Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 3 Structurering van klassenhandelen: van klassenposities naar politieke actoren

XI. Van klassenposities naar sociale klassen

  1. Stelling en afbakening
  2. Geblokkeerde mobiliteit en sociale georganiseerdheid
    2.1 Geblokkeerde verticale mobiliteit
    2.2 Sociale georganiseerdheid
  3. Relatieve mobiliteitskansen
    3.1 Mobiliteit in soorten en maten
    3.2 Meten van mobiliteit
  4. Klassengemeenschap
    4.1 Sociale georganiseerdheid als grondslag van klassenorganisatie
    4.2 Genese van klasse als gemeenschap
    4.3 Drie demarcaties
    4.4 Terminologische kwesties
    4.5 Grondslagen van klassengemeenschappen
    4.6 Hechtheid van een klassengemeenschap
    4.7 Functies van sociale georganiseerdheid
  5. Formatie en transformatie van sociale klassen
  6. Structurering van objectieve klassensituaties
    6.1 Objectieve klassensituatie
    6.2 Ideële kansen
    6.3 Differentiatie van objectieve klassensituaties
  7. Klassen, klassenfracties en sociale lagen
    7.1 Stelling en afbakening
    7.2 Het laagbegrip
    7.3 Klassenfracties en sociale lagen

    Literatuur

© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

Voor een inhoudelijke afbakening van het klassenbegrip is het noodzakelijk om een onderscheid te maken tussen uitbuitingsposities, klassenposities, sociale klassen, klassenbewustzijn en klassenhandelen.

Klassenposities zijn verankerd in uitbuitingsverhoudingen, maar dit betekent niet dat elke uitbuitingspositie per definitie ook een klassenpositie constitueert.

Sociale klassen zijn positionele groepen en potentiële handelingscollectieven die op basis van klassenposities kúnnen ontstaan, maar gemeenschappelijke klassenposities genereren niet automatisch sociale klassen als potentiële conflictgroepen.

Klassen zijn als zodanig geen handelings- en conflictbekwame actoren (‘klassen für sich’), maar kennen wel een zekere gemeenschappelijkheid van habitus, levensstijlen en culturen. Deze gemeenschappelijkheid vloeit niet rechtstreeks en vanzelfsprekend voort uit klassenposities, maar ontstaat pas wanneer en in de mate dat er barrières bestaan voor verticale mobiliteit tussen verschillende uitbuitings- en klassenposities.

Uit sociale klassen ontstaan pas actuele conflictgroepen of politieke actoren wanneer zij niet alleen een eigen klassenspecifieke habitus en levensstijl ontwikkelen, maar ook een collectieve identiteit, een klassenbewustzijn.

Collectieve actoren en sociale bewegingen op klassenbasis veronderstellen altijd een zekere mate aan gemeenschappelijkheid in definities van de eigen belangen en die van de klassentegenstanders, van na te streven doelen en programma’s voor verandering, van handelingsstrategie en tactiek. Een min of meer ontwikkeld klassenbewustzijn leidt echter niet automatisch tot politiek klassenhandelen. Sociale klassen kúnnen dus de grondslag vormen van politiek klassenhandelen, maar dit is niet automatisch of noodzakelijk het geval.

Politiek klassenhandelen en klassenbewegingen ontstaan pas wanneer de belangen en verlangens, aspiraties en inspiraties van een klasse in politieke programma’s, strategieën en tactieken worden gearticuleerd, wanneer zij hun door de klassenpositie bepaalde sociale georganiseerdheid weten te transformeren in gerichte bewegingsorganisaties en leidingen voortbrengen die deze organisaties en hun acties coördineren, wanneer zij hun bronnenpotentieel weten te mobiliseren, wanneer zij gebruik weten te maken van externe handelingskansen die zich voordoen, en wanneer zij zich samen met hun bondgenoten kunnen handhaven in de strategische interacties met tegenstanders.

Index1. Stelling en afbakening

Sociale klassen zijn potentiële handelingscollectieven die op basis van klassenposities kunnen ontstaan. Dit betekent niet dat gemeenschappelijke klassenposities altijd en automatisch sociale klassen als potentiële conflictgroepen genereren. Positionele klassenstructuren stellen limieten aan het ontstaan van sociale klassen (klassenformatie), maar leggen hiervan niet de specifieke uitkomsten vast. Constitutief voor het ontstaan van sociale klassen is de duurzaamheid van de binding van individuen aan hun klassenpositie en de mede hierdoor bepaalde duurzaamheid en stabiliteit van hun klassenspecifieke vormen van sociale georganiseerdheid.

  1. Deze stelling impliceert ten eerste een afbakening van benaderingen waarin geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen klassenposities en sociale klassen.
    Ik gebruik de term politieke actoren hier telkens in de meest brede zin van het woord. Het gaat dus niet alleen om op de staatspolitiek betrok-ken politieke partijen of kiesverenigingen, ook niet alleen om actoren die in vakbondsverband opereren, maar om alle geassocieerde en/of georganiseerde actoren wier handelen gericht is op beïnvloeding van beslissings- en gezags-verhoudingen.
    In deze benaderingen worden klassen ongedifferentieerd worden opgevat als sociaal-structurele categorieën (klassenposities) en tegelijkertijd als politieke actoren in het maatschappelijke krachtenveld (klassenkrachten). Aan het proces van klassenformatie wordt in deze benaderingen niet of nauwelijks aandacht besteed. Het gevolg hiervan is een onderwaardering of verwaarlozing van de betekenis van mobiliteitsprocessen voor het ontstaan van sociale klassen.

    In structuralistische benaderingen, zoals die van Poulantzas, wordt tot vervelens toe gewezen op “de nietigheid van de burgerlijke problematiek van de sociale mobiliteit” [Poulantzas 1976:36]. Maar ook in conflicttheoretische benaderingen, zoals die van Dahrendorf, wordt er zonder verdere argumentatie van uitgegaan dat de problematiek van de sociale mobiliteit “als zodanig irrelevant [is] voor het probleem van het bestaan van klassen” [Dahrendorf 1961:109].

    Een onbenullige burgerlijke problematiek en een absurde hypothese
    Poulantzas reduceert het probleem van de reproductie van de maatschappelijke klassen tot het probleem van de reproductie van de klassenposities. Hij demonstreert dit met een zoals hij zelf zegt “absurde hypothese”. Stel dat in de opeenvolging van generaties alle leden van de bourgeoisie proletariërs zouden worden en alle proletariër leden van de bourgeoisie. Aan de klassenstructuur van de kapitalistische formaties zou dan “niets wezenlijks” veranderen, omdat er nog steeds de positie van het kapitaal en die van de arbeidersklasse zouden bestaan.

    Natuurlijk weet ook Poulantzas dat de klassen van een kapitalistische formatie geen gesloten kasten zijn. Hij hamert erop dat de reproductie van de klassenposities en de reproductie van de klasseleden slechts “twee samenhangende aspecten van de reproductie van de maatschappelijke verhoudingen zijn”, maar zijn afkeer van zo’n onbenullige ‘burgerlijke problematiek’ van de sociale mobiliteit weerhoudt hem van een afzonderlijke analyse van beide mechanismen [Poulantzas 1974:303].

  2. Ten tweede impliceert deze stelling een afbakening van benaderingen waarin wel een onderscheid wordt gemaakt tussen klassenposities en sociale klassen, maar waarbij de duurzaamheid van de binding van individuen aan klassenposities wordt verabsoluteerd.

    Marx, Michels, Weber en velen anderen hebben er terecht op gewezen dat de sociale cohesie van een klasse wordt verzwakt wanneer het lidmaatschap van een klasse (dat wil zeggen de bezetting van een specifieke klassenpositie) een tijdelijk karakter heeft. Dit betekent echter nog niet dat men de duurzaamheid van de klassenbinding zo moet verabsoluteren dat van sociale klassen alleen nog maar kan worden gesproken wanneer actoren een klassenpositie levenslang (of zelfs intergenerationeel) bezetten.

    “Die Straffheit der sozialen Klasse wird gelähmt, wo die Zugehörigkeit der Wirtschaftsmenschen zu ihr einen transitorischen Charakter aufweist und die Übergänge von einer Klasse in die andere leichter sind. … Von Gesellschaftsklassen kann deshalb rigoros nur dann gesprochen werden, wenn die Zugehörigkeit zu einer Klasse auf Lebenszeit besteht &hellip” [Michels 1922/68:175]. De zekerheid dat men was veroordeeld om gedurende het hele natuurlijke leven de arbeidkracht te verhuren, beschouwde Michels als een van de meest belangrijke oorzaken die tot de opkomst van de anti-kapitalistische bewegingen van de moderne massa’s hebben geleid [Michels 1927/65:82]. Zie voor een uitvoerige kritiek op het voor klassenposities en klassen vaak onkritisch veronderstelde aspect van duurzaamheid: Berger [1990], Sörensen[1986].

  3. Tenslotte impliceert deze stelling een afbakening ten opzichte van benaderingen waarin sociale klassen louter als mobiliteitsklassen worden opgevat. Kenmerkend voor deze benaderingen is dat hierin (net als bij de eerste benadering) geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen klassenposities en sociale klassen en dat klassenanalyse volledig wordt geconcentreerd op of gereduceerd tot een analyse van mobiliteitspatronen. Een voorbeeld van een dergelijke benadering is de analyse van Breiger [1981]. Voorstanders van deze ‘mobility class approach’ beroepen zich meestal op het werk van Max Weber.

    Met zo’n gereduceerde benadering van sociale klassen als mobiliteitsklassen kunnen geen klassencategorieën worden geïdentificeerd met duidelijk onderscheiden en tegengestelde belangen. Mobiliteitsklassen zijn niet noodzakelijk verbonden met differentiële posities in uitbuitings- en toeëigeningsverhoudingen en kunnen daarom niet worden gebruikt als categorieën om het proces van klassenformatie te analyseren.

    Goldthorpe [1984] heeft een vergelijkbare kritiek op deze benaderingen. Hij verbindt daaraan een pleidooi voor het gebruik van relatieve mobiliteitsgraden in het onderzoek van klassenformatie. Het gebruik van relatieve mobiliteitsgraden is echter op zichzelf geen reden om de mobiliteitsklassen-benadering te verwerpen, omdat men —zoals Sörensen[1991:84] terecht opmerkt— daarvan ook in deze benadering gebruik kan maken en maakt.

    Goldthorpe hanteert zelf overigens geen uitbuitingsrelaties om klassen te definiëren, maar marktrelaties die bepaald worden door kenmerken van de beroeps- en arbeidssituatie, zoals kwalificatie, inkomen, verantwoordelijkheid, vertrouwen, gezag, autonomie en (waarom ook niet?) status. Zijn zevenledige schema van klassenposities is geconstrueerd “in terms of both occupational function and employment status: in effect, the associated employment status is treated as part of the definition of an occupation” [Goldthorpe 1980:39; vgl. 1982:167-70]. In zijn klassenschema construeert een serie homogene demografische categorieën in termen van privileges (inkomen, gezag, status). Maar hij biedt geen verklaring voor de wijze waarop de variatie in positionele beloningen door klassenverhoudingen tot stand komt. Het klassenschema van Erikson/Goldthorpe [1992: 35-47] is in zijn inspiratie even eclectisch en steunt hoofdzakelijk op statistische technieken.

Index2. Geblokkeerde mobiliteit en sociale georganiseerdheid

‘Klassen an sich’ zijn weliswaar nog geen handelings- en conflictbekwame klassen ‘für sich’, maar kennen wel een een elementaire sociale georganiseerdheid en een zekere gemeenschappelijkheid van habitus, levensstijlen en culturen. Deze sociale georganiseerdheid en gemeenschappelijkheid vloeien niet rechtstreeks en vanzelfsprekend voort uit klassenposities, maar ontstaan pas wanneer en in de mate dat er barrières bestaan voor verticale mobiliteit tussen verschillende klassenposities.

Sociale klassen onderscheiden zich minstens in twee opzichten van klassenposities.

Index


2·1 Geblokkeerde verticale mobiliteit
Voor de identificatie van klassenposities is het in eerste instantie irrelevant door welke specifieke individuen zij worden bezet en wat hun sociale afkomst is. Klassenposities kunnen onafhankelijk van specifieke rekruteringscriteria en allocatiemechanismen worden gedefinieerd. In die zin hebben klassenposities geen geslacht, leeftijd, huidskleur, religie of nationaliteit.

Sociale klassen kunnen echter niet los van rekruteringscriteria en allocatiemechanismen worden gedefinieerd. Het bestaan van sociale klassen is immers afhankelijk van een geblokkeerde verticale mobiliteit tussen klassenposities en een relatief stabiele verdeling van individuen over antagonistische klassenposities. Sociale klassen zijn potentiële handelingscollectieven en zijn samengesteld uit identificeerbare groepen individuen.

Sociale mobiliteit is dus een belangrijke as van klassenstructurering. De betekenis van dit mechanisme is dat het de formatie van sociale klassen, klassenidentiteiten en -acties initieert of vergemakkelijkt op basis van klassenposities die zelf het product zijn van daaraan voorafgaande structureringsprocessen.

Sociale mobiliteit wordt hier niet zozeer gethematiseerd om de kansenongelijkheid in de maatschappij te meten, maar vanuit het perspectief van klassenformatie. De daaraan ten grondslag liggende theorie van collectief handelen vertrekt vanuit drie elementaire vooronderstellingen: (1) mensen verenigen zich eerder in collectieve actie naarmate zij langer met elkaar zijn geassocieerd en naarmate zij een meer gelijksoortige levenspositie innemen; (2) mensen verenigen zich eerder met elkaar wanneer zij gemeenschappelijke belangen delen; (3) collectieve actie is een meervoudig gelaagd proces waarin mensen zich eerst bewust worden van hun situtatie, zich vervolgens realiseren wat zij kunnen doen om hun situatie te verbeteren en er tenslotte iets aan gaan doen [Sörensen 1991:73].

Index


2·2 Sociale georganiseerdheid
We hebben eerder gezien dat er pas sprake kan zijn van uitbuitings- en klassenposities wanneer deze posities een zekere duurzaamheid en relatieve sociale stabiliteit vertonen. Dit geldt in nog veel sterkere mate voor sociale klassen. Sociale klassen veronderstellen niet alleen relatief stabiele klassenposities, maar ook een relatief duurzame binding van de personen die deze posities bezetten. Op basis van klassenposities kunnen sociale klassen als potentiële handelingscollectieven ontstaan wanneer de individuen die deze klassenposities bezetten op mobiliteitsbarrières stuiten, die de overgang naar een andere klassenpositie belemmeren. Sociale mobiliteit reguleert dus de personele samenstelling van de verschillende klassen.

Wanneer individuen in staat zouden zijn naar believen van klassenpositie te wisselen en zij niet relatief duurzaam aan hun specifieke klassenpositie gebonden zouden zijn, zouden er geen sociale klassen kunnen ontstaan die enige sociale cohesie of consistentie vertonen.

Sociale mobliteitsbarrières zijn bepalend voor de stabiliteit van het lidmaatschap van een klasse en voor de rekruteringspatronen [Marshall 1988:82]. De stabiliteit en rekruteringspatronen worden empirisch uitgedrukt in het absolute en relatieve aantal mensen dat lid blijft van een bepaalde klasse of hieraan wordt toegevoegd. Deze ratio’s zijn bepalend voor de sociale cohesie van een klasse of van haar ‘demografische identiteit’ (Goldthorpe).

Een zeker minimum aan stabiliteit en duurzaamheid van het behoren tot een klassenpositie is noodzakelijk om netwerken van klassenspecifieke sociale relaties op te bouwen. Zonder deze elementaire sociale georganiseerdheid zijn de klassengenoten niet in staat een klassenspecifieke habitus, levensstijl en cultuur te ontwikkelen, zij zouden geen klassenspecifieke ervaringen kunnen opdoen en delen, geen specifieke loopbanen volgen en er ook geen gelijksoortige levensverwachtingen op nahouden. De stabiliteit van de binding van individuen aan klassenposities (uitgedrukt in de mate van absolute en relatieve sociale mobiliteit) is dus bepalend voor de structurele kansen van sociale klassenvorming.

Index3. Relatieve mobiliteitskansen

3·1 Mobiliteit in soorten en maten
Bij de afbakening van het mobiliteitsbegrip doen zich een aantal moeilijkheden voor.

  1. Positionele eenheden
    De posities waartussen individuen zich kunnen bewegen zijn zeer verschillend van karakter. Bij het onderzoek naar mobiliteit moet daarom in de eerste plaats duidelijk worden omschreven wat de positionele eenheden waartussen individuen zich bewegen. Gaat het om geografische of ruimtelijke mobiliteit, beroepsmobiliteit, status- of prestigemobiliteit of klassenmobiliteit? Deze verschillende vormen van sociale mobiliteit zijn onderling sterk van elkaar afhankelijk, maar kunnen niet uit elkaar worden afgeleid of tot elkaar worden herleid. Hun specifieke betekenis en relatieve gewicht moet dus telkens afzonderlijk worden geanalyseerd.

  2. Tijdsdimensie: inter- en intragenerationele mobiliteit
    In de tijdsdimensie moet onderscheid worden gemaakt tussen twee personele referentiegroepen: intergenerationele en intragenerationele mobiliteit. De meeste oudere sociologische mobiliteitsanalyses concentreren zich op de ‘vader-op-zoon’-mobiliteit (de mobiliteit van ‘moeder-op-dochter’ viel altijd al buiten het vizier) en laten de carrièremobiliteit buiten beschouwing.

      “De intergenerationele mobiliteitsgraad is geen erg goede maatstaf voor de hoeveelheid tijd die een reeks personen in een gegeven klasse met elkaar doorbrengen. Misschien is de intergenerationele mobiliteitservaring saillanter voor klassenformatie dan intragenerationele mobiliteit. Maar hiervoor ontbreekt direct bewijs” [Sörensen 1990:74].

    De sociale cohesie van een klasse is in ieder geval niet alleen afhankelijk van de intergenerationele mobiliteitspatronen. In de mate dat intragenerationele of carrièremobiliteit feitelijk groter wordt, moet ook deze mobiliteitsvorm integraal in de analyse van klassenformaties worden betrokken. Op grond van gegevens over de individuele levensloop waarin de hele arbeidscarrière is verwerkt, is het mogelijk de sociale cohesie van klassen direct te meten als stabiliteit van klassenlidmaatschap in de werkelijke levenstijd (en niet die van generaties).

      Zie voor een uitvoerige kritiek op de analyse van intergenerationele mobiliteitstabellen: Sörensen [1986].
      Zie voor een analyse van de klassenconstitutieve betekenis van carrièremobiliteit: Mayer/Carrol [1987], Mayer/Blossfeld [1990].
      Zie voor analyses van de stabiliteit van klasselidmaatschap waarin vruchtbaar gebruik gemaakt wordt van gegevens over levensloop: Zwahr [1978], Featherman/Selbee/Mayer [1989], Berger [1990].

  3. Structurele en circulatiemobiliteit
    In de sociologische literatuur wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen structurele en circulatiemobiliteit. Structurele of ‘gedwongen’ mobiliteit is dat deel van de totaal geobserveerde mobiliteit dat direct kan worden toegeschreven aan veranderingen in de structuur van objectieve mobiliteitskansen. Circulatie- of ruilmobiliteit is het deel dat niet met dergelijke veranderingen verbonden is. De bezwaren tegen dit mechanische en gekunstelde onderscheid hoeven hier niet te worden herhaald [Berteaux 1969:448-90; Kaelbe 1978:165; Herz 1983:168 e.v.; Goldthorpe 1980: 29 e.v.,73 e.v.; 1985:185,197].
      Zoals bekend is de toename van de sociale mobiliteit die in alle moderne industriële maatschappijen is vastgesteld, in hoge mate het gevolg van veranderingen in de beroepsstructuur (d.w.z. van expansie van beroepen van employés en professionals en contractie van handarbeidersberoepen), en dus niet — of in aanzienlijk geringere mate — van een personele mobiliteit tussen klassen. Zie hiervoor: Goldthorpe [1980], Heath [1981], Erikson/Goldthorpe [1992:58 e.v.].

  4. Absolute en relatieve mobiliteit
    Tenslotte kan er een onderscheid worden gemaakt tussen absolute en relatieve mobiliteit. Dit onderscheid valt niet samen met het onderscheid tussen structurele en circulatiemobiliteit.

    Absolute mobiliteitsgraden geven de in- en uitstroomquota weer van bezetters van bepaalde klassenposities (respectievelijk beroepsposities, sociale lagen), dat wil zeggen zij indiceren de feitelijk geobserveerde mobiliteit tussen de klassencategorieën. Absolute of de facto mobiliteit wordt in sterke mate beïnvloed door structurele verschuivingen in de omvang van de afzonderlijke klassencategorieën. Absolute mobiliteitsgraden geven een indicatie van de homogeniteit en stabiliteit van het klassenlidmaatschap. Omdat absolute mobiliteitskansen in zeer sterke mate afhankelijk zijn van veranderingen die zich voordoen in de structurering van klassenposities, zeggen zij als zodanig niet veel over de ‘openheid’ van een maatschappij.

    Relatieve mobiliteitsgraden hebben betrekking op de mobiliteitskansen van individuen in vergelijking met de kansen van individuen uit een andere klasse (beroep, sociale laag). Zij indiceren dus de (im)mobiliteitskansen van individuen die afkomstig zijn uit een bepaalde sociale klasse met betrekking tot een specifieke doelklasse, in verhouding tot de corresponderende kans van individuen die uit een andere klasse afkomstig zijn. Op deze wijze krijgt men zicht op de relatieve kansen van mensen met verschillende klassenachtergronden (‘startklasse’) om op meer of minder geprivilegieerde klassenbestemmingen (‘aankomstklasse’) te komen [Goldthorpe 1980:73,94; 1984:22; Marshall 1990:21]. De ‘openheid’ van een maatschappij kan empirisch het beste worden geanalyseerd in termen van relatieve mobiliteitskansen.

      “Relatieve mobiliteitsgraden drukken uit waar de klassenleden zich over opwinden. Absolute graden beheersen de homogeniteit en stabiliteit van het klasselidmaatschap. Daarom beheersen zij het potentieel voor klasseactie dat deze belangen realiseert” [Sörensen 1991:75].

    Volgens Sörensen is een theorie over de oorzaken van ongelijke kansen van minder belang dan een theorie over hoe klassen positionele beloningen veroorzaken.

      “Als klasse niet gerelateerd is aan ongelijkheid dan zijn differentiële mobiliteitseigenschappen irrelevant voor klassenformatie. Over ongelijke toegang tot gelijke posities maakt niemand zich druk. Het project van klassenformatie heeft dus een klassenschema nodig dat is afgeleid van een theorie over hoe klassen de variatie in positionele beloningen veroorzaken” [idem:76].

    De afzonderlijke posities in de klassenstructuur hebben onderscheiden implicaties voor de mobiliteitskansen. Relatieve mobiliteitsgraden geven een indicatie van (a) de relatieve aantrekkelijkheid van verschillende doelklassen, (b) de relatieve voordelen die individuen van verschillende startklassen hebben, en van (c) de relatieve barrières waarop individuen stuiten bij hun pogingen om toegang te krijgen tot verschillende klassenposities.

Index


3·2 Meten van mobiliteitsgraden
Relatieve mobiliteitsgraden meten de structureel bepaalde kansen om naar een bepaalde bestemmingsklasse te bewegen vanuit een specifieke startklasse, in verhouding tot de kansen om vanuit een andere startklasse naar deze bestemmingsklasse te bewegen. Zij zijn daarom bij uitstek geschikt om het proces van klassenformatie empirisch te ontcijferen. Mobiliteitsgraden zijn immers niet alleen een uitdrukking van klassenbelangen, maar zijn hiervoor tegelijkertijd mede bepalend. Relatieve mobiliteitsgraden zijn een uitdrukking van de klassenmatige verdeling van bronnen en beloningen alsmede van de toegangskansen tot de aan klassenposities verbonden privileges.

Vanuit de optiek van de startklasse gaat het om de relatieve voor- en nadelen die klassenposities bieden in termen van de feitelijke ongelijke verdeling van bronnen en beloningen; vanuit de optiek van de aankomstklasse gaat het om de structureel bepaalde kans om toegang te krijgen tot klassengebonden privileges.

Klassenbelangen zijn strategische handelingsoriëntaties van individuen die geënt zijn op de objectieve klassensituatie — het zijn dus klassenspecifieke of klassengebonden doelen die als handelingsmotiverende kracht fungeren. In klassenbelangen manifesteert zich onder andere de aspiratie om de privileges die verbonden zijn aan het lidmaatschap van een klasse te behouden of te verbeteren. Ik kom hier in hoofdstuk XIV op terug.

De preciese betekenis van absolute en relatieve mobiliteitsgraden voor het empirische onderzoek naar processen van klassenformatie is omstreden. Absolute mobiliteitsgraden kunnen worden opgevat als maatstaven voor de homogeniteit en stabiliteit van het klasselidmaatschap; relatieve mobiliteitsgraden kunnen worden opgevat als maatstaven voor de motivatie (het ‘belang’) om van klassenpositie te veranderen en voor de structureel gelimiteerde kansen dit te doen.

Absolute mobiliteitsgraden meten echter ook de actuele kansen om toegang te krijgen tot een bepaalde klasse. Daarom zou men absolute mobiliteitsgraden ook kunnen gebruiken als een belangrijke indicator van de klassenspecifieke gevoelens van deprivatie of geprivilegieerdheid.

Sörensen heeft dit probleem helder geformuleerd.

Zoals bekend kunnen de (relatieve) mobiliteitskansen in het kapitalisme niet alleen op zeer uiteenlopende terreinen, maar ook met behulp van een breed spectrum van onderzoeks-strategieën en -methodieken worden geanalyseerd. Er zijn nog geen serieuze pogingen gedaan om de resultaten uit de verschillende deelstudies op elkaar te betrekken. In een meer omvattende benadering van de mobiliteitsproblematiek zouden in ieder geval de volgende vier deelterreinen op elkaar betrokken moeten worden.

  1. Algemene ontwikkelingstrends: concentratie en centralisatie van kapitalen; expansie van het arbeidsproces op basis van productielijn technologieën en nieuwe vormen van controle; teruggang van ‘zware’ industrie en de beweging van het kapitaal naar ‘lichtere’ vormen van productie (met name van duurzame consumptiegoederen); de mede hierdoor bepaalde verschuivingen in het profiel van de vereiste arbeidskwalificaties.
  2. Verschuiving van de samenstelling van het arbeidskrachtenpotentieel: tendens van dekwalificatie en rekwalificatie; proces van scheiding van conceptie en uitvoering; creatie van nieuwe taken en controlevaardigheden; verschuiving van arbeid uit directe productie naar circulatie en distributie; expansie van dienstverlenende arbeid, zowel onder regie van het kapitaal als binnen de lokale en nationale staat.
  3. Kapitaalmobiliteit: verschuivingen in de geografische verdeling van het kapitaal op internationaal en nationaal, regionaal en lokaal niveau.
  4. Arbeidsmobiliteit: de geografische concentratie van intra-klassenrelaties (lokale netwerken van klassenspecifieke sociale relaties; betekenis van ‘lokalisme’ als centrale vorm waarin leden van de arbeidersklasse hun maatschappelijk leven ervaren) en de wijzigingen in de afstand tussen woon- en werkplaats; toenemende geografische en beroepsmobiliteit en de hierdoor bepaalde fractionering van de lokale reproductiepatronen (‘deparochialisering’); verandering van primaire vormen van identificatie (‘wij hier onder’ versus ‘zij daarboven’); formatie en transformatie van klassenculturen.

Trendloze fluctuatie
Zie voor internationaal vergelijkend onderzoek van relatieve mobiliteitskansen: Erikson/Goldthorpe [1985,1987,1992], Ganzeboom/Luykx/Treiman [1989]. De onderzoeksresultaten van Erikson en Goldthorpe zijn onverenigbaar met het in de liberale traditie gangbare idee dat de relatieve mobiliteitsgraden in industriële maatschappijen een stijgende tendens vertonen en dus een toenemende sociale openheid. In de negen onderzochte Europese landen vertonen de relatieve mobiliteitsgraden juist een hoge mate aan temporele stabiliteit. De geringe veranderingen die zich daarin voordoen vertonen meestal geen consistente richting.
    “Klassenstructuren bieden in verschillende perioden en naties verschillende contexten voor mobiliteit, waardoor uiteenlopende kansenpatronen onstaan waarmee alle individuen in gelijke mate worden geconfronteerd. Tegelijkertijd vormen zij de bron van een fundamentele gelijkvormigheid in de endogene mobiliteitsregimes die binnen deze contexten opereren en via welke relatieve mobiliteitskansen volgens klasseafkomst worden uitgedrukt” [Erikson/Goldthorpe 1992:391].

De conclusies van Erikson/Goldthorpe sluiten in sterke mate aan bij de oude stelling van Sorokin [1927/59] dat er geen permanente trend bestaat naar een grotere of kleinere mobiliteit, maar slechts een ‘trendloze fluctuatie’. Ook de verklaring die zij hiervoor aandragen, bouwt voort op de twee elementen die Sorokin noemde.

Ten eerste zijn er weliswaar een aantal oude juridische en religieuze mobiliteitsbarrières grotendeels afgebroken, maar zijn andere barrières verhard of nieuw geïntroduceerd, zoals systemen van onderwijsselectie en beroepskwalificatie.

Ten tweede zijn de patronen van sociale stratificatie, die de context voor mobiliteit vormen, zelf structuren die differentiële macht en privileges uitdrukken en dus een belangrijke zelfhandhavende eigenschap bezitten. Mensen die geprivilegieerde posities bezetten, gebruiken hun macht en privileges in de regel om de toegang tot deze posities van onderaf te beperken. Het cumulatieve resultaat van deze inspanningen is veeleer dat de sociale lagen op den duur meer gesloten worden. Als men zou moeten geloven dat mobiliteitsprocessen een constante trend vertonen dan zou men volgens Sorokin daarom eerder verwachten dat dit een afnemende trend is. Sorokin bleef echter op kritische afstand van alle unilineaire evolutietheorieën van stratificatie en mobiliteit.

Index4. Netwerken van klassenspecifieke sociale relaties: klassengemeenschap

4·1 Sociale georganiseerdheid als grondslag van klassenorgansatie
De sociale georganiseerdheid van een klasse bestaat in de netwerken van klassengebonden informele sociale relaties. Dit zijn relatief duurzame, min of meer geïnstitutionaliseerde, maar niet noodzakelijk geformaliseerde interactienetwerken van individuen die eenzelfde klassenpositie innemen. Het zijn kringen van persoonlijke relaties tussen klassenindividuen die elkaar persoonlijk kennen of gemakkelijk kunnen ontmoeten.

De directe interacties in maatschappelijke arbeids-, consumptie- en levensverhoudingen zijn in twee opzichten van belang.

Index


4·2 Genese van klasse als gemeenschap
Het lidmaatschap van een klasse wordt weliswaar niet gedefinieerd, maar wel geïndiceerd door (i) de feitelijke participatie in de sociale interacties die typerend zijn voor de betreffende klasse (met name in bedrijfs- en beroepsgebonden associaties, in gezins- en buurtrelaties en in vriendenkringen) en door (ii) de feitelijke acceptatie binnen deze sociale relaties: wie tot een bepaalde sociale klasse behoort wordt door andere leden van deze klasse als gelijke geaccepteerd (‘referentiegroep’). Deze ‘sluiting naar binnen’ en de wederzijdse erkenning als gelijken veronderstelt een minimum aan sociale homogeniteit en sociale nabijheid onder de betrokken klasseleden.

Dit is de ratio van Warner’s gemeenschapsbenadering: de leden van sociale klassen hebben ‘intieme toegang tot elkaar’ en zij hebben intieme kennis van elkaar. Zij zijn geïntegreerd in selectieve associaties op klassenbasis, zij zijn (klassen)selectief geassocieerd.

De netwerken van sociale relaties tussen leden van een zelfde klasse vormen informele selectieve klassenassociaties (of klassenselectieve associaties), die ik meer traditioneel zal aanduiden als een klassengemeenschap. Onder klassengemeenschap versta ik het geheel van de persoonlijke sociale relaties tussen actoren die tot een zelfde sociale klasse behoren en van de relaties tussen deze persoonlijke contacten.

Index


4·3 Drie demarcaties
Om het begrip klassengemeenschap zo scherp mogelijk te definiëren moeten er minstens drie afbakeningen worden gemaakt.

  1. Versus interactionisme
    Het lidmaatschap van een sociale klasse wordt niet gedefinieerd door maar gearticuleerd in de feitelijke participatie in en acceptatie binnen een klassengemeenschap. Het lidmaatschap van een sociale klasse wordt immers bepaald door de specifieke positie die men in objectieve klassenstructuren inneemt.

    Hierin ligt een afbakening besloten ten opzichte van de lokale gemeenschapsstudies in de traditie van Warner, de symbolisch-interactionistische en ruil-theoretische benaderingen en ten opzichte van de culturalistische klassenbenaderingen, waarin klassen primair of uitsluitend op interactioneel niveau van handelingsintegratie worden gedefinieerd. Zie eerder hoofdstuk III, § 2·3 en V, § 3·2.

    Het begrip klassengemeenschap moet dus ‘naar beneden’ scherp worden afgebakend ten opzichte van het lagere structureringsniveau van de objectieve klassenpositie. Het moet echter ook in twee opzichten ‘naar boven’ worden afgebakend van de hogere niveaus van handelingsstructurering.

  2. Versus culturalisme
    Klassengemeenschappen zijn zeer nauw verbonden met klassenspecifieke habitus en levensstijlen en zijn ingebed in klassenspecifieke alledaagse culturen en subculturen. Al deze elementen zijn in werkelijkheid met elkaar versmolten tot relatief homogene klassenspecifieke ‘sociaal-morele milieus’.

    Dit is echter geen reden om de begripsmatige grenzen tussen de categorieën waarmee dergelijke hooggeaggregeerde complexen kunnen worden geanalyseerd te laten vervloeien. Integendeel, het maakt een scherpe begripsafbakening des te belangrijker. “Scherpe scheiding is in de werkelijkheid vaak niet mogelijk, maar dit maakt duidelijke begrippen (d.i. analytische onderscheidingen) des te belangrijker” [Weber, WG:123].

    Dit is een belangrijk bezwaar tegen interactionistische benaderingen waarin meestal geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de directe interactiesystemen als zodanig (klassengemeenschap) en de klassenspecifieke habitus en levensstijlen. In culturalistische benaderingen worden deze elementen meestal onherkenbaar samengevoegd in hoger geaggregeerde en complexe alledaagse klassenculturen en subculturen; door sociologische individualiseringstheoretici [Beck 1987:117; Hradil 1987:136] worden zij versmolten tot relatief homogene sociaal-morele milieus [→ hoofdstuk XII, § 5 over klassenculturen].

  3. Versus organisationisme
    Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen klassengemeenschappen en formele klassenassociaties. Klassengemeenschappen zijn aggregaties op het niveau van de interactionele handelingscontext — zij zijn interactioneel geïntegreerd. Formele klassenassociaties zijn aggregaties op het niveau van de organisationele handelingscontext — zij zijn organisationeel geïntegreerd. Klassengemeenschappen veronderstellen geen gespecialiseerde controle- of regulatie-instanties en/of formeel leiderschap.

    Juist omdat de overgangen tussen informele klassenassociaties (klassengemeenschappen) en formele klassenassociaties in werkelijkheid zo vloeiend zijn, is het van belang dit analytische onderscheid niet uit het oog te verliezen. Zie voor de definitie van formele klassenassociaties: hoofdstuk XV, § 2.

Index


4·4 Terminologische kwesties
Het nadeel van het begrip klassengemeenschap is dat deze term zwaar beladen is met — hiervoor genoemde — betekenissen waarvan ik deze term juist wil ontkoppelen. Om deze moeilijkheden en mogelijke verwarringen te voorkomen zou men kunnen overwegen andere termen te kiezen. Klassengemeenschappen zijn immers informele selectieve associaties op klassenbasis. Deze definitie impliceert dat er een duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen de min of meer geïnstitutionaliseerde, maar informele klassenassociaties en de geformaliseerde klassenorganisaties. Op pragmatische gronden geef ik er de voorkeur aan de informele klassenassociaties aan te duiden met de term klassengemeenschappen.

Het voordeel van deze terminologie is dat deze aansluit bij Weber’s onderscheid tussen twee typen van sociaal handelen: gemeenschapshandelen en vermaatschappelijkt handelen. Weber sloot in deze begripsvorming aan bij het door Ferdinand Tönnies geïntroduceerde onderscheid tussen Gemeinschaft en Gesellschaft [Goddijn 1981:249].

Het nadeel van deze terminologie is dat gemeenschappen en associaties te strak wordt vastgemaakt aan het verschil tussen affectieve en traditionele handelingsoriëntaties enerzijds en waarde- of doelrationele handelingsoriëntaties anderzijds. Een gemeenschap en een associatie verschillen echter primair in de mate van rationalisering van sociaal handelen en moet dus niet (en zeker niet exclusief) worden gedefinieerd in termen van typen handelingsmotivaties — hoe men deze motivaties ook —ideaaltypisch of theoretisch— ook wil onderscheiden.

‘Gemeenschap’ was eerder een evocatief symbool dan een analytisch begrip. Graig Calhoun heeft een poging gedaan een meer nauwkeurige definitie van het gemeenschapsbegrip te ontwikkelen. Het is een interessante poging omdat hij daarbij zowel gebruik maakt van historische en sociologische als van antropologische inzichten. In zijn kritiek op Weber’s onderscheid tussen gemeenschap en associatie mist hij echter het essentiële punt. Het problematische van dit onderscheid is volgens hem dat het is gebaseerd op een kunstmatig onderscheid tussen rationaliteit en irrationaliteit [Calhoun 1983:88]. Bij Weber wordt het gemeenschapshandelen echter niet direct aan een rationaliteitscriterium verbonden; het wordt uitsluitend gekoppeld aan aan traditionele en affectieve handelingsoriëntaties. In zijn eigen benadering definieert Calhoun gemeenschap in termen van “the self-regulation of the patterns of organization” [idem:91] waarbij hij een sterke nadruk legt op de morele verplichtingen die in een gemeenschap zijn geïmpliceerd. “Moral obligations are essentially the stuff of community” [idem:92].

Het ontstaan van klassengemeenschappen en de relatiearbeid die hiervoor noodzakelijk is, zijn immers ook altijd strategisch gemotiveerd. Klassenspecifieke sociale relaties en klassengemeenschappen zijn altijd ook nuttige verbindingen die specifieke beloningen impliceren (zoals vertrouwen en emotionele steun, maar ook materiële ondersteuning).

Klassengemeenschappen zijn dus per definitie meervoudig individueel gemotiveerd: traditioneel (piëteit), affectief (sympathie), normatief (loyaliteit) en/of strategisch (nut). Het saamhorigheidsgevoel dat zo kenmerkend is voor een klassengemeenschap is dus zelf meervoudig gemotiveerd. Het gebruik van de sociale relaties die in een klassengemeenschap zijn verdisconteerd, impliceert altijd ook een specifieke strategische oriëntatie, namelijk de bereidheid om deze relaties te benutten om persoonlijke of klassenspecifieke voordelen te behalen. De sociale relaties van een klassengemeenschap en de personen die daarin participeren worden dus altijd tot op zekere hoogte (bewust of onbewust) strategisch geobjectiveerd, ook al komen klassengemeenschappen niet uitsluitend of hoofdzakelijk om strategische redenen tot stand [→ hoofdstuk IX, § 2].

Gemeinschaft vs. Gesellschaft?
Hiermee neem ik afstand van de traditionele wijze waarop gemeenschap in de sociologische literatuur wordt omschreven (‘gedefinieerd’ zou in dit geval niet op z’n plaats zijn). Tönnies speelt daarbij nog steeds een belangrijke rol.

Voor Tönnies is een Gemeinschaft een oorspronkelijke levensvorm die gekenmerkt wordt door persoonlijke relaties, door offervaardigheid en altruïsme en door organische solidariteit in menselijke verhoudingen. Daarentegen wordt Gesellschaft juist gekenmerkt door zakelijke of contractuele (door warenruil en geld gemedieerde) verhoudingen, door egoïsme en gevoelsneutraliteit en door individualisme. Anders gezegd: Gemeinschaft wordt exclusief gethematiseerd in termen van affectieve en traditionele handelingsoriëntaties en gecontrasteerd met Gesellschaft welke in termen van strategische handelingsoriëntaties wordt geïnterpreteerd.

Deze visie werkt duidelijk door in de klassieke gemeenschapsanalyse van MacIver [1928] en is ook herkenbaar in Nisbet’s definitie van gemeenschap. Voor Nisbet [1970:48] omvat een gemeenschap “all forms of relationships which are characterized by a high degree of personal intimacy, emotional depth, moral commitment, social cohesion, and continuity in time. Community is founded on man conceived in his wholeness rather than in one or another of the roles, taken separately, that he may hold in a social order. It draws its psychological strength from levels of motivation deeper than those of mere volition or interest, and it achieves its fulfilment in a submergence of individual will that is not possible in unions of mere convenience or rational assent”.

Index


4·5 Grondslagen van klassengemeenschappen
Klassengemeenschappen kunnen zowel ontstaan in en in aansluiting bij maatschappelijke arbeidsverhoudingen en -organisaties, in maatschappelijke consumptieverhoudingen en -organisaties als in primaire interactieverhoudingen en -gemeenschappen.

  1. Klassengemeenschappen ontstaan in of in aansluiting bij maatschappelijke arbeidsverhoudingen en -organisaties: professionele bindingen tussen beroepsgenoten; collegiale bindingen tussen bedrijfsgenoten; professionele gemeenschappen.
      Voor collegiale bindingen: Granovetter [1974], Windolf/Hohn [1984], Fantasia [1988].
      Voor professionele gemeenschappen: Johnson [1972].

  2. Klassengemeenschappen ontstaan in of in aansluiting bij maatschappelijke consumptieverhoudingen en vrijwillige of gedwongen consumptieorganisaties: gemeenschappen van dorps-, buurt-, straat- en huisgenoten (woongemeenschappen; visite-gemeenschappen); selectieve associaties tussen klassengenoten op scholen en universiteiten; gezelligheids- en ontspanningsassociaties (dansen, feesten en andere informele ‘gezelligheden’).
      Voor woongemeenschappen: Reuband [1975], Elias/Scotson [1976], Willis [1977], Seabrook [1984].
      Voor educatieve gemeenschappen: Bourdieu/Passeron [1964/6], Flap/De Graaf [1985], Hezewijk [1986], Wilterdink [1984].

  3. Klassengemeenschappen ontstaan in of in aansluiting bij primaire interactieverhoudingen en vrijwillige of gedwongen interactiegemeenschappen: persoonlijke contacten of privérelaties in vrienden- en kennissenkringen; exclusieve bindingen tussen familieleden en verwanten (huwelijkskringen, verwantschapsrelaties); generatiebindingen; intieme erotische en liefdesrelaties.
      Voor vrienden- en kennisenkringen: Kon [1979], Herlijn e.a. [1982], Buunk [1983], Wright/Cho [1992].
      Voor huwelijkskringen en verwantschapsrelaties: Zeitlin [1974], Mayer [1977], Useem [1984], Van den Berghe/Fennema [1984,1985], Scott/Griff [1984], Bottomore/Brym [1989].
      Voor generatiebindingen: Willis [1976 – over arbeidersjeugd], Knipscheer [1980 – over bejaarden], Buunk [1983:45].
      Voor liefdesrelaties: Berscheid/Walster [1974], Rubin [1985].

    Wright/Cho [1992] analyseren de relatieve waarschijnlijkheid van vriendschappen die klassengrenzen overbruggen. Het referentiepunt van hun analyse is niet de mate waarin er sprake is van vriendschappen tussen personen die onderscheiden klassenposities bezetten, maar de mate waarin er vriendschappen bestaan tussen personen die contraire posities innemen op drie onderscheiden exploitatiegrenzen: eigendom, gezag en expertise. De relatieve ondoordringbaarheid van deze exploitatiegrenzen wordt gemeten met behulp van een standaard log-lineaire analyse van mobiliteitstabellen. Uit de vergelijking van de gegevens voor de VS, Zweden, Noorwegen en Canada trekken Wright/Cho de conclusie (1) dat in vriendschapsrelaties de eigendomsgrens het meest ondoordringbaar is, gevolgd door de expertisegrens, terwijl de gezagsgrens het meest doordringbaar is, en (2) dat de vriendschapsrelaties die over klassengrenzen heengaan in de vier onderzochte landen een zelfde patroon vertonen, resp. dat het patroon van doordringbaarheid van de drie grenzen een opmerkelijke gelijkenis vertoont.

    Ik heb er al eerder op gewezen [hft. III, § 2·3] dat sommige auteurs — in aansluiting bij Schumpeter [1927] — sociale klassen behandelen als endogame eenheden omdat de keuze van huwelijkspartners in hoge mate tot de eigen klasse wordt beperkt (niet legaal, maar wel sociaal). Leden van de bourgeoisie behoren tot dezelfde kring van elitaire sociale clubs; velen van hen hebben de meest prestigieuze scholen bezocht en bewegen zich in dezelfde netwerken van vrienden en bekenden enz.

    Class matters, ook in kwesties van intimiteit, liefde en huwelijk. Dat is ook de boodschap van Tamar Lewin [2005]:

      “Marriages that cross class boundaries may not present as obvious a set of challenges as those that cross the lines of race or nationality. But in a quiet way, people who marry across class lines are also moving outside their comfort zones, into the uncharted territory of partners with a different level of wealth and education, and often, a different set of assumptions about things like manners, food, child-rearing, gift-giving and how to spend vacations. In cross-class marriages, one partner will usually have more money, more options and, almost inevitably, more power in the relationship” [Tamar Lewin, The New York Times, 18 mei, 2005].

    De conflicten tussen liefde en sociale klasse zijn niet alleen de bouwstenen van de Victoriaanse romantiek —Wuthering Heights Emily Bronte en Jane Eyre van Charlott Bronte—, maar vormen ook de matrix van Don Quixote van de Spaanse auteur Miguel Cervantes. Zij demonstreren de relatie tussen individuen en maatschappij in het licht van klassedistincties en rigide sociale manieren en mores.

Netwerken van klassenspecifieke sociale relaties en klassengemeenschappen ontstaan grotendeels spontaan — zij vereisen als zodanig geen specifieke organisatiearbeid. Zij vereisen echter wel een specifieke relatie-arbeid: de klassenspecifieke contacten moeten bewust of onbewust, gericht of ongericht worden aangeknoopt en onderhouden. Een klassengemeenschap kan zich alleen duurzaam reproduceren wanneer deze contacten worden gekoesterd, gecultiveerd en geïnstitutionaliseerd.

Index


4·6 Hechtheid van klassengemeenschap
De netwerken van klassengebonden sociale relaties zijn op specifieke wijze gestructureerd. De hechtheid van klassengemeenschappen is enerzijds afhankelijk van de tijd-ruimtelijke concentratie van de leden van eenzelfde klasse in arbeids-, consumptie- en directe interactieverhoudingen, anderzijds van de mate van de morele verplichtingen die in deze gemeenschappen zijn ingebouwd.

De tijd-ruimtelijke geconcentreerdheid is bepalend voor

  1. de omvang van de klassengemeenschappen, dat wil zeggen het aantal personen dat actueel in deze associaties participeert, het aantal personen dat potentieel in deze gemeenschappen betrokken kan worden, en het aantal personen dat is gelieerd aan de personen die actueel participeren (‘vrienden van vrienden’).

  2. de dichtheid van de actuele relaties tussen de leden van een netwerk (ruimtelijke en/of virtuele concentratie).

  3. de intensiteit van de contacten, die gemeten kan worden door het aantal, de frequentie en duurzaamheid van lokale en virtuele contacten.
      De frequentie van de interactie en de opgebouwde familiairiteit en voorspelbaarheid die dit met zich meebrengt, is een uiterst belangrijke factor voor het versterken van een klassengemeenschap [Calhoun 1983:98].

  4. de clustering van afzonderlijke netwerken, die gespecificeerd wordt door de mate waarin specifieke netwerken elkaar overlappen, door de relatieve betekenis die de afzonderlijke netwerken binnen dergelijke samengesmolten associaties innemen, en door de centraliteit of marginaliteit van partiële klassengemeenschappen [→ hoofdstuk IX, § 2·2; Calhoun 1983:99 e.v.; Bader/Benschop 1988:147].

De morele verplichtingen die in een klassengemeenschap zijn geïnstitutionaliseerd, kunnen worden gespecificeerd door de inhoud van deze verplichtingen zelf en door de sancties die gebruikt kunnen worden om deze verplichtingen af te dwingen. De morele verplichtingen binnen een klassengemeenschap kunnen uiterst diffuus, zeer specifiek of omvattend (‘familiair’) zijn.

Index


4·7 Functies van sociale georganiseerdheid
De klassenspecifieke netwerken van sociale relaties en de interactieve klassengemeenschappen zijn de fundamentele bouwstenen van klassenbewegingen. Zij leveren een cruciale bijdrage aan het ontstaan, bestaan en de ontwikkeling van klassenbewegingen en -organisaties. Veit Bader [1991:227-9] heeft een algemeen, maar gedifferentieerd overzicht gegeven van de functies van sociale georganiseerdheid. Deze functies kunnen tamelijk eenvoudig voor klassenspecifieke netwerken van sociale relaties worden geconcretiseerd.

  1. Sociale georganiseerdheid vervult een belangrijke functie in de communicatie tussen de leden van een klassenbeweging. Directe communicatie in kleinere verbanden is een onmisbare grondslag voor de communicatie die door bewegingsorganisaties wordt bemiddeld en via de geformaliseerde media verloopt. Door nieuwe media is synchrone en asynchrone onderlinge communicatie inmiddels uiterst efficiënt, bijna kosteloos en met relatief gemak mogelijk geworden. Internet en mobiele telefoons worden niet alleen gebruik om lokale contacten te versterken, maar ook en vooral om bovenlokale, bovennationale en zelfs globale verbindingen aan te gaan en te onderhouden. Voor de verwerking van gemeenschappelijke klassenervaringen is bovendien van belang dat deze nieuwe communicatie- en informatietechnologieën niet alleen één-op-één en één-op-velen, maar ook velen-op-één en velen-op-velen interacties faciliteren.

  2. Relatief gestabiliseerde klassengemeenschappen vervullen een uitermate belangrijke en onvervangbare functie voor de ontwikkeling van een (relatief autonoom gedefinieerde) klassenidentiteit en een authentieke klassencultuur. Klassenidentiteiten worden gestimuleerd wanneer persoonlijke relaties en groepsvorming zijn ingebed in meer omvattende klassengemeenschappen die een sterke invloed uitoefenen op de individuele leden; dergelijke klassenspecifieke identiteiten zijn parameters van de reeks van mogelijke acties die de afzonderlijke leden kunnen ondernemen.

  3. Sociale georganiseerdheid vergemakkelijkt de articulatie van klassenspecifieke utopieën en van politieke programma’s voor gemeenschappelijke klassenactie. Klassengemeenschappen zijn contexten waarbinnen de collectieve leerprocessen en de vorming van gemeenschappelijke opvattingen plaatsvinden en waarin individuen zowel hun maatschappijkritiek als hun alternatieve of utopische referentiekaders kunnen verbinden en transformeren.

  4. Klassengemeenschappen fungeren “als scholen van zelfstandigheid, van affectief en moreel zelfbewustzijn, van retorische en organisatorische capaciteiten en vooral als experimenteerplaats van acties en verzet” [Bader 1991:228]. Het zijn instituties van politieke socialisatie en scholen van democratie waarin autonomie en democratische consensusvorming van onderaf wordt geleerd en blokkades worden opgebouwd tegen manipulatiestrategieën van buitenaf (door organisaties of vertegenwoordigers van de klassenopponenten), maar ook van binnenuit (door de leidingen van de eigen klassenorganisaties).
      Ik heb hier alleen de democratische potenties van klassengemeenschappen benadrukt. Ik werkelijkheid fungeren klassengemeenschappen natuurlijk vaak ook en vooral als ‘scholen van autoritarisme’.

  5. Collegiale netwerken, buurtrelaties en vriendschapskringen zijn een belangrijke grondslag voor de participatie in klassenbewegingen en voor de rekrutering van leden, kaders en leidingen van deze bewegingen. Een klassengemeenschap is het meest natuurlijke sociaal-culturele milieu om lotgenoten aan te sporen om zich voor de gemeenschappelijk zaak in te zetten en om talenten te selecteren die geschikt zijn om als kaderlid of als leiders te fungeren.

  6. Klassenorganisaties die verankerd zijn in klassengemeenschappen zijn in staat tot een veel effectievere bronnenmobilisatie dan organisaties die deze voedingsbodem ontberen. De sociale relaties die in klassengemeenschappen zijn geïmpliceerd, kunnen in politieke handelingsstrategieën als indirecte bronnen worden ingezet.

  7. Sociale georganiseerdheid en klassengemeenschappen fungeren als medium van sociale controle. Gemeenschapsinterne controle is noodzakelijk om de sociaal-politieke cohesie van de klassegemeenschap te bewaken en te beschermen tegen splitsings- of chaosveroorzakende initiatieven van de opponenten. Sociale controle kan echter ook door klassenorganisaties en leiders worden gebruikt om hun utopieën/ideologieën en politieke programma’s door te drukken.

  8. En tenslotte fungeren klassengemeenschappen als een voedingsbodem en ‘cordon sanitaire’ voor —elkaar beconcurrerende— klassenorganisaties en leidingen.

      “Sociale georganiseerdheid en associaties zijn de voedingsbodem voor het ontstaan en bestaan van verschillende, samenwerkende of elkaar beconcurrerende conflictorganisaties. Deze hebben een gemeenschappelijk publiek om wiens gunst gestreden wordt, een kritische adressant van hun programmatische, strategische en tactische meningsverschillen. In deze vriendelijke of sympathiserende omgeving kunnen zij zich als een vis in het water bewegen. Onder scherpe politieke repressie vormt deze omgeving tegelijk een soort beschermend opvangbekken, een ‘cordon sanitaire’, waarin leden en leiders van verboden conflictorganisaties kunnen onderduiken. Sociale georganiseerdheid biedt dus niet alleen belangrijke bijdragen aan het ontstaan en de ontwikkeling van sociale bewegingen, maar ook aan hun overleven in kritische situaties” [Bader 1991:229].

    Dit is een van de belangrijkste redenen waarom bijvoorbeeld het verbieden of vernietigen van arbeiderspartijen en -organisaties niet direct leiden tot de ondergang van de arbeidersbeweging.

Index5. Formatie en transformatie van sociale klassen

Onder klassenformatie wordt hier verstaan: de vorming van collectieve actoren die georganiseerd zijn rond klassenbelangen binnen een klassenstructuur. Dit brede begrip van klassenformatie omvat verschillende processen en stadia die afzonderlijk behandeld moeten worden.

  1. de vorming van sociale klassen, inclusief de klassenspecifieke netwerken van sociale relaties, de habitus en levensstijlen;
  2. het ontstaan van klassenidentiteiten en -bewustzijn, inclusief de uitwerking van klassenspecifieke ideologieën, actieprogramma’s en toekomstbeelden; en
  3. het ontstaan van politiek klassenhandelen, inclusief de vorming van klassenorganisaties.
      Wright [1978:98] maakt in eerste instantie een duidelijk onderscheid tussen de structuur van maatschappelijke verhoudingen tussen klassen (klassenstructuur) en binnen klassen (klassenformatie). Later lijkt hij de term ‘class formation’ een beperktere betekenis te willen geven. “Class formation refers to the formation of organized collectivities within that class structure on the basis of interests shaped by that class structure” [Wright 1985:10]. De afbakeningen tussen ‘classes’, ‘class formation’, ‘class consciousness’ en ‘class struggle’ worden inhoudelijk niet duidelijk uitgewerkt [Wright 1985: 28 e.v., 123 e.v.; 1989:272]. Vgl. ook Przeworski [1977].

De formatie en transformatie van sociale klassen (‘the making and remaking’) wordt primair gestructureerd door de verhoudingen tussen objectieve klassenposities. Klassenformatie is daarom primair afhankelijk van de veranderingen die zich in de objectieve klassenstructuur voltrekken. Het ontstaan van sociaal gehomogeniseerde klassen wordt in het algemeen bevorderd wanneer klassenstructuren zich verharden.

Klassenstructuren worden harder of robuuster wanneer (a) de relatieve mobiliteitskansen van sociale klassen kleiner worden, (b) de speelruimtes voor individuele mobiliteit kleiner worden en —mede op basis hiervan— (c) de duurzaamheid van de binding aan specifieke klassenposities toeneemt, en (d) het contrast in klassenspecifiek gestructureerde levenskansen groter wordt.

Index6. Niveaus van structurering van objectieve klassensituaties

Klassenhandelen is een complex, meervoudig gestructureerd fenomeen. Daarbij moet enerzijds rekening worden gehouden met zowel objectieve klassenposities als met klassenspecifieke habitus, levensstijlen en klassenbewustzijn. Anderzijds zijn ook de klassenposities zelf niet homogeen maar vertonen een zeer grote verscheidenheid. De belangrijkste elementen van deze verscheidenheid kunnen in drie punten worden samengevat.

6·1 Objectieve klassensituatie
De systeemstructuur en positionele klassenstructuur bepalen objectieve klassensituaties in verschillende functioneel en/of empirisch gedifferentieerde maatschappelijke activiteits-verhoudingen. Deze worden samengevat in relationeel bepaalde klassenposities van (groepen van) individuen.

Objectieve klassensituaties omvatten

  1. niet alleen klassenspecifieke ongelijkheden in de materiële productie- of arbeidsverhoudingen, maar ook in de materiële consumptieverhoudingen, zoals in de woonsituatie;
  2. niet alleen klassenmatig gestructureerde ongelijkheden in de materiële productie- en consumptieverhoudingen, maar in alle maatschappelijke verhoudingen, zoals in onderwijs-, rechts- en politieke verhoudingen;
  3. niet alleen klassenmatig gestructureerde ongelijkheid van bronnen, maar ook van beloningen;
  4. niet alleen materiële ongelijkheden, maar ook klassenmatig gestructureerde ongelijke relatie- en interactiekansen, ongelijke organisatieposities en -kansen, ongelijke culturele kansen, ongelijke kennis- en informatiekansen en ongelijke prestigekansen;
  5. niet alleen positionele dimensies, maar ook klassenspecifieke criteria en mechanismen van rekrutering en mechanismen van overdracht, stabilisatie en garantie van klassenmacht.

Al deze ongelijkheden, voor zover zij althans klassenmatig zijn gestructureerd, zijn onderdeel van de feitelijke objectieve klassenpositie.

Index


6·2 Ideële kansen
Objectieve klassenposities zijn lege plaatsen in de klassenstructuur. Zoals gezegd kunnen zij zowel onafhankelijk van habitus en levensstijlen, van klassenbewustzijn en identiteit worden gedefinieerd als van natuurlijke personen. In de afbakening van objectieve klassenposities kunnen echter ook ideële kansen worden verdisconteerd die meestal eenvoudig ‘subjectief’ worden genoemd.

Deze ideële kansen, die als bronnen en beloningen in de objectieve klassenpositie zijn opgenomen, omvatten:

  1. de maatschappelijk dominante cognitieve duidingspatronen, maatschappijbeelden en situatiedefinities;
  2. de dominante evaluatieve wereldbeelden, heersende waarden- en normensystemen en legitimatietypen; en
  3. de dominante prestigehiërarchieën.
Bij deze ideële kansen gaat het níet om de subjectieve opvattingen die individuen, groepen of klassen erop nahouden, maar om kansen om over deze maatschappelijk dominante duidingspatronen, wereldbeelden, prestigehiërarchieën enzovoort te beschikken, om deze te gebruiken of in te zetten [Bader/Benschop 1988:73]. Alleen deze laatsten zijn onderdeel van de objectieve klassenposities. Anders gezegd, het gaat erom welke kansen de diverse klassen hebben om gebruik te maken van specifieke schema’s van waarneming, duiding en waardering en niet om hun feitelijke waarnemingen, duidingen en waarderingen die zij met behulp van dergelijke schema’s kunnen realiseren.

Veranderingen in de sociaal-economische klassenverhoudingen werken door binnen de context van een gegeven cognitieve en normatieve omgeving en in de dominante maatschappelijke duidingspatronen, wereldbeelden en prestigehiërarchieën. Dit zijn geen louter mentale constructies die buiten de alledaagse klassepraktijken staan, maar geobjectiveerde en geïnstitutionaliseerde waarnemings-, duidings- en waarderingsschema’s die verankerd zijn in de klassepraktijken [Scott 1985:305; Abercrombie 1980:68; Giegel 1987:316 e.v.].

Het is niet eenvoudig om een korte en duidelijke omschrijving te geven van de in punt (a) t/m (c) genoemde ‘ideële kansen’. De term ‘ideële kansen’ is weliswaar kort, maar roept ook in het sociaal-wetenschappelijke taalgebruik nog altijd associaties op met ‘subjectieve opvattingen’, ‘mentaliteiten’ enz. De term ‘schema’s van waarneming, duiding en waardering’ is misschien iets resistenter tegen dergelijke subjectiverende associaties.

Wie hierin een terminologische verwantschap met Bourdieu vermoedt, heeft gelijk. In Bourdieu’s theorie van de habitus wordt meestal de afkortende term ‘schema’s van waarneming en waardering’ gebruikt [Bourdieu 1979:191]. Hij laat zien hoe deze schema’s habitueel worden verankerd en hoe zij als zodanig het praktisch handelen van individuen structureren (d.w.z. stimuleren of juist blokkeren). De empirisch waarneembare handelingspatronen analyseert hij als een “product van de dialectische relatie tussen een situatie en een habitus, ... die functioneert als een handelings-, waarnemings- en denkmatrix” [Bourdieu 1972: 169 — Entwurf].

Index


6·3 Differentiatie van objectieve klassenposities
De transformationele klassenanalyse gaat niet uit van de vooronderstelling dat klassenposities homogeen zijn en dat uit gelijksoortige klassensituaties dezelfde ervaringen resulteren die dan gelijksporende politieke visies zouden oproepen en tot collectief handelen zouden leiden. Bij de verklaring van het ontstaan van politiek klassenhandelen en klassenbewegingen is een dergelijke homogeniteitspremisse een belemmering.

Objectieve klassenposities zijn altijd in meer of mindere mate intern gedifferentieerd. De verscheidenheid van de factoren die de objectieve klassenposities bepalen, moet ook theoretisch zichtbaar worden gemaakt door deze zover mogelijk te desaggregeren. De mate van interne differentiatie van objectieve klassenposities heeft een zeer grote invloed op de ontwikkeling van klassenbewustzijn en -handelen. Klassenhandelen is meer in het bijzonder afhankelijk van de volgende vier factorenbundels.

  1. Mate van heterogeniteit van klassenposities
    Een klassenposities zijn intern gedifferentieerd door verschillen in kwalificatieniveaus en beroepen, in sectoren en bedrijven, in organisatieposities en inkomen, in werkgelegenheid en sociaal-juridische arbeidsvoorwaarden, in regio’s en tussen stad en platteland, en in woonsituaties.

    Al deze verschillen en hierdoor bepaalde stratificaties bieden niet alleen aanknopingspunten voor uiteenlopende en tegenstrijdige collectieve identiteiten, maar kunnen tevens een blokkade vormen voor de ontwikkeling van enigszins coherent politiek klassenhandelen.

    De alternatieve collectieve identiteitsvormingen die bij de genoemde differentiaties aanknopen, kunnen voor de moderne arbeidersklasse als volgt worden geïllustreerd:

    Verschil in: Alternatieve identiteiten
    Kwalificatieniveau ‘wij vakarbeiders’
    Beroepen ‘wij metaalarbeiders’ of ‘wij profis’
    Sectoren ‘wij automobielarbeiders’
    Bedrijven ‘wij Philipsarbeiders’
    Organisatieposities ‘wij ploegbazen’
    Inkomen ‘wij hoog betaalde arbeiders’
    Werkgelegenheid ‘wij werkenden’, ‘wij werklozen’
    Sociaal-juridische status ‘wij ambtenaren’ of ‘wij employés’
    Stad/platteland ‘wij stedelijke arbeiders’
    Woonsituatie ‘wij Jordanezen’

    Deze en vergelijkbare deelidentiteiten kunnen op gespannen voet staan met het ‘wij loonarbeiders’ en doen dat ook daadwerkelijk, ook al is dit niet noodzakelijk het geval. De plausibele hypothese waarmee de werking van al deze differentiaties geanalyseerd kan worden luidt: toenemende ongelijkheden tussen sociale klassen hebben een gunstige invloed op processen van klassenvorming evenals afnemende ongelijkheid binnen een sociale klasse. En omgekeerd zou de nivellering tussen klassen en de verscherping van ongelijkheden binnen afgebakende klassenposities de klassenmatige structurering van een maatschappij eerder doen afnemen [Berger 1986:15; Kaelbe 1983a:170 e.v.].

  2. Graad van sociale mobiliteit
    De homogeniteit van een sociale klasse en de kansen voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijk klassenhandelen worden in sterke mate beïnvloed door de duurzaamheid van de binding aan klassenposities. Door een lage graad van mobiliteit tússen klassen en een hoge graad van mobiliteit bínnen klassen kan het (door sociale georganiseerdheid, habitus, levensstijl en klassenbelang gemedieerde) ontstaan van klassenbewustzijn en politiek klassenhandelen worden gestimuleerd. Geblokkeerde klassenmobiliteit stimuleert collectivistische of solidaristische strategieën. Een relatief grote opwaartse mobiliteit impliceert daarentegen grotere kansen voor individuele stijgingsstrategieën die de sociale georganiseerdheid en cohesie van een klasse verzwakken en daardoor ook de kansen voor gemeenschappelijk klassenhandelen verkleinen.
      Zie voor theoretische studies over dit vraagstuk: Sorokin [1927], Goldthorpe [1980], Giddens [1973]; voor sociaal-historische studies: Zwahr [1981], Kocka [1980,1983a], voor sociologische studies: Berger [1986:197 e.v.].

  3. Mate van ascriptieve heterogeniteit
    Een sociale klasse kan ascriptief gefractioneerd en verdeeld zijn door diverse vormen van discriminatie. De relatieve betekenis van discriminatie naar geslacht, huidskleur of leeftijd, naar regio, natie of nationaliteit, en naar taal, cultuur of geloof beïnvloedt de kansen voor het ontstaan van klassenspecifieke habitus en levensstijlen, klassenbewustzijn en politiek klassenhandelen.

    De collectieve identiteitsvormingen die bij de genoemde ascriptieve splitsingen kunnen aanknopen, kunnen als volgt worden geïllustreerd:

    Acriptieve splitsing Alternatieve identiteiten
    Geslacht ‘wij vrouwen’
    Leeftijd ‘wij jongeren’
    Regio, taal, cultuur ‘wij Friezen’, ‘wij Flamingen’
    Geloof ‘wij katholieken’, ‘wij moslims’
    Natie ‘wij Schotten’
    Staatsburgerschap ‘wij Nederlanders’
    Huidskleur ‘wij blanken’

      Zie voor een meer uitputtend overzicht van de theoretisch denkbare — en historisch waarschijnlijk in alle opzichten gerealiseerde — mogelijkheden het schema van uitsluitingscriteria, uitsluitingspraktijken en legitimatielegendes in Bader/Benschop [1988:235].

    Voor de moderne arbeidersklasse kan en wordt in de regel het ‘wij arbeiders’ door deze ascriptieve identiteiten doorkruist en gebroken, maar dit is niet noodzakelijk het geval. De klassenidentiteit kan daarentegen juist sterk worden gestimuleerd wanneer er sprake is van discriminatie op grond van sociale afkomst. Praktijken van sociale sluiting die aanknopen bij het criterium van sociale afkomst (op basis van een specifieke negatieve waardering van de ‘lage’, ‘werkende’ klassestatus) en die door specifieke klassenideologieën worden gelegitimeerd (door een positieve waardering van de ‘hogere’, ‘geciviliseerde’, ‘burgerlijke’ klassestatus) zijn dermate krenkend en onrechtvaardig dat zij vaak een sterke impuls zijn voor de vorming van klassenidentiteiten, en niet zelden een directe aanleiding voor klasse-acties.

  4. Cumulatie van positieve en negatieve privileges
    De positieve en negatieve privileges kunnen in meer of minder ongelijke mate over de verschillende klassen zijn verdeeld. Vooral wanneer meerdere maatschappelijke splitsingslijnen elkaar vergaand overlappen, kunnen de positieve en negatieve privileges zich zodanig opstapelen dat er een scherp en schrijnend contrast in klassenspecifieke levenskansen ontstaat: het Mattheüseffect.

    Mattheüs-effect: solidariteit met de armen?
    Het Mattheüseffect is een door Robert K. Merton in 1968 geïntroduceerd wetenschappelijk concept dat refereert naar een parabel uit het Evangelie volgens Mattheüs:
      “Want aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben. Maar aan wie niet heeft, ook dat wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. En werpt den onnutten slaaf uit in de buitenste duisternis. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars” [Mattheüs 25, vers 29-30; vgl. Mattheüs 13 vers 12].
    Deze passage zou overigens niet zo moeten worden geïnterpreteerd dat hierin een rechtstreekse oproep wordt gelezen aan de rijken om zich verder te verrijken. Het gaat in deze passage niet om materiële goederen of vermogen, maar om heilsgoederen, d.w.z. om het vermogen “de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen”.

    Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament van De Bijbel wordt in het algemeen uitdrukking gegeven aan een felle kritiek op bestaande ongelijkheden, uitbuitingsrelaties en onderdrukkingen. In de bijbelse benadering van de armoede ligt een keuze vóór de armen besloten. De Bijbel kan gelezen worden als een oproep om solidair te zijn met de armen door de armoede te bestrijden, of zoals Barth dit noemde: partijganger te zijn van de armen [Ter Schegget 1971]. Zie voor een uitermate sympathieke interpretatie van de bijbelse noties met betrekking tot gelijkheid en ongelijkheid: Simonse [1980:29-68]. Zie voor een uitwerking van het Mattheüseffect in het onderzoek naar sociale ongelijkheid: Deleeck [1977, 1983,2003]. Zie voor de werking van het Mattheüseffect in processen van taalverwerving (en achterstand): Stanovich [1986, 2000].

    De belangenverschillen en tegenstellingen liggen als het ware voor het oprapen, zij zijn relatief transparant en daardoor gemakkelijk als zodanig herkenbaar.
    * Ik zeg met nadruk ‘kunnen’ en niet ‘worden’ omdat het bestaan van grote maatschappelijke contrasten zónder klassenbeweging zeker geen louter denkbeeldige constructie is. De situatie waarin Nederland in de eerste helft van de 19e eeuw verkeerde, werd niet voor niets afgeschilderd als “een product van verval en economische stagnatie, rot tot in het hart; een land van maatschappelijke contrasten zonder klassenbeweging; van kapitaal zonder arbeid, en … van ellende zonder verzet” [Roland Holst 1902:60].
    De kansen voor de ontwikkeling van klassenbewustzijn en politiek klassenhandelen kunnen* hierdoor aanzienlijk worden vergroot. Het omgekeerde is het geval wanneer de maatschappelijke splitsingslijnen elkaar niet of nauwelijks overlappen en de positieve en negatieve privileges een minder sterk cumulatief effect vertonen.

    Objectieve klassenposities impliceren dus niet alleen objectieve belangentegenstellingen en daarmee samenhangende oorzaken van klassenconflicten, maar bevatten ook een aantal verdergaande voorwaarden die de ontwikkeling van klassenbewustzijn en politiek klassenhandelen beïnvloeden. Zij bepalen tevens het totale potentieel van mobilisatie- en conflictbronnen waarover sociale klassen als potentiële conflictgroepen feitelijk beschikken in verhouding tot het potentieel van hun directe tegenstanders in klassenconflicten.

Index7. Klassen, klassenfracties en sociale lagen

7·1 Stelling en afbakening
Omdat sociale klassen zijn geworteld in een specifieke vorm van positionele ongelijkheid, moeten zij niet worden verward of geïdentificeerd met sociale lagen. Klasse is net zo min een allesomvattende categorie als sociale laag.

Deze stelling impliceert enerzijds een afbakening ten opzichte van alle benaderingen waarin het laagbegrip wordt gebruikt als een algemeen overkoepelend begrip voor de verschillende (positionele en allocatieve) structuren van sociale ongelijkheid. Anderzijds impliceert deze hypothese dat men voldoende afstand houdt van benaderingen waarin aan het begrip laag een louter classificerende en beschrijvende betekenis wordt toegekend.

    * Luhmann [1985:131]: “Soziale Klassen sind demnach Schichten, also Gruppierungen im Hinblick auf eine Differenz von besser und slechter, die darauf verzichten müβen, Interaktion zu regulieren.” Vgl. ook Van Heek [1971:109], Berting [1981:313 e.v.]. En natuurlijk al veel eerder Geiger [1930: 207; 1932:5; 1939:8] die het laagbegrip verhief tot een basiscategorie van de analyse van sociale structuren. Zie voor een reconstructie van Geiger’s laagbegrip: Geiβler [1985; 1990:84-8].
  1. In de geschiedenis van de sociale wetenschappen speelt het begrip sociale laag een zeer belangrijke (maar stiefmoederlijk behandelde) en uiterst tegenstrijdige en omstreden rol. Soms wordt het begrip gebruikt als algemeen overkoepelend begrip voor de verschillende structuren van sociale ongelijkheid, waarbij klasse figureert als historisch bijzondere vorm van gelaagdheid*, soms ook als algemeen begrip naast klasse [Grundmann 1976:53], maar ook wel als historisch begrip dat verwijst naar de specifieke sociale structuren van hoogontwikkelde, post-industriële maatschappijen [Hradil 1985:54; Beck 1986:140].

    Klassen kunnen het meest vruchtbaar worden geanalyseerd als een specifieke positionele structuurvorm van sociale ongelijkheid die zich onderscheidt van andere positionele structuurvormen (elites, selectieve associaties en prestigegroepen) en samen met deze van allocatieve ongelijkheden (sociale uitsluiting op grond van sekse, fenotypische eigenschappen, taal, religie, nationaliteit enzovoort). Klassen zijn dus geen “alomvattende categorie” [De Jager/Mok 1978:137] en geen “universeel verklaringsprincipe” [Bourdieu 1979:127], maar het zijn ook geen bijzondere ‘sociale lagen’. Tenzij men natuurlijk het begrip ‘sociale laag’ gelijkstelt met ‘structuren van sociale ongelijkheid’ en de analyse van ongelijkheidsstructuren opvat als ‘stratificatieanalyse’.

      De nadelen van de geologische metafoor van ‘lagen’ zijn bekend. Aardlagen zijn verticaal op elkaar gestapelde versteende structuren die door relatief scherpe lijnen van elkaar worden afgebakend. Sociale ‘lagen’ kunnen zowel verticaal als horizontaal zijn gerangschikt, en wat belangrijker is: zij kunnen in een antagonistische (exploitatieve, onderdrukkende, discriminerende) verhouding tot elkaar staan [zie hft. IV, § 1·2·2 over betekenis en grenzen van de verticale metafoor]. Sociale handelingscollectieven die op basis van structurele sociale ongelijkheden ontstaan, kunnen door duidelijke grenzen van elkaar zijn afgebakend (zoals in de gesloten kastenmaatschappijen), maar dit is niet noodzakelijk het geval.

  2. Het begrip sociale laag of stratum werd en wordt ook zeer vaak op een louter classificerende en beschrijvende wijze gebruikt. De sociale lagen die in veel stratificatiemodellen worden geconstrueerd zijn geen (potentiële) handelingscategorieën die verankerd zijn in (relationeel gedefinieerde) objectieve levensposities en het zijn ook geen sociaal-cultureel homogene groepen. In laatste instantie zijn het louter statistische groepen. Een dergelijke statistische rangschikking van sociale differentiaties verschaft als zodanig geen inzicht in sociale ongelijkheden en ook geen begrip van de factoren die de reproductie of transformatie van deze ongelijkheden bepalen.

    De sociale lagen zijn niet meer dan een statistisch ordeningsprincipe waarmee graduele differentiaties (bijvoorbeeld tussen hogere, midden- en lagere inkomens, of tussen uiteenlopende prestigewaarderingen), functionele differentiaties (bijvoorbeeld leidinggevende en uitvoerende functies) en arbeidsrechtelijke differentiaties (bijvoorbeeld tussen arbeiders, employés en ambtenaren) beschreven kunnen worden. Indeling van personen bij een op deze wijze geconstrueerde ‘sociale laag’ betekent slechts dat zij overeenkomsten vertonen in beroep, inkomen, opleiding, prestige enzovoort [Handl 1977:10 e.v.].

      In zijn scherpe aanval op beschrijvende stratificatiesociologieën merkt Dahrendorf op: “Steeds wanneer klassen worden gedefinieerd door factoren die het mogelijk maken een hiërarchisch continuüm te construeren, worden ze verkeerd gedefinieerd, d.w.z. is de term op een verkeerde manier gebruikt. ... Hoe men Marx ook interpreteert, uitbreidt of verbetert, klassen in de betekenis van Marx zijn duidelijk geen lagen in een hiërarchisch systeem van strata die gedifferentieerd worden door graduele onderscheidingen … Klasse is altijd een categorie die gericht is op de analyse van de dynamiek van het sociale conflict en van de structurele wortels ervan. En als zodanig moet deze categorie strikt worden gescheiden van laag (stratum) als een begrip dat gericht is op het beschrijven van een hiërarchisch systeem op een gegeven tijdstip” [Dahrendorf 1959:76]. Dahrendorf kent aan het begrip laag een louter classificerende en beschrijvende betekenis toe en contrasteert dit met de analytische betekenis van het klassenbegrip. Hierdoor lijkt stratificatie als zodanig een verschijnsel te worden dat slechts empirisch-beschrijvend kan worden gethematiseerd. Hij geeft niet aan wat de relatie is tussen stratificatie- en klassenverhoudingen en lijkt de klassenterm te reserveren voor wezenlijke, structureel-dynamische verhoudingen.

    Vanuit deze optiek kan de relatie tussen klasse en sociale laag op een tamelijk eenvoudige wijze worden behandeld. Sociale lagen kunnen dan immer op drie manieren in verband worden gebracht met klassen: sociale lagen kunnen onderdeel van klassen zijn, en zij kunnen tussen of naast de klassen staan [Semjenow 1973:63,119; Hofmann 1969:15,35,63].

    Het voordeel van deze classificatie is dat zij relatief eenvoudig en overzichtelijk is en bovendien suggereert dat er een duidelijke keuze voor een van deze omschrijvingen mogelijk is.

    Geen sociale lagen buiten de klassenstructuur?
    Zo’n ‘duidelijke’ keuze wordt bijvoorbeeld door Poulantzas gemaakt. Hij meent “that it is false to imagine that there can exist ‘strata’ that are outside classes and the class structure, but which nevertheless are regarded as taking part in class struggle. Strata are designations of differentiations within classes, not categories that can exist outside classes” [Poulantzas 1977:115; vgl. ook 1976:27]. Waarom sociale lagen alleen binnen klassen zouden kunnen bestaan, wordt niet beargumenteerd.

    Poulantzas richt zijn kritiek overigens niet alleen tegen de ‘stratificatie-ideologieën’ —waarvoor hij met terugwerkende kracht (en ten onrechte) Max Weber verantwoordelijk stelt—, maar ook en vooral tegen de Parti Communiste Français (PCF). In de PCF visie bestaan er in het ‘staatsmonopolistische kapitalisme’ naast de twee hoofdklassen (bourgeoisie en arbeidersklasse) een aantal sociale lagen die zich niet laten inpassen in deze basiscategorieën. Deze ‘couches intermédiaires’ (nadrukkelijk niet aangeduid als ‘nieuwe middenklasse’) worden meestal besproken in termen van beroepscriteria die parallel lopen met de Franse belastingcategorieën.

    De externe grenzen van de intermediaire lagen worden op twee manieren bepaald: (1) deelname aan uitbuiting definieert de grens met de ondernemers en hun managers, (2) deelname aan productieve arbeid definieert de grens met de arbeidersklasse. Het spectrum van de intermediaire lagen wordt intern gedifferentieerd m.b.v. het criterium van bezit en niet-bezit van de productiemiddelen. Tot de bezittende categorie worden boeren, kunstenaars, winkeliers enz. gerekend. De niet-bezittende intermediaire lagen omvatten het groeiende aantal gesalarieerde niet-productieve arbeiders (die geen meerwaardeproducenten zijn en dus per PCF-definitie geen deel van de arbeidersklasse uitmaken), lagere employés, technisch en wetenschappelijk personeel, leraren en onderzoekers.

    Daar staat tegenover dat de sociale lagen slechts op classificerende wijze worden gedefinieerd: de relatie tussen klasse en laag wordt definitorisch (zonder enige systematische begripsontwikkeling) vastgelegd. Bovendien verliest men hierdoor de samenhang uit het oog tussen de sociale gelaagdheid zoals deze zich aan de oppervlakte van de maatschappij manifesteert en de basisstructuur van de klassenverhoudingen [Herkommer 1975:136; 1976b:204]. Klasse wordt hierdoor een soort hermetische categorie (essentialisme) en de werkelijke empirische beweging valt samen met de verschijningsvormen (empirisme).

      Werner Hofmann heeft geprobeerd om de relatie tussen klasse en laag inhoudelijk met elkaar in verband te brengen. Hij grijpt hierbij —net als Tjaden-Steinhauer/Tjaden [1973:34] en IMSF [1972:280]— terug op de wetenschapsopvatting van Marx, waarin het erom gaat “de zichtbare, louter verschijnende beweging terug te voeren tot de innerlijke beweging” [Marx, MEW 25:324]. Hofmann merkt op: “Sociale klassen moet men bepalen … vanuit de maatschappelijke basisverhouding (‘verhouding van arbeid en toeëigening’), maar de waarneembare laagconstructie (beroepsgroepen, randniveaus enz.) die een ordening biedt, behoort tot het uiterlijke verschijningsbeeld van het maatschappelijke leven” [Hofmann 1969:35]. De relatie tussen ‘basisverhouding’ en ‘verschijningsbeeld’ vat Hofmann echter —heel anders dan Marx— op als een relatie tussen theorie en empirie. Voor hem vallen verschijningsvorm en de empirische beweging kennelijk samen [idem:63].

Index


7·2 Het laagbegrip
Precisering van het klassenbegrip als een specifieke positionele structuurvorm van sociale ongelijkheid betekent in de eerste plaats dat klassenposities zo nauwkeurig mogelijk moeten worden afgebakend van andere positionele ongelijkheden. De basistypen van positionele ongelijkheid kunnen het meest nauwkeurig van elkaar worden onderscheiden vanuit het referentiekader van de typen van asymmetrische macht zoals dit in hoofdstuk VIII, § 3 is geschetst. Niet belast door de connotaties die het laagbegrip met zich meesleept, kunnen langs deze weg de zuivere typen van positionele ongelijkheid worden afgebakend zoals deze voortvloeien uit uitbuitingskansen in arbeidsverhoudingen, uit kansen voor illegitieme heerschappij en onderdrukking in organisationele verhoudingen, uit relationele kansen in interactionele verhoudingen, en uit kansen op collectieve discriminatie in prestigeverhoudingen.

In de tweede plaats kunnen de relaties die er bestaan tussen klasse als positionele ongelijkheidsstructuur en de diverse vormen van allocatieve ongelijkheid worden gespecificeerd. Ook hierbij is het mogelijk de verwarrende betekenisveelvoud van het laagbegrip te omzeilen.

Op deze wijze wordt niet alleen voorkomen dat het klassenbegrip tot een allesomvattende categorie wordt verabsoluteerd, maar wordt tegelijkertijd gemotiveerde weerstand opgebouwd tegen het verabsoluteren van het laagbegrip tot een algemeen overkoepelend begrip voor alle structuren van sociale ongelijkheid. Bovendien wordt hiermee de weg geopend om de verhouding tussen klasse en laag opnieuw aan de orde te stellen.

In tegenstelling tot de aanname in de zgn. ‘marxistisch-leninistische sociologie’ neemt het begrip sociale laag in het werk van Marx en Engels geen systematische plaats in. De term laag werd door hen slechts metaforisch en inconsistent gehanteerd. Zij gebruikten de term laag zowel om differentiaties binnen klassen aan te duiden, als synoniem voor klasse en als algemene term om sociale ongelijkheden in de bevolking mee aan te duiden. De semantische problemen in het taalgebruik van Marx en Engels wordt uitvoerig geanalyseerd in Benschop [1990/2017] hoofdstuk IV, § 2·2.

Ook Weber besteedde in zijn sociologische begrippenleer geen systematische aandacht aan het laagbegrip, hoewel hij de term wel regelmatig hanteerde. Ook bij hem blijft Schicht een niet-gedefinieerde term die hij zowel op klassen als op standen toepast. Zie met name Weber [WG:285-314] waarin hij de relaties analyseert tussen diverse (positief en negatief geprivilegieerde) sociale lagen en hun typische vormen van religiositeit.

Zowel in de marxistische als in de weberiaanse onderzoekstraditie is er tot nu toe bijzonder weinig systematische aandacht aan het laagbegrip besteed. Men kan zich natuurlijk afvragen of het laagbegrip wel bruikbaar is voor een klassenanalyse [Herkommer 1975:132]. Men kan ook proberen de problemen die aan het laagbegrip kleven te vermijden door het af te schrijven als een van die ‘per definitie omstreden en verwarrende concepten’. Met een dergelijke terminologische kaalslag worden de problemen echter slechts verschoven en niet opgelost. Voor de uitwerking en concretisering van de klassentheorie is het mijns inziens veel productiever de begrippen die voor de interne differentiatie van klassen worden gehanteerd te specificeren en aan te geven hoe deze in de verschillende fasen van het onderzoeksproces geoperationaliseerd kunnen worden.

Index


7·3 Klassenfracties en sociale lagen
Een stapsgewijze reconstructie van de interne structurering van klassen begint met een differentiatie in fracties van klassen. Fracties zijn afdelingen van klassen die zich van elkaar onderscheiden door de functie die zij vervullen in het maatschappelijke productie- en reproductieproces. Het onderscheid tussen industriële (inclusief dienstverlenende), commerciële en monetaire fracties van de bourgeoisie is hiervan een duidelijk voorbeeld. Het verwijst naar het functionele verschil die het productieve, handels- en geldkapitaal vervullen in het kringloopproces van het kapitaal.

Ik beweer natuurlijk niet dat sociale lagen alleen binnen klassen (kunnen) bestaan, maar dat zij in de systematiek van een klassentheorie figureren om de graduele differentiaties binnen klassen te analyseren. Het laagbegrip kan eenzelfde belangrijke maar beperkte functie kan vervullen in de systematiek van een elitetheorie of in een theorie van prestigeverhoudingen.
Sociale gelaagdheid is eveneens een moment van de interne structurering van klassen. Sociale lagen zijn categorieën binnen klassen of klassenfracties die zich van elkaar onderscheiden door hun specifieke positie in graduele differentiaties (zoals verschillen in inkomen, arbeidsduur), in arbeidsdelige specialisaties (functionele en beroepsverschillen), in arbeidsorganisatorische differentiaties (zoals uitvoerende en leidinggevende arbeid), in arbeidsrechtelijke differentiaties (zoals verschillen in rechtspositie en sociale zekerheid).

Deze niet-uitputtende opsomming suggereert dat sociale lagen overwegend kunnen worden geïdentificeerd met graduele differentiaties binnen klassen en klassenfracties.

Waarde van de arbeidskracht en graden van exploitatie
Voor de analyse van de interne differentiatie van de arbeidersklasse in het kapitalisme heeft Sebastiaan Herkommer [1975,1976a; 1976b] het tot nu toe niet uitgewerkte voorstel gedaan om de waarde van de arbeidskracht te beschouwen als de maatstaf voor deze graduele differentiaties. Dit voorstel heeft in ieder geval het voordeel dat het goed aansluit bij de methodiek van klassenanalyse en tegelijkertijd de theoretische status van het laagbegrip omlijnt.

Wright heeft een daarop inhoudelijk aansluitende suggestie gedaan om binnen een relationele klassentheorie de sociale lagen van elkaar te onderscheiden door de variërende graden van exploitatie binnen een gemeenschappelijke positie in de maatschappelijke arbeidsverhoudingen.

    “Strata within the bourgeoisie, accordingly, depend upon the amount of surplus they appropriate; strata in the working class, by the amount of discretionary income they can earn through various kinds of credential rents” [Wright 1989:333].
We hebben eerder —in hoofdstuk VII, § 4·2— gezien Wright geen duidelijk onderscheid maakt tussen arbeidsmarktprivileges die op basis van verschillen in arbeidskwalificatie ontstaan en op basis van verschillen in credenties. Wanneer en voor zover verschillen in arbeidskwalificatie zich uitdrukken in beloningsverschillen dan zijn deze arbeidsmarktprivileges een grondslag om sociale lagen binnen de arbeidersklasse te identificeren. Dit geldt maar tot op zekere hoogte ook voor de arbeidsmarktprivileges waarover credentiehouders beschikken.

Credentierente werd gedefinieerd als een vorm van monopolierente, d.w.z. als een inkomenscomponent boven de kosten van de reproductie van de (relatief hooggekwalificeerde) arbeidskracht van de credentiehouder. Een minimale credentierente leidt slechts tot (arbeidsmarkt)privileges die het gevolg zijn van een zekere matiging van de uitbuitingsgraad.

Credentierentes kunnen echter ook zo omvangrijk zijn dat zij professionals en experts in staat stellen deze rentes te converteren in eigendomstitels (eigendom van materiële arbeidsvoorwaarden, aandelen enz.). Wanneer dit het geval is, vormen deze credentiehouders geen sociale laag meer binnen de arbeidersklasse, maar nemen zij een eigensoortige tussenklassenpositie in [→ hoofdstuk VII, § 5].

Ook Wright merkt op dat er een kwalitatief verschil is tussen credentieprivilege en credentie-uitbuiting [1989:313]. Daarom is het nogal verwarrend om te zeggen dat credentierentes “in and of itself … constitute a specific kind of labor market privilege and thus could be considered the basis for distinguishing among strata within the working class” [idem].

Als men — los van alle operationaliseringsproblemen die dit met zich meebrengt — vasthoudt aan het onderscheid tussen credentieprivileges en credentie-uitbuiting, dan zou men moeten zeggen dat credentierente zowel een grondslag kan zijn van klasse-interne privileges als van specifieke uitbuitings- en klassenposities. Algemener geformuleerd: credentierentes structureren zowel klasse-interne differentiaties als externe klassengrenzen.

Op deze wijze kan bovendien een inhoudelijk verband worden aangebracht tussen de zichtbare sociale gelaagdheid van een maatschappij en basisverhoudingen van de maatschappelijke productie en reproductie. Anders gezegd: de graduele differentiaties zoals deze zich aan de oppervlakte van een maatschappij manifesteren in de bevolkingsstructuur van een bepaald land, kunnen meer systematisch worden geanalyseerd op basis van inzichten in de algemene structuur van de maatschappelijke toeëigenings- en klassenverhoudingen. Dit betekent omgekeerd dat analyses van graduele differentiaties niet beperkt hoeven te blijven tot het niveau van empirisch onderzoek.

Er blijft natuurlijk altijd een verschil bestaan tussen (i) de noodzakelijke elementen van sociale stratificatie die geworteld zijn in een specifiek klassensysteem en die zich aan de oppervlakte manifesteren in diverse sociale fractioneringen en differentiaties, en (ii) de historisch toevallige elementen van sociale gelaagdheid. Deze laatste elementen kijgt men alleen door empirisch-historisch onderzoek in het vizier.

Zo heeft Jürgen Kocka [1969] in detail laten zien welke ‘structureel en functioneel noodzakelijke’ en ‘historisch toevallige’ elementen een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de arbeidsrechtelijke en inkomens- en statusverschillen tussen industriële arbeiders en employés bij het bedrijf Siemens.

Vanuit dit perspectief zou men de inkomensverschillen binnen de arbeidersklasse in Nederland kunnen onderzoeken. Daarbij zou men al ontdekken dat een zeer groot deel van de inkomensverschillen niet direct verklaard kunnen worden uit systematische verschillen in kwalificatie- of prestatieniveaus. Inkomensverschillen zijn immers mede afhankelijk van bijvoorbeeld de aanwezigheid van groepen migranten die door een aaneenschakeling van min of meer toevallige historische factoren gedwongen zijn om op de Nederlandse arbeidsmarkt te concurreren. Door hun relatieve culturele en politieke isolement, hun relatief zwak ontwikkelde organisatie en belangenarticulatie spelen zij op de arbeidsmarkt de tweede viool. Het feit dat ondernemers gebruik kunnen maken en daadwerkelijk profiteren van dergelijke ‘contingenties’ is natuurlijk allerminst toevallig. Het raakt immers een wezenlijk kenmerk van het op exploitatie van loonarbeiders gerichte kapitalistische arbeidssysteem.

Tenslotte: Op basis van klassenposities kunnen dus sociale klassen als potentiële handelingscollectieven ontstaan. Dit gebeurt wanneer en in de mate dat de overgang tussen klassenposities zodanig is geblokkeerd dat individuen relatief duurzaam aan hun klassenposities zijn gebonden en wanneer zij hierdoor in staat zijn relatief stabiele netwerken van klassenspecifieke sociale relaties aan te knopen (klassengemeenschappen). De hardheid van mobiliteitsbarrières en de mate van sociale georganiseerdheid van een klasse vormen de grondslag waarop een bepaalde klassenidentiteit en politiek klassenhandelen kunnen ontstaan. Dit laatste is zeker geen rechtstreeks of vanzelfsprekend gevolg van de sociale cohesie van een klasse.

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 13 September, 2013