| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
| 1. Stelling en afbakening |
|---|
Zonder klassenbelangen geen klassenhandelen. In alle realistische verklaringspogingen van klassenhandelen staan strijdende klassenbelangen centraal. Zolang klassenbelangen niet als strijdig of onverenigbaar worden ervaren of gedefinieerd ontstaan er geen klassenconflicten. Klassenbelangen zijn dus belangrijke tussenschakels tussen klassenstructuur en klassenhandelen.
Ook Wright analyseert klassenbelangen als een verbindingsschakel tussen klassenstructuur en klassenstrijd [Wright 1978:98]. Hij contrasteert de term klassenbelang met de term klassencapaciteiten. Class capacities constitute the link between class formation (i.e. the structure of social relations within classes) and class struggle; capacities constitute the potential basis for the realization of class interests within the class struggle [idem]. Vgl. Wright [1985:28].
Klassenbelangen worden gestructureerd door de objectieve klassenpositie, klassehabitus en levensstijlen, en door de culturele tradities van een sociale klasse. De definities hiervan worden beïnvloed door dominante en oppositionele (cognitieve en normatieve) duidingspatronen en informatie, door klassengemeenschappen, associaties, organisaties en elites en door de themas, vormen en fasen van klassenconflicten zelf.
Klassenbelangen zijn strategische handelingsoriëntaties van individuen die geënt zijn op de objectieve klassensituatie. Klassenbelangen structureren op hun beurt het klassenhandelen, en meer in het bijzonder de organisatie en mobilisatie van de leden van een klassengemeenschap, en het verloop van klassenconflicten. Klassenbelangen vormen de harde kern van de verklaring van het klassenhandelen. Vanwege hun sterke handelingsmotiverende kracht spelen positioneel bepaalde klassenbelangen een cruciale rol in elke theorie van klassenhandelen.
Deze stelling impliceert enerzijds een afbakening ten opzichte van alle benaderingen waarin het tussen klassenstructuur en klassenhandelen mediërende karakter van klassenbelangen wordt genegeerd. In objectivistische benaderingen worden klassenbelangen in meer of minder vergaande mate tot objectieve klassenposities gereduceerd, terwijl in subjectivistische benaderingen klassenbelangen juist als iets louter subjectiefs worden opgevat (in § 3 wordt deze afbakening gepreciseerd).
Anderzijds ligt in deze stelling een afbakening besloten ten opzichte van alle grof-materialistische benaderingen waarin klassenbelangen tot materiële belangen worden gereduceerd en ten opzichte van collectivistische benaderingen waarin klassenbelangen niet slechts metaforisch worden opgevat als belangen van klassen en er dus geen rekening wordt gehouden met het feit dat ook klassenbelangen altijd de belangen van handelingsbekwame individuen zijn (in § 5 wordt deze afbakening gepreciseerd).
| In ieder geval sinds Weber [WG:532; WL:210] kan men weten dat het theoretische begrip klassenbelang meerduidig is en het empirische begrip ambigu. Zie Weber over klassenbelang. |
In de volgende paragraven worden al deze afbakeningen en onderscheidingen nader uitgewerkt.
2. Het belangenbegrip |
|---|
2·1 Particularisme van doelen en rationaliteit
Een precisering van het begrip klassenbelang vereist dat eerst het algemene belangenbegrip wordt omschreven. Belangen zijn weliswaar geen behoeften, maar kunnen wel het beste in samenhang met behoeften worden gedefinieerd.
Belangen zijn particuliere doelen waarop actoren zich in tegenstelling tot andere actoren in verschillende graden van bewustheid en van rationaliteit strategisch oriënteren [Bader 1991:135].
Het eerste element is het particularisme van de doelen: de handelingsdoelen worden bepaald door behoeften die in tegenstelling tot de behoeften van andere actoren als eigen worden ervaren en gedefinieerd [Lenski 1966]. Deze oriëntatie op de eigen belangen in tegenstelling tot die van anderen komt tot uiting in het begrip strategische oriëntatie. Belangen zijn altijd particuliere belangen en worden geconstitueerd door een strategische handelingsoriëntatie. De doelen waarop de actoren zich strategisch oriënteren zijn gericht op optimaliseren of maximeren van het eigenbelang.
| Met name het nastreven van stabiele langetermijnbelangen bevordert rationele calculatie, berekenbare efficiëntie, schrandere voorzichtigheid en dus een specifieke vorm van rationaliteit [Bader 1991:134]. |
In de tweede plaats bevat deze definitie een afbakening ten opzichte van benaderingen waarin het element van particularisme wordt beperkt tot burgerlijke varianten van privatisme of egoïsme. In het burgerlijke belangenbegrip wordt uitgegaan van het atomisme van de voor zichzelf verantwoordelijke enkeling. Relevante belangensubjecten zijn echter niet alleen private enkelingen, maar alle actoren die hun belangen in tegenstelling tot andere actoren definiëren: individuen, gezinnen, groepen, klassen, organisaties of staten. De voor belangen kenmerkende gerichtheid op eigen voordeel moet dus niet worden opgevat in de beperkte vorm van egoïsme, maar algemener als particularisme.
|
James Coleman [1990:20] is een bekende vertegenwoordiger van de rational choice theorie. Hij definieert belang in termen van een specifieke utiliteitsfunctie die in de economische theorie bekend staat als de Cobb-Douglas utiliteitsfunctie [Coleman 1990:20; vgl. ook 773, 934, 566]. |
In de derde plaats bevat deze definitie een afbakening van benaderingen waarin algemene belangen worden gepostuleerd. Een algemeen belang is in het gunstigste geval een slechte metafoor voor een onomstreden behoefte. Meestal is een algemeen belang slechts een constructie van een omvattend collectief belang op lange termijn dat gecontrasteerd wordt met particuliere belangen op korte termijn en ondanks deze constitutieve tegenstelling tot andere belangen besprenkeld wordt met het wijwater van een eigenlijke, toekomstige of geanticipeerde algemeenheid. … Zouden dergelijke algemene belangen werkelijk bestaan, dan zou er alleen overdrachtelijk gesproken kunnen worden van belangen van de mensheid tegenover de natuur of geïmagineerde space invaders [Bader 1991: 133].
3. Objectieve basis van klassenbelangen |
|---|
Klassenbelangen worden primair gestructureerd door objectieve klassenposities. Klassenverhoudingen leiden tot objectieve tegenstrijdige en antagonistische belangen, dat wil zeggen belangen die intrinsiek en niet alleen contingent tegenover elkaar staan.
Klassenbelangen zijn principieel relationeel: klassendoelen kunnen immers zonder vergelijking met (aspecten van) klassenposities en ontwikkelingskansen van andere klassen niet gedacht of gedefinieerd worden.
Klassenbelangen brengen per definitie een onverenigbaarheid, een tegenstrijdigheid of antagonisme tot uitdrukking (en niet slechts belangenverschillen). De realisatie van de belangen van de ene klasse botst noodzakelijkerwijs met de realisatie van de belangen van een andere klasse.
Figuur 14_1: Klassenposities, klassenbelangen en klassenhandelen
==>Structurering & Selectie ==>Perceptie & Vergelijking |
Klassenbelangen moeten echter niet worden geïdentificeerd met objectieve klassenposities en zijn hiervan ook geen simpele afbeelding. Belangen zijn altijd belangen van handelingsbekwame subjecten [Bader 1991:132]. Deze referentie aan handelingsbekwame subjecten is constitutief voor alle belangen.
| Daarom spreekt ook Wright [1975:88] liever over doelen van klasse-actoren spreekt omdat deze term niet (zo sterk) de psychologische bijbetekenis heeft van subjectieve motieven of van bewustzijn. Dat neemt natuurlijk niet weg dat er bij werkelijke doelen van klassenhandelen altijd een zeker samenstel van min of meer bewuste subjectieve motieven van de actoren in het geding is. |
Klassenbelangen zijn een specifieke reflexieve bemiddeling tussen klassenspecifieke subjecten en hun objectieve klassensituatie, die handelingseffecten sorteren en/of als directe, min of meer bewuste handelingsmotieven fungeren.
Met deze formulering sluit ik aan bij en preciseer ik de formulering van Neuendorf [1973:7] die belangen opvat als een specifieke reflexieve bemiddeling tussen het subject en zijn omgeving welke als direct handelingsmotief fungeert. De term direct handelingsmotief kan de indruk wekken dat klassenbelangen fungeren als min of meer bewust en dus subjectief handelingsmotief. De doelen waarop klasse-actoren zich richten, hoeven echter helemaal niet bewust te zijn om toch handelingseffecten te sorteren, en zij hoeven zelfs geen subjectieve motieven in de strikte zin te zijn om toch causaal werkzaam te zijn.
Klassenhandelen wordt evenals andere vormen van sociaal handelen door behoeften en belangen gemotiveerd en met redenen omkleed. De werkelijke motieven van klassenspecifieke handelingen hoeven echter geenszins volledig bewust te zijn, maar zijn ook als onbewuste, voorbewuste of halfbewuste motieven causaal werkzaam. De feitelijke beweegredenen die klasse-actoren aanvoeren voor hun klassenhandelen zijn altijd causaal werkzaam, ook al zijn de aangevoerde cognitieve redenen nog zo incorrect of irrationeel en de normatieve redenen nog zo abject. Bovendien worden deze redenaties zelf natuurlijk weer door behoeften en belangen gemotiveerd, terwijl de handelingsmotieven in meer of minder sterke mate worden beredeneerd.
|
De tweede afbakening is hiervan de spiegelbeeldige tegenpool. In subjectivistische benaderingen worden klassenbelangen als iets louter subjectiefs gezien. Ook in deze benaderingen wordt de specifieke samenhang tussen het subjectieve en het objectieve in het belangenbegrip doorbroken. Klassenbelangen worden uitsluitend of voornamelijk als een bewustzijnsgegeven opgevat. In deze benaderingen is slechts plaats voor subjectieve belangen (en dus voor de relatie tussen latente en manifeste belangen), maar niet voor potentiële en actuele klassenbelangen, laat staan voor objectieve klassenbelangen. |
Het ontstaan en bestaan van klassenbelangen is altijd aan specifieke handelingssituaties of contexten gebonden. Behoeften worden immers pas klassenbelangen wanneer de leden van een klasse hun objectieve handelingssituatie zodanig ervaren en beoordelen dat hun behoeften niet gelijktijdig of gemeenschappelijk bevredigd kunnen worden met de behoeften van leden van een andere klasse.
4. Individuele en klassenbelangen: handelingsrelevantie van klassenbelangen |
|---|
De enige subjecten die belangen kunnen hebben en definiëren zijn natuurlijke personen [Bader 1991:154]. Belangen zijn dus altijd belangen van handelingsbekwame individuen. Dat wil niet zeggen dat belangen per definitie individuele belangen zijn. Belangen van individuen omvatten zowel individuele (of persoonlijke) belangen als collectieve belangen.
Collectieve belangen zijn belangen die individuen definiëren als belangen van hun collectief in onderscheid van hun eigen individuele belangen en in tegenstelling tot de belangen van andere collectieven. Klassenbelangen zijn specifieke vormen van collectieve belangen.
Klassenbelangen ontstaan feitelijk slechts wanneer individuen zich bij de definitie van hun actuele eigen belangen zodanig op een klasse of klassengemeenschap oriënteren dat zij gezamenlijke of gemeenschappelijke klassenbelangen ontdekken. Anders gezegd: belangen van een sociale klasse bestaan empirisch als klassenbelangen wanneer de leden van deze klasse hun actuele eigen belangen zodanig definiëren dat deze (a) prevaleren boven hun individuele belangen en (b) in tegenstelling staan tot de belangen van andere klassen.
|
|
|
In deze stelling is een principiële afbakening geïmpliceerd ten opzichte van alle benaderingen waarin klassenbelangen van hun individuele dragers worden losgekoppeld. Dit gebeurt in extreme mate bij Wright [1975:89]: Class interests can only be defined in terms of the potential subjective motives of collectivities, not simply individuals. Ook hier geldt: klassen zijn geen handelingsbekwame super-subjecten. |
Het klassenbelang van loonarbeiders bestaat als empirisch werkzaam collectief belang wanneer individuele loonarbeiders hun klassenbelang zodanig definiëren dat dit prevaleert boven en/of in tegenstelling staat tot (1) hun individuele belangen, (2) de belangen van andere niet formeel georganiseerde groepen of collectieven en (3) de belangen van formele organisaties en instituties waartoe zij niet behoren.
|
Parkin laat onder andere zien hoe de georganiseerde arbeidersbeweging usurperende activiteiten tegen ondernemers en de staat combineerde met uitsluitende activiteiten tegen andere, minder goed georganiseerde arbeiders, inclusief etnische minderheden en vrouwen [Parkin 1979:91]. Racisme, seksisme en ook kolonialisme en imperialisme zijn in de arbeidersbeweging onderdeel van een doelgerichte en op zichzelf doelrationele strategie van belangenbehartiging [idem:97]. Tegelijkertijd ontstaan hierdoor effectieve barrières voor politiek-normatieve strategieën van klasseneenheid. Deze tendens zal blijven bestaan zolang er nog groepen te vinden zijn die om het eigen belang te garanderen uitgesloten kunnen worden van concurrentie om arbeidsplaatsen, beter betaalde banen enz. en zolang de tegenstelling tussen de heersende en onderdrukte klassen niet allesoverheersend wordt. De negatief geprivilegieerde groepen knopen in hun uitsluitingsstrategieën vaak aan bij oorspronkelijke of nog bestaande discriminaties die politiek of door de staat zijn gesanctioneerd [idem:96]. Zie voor een historische analyse van de spanningsverhouding tussen klasse en etniciteit in de Amerikaanse arbeidersbeweging: Schefter [1986]. Hij benadrukt dat klasse en etniciteit niet altijd tot exclusieve, elkaar beconcurrerende loyaliteiten leiden, maar dat zij elkaar vaak, vooral in het politieke leven, versterken. |
5. Klassenbelangen zijn niet identiek met materiële belangen |
|---|
Klassenbelangen moeten niet worden gereduceerd tot materiële klassenbelangen. De mogelijke objecten van klassenbelangen zijn niet a priori beperkt tot materiële zaken, maar zijn juist uitermate divers.
| Distinctie-, machts- en prestigebehoeften zijn hierop in zoverre een uitzondering dat zij per definitie belangen constitueren. Met eigenliefde (ijdelheid, amour propre, vanity) worden immers behoeften aangeduid die alleen door vergelijkende referentie aan anderen worden geconstitueerd en daarom a priori in tegen-stelling staan tot de behoefte aan eigenliefde van anderen. In tegen-stelling tot de middelen van zelfhandhaving zijn de kansen voor bevreding van de eigenliefde per definitie schaars. Roem, eer, macht en prestige bestaan alleen maar in tegenstelling tot de eigenliefde van anderen [Bader/Benschop 1988: § 1·2·3]. |
Klassenbelangen omvatten niet alleen materiële levens- en overlevingsbelangen, maar ook gezondheidsbelangen, opvoedings- en educatiebelangen, heilsbelangen, veiligheidsbelangen enzovoort. Klassenbelangen omvatten dus niet alleen economische belangen, maar evenzeer culturele, juridische, politieke en religieuze belangen.
|
Het bezwaar tegen een dergelijke formulering is niet dat klassenbelangen primair worden vastgemaakt aan antagonistische posities in processen van toeëigening en onteigening van meerarbeid. Het bezwaar is dat daarbij stilzwijgend wordt verondersteld dat de objecten van klassenbelangen beperkt zijn tot materiële zaken. Wanneer men klassenbelangen beperkt tot interests with respect to toil, leisure and consumption [idem] reduceert men niet alleen het spectrum van mogelijke belangen die in een objectieve klassenpositie besloten liggen, maar gaat men ook voorbij aan het feit dat (bepaalde aspecten van) levensstijlen, (deel)culturen en identiteiten onder bepaalde voorwaarden zelf als klassenbelangen worden ervaren en gedefinieerd. |
6. Objectieve en subjectieve klassenbelangen |
|---|
De constructie van objectieve klassenbelangen is een noodzakelijk onderdeel van kritische analyses van klassenhandelen en -conflicten. In de alledaagse politiek en pedagogiek is kritiek op actuele, subjectieve definities van klassenbelangen vanuit een notie van objectieve of potentiële belangen even gebruikelijk als bijvoorbeeld in de conflictsociologische en marxistische traditie. Het zijn echter niet alleen the knotty philosophical problems [Wright 1985:36] die het begrip objectief klassenbelang zo omstreden maken. Het is vooral de vraag of het mogelijk is om over objectieve en potentiële klassenbelangen te spreken en toch aan het gevaar van paternalisme te ontsnappen dat daaraan volgens sommigen noodzakelijkerwijs is verbonden.
Het idee dat alle constructies van objectieve klassenbelangen onlosmakelijk zijn verbonden met of ongewild leiden tot ondemocratische, autoritaire, totalitaire of dictatoriale definities en in het verlengde daarvan liggende praktijken was voor veel auteurs de reden om het begrip objectief belang bij te zetten in het mausoleum van verdachte of schuldig verklaarde noties.
Daarbij wordt vaak een beroep gedaan op de liberale en pluralistische stelling van Jeremy Bentham:
|
Het hypothetische karakter van objectieve (klassen)belangen wordt door veel auteurs benadrukt: Weber [WL:210], Dahrendorf [1959:175], Wright [1975:89], Elster [1985:349], Bader [1991:141].
The assumption of objective interests associated with social positions has no psychological implications or ramifications; it belongs to the level of sociological analysis proper [Dahrendorf 1959:175]. |
Objectieve klassenbelangen zijn positioneel bepaalde klassenbelangen die de klasse-actoren als hun eigen klassenbelangen zouden kunnen articuleren;
De constructie van objectieve klassenbelangen gaat dus uit van een hele reeks vooronderstellingen die stuk voor stuk gepreciseerd zouden moeten worden. De door Bader [1991:141] algemeen geformuleerde vooronderstellingen kunnen tamelijk eenvoudig naar objectieve klassenbelangen worden vertaald en gepreciseerd.
In de constructie van objectieve klassenbelangen wordt verondersteld dat de actoren zich zuiver strategisch op hun klassenspecifieke doelen oriënteren. Er wordt dus geabstraheerd van alle specifieke zeden, solidariteiten en gemeenschappelijke waarden die van een sociale klasse pas een klassengemeenschap maken.
Mensen oriënteren zich in werkelijkheid nooit zuiver rationeel op hun klassenspecifieke doelen. Meestal worden slechts een aantal aspecten van de handelingsruimte rationeel (bewust en planmatig) gecontroleerd. Negatief geprivilegieerden kunnen hun uitbuiting en klassenafhankelijkheid in zon vergaande mate verinnerlijken dat zij praktisch geen enkel handelingsaspect meer reflexief controleren.
| Het is omstreden hoe men de rationaliteitsniveaus analytisch moet onderscheiden. Een bruikbare inde-ling is de door Schluchter [1979:191] voorgestelde rationaliteitspiramide: bij traditioneel handelen worden alleen de middelen reflexief gecontroleerd, bij affectief handelen ook de doelen, bij waarderationeel handelen ook de waarden, en bij doelrationeel handelen ook de gevolgen. Aan dit doelrationele niveau van de piramide zou men kunnen toevoegen: de controle op handelingsvoorwaarden [Döbert 1989:213; Bader 1991:69]. |
Bij de definitie van objectieve klassenbelangen worden in vergelijking met de subjectieve belangendefinities hogere graden van rationaliteit van het individuele of klassenhandelen verondersteld. Er wordt immers verondersteld dat individuen zich rationeel-strategisch op hun klassendoelen oriënteren, dat wil zeggen dat zij de verschillende
| De eis van een hogere rationaliteit kan worden uitgebreid tot en met het ideale model van maximale of optimale reflexieve handelings-controle bij gegeven particuliere doelen. Deze eis kan echter ook relatief en bescheiden wor-den opgevat: in de constructie van objectieve belangen worden meer handelingsaspecten rationeler of gecontroleerder tegen elkaar afgewogen [Bader 1991:142]. |
De informatie die in de definitie van subjectieve klassenbelangen wordt gebruikt, kan ontoereikend of vertekend zijn. In klassenmaatschappijen is de informatie die opgaat in situatiedefinities systematisch vertekend en zijn de informatiekansen ongelijk verdeeld.
Subjectieve klassenbelangendefinities kunnen daarom worden getoetst aan het criterium van geïnformeerdheid, dat wil zeggen op relevantie en validiteit van de informatie die in definities van klassendoelen wordt gebruikt (subjectieve klassenbelangen kunnen verkeerd zijn).
In de definitie van objectieve klassenbelangen wordt verondersteld dat men in vergelijking met subjectieve belangendefinities over betere en voldoende informatie beschikt om objectieve belangendefinities te definiëren.
Subjectieve klassenbelangen van leden van uitgebuite of subalterne klassen kunnen in de regel niet autonoom worden gearticuleerd. Subjectieve klassenbelangen zijn tot op zekere hoogte altijd heteronoom in feitelijke afhankelijkheidssituaties gedefinieerd. Definities van subjectieve klassenbelangen kunnen tot op zekere hoogte door anderen worden opgelegd of afgedwongen. Dit gebeurt niet alleen door woordvoerders en vertegenwoordigers van de eigen sociale klasse, maar ook en met name door autoriteiten en vertegenwoordigers van klassentegenstanders.
In klassenmaatschappijen zijn de voorwaarden van politieke communicatie systematisch vertekend en asymmetrisch, zelfs wanneer de vrijheden van politieke communicatie wettelijk zijn gegarandeerd. Deze asymmetrie in communicatievoorwaarden verhindert
|
|
|
|
In de constructie van objectieve klassenbelangen wordt hypothetisch verondersteld dat klasse-actoren hun eigen belangen autonoom kunnen articuleren in een situatie van formele en feitelijke vrijheden van politieke communicatie en gelijke communicatiekansen.
Er wordt dus minimaal verondersteld dat degenen die de subjectieve belangendefinities van klasse-actoren op hun authenticiteit beoordelen over voldoende politieke communicatievrijheden beschikken om dergelijke oordelen te kunnen vellen. Deze minimale voorwaarden kunnen worden opgeschroefd tot het extreem van de ideale gesprekssituatie. Al naar gelang de vereiste of veronderstelde voorwaarden van communicatieve symmetrie kan men dus een onderscheid maken tussen sterke maar onhoudbare en zwakke versies van de definitie van objectieve klassenbelangen. Hier wordt slechts de zwakke versie verdedigd.
Subjectieve belangendefinities zijn kritiseerbaar omdat de particuliere doelen verwijzen naar objectieve klassenstructuren en ontwikkelingen en naar specifieke handelingssituaties. De kennis die in subjectieve belangendefinities is verwerkt, kan verkeerd en inadequaat zijn. Klassenmaatschappijen worden gekenmerkt door structureel ongelijke toegangskansen tot de middelen en instituties van kennisproductie. Hierdoor is niet alleen de feitelijk beschikbare kennis ongelijk verdeeld, maar bestaat er ook een grote klassenongelijkheid om van bestaande cognitieve (dominante en oppositionele) duidingspatronen gebruik te maken, of om deze te kritiseren en alternatieve cognitieve referentiekaders en verklaringen te formuleren).
Subjectieve definities van klassenbelangen kunnen worden getoetst op hun waarheidsgehalte, dat wil zeggen op de cognitieve adequaatheid van de definities van klassenbelangen en van de hierbij gebruikte cognitieve duidingspatronen en duidingen. Subjectieve klassenbelangen kunnen onwaar, niet-welbegrepen, onrealistisch zijn.
De cognitieve kritiek op subjectieve klassenbelangen kan zich richten op vier aspecten: (1) op de relatie tussen en aggregatie van de verschillende subjectieve (zoals economische, juridische, politieke) klassenbelangen; (2) op de relatie tussen korte- en langetermijnbelangen; (3) op de relatie tussen individuele en klassenbelangen en (4) op de relatie tussen directe en fundamentele belangen. In al deze opzichten kan het waarheidsgehalte van de definities van subjectieve klassenbelangen worden getoetst.
Bij de constructie van objectieve klassenbelangen wordt verondersteld:
Er wordt dus minimaal verondersteld dat degenen die de subjectieve belangendefinities van de klasse-actoren cognitief kritiseren, over meer ware en realistischer cognitieve duidingspatronen en verklaringen beschikken en/of over betere, meer valide en relevantere informatie. In de neoklassieke economie en in spel- en beslissingstheorieën worden deze minimale vereisten vaak opgeschroefd tot het ideale extreem van ware en objectieve kennis en van perfecte informatie. Kennis en informatie kan betrokken worden op de structurele oorzaken van de problemen in specifieke situaties, of er kan de extreme eis worden gesteld dat het alle voor de strategische middelenkeuze relevante factoren en alle handelingsgevolgen moet omvatten [Bader 1991: 141]. Al naargelang de vereiste of veronderstelde informatie en kennis kan men dus een onderscheid maken tussen sterke maar onhoudbare! en zwakke versies van de definitie van objectieve klassenbelangen. Het moge duidelijk zijn dat ook hier slechts de zwakke variant wordt verdedigd.
In articulaties van subjectieve klassenbelangen zijn normatieve duidingen en duidingspatronen verwerkt. In klassenmaatschappijen zijn deze normatieve duidingen niet alleen uiterst tegenstrijdig, maar zijn ook de kansen om gebruik te maken van bestaande normatieve (dominante of oppositionele) duidingspatronen ongelijk verdeeld. Dat geldt dus ook voor de kansen om normatieve duidingspatronen aan kritiek te onderwerpen of alternatieve duidingspatronen te construeren.
Subjectieve definities van klassenbelangen kunnen worden getoetst op hun legitimiteit, dat wil zeggen op de normatieve geldigheid van definities van klassendoelen en van de hierbij gebruikte normatieve duidingspatronen en duidingen. Subjectieve klassenbelangen kunnen illegitiem, normatief ongeldig zijn.
Strikt genomen zijn alle definities waarin uitbuitingsbelangen impliciet of expliciet worden verdedigd illegitiem. Uitbuitingsbelangen kunnen immers per definitie niet worden geuniversaliseerd (uitbuiting is nu eenmaal niet mogelijk zonder dat er mensen worden uitgebuit) en staan op schaamteloze voet van vijandschap met de elementaire basisprincipes van elke serieuze democratische ethiek. Uitbuitingsbelangen hebben geen universele strekking die door alle betrokkenen kunnen worden onderschreven althans niet zonder schending van de democratische basisvoorwaarde van de communicatie. De symmetrie van rechten en plichten is een voorwaarde voor de gelijke vrijheid van alle individuen om hun menselijke vermogens optimaal te ontwikkelen [→ hoofdstuk II, § 1].
In de constructie van objectieve klassenbelangen wordt verondersteld:
Uit deze constructie van objectieve klassenbelangen kunnen twee claims worden afgeleid. De eerste claim is dat de actoren hun subjectieve klassenbelangen anders zouden definiëren (meer in overeenstemming met de geconstrueerde objectieve klassenbelangen) wanneer zij zich uitsluitend strategisch zouden gedragen, wanneer zij over ware kennis en betere informatie over hun objectieve klassenpositie zouden beschikken, wanneer zij psychisch vrij zouden zijn en in staat om vrij met elkaar te communiceren De tweede claim is dat de actoren bovendien rationeler zouden handelen dan zij in feite doen wanneer zij meer handelingsaspecten rationeel zouden controleren.
|
In aansluiting op Lukács legt hij het zwaartepunt in zijn definitie van objectieve klassenbelangen op het voor de kapitalistische arbeidswijze kenmerkende fenomeen van de mystificatie.
Wright beperkt zijn argumentatie tot een afbakening van de claim die uit zijn definitie van objectieve klassenbelangen kan worden afgeleid.
Het bezwaar tegen Wrights benadering is niet dat hij aan de mystificaties en vertekeningen van de kapitalistische verhoudingen zon prominente plaats toekent. Voor kapitalistische maatschappijformaties is dit de meest doorslaggevende obstruerende factor voor de vertaling van objectieve klassenbelangen naar subjectieve klassenbelangen. Zie hoofdstuk XIII, § 4·1 over verdinglijking en klassenbewustzijn. Het bezwaar is ten eerste dat Wright een nogal beperkte explicatie geeft van de vooronderstellingen van de constructie van objectieve klassenbelangen. Omdat zijn definitie van objectieve klassenbelangen zulke vergaande implicaties heeft (zijn hele theorie van klassenhandelen is hierop gebaseerd!) zou men hier niet licht aan moeten tillen. Ten tweede schroeft Wright de cognitieve vooronderstellingen van het begrip objectief klassenbelang zo ver op dat alleen klasse-actoren met een wetenschappelijk correct begrip van hun klassensituatie in staat zijn hun klassendoelen adequaat te formuleren, dat wil zeggen in overeenstemming te brengen met hun objectieve klassenbelangen. Indien de strijd voor socialisme alleen gedragen zou (kunnen) worden door arbeiders met een wetenschappelijk begrip van de contradicties van het kapitalisme dan is onder de huidige voorwaarden van arbeids- en kennisdeling waarschijnlijk slechts een intellectuelen-socialisme (of een socialisme voor intellectuelen) denkbaar. Voor niet-wetenschappelijk geschoolde loonarbeiders is dit in ieder geval geen wenkend perspectief. De extreme cognitieve vooronderstelling in Wrights constructie van objectieve klassenbelangen maakt zijn claim weliswaar sterk, maar in deze vorm ook moeilijk houdbaar. |
Kritiek op subjectieve klassenbelangen van uitgebuite klassen is van vitaal belang voor emancipatorische klassenbewegingen, voor een kritische sociale wetenschap en in het bijzonder voor een klassenanalyse. Daarbij speelt de constructie van objectieve klassenbelangen een uitermate belangrijke rol.
Tussen subjectieve en objectieve definities van klassenbelangen en tussen hypothetisch verwacht en feitelijk klassenhandelen bestaat altijd een meer of minder grote discrepantie. In verklarende strategieën van sociale wetenschappers moet deze discrepantie theoretisch worden overwonnen.
| Modellen van strategisch-rationeel handelen vervullen in empirische analyses van klassenhandelen een belangrijke heuristische functie. Heuristische exercities wijzen de weg naar verklarende vragen. Zij dienen als vergelijkingsmaatstaf voor empirisch belangrijke vragen zoals: (a) waarom werd er juist niet strategisch gehan-deld? (b) in welke mate werd er strategisch gehandeld? (c) in welke mate werd er wel strategisch, maar toch niet rationeel gehandeld? (d) in welke mate werd er strategisch-rationeel gehandeld? [Bader 1991:39]. |
Het gevaar van paternalisme kan worden vermeden. Cognitieve en normatieve kritiek op subjectieve belangen zijn wel degelijk verenigbaar met basisprincipes van democratische besluitvorming (vrijheid, gelijkheid, mondigheid en autonomie). En zij zijn ook verenigbaar met het principe dat actoren over hun eigen individuele en klassenbelangen de definitieve beslissingen dienen te nemen. |
Objectieve klassenbelangen veronderstellen een specifieke strategische oriëntatie op klassenspecifieke doelen. Zij moeten daarom niet worden verwisseld met objectieve klassenposities: ook hypothetische of geconstrueerde oriëntaties blijven oriëntaties.
Zolang zij geen latente klassenbelangen zijn en niet subjectief als zodanig worden ervaren en gedefinieerd, zijn objectieve klassenbelangen slechts potentiële en geen actuele klassenbelangen. Objectieve klassenbelangen zijn als zodanig geen werkelijke handelingsmotieven en dus niet handelingsrelevant. Hoe waar hun constructie ook moge zijn, zij hebben als zodanig geen directe invloed op het handelen van de individuen waaraan deze belangen worden toegeschreven.
Dit betekent echter niet dat objectieve klassenbelangen louter fictieve, willekeurige of speculatieve constructies zijn.
Potentiële klassenbelangen zijn belangen die als zodanig geen feitelijke handelingsmotieven vormen. Actuele klassenbelangen zijn feitelijk handelingsrelevant, of zij nu als zodanig bewust zijn of niet.
Latente klassenbelangen zijn feitelijk werkzame handelingsmotieven waarvan actoren zich niet als zodanig bewust zijn. Hoe onwaar, verkeerd of ongeinformeerd de latente klassenbelangen ook mogen zijn, zij zijn als zodanig handelingsrelevant.
Manifeste klassenbelangen zijn actuele en als zodanig ervaren en bewuste belangen. Samen met de latente belangen bepalen zij de feitelijke richting waarin de leden van een bepaalde klasse hun belangen nastreven.
|
|
Niet alle actuele klassenbelangen zijn echter subjectieve klassenbelangen. Subjectieve klassenbelangen zijn de actuele klassenbelangen die bewust en manifest zijn en als zodanig door de actoren zijn gedefinieerd.
Subjectieve klassenbelangen kunnen verkeerd, verdraaid, vertekend, ongeïnformeerd en systematisch gemanipuleerd zijn. Dat neemt niet weg dat zij als zodanig de klassenspecifieke handelingen van de actoren bepalen. Het feit dat handelingsgronden (redenen en motieven) causaal werkzaam zijn, betekent zeker niet dat deze gronden ook geldig zijn; daarom is cognitieve en normatieve kritiek op subjectieve belangendefinities mogelijk.
Figuur 14_2: Typologie van klassenbelangen
![]() Bron: Schema 6 uit Bader [1991:139], voor klassen gemodificeerd. |
De door klassenposities gestructureerde potentiële klassenbelangen zijn als zodanig niet handelingsstructurerend. Zodra deze potentiële belangen echter worden geactualiseerd, leiden zij in eerste instantie tot elementaire reactieve, onbewuste vormen van klassenhandelen.
Dit bijna instinctmatige klassenhandelen werd door Max Weber massahandelen genoemd. Het effect van een door de klassenpositie gestructureerd actueel of latent klassenbelang kan beperkt blijven tot het voortbrengen van in wezen gelijksoortige reacties, dat wil … zeggen: het genereert massahandelen. En zelfs dit is niet altijd het geval [Weber WG:533 - vert. 86].
In Webers terminologie is massahandelen geen zinmatig, maar causaal bepaald handelen. Strikt genomen is massahandelen dus geen sociaal handelen omdat het niet georiënteerd is op het actuele, toekomstige of verleden gedrag van anderen. Massahandelen is louter reageren van een meute op een (veranderde) situatie waarin zij tijd-ruimtelijk is geconcentreerd [WG:11, 533].
Toch is dit massahandelen de meest elementaire vorm van klassenhandelen: alle andere vormen bouwen voort op dit spontane klassenhandelen. Wanneer het latente klassenbelang als zodanig wordt ervaren en dus enigszins bewust wordt, ontstaat er in eerste instantie een amorf gemeenschappelijk handelen.
|
In Bijbels idioom: Doet alles zonder morren of bedenkingen, opdat u zuiver en smetteloos bent, of in de oude dictie: Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspreken [Filippenzen 2:14]. |
De praktijk van het remmen wijst erop dat het objectieve (maar daarom nog slechts potentiële) klassenbelang dat loonarbeiders hebben bij de bescherming van hun eigen arbeidsinzet tot actueel klassenbelang is geworden (anders zou deze praktijk zich niet kunnen voordoen). Bovendien is dit klassenspecifieke belang manifest geworden en wordt het als zodanig subjectief ervaren. Het remmen is immers een gerichte en grotendeels bewuste beperking van de arbeidsprestatie door loonarbeiders.
Remmen is een bewuste beperking van de arbeidsprestatie van de kant van de arbeiders. De toename van dit verschijnsel loopt parallel met de toenemende rationalisering van de loonsystemen die op planmatige prestatieverhoging zijn gericht, maar ook met de afname van stakingskansen ten gevolge van de verbeterde organisatie van de ondernemers. Ondernemers die de vakbonden verantwoordelijk stellen voor het om zich heen grijpen van het remmen vergissen zich.
In zijn helaas in de vergetelheid geraakte studie Zur Psychophysik der industriellen Arbeit [1908/9] analyseert Weber dit verschijnsel uitvoeriger.
Het kan zowel gericht zijn op het afdwingen van hogere tarieflonen als (bij gelijkblijvende tarieven) op het instandhouden van het traditionele arbeidstempo. En het kan tenslotte ook uitdrukking zijn van qua oorsprong meer of minder duidelijk bewuste algemene afkeuring.
Als middel van tariefpolitiek van de arbeiders vormt het de onvermijdelijke reactie op de even onvermijdelijke tariefpolitiek van de ondernemers waarvan de arbeiders de gevolgen continu aan het eigen lijf voelen. […]
Wanneer het door brede lagen van de arbeiders solidair wordt doorgevoerd, verloopt het tariefpolitieke remmen (dat wil zeggen het remmen dat gericht is op het beïnvloeden van de vaststelling van de tarieven en geen zuiver traditionalistische of economisch irrationele oorzaken heeft), net zoals de staking (waarvan ze vaak genoeg het surrogaat is) zou verlopen wanneer er geen werkwilligen zouden zijn: het gaat erom wie het langst kan wachten [Weber, GASS :155-7].
Het remmen is een klassenpraktijk met zeer uiteenlopende vormen. Wanneer het specifieke klassenbelang dat aan deze praktijk ten grondslag ligt slechts een latent en nog geen manifest klassenbelang is, zal het remmen een tamelijk willekeurige of spontane vorm aannemen. Wanneer dit klassenbelang echter als zodanig bewust wordt ervaren en subjectief als klassenbelang gedefinieerd, zal het remmen een meer bewuste en strategisch gerichte vorm aannemen.
Wat als elementaire verzetspraktijk historisch is ontstaan en door overlevering in de arbeidersbeweging werd bestendigd, kan op basis van leerprocessen zelfs zodanig strategisch worden gecultiveerd dat het niet alleen een dominante vorm van belangenbehartiging (loonpolitiek én arbeidspolitiek) wordt, maar zelfs uitdrukking kan geven aan meer algemene onvrede met het exploitatiesysteem als zodanig.
Wanneer de externe handelingskansen voor het organiseren van een staking voor lotsverbetering ongunstig zijn, is de moeilijk te onderdrukken, maar vaak uiterst effectieve verzetspraktijk van het remmen een alternatieve manier om zich te weer te stellen tegen planmatig afgedwongen prestatieverhogingen. De kosten van het remmen zijn voor de betrokken loonarbeiders vaak aanzienlijk lager dan bij stakingen. Want bij stakingen gaat het om de strategische vraag wie het langst kan wachten, en het is ook voor ondernemers duidelijk dat zij in ieder geval over een structureel langere adem beschikken dan de van hen afhankelijke loonarbeiders.
Het collectieve remmen heeft zich historisch ontwikkeld uit individuele ontwijkings- en verzetspraktijken. Hiertoe behoren onder andere het absenteïsme, het ziekteverzuim (ziekvieren) en de individuele sabotage. Dit zijn allemaal uitdrukkingen van individueel verweer tegen harde en vaak onmenselijke arbeidsomstandigheden waaraan men zich nog niet anders kan onttrekken. Door betweterige sociale wetenschappers en sociaal-historici zijn deze individuele ontwijkings-, ontsnappings- en verzetsstrategieën vaak geïnterpreteerd (en moreel gediscrediteerd) als louter uitingen van blinde hulpeloosheid, als wanhoopsdaden.
Vertwijfeling, opgekropte woede en tragisch isolement spelen natuurlijk bij sommige van deze individuele praktijken een belangrijke of opvallende rol. Dat neemt echter niet weg dat zij ook zeer vaak uitdrukking zijn van een gerichte strategie en dat daarachter een duidelijk besef van individuele en klassenbelangen schuilt.
7. Korte- en langetermijnbelangen |
|---|
7·1 Klassenbelangen in tijdsperspectief
In de verklaring van klassenhandelen spelen toekomstverwachtingen een belangrijke rol. Tussen actuele en toekomstige klassenbelangen bestaat een spanningsverhouding. Dit levert problemen op bij de afweging van belangen op korte, middellange en lange termijn. Bij de afweging van klassenbelangen speelt dit net zon grote een rol als bij individuele belangen.
In speltheoretische modellen wordt dit slechts schijnbaar opgelost door alle belangen tot monetaire belangen te reduceren. In de werkelijke wereld van conflicterende klassenbelangen worden echter telkens contextspecifieke vergelijkingen gemaakt die zich zeker niet tot monetaire klassenbelangen beperken, en er worden afwegingen gemaakt die niet of nauwelijks gekwantificeerd kunnen worden.
De wijze waarop ondernemers en managers het korte-termijnbelang van winstmaximering afwegen tegen het langetermijnbelang van de rentabiliteitsoptimalisering kan nog enigszins worden berekend omdat hierbij per definitie het geld als maateenheid fungeert. Bij de afweging van de korte- en langetermijnbelangen van de arbeidersklasse is dit praktisch onmogelijk omdat het spectrum van de klassenbelangen hier veel breder en heterogener is.
Vooral in studies over de armoedecultuur is deze vicieuze cirkel uitgebreid geanalyseerd. Dit gebrek aan planning is niet te wijten aan een of ander gedegenereerd onvermogen van de arbeidersklasse om bevrediging uit te stellen; ze hèbben gewoon maar heel weinig om uit te stellen. In de kontext van hun leven en hun dagelijkse strijd heeft het weinig zin om hetzij achteruit hetzij vooruit te kijken; plannen maken voor de toekomst lijkt nergens op te slaan. Daarom worden in het algemeen geen plannen gemaakt met betrekking tot het werk dat ze in hun leven zullen gaan doen, het gebeurt gewoon [idem].
| Wij zijn zo geoefend in het wachten, dat als een kind het bij ons hoort schreef een dichteres waarvan de naam mij helaas ontschoten is. |
Dit betekent overigens niet dat leden van de arbeidersklasse geen individuele levensplanning maken. Integendeel, door de toegenomen materiële levensstandaard is het voor grote delen van de moderne arbeidersklasse mogelijk geworden om iets opzij te zetten voor de individuele verzekering van de toekomst, voor langere-termijnplanning van de individuele consumptie (autos, verre reizen) en voor het verwerven van een eigen huis.
|
Voor dit integratieproces van loonarbeiders in de markteconomie waren talloze sociaal-politieke overheidsmaatregelen nodig (zoals afschaffing van gedwongen winkelnering en uitbetaling in goederenbonnen) voordat tenminste de formele consumptievrijheid voor de massa van de loonarbeiders werd bereikt. Het sociale verzekeringsstelsel speelde een katalyserende rol bij deze emancipatie van de arbeider tot een particuliere geldbezitter en formeel soevereine koper van waren [Krätke 1990:683]. Door de verhoging van de materiële levensstandaard en de verdere uitbouw van de moderne verzorgingsstaat zijn grote delen van de arbeidersklasse fatsoenlijke leden van de kapitalistische marktmaatschappij geworden. Loonarbeiders bezitten tegenwoordig niet alleen duurzame consumptiegoederen zoals autos en huizen, maar zij hebben ook een eigen bankrekening, betalen met bankpasjes en hebben zelfs kredietkaarten. Een toenemend aantal loon- en soms zelfs uitkeringsafhankelijken heeft inmiddels voldoende zekerheden te bieden om ook door banken als kredietwaardig te worden geaccepteerd [Krätke 1989:289, 1991, 1992]. |
Een centraal element in deze levensplanning is de verbetering van de levenskansen van de opgroeiende generatie. De actuele belangen worden binnen de tijdshorizon van de familiaire reproductie gedefinieerd: door de verhoging van de eigen arbeidsprestatie (inclusief overwerk) en door deelname van de echtgenote aan het arbeidsproces worden financiële middelen verworven om hun eigen kinderen een betere startkans te geven.
Anders gezegd: het tijdsperspectief waarin volwassen en ouderlijke loonarbeiders hun eigen individuele en klassenbelangen afwegen, wordt mede bepaald door (projecties op) de volgende generatie. De actuele levensverhoudingen en belangen worden als het ware getransponeerd naar toekomstige levensverhoudingen en belangen, namelijk die van de jeugd. Herkommer e.a. [1979: 164,189,196,263] geven een theoretische interpretatie en empirische demonstratie van dit verschijnsel.
In dit getransponeerde bewustzijn worden de treurige overblijfselen van de illusie dat iedereen de smid is van zijn eigen geluk tot uitdrukking gebracht in de hoop dat het de volgende generatie beter zal afgaan. Als onze kinderen het maar beter krijgen.
8. Directe en fundamentele klassenbelangen |
|---|
In de verklaring van klassenhandelen spelen niet alleen de sociale en temporele, maar ook de inhoudelijke structurering van de klassendoelen een cruciale rol. Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen directe en fundamentele klassenbelangen.
Directe klassenbelangen zijn klassenbelangen die binnen een gegeven structuur van klassenverhoudingen gerealiseerd kunnen worden, fundamentele klassenbelangen stellen de klassenstructuur zelf ter discussie [Wright 1975:89; 1979:205; 1985:62].
Directe klassenbelangen worden dus binnen een gegeven arbeidswijze en nemen de arbeidswijze en uitbuitingsstructuur als een gegeven, terwijl fundamentele klassenbelangen tussen arbeidswijzen gedefinieerd worden (zij stellen de arbeidswijze zelf ter discussie).
Het onderscheid tussen directe en fundamentele klassenbelangen is weliswaar nauw verbonden met het temporele onderscheid tussen korte- en langetermijnbelangen, maar het is hiermee niet noodzakelijk equivalent en moet hiervan daarom analytisch worden onderscheiden. De strijd om de structuur van een klassenmaatschappij is vaak lange termijn strijd. Het kritieke punt bij directe en fundamentele klassenbelangen is het inhoudelijke doel van het klassenhandelen en niet de tijdshorizon van dat handelen.
Systeemimmanente en systeemoverstijgende klassenbelangen liggen niet zonder meer in elkaars verlengde en dit levert problemen op bij de afweging van directe en fundamentele klassenbelangen. Deze problemen zijn vergelijkbaar met de hiervoor geschetste problemen bij de afweging van klassenbelangen in het tijdsperspectief.
Directe en fundamentele klassenbelangen zijn weliswaar nauw met elkaar verweven, maar liggen lang niet altijd in elkaars verlengde. Deze tegenstellingen en spanningsverhoudingen tussen directe en fundamentele klassenbelangen kunnen niet zomaar worden weggepoetst. Het doorbreken van het bekende dilemma tussen reformisme (strategische beperking tot directe klassenbelangen) en revolutie (strategische beperking tot fundamentele belangen) is de ratio van alle concepties van anti-kapitalistische structuurhervormingen. Voorstellen voor niet-reformistische hervormingen (van Lenin, via André Gorz tot Roberto Unger) pogen dit dilemma te doorbreken en concentreren zich op hervormingen die aanknopen bij directe belangen en tegelijkertijd ook in niet-revolutionaire situaties een stimulans zijn voor de behartiging van fundamentele klassenbelangen.
9. Beïnvloeding van definities van klassenbelangen |
|---|
Klassenbelangen zijn altijd betrokken op potentiële of actuele, huidige of (geanticipeerde) toekomstige strategische interacties tussen klassengebonden politieke krachten. Klassenbelangen impliceren niet alleen informatie over de objectieve klassenpositie en -situatie, maar ook over feitelijke of verwachte handelingsstrategieën en handelingen van klassentegenstanders.
Klassenbelangen zijn enerzijds directe motieven en aanleidingen tot of oorzaken van klassenconflicten. Wanneer behoeften of handelingsdoelen als klassenbelangen worden gedefinieerd, ontstaan er klassenconflicten zodra aan andere voorwaarden is voldaan die voor het uitbreken van actuele klassenconflicten noodzakelijk zijn.
| Weber merkt op dat de richting waarin de individuele arbeider zijn belangen nastreeft, kan variëren al naar gelang er uit de klassenpositie een gemeenschappelijk handelen is ontstaan voor een groter of kleiner gedeelte van degenen die zich in dezelfde klassenpositie bevinden, of zelfs een associatie (bijvoorbeeld een vakbond) onder hen gegroeid is waarvan het individu bepaalde resultaten kan verwachten [Weber, WG:532 - vert. 85]. |
Klassenbewegingen ontstaan pas wanneer de tegenstelling tussen de eigen klassenbelangen en die van de potentiële of actuele klassetegenstander als zwaarwegender worden ervaren dan mogelijke tegenstellingen tussen de eigen individuele belangen en de klassenbelangen. Of dit daadwerkelijk gebeurt, is afhankelijk van twee condities.
|
In het kader van een sociale controlestrategie kan men proberen loonarbeiders ervan te overtuigen dat het verstandiger zou zijn af te zien van een bepaalde loonstrijd omdat zij daarmee de overlevingskansen van hun eigen onderneming op het spel zetten, de loon- en prijsspiraal in beweging zetten, de werkgelegenheid als zodanig in gevaar brengen, hun kansen verspelen op meer zeggenschap of op termijn de koppeling tussen lonen en uitkeringen in gevaar brengen, de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven verzwakken.
In het kader van een emancipatiestrategie kan men proberen loonarbeiders ervan te overtuigen dat zij collectieve lotsverbetering moeten laten prevaleren boven hun mede hierdoor bepaalde eigen promotiemogelijkheden, dat zij directe voordelen moeten opofferen ten gunste van toekomstige winsten en dus geen afkoopsom moeten accepteren voor de instandhouding van inhumane arbeidsverhoudingen of milieu-onvriendelijke producties, dat zij als werkenden solidair moeten zijn met niet-werkenden, en dat zij zich als leden van een binnen de internationale economische ordening relatief geprivilegieerde werkende klasse moeten matigen om een internationale herverdeling van maatschappelijke rijkdom mogelijk te maken. |
![]() |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]() dr. Albert Benschop Sociale en Gedragswetenschappen Sociologie & Antropologie Universiteit van Amsterdam Gepubliceerd: Januari 1993 Laatst gewijzigd: 04 November, 2011 |