| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
Voor een inhoudelijke afbakening van het klassenbegrip is het noodzakelijk om een onderscheid te maken tussen uitbuitingsposities, klassenposities, sociale klassen, klassenbewustzijn en klassenhandelen.
Klassenposities zijn verankerd in uitbuitingsverhoudingen, maar dit betekent niet dat elke uitbuitingspositie per definitie ook een klassenpositie constitueert.
Sociale klassen zijn positionele groepen en potentiële handelingscollectieven die op basis van klassenposities kúnnen ontstaan, maar gemeenschappelijke klassenposities genereren niet automatisch sociale klassen als potentiële conflictgroepen.
Klassen zijn als zodanig geen handelings- en conflictbekwame actoren (klassen für sich), maar kennen wel een zekere gemeenschappelijkheid van habitus, levensstijlen en culturen. Deze gemeenschappelijkheid vloeit niet rechtstreeks en vanzelfsprekend voort uit klassenposities, maar ontstaat pas wanneer en in de mate dat er barrières bestaan voor verticale mobiliteit tussen verschillende uitbuitings- en klassenposities.
Uit sociale klassen ontstaan pas actuele conflictgroepen of politieke actoren wanneer zij niet alleen een eigen klassenspecifieke habitus en levensstijl ontwikkelen, maar ook een collectieve identiteit, een klassenbewustzijn.
Collectieve actoren en sociale bewegingen op klassenbasis veronderstellen altijd een zekere mate aan gemeenschappelijkheid in definities van de eigen belangen en die van de klassentegenstanders, van na te streven doelen en programmas voor verandering, van handelingsstrategie en tactiek. Een min of meer ontwikkeld klassenbewustzijn leidt echter niet automatisch tot politiek klassenhandelen. Sociale klassen kúnnen dus de grondslag vormen van politiek klassenhandelen, maar dit is niet automatisch of noodzakelijk het geval.
Politiek klassenhandelen en klassenbewegingen ontstaan pas wanneer de belangen en verlangens, aspiraties en inspiraties van een klasse in politieke programmas, strategieën en tactieken worden gearticuleerd, wanneer zij hun door de klassenpositie bepaalde sociale georganiseerdheid weten te transformeren in gerichte bewegingsorganisaties en leidingen voortbrengen die deze organisaties en hun acties coördineren, wanneer zij hun bronnenpotentieel weten te mobiliseren, wanneer zij gebruik weten te maken van externe handelingskansen die zich voordoen, en wanneer zij zich samen met hun bondgenoten kunnen handhaven in de strategische interacties met tegenstanders.
1. Stelling en afbakening |
|---|
Sociale klassen zijn potentiële handelingscollectieven die op basis van klassenposities kunnen ontstaan. Dit betekent niet dat gemeenschappelijke klassenposities altijd en automatisch sociale klassen als potentiële conflictgroepen genereren. Positionele klassenstructuren stellen limieten aan het ontstaan van sociale klassen (klassenformatie), maar leggen hiervan niet de specifieke uitkomsten vast. Constitutief voor het ontstaan van sociale klassen is de duurzaamheid van de binding van individuen aan hun klassenpositie en de mede hierdoor bepaalde duurzaamheid en stabiliteit van hun klassenspecifieke vormen van sociale georganiseerdheid.
| Ik gebruik de term politieke actoren hier telkens in de meest brede zin van het woord. Het gaat dus niet alleen om op de staatspolitiek betrok-ken politieke partijen of kiesverenigingen, ook niet alleen om actoren die in vakbondsverband opereren, maar om alle geassocieerde en/of georganiseerde actoren wier handelen gericht is op beïnvloeding van beslissings- en gezags-verhoudingen. |
In structuralistische benaderingen, zoals die van Poulantzas, wordt tot vervelens toe gewezen op de nietigheid van de burgerlijke problematiek van de sociale mobiliteit [Poulantzas 1976:36]. Maar ook in conflicttheoretische benaderingen, zoals die van Dahrendorf, wordt er zonder verdere argumentatie van uitgegaan dat de problematiek van de sociale mobiliteit als zodanig irrelevant [is] voor het probleem van het bestaan van klassen [Dahrendorf 1961:109].
|
Natuurlijk weet ook Poulantzas dat de klassen van een kapitalistische formatie geen gesloten kasten zijn. Hij hamert erop dat de reproductie van de klassenposities en de reproductie van de klasseleden slechts twee samenhangende aspecten van de reproductie van de maatschappelijke verhoudingen zijn, maar zijn afkeer van zon onbenullige burgerlijke problematiek van de sociale mobiliteit weerhoudt hem van een afzonderlijke analyse van beide mechanismen [Poulantzas 1974:303]. |
Marx, Michels, Weber en velen anderen hebben er terecht op gewezen dat de sociale cohesie van een klasse wordt verzwakt wanneer het lidmaatschap van een klasse (dat wil zeggen de bezetting van een specifieke klassenpositie) een tijdelijk karakter heeft. Dit betekent echter nog niet dat men de duurzaamheid van de klassenbinding zo moet verabsoluteren dat van sociale klassen alleen nog maar kan worden gesproken wanneer actoren een klassenpositie levenslang (of zelfs intergenerationeel) bezetten.
| Die Straffheit der sozialen Klasse wird gelähmt, wo die Zugehörigkeit der Wirtschaftsmenschen zu ihr einen transitorischen Charakter aufweist und die Übergänge von einer Klasse in die andere leichter sind. … Von Gesellschaftsklassen kann deshalb rigoros nur dann gesprochen werden, wenn die Zugehörigkeit zu einer Klasse auf Lebenszeit besteht &hellip [Michels 1922/68:175]. De zekerheid dat men was veroordeeld om gedurende het hele natuurlijke leven de arbeidkracht te verhuren, beschouwde Michels als een van de meest belangrijke oorzaken die tot de opkomst van de anti-kapitalistische bewegingen van de moderne massas hebben geleid [Michels 1927/65:82]. Zie voor een uitvoerige kritiek op het voor klassenposities en klassen vaak onkritisch veronderstelde aspect van duurzaamheid: Berger [1990], Sörensen[1986]. |
Met zon gereduceerde benadering van sociale klassen als mobiliteitsklassen kunnen geen klassencategorieën worden geïdentificeerd met duidelijk onderscheiden en tegengestelde belangen. Mobiliteitsklassen zijn niet noodzakelijk verbonden met differentiële posities in uitbuitings- en toeëigeningsverhoudingen en kunnen daarom niet worden gebruikt als categorieën om het proces van klassenformatie te analyseren.
|
Goldthorpe [1984] heeft een vergelijkbare kritiek op deze benaderingen. Hij verbindt daaraan een pleidooi voor het gebruik van relatieve mobiliteitsgraden in het onderzoek van klassenformatie. Het gebruik van relatieve mobiliteitsgraden is echter op zichzelf geen reden om de mobiliteitsklassen-benadering te verwerpen, omdat men zoals Sörensen[1991:84] terecht opmerkt daarvan ook in deze benadering gebruik kan maken en maakt.
Goldthorpe hanteert zelf overigens geen uitbuitingsrelaties om klassen te definiëren, maar marktrelaties die bepaald worden door kenmerken van de beroeps- en arbeidssituatie, zoals kwalificatie, inkomen, verantwoordelijkheid, vertrouwen, gezag, autonomie en (waarom ook niet?) status. Zijn zevenledige schema van klassenposities is geconstrueerd in terms of both occupational function and employment status: in effect, the associated employment status is treated as part of the definition of an occupation [Goldthorpe 1980:39; vgl. 1982:167-70]. In zijn klassenschema construeert een serie homogene demografische categorieën in termen van privileges (inkomen, gezag, status). Maar hij biedt geen verklaring voor de wijze waarop de variatie in positionele beloningen door klassenverhoudingen tot stand komt. Het klassenschema van Erikson/Goldthorpe [1992: 35-47] is in zijn inspiratie even eclectisch en steunt hoofdzakelijk op statistische technieken. |
2. Geblokkeerde mobiliteit en sociale georganiseerdheid |
|---|
Klassen an sich zijn weliswaar nog geen handelings- en conflictbekwame klassen für sich, maar kennen wel een een elementaire sociale georganiseerdheid en een zekere gemeenschappelijkheid van habitus, levensstijlen en culturen. Deze sociale georganiseerdheid en gemeenschappelijkheid vloeien niet rechtstreeks en vanzelfsprekend voort uit klassenposities, maar ontstaan pas wanneer en in de mate dat er barrières bestaan voor verticale mobiliteit tussen verschillende klassenposities.
Sociale klassen onderscheiden zich minstens in twee opzichten van klassenposities.
Sociale klassen kunnen echter niet los van rekruteringscriteria en allocatiemechanismen worden gedefinieerd. Het bestaan van sociale klassen is immers afhankelijk van een geblokkeerde verticale mobiliteit tussen klassenposities en een relatief stabiele verdeling van individuen over antagonistische klassenposities. Sociale klassen zijn potentiële handelingscollectieven en zijn samengesteld uit identificeerbare groepen individuen.
Sociale mobiliteit is dus een belangrijke as van klassenstructurering. De betekenis van dit mechanisme is dat het de formatie van sociale klassen, klassenidentiteiten en -acties initieert of vergemakkelijkt op basis van klassenposities die zelf het product zijn van daaraan voorafgaande structureringsprocessen.
Sociale mobiliteit wordt hier niet zozeer gethematiseerd om de kansenongelijkheid in de maatschappij te meten, maar vanuit het perspectief van klassenformatie. De daaraan ten grondslag liggende theorie van collectief handelen vertrekt vanuit drie elementaire vooronderstellingen: (1) mensen verenigen zich eerder in collectieve actie naarmate zij langer met elkaar zijn geassocieerd en naarmate zij een meer gelijksoortige levenspositie innemen; (2) mensen verenigen zich eerder met elkaar wanneer zij gemeenschappelijke belangen delen; (3) collectieve actie is een meervoudig gelaagd proces waarin mensen zich eerst bewust worden van hun situtatie, zich vervolgens realiseren wat zij kunnen doen om hun situatie te verbeteren en er tenslotte iets aan gaan doen [Sörensen 1991:73].
Wanneer individuen in staat zouden zijn naar believen van klassenpositie te wisselen en zij niet relatief duurzaam aan hun specifieke klassenpositie gebonden zouden zijn, zouden er geen sociale klassen kunnen ontstaan die enige sociale cohesie of consistentie vertonen.
Sociale mobliteitsbarrières zijn bepalend voor de stabiliteit van het lidmaatschap van een klasse en voor de rekruteringspatronen [Marshall 1988:82]. De stabiliteit en rekruteringspatronen worden empirisch uitgedrukt in het absolute en relatieve aantal mensen dat lid blijft van een bepaalde klasse of hieraan wordt toegevoegd. Deze ratios zijn bepalend voor de sociale cohesie van een klasse of van haar demografische identiteit (Goldthorpe).
Een zeker minimum aan stabiliteit en duurzaamheid van het behoren tot een klassenpositie is noodzakelijk om netwerken van klassenspecifieke sociale relaties op te bouwen. Zonder deze elementaire sociale georganiseerdheid zijn de klassengenoten niet in staat een klassenspecifieke habitus, levensstijl en cultuur te ontwikkelen, zij zouden geen klassenspecifieke ervaringen kunnen opdoen en delen, geen specifieke loopbanen volgen en er ook geen gelijksoortige levensverwachtingen op nahouden. De stabiliteit van de binding van individuen aan klassenposities (uitgedrukt in de mate van absolute en relatieve sociale mobiliteit) is dus bepalend voor de structurele kansen van sociale klassenvorming.
3. Relatieve mobiliteitskansen |
|---|
3·1 Mobiliteit in soorten en maten
Bij de afbakening van het mobiliteitsbegrip doen zich een aantal moeilijkheden voor.
In de tijdsdimensie moet onderscheid worden gemaakt tussen twee personele referentiegroepen: intergenerationele en intragenerationele mobiliteit. De meeste oudere sociologische mobiliteitsanalyses concentreren zich op de vader-op-zoon-mobiliteit (de mobiliteit van moeder-op-dochter viel altijd al buiten het vizier) en laten de carrièremobiliteit buiten beschouwing.
De sociale cohesie van een klasse is in ieder geval niet alleen afhankelijk van de intergenerationele mobiliteitspatronen. In de mate dat intragenerationele of carrièremobiliteit feitelijk groter wordt, moet ook deze mobiliteitsvorm integraal in de analyse van klassenformaties worden betrokken. Op grond van gegevens over de individuele levensloop waarin de hele arbeidscarrière is verwerkt, is het mogelijk de sociale cohesie van klassen direct te meten als stabiliteit van klassenlidmaatschap in de werkelijke levenstijd (en niet die van generaties).
In de sociologische literatuur wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen structurele en circulatiemobiliteit. Structurele of gedwongen mobiliteit is dat deel van de totaal geobserveerde mobiliteit dat direct kan worden toegeschreven aan veranderingen in de structuur van objectieve mobiliteitskansen. Circulatie- of ruilmobiliteit is het deel dat niet met dergelijke veranderingen verbonden is. De bezwaren tegen dit mechanische en gekunstelde onderscheid hoeven hier niet te worden herhaald [Berteaux 1969:448-90; Kaelbe 1978:165; Herz 1983:168 e.v.; Goldthorpe 1980: 29 e.v.,73 e.v.; 1985:185,197].
Tenslotte kan er een onderscheid worden gemaakt tussen absolute en relatieve mobiliteit. Dit onderscheid valt niet samen met het onderscheid tussen structurele en circulatiemobiliteit.
Absolute mobiliteitsgraden geven de in- en uitstroomquota weer van bezetters van bepaalde klassenposities (respectievelijk beroepsposities, sociale lagen), dat wil zeggen zij indiceren de feitelijk geobserveerde mobiliteit tussen de klassencategorieën. Absolute of de facto mobiliteit wordt in sterke mate beïnvloed door structurele verschuivingen in de omvang van de afzonderlijke klassencategorieën. Absolute mobiliteitsgraden geven een indicatie van de homogeniteit en stabiliteit van het klassenlidmaatschap. Omdat absolute mobiliteitskansen in zeer sterke mate afhankelijk zijn van veranderingen die zich voordoen in de structurering van klassenposities, zeggen zij als zodanig niet veel over de openheid van een maatschappij.
Relatieve mobiliteitsgraden hebben betrekking op de mobiliteitskansen van individuen in vergelijking met de kansen van individuen uit een andere klasse (beroep, sociale laag). Zij indiceren dus de (im)mobiliteitskansen van individuen die afkomstig zijn uit een bepaalde sociale klasse met betrekking tot een specifieke doelklasse, in verhouding tot de corresponderende kans van individuen die uit een andere klasse afkomstig zijn. Op deze wijze krijgt men zicht op de relatieve kansen van mensen met verschillende klassenachtergronden (startklasse) om op meer of minder geprivilegieerde klassenbestemmingen (aankomstklasse) te komen [Goldthorpe 1980:73,94; 1984:22; Marshall 1990:21]. De openheid van een maatschappij kan empirisch het beste worden geanalyseerd in termen van relatieve mobiliteitskansen.
Volgens Sörensen is een theorie over de oorzaken van ongelijke kansen van minder belang dan een theorie over hoe klassen positionele beloningen veroorzaken.
De afzonderlijke posities in de klassenstructuur hebben onderscheiden implicaties voor de mobiliteitskansen. Relatieve mobiliteitsgraden geven een indicatie van (a) de relatieve aantrekkelijkheid van verschillende doelklassen, (b) de relatieve voordelen die individuen van verschillende startklassen hebben, en van (c) de relatieve barrières waarop individuen stuiten bij hun pogingen om toegang te krijgen tot verschillende klassenposities.
Vanuit de optiek van de startklasse gaat het om de relatieve voor- en nadelen die klassenposities bieden in termen van de feitelijke ongelijke verdeling van bronnen en beloningen; vanuit de optiek van de aankomstklasse gaat het om de structureel bepaalde kans om toegang te krijgen tot klassengebonden privileges.
Klassenbelangen zijn strategische handelingsoriëntaties van individuen die geënt zijn op de objectieve klassensituatie het zijn dus klassenspecifieke of klassengebonden doelen die als handelingsmotiverende kracht fungeren. In klassenbelangen manifesteert zich onder andere de aspiratie om de privileges die verbonden zijn aan het lidmaatschap van een klasse te behouden of te verbeteren. Ik kom hier in hoofdstuk XIV op terug.
De preciese betekenis van absolute en relatieve mobiliteitsgraden voor het empirische onderzoek naar processen van klassenformatie is omstreden. Absolute mobiliteitsgraden kunnen worden opgevat als maatstaven voor de homogeniteit en stabiliteit van het klasselidmaatschap; relatieve mobiliteitsgraden kunnen worden opgevat als maatstaven voor de motivatie (het belang) om van klassenpositie te veranderen en voor de structureel gelimiteerde kansen dit te doen.
Absolute mobiliteitsgraden meten echter ook de actuele kansen om toegang te krijgen tot een bepaalde klasse. Daarom zou men absolute mobiliteitsgraden ook kunnen gebruiken als een belangrijke indicator van de klassenspecifieke gevoelens van deprivatie of geprivilegieerdheid.
Sörensen heeft dit probleem helder geformuleerd.
Zoals bekend kunnen de (relatieve) mobiliteitskansen in het kapitalisme niet alleen op zeer uiteenlopende terreinen, maar ook met behulp van een breed spectrum van onderzoeks-strategieën en -methodieken worden geanalyseerd. Er zijn nog geen serieuze pogingen gedaan om de resultaten uit de verschillende deelstudies op elkaar te betrekken. In een meer omvattende benadering van de mobiliteitsproblematiek zouden in ieder geval de volgende vier deelterreinen op elkaar betrokken moeten worden.
De conclusies van Erikson/Goldthorpe sluiten in sterke mate aan bij de oude stelling van Sorokin [1927/59] dat er geen permanente trend bestaat naar een grotere of kleinere mobiliteit, maar slechts een trendloze fluctuatie. Ook de verklaring die zij hiervoor aandragen, bouwt voort op de twee elementen die Sorokin noemde. Ten eerste zijn er weliswaar een aantal oude juridische en religieuze mobiliteitsbarrières grotendeels afgebroken, maar zijn andere barrières verhard of nieuw geïntroduceerd, zoals systemen van onderwijsselectie en beroepskwalificatie. Ten tweede zijn de patronen van sociale stratificatie, die de context voor mobiliteit vormen, zelf structuren die differentiële macht en privileges uitdrukken en dus een belangrijke zelfhandhavende eigenschap bezitten. Mensen die geprivilegieerde posities bezetten, gebruiken hun macht en privileges in de regel om de toegang tot deze posities van onderaf te beperken. Het cumulatieve resultaat van deze inspanningen is veeleer dat de sociale lagen op den duur meer gesloten worden. Als men zou moeten geloven dat mobiliteitsprocessen een constante trend vertonen dan zou men volgens Sorokin daarom eerder verwachten dat dit een afnemende trend is. Sorokin bleef echter op kritische afstand van alle unilineaire evolutietheorieën van stratificatie en mobiliteit. |
4. Netwerken van klassenspecifieke sociale relaties: klassengemeenschap |
|---|
4·1 Sociale georganiseerdheid als grondslag van klassenorgansatie
De sociale georganiseerdheid van een klasse bestaat in de netwerken van klassengebonden informele sociale relaties. Dit zijn relatief duurzame, min of meer geïnstitutionaliseerde, maar niet noodzakelijk geformaliseerde interactienetwerken van individuen die eenzelfde klassenpositie innemen. Het zijn kringen van persoonlijke relaties tussen klassenindividuen die elkaar persoonlijk kennen of gemakkelijk kunnen ontmoeten.
De directe interacties in maatschappelijke arbeids-, consumptie- en levensverhoudingen zijn in twee opzichten van belang.
Dit is de ratio van Warners gemeenschapsbenadering: de leden van sociale klassen hebben intieme toegang tot elkaar en zij hebben intieme kennis van elkaar. Zij zijn geïntegreerd in selectieve associaties op klassenbasis, zij zijn (klassen)selectief geassocieerd.
De netwerken van sociale relaties tussen leden van een zelfde klasse vormen informele selectieve klassenassociaties (of klassenselectieve associaties), die ik meer traditioneel zal aanduiden als een klassengemeenschap. Onder klassengemeenschap versta ik het geheel van de persoonlijke sociale relaties tussen actoren die tot een zelfde sociale klasse behoren en van de relaties tussen deze persoonlijke contacten.
Hierin ligt een afbakening besloten ten opzichte van de lokale gemeenschapsstudies in de traditie van Warner, de symbolisch-interactionistische en ruil-theoretische benaderingen en ten opzichte van de culturalistische klassenbenaderingen, waarin klassen primair of uitsluitend op interactioneel niveau van handelingsintegratie worden gedefinieerd. Zie eerder hoofdstuk III, § 2·3 en V, § 3·2.
Het begrip klassengemeenschap moet dus naar beneden scherp worden afgebakend ten opzichte van het lagere structureringsniveau van de objectieve klassenpositie. Het moet echter ook in twee opzichten naar boven worden afgebakend van de hogere niveaus van handelingsstructurering.
Klassengemeenschappen zijn zeer nauw verbonden met klassenspecifieke habitus en levensstijlen en zijn ingebed in klassenspecifieke alledaagse culturen en subculturen. Al deze elementen zijn in werkelijkheid met elkaar versmolten tot relatief homogene klassenspecifieke sociaal-morele milieus.
Dit is echter geen reden om de begripsmatige grenzen tussen de categorieën waarmee dergelijke hooggeaggregeerde complexen kunnen worden geanalyseerd te laten vervloeien. Integendeel, het maakt een scherpe begripsafbakening des te belangrijker. Scherpe scheiding is in de werkelijkheid vaak niet mogelijk, maar dit maakt duidelijke begrippen (d.i. analytische onderscheidingen) des te belangrijker [Weber, WG:123].
Dit is een belangrijk bezwaar tegen interactionistische benaderingen waarin meestal geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de directe interactiesystemen als zodanig (klassengemeenschap) en de klassenspecifieke habitus en levensstijlen. In culturalistische benaderingen worden deze elementen meestal onherkenbaar samengevoegd in hoger geaggregeerde en complexe alledaagse klassenculturen en subculturen; door sociologische individualiseringstheoretici [Beck 1987:117; Hradil 1987:136] worden zij versmolten tot relatief homogene sociaal-morele milieus [→ hoofdstuk XII, § 5 over klassenculturen].
Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen klassengemeenschappen en formele klassenassociaties. Klassengemeenschappen zijn aggregaties op het niveau van de interactionele handelingscontext zij zijn interactioneel geïntegreerd. Formele klassenassociaties zijn aggregaties op het niveau van de organisationele handelingscontext zij zijn organisationeel geïntegreerd. Klassengemeenschappen veronderstellen geen gespecialiseerde controle- of regulatie-instanties en/of formeel leiderschap.
Juist omdat de overgangen tussen informele klassenassociaties (klassengemeenschappen) en formele klassenassociaties in werkelijkheid zo vloeiend zijn, is het van belang dit analytische onderscheid niet uit het oog te verliezen. Zie voor de definitie van formele klassenassociaties: hoofdstuk XV, § 2.
Het voordeel van deze terminologie is dat deze aansluit bij Webers onderscheid tussen twee typen van sociaal handelen: gemeenschapshandelen en vermaatschappelijkt handelen. Weber sloot in deze begripsvorming aan bij het door Ferdinand Tönnies geïntroduceerde onderscheid tussen Gemeinschaft en Gesellschaft [Goddijn 1981:249].
| De term gemeenschapshandelen werd door Weber overigens in het later geredigeerde eerste deel van Wirtschaft und Gesellschat vervangen door de algemene term sociaal handelen [Winckelmann 1978:61]. |
Het nadeel van deze terminologie is dat gemeenschappen en associaties te strak wordt vastgemaakt aan het verschil tussen affectieve en traditionele handelingsoriëntaties enerzijds en waarde- of doelrationele handelingsoriëntaties anderzijds. Een gemeenschap en een associatie verschillen echter primair in de mate van rationalisering van sociaal handelen en moet dus niet (en zeker niet exclusief) worden gedefinieerd in termen van typen handelingsmotivaties hoe men deze motivaties ook ideaaltypisch of theoretisch ook wil onderscheiden.
| Gemeenschap was eerder een evocatief symbool dan een analytisch begrip. Graig Calhoun heeft een poging gedaan een meer nauwkeurige definitie van het gemeenschapsbegrip te ontwikkelen. Het is een interessante poging omdat hij daarbij zowel gebruik maakt van historische en sociologische als van antropologische inzichten. In zijn kritiek op Webers onderscheid tussen gemeenschap en associatie mist hij echter het essentiële punt. Het problematische van dit onderscheid is volgens hem dat het is gebaseerd op een kunstmatig onderscheid tussen rationaliteit en irrationaliteit [Calhoun 1983:88]. Bij Weber wordt het gemeenschapshandelen echter niet direct aan een rationaliteitscriterium verbonden; het wordt uitsluitend gekoppeld aan aan traditionele en affectieve handelingsoriëntaties. In zijn eigen benadering definieert Calhoun gemeenschap in termen van the self-regulation of the patterns of organization [idem:91] waarbij hij een sterke nadruk legt op de morele verplichtingen die in een gemeenschap zijn geïmpliceerd. Moral obligations are essentially the stuff of community [idem:92]. |
Het ontstaan van klassengemeenschappen en de relatiearbeid die hiervoor noodzakelijk is, zijn immers ook altijd strategisch gemotiveerd. Klassenspecifieke sociale relaties en klassengemeenschappen zijn altijd ook nuttige verbindingen die specifieke beloningen impliceren (zoals vertrouwen en emotionele steun, maar ook materiële ondersteuning).
Klassengemeenschappen zijn dus per definitie meervoudig individueel gemotiveerd: traditioneel (piëteit), affectief (sympathie), normatief (loyaliteit) en/of strategisch (nut). Het saamhorigheidsgevoel dat zo kenmerkend is voor een klassengemeenschap is dus zelf meervoudig gemotiveerd. Het gebruik van de sociale relaties die in een klassengemeenschap zijn verdisconteerd, impliceert altijd ook een specifieke strategische oriëntatie, namelijk de bereidheid om deze relaties te benutten om persoonlijke of klassenspecifieke voordelen te behalen. De sociale relaties van een klassengemeenschap en de personen die daarin participeren worden dus altijd tot op zekere hoogte (bewust of onbewust) strategisch geobjectiveerd, ook al komen klassengemeenschappen niet uitsluitend of hoofdzakelijk om strategische redenen tot stand [→ hoofdstuk IX, § 2].
|
Voor Tönnies is een Gemeinschaft een oorspronkelijke levensvorm die gekenmerkt wordt door persoonlijke relaties, door offervaardigheid en altruïsme en door organische solidariteit in menselijke verhoudingen. Daarentegen wordt Gesellschaft juist gekenmerkt door zakelijke of contractuele (door warenruil en geld gemedieerde) verhoudingen, door egoïsme en gevoelsneutraliteit en door individualisme. Anders gezegd: Gemeinschaft wordt exclusief gethematiseerd in termen van affectieve en traditionele handelingsoriëntaties en gecontrasteerd met Gesellschaft welke in termen van strategische handelingsoriëntaties wordt geïnterpreteerd. Deze visie werkt duidelijk door in de klassieke gemeenschapsanalyse van MacIver [1928] en is ook herkenbaar in Nisbets definitie van gemeenschap. Voor Nisbet [1970:48] omvat een gemeenschap all forms of relationships which are characterized by a high degree of personal intimacy, emotional depth, moral commitment, social cohesion, and continuity in time. Community is founded on man conceived in his wholeness rather than in one or another of the roles, taken separately, that he may hold in a social order. It draws its psychological strength from levels of motivation deeper than those of mere volition or interest, and it achieves its fulfilment in a submergence of individual will that is not possible in unions of mere convenience or rational assent. |
|
Wright/Cho [1992] analyseren de relatieve waarschijnlijkheid van vriendschappen die klassengrenzen overbruggen. Het referentiepunt van hun analyse is niet de mate waarin er sprake is van vriendschappen tussen personen die onderscheiden klassenposities bezetten, maar de mate waarin er vriendschappen bestaan tussen personen die contraire posities innemen op drie onderscheiden exploitatiegrenzen: eigendom, gezag en expertise. De relatieve ondoordringbaarheid van deze exploitatiegrenzen wordt gemeten met behulp van een standaard log-lineaire analyse van mobiliteitstabellen. Uit de vergelijking van de gegevens voor de VS, Zweden, Noorwegen en Canada trekken Wright/Cho de conclusie (1) dat in vriendschapsrelaties de eigendomsgrens het meest ondoordringbaar is, gevolgd door de expertisegrens, terwijl de gezagsgrens het meest doordringbaar is, en (2) dat de vriendschapsrelaties die over klassengrenzen heengaan in de vier onderzochte landen een zelfde patroon vertonen, resp. dat het patroon van doordringbaarheid van de drie grenzen een opmerkelijke gelijkenis vertoont.
Ik heb er al eerder op gewezen [hft. III, § 2·3] dat sommige auteurs in aansluiting bij Schumpeter [1927] sociale klassen behandelen als endogame eenheden omdat de keuze van huwelijkspartners in hoge mate tot de eigen klasse wordt beperkt (niet legaal, maar wel sociaal). Leden van de bourgeoisie behoren tot dezelfde kring van elitaire sociale clubs; velen van hen hebben de meest prestigieuze scholen bezocht en bewegen zich in dezelfde netwerken van vrienden en bekenden enz. Class matters, ook in kwesties van intimiteit, liefde en huwelijk. Dat is ook de boodschap van Tamar Lewin [2005]:
De conflicten tussen liefde en sociale klasse zijn niet alleen de bouwstenen van de Victoriaanse romantiek Wuthering Heights Emily Bronte en Jane Eyre van Charlott Bronte, maar vormen ook de matrix van Don Quixote van de Spaanse auteur Miguel Cervantes. Zij demonstreren de relatie tussen individuen en maatschappij in het licht van klassedistincties en rigide sociale manieren en mores. |
Netwerken van klassenspecifieke sociale relaties en klassengemeenschappen ontstaan grotendeels spontaan zij vereisen als zodanig geen specifieke organisatiearbeid. Zij vereisen echter wel een specifieke relatie-arbeid: de klassenspecifieke contacten moeten bewust of onbewust, gericht of ongericht worden aangeknoopt en onderhouden. Een klassengemeenschap kan zich alleen duurzaam reproduceren wanneer deze contacten worden gekoesterd, gecultiveerd en geïnstitutionaliseerd.
De tijd-ruimtelijke geconcentreerdheid is bepalend voor
De morele verplichtingen die in een klassengemeenschap zijn geïnstitutionaliseerd, kunnen worden gespecificeerd door de inhoud van deze verplichtingen zelf en door de sancties die gebruikt kunnen worden om deze verplichtingen af te dwingen. De morele verplichtingen binnen een klassengemeenschap kunnen uiterst diffuus, zeer specifiek of omvattend (familiair) zijn.
Dit is een van de belangrijkste redenen waarom bijvoorbeeld het verbieden of vernietigen van arbeiderspartijen en -organisaties niet direct leiden tot de ondergang van de arbeidersbeweging.
5. Formatie en transformatie van sociale klassen |
|---|
Onder klassenformatie wordt hier verstaan: de vorming van collectieve actoren die georganiseerd zijn rond klassenbelangen binnen een klassenstructuur. Dit brede begrip van klassenformatie omvat verschillende processen en stadia die afzonderlijk behandeld moeten worden.
De formatie en transformatie van sociale klassen (the making and remaking) wordt primair gestructureerd door de verhoudingen tussen objectieve klassenposities. Klassenformatie is daarom primair afhankelijk van de veranderingen die zich in de objectieve klassenstructuur voltrekken. Het ontstaan van sociaal gehomogeniseerde klassen wordt in het algemeen bevorderd wanneer klassenstructuren zich verharden.
Klassenstructuren worden harder of robuuster wanneer (a) de relatieve mobiliteitskansen van sociale klassen kleiner worden, (b) de speelruimtes voor individuele mobiliteit kleiner worden en mede op basis hiervan (c) de duurzaamheid van de binding aan specifieke klassenposities toeneemt, en (d) het contrast in klassenspecifiek gestructureerde levenskansen groter wordt.
6. Niveaus van structurering van objectieve klassensituaties |
|---|
Klassenhandelen is een complex, meervoudig gestructureerd fenomeen. Daarbij moet enerzijds rekening worden gehouden met zowel objectieve klassenposities als met klassenspecifieke habitus, levensstijlen en klassenbewustzijn. Anderzijds zijn ook de klassenposities zelf niet homogeen maar vertonen een zeer grote verscheidenheid. De belangrijkste elementen van deze verscheidenheid kunnen in drie punten worden samengevat.
6·1 Objectieve klassensituatie
De systeemstructuur en positionele klassenstructuur bepalen objectieve klassensituaties in verschillende functioneel en/of empirisch gedifferentieerde maatschappelijke activiteits-verhoudingen. Deze worden samengevat in relationeel bepaalde klassenposities van (groepen van) individuen.
Objectieve klassensituaties omvatten
Al deze ongelijkheden, voor zover zij althans klassenmatig zijn gestructureerd, zijn onderdeel van de feitelijke objectieve klassenpositie.
Deze ideële kansen, die als bronnen en beloningen in de objectieve klassenpositie zijn opgenomen, omvatten:
Veranderingen in de sociaal-economische klassenverhoudingen werken door binnen de context van een gegeven cognitieve en normatieve omgeving en in de dominante maatschappelijke duidingspatronen, wereldbeelden en prestigehiërarchieën. Dit zijn geen louter mentale constructies die buiten de alledaagse klassepraktijken staan, maar geobjectiveerde en geïnstitutionaliseerde waarnemings-, duidings- en waarderingsschemas die verankerd zijn in de klassepraktijken [Scott 1985:305; Abercrombie 1980:68; Giegel 1987:316 e.v.].
|
Het is niet eenvoudig om een korte en duidelijke omschrijving te geven van de in punt (a) t/m (c) genoemde ideële kansen. De term ideële kansen is weliswaar kort, maar roept ook in het sociaal-wetenschappelijke taalgebruik nog altijd associaties op met subjectieve opvattingen, mentaliteiten enz. De term schemas van waarneming, duiding en waardering is misschien iets resistenter tegen dergelijke subjectiverende associaties.
Wie hierin een terminologische verwantschap met Bourdieu vermoedt, heeft gelijk. In Bourdieus theorie van de habitus wordt meestal de afkortende term schemas van waarneming en waardering gebruikt [Bourdieu 1979:191]. Hij laat zien hoe deze schemas habitueel worden verankerd en hoe zij als zodanig het praktisch handelen van individuen structureren (d.w.z. stimuleren of juist blokkeren). De empirisch waarneembare handelingspatronen analyseert hij als een product van de dialectische relatie tussen een situatie en een habitus, ... die functioneert als een handelings-, waarnemings- en denkmatrix [Bourdieu 1972: 169 Entwurf]. |
Objectieve klassenposities zijn altijd in meer of mindere mate intern gedifferentieerd. De verscheidenheid van de factoren die de objectieve klassenposities bepalen, moet ook theoretisch zichtbaar worden gemaakt door deze zover mogelijk te desaggregeren. De mate van interne differentiatie van objectieve klassenposities heeft een zeer grote invloed op de ontwikkeling van klassenbewustzijn en -handelen. Klassenhandelen is meer in het bijzonder afhankelijk van de volgende vier factorenbundels.
Al deze verschillen en hierdoor bepaalde stratificaties bieden niet alleen aanknopingspunten voor uiteenlopende en tegenstrijdige collectieve identiteiten, maar kunnen tevens een blokkade vormen voor de ontwikkeling van enigszins coherent politiek klassenhandelen.
De alternatieve collectieve identiteitsvormingen die bij de genoemde differentiaties aanknopen, kunnen voor de moderne arbeidersklasse als volgt worden geïllustreerd:
| Verschil in: | Alternatieve identiteiten |
|---|---|
| Kwalificatieniveau | wij vakarbeiders |
| Beroepen | wij metaalarbeiders of wij profis |
| Sectoren | wij automobielarbeiders |
| Bedrijven | wij Philipsarbeiders |
| Organisatieposities | wij ploegbazen |
| Inkomen | wij hoog betaalde arbeiders |
| Werkgelegenheid | wij werkenden, wij werklozen |
| Sociaal-juridische status | wij ambtenaren of wij employés |
| Stad/platteland | wij stedelijke arbeiders |
| Woonsituatie | wij Jordanezen |
Deze en vergelijkbare deelidentiteiten kunnen op gespannen voet staan met het wij loonarbeiders en doen dat ook daadwerkelijk, ook al is dit niet noodzakelijk het geval. De plausibele hypothese waarmee de werking van al deze differentiaties geanalyseerd kan worden luidt: toenemende ongelijkheden tussen sociale klassen hebben een gunstige invloed op processen van klassenvorming evenals afnemende ongelijkheid binnen een sociale klasse. En omgekeerd zou de nivellering tussen klassen en de verscherping van ongelijkheden binnen afgebakende klassenposities de klassenmatige structurering van een maatschappij eerder doen afnemen [Berger 1986:15; Kaelbe 1983a:170 e.v.].
De homogeniteit van een sociale klasse en de kansen voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijk klassenhandelen worden in sterke mate beïnvloed door de duurzaamheid van de binding aan klassenposities. Door een lage graad van mobiliteit tússen klassen en een hoge graad van mobiliteit bínnen klassen kan het (door sociale georganiseerdheid, habitus, levensstijl en klassenbelang gemedieerde) ontstaan van klassenbewustzijn en politiek klassenhandelen worden gestimuleerd. Geblokkeerde klassenmobiliteit stimuleert collectivistische of solidaristische strategieën. Een relatief grote opwaartse mobiliteit impliceert daarentegen grotere kansen voor individuele stijgingsstrategieën die de sociale georganiseerdheid en cohesie van een klasse verzwakken en daardoor ook de kansen voor gemeenschappelijk klassenhandelen verkleinen.
Een sociale klasse kan ascriptief gefractioneerd en verdeeld zijn door diverse vormen van discriminatie. De relatieve betekenis van discriminatie naar geslacht, huidskleur of leeftijd, naar regio, natie of nationaliteit, en naar taal, cultuur of geloof beïnvloedt de kansen voor het ontstaan van klassenspecifieke habitus en levensstijlen, klassenbewustzijn en politiek klassenhandelen.
De collectieve identiteitsvormingen die bij de genoemde ascriptieve splitsingen kunnen aanknopen, kunnen als volgt worden geïllustreerd:
| Acriptieve splitsing | Alternatieve identiteiten |
|---|---|
| Geslacht | wij vrouwen |
| Leeftijd | wij jongeren |
| Regio, taal, cultuur | wij Friezen, wij Flamingen |
| Geloof | wij katholieken, wij moslims |
| Natie | wij Schotten |
| Staatsburgerschap | wij Nederlanders |
| Huidskleur | wij blanken |
Voor de moderne arbeidersklasse kan en wordt in de regel het wij arbeiders door deze ascriptieve identiteiten doorkruist en gebroken, maar dit is niet noodzakelijk het geval. De klassenidentiteit kan daarentegen juist sterk worden gestimuleerd wanneer er sprake is van discriminatie op grond van sociale afkomst. Praktijken van sociale sluiting die aanknopen bij het criterium van sociale afkomst (op basis van een specifieke negatieve waardering van de lage, werkende klassestatus) en die door specifieke klassenideologieën worden gelegitimeerd (door een positieve waardering van de hogere, geciviliseerde, burgerlijke klassestatus) zijn dermate krenkend en onrechtvaardig dat zij vaak een sterke impuls zijn voor de vorming van klassenidentiteiten, en niet zelden een directe aanleiding voor klasse-acties.
De positieve en negatieve privileges kunnen in meer of minder ongelijke mate over de verschillende klassen zijn verdeeld. Vooral wanneer meerdere maatschappelijke splitsingslijnen elkaar vergaand overlappen, kunnen de positieve en negatieve privileges zich zodanig opstapelen dat er een scherp en schrijnend contrast in klassenspecifieke levenskansen ontstaat: het Mattheüseffect.
Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament van De Bijbel wordt in het algemeen uitdrukking gegeven aan een felle kritiek op bestaande ongelijkheden, uitbuitingsrelaties en onderdrukkingen. In de bijbelse benadering van de armoede ligt een keuze vóór de armen besloten. De Bijbel kan gelezen worden als een oproep om solidair te zijn met de armen door de armoede te bestrijden, of zoals Barth dit noemde: partijganger te zijn van de armen [Ter Schegget 1971]. Zie voor een uitermate sympathieke interpretatie van de bijbelse noties met betrekking tot gelijkheid en ongelijkheid: Simonse [1980:29-68]. Zie voor een uitwerking van het Mattheüseffect in het onderzoek naar sociale ongelijkheid: Deleeck [1977, 1983,2003]. Zie voor de werking van het Mattheüseffect in processen van taalverwerving (en achterstand): Stanovich [1986, 2000]. |
De belangenverschillen en tegenstellingen liggen als het ware voor het oprapen, zij zijn relatief transparant en daardoor gemakkelijk als zodanig herkenbaar.
| * Ik zeg met nadruk kunnen en niet worden omdat het bestaan van grote maatschappelijke contrasten zónder klassenbeweging zeker geen louter denkbeeldige constructie is. De situatie waarin Nederland in de eerste helft van de 19e eeuw verkeerde, werd niet voor niets afgeschilderd als een product van verval en economische stagnatie, rot tot in het hart; een land van maatschappelijke contrasten zonder klassenbeweging; van kapitaal zonder arbeid, en … van ellende zonder verzet [Roland Holst 1902:60]. |
Objectieve klassenposities impliceren dus niet alleen objectieve belangentegenstellingen en daarmee samenhangende oorzaken van klassenconflicten, maar bevatten ook een aantal verdergaande voorwaarden die de ontwikkeling van klassenbewustzijn en politiek klassenhandelen beïnvloeden. Zij bepalen tevens het totale potentieel van mobilisatie- en conflictbronnen waarover sociale klassen als potentiële conflictgroepen feitelijk beschikken in verhouding tot het potentieel van hun directe tegenstanders in klassenconflicten.
7. Klassen, klassenfracties en sociale lagen |
|---|
7·1 Stelling en afbakening
Omdat sociale klassen zijn geworteld in een specifieke vorm van positionele ongelijkheid, moeten zij niet worden verward of geïdentificeerd met sociale lagen. Klasse is net zo min een allesomvattende categorie als sociale laag.
Deze stelling impliceert enerzijds een afbakening ten opzichte van alle benaderingen waarin het laagbegrip wordt gebruikt als een algemeen overkoepelend begrip voor de verschillende (positionele en allocatieve) structuren van sociale ongelijkheid. Anderzijds impliceert deze hypothese dat men voldoende afstand houdt van benaderingen waarin aan het begrip laag een louter classificerende en beschrijvende betekenis wordt toegekend.
| * Luhmann [1985:131]: Soziale Klassen sind demnach Schichten, also Gruppierungen im Hinblick auf eine Differenz von besser und slechter, die darauf verzichten müβen, Interaktion zu regulieren. Vgl. ook Van Heek [1971:109], Berting [1981:313 e.v.]. En natuurlijk al veel eerder Geiger [1930: 207; 1932:5; 1939:8] die het laagbegrip verhief tot een basiscategorie van de analyse van sociale structuren. Zie voor een reconstructie van Geigers laagbegrip: Geiβler [1985; 1990:84-8]. |
Klassen kunnen het meest vruchtbaar worden geanalyseerd als een specifieke positionele structuurvorm van sociale ongelijkheid die zich onderscheidt van andere positionele structuurvormen (elites, selectieve associaties en prestigegroepen) en samen met deze van allocatieve ongelijkheden (sociale uitsluiting op grond van sekse, fenotypische eigenschappen, taal, religie, nationaliteit enzovoort). Klassen zijn dus geen alomvattende categorie [De Jager/Mok 1978:137] en geen universeel verklaringsprincipe [Bourdieu 1979:127], maar het zijn ook geen bijzondere sociale lagen. Tenzij men natuurlijk het begrip sociale laag gelijkstelt met structuren van sociale ongelijkheid en de analyse van ongelijkheidsstructuren opvat als stratificatieanalyse.
De sociale lagen zijn niet meer dan een statistisch ordeningsprincipe waarmee graduele differentiaties (bijvoorbeeld tussen hogere, midden- en lagere inkomens, of tussen uiteenlopende prestigewaarderingen), functionele differentiaties (bijvoorbeeld leidinggevende en uitvoerende functies) en arbeidsrechtelijke differentiaties (bijvoorbeeld tussen arbeiders, employés en ambtenaren) beschreven kunnen worden. Indeling van personen bij een op deze wijze geconstrueerde sociale laag betekent slechts dat zij overeenkomsten vertonen in beroep, inkomen, opleiding, prestige enzovoort [Handl 1977:10 e.v.].
Vanuit deze optiek kan de relatie tussen klasse en sociale laag op een tamelijk eenvoudige wijze worden behandeld. Sociale lagen kunnen dan immer op drie manieren in verband worden gebracht met klassen: sociale lagen kunnen onderdeel van klassen zijn, en zij kunnen tussen of naast de klassen staan [Semjenow 1973:63,119; Hofmann 1969:15,35,63].
Het voordeel van deze classificatie is dat zij relatief eenvoudig en overzichtelijk is en bovendien suggereert dat er een duidelijke keuze voor een van deze omschrijvingen mogelijk is.
|
Poulantzas richt zijn kritiek overigens niet alleen tegen de stratificatie-ideologieën waarvoor hij met terugwerkende kracht (en ten onrechte) Max Weber verantwoordelijk stelt, maar ook en vooral tegen de Parti Communiste Français (PCF). In de PCF visie bestaan er in het staatsmonopolistische kapitalisme naast de twee hoofdklassen (bourgeoisie en arbeidersklasse) een aantal sociale lagen die zich niet laten inpassen in deze basiscategorieën. Deze couches intermédiaires (nadrukkelijk niet aangeduid als nieuwe middenklasse) worden meestal besproken in termen van beroepscriteria die parallel lopen met de Franse belastingcategorieën. De externe grenzen van de intermediaire lagen worden op twee manieren bepaald: (1) deelname aan uitbuiting definieert de grens met de ondernemers en hun managers, (2) deelname aan productieve arbeid definieert de grens met de arbeidersklasse. Het spectrum van de intermediaire lagen wordt intern gedifferentieerd m.b.v. het criterium van bezit en niet-bezit van de productiemiddelen. Tot de bezittende categorie worden boeren, kunstenaars, winkeliers enz. gerekend. De niet-bezittende intermediaire lagen omvatten het groeiende aantal gesalarieerde niet-productieve arbeiders (die geen meerwaardeproducenten zijn en dus per PCF-definitie geen deel van de arbeidersklasse uitmaken), lagere employés, technisch en wetenschappelijk personeel, leraren en onderzoekers. |
Daar staat tegenover dat de sociale lagen slechts op classificerende wijze worden gedefinieerd: de relatie tussen klasse en laag wordt definitorisch (zonder enige systematische begripsontwikkeling) vastgelegd. Bovendien verliest men hierdoor de samenhang uit het oog tussen de sociale gelaagdheid zoals deze zich aan de oppervlakte van de maatschappij manifesteert en de basisstructuur van de klassenverhoudingen [Herkommer 1975:136; 1976b:204]. Klasse wordt hierdoor een soort hermetische categorie (essentialisme) en de werkelijke empirische beweging valt samen met de verschijningsvormen (empirisme).
In de tweede plaats kunnen de relaties die er bestaan tussen klasse als positionele ongelijkheidsstructuur en de diverse vormen van allocatieve ongelijkheid worden gespecificeerd. Ook hierbij is het mogelijk de verwarrende betekenisveelvoud van het laagbegrip te omzeilen.
Op deze wijze wordt niet alleen voorkomen dat het klassenbegrip tot een allesomvattende categorie wordt verabsoluteerd, maar wordt tegelijkertijd gemotiveerde weerstand opgebouwd tegen het verabsoluteren van het laagbegrip tot een algemeen overkoepelend begrip voor alle structuren van sociale ongelijkheid. Bovendien wordt hiermee de weg geopend om de verhouding tussen klasse en laag opnieuw aan de orde te stellen.
|
In tegenstelling tot de aanname in de zgn. marxistisch-leninistische sociologie neemt het begrip sociale laag in het werk van Marx en Engels geen systematische plaats in. De term laag werd door hen slechts metaforisch en inconsistent gehanteerd. Zij gebruikten de term laag zowel om differentiaties binnen klassen aan te duiden, als synoniem voor klasse en als algemene term om sociale ongelijkheden in de bevolking mee aan te duiden. De semantische problemen in het taalgebruik van Marx en Engels wordt uitvoerig geanalyseerd in Benschop [1990/2012] hoofdstuk IV, § 2·2.
Ook Weber besteedde in zijn sociologische begrippenleer geen systematische aandacht aan het laagbegrip, hoewel hij de term wel regelmatig hanteerde. Ook bij hem blijft Schicht een niet-gedefinieerde term die hij zowel op klassen als op standen toepast. Zie met name Weber [WG:285-314] waarin hij de relaties analyseert tussen diverse (positief en negatief geprivilegieerde) sociale lagen en hun typische vormen van religiositeit. |
| Ik beweer natuurlijk niet dat sociale lagen alleen binnen klassen (kunnen) bestaan, maar dat zij in de systematiek van een klassentheorie figureren om de graduele differentiaties binnen klassen te analyseren. Het laagbegrip kan eenzelfde belangrijke maar beperkte functie kan vervullen in de systematiek van een elitetheorie of in een theorie van prestigeverhoudingen. |
Deze niet-uitputtende opsomming suggereert dat sociale lagen overwegend kunnen worden geïdentificeerd met graduele differentiaties binnen klassen en klassenfracties.
|
Wright heeft een daarop inhoudelijk aansluitende suggestie gedaan om binnen een relationele klassentheorie de sociale lagen van elkaar te onderscheiden door de variërende graden van exploitatie binnen een gemeenschappelijke positie in de maatschappelijke arbeidsverhoudingen.
Credentierente werd gedefinieerd als een vorm van monopolierente, d.w.z. als een inkomenscomponent boven de kosten van de reproductie van de (relatief hooggekwalificeerde) arbeidskracht van de credentiehouder. Een minimale credentierente leidt slechts tot (arbeidsmarkt)privileges die het gevolg zijn van een zekere matiging van de uitbuitingsgraad. Credentierentes kunnen echter ook zo omvangrijk zijn dat zij professionals en experts in staat stellen deze rentes te converteren in eigendomstitels (eigendom van materiële arbeidsvoorwaarden, aandelen enz.). Wanneer dit het geval is, vormen deze credentiehouders geen sociale laag meer binnen de arbeidersklasse, maar nemen zij een eigensoortige tussenklassenpositie in [→ hoofdstuk VII, § 5]. Ook Wright merkt op dat er een kwalitatief verschil is tussen credentieprivilege en credentie-uitbuiting [1989:313]. Daarom is het nogal verwarrend om te zeggen dat credentierentes in and of itself … constitute a specific kind of labor market privilege and thus could be considered the basis for distinguishing among strata within the working class [idem]. Als men los van alle operationaliseringsproblemen die dit met zich meebrengt vasthoudt aan het onderscheid tussen credentieprivileges en credentie-uitbuiting, dan zou men moeten zeggen dat credentierente zowel een grondslag kan zijn van klasse-interne privileges als van specifieke uitbuitings- en klassenposities. Algemener geformuleerd: credentierentes structureren zowel klasse-interne differentiaties als externe klassengrenzen. |
Op deze wijze kan bovendien een inhoudelijk verband worden aangebracht tussen de zichtbare sociale gelaagdheid van een maatschappij en basisverhoudingen van de maatschappelijke productie en reproductie. Anders gezegd: de graduele differentiaties zoals deze zich aan de oppervlakte van een maatschappij manifesteren in de bevolkingsstructuur van een bepaald land, kunnen meer systematisch worden geanalyseerd op basis van inzichten in de algemene structuur van de maatschappelijke toeëigenings- en klassenverhoudingen. Dit betekent omgekeerd dat analyses van graduele differentiaties niet beperkt hoeven te blijven tot het niveau van empirisch onderzoek.
Er blijft natuurlijk altijd een verschil bestaan tussen (i) de noodzakelijke elementen van sociale stratificatie die geworteld zijn in een specifiek klassensysteem en die zich aan de oppervlakte manifesteren in diverse sociale fractioneringen en differentiaties, en (ii) de historisch toevallige elementen van sociale gelaagdheid. Deze laatste elementen kijgt men alleen door empirisch-historisch onderzoek in het vizier.
Zo heeft Jürgen Kocka [1969] in detail laten zien welke structureel en functioneel noodzakelijke en historisch toevallige elementen een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de arbeidsrechtelijke en inkomens- en statusverschillen tussen industriële arbeiders en employés bij het bedrijf Siemens.
Vanuit dit perspectief zou men de inkomensverschillen binnen de arbeidersklasse in Nederland kunnen onderzoeken. Daarbij zou men al ontdekken dat een zeer groot deel van de inkomensverschillen niet direct verklaard kunnen worden uit systematische verschillen in kwalificatie- of prestatieniveaus. Inkomensverschillen zijn immers mede afhankelijk van bijvoorbeeld de aanwezigheid van groepen migranten die door een aaneenschakeling van min of meer toevallige historische factoren gedwongen zijn om op de Nederlandse arbeidsmarkt te concurreren. Door hun relatieve culturele en politieke isolement, hun relatief zwak ontwikkelde organisatie en belangenarticulatie spelen zij op de arbeidsmarkt de tweede viool. Het feit dat ondernemers gebruik kunnen maken en daadwerkelijk profiteren van dergelijke contingenties is natuurlijk allerminst toevallig. Het raakt immers een wezenlijk kenmerk van het op exploitatie van loonarbeiders gerichte kapitalistische arbeidssysteem.
Tenslotte: Op basis van klassenposities kunnen dus sociale klassen als potentiële handelingscollectieven ontstaan. Dit gebeurt wanneer en in de mate dat de overgang tussen klassenposities zodanig is geblokkeerd dat individuen relatief duurzaam aan hun klassenposities zijn gebonden en wanneer zij hierdoor in staat zijn relatief stabiele netwerken van klassenspecifieke sociale relaties aan te knopen (klassengemeenschappen). De hardheid van mobiliteitsbarrières en de mate van sociale georganiseerdheid van een klasse vormen de grondslag waarop een bepaalde klassenidentiteit en politiek klassenhandelen kunnen ontstaan. Dit laatste is zeker geen rechtstreeks of vanzelfsprekend gevolg van de sociale cohesie van een klasse.
![]() |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]() dr. Albert Benschop Sociale en Gedragswetenschappen Sociologie & Antropologie Universiteit van Amsterdam Gepubliceerd: Januari 1993 Laatst gewijzigd: 04 November, 2011 |