reproductie gedefinieerd: door de verhoging van de eigen arbeidsprestatie (inclusief overwerk) en door deelname van de echtgenote aan het arbeidsproces worden financiële middelen verworven om hun eigen kinderen een betere startkans te geven.

Anders gezegd: het tijdsperspectief waarin volwassen en ouderlijke loonarbeiders hun eigen individuele en klassenbelangen afwegen, wordt mede bepaald door (projecties op) de volgende generatie. De actuele levensverhoudingen en belangen worden als het ware getransponeerd naar toekomstige levensverhoudingen en belangen, namelijk die van de jeugd. Herkommer e.a. [1979: 164,189,196,263] geven een theoretische interpretatie en empirische demonstratie van dit verschijnsel.

In dit ‘getransponeerde bewustzijn’ worden de treurige overblijfselen van de illusie dat iedereen de smid is van zijn eigen geluk tot uitdrukking gebracht in de hoop dat het de volgende generatie beter zal afgaan. ‘Als onze kinderen het maar beter krijgen’.

Index8. Directe en fundamentele klassenbelangen

In de verklaring van klassenhandelen spelen niet alleen de sociale en temporele, maar ook de inhoudelijke structurering van de klassendoelen een cruciale rol. Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen directe en fundamentele klassenbelangen.

Directe klassenbelangen zijn klassenbelangen die binnen een gegeven structuur van klassenverhoudingen gerealiseerd kunnen worden, fundamentele klassenbelangen stellen de klassenstructuur zelf ter discussie [Wright 1975:89; 1979:205; 1985:62].

Directe klassenbelangen worden dus binnen een gegeven arbeidswijze en nemen de arbeidswijze en uitbuitingsstructuur als een gegeven, terwijl fundamentele klassenbelangen tussen arbeidswijzen gedefinieerd worden (zij stellen de arbeidswijze zelf ter discussie).

Het onderscheid tussen directe en fundamentele klassenbelangen is weliswaar nauw verbonden met het temporele onderscheid tussen korte- en langetermijnbelangen, maar het is hiermee niet noodzakelijk equivalent en moet hiervan daarom analytisch worden onderscheiden. De strijd om de structuur van een klassenmaatschappij is vaak ‘lange termijn’ strijd. Het kritieke punt bij directe en fundamentele klassenbelangen is het inhoudelijke doel van het klassenhandelen en niet de tijdshorizon van dat handelen.

‘Systeemimmanente’ en ‘systeemoverstijgende’ klassenbelangen liggen niet zonder meer in elkaars verlengde en dit levert problemen op bij de afweging van directe en fundamentele klassenbelangen. Deze problemen zijn vergelijkbaar met de hiervoor geschetste problemen bij de afweging van klassenbelangen in het tijdsperspectief.

  1. Het inhoudelijke onderscheid tussen directe en fundamentele klassenbelangen is gradueel en de overgangen tussen beide klassenbelangen is vloeiend. Directe klassenbelangen zijn geen ‘valse’ belangen, het zijn hoogstens ‘incomplete’ klassenbelangen. Een klasse-actie voor hoger loon of arbeidstijdverkorting indiceert immers veeleer dat loonarbeiders een correct begrip hebben van hun directe bestaansvoorwaarden binnen het kapitalisme. Een strategische beperking van klasse-acties tot loonkwesties reflecteert daarentegen een onvolledig begrip van de aard van de kapitalistische maatschappij als geheel [Wright 1975:92].

  2. Het inhoudelijke perspectief is klassenspecifiek gekleurd. Leden van sterk negatief geprivilegieerde klassen en klassefracties die onder extreme overlevingsdwang staan, prefereren in de regel directe boven fundamentele klassenbelangen. Voor analyses van het klassieke lompenproletariaat is dit een even belangrijk gegeven als voor analyses van de moderne ‘onderklassen’ die zich ondanks — of juist door — het sociale zekerheidsstelsel van de verzorgingsstaat niet aan hun relatieve armoede kunnen ontworstelen [Piven/Cloward 1979,1988; Krätke 1983; Vlek 1991].

  3. Directe klassenbelangen worden meestal gemakkelijker herkend en daarom eerder als subjectieve klassenbelangen gedefinieerd dan fundamentele klassenbelangen, omdat zij minder prognostiek vereisen en een grotere zekerheid bieden.

  4. Directe klassenbelangen worden meestal hoger gewaardeerd dan fundamentele klassenbelangen, omdat zij niet vereisen dat men van actuele bevredigingsmogelijkheden afziet en het gemakkelijker is de voor- en nadelen ervan af te wegen. Bij de strijd voor directe lotsverbetering (zoals acties voor hoger loon, betere levensomstandigheden, betere onderwijskansen) zijn de strategische calculaties allesbehalve eenvoudig. De complexiteit van strategische calculatie neemt exponentieel toe wanneer de fundamentele klassenbelangen in het vizier komen en men bijvoorbeeld strategische gedachten gaat vormen over de kosten en baten van ‘uitdagingen aan het kapitalisme’ en van de diverse wegen die naar diverse vormen van socialisme zouden kunnen leiden.

  5. De belangen van zowel de uitgebuite als de uitbuitende klassen zijn op het niveau van de directe belangen meestal veel meer verdeeld dan op het niveau van de fundamentele klassenbelangen. Het is echter tamelijk irreëel om het klassenhandelen sterk rond fundamentele belangen te organiseren zonder tegelijkertijd rekening te houden met de —uiteenlopende— directe klassenbelangen.

    Directe en fundamentele klassenbelangen zijn weliswaar nauw met elkaar verweven, maar liggen lang niet altijd in elkaars verlengde. Deze tegenstellingen en spanningsverhoudingen tussen directe en fundamentele klassenbelangen kunnen niet zomaar worden weggepoetst. Het doorbreken van het bekende dilemma tussen ‘reformisme’ (strategische beperking tot directe klassenbelangen) en ‘revolutie’ (strategische beperking tot fundamentele belangen) is de ratio van alle concepties van ‘anti-kapitalistische structuurhervormingen’. Voorstellen voor ‘niet-reformistische hervormingen’ (van Lenin, via André Gorz tot Roberto Unger) pogen dit dilemma te doorbreken en concentreren zich op hervormingen die aanknopen bij directe belangen en tegelijkertijd —ook in niet-revolutionaire situaties— een stimulans zijn voor de behartiging van fundamentele klassenbelangen.

Index9. Beïnvloeding van definities van klassenbelangen

Klassenbelangen zijn altijd betrokken op potentiële of actuele, huidige of (geanticipeerde) toekomstige strategische interacties tussen klassengebonden politieke krachten. Klassenbelangen impliceren niet alleen informatie over de objectieve klassenpositie en -situatie, maar ook over feitelijke of verwachte handelingsstrategieën en handelingen van klassentegenstanders.

Klassenbelangen zijn enerzijds directe motieven en aanleidingen tot of oorzaken van klassenconflicten. Wanneer behoeften of handelingsdoelen als klassenbelangen worden gedefinieerd, ontstaan er klassenconflicten zodra aan andere voorwaarden is voldaan die voor het uitbreken van actuele klassenconflicten noodzakelijk zijn.

Weber merkt op dat de richting waarin de individuele arbeider zijn belangen nastreeft, kan variëren “al naar gelang er uit de ‘klassenpositie’ een gemeenschappelijk handelen is ontstaan voor een groter of kleiner gedeelte van degenen die zich in dezelfde klassenpositie bevinden, of zelfs een associatie (bijvoorbeeld een ‘vakbond’) onder hen gegroeid is waarvan het individu bepaalde resultaten kan verwachten” [Weber, WG:532 - vert. 85].
Anderzijds zijn klassenbelangen echter ook resultaten van klassenconflicten. De definities van klassenbelangen blijven betrokken op actuele en verwachte klassenconflicten en worden daarom telkens weer geherdefinieerd.

Klassenbewegingen ontstaan pas wanneer de tegenstelling tussen de eigen klassenbelangen en die van de potentiële of actuele klassetegenstander als zwaarwegender worden ervaren dan mogelijke tegenstellingen tussen de eigen individuele belangen en de klassenbelangen. Of dit daadwerkelijk gebeurt, is afhankelijk van twee condities.

De subjectieve definities van klassenbelangen kunnen door overtuigingsstrategieën worden beïnvloed. Het beïnvloeden van definities van klassenbelangen is zowel onderdeel van emancipatiestrategieën van subalterne klassen als van sociale controlestrategieën van heersende klassen. Meestal worden deze overtuigingsstrategieën met elkaar gecombineerd.

In het kader van een sociale controlestrategie kan men proberen loonarbeiders ervan te overtuigen dat het verstandiger zou zijn af te zien van een bepaalde loonstrijd omdat zij daarmee de overlevingskansen van hun ‘eigen’ onderneming op het spel zetten, de loon- en prijsspiraal in beweging zetten, de werkgelegenheid als zodanig in gevaar brengen, hun kansen verspelen op meer zeggenschap of op termijn de koppeling tussen lonen en uitkeringen in gevaar brengen, de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse ‘bedrijfsleven’ verzwakken.

In het kader van een emancipatiestrategie kan men proberen loonarbeiders ervan te overtuigen dat zij collectieve lotsverbetering moeten laten prevaleren boven hun — mede hierdoor bepaalde — eigen promotiemogelijkheden, dat zij directe voordelen moeten opofferen ten gunste van toekomstige winsten en dus geen afkoopsom moeten accepteren voor de instandhouding van inhumane arbeidsverhoudingen of milieu-onvriendelijke producties, dat zij als werkenden solidair moeten zijn met niet-werkenden, en dat zij zich als leden van een binnen de internationale economische ordening relatief geprivilegieerde werkende klasse moeten matigen om een internationale herverdeling van maatschappelijke rijkdom mogelijk te maken.

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 13 September, 2013