| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
| 1. Stelling en afbakening |
|---|
Klassenposities zijn verankerd in uitbuitingsverhoudingen, maar dit betekent niet dat elke uitbuitingspositie per definitie ook een klassenpositie constitueert. Uitbuitingsstructuren leggen de grenzen vast waarbinnen klassenposities kunnen variëren en de waarschijnlijke uitkomsten hiervan. Uitbuitingsposities zijn structureel verankerde en relatief stabiele posities in uitbuitingsrelaties. Zij impliceren een substantiële toeëigening van meerarbeid door een uitbuitende klasse en zijn derhalve intrinsiek antagonistisch. Uitbuitingsposities zijn relationele posities die asymmetrisch en als zodanig onomkeerbaar zijn. In tegenstelling tot klassenposities kunnen uitbuitingsposities volledig onafhankelijk van de subjecten die deze posities bekleden, worden gedefinieerd.
| Ook de benadering(en) van Wright wordt/ worden gekenmerkt door het direct in elkaar laten overvloeien van uitbuitings- en klassen-posities. Zie hoofstuk VII, § 2·2 en VIII, § 4. Deze kritiek geldt overigens voor de hele voorzover mij bekende marxistisch geïnspireerde klassenanalytische traditie. |
In het eerste deel van dit hoofstuk maak ik de weg vrij voor een klassenanalyse waarin posities in (economische) uitbuitingsstructuren en in (sociale) klassenstructuren niet automatisch samenvallen en dus ook theoretisch en methodisch duidelijk moeten worden onderscheiden. Nadat de weg is vrijgemaakt van diep ingeslepen misleidende metaforen en denkbarrières wordt in het tweede deel van dit hoofdstuk eerst het begrip sociale klassenstructuur zo nauwkeurig mogelijk afgebakend. Daarna worden de algemene patronen van klassenstructuren in beeld gebracht. Daarbij neem ik tenslotte twee van de meest omstreden en lastigste problemen bij de horens: de relatie tussen de klassenstructuur van de beroeps- en de woonbevolking, en de positie van de zelfstandige middenklassen.
2. Van uitbuitingsposities naar klassenposities
|
|---|
Uitbuitingsposities ontstaan door een specifieke combinatie van ongelijke beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen en een bepaald mechanisme van uitbuiting. Een typologie van uitbuitingsposities die op basis van dit uitgangspunt kan worden ontwikkeld [→ hoofstuk VI, § 3.2] is echter niet identiek met een typologie van klassenposities.
Het belangrijkste methodologische en theoriestrategische argument is dat uitbuitingsposities zuiver structureel kunnen worden geanalyseerd zonder rekening te houden met de subjecten die deze uitbuitingsposities bekleden. Maar voor de empirische identificatie van klassenposities is dit een te beperkt perspectief. Daarbij moet immers wel degelijk rekening worden gehouden met (i) verschillen tussen mogelijke uitbuitingssubjecten en met (ii) de overlapping tussen verschillende uitbuitingstypen en -posities.
Zeer algemeen kan men zeggen dat subjecten van toeëigening of onteigening zowel individuele als collectieve actoren kunnen zijn. Uitbuitingsposities kunnen niet alleen worden vervuld door individuen (natuurlijke personen), maar ook door de meest uiteenlopende typen van collectiviteiten: verwantschapseenheden, organisaties (arbeidsorganisaties, kerken, partijen, staten) en gediscrimineerde of discriminerende groepen.
| Deze indeling is helder uitgewerkt in de studie van Ste. Croix [1981:205-6] over uitbuiting in de klassieke oudheid. Vgl. Elster [1985:197,320], Bader/Benschop [1988:218 e.v.]. |
Webers analyse van de liturgische bevrediging van de politieke en economische belangen van de patrimoniale heer is op dit punt nog steeds uitermate instructrief [Weber, WG:69,80,207,592,907; Wirtschaftgesch.:230].
Alleen in het eerste geval is direct duidelijk wie de uitbuiters en wie de uitgebuitenen zijn. In alle andere gevallen is het noodzakelijk om de vaak zeer complexe interne relaties te onderzoeken die er binnen de uitgebuite of uitbuitende collectiviteiten bestaan. Zo kan bijvoorbeeld een nationale staat een duidelijke uitbuitingspositie innemen wanneer zij structureel meerarbeid toeëigent in de vorm van belastingen, tributen of koloniale heffingen. Dit betekent echter nog niet dat deze uitbuitingspositie zelf al een eenduidige klassenpositie impliceert voor alle onderdanen of ambtenaren van deze exploiterende staat. Niet alle staatsdienaren en zeker niet alle staatsburgers profiteren immers in dezelfde mate van deze nationale exploitatie. Bovendien worden de meer of minder geprivilegieerde werkende burgers van deze exploiterende staat zelf ook uitgebuit.
|
Friedrich Engels legt een directe relatie tussen de verburgerlijking van de arbeidersklasse en het Engelse monopolie op de wereldmarkt en in de koloniën. Lenins imperialismetheorie sluit hier direct op aan. Zijn analyse van de arbeidersaristocratie kan in drie punten worden samengevat:
Het thema van de arbeidersaristocratie speelt als vanouds een belangrijke rol in de Engelse geschieds-schrijving. Zie voor een orthodoxe benaderingen: Foster [1974], Edwards [1978] en voor een meer relativerende benadering: Moorhouse [1978,1981], McLennon [1981]. Zie voor de V.S.: Mackenzie [1973], voor Frankrijk Cottereau [1986:152]. |
| Het verschil tussen de voor individuen primaire en secundaire uitbuitingsposities moet niet worden verward met het eerder gemaakte structurele onderscheid tussen primaire en secundaire uitbuitingsvormen [→ hoofdstuk VII, § 3]. Het eerste onderscheid vloeit voort uit de relatieve betekenis van uitbuitingsvormen voor de positie van individuen, het tweede uit hun relatieve structurerende kracht voor een maatschappijformatie als geheel. |
Het gemeenschappelijke kenmerk van uitbuitings- en klassenposities is
3. Klassenstructuur |
|---|
Een klassenstructuur is een reeks relationeel gedefinieerde klassenposities die door individuen worden gevuld. In het abstracte begrip van een klassenstructuur worden alleen klassenspecifieke mechanismen geïdentificeerd zonder hierin tegelijkertijd andere maatschappelijke splitsingslijnen te betrekken. Een klassenstructuur die gedefinieerd wordt op het abstractieniveau van de zuivere kapitalistische arbeidswijze impliceert niet zozeer a gender blind concept of class [Wright 1989:291], maar een model van onderling verbonden lege klassenposities die door individuen met de meest uiteenlopende (nationale, etnische, generationele, territoriale, religieuze en sekse-specifieke) eigenschappen kunnen worden bezet of gevuld. Op dit analytische niveau wordt er immers nog geabstraheerd van het bestaan van persoonlijke individuen met hun nationale, etnische, generationele of territoriale en religieuze kenmerken. Binnen dit logische veld bestaan er nog geen huisvrouwen of mannelijke kostwinners. Individuen verschijnen op dit abstractieniveau nog slechts als klassenspecifieke individuen, als klassenindividuen.
De begrippen waarmee de klassenstructuur wordt ontrafeld zijn in zoverre sekseblind, dat hiermee in eerste instantie slechts de positionele structuur kan worden verklaard en niet tegelijkertijd hoe deze lege plaatsen door seksespecifieke individuen worden bezet. Door deze abstractie van de diverse rekruteringsmechanismen die verantwoordelijk zijn voor allocatieve ongelijkheden worden de uitbuitings- en klassenposities in eerste instantie onafhankelijk van seksistische, raciale, nationale en andere ascriptieve splitsingslijnen geformuleerd.
In dit opzicht zijn klassenposities als zodanig eerder sekseneutraal dan sekseblind. Met seksisme in de klassenanalyse of van de klassenanalytici heeft dit alleen iets te maken (a) wanneer men het niet meer nodig vindt om een analytisch en methodisch onderscheid te maken tussen positionele en allocatieve ongelijkheidsstructuren, of (b) wanneer men besluit dat begrippen die een beperkte niet allesomvattende verklaringskracht hebben, alleen al omdát ze beperkt zijn, verworpen moeten worden.
Als men zoekt naar begrippen die alles (positionele en allocatieve ongelijkheden) en liefst in één keer (zonder methodisch verantwoorde indeling van analyse-eenheden en analytische abstractieniveaus) verklaren dan moet men geen sociale wetenschappers raadplegen, maar fundamentalistische theologen. De bruikbaarheid van wetenschappelijke begrippen ligt immers per definitie in hun duidelijk afgebakende en dus beperkte verklaringskracht. De bruikbaarheid van theologische en ideologische noties correleert daarentegen juist positief met hun vermogen om zeer complexe maatschappelijke samenhangen in enkele woorden of beelden weer te geven en te duiden.
Tussen de in uitbuitingsverhoudingen verankerde sociaal-economische klassenstructuur en de sociaal-culturele en politiek-organisatorische klassenformatie bestaat geen direct en lineair verband. Klassenstructuren stellen limieten aan processen van klassenformatie, maar leggen daarvan niet de specifieke uitkomsten vast. Daarom heeft het grote voordelen wanneer men de klassenstructuur zover mogelijk analytisch desaggregeert. Een gedesaggregeerde benadering van de klassenstructuur maakt immers een veel fijnmaziger beschrijving mogelijk van de verschillende manieren waarop deze gedifferentieerde posities feitelijk worden omgevormd tot collectief georganiseerde coalities.
4. Klassenstructuur van de beroepsbevolking |
|---|
De klassenstructuur wordt primair geconstitueerd door relationeel gedefinieerde posities in exploitatieve arbeidsverhoudingen die door individuen worden gevuld. In eerste instantie kan de klassenstructuur dan ook worden opgevat als een indeling van de beroepsbevolking. Voor burgerlijke maatschappijen zou men simpel kunnen zeggen: de primaire klassenstructuur is een relationele kaart van baanstructuren van de zelfstandige en afhankelijke delen van de beroepsbevolking.
|
Bij de analyse van de posities die in exploitatieve arbeidsverhoudingen kunnen worden ingenomen, doen zich zowel van de positionele als van de personele kant een aantal complicaties voor. Vanuit positioneel perspectief moet er rekening mee worden gehouden dat een aantal klassenposities niet eenduidig door één uitbuitingsmechanisme worden gestructureerd [§ 4·1], dat een aantal klassenposities temporeel en sociaal niet stabiel zijn [§ 4·2], en dat sommige klassenposities zijn afgeleid van andere klassenposities [§ 4·3]. Vanuit personeel perspectief moet er bovendien rekening mee worden gehouden dat individuen tegelijkertijd meer dan één klassenpositie kunnen innemen [§ 4·4]. Als we zicht willen krijgen op de klassenstructuur van de totale woonbevolking van een land dan moet niet alleen de klassenstructuur van de beroepsbevolking worden onderzocht, maar ook de klassenspecifieke sociale samenstelling van de overige bevolking [§ 5].
|
In zijn eerste benadering (1979) ging Wright ervan uit that a given location in the class structure could be simultaneously in two or more classes terwijl hij in zijn tweede benadering (1985) uitgaat van de notie that a given location could be situated with respect to more than one mechanism of exploitation. Naar aanleiding van de kritieken die hierop zijn geleverd, heeft hij daarna geprobeerd de anomalieën en problemen van deze twee benaderingen op te lossen [Wright 1989:323].
Zijn recente poging om beide noties met elkaar te verenigen lopen echter stuk, omdat hij geen duidelijk onderscheid maakt tussen uitbuitings- en klassenposities, en omdat hij mede daarom bij zijn analyse van de multiple locations de positionele en personele referentiepunten niet duidelijk uit elkaar houdt. De complexiteit van de klassenstructuur van de beroepsbevolking wordt vanuit positioneel perspectief vooral veroorzaakt door het feit dat er tussenklassenposities bestaan die door meervoudige uitbuitingsverhoudingen zijn gestructureerd, en vanuit personeel perspectief door het feit dat individuen tegelijkertijd meer dan één in zichzelf duidelijk afgebakende klassenpositie kunnen innemen. |
| Het begrip primaire of dominante arbeidswijze werd omschreven in hoofdstuk VI, § 4 en het begrip primaire uitbuitingsvorm in VII, § 3. |
In kapitalistische maatschappijformaties zijn bijvoorbeeld een aantal van de beter betaalde werknemers in staat een deel van hun salaris om te zetten in een of andere vorm van kapitalistisch eigendom (zoals aandelenbezit) en ontvangen naast hun inkomen uit loonarbeid ook nog een bepaald kapitaalinkomen. We hebben eerder gezien dat dit met name geldt voor professionals en managers die naast hun arbeidsinkomen in strikte zin ook nog beslag kunnen leggen op een meer of minder omvangrijke credentierente, respectievelijk loyaliteitsrente. Onder kapitalistische voorwaarden hebben echter in principe alle werknemers de mogelijkheid om hun inkomen in kapitaalbezit te converteren. Vaak zijn deze investeringen in aandelen- of huizenbezit slechts triviaal en incidenteel en hebben slechts een marginale invloed op de klassenpositie van deze individuen. Zolang de inkomsten uit dit kapitaalbezit incidenteel en marginaal zijn, zijn zij niet constitutief voor de klassenpositie.
| Onder bepaalde omstandigheden kan ook het bezit van een eigen huis gaan functioneren als een kapitalistische investering. Dat is met name het geval wanneer een sterke stijging in de huizenprijzen de eigenaars een substantiële winst oplevert die zij voor investeringsdoeleinden kunnen gebruiken. Door het speculeren met onroerende goederen kan de klassenpositie van de betrokken loonarbeiders worden gemodificeerd [Wright 1989:325]. |
De vraag is dus welke mate van temporele duurzaamheid en sociale stabiliteit (of instabiliteit) men bij klassenposities moet of kan veronderstellen. Het bezwaar dat vaak terecht tegen structurele klassenanalyses wordt ingebracht, is dat daarin de klassenposities op een te statische manier worden behandeld, dat wil zeggen dat op een onkritische wijze de duurzaamheid en stabiliteit van structurele klassenposities wordt verondersteld.
Er zijn meerdere redenen voor deze onderbelichting van de temporele en sociale instabiliteit van klassenposities.
| Ook het meer algemene begrip sociale structuur staat onder de verdenking te statisch te zijn. Met het begrip sociale structuur wil men immers juist greep krijgen op de stabiele, persoonsonafhankelijke elementen en hun stabiele bovenindividuele relaties [Berger/Sopp 1991:2]. |
Antagonistische maatschappijformaties worden niet alleen gekenmerkt door zeer stabiele sociaal-economische klassenverhoudingen, maar ook door een zekere mate aan flexibiliteit en beweging. Klassenverhoudingen vertonen daarom altijd een zekere mate van structurele meerduidigheid. Dit geldt ook en met name voor de kapitalistische klassenstructuur.
De klassenstructuur van het moderne kapitalisme vertonen een hoge mate aan continuïteit en consistentie waarbij de specifieke patronen en reproductiemechanismen van deze klassenverhoudingen structureel zijn geconsolideerd. Toch vertoont ook deze klassenstructuur tegelijkertijd een hoge mate aan dynamiek en instabiliteit. Niet alle klassenposities zijn in temporeel en sociaal opzicht even duurzaam gestabiliseerd. De snelle veranderingen die zich in kapitalistische maatschappijformaties voltrekken, hebben geleid tot een zekere structurele meerduidigheid of zo men wil structurele onoverzichtelijkheid van moderne klassenstructuur [Berger 1990:320]. Bij de afbakening van klassenposities is het daarom van groot belang om zowel rekening te houden met de tijdsfactor (dat wil zeggen met de temporele stabiliteit of instabiliteit van klassenposities) als met de factor van sociale stabiliteit.
Om deze klassenstructuur in beweging te analyseren wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen een statisch structuurperspectief (positiegericht) en een dynamisch lange-termijnperspectief (individugericht). Maar op deze manier wordt het eigenlijke probleem alleen maar verdrongen: de relatieve duurzaamheid en stabiliteit van relationeel gedefinieerde klassenposities zélf moet immers ter discussie worden gesteld. De temporele en stabiliteitsdimensie van klassenstructuren moeten niet worden gereduceerd tot de kwestie van de klassenmobiliteit van individuen in hun beroepscarrières.
De stabiliteit, respectievelijk instabiliteit van klassenposities kan vanuit twee verschillende praktische en theoretische perspectieven worden onderzocht. Analytisch gezien kunnen er twee aspecten van klassenspecifieke verdelingsverhoudingen worden onderscheiden die beide in temporeel opzicht variabel zijn:
|
Peter Berger heeft goede theoretische en empirische argumenten aangevoerd voor een gedynamiseerde analyse van de sociale structuur. Hij maakte daarbij op creatieve wijze gebruik van inzichten op het gebied van het ongelijkheids- en arbeidsmarktonderzoek (zoals Kohlis conceptie van het moderne levensloopregime). In zijn eigen onderzoek dat onderdeel was van het door Ulrich Beck geleide project Die Verzeitlichung sozialer Ungleichheit combineerde hij geavanceerde onderzoeksmethodieken met zeer gedifferentieerde databestanden. Ik knoop ook aan bij Pierre Bourdieus begrip sociale ruimte dat gedefinieerd is als relatieve positie of situatie van individuen of groepen naar aard, hoogte en samenstelling van de op een bepaald tijdstip beschikbare bronnen. In deze sociale ruimte wordt afstand gemeten in tijd.
Een ander aanknopingspunt zijn de analyses van Anthony Giddens [1979:202; 1984:35, 130 e.v.]. Aansluitend op de time-space geografie van Hägerstrand [1975] en Trift [1983] pleit hij voor een reconceptualisering van sociaal-wetenschappelijke theorievorming waarin ruimte en tijd niet louter als fysieke randvoorwaarden worden beschouwd, maar direct tot thema worden gemaakt. Het uitgangspunt is dat alle sociale interactie contextueel gesitueerd in tijd en ruimte is en zich uitstrekt over tijd-ruimtelijke afstanden. Zie voor een bespreking van Giddens conceptie van time-space distanciation: Cohen [1990:39 e.v.], Pred [1990]. |
Alle klassenposities zijn van voorbijgaande aard zij hebben een begin, zijn in tijd gelimiteerd en hun verbreiding en betekenis zijn in historisch opzicht variabel. Sommige klassenposities zijn echter tijdelijker dan andere. Dit wordt door een groot aantal factoren veroorzaakt: er kunnen wijzigingen optreden in de bronnenbundels die specifiek zijn voor bepaalde klassenposities; het relatieve gewicht van de relevante uitbuitingsmechanismen kan verschuiven; de bronnenstromen en handelingskansen die institutioneel met bepaalde klassenposities zijn verbonden, kunnen in de loop der tijd toe- of afnemen en hun samenstelling kan zich wijzigen; de fysieke of monetaire belastingen kunnen duurzaam of tijdelijk worden beperkt, waardoor er minder bronnen worden verbruikt; de bronnenstromen en belastingen kunnen discontinu en onregelmatig zijn in plaats van permanent en continu enz.
Als men zich concentreert op het volume van de ter beschikking staande bronnen en de mate waarin meerarbeid kan worden toegeëigend, dan ontstaat er een dynamisch beeld van de klassenstructuur met meer of minder gestabiliseerde en verduurzaamde klassenposities. Kenmerkend voor dit gedynamiseerde beeld van de sociale ruimte is dat de impliciete vooronderstelling van de temporele stabiliteit van klassenposities wordt losgelaten.
In deze optiek is het zowel mogelijk (a) dat beschikkingsmacht over omvangrijke bronnen en substantiële claims op meerarbeid zijn verbonden met een instabiele klassenpositie, als (b) dat beschikkingsmacht over marginale bronnen en incidentele claims op triviale aandelen meerarbeid een tijdelijk en dus instabiel kenmerk zijn van een positie in de klassenstructuur. Bovendien is het in dit perspectief mogelijk (c) dat binnen een schijnbaar eenduidig afgebakende klassenpositie variaties bestaan in de mate van bestendiging en (d) dat eenmaal gestabiliseerde klassenposities instabiel kunnen worden en omgekeerd.
De relatieve duurzaamheid en stabiliteit van de beschikkingsmacht over relevante bronnen en de daaraan verbonden uitbuitingspraktijken zijn dus belangrijke aspecten van klassenposities; zij behoren tot de objectieve klassenpositie en zijn ook van belang voor subjectieve waarnemings-, duidings- en waarderingspatronen.
Het is niet toevallig dat met name de tussenklassenposities meestal een relatief hoge mate aan instabiliteit vertonen. De reden daarvan is dat deze tussenklassenposities ontstaan op het snijpunt van meerdere uitbuitingsvormen die weliswaar functioneel zijn geïntegreerd binnen de context van een dominante arbeidswijze en het daarbij behorende primaire uitbuitingsmechanisme, maar zeker niet op harmonieuze wijze. Dit heeft tot gevolg dat de reproductie van deze tussenklassenposities een relatief grote labiliteit vertoont.
Bij de afbakening van de positie van de loonafhankelijke professionals en experts is er al op gewezen dat hun tussenklassenpositie als niet-proletarische loonarbeiders een zekere mate aan objectieve ambiguïteit vertoont. Deze specifieke tussenklassenpositie biedt immers voor sommige professionals niet alleen mogelijkheden om op te klimmen in de managementshiërarchie, maar ook om zich te onttrekken aan loonafhankelijkheid en voor zichzelf te beginnen, als kleine zelfstandige of als zelfstandige kapitalistische ondernemer. Dergelijke tussenklassenposities zijn ambigu en relatief instabiel omdat zij niet alleen gestructureerd worden door de actuele plaats in (kapitalistische en credentiële) uitbuitingsverhoudingen, maar tevens afhankelijk zijn van de exit-opties die aan deze posities zijn verbonden.
Voor alle relatief instabiele tussenklassenposities is het dus van belang na te gaan wat de aard is van deze positioneel bepaalde exit-opties. Relatief tijdelijke en instabiele tussenklassenposities worden intrinsiek gekenmerkt door het feit dat zij altijd in de schaduw staan van een of meer andere klassenposities. Een instabiele klassenpositie wordt dus mede gekenmerkt door de schaduwklasse die voor haar bezetters als exit-optie aanwezig (of het meest waarschijnlijk) is. Zoals eerder opgemerkt is de schaduwklasse van de tussenklassenpositie van de moderne professionals de kleinburgerij. Omgekeerd kan men zeggen dat de specifieke tussenklassenpositie van de kleine warenproducenten en de kleinburgerij (de zelfstandige tussenklassen) mede wordt gekenmerkt door de daarmee verbonden schaduwklassen, de arbeidersklasse, de professionele tussenklasse en de kapitalistenklasse.
Klassenposities vormen dus per definitie de op elkaar betrokken tegenpolen van een exploitatieve maatschappelijke arbeidsverhouding. Bij de analyse van de totale klassenstructuur van een maatschappijformatie moet er echter rekening mee worden gehouden dat klassenposities ook nog op een andere manier van elkaar afhankelijk kunnen zijn. Sommige klassenposities zijn van andere hoofd- of tussenklassenposities afhankelijk, ook al worden zij niet door een en dezelfde maatschappelijke arbeidsverhouding gestructureerd. De specifieke aard van deze afhankelijkheidsrelatie tussen afgeleide en primaire klassenposities vereist een nadere analyse.
Onder primaire klassenposities versta ik alle klassenposities die verankerd zijn in exploitatieve maatschappelijke arbeidsverhoudingen, waarbinnen tevens het fonds van maatschappelijke rijkdom wordt gegenereerd waaruit de leden die deze klassenposities bezetten hun inkomens/inkomsten betrekken. De individuen die deze klassenposities bezetten, leven van de primaire revenuen, dat wil zeggen van inkomsten of inkomens die worden gegenereerd in de maatschappelijke arbeidsverhouding waarin zij zelf functioneren.
Onder afgeleide klassenposities versta ik alle klassenposities die verankerd zijn in maatschappelijke arbeidsverhoudingen waarbinnen niet de maatschappelijke rijkdom wordt geproduceerd waarmee de leden die deze klassenposities bekleden in hun levensonderhoud voorzien. De individuen die deze klassenposities bezetten, leven van secundaire revenuen, dat wil zeggen van inkomsten of inkomens die niet gegenereerd worden binnen de maatschappelijke arbeidsverhouding waarbinnen zij functioneren, maar zijn afgeleid van de primaire revenuen van andere klassen.
| Het onderscheid tussen primaire en afgeleide klassenposities valt niet samen met het eerder gemaakte onderscheid tussen hoofd- en tussenklassenposities. Primaire klassenposities kunnen zowel hoofd- als tussenklassenposities omvatten. Dit impliceert tevens dat ik geen exclusief verband leg tussen primaire klassenposities en klassenposities die in primaire uitbuitingsverhoudingen zijn verankerd (zoals eerder gedefinieerd in hoofdstuk VII, § 3). Ik besef dat de door mij gekozen terminologie tot misverstanden kan leiden, maar heb hiervoor nog geen (taalkundig) eleganter alternatief kunnen bedenken. |
Inhoudelijk gezien bestaat de afhankelijkheidsrelatie tussen beide typen klassenposities dus in een bepaalde transfer van inkomsten/inkomens. Deze transfer kan een directe en persoonlijke vorm aannemen (zoals bij persoonlijke dienstrelaties), als een meer indirecte en institutionele vorm (zoals bij dienstrelaties die door privaatrechtelijke of overheidsorganisaties worden gemedieerd).
Het onderscheid tussen primaire en afgeleide klassenposities kan het eenvoudigst worden toegelicht aan de positie van de loonafhankelijke middenklassen in burgerlijke maatschappijformaties. De loonafhankelijke middenklassen worden positioneel gekenmerkt door onzelfstandige loonarbeid buiten de directe loonarbeid-kapitaal verhouding. Het gemeenschappelijke kenmerk van de personen die tot de loonafhankelijke middenklassen behoren, is dat zij uit de inkomens van andere klassen worden betaald en dus van afgeleide revenuen leven.
In tegenstelling tot de zelfstandige middenklassen zijn in alle kapitalistische landen de onzelfstandige of loonafhankelijke middenklassen in omvang toegenomen. Bij de analyse van deze klassen staan twee probleemcomplexen centraal:
Met de accumulatie van het kapitaal groeit dus ook het fonds waaruit de surplusbevolking op de een of andere wijze een afgeleid inkomen betrekt. Hierdoor kan het aantal buiten het directe meerwaardevormingsproces van het kapitaal werkende (en in die zin onproductieve) loonarbeiders toenemen.
Enerzijds stijgen de inkomens van de kapitalistenklasse die onproductief kunnen worden besteed. Onder bepaalde omstandigheden kan hierdoor het aantal functies in de sfeer van de persoonlijke dienstverlening (huishoudelijk en bedienend personeel) toenemen. Anderzijds kan de arbeid toenemen die nodig is om een maatschappelijke infrastructuur (zoals algemene productie- en communicatievoorwaarden) en collectieve goederen (zoals algemene onderwijs- en gezondheidsvoorzieningen) te realiseren, voor zover deze althans aan de staat zijn overgelaten. Collectieve goederen zijn gebruikswaarden die niet als waren worden geproduceerd en niet particulier worden geconsumeerd. Collectieve goederen kunnen als zodanig niet door particulieren via ruil worden toegeëigend.
Aan een dergelijke verklaring van de groei van de loonafhankelijke (van afgeleide revenuen levende) middenklassen vanuit de toename van de maatschappelijke meerarbeid kleven een aantal problemen, waarvan ik de twee belangrijkste zal behandelen.
Het inkomensfonds van de loonafhankelijke middenklassen wordt bovendien beperkt door het aantal geldkapitalisten of renteniers die in de vorm van interest een effectieve claim leggen op de totale beschikbare meerwaarde. In alle hoogontwikkelde kapitalistische landen is een categorie renteniers ontstaan die mede door de succesvolle uitbuitingspraktijken van hun voorvaders in staat zijn zich vroegtijdig uit het zakenleven terug te trekken en te leven van de rente van hun geaccumuleerde vermogen.
|
Wanneer de rijkdom van een land groter wordt, kan ook het aantal renteniers toenemen. Wie met een middelgroot kapitaal begint, heeft redelijke kansen een vermogen op te bouwen waarvan de rente voldoende is om een luxueuze levensstijl te bekostigen. Het zijn kapitaaleigenaren (loutere aandeelhouders) die hun vermogen zelf niet productief willen aanwenden (of hoeven aan te wenden). Hun aandeel in het totale nationale kapitaal kan toenemen in verhouding tot het totale productieve kapitaal van een maatschappij. Voor Marx [MEW 25:373 e.v.] was dit niet alleen een mogelijkheid, maar een feitelijke tendens in kapitalistische maatschappijformaties (hij sloot rechtstreeks aan bij de stelling van de laatste vertegenwoordiger van de klassieke burgerlijke economie: George Ramsay).
Zie voor een poging om de relatieve omvang van de kapitaaleigenaren binnen de kapitalistenklasse in kaart te brengen: PKA [1974:240 e.v.]. En vanuit een tegengesteld perspectief voor Nederland: Wilterdink [1984]. Vgl. ook Bottomore/Brym [1989]. |
De totale beschikbare meerwaarde wordt tenslotte beperkt door het aandeel van de commerciële winst die door de handelskapitalisten in de circulatiesfeer wordt geïncasseerd. De groeimogelijkheden van loonafhankelijke middenklassen worden dus niet alleen beperkt door de effectieve aanspraken van de medebezitters van de meerwaarde, maar ook door de afsplitsing van de commerciële winst.
| In internationaal vergelijkend perspectief blijkt dat in vijf metropolen van het kapitaal (V.S., Engeland, BRD, Frankrijk, Italië) in de periode tussen 1950 en 1976 de loonafhankelijke middenklassen met 46% zijn toegenomen, terwijl de traditionele middenklassen in dezelfde periode met 37% zijn ingekrompen. Het overgrote deel van de loonafhankelijke midden-klassen (gemiddeld 90%) behoort tegenwoordig tot de loonarbeiders van de staat [PKA 1977a]. |
De toegenomen productiviteit van de arbeid onder kapitalistisch regime resulteert niet in een gelijkmatige toename van alle categorieën van de loonafhankelijke middenklassen. Veel werkzaamheden van de traditionele dienende klasse werden in kapitalistische regie genomen waardoor een aanzienlijk deel van het huishoudelijke personeel overbodig is geworden. Vooral de activiteiten die in materiële gebruikswaarden resulteren, werden door kapitalistische warenproductie gesubstitueerd. Van de resterende diensten werd een deel verdrongen door de verdere ontwikkeling van huishoudelijke apparaten en machines (zoals wasmachines, ijskasten) of zij werden overgenomen door kapitalistisch georganiseerde dienstverlenende bedrijven (zoals schoonmaak-, wasserij- en tuinonderhoudsbedrijven). De groei van de dienende klasse (huishoudelijk personeel) is dus door de uitbreiding van kapitalistisch georganiseerde dienstverlening sterk afgeremd. Deze tegentendensen remmen overigens ook de vestiging van nieuwe zelfstandige existenties van niet-kapitalistische warenproducenten.
In zijn empirische uitweidingen over deze kwesties concentreert hij zich sterk op de groei van de traditionele dienende klasse.
Het verheffende resultaat van de op kapitalistische wijze geëxploiteerde machinerie [MEW 23:470; vert. 338] was dat het aantal moderne huisslaven groter was dan het aantal textiel- en metaalarbeiders samen, en zelfs groter dan het aantal mijnwerkers. In het daarop volgende decennium zou het aantal bedienden alleen maar groter worden (het aantal mannelijke bedienden werd bijna verdubbeld) en men kan alleen maar vermoeden dat hetzelfde gold voor de dienstmeisjes (die in de volksmond little slaveys werden genoemd). Hetzelfde patroon zien we bij de jachtopzieners voor de aristocratische wildparken; in de periode tussen 1847 en 1860 werd hun aantal bijna verdubbeld. In zijn empirische analyses beschrijft Marx alleen de groei van de traditionele bediendenklasse en niet de condities van de latere afname van deze klassencategorie. |
In het hedendaagse kapitalisme is de klasse van het bedienend personeel grotendeels verdwenen. Deze ontsnapping aan een bijzonder benauwende vorm onderwerping aan een andere klasse [Bottomore 1991:38] is een van de grootste overwinningen die de Europese arbeidersklasse in de twintigste eeuw heeft behaald. De traditionele dienende klasse is echter niet de enige categorie waarvan het inkomen is afgeleid van de toegenomen primaire revenuen.
De leden van de loonafhankelijke middenklassen ruilen hun arbeidskracht niet tegen kapitaal, maar tegen revenu; zij staan dus niet in een loonarbeid-kapitaalverhouding, maar in een loonarbeid-revenuverhouding. De loonafhankelijke middenklassen kunnen daarom in eerste instantie worden gedifferentieerd naar de verschillende vormen die deze loonarbeid-revenuverhouding kan aannemen. Naast de directe ruil van arbeidskracht tegen kapitaal kan in burgerlijke maatschappijen arbeidskracht worden geruild tegen geld dat ontleend is aan het inkomen van de leden van één bepaalde klasse of van meerdere klassen tegelijk. In het laatste geval kan deze ruil bovendien worden bemiddeld door de lokale of centrale politieke instituties van de burgerlijke maatschappij, dat wil zeggen door de staat. Vanuit deze optiek kunnen de loonafhankelijke middenklassen in drie grote categorieën worden onderverdeeld.
| De verschillende soorten secundaire revenuen constitueren klassenposities die gebaseerd zijn op de verhouding van loonarbeid en kapitaal, maar zich van deze fundamentele klassentegenstelling onderscheiden. De inkomens- en levensverhoudingen binnen deze secundaire revenuvorm lopen echter sterk uiteen. Van de vorming van een gemeenschappelijk klassenbelang, gemeenschappelijke habitus, levensstijlen en politiek-culturele opvattingen is daarom geen sprake [Bischoff e.a. 1982:101]. |
Daarin ligt niet alleen een belangrijk verschil met Goldthorpes service class, maar ook met Poulantzas poging om de loonafhankelijke middenklassen en loonarbeiders van de staat te rangschikken onder de nieuwe kleinburgerij. In beide benaderingen wordt geen rekening gehouden met de specifieke maatschappelijke aard van de ruilrelatie, noch met de specifieke kenmerken van de klassenpositie van de loonarbeiders van de staat.
De reden hiervan is (a) dat onproductieve arbeid vaak wordt verward met dienstverlenende arbeid, en (b) dat er meerdere vormen van onproductieve arbeid en ook van loonarbeid zijn die geen meerwaarde voor het kapitaal produceren.
Het onderscheid tussen goederenproductie en dienstverlening valt niet samen met het onderscheid tussen materiële en immateriële arbeid. Bij goederenproductie kunnen de resultaten of producten van de arbeid tijd-ruimtelijk worden gescheiden van de arbeidshandeling en van hun producenten. Bij dienstverlening is dit niet het geval. Bovendien kan het arbeidsproces niet tijd-ruimtelijk worden gescheiden van het proces waarin de dienst wordt geconsumeerd of gebruikt; deze eenheid van arbeids- en consumptieproces wordt ook wel het uno-acto principe genoemd [Berger 1986:31; Bader/Benschop 1988:92].
|
Het immateriële aspect van diensten is dus dat zij niet resulteren in objecten die gescheiden kunnen worden van het actieve arbeidsproces (van de dienstverlener) en van het consumptie- of gebruiksproces (van de consument, gebruiker, cliënt of patiënt). De dienst is niets anders van het directe nuttige effect die een concrete arbeid voor anderen heeft [Krätke 1984:27]. Dit nuttige effect kan zich wel degelijk uitdrukken in een materiële verandering van het lichaam van de consument (zoals bij de kapper, de arts of de pedicure). Het essentiële verschil blijft echter dat het nuttige effect van een dienst niet als een zelfstandig ding kan worden onderscheiden van de activiteit van de producent of van de aanwezigheid van de consument.
Immateriële of geestelijke arbeid echter kan wel degelijk resulteren in resultaten of producten die tijd-ruimtelijk gescheiden kunnen worden van het arbeidsproces waarin deze worden voortgebracht en kunnen daarom ook onafhankelijk van dit arbeidsproces als waren circuleren. Zo resulteert de geestelijke arbeid van een schrijver bijvoorbeeld uiteindelijk in een boek en de immateriële arbeid van een zanger in een compact-disc of in een via iTunes aan de man gebracht digitale song. Immateriële arbeid die louter en alleen voor de ruil wordt bedreven, kan dus wel degelijk verkoopbare waren produceren.
| Volgens Marx kan arbeid onmogelijk in de vorm van de activiteit [MEW 26.1:143] of direct ... als levende arbeid zelf [idem:142] tot waar worden. Hij geeft hiervoor twee argumenten. Ten eerste zouden alleen fysieke objecten als waren kunnen worden verkocht. Dat is niet consistent. Ook Marx wist immers dat veel waren als eigendomstitel circuleren zonder dat zij fysiek van plaats veranderen: wanneer bijvoorbeeld een huis wordt verkocht, dan circuleert dit huis als waar, maar het gaat niet wandelen [MEW 24:151]. Op dezelfde wijze kunnen ook aanspraken op toekomstige diensten circuleren [Krätke 1984:79]. Ten tweede: De arbeid zelf … in haar levende bestaan kan niet direct als waar worden opgevat, maar alleen het arbeidsvermogen, waarvan de tijdelijke uiting de arbeid zelf is, omdat de eigenlijke loonarbeid alleen op deze wijze kan worden ontwikkeld [MEW 26.1:141]. |
De dienstverlenende arbeider treedt deze consument/klant/gebruiker niet als loonarbeider tegemoet, maar als een gespecialiseerde producent wiens kennis, kunde en ervaring een zekere macht over zijn klanten geeft. De specifieke aard en mate waarin een klant afhankelijk is van een dienstverlener is uiteraard zeer variabel. Omdat bij diensten de productie en de consumptie in ruimte en tijd samenvallen, is het de dienstverlener die het consumptieproces bepaalt. De koper kan met zijn waar dus niet doen en laten wat hij wil; wat hij heeft gekocht is een door anderen de producent, respectievelijk het bedrijf waartoe hij behoort bepaalde wijze om zich te laten behandelen.
|
De leden van de loonafhankelijke middenklassen verhuren hun arbeidskracht, maar produceren zelf geen waarde of meerwaarde: hun arbeidskracht heeft een waarde en kost dus een equivalent, maar produceert zelf geen waarde (en dus niet het fonds waaruit zij betaald worden). Anders gezegd: hun arbeidskracht wordt niet ingehuurd en gebruikt vanwege haar waardescheppende potentie, maar vanwege haar specifieke gebruikswaarde. Bij normale kapitalistische loonarbeid is de kapitalist niet primair geïnteresseerd in de bijzondere gebruikswaarde van de arbeidskracht en van het product, maar in de waarde die de arbeidskracht voortbrengt (gebruikswaarde voor de waarde); particulieren of non-profit-organisaties die diensten van onproductieve arbeiders inhuren, zijn daarentegen primair geïnteresseerd in de waarde voor het gebruik. In het algemeen kan men dus zeggen dat de arbeid van loonafhankelijke middenklassen niet in dienst van de ruil staat: zij produceren in de regel geen producten die gemaakt worden om met winst te worden verkocht.
| Sommige leden van de loonafhankelijke middenklassen verrichten arbeid die zich belichaamt in een materieel product dat onafhankelijk van het arbeidsproces kan circuleren. Zo resulteert de arbeid van een timmerman die ik als privépersoon in dienst neem in tafels, stoelen, banken of tuinhuisjes; dergelijke gebruikswaarden hebben de mogelijkheid om waar te worden en kunnen desgewenst op de markt worden verhandeld. Zo kunnen ook de producten die door een aanvankelijk niet-commerciële stads- of staatsdrukkerij worden geproduceerd zeer gemakkelijk als winstgevende waar op de markt worden gebracht. In de mate dat hierbij het winstoogmerk prevaleert, verandert het karakter van de arbeidsverhoudingen waarin de betreffende loonarbeiders zijn gesteld. De formele privatisering van een dergelijke drukkerij is daarvan de van buitenaf meest zichtbare indicatie. |
In de theoretische analyses van de klassenstructuur speelt het begrippenpaar productieve en onproductieve arbeid een belangrijke, maar vaak ook verwarrende rol. De centrale claim in de marxistische onderzoekstraditie is dat met behulp van deze analytische begrippen de typisch sociaal-economische posities en functies van groeperingen binnen of ten opzichte van het totale reproductieproces van het kapitaal kunnen worden afgebakend. Anders gezegd: objectieve klassenposities kunnen worden geïdentificeerd door een analyse van de posities in of relaties met het reproductieproces van het kapitaal.
| In deze algemene betekenis is productieve arbeid een synoniem voor kapitalistische loonarbeid. Zie hoofdstuk VI. § 8 |
In kapitalistische maatschappijformaties zijn er meerdere vormen van arbeid en ook van loonarbeid die geen meerwaarde voor het kapitaal produceren. Dit geldt niet alleen voor arbeidskrachten die tegen revenu worden geruild (loonafhankelijke middenklassen), maar ook voor de arbeid die verricht wordt door de loonarbeiders van het commerciële kapitaal, de niet-kapitalistische warenproducenten en dienstverleners, en de onbetaalde arbeidskrachten in huishoudelijke eenheden.
| Auteurs die huishoudelijke arbeid productief noemen zoals James/Dalla Costa [1973] gebruiken deze term hoofdzakelijk om de onmisbaarheid van huishoudelijke arbeid voor de kapitalistische productie te onder-strepen en een tegenwicht te vormen tegen het negeren van de rol van de huishoudelij-ke arbeid door vroegere generaties sociale wetenschappers. Zie voor een uitvoeriger kritiek hierop: Seccombe [1974/7:23 e.v.]. Zie voor een overzicht van de discussie over huishoudelijke arbeid: Boekraad/Van Wel [1977], Delphy/Leonnard [1992:51]. |
Huishoudelijke arbeid is geen meerwaardescheppende arbeid omdat deze niet in een directe verhouding tot het kapitaal wordt verricht; het is evenmin waardescheppende arbeid en is niet rechtstreeks onderworpen aan de werking van de waardewet. Huishoudelijke arbeid is geen vorm van warenproductie.
Onbetaalde huishoudelijke arbeid heeft slechts een indirecte invloed op de kapitalistische markteconomie. Het onbetaalde huishoudelijke werk verlaagt de reproductiekosten van de arbeidskracht en subsidieert de betaalde arbeid van mannen.
De gebruikswaarden die binnen (gezins)huishoudens worden geproduceerd, worden niet verdeeld overeenkomstig de arbeidstijd die aan deze producties wordt besteed. De verdeling en herverdeling binnen huishoudens voltrekt zich niet via het principe van de gelijke warenruil tussen warenbezitters en oriënteert zich dus niet op waardebepaling, maar veeleer op meer of minder traditionele of gereflecteerde (sekse- en generatiespecifieke) behoeftedefinities. Dit impliceert tevens de mogelijkheid van exploitatie, namelijk wanneer in patriarchaal georganiseerde gezinshuishoudens systematisch meerarbeid van vrouwen door mannen wordt toegeëigend [→ hoofdstuk IX, § 4]. Huishoudelijke arbeidsrelaties zijn echter als zodanig geen klassenverhoudingen en ook geen verhoudingen van warenbezitters die in een verhouding van warenruil tot elkaar staan [→ hoofdstuk IX, § 4·2 - Sex as Class].
Huishoudelijke arbeidsverhoudingen in kapitalistische maatschappijen worden gekenmerkt door een sterke persoonlijke afhankelijkheidsverhouding, d.w.z. door een verhouding van persoonsgebonden heerschappij en onderschikking tussen degenen die wel en niet over eigen inkomensbronnen beschikken (vaderlijke en ouderlijke macht). De tegenstellingen in het huishoudelijke arbeidsproces worden primair gestructureerd door de relatie tussen degenen die geen zelfstandige inkomensbron hebben (meestal vrouwen) en degenen die dat wel hebben (meestal mannen) alsook de feitelijke beschikkingsmacht over de consumptiemiddelen. Voor de soortreproductieve activiteiten ligt dit iets anders omdat de verhouding tussen man en vrouw hier gedeeltelijk op een natuurlijke grondslag berust. De soortreproductieve activiteiten wordt echter niet alleen gestructureerd door een biologisch gefundeerde arbeidsdeling naar sekse, maar ook door seksespecifieke rolverwachtingen. In een seksistische cultuur zijn deze rolverwachtingen als dominante culturele rolpatronen geïnstitutionaliseerd, die een aantal klassenspecifieke variaties vertonen.
Wanneer de rolverdeling tussen man en vrouw zou worden omgekeerd, verandert dit op zichzelf niets aan het karakter van de huishoudelijke arbeid. Dat hier de (huis)vrouw als draagster van de huishoudelijke arbeid wordt opgevoerd, is natuurlijk alleen een realistische aanname voor burgerlijke maatschappijen die nog van seksistische arbeidsverdelingspatronen zijn doortrokken.
In werkelijkheid nemen individuen vaak meer dan één positie in de arbeidsverhoudingen in of hebben zij meer dan één baan of bron van inkomsten. Hun klassenpositie is dus niet enkelvoudig, maar meervoudig bepaald. Zo kunnen mensen naast hun part-time overheidsbaan ook nog een partieel bestaan als kleine zelfstandige hebben opgebouwd. De meervoudige bepaaldheid van de klassenpositie kan echter nog veel complexere vormen aannemen. Het is, om de gedachte te bepalen, in principe mogelijk dat één persoon tegelijkertijd eigenaar is van zijn eigen land en huis, pachter van het land van iemand anders, verpachter van een stuk eigen land, loonarbeider in de oogsttijd en onafhankelijke kleine handelaar van de door hemzelf geproduceerde waren [Frank 1969:21].
5. Klassenstructuur van de woonbevolking |
|---|
5·1 Directe en gemedieerde klassenposities
In het voorafgaande werden klassenposities uitsluitend gethematiseerd binnen de structuur van de beroepsbevolking. Zodra het klassenanalytische perspectief wordt verbreed tot de totale woonbevolking doen zich een aantal nieuwe complicaties voor. De klassenpositie van veel individuen wordt immers niet direct gestructureerd door hun feitelijke positie in de maatschappelijke arbeids- en exploitatieverhoudingen, maar door hun positie in een specifiek gezinsverband of in een huishoudelijke woon- en leefeenheid.[66] Het is dus van belang een onderscheid te maken tussen de klassenstructuur van de beroepsbevolking en de klassenstructuur van de huishoudens, dat wil zeggen van de woonbevolking als geheel.
|
Een (kern)gezin is een eenheid van man, vrouw en kind(eren), d.w.z. de kleinst mogelijk combinatie van aanverwantschap en bloedsverwantschap. De kleinst mogelijke combinatie van bloedverwantschap zonder aanverwantschap (ouder-kind) is hiervan een grensgeval (één-ouder-gezin). Een gezin is per definitie een verzameling van personen met en zonder zelfstandige inkomensbronnen [Boekraad/Van Wel 1977:125]. Vanuit een klassenanalytisch perspectief is het in eerste instantie irrelevant of er sprake is van een (formeel-juridisch bekrachtigde) huwelijksband tussen de volwassen leden van een huishouden. Essentieel is in dit verband slechts of er sprake is van een sociaal-economische eenheid, d.w.z. van een specifieke interne verdeling van de huishoudelijke arbeid en van een bepaalde interne herverdeling van de inkomens van de leden van het huishouden. |
| Ook uitbuitingsverhoudingen in patriarchale gezinshuishoudens of institutionele huishoudens (kloosters) structureren directe klassenposities. |
|
Mijn benadering wijkt hiervan op twee essentiële punten af. Ten eerste beperk ik de definitie van directe klassenposities bewust niet tot participatie op de arbeidsmarkt. Binnen burgerlijke maatschappijen moeten directe klassenposities niet worden beperkt tot participatie op de arbeidsmarkt ook participatie op de kapitaalmarkt constitueert bijvoorbeeld directe klassenposities. Ten tweede beperk ik de definitie van gemedieerde klassenposities niet tot klassenposities die door het gezin, resp. het gezinshoofd worden bepaald. Gemedieerde klassenposities komen pas tot stand wanneer de gezinsleden feitelijk een gezamenlijke huishouding voeren (en dit is lang niet altijd het geval). Bovendien komen gemedieerde klassenposities ook tot stand wanneer individuen een gezamenlijke huishouding voeren, ongeacht hun geslacht, ongeacht de juridische status van hun samenlevingsverband (gehuwd of niet) en ongeacht de vraag of er ook kinderen in hun residentiële eenheid zijn opgenomen. Om de begrippen directe en gemedieerde klassenposities bruikbaar te maken voor de sociologische klassenanalyse dan moeten zij worden ontkoppeld van deze conventionele invulling. In Wrights poging om de begrippen directe en gemedieerde klassenposities te herdefiniëren, wordt een deel van deze conventionele lading meegesleept (ondanks zijn duidelijke kritiek op de premissen van deze benadering) en worden er een paar nieuwe problemen toegevoegd. Directe klassenposities impliceren a single link between individuals and productive resources, constituted by their direct, personal control or ownership of such resources [Wright 1992:41]. De materiële belangen van individuen van vlees en bloed worden niet alleen door dergelijke directe, persoonlijke relaties tot productieve bronnen gevormd, maar ook door een grotere verscheidenheid van andere relaties die hen aan het productiesysteem verbinden.
Het nadeel van zijn definitie is dat hij net als Goldthorpe e.a. het gezin in plaats van het huishouden als analyse-eenheid neemt. Bovendien reduceert hij directe klassenposities tot de relatie tussen individuen en productieve bronnen, d.w.z. tot posities in directe uitbuitingsverhoudingen. Klassenposities die door indirecte uitbuitingsverhoudingen worden geconstitueerd vallen buiten zijn definitie van directe klassenposities. Tenslotte rekt hij de gemedieerde klassenposities zover op dat zij niet alleen posities omvatten die door particuliere huishoudens zijn bemiddeld, maar ook door de staat. Zijn definitie van gemedieerde klassenposities is uiteindelijk zo breed dat hij daaronder alle huisvrouwen, kinderen, uitkeringsgerechtigden, gepensioneerden en studerenden kan rangschikken. Het is zelfs mogelijk om het geheel van de loonafhankelijke middenklassen onder deze categorie onder te brengen. In zon oeverloze containercategorie zijn alle katjes grijs. Dit lijkt mij slecht verenigbaar met een ook door Wright bepleite gedesaggregeerde strategie van klassenanalyse. |
| De verschillende manieren waarop de positie van uitkeringsgerechtigden vanuit klassenanalytisch perspectief behandeld kunnen worden, worden besproken door Krätke [1989], Esping-Anderson [1990]. |
5·2·1 Actieve en passieve bevolking
Het is gebruikelijk de woonbevolking op te splitsen in een actief deel, de werkzame of arbeidsbevolking en een passief deel, de niet-werkzame bevolking. De werkzame beroepsbevolking brengt de goederen en diensten voort die door de totale bevolking van een land worden geconsumeerd. Dit is een zeer globale en gedeeltelijk misleidende uitspraak: een deel van de formeel werkende bevolking verricht immers taken die niet bijdragen aan de voortbrenging van het maatschappelijk totaalproduct, terwijl een deel van de formeel niet-werkzame bevolking taken verricht die wel degelijk (kunnen) bijdragen aan het totale productievermogen van een maatschappij (zoals onbetaalde diensten of vrijwilligerswerk). Bovendien valt het onderscheid tussen werkzame en niet-werkzame bevolking niet samen met het meer specifieke onderscheid tussen productieve en onproductieve arbeid.
De herverdeling van de primaire inkomens (het nationaal product) vindt gedeeltelijk plaats via de staat en de sociale verzekeringen (zoals de AOW). Zo beschikken de uitkeringsafhankelijken zelfstandig over een afgeleid inkomen. Het grootste deel van de niet-werkzame bevolking echter neemt in een ander verband deel aan de consumptie van het maatschappelijke totaalproduct: zij leven in kleinere economische eenheden, in particuliere huishoudens. Zij staan in een principieel andere verhouding tot de maatschappelijk geproduceerde rijkdom dan degenen die hierin middels overdrachtsuitgaven van de staat participeren. Hun sociale levenspositie is immers direct verbonden met de levenspositie van de hoofden van hun huishouding (kostwinners).
Individuen die geen betaalde arbeid verrichten, respectievelijk niet over een eigen inkomensbron beschikken, worden daarom ingedeeld naar de directe klassenpositie van de (gezins)hoofden van hun huishouding. In de analyse van de klassenstructuur van de woonbevolking worden de afzonderlijke leden van de beroepsbevolking samen met de door hen onderhouden personen (huisvrouwen/-mannen en anderen die geen betaalde arbeid verrichten) tot eenzelfde klasse of klassenfractie gerekend.
5·2·2 Huishoudens in soorten en maten
Gegevens over arbeid en beroepsbevolking worden meestal slechts op het individuele niveau geanalyseerd, waarbij de nadruk ligt op de mate waarin personen (getypeerd naar diverse kenmerken, zoals leeftijd, geslacht, beroep en nationaliteit) feitelijk deelnemen aan betaalde arbeid dan wel op de mate waarin zij zich inspannen om tot de werkzame beroepsbevolking te gaan behoren. In verklaringen van klassenhandelen en individueel arbeidsmarktgedrag werd tot nu toe weinig serieuze aandacht besteed aan de kenmerken van huishoudens (respectievelijk aan de relatie tussen huishoudens en arbeidspositie).
Voor empirische analyses van de relatie tussen directe en gemedieerde klassenposities moet de verschillende soorten huishoudens in kaart worden gebracht.
a. Institutionele huishoudens
| Onder een institutioneel huishouden wordt verstaan een groep van vijf of meer personen die op een bepaald adres onder een algemene leiding (waaraan zij niet verwant zijn) verblijf houden en waar door de leiding gestelde voorschriften gelden [Koesoebjono/Bieseman 1987:5]. In particuliere huishoudens vindt de huishoudelijke verzorging niet bedrijfsmatig plaats, in institutionele wel. Daarom definieert het CBS [2012] een institutioneel huishouden als: Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en daar bedrijfsmatig worden voorzien in dagelijkse levensbehoeften. Ook de huisvesting vindt bedrijfsmatig plaats. De bevolking in instellingen, inrichtingen en tehuizen wordt ook wel afgekort aangeduid als de IIT-bevolking. Bewoners van studentenhuizen worden niet tot de institutionele bevolking gerekend. |
Lange tijd was het aantal personen in inrichtingen en tehuizen in Nederland niet exact bekend. In de Volkstelling 1960 en 1970 en in het Woningbehoeftenonderzoek (WBO 1981) werden deze intramuralen big niet integraal geteld. Veel enquêtes en statistieken van het CBS beperkten zich om praktische redenen tot de bevolking in particuliere huishoudens [Van de Stadt/Bieseman 1990:26]. Steekproefonderzoeken beperken zich meestal tot particuliere huishoudens vanwege de moeilijke enquêteerbaarheid van de institutionele bevolking. Tot voor kort hadden we daarom nauwelijks regelmatige en volledige statistische informatie over de bevolking in institutionele huishoudens,
Volgens het CBS waren er ultimo 1981 in totaal 266.000 intramuralen, waarvan 134.000 bewoners van bejaardenoorden. Al vanaf 1960 werd ongeveer hetzelfde getal opgevoerd. Door een combinatie van gegevens uit meerdere bronnen hebben Van de Stadt/Bieseman [1990:26 e.v.] een nauwkeuriger beeld kunnen schetsen van de omvang en ontwikkeling van institutionele huishoudens sinds 1960.
Sinds 1960 is de institutionele bevolking aanzienlijk minder sterk gegroeid dan de totale bevolking (6% tegen 30%). Hierdoor is het aandeel van de institutionele bevolking in de totale bevolking gedaald van 2,3% in 1960 tot 1,9% vanaf 1990 tot heden. Absoluut gezien is de institutionele bevolking tussen 1960 en 1981 licht toegenomen: van 263 duizend naar 312 duizend; daarna daalde het weer tot 278 duizend in 1990 [CBS 1990 - Sociaal-demografische rekeningen; zie ook: Gorter/Wang 1990].
Volgens de meest recente gegevens van het CBS die in onderstaande statistiek zijn weergegeven zette deze dalende tendens zich voort tot 2007, waarna een weer een lichte stijging optrad.
| Jaar | Totaal | Psychiatris ziekenhuis |
Inrichting verstandelijk gehandicapten |
Verzorgings- en verpleeghuis |
| 1995 | 247.708 | 13.004 | 29.672 | 156.482 |
| 2000 | 224.003 | 12.112 | 26.543 | 136.964 |
| 2005 | 213.202 | 11.206 | 22.720 | 126.666 |
| 2007 | 206.732 | 11.524 | 22.015 | 121.027 |
| 2008 | 206.864 | 11.537 | 21.483 | 119.619 |
| 2009 | 207.003 | 11.844 | 20.772 | 118.945 |
| 2010 | 208.687 | 11.936 | 20.846 | 119.063 |
| 2011 | 220.965 | 12.097 | 19.818 | 122.299 |
Het grootste deel van de institutionele bevolking bestaat uit ouderen die in een verzorgings- of verpleeghuis wonen. De verwachting is dat de institutionele bevolking de komende tien jaar zal schommelen rond de 205.000. Vanaf 2020 neemt het aantal mensen dat in een institutioneel huishouden woont toe tot 368.000 in 2050 [Van Dijn/Loozen 2009]. Terwijl het aantal bewoners van kloosters en opleidingsinternaten daalt, stijgt het aantal jongeren in gezinsvervangende tehuizen (van meer dan 34 duizend in 1995 naar bijna 56 duizend in 2011) evenals dat van de bewoners van penitentiaire inrichtingen (van iets meer dan 2 duizend in 1995 naar meer dan 4 duizend in 2011).
b. Particuliere huishoudens
De rest van de bevolking (98%) leeft in particuliere huishoudens. Particuliere huishoudens bestaan uit: (a) eenpersoonshuishoudens, d.w.z. alleenstaanden die een zelfstandige huishouding voeren en geen huiselijk verkeer met andere personen hebben, en (b) meerpersoonshuishoudens. Tot de particuliere huishoudens behoren statistisch dus alle groepen van twee of meer personen die in huiselijk verkeer samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren of één persoon die alleen een zelfstandige huishouding voert [CBS, Jaarboek 1990:35].
In de afgelopen decennia heeft zich een aantal trendmatige wijzigingen in de huishoudensontwikkeling van Nederland voorgedaan. Enerzijds nam het aantal huishoudens toe en daalde de gemiddelde grootte van de huishoudens, anderzijds werden de huishoudens wat samenstelling betreft pluriformer. Dit is het gevolg van het sterk groeiend aantal eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen en de opkomst van het niet-gehuwd samenwonen als nieuwe vorm van huishouden. Volgens de CBS Huishoudensprognose uit 2008 zal het aantal huishoudens groeien van 7,3 miljoen in 2009 tot 8,3 miljoen rond 2039. Deze groei wordt vooral veroorzaakt door de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. Hierdoor zal de gemiddelde huishoudensgrootte de komende decennia verder dalen van 2,2 personen per huishouden in 2009 tot 2,1 rond 2050.
5·3·1 Gezin als eenheid van klassenanalyse
In conventionele klassenanalyses wordt ervan uitgegaan dat niet het individu maar het gezin de fundamentele eenheid van klassenstructuren is. De stelling dat het gezin de belangrijkste cel van de klasse vormt en pas daarna het individu als lid van een klassenspecifiek gezin, werd voor het eerst door Schumpeter uitgewerkt in zijn opstel Die sozialen Klassen im ethnisch homogenen Milieu (1927). Daarin zet hij zich af van auteurs die het open karakter van de kapitalistische klassenmaatschappij bewierookten. Daartegenover benadrukt Schumpeter dat mensen in een specifieke klassenpositie worden geboren en dat het gezin in hoge mate beslissend is voor de startpositie van kinderen en de levenskansen van volwassenen. In formeel-juridische zin bezet men weliswaar geen klassenpositie op grond van geboorte, maar leggen het bezit, het inkomen, het prestige, de mentaliteit, de taalcompetenties, de motivatiebronnen en het opleidingsaanbod via het gezin toch in sterke mate de klassenpositie vast. Volgens Schumpeter is het daarom misleidend om bij standen en kasten de factor van geboorte en sociale herkomst te benadrukken en bij klassen het primaat van de openheid. In Imperialism and Social Classes vatte hij dit als volgt samen:
Niet alleen in marxistisch geïnspireerde klassenanalyses maar ook in het sociologisch stratificatieonderzoek werd deze conventionele vooronderstelling met name gebruikt om de specifieke positie van vrouwen in de sociale structuur te analyseren. Daarbij werd de status- of klassenpositie van de vrouw meestal op een tamelijk simpele wijze opgevat als een afgeleide van die van de man, respectievelijk van het mannelijke hoofd der huishouding of de kostwinner. Deze conventionele visie werd in de laatste decennia door feministen zwaar onder vuur genomen, maar ook nog fervent verdedigd. Dit laatste gebeurde zeer uitvoerig door John Goldthorpe:
|
In zijn pleidooi voor een gereviseerde versie van de conventionele benadering wil Goldthorpe onder andere aantonen dat de toegenomen participatie van vrouwen (m.n. gehuwde vrouwen) in betaalde arbeid veel minder implicaties heeft voor stratificatietheorieën (en -theoretici) dan veel feministen hebben gesuggereerd. In latere publicaties (samen met Erikson) nuanceert Goldthorpe zijn oorspronkelijke opvattingen. De stelling is niet meer dat de klassenpositie van gehuwde vrouwen volledig is afgeleid van die van hun werkende echtgenoten, maar dat de directe klassenpositie van werkende mannen een significant grotere invloed heeft op de klassenpositie van hun echtgenotes [Erikson/Goldthorpe 1988,1992].
Bovendien wordt het gezin niet meer als eenheid van klassenanalyse opgevat, maar als eenheid van klassensamenstelling: the class position … of woman as indeed of men also may best be determined if the family is given priority over the individual as the unit of class composition; or that is, if individuals living together as a family are regarded as having one and the same class interest [Erikson/Goldthorpe 1992:232 e.v.]. Zij hebben er geen bezwaar tegen het individu als eenheid van klassenanalyse te nemen, provided that members of the same conjugal family are assigned to the same class [idem:233]. |
5·3·2 Theoretische, medhodische en empirische kritieken
Tegen deze conventionele benadering kunnen een aantal theoretische, methodische en empirische bezwaren worden ingebracht.
| Wanneer men het gezin als class unitary behandelt, impliceert dit nog niet per definitie dat men het gezin in alle opzichten als een egalitaire of solidaire eenheid beschouwt. Goldthorpe is op dit punt zeer duidelijk. The possibility is in no way precluded that some inequality may exist within the general living standard of the household as between men and women or, for that matter, as between persons in different age groups; nor again that within decision-making processes some family members may be able to exert greater power than do others. The implication would rather be that such inequalities, where they exist, and likewise the intrafamilial conflicts to which they may give rise, should be regarderd as being not ones of class, but of gender or of age per se [Erikson/Goldthorpe 1992:233]. |
| Wright voegt hieraan nog een belangrijk argument toe. Even when it is the case that in decisive zero-sum trade-off situations interests derived from the husbands job usually pre-empt those of the wifes, it does not follow from this that in other situations the interests linked to the wifes job are irrelevant and do not shape family income-maximization strategies. Even where the wife contributes less than the husband, therefore, the class character of her paid work could systematically shape family strategies and thus the class character of the family unit [Wright 1992:40]. Wright concentreert zijn hele argumentatie op de levenssituatie van geëchte partners. Dit lijkt mij een overbodige en deels ook misleidende beperking. Zoals eerder opgemerkt is het vanuit klassenanalytisch perspectief in hoge mate irrelevant wat de juridische (en/of kerkelijke) status is van de relatie tussen de volwassen of onvolwassen leden van een huishoudelijke eenheid. Deze specifieke status wordt pas relevant wanneer deze aantoonbare effecten heeft op de feitelijke arbeids- en inkomenspositie van de individuele betrokkenen, of het klassenkarakter van het huishouden zou modificeren. |
Zie voor feministisch geïnspireerde kritieken op de gezinsopvatting in de functionalistische stratificatietheorie: Acker [1972,1980], Kuhn [1978:44 e.v.], en op de klassenanalytische traditie: Allen [1982]. Zie voor uitvoerige kritieken op de benadering van Golthorpe: Heat/Brittain [1984], Stanworth [1984], Marshall e.a. [1988], Wright [1992].
De beperkingen van de conventionele benadering kunnen mijns inziens worden doorbroken wanneer consequent wordt vastgehouden aan het eerder gemaakte onderscheid tussen directe en gemedieerde klassenposities. Met behulp van dit onderscheid wordt het mogelijk om de vraag te stellen naar het relatieve gewicht van deze twee verbindingen met de klassenposities in de beroepsstructuur. Het essentiële verschil met de conventionele benadering is dat daarbij niet bij voorbaat vooronderstellingen worden ingebouwd ten aanzien van de relatieve verklaringskracht van directe en gemedieerde klassenposities voor de levenssituaties en -perspectieven van individuen.
|
6. Zelfstandige middenklassen |
|---|
Tussenklassenposities worden niet rechtstreeks en primair gestructureerd door de voor de burgerlijke maatschappij dominante kapitalistische arbeidswijze, maar door andere arbeids- en toeëigeningsverhoudingen. Het prototypische voorbeeld daarvan is de tussenklassenpositie van de niet-kapitalistische warenproducenten en de kleinburgerij. Deze klassencategorie omvat alle personen die door arbeid in hun levensonderhoud voorzien en effectieve beschikkingsmacht hebben over de daarvoor noodzakelijke materiële arbeidsvoorwaarden. Zij zijn niet aangewezen op de verkoop van hun arbeidskracht en buiten geen of slechts zeer weinig vreemde arbeidskrachten uit. Het inkomen waarvan zij leven is geen arbeidsloon of meerwaarde, maar een op zichzelf staande categorie, namelijk producentenloon.
Binnen de grenzen van hun tussenklassenpositie zijn zij in staat zelfstandig goederen en diensten voor de warenmarkt te produceren, maar zij zijn niet of slechts op zeer kleine schaal in staat vreemde arbeid als loonarbeid aan te wenden. De exploitatie van vreemde arbeid is echter nog niet zo omvangrijk dat de toegeëigende meerarbeid voldoende is om de eigenaar van de materiële arbeidsvoorwaarden vrij te stellen van arbeid zodat het bedrijfshoofd (de kleine ondernemer) uitsluitend kan leven van de exploitatie van vreemde arbeid. Wanneer er sprake is van coöperatie dan is deze meestal beperkt tot gezins- of familieleden die zonder formeel arbeidscontract in het kleine gezinsbedrijf meewerken. De exploitatie van familiale of vreemde arbeidskrachten door kleine zelfstandigen is eerder een uitbreiding van dan een substitutie voor hun eigen arbeid.
De arbeid van de zelfstandige warenproducent en de meewerkende gezinsleden kan ook in noodzakelijke en meerarbeid worden opgesplitst. Noodzakelijke arbeid is voor een zelfstandige warenproducent in een kapitalistisch milieu de arbeid die verricht moet worden om als kleine zelfstandige te overleven. Meerarbeid is de arbeid die verricht kan worden om zich te verrijken of de persoonlijke of familiaire levensstandaard te verhogen. Door de kapitalistische concurrentie worden de kleine warenproducenten gedwongen hun arbeidsdag te verlengen, respectievelijk hun arbeidsintensiteit te verhogen. Zij doen dit niet om meer meerarbeid te kunnen leveren, maar om de voor hun overleven als kleine zelfstandigen noodzakelijke arbeid te verrichten. Deze noodzakelijke arbeid omvat ten eerste de arbeid die noodzakelijk is voor het levensonderhoud van het gezin, voor hun ziekte- en oudedagsvoorziening (consumptiefonds of fonds voor individuele reproductie). Het omvat ten tweede de arbeid die nodig is voor het in stand houden van hun bestaansbasis, dat wil zeggen voor het onderhoud en de reparatie van de arbeidsmiddelen en voor de financiering van een uitbreidings- en moderniseringsfonds.
| * De zgn. winst van de kleine warenprodu-centen verschilt hierin van het gewone arbeidsloon, dat het ontstaat door de toeëigening van eigen meerarbeid (voor zover deze niet in de vorm van hypotheek-rente, belastingen e.d. wordt afgeroomd). |
Voor de zelfstandige warenproducent staat niet de gezinsconsumptie op de eerste plaats, maar de uitgaven die regelmatig gedaan moeten worden om de zelfstandigheid van het (gezins)bedrijf te handhaven, dat wil zeggen de eigen arbeidsmiddelen in stand te houden of te vervangen. Deze zelfstandigheidskosten moeten worden afgetrokken van de totale waarde die in een bepaalde periode wordt gerealiseerd. Wat hierna overblijft, is het producentenloon van de zelfstandige warenproducenten. Producentenlonen dragen bij aan het nationale inkomen van een samenleving en zijn voor de burgerlijke staat een aanvullende belastingbron [Krätke 1984:128].
Zolang zij hun economische zelfstandigheid ten opzichte van het kapitaal kunnen bewaren, zijn zelfstandige warenproducenten in strikte zin geen productieve arbeiders, omdat zij geen meerwaarde scheppen. Zij behoren niet tot de categorie van de meerwaarde-producerende arbeiders, noch tot de categorie van de onproductieve loonarbeiders. Zij treden hun klanten tegemoet als verkopers van waren en niet als verkopers van arbeidskracht. Deze verhouding heeft niets te maken met de ruil van loonarbeid en kapitaal, en derhalve ook niet met het verschil tussen productieve en onproductieve arbeid [→ § 4·3·4]. Zelfstandige warenproducenten kunnen echter wel van het kapitaal afhankelijk worden en gedwongen worden zichzelf en hun gezinnen voor het (bank- en handels)kapitaal uit te buiten.
Het inkomen van de kleine warenproducenten is primair afhankelijk van de actuele arbeidsprestaties en van de voorwaarden van de verkoop van de waren die deze arbeid belichamen. Het waardeproduct van de eigen arbeid kan alleen volledig worden toegeëigend indien de geproduceerde goederen en diensten op de warenmarkt tegen hun marktwaarde verkocht kunnen worden. Dit is echter lang niet altijd het geval.
| Het feit dat sommige kleine warenproducenten feitelijk door het kapitaal worden uitgebuit (door ongelijke ruil op de markt) en dat sommige kleine warenproducenten andere arbeidskrachten uitbuiten, onderstreept nog eens de stelling dat de uitbuitingsstatus niet kan worden bepaald met behulp van het onderscheid tussen zelfwerkzaam of loon-afhankelijk. |
| De marktwaarde is de gemiddelde waarde van de waren die in een bepaalde productie- of arbeids-sector worden geproduceerd. Men kan ook zeggen dat de marktwaarde gelijk is aan de individuele waarde van de waren die onder gemiddelde voorwaarden van deze sector worden geprodu-ceerd [Marx, MEW 25:187]. Wanneer kleine warenproducenten voor de productie van hun goederen of diensten meer dan de (voor hun sector) gemiddelde arbeidstijd nodig hebben, dan stijgt de individuele waarde van hun waren boven de marktwaarde. In het omgekeerde geval daalt de individuele waarde van hun waren onder de marktwaarde en is het mogelijk een extrawinst te realiseren (wanneer er geen andere mechanismen bestaan die de concurrentie blokkeren). De prijzen die uiteindelijk voor de waren worden betaald, komen alleen bij benadering overeen met hun marktwaarde wanneer er geen natuurlijke of kunstmatige monopolies (één verkoper voor meerdere kopers) of monopsonies (één koper voor meerdere verkopers) bestaan. Wanneer deze wel bestaan dan zijn de kleine zelfstandigen in staat de waren bóven hun marktwaarde te verkopen, of zijn genoodzaakt deze juist ónder hun marktwaarde te verkopen. |
In dergelijke gevallen omvat het producentenloon aanzienlijk meer dan het waardeproduct van de eigen arbeid van deze particuliere producenten die in corporaties zijn georganiseerd. De inkomens van de samenwerkende kleine warenproducenten berusten deels op de toeëigening van het waardeproduct van de eigen arbeid, deels ook op de toeëigening van het waardeproduct van vreemde arbeid, ook al is dat niet gebaseerd op directe uitbuiting van loonarbeid.
|
In twee gevallen kan de staat van deze regel afwijken. [Krätke 1984:129].
|
Zowel inhoudelijk als terminologisch is het begrip kleinburgerij sterk omstreden [Scase 1982; Curran/Burrows 1986; Scase/Goffee 1987]. Vaak wordt de term kleinburgerij gehanteerd als een containerbegrip waarin allerlei elementen worden gestopt die niet direct bij een van de twee hoofdklassen kunnen worden ondergebracht. De onderscheiden connotaties van het begrip kleinburgerij zijn verweven met de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van de kleinburgerij zelf. De belangrijkste historische voorlopers van de kleinburgerlijke tussenklasse waren de stedelijke middenstanden en de kleine boeren uit de feodale periode. In de eerste fase van de kapitalistische ontwikkeling ontstond hieruit de tussenklasse van de kleinburgers, waarvan de kern gevormd werd door de kleine warenproducenten en de kleine bezitters.
6.2.2 Genese van kleinburgerij
Sinds de 11e eeuw tekenden zich een aantal wezenlijke veranderingen af in de klassenstructuur van het Europese feodalisme. Het ontstaan van niet-agrarische nederzettingen ging gepaard met verdieping van de maatschappelijke arbeidsdeling tussen ambachtelijk werk en agrarische productie, intensivering van de landbouw, verhoging van de agrarische productiviteit, ontwikkeling van markten, intensivering van de warenproductie, uitbreiding en verdichting van de ruilrelaties en met bevolkingsgroei. Deze en andere factoren leidden ertoe dat de steden zich konden ontwikkelen. De hoofdklassen van de feodale maatschappij hadden hiervoor de basis gelegd.
De bewoners van de stedelijke nederzettingen stonden in eerste instantie onder het stadsgezag van de geestelijke of wereldlijke feodale heren. Ook al stond een groot deel van de stadsbewoners niet meer in een persoonlijke afhankelijkheidsverhouding, zij raakten meer en meer geïnteresseerd in opheffing van het feodale gezag en bevrijding van de feodale dienstbaarheid. De strijd om opheffing of inperking van feodale rechten en afhankelijkheden kwam tot uiting in de communale beweging. Deze beweging leidde tot een vergaande bevrijding van de stadsbewoners en migranten van specifieke afhankelijkheden die voortvloeiden uit het feodale eigendom van de arbeidsvoorwaarden: er werd een uniforme vrije rechtsstatus voor de stedelijke burgers gerealiseerd, er werden burgerlijke stadsgemeentes met eigen machtsorganen opgericht en er werden voorwaarden tot stand gebracht die gunstig waren voor de ontwikkeling van economische sectoren die voor de stad belangrijk waren.
De communale beweging bracht dus een belangrijke verandering teweeg in de krachtsverhouding tussen de feodale adel en de stedelijke burgerij. Terwijl de feodale arbeidsverhoudingen berustten op feodaal grondeigendom en arbeid van afhankelijke boeren, realiseerden zich in de steden de arbeidsverhoudingen van de kleine warenproductie op basis van het persoonlijk eigendom van de productiemiddelen.
Het bestaan van de stedelijke burgers berustte grotendeels op de eigendom van productiewerkplaatsen, ambachtelijke productieinstrumenten, grondstoffen en in toenemende mate ook op mobiel vermogen, vooral op geld. Op basis van de economische grondslag van de kleine warenproductie en van het persoonlijke eigendom waren in de steden de wezenlijke feodale afhankelijkheidsverhoudingen opgeheven. Het grondeigendom begon zijn privileges te verliezen; het werd gemobiliseerd en kon net als alle andere waren voor geld worden gekocht. Het feodale kader van de directe verbinding van de producenten met hun productiemiddelen was echter ook in de feodale steden nog niet verbroken. De verzelfstandiging van de productiemiddelen als kapitaal tegenover de arbeiders werd met name nog verhinderd door de gildeorganisatie [Marx, MEW 3:25; MEW 21:492; Bertold/Engel/Laube 1973:202; Vogler 1979:72 e.v.].
De kleinburgerij was aanvankelijk een overwegend producerende nevenklasse van de kapitalistische maatschappij, die niet direct in de kapitalistische arbeidswijze is verankerd. De kleine middenstanden omvatte niet alleen de kleine ambachtelijke warenproductie en de kleine handel, maar ook categorieën die hun zelfstandige bestaan ontleenden aan specifieke dienstverlening of aan functies van geestelijke arbeid de voorlopers van de moderne intelligentsia en de loonafhankelijke middenklassen [Jung 1973:163].
De kleine warenproducenten en de daarmee vervlochten kleine bezitters vormden in de vroege ontwikkelingsfase van het kapitalisme een meerderheid van de stedelijke bevolking; zij namen een groot deel van de goederenproductie en dienstverlening voor hun rekening. In de verdere ontwikkeling van het kapitalisme is niet alleen het economische gewicht en de numerieke omvang van al deze kleine zelfstandigen afgenomen, maar is ook de sociale samenstelling ervan sterk gewijzigd.
Sinds de opkomst van de industrialisatie werd in alle kapitalistische landen de positie van de kleine onafhankelijke producenten en handelaren steeds verder ondermijnd. Door de toenemende centralisatie en concentratie van het kapitaal werden grote delen van de kleine zelfstandigen, met name de ambachtslieden, van het economische toneel verwijderd en werd de speelruimte van de kleine handelaren ingeperkt.
In de eerste helft van de twintigste eeuw werd ook het aantal kleine handelaren zelf aanzienlijk gereduceerd door de opkomst en consolidatie van grote warenhuizen en supermarkten. Wat er was overgebleven van de kleine boeren volgde in het midden van de twintigste eeuw dezelfde route. Dit was het gevolg van de toenemende controle van banken, voedingsindustrie en voedseldistributeurs over de boerenbedrijven (die inmiddels sterk waren uitgebreid en veel kapitaalintensiever waren geworden) [LEI 1965; zie voor de 19e eeuw: Van Zanden 1985]. Grote delen van de kleine zelfstandigen zijn tegenwoordig sterk in het reproductieproces van het kapitaal geïntegreerd en onderhevig aan sterke sociale differentiatie- en polarisatieprocessen.
6.2.3 Terminologische kwesties
Welke term kan er nu voor dit agglomeraat van kleine zelfstandigen worden gebruikt? De uit het feodale standenstelsel overgeleverde term middenstand is tegenwoordig als sociaal-wetenschappelijk begrip volledig onbruikbaar omdat het kapitalisme geen standenmaatschappij is.
| Het gebruik van de term middenstand in de sociologische literatuur is voornamelijk een indicatie dat de betreffende auteur zich oriënteert op oude duidingsschemas en vasthoudt aan traditionele beelden van sociaal prestige. Deze oriëntatie op criteria en ideologieën van maatschappelijke figuraties uit het verleden correspondeert met een inmiddels bekend en al in de jaren vijftig uitvoerig gedocumenteerd verschijnsel: het feit dat mensen zichzelf tot de middenstand of middenlaag rekenen correspon-deert allang niet meer met de hoe dan ook getrokken traditionele afbakening van de middenstand. Het feit dat veel mensen zichzelf tot een of ander maatschappelijk midden rekenen, is relatief onafhankelijk van hun objectieve klassenpositie. De geschiedenis van de sociologische middenstands-literatuur laat zien dat de naar achteren gerichte oriëntatie op de sociale structuur zeker geen privilege is van de gedeclasseerde (klein)burgerij die vasthoudt aan standsmatige vooroordelen. Zie voor een kritische behandeling van het middenstandsbegrip in de sociologische literatuur: Riege [1976]. |
De term middenlagen of middengroepen is niet alleen veel te vaag, maar heeft bovendien het nadeel dat het klassenanalytische perspectief hierbij vaak helemaal wordt losgelaten [Wijmans 1987:46 e.v.] Een andere mogelijkheid is de niet-kapitalistische warenproducenten, de kleine handelaren en de kleine kapitaal-, huizen- en grondbezitters op een hoop te gooien en hen als kleinburgerij of traditionele kleinburgerij aan te duiden. Bij veel moderne klassenanalytici is het inmiddels gebruikelijk om geen onderscheid meer te maken tussen beide klassencategorieën. Zo rekent Poulantzas [1974:219] alle kleine warenproducenten (ambachtslieden en kleine boeren) en alle kleine handelaren tot de traditionele kleinburgerij.
Voor andere onderzoekers kleven er inmiddels zoveel problemen aan het gebruik van de term kleinburgerij dat zij helemaal van deze term willen afzien. Dit is bijvoorbeeld de strategie van Gerry/Birkbeck [1981], die hun analyse volledig concentreren op de positie van kleine warenproducenten. Sommige auteurs gaan hierin nog een stap verder. Zij stellen dat de productieverhoudingen van de kleine warenproductie in het kader van het kapitalisme niet (meer) als autonome klassenverhouding kan worden beschouwd, omdat deze in toenemende mate in het reproductiesysteem van het kapitaal is geïntegreerd en door de progressie van de accumulatie onderworpen is aan polarisatie en sociale differentiatie. De kleinburgerij zou zozeer aan sociale homogeniteit hebben ingeboet en haar mogelijkheden om historische initiatieven te nemen en als zelfstandige sociale factor op te treden zouden zo sterk zijn ingeperkt, dat het niet meer mogelijk is om van de kleinburgerij als klasse te spreken. Daarom zouden de groepen van de kleinburgerij beter als sociale middenlagen kunnen worden aangeduid.
Ik zal de term zelfstandige tussenklasse (of zelfstandige middenklasse) gebruiken als koepelbegrip voor de kleine warenproducenten en de kleinburgers. De reden om een onderscheid te maken tussen deze beide klassencategorieën zijn hierboven al genoemd. De tussenklassenpositie van de kleine warenproducenten en van de kleinburgerij hebben zeer veel met elkaar gemeen. Men zou op inhoudelijke of pragmatische gronden kunnen besluiten om kleinburgerij als koepelbegrip te hanteren. Daarmee wordt het probleem van de interne differentiatie van de kleine zelfstandigen echter alleen maar verschoven naar de behandeling de samenstelling van de kleinburgerij.
| * Strikt genomen vallen onder deze categorie slechts de zelfstandigen in de horeca voor zover zij waren produceren én diensten verlenen. Voor zover in de horeca slechts waren worden verkocht die niet zelf vervaardigd worden, valt de horeca onder de handel (categorie 5). Een groot deel van de horeca behoort echter tot de gemengde categorie 6. |
|
De overgang tussen categorie 3 en 4 is zeer vloeiend. Twee elementen zijn hierbij problematisch.
a. Professionaliseringsproces De eerste strategie concentreert zich volledig op het kwalificatieniveau van de zelfstandige (semi-)professionals. Het probleem daarbij is dat het moeilijk is om een inhoudelijk gemotiveerde grens tussen de kwalificatieniveaus te trekken. Deze grens kan uiteindelijk alleen met behulp van pragmatische criteria worden getrokken (het type opleiding, resp. het aantal onderwijsjaren). Daarom leidt deze strategie vaak tot tamelijk willekeurige indelingen. De tweede strategie concentreert zich op de vraag of en in welke mate er sprake is van een geslaagd professionaliseringsproces. Professionalisering is een specifieke strategie van sociale sluiting, die minimaal veronderstelt dat de betreffende beroepsgroep in staat is de toegang tot dit beroep te reguleren; door beperking van het aanbod zijn professionals in staat om monopolieprijzen te realiseren. Zij kunnen hun waren/diensten verkopen tegen prijzen die boven de waarde liggen, omdat zij een specifieke credentierente incasseren [zie hoofdstuk VII]. Het professionele karakter van de zelfstandigen in de vrije beroepen moet dus op specifieke wijze worden beargumenteerd.
b. Reputatieproces Categorie 4 omvat naast de profis in de vrije beroepen ook delen van de literaire, journalistieke en artistieke intelligentsia die een zodanige reputatie hebben weten te vestigen dat zij zichzelf als free-lancers op de markt kunnen brengen. Degenen die zich nog niet bewezen hebben zij beschikken over een te geringe indirecte bron van reputatie (i) figureren als een soort lompenzelfstandigen met uiterst geringe en onregelmatige inkomens; de miskende kunstenaar en de nog niet ontdekte schrijver staan hiervoor model; (ii) zij werken op los-vast basis in dienst van krantenconcerns, uitgevers, modellenbureaus, galeriehouders enz., of (iii) zij behoren tot de overgangscategorie naar de loonafhankelijke middenklasse of de niet-proletarische loonarbeiders. Alleen degenen die zich op wat voor manier dan ook boven de middelmaat hebben weten uit te worstelen en een naam hebben weten te verwerven, zijn in staat zich als free-lancer te vestigen en een reputatie-rente te incasseren. Het verwerven van een naam werkt in principe bij alle genoemde profis op dezelfde wijze: de schrijver zet zijn eigen naam op de kaft van het boek, de free-lance journalist ondertekent zijn artikelen persoonlijk of zet zijn naam prominent op de titelrol, de kunstenaar signeert zijn kunstproduct of zorgt ervoor dat zijn/haar naam duidelijk wordt geafficheerd, de mannequin of filmster krijgt per definitie haar/zijn gezicht of lichaam op papier of celluloid, en allemaal proberen zij in een van die reputatiemakende praat- of amusementsprogrammas op de televisie te komen (van Paul & Witteman, via De Wereld Draait Door tot aan Ik hou van Holland). Voor al deze categorieën is een dergelijk persoonlijk onderschrift van vitaal belang voor de bestendiging of uitbreiding van hun onafhankelijke status. |
De zelfstandigen in de detailhandel, de kleine kooplieden en handelaren zijn slechts in naam kapitalistisch en behoren niet tot de kapitalistenklasse. Zij beschikken over een relatief gering geld- en bedrijfseigendom dat als arbeidsvoorwaarde fungeert voor hun circulatiearbeid. Op basis van deze eigendom kunnen zij zich de reproductiekosten van hun arbeidskracht en eventueel een handelswinst uit de maatschappelijke meerwaarde toeëigenen. Voor deze categorieën gelden dus dezelfde kenmerken als voor de kleine warenproducenten. Het cruciale verschil is dat het vermogen van de kleine koopman meestal als geldvermogen bestaat. Toch is deze detailhandel slechts nominaal kapitalistisch, omdat de kleine handelaar zich zijn aandeel in de maatschappelijke meerwaarde immers met behulp van eigen en niet met vreemde arbeid toeëigent en zijn winst is dus niet werkelijk winst.
Dit is dus een gemengde categorie van niet-kapitalistische warenproducenten die tevens zelfstandige kleine handelaren zijn met een eigen handelskapitaal. Zij leven van het producentenloon en van delen van de commerciële winst die zij zich kunnen toeëigenen. Wanneer hun zelfstandige bestaan als warenproducenten wordt vernietigd, kunnen zij nog als kleine handelaren overleven omdat zij van de commerciële winst leven; zij moeten deze winst echter zelf als commerciële loonarbeiders van hun eigen handelskapitaal door eigen arbeid (en zelfuitbuiting) in de handel verwerven.
| Aan deze subcategorie van de kleinburgers wordt door sommige auteurs nog de groep van kleine renteniers toegevoegd, die rente ontvangen op grond van gespaard vermogen of verzekeringsaanspraken die uit arbeidsinkomen zijn ontstaan [Marbach 1942:360; Riege 1976:46]. Deze arbeidsrenteniers onderscheiden zich van de gewone loonarbeiders door hun bezit van eigendomstitels of verzekeringsaanspraken en van de zuivere kapitalisten, doordat hun rente resulteert uit eerder verrichtte arbeid, en dus niet zoals bij de kapitalist een van de eigen arbeid volledig losgemaakt inkomen (arbeidsloos inkomen). |
| In kleine bedrijven is de ondernemer vaak zijn eigen loonarbeider. Dit is een typische eigenschap van een maatschappij waarin een kapitalistische arbeidswijze domineert, maar waaraan niet alle arbeidsverhoudingen zijn onderworpen. De onafhankelijke boer of ambachtsman wordt in twee personen opgesplitst. Als bezitter van de productiemiddelen is hij kapitalist, als arbeiders is hij zijn eigen loonarbeider. Hij betaalt zichzelf dus zijn loon als kapitalist en haalt zijn winst uit zijn kapitaal, d.w.z. hij exploiteert zichzelf als loonarbeider en betaalt zichzelf in de meerwaarde de schatting die de arbeid aan het kapitaal verschuldigd is. Misschien betaalt hij zichzelf nog een derde keer als grondbezitter (rente) ... [Marx MEW 26.1:383; vert. :55]. |
6·4·1 Overgang naar loonarbeid
De overgang van kleine zelfstandigen naar de arbeidersklasse of naar de loonafhankelijke middenklasse stuit op een aantal barrières en kan zeer uiteenlopende vormen aannemen. In perioden van economische expansie voltrekt de overgang naar de arbeidersklasse of naar loonafhankelijke middenklassen zich relatief soepel, omdat de inkomens van deze bestemmingsklassen gemiddeld hoger zijn dan die van de zelfstandige tussenklassen. Deze overgang is aanzienlijk moeilijker in landen met een zwakke expansie en met relatief laag ontwikkelde kapitaalverhoudingen, zoals in de meerderheid van de ontwikkelingslanden waar de zelfstandige tussenklassen een aanzienlijk deel uitmaken van de stedelijke bevolking [Jung 1973:15; Gerry/Birkbeck 1981; Worsley 1984]. Zolang de overgang naar een loonafhankelijke existentie geblokkeerd is, zullen kleine zelfstandigen proberen het hoofd boven water te houden door een extensief gebruik van hun eigen arbeidskracht en die van hun gezinsleden.
De overgang van zelfstandige warenproductie naar loonafhankelijke arbeid voltrekt zich niet altijd in een min of meer dramatische beweging, maar kent verschillende tussenstadia. Er zijn verschillende overgangsvormen naar de loonarbeid, waarin vormen van kleinproductie en handel indirect aan het kapitaal worden onderworpen en de zelfstandigen op specifieke grove of geraffineerde wijze worden geëxploiteerd [→ Marx in § 6·4·3].
Het klassieke voorbeeld hiervan is het louter nominale grondeigendom bij kleine boeren wier eigen grondstuk zo zwaar met hypotheek is belast dat dit in werkelijkheid eerder als bankeigendom beschouwd moet worden. De kleine boeren die hun bedrijfje in stand hebben weten te houden, zijn steeds nauwer in de kapitalistische instituties geïntegreerd. Belangrijke beslissingen over productie en uitbreiding moeten in toenemende mate worden goedgekeurd door banken en voedselverwerkende industrieën en veel boeren worden stapsgewijs gereduceerd tot een soort concessiehouders.
a. Franchisering
Een groot aantal kleine zelfstandigen verkeren feitelijk in een afhankelijke positie omdat zij te maken hebben met contractuele verplichtingen die in hun arbeidsvoorwaarden ingrijpen en omdat de door hen gebruikte arbeidsmiddelen slechts ten dele hun eigendom zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor pachters van benzinestations en concessiehouders (franchise) in de dienstverlening, detailhandel en horeca. Deze concessiehouders zijn aan een bijzondere uitbuitingsverhouding onderworpen.
De kern van deze uitbuitingsverhouding van de zelfstandige middenklassen (en ook van de kleine of niet-monopolistische bourgeoisie) is dat de concessiehouder zijn eigen kapitaal inzet en dit voor eigen rekening en met eigen risico rendabel moet zien te maken Tegelijkertijd moet de concessiehouder tegen pittige retributies (entreefee, franchisefee, marketing- en reclamefee etc.) en andere vormen van afpersing van het meerproduct wezenlijke ondernemingsfuncties afstaan aan de concessiegever, namelijk zijn commerciële vrijheid van handelen.
Concessiehouders moeten zich meestal houden aan strikte regels die door hun moederonderneming (de concessiegever) worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het bedrijf gerund moet worden, hoe het product er uit moet zien, de architectuur van de gebouwen, de prijsstelling enzovoort. Concessiehouders zijn pseudo-zelfstandigen die men het beste kan vergelijken met loonafhankelijke filiaalhouders.
| De voordelen van het consessiestelsel vanuit het perspectief van de consessie-gevers worden toegelicht door de belangen-organisatie van franchisegevers: de Nederlandse Franchise Vereniging (NFV), de European Franchise Federation (EFF) en de World Franchise Council (WFC). |
De concessienemer profiteert van de bij de concessiegever opgeslagen know how (en ingang bij de banken) en maakt deze voor zichzelf binnen de door de concessiegever bepaalde winstmarge rendabel. De concessiegever profiteert van zijn lage investeringskosten en risicospreiding en maakt zijn hard werkende consessienemer rendabel.
|
Dergelijke systemen zijn in diverse varianten sterk verspreid in de handel en horeca, maar er zijn ook tal van consessiehouders van oliemaatschappijen en computerfirmas. In 1980 waren in de Verenigde Staten 25 procent van de detailhandelaren concessiehouders: bijna 90 procent van de benzinestations (sindsdien is dit weer wat afgenomen), 25 procent van alle restaurants en 10 procent van de kruideniers. De toename van het aantal concessiehouders voltrekt zich in de V.S. het snelst bij de restauranthouders en kruideniers [Szymanski 1983:179]. |
In het geven en nemen van concessies schuilt een geraffineerde exploitatieverhouding. De concessievorm lijkt het model te worden voor bijna de gehele sector van de kleine warenproducenten en handelaren (behalve bij de dienstverlenende categorieën). Een ander voorbeeld is de formeel zelfstandige arbeid van de freelance journalisten, schrijvers, vertalers en kunstenaars, wier productprijs in de vorm van een honorarium wordt betaald en waarvan de inkomens vaak onder het gemiddelde loonniveau liggen.
b. Lompenkapitalisten
Met franchise verwante overgangsvormen naar loonarbeid zijn vooral kenmerkend voor de positie van arme kleine zelfstandigen in Derde Wereldlanden, zoals de vuilnisophalers en verkopers van loterijtickets in Colombia.
De zelfstandige vuilophalers in Columbia opereren zonder mondeling of schriftelijk contract met vuilverwerkende industrieën. Hun inkomen is in zeer hoge mate afhankelijk van de prijzen van gerecyclede ruwe materialen. Volgens Garry & Birkbeck [1981 - The petty commodity producer in Third World Cities] representeren deze prijzen niets anders dan de prijs van de arbeidskracht van de vuilnisophaler op een gegeven tijdstip (zoals de relatieve grondrente door de landheer wordt berekend op basis van de vruchtbaarheid van het land van de pachtboer). De meerarbeid die door de vuilnisophalers wordt gegenereerd, wordt in eerste instantie toegeëigend door de diverse intermediairs die in afvalmateriaal handelen, en met name door de grote bedrijven die uiteindelijk het voor hergebruik geschikte materiaal verwerken. The garbage picker is thus little more than an industrial outworker [Gerry/Birkbeck [1981:139].
Het merendeel van deze schijnbaar zelfstandige producenten zijn in werkelijkheid niet veel meer dan disguised wage workers [idem:141]. Vanwege de lage inkomenspositie, de afhankelijkheid van het kapitaal en het gebrek aan expansiemogelijkheden van grote categorieën van kleine zelfstandigen kunnen zij tot de categorie van de lompenkapitalisten worden gerekend [idem:135].
Zie voor een vergelijkbare analyse van de informle economie van depent exploitation bij de vuilnishandel in New York: Waldinger [1986 - Through the Eye of the Needle].
c. Vloeiende overgangen
Al deze overgangsvormen hebben met elkaar gemeen dat de nominale of formele kant van de verhouding onveranderd blijft. Het blijven immers formeel zelfstandige warenproducenten en handelaren, ook al zijn zij in via hypotheken en kredieten contractueel vastgelegde productie- en leveringsvoorwaarden economisch de facto onteigend en verkeren zij in een afhankelijke positie. Het ruïneringsproces van de kleine zelfstandigen wordt hierdoor formeel afgeremd.
In werkelijkheid bestaan er zeer vloeiende overgangen tussen loonarbeiders en kleine zelfstandigen die hun hele arbeid betaald krijgen en tevens de tegenwaarde van de verbruikte arbeidsmiddelen. Het ene extreem is de betaling van de loutere arbeidskracht, het andere de betaling van een geldsom die correspondeert met de totale hoeveelheid verrichte arbeid. Er zijn diverse gradaties mogelijk tussen deze beide extremen.
Daarom is het vaak niet eenvoudig vast te stellen of de zelfstandige warenproducent of dienstverlener volledige beschikkingsmacht heeft over de arbeidsvoorwaarden (en dus feitelijk een bedrijf heeft) of dat deze slechts over zijn ambachtelijke werktuigen beschikt. Hoe lager de kleine dienstverlenende ondernemer in deze rangorde staat, des te meer benadert zijn economische status die van de dienstverlenende loonarbeider. Hoe lager de kleine warenproducent staat des te meer wordt deze ook feitelijk loonarbeider, alleen met dit verschil dat zijn arbeid zich in een materiële gebruikswaarde objectiveert. De positie van de zelfstandige ambachtsman die een kast maakt die als waar kan circuleren, lijkt steeds meer op die van de loonarbeider die zijn arbeidskracht aan een kapitalist verhuurt in wiens onderneming hij de kast produceert.
Achter de nominale zelfstandigheid van kleine warenproducenten en handelaren gaan dus vaak overgangsvormen naar directe afhankelijkheid van kapitalistische productie verborgen. De teloorgang van deze overgangsvormen is vooral afhankelijk van de mate waarin de betreffende arbeid reëel aan het kapitaal kan worden onderworpen. Daarbij is vooral het verschil tussen dienstverlening en warenproductie van belang, omdat een deel van de dienstverlening slechts onder bepaalde voorwaarden kapitalistisch bedreven kan worden. In de dienstensector kunnen kleine zelfstandigen zich beter handhaven, omdat hier de reële onderschikking van het arbeidsproces aan het kapitaal op grotere maar zeker niet onoverkomelijke moeilijkheden stuit; de productie van materiële gebruikswaarden, die als zelfstandige waren kunnen circuleren, wordt bijna uitsluitend het domein van de kapitalistische productie [Behrens 1948:64; PKA 1973:273; Worsley 1984:212 e.v.].
6·4·2 Overgang naar kleinkapitaal
De arbeidsverhoudingen van de kleine warenproducenten en dienstverleners kunnen zich in kapitaalverhoudingen transformeren. De cruciale voorwaarde voor deze omslag in een kapitaalverhouding is dat de kleine zelfstandige ondernemer kan worden vrijgesteld van de eigenlijke arbeid. In het algemeen kan men zeggen dat dit een bepaalde omvang van het kapitaal veronderstelt. Het aantal uitgebuite arbeidskrachten (en dus de massa van de geproduceerde meerwaarde) moet immers voldoende zijn om de zelfstandige ondernemer zelf van de arbeid te bevrijden. Wanneer dat het geval is, fungeert zijn geïnvesteerde geld als kapitaal en verandert de kleine zelfstandige in een kapitalist.
Bij de analyse van deze overgang van een niet-kapitalistische naar een kapitalistische arbeidswijze moet met een aantal complicaties rekening worden gehouden.
a. Kapitaalminium is variabel
Het vereiste kapitaalminimum is geen vaststaand, maar een variabel gegeven. Het minimumkapitaal dat nodig is om de omslag te bewerkstellingen is afhankelijk van de ontwikkelingsfase van de kapitalistische arbeidswijze, maar ook van de specifieke materiële voorwaarden van het arbeidsproces in een bepaalde sector [Marx, MEW 23:327; vert. 224; vgl. MEW 23:349].
b. Meerwaarde als exclusieve bron van inkomen
Bij de empirische analyse van de omslag in de kapitaalverhouding moet rekening worden gehouden met de specifieke voorwaarden waaronder een kleine zelfstandige van de directe arbeid wordt bevrijd en zich helemaal kan wijden aan het verrichten van controlerende en kapitaalfuncties.
De overgang naar de kapitalistenklasse vindt plaats wanneer de uitbuiting direct of indirect de uitsluitende bron van inkomen wordt van de zelfstandige ondernemer. Dit wordt geïndiceerd door het feit dat de deelname van de ondernemer aan het arbeidsproces niet meer noodzakelijk is en voor de representant van het kapitaal niet meer mogelijk. De specifieke functies van de kapitalistische meerwaardevorming worden de exclusieve activiteit van de kleine ondernemer.
Dit sluit natuurlijk niet uit dat een ondernemer ook nog meewerkt en slechts een deel van zijn toezichthoudende en kapitaalfuncties aan anderen delegeert. De sociaaleconomische scheidslijn verdwijnt hierdoor echter niet: de gerealiseerde winst wordt een bron van accumulatie en van ondernemersinkomen. Door de overgang naar de bourgeoisie wordt de voor de zelfstandige tussenklassen kenmerkende gespletenheid zowel eigenaar als arbeider te zijn opgeheven, en wel naar de tegenovergestelde kant als bij de overgang naar de arbeidersklasse.
c. Mobiliteitsbarrières: sociale, financiële en marktfactoren
Voor de overgang van niet-kapitalistische warenproducenten en kleine handelaren naar de bourgeoisie is niet alleen het economische criterium van het benodigde kapitaalminimum van belang. Er zijn nog andere mobiliteitsbarrières die deze overgang blokkeren.
De groei van het kleinkapitaal wordt door een aantal sociale, financiële en marktfactoren gelimiteerd.
De sociale polarisatie van de zelfstandige tussenklasse leidt dus zowel tot mobiliteit naar boven als naar beneden. De specifieke omvang, intensiteit en gewichtsverhouding van deze mobiliteitsprocessen wordt bepaald door diverse sociaal-economische en politiek-culturele factoren. Het sociale polarisatieproces heeft weliswaar tot gevolg dat de omvang en maatschappelijke betekenis van de zelfstandige tussenklassen afneemt, maar dit is zeker geen rechtlijnig proces.
6·4·3 Verdwijnende zelfstandige middenklassen?
In alle kapitalistische landen is het economische en numerieke gewicht van de categorie van de kleine zelfstandigen als geheel (kleine boeren, handelaren en ambachtslieden, zelfstandige professionals) sinds het midden van de negentiende eeuw aanzienlijk afgenomen. Deze daling is echter niet zo sterk als vaak wordt aangenomen door diegenen die kleine warenproductie beschouwen als een anachronisme dat door de opkomst van grote kapitalistische concerns en het financierskapitaal zal worden weggevaagd.
a. Marx en Engels over de middenklassen
In de marxistische traditie wordt de kleinburgerij meestal opgevat als de erfgenaam van een pre-kapitalistische productievorm die binnen het kapitalisme slechts een wegkwijnend bestaan kon leidden; op de lange duur zou dit leiden tot een ontbinding van de kleinburgerij in bourgeoisie en arbeidersklasse. Daarbij wordt meestal verwezen naar een paar bekende passages uit het Communistisch Manifest.
Voor Marx en Engels was de meest doorslaggevende ontwikkelingstendens van de burgerlijke maatschappij de polarisatie van de sociale structuur in twee tegenover elkaar staande klassen door de ontbinding van alle productievormen en sociale groeperingen die tussen deze beide extremen staan.
De middenstanden, de kleine industrieel, de kleine koopman, de handwerksman, de boer, zij allen strijden tegen de bourgeoisie om hun bestaan als middenstand voor de ondergang te behoeden [Manifest:53].
Toch wordt ook al in het Communistisch Manifest aandacht besteed aan de mechanismen waardoor de zelfstandige middenklassen zich in een dominant kapitalistisch milieu reproduceren.
Daaraan wordt echter direct toegevoegd dat de leden van deze nieuw gevormde kleine burgerij door de concurrentie telkens weer in het proletariaat worden geslingerd en door de ontwikkeling van de grootindustrie een tijdstip zien naderen, waarop zij als zelfstandig deel van de moderne maatschappij geheel en al verdwijnen en in de handel, in de manufactuur, in de landbouw door opzichters en bedienden worden vervangen [idem].
In latere teksten geeft Marx een evenwichtiger analyse van de grondslagen van het ontstaan en de reproductie van de zelfstandige tussenklassen.
|
Deze [kapitalistische] productiewijze verhoogt de
productiviteit van de arbeid en brengt massaproductie, massale bevolking en een massale surplusbevolking met zich mee. Juist hierdoor worden met vrijgemaakt kapitaal en arbeid permanent nieuwe bedrijfstakken voortgebracht, waarin het kapitaal weer kleinschalig kan werken. Het kapitaal doorloopt weer de verschillende ontwikkelingen, tot ook deze nieuwe bedrijfstakken op maatschappelijk niveau worden georganiseerd. Dit is een permanent proces.
Tegelijkertijd is de kapitalistische productie geneigd om alle door haar tot nu toe nog niet bemachtigde bedrijfstakken, waar alleen nog formele onderschikking bestaat, te veroveren. Zodra zij zich meester heeft gemaakt van de landbouw, mijnindustrie, manufactuur van de belangrijkste kledingsstoffen enz, slaat zij toe in de andere sferen waar [de arbeid] alleen nog formeel [aan het kapitaal is onderworpen] of ook nog zelfstandig ambachtslieden bestaan [Marx, Resultate:61 e.v.]. |
Eben die Produktivität der Arbeit, Masse der Produktion, Masse der Bevölkerung, Masse der Surplusbevölkerung, die diese Produktionsweise entwickelt, ruft mit freigesetzten Kapital und Arbeit beständig neue Geschäftszweige hervor, in denen das Kapital wieder auf kleiner Stufenleiter arbeiten kann und wieder die verschiedenen Entwicklungen durchlaufen, bis auch diese neuen Geschäftszweige auf gesellschaftlicher Stufenleiter betrieben werden. Dieser Prozess beständig. Gleichzeitig die kapitalistische Produktion tendierend sich alle ihrer bisher noch nicht bemächtigten Industriezweige, wo nur noch formelle Subsumtion, zu erobern. Sobald sie sich der Agrikultur, Minenindustrie, Manufaktur der Hauptkleidungsstoffe usw. bemächtigt hat, ergreift sie die andren Sphären, wo nur noch formell oder auch noch selbständige Handwerker [Marx, Resultate:61 e.v.]. |
In Theorien über den Mehrwert formuleert Marx een zeer gedecideerde opvatting over de groei van de middenklassen. In zijn polemiek met Thomas Malthus merkt hij op dat er in de burgerlijke maatschappij een algemene trend bestaat dat de massa van de middenklassen toeneemt en de arbeidersklasse een verhoudingsgewijs steeds kleiner deel van de totale populatie vormt [MEW 26·3:57]. Marx heeft hier echter niet de zelfstandige, maar de loonafhankelijke middenklasse op het oog. Dit geldt ook voor de passage waarin hij David Ricardo verwijt dat deze geen rekening houdt met
| de permanente toename van middenklassen die tussen arbeiders aan de ene kant, kapitalist en landbezitter aan de andere kant, in het midden staan. In steeds grotere omvang worden deze midden-klassen grotendeels direct gevoed uit de [primaire] revenu. Zij drukken als een last op de werkende onderlagen en vergroten de sociale zekerheid en macht van de upper ten thousand [MEW 26·3:576]. | die beständige Vermehrung der zwischen work-men auf der einen Seite, Kapitalist und landlord auf der andren Seite, in der Mitte stehenden und sich in stets gröβerem Umfang, gröβenteils von der Revenu direkt fed Mittelklassen, die als eine Last auf der working Unterlage lasten und die soziale Sicherheit und Macht der upper ten thousand vermehren [MEW 26·3:576]. |
In een maatschappijvorm waarin de kapitalistische productiewijze overheerst, was dit al volgens Marx de typische tendens:
In zijn analyse van de ontstaansvoorwaarden van de kapitalistische maatschappijformatie behandelt Marx een aantal overgangsvormen die in zijn visie de verdere ontplooiing van deze productiewijze blokkeren. De overgang uit de feodale productiewijze voltrekt zich op twee manieren. (a) De producenten worden kooplieden en kapitalisten, in tegenstelling tot de agrarische productie en tot het nog in gilden ingesnoerde ambacht van de middeleeuwse stedelijke nijverheid. (b) De kooplieden maken zich direct meester van de productie of zij laten de ambachtelijke, en met name de kleine agrarische industrie voor zich werken.
Een voorbeeld hiervan is de Engelse lakenhandelaar die zelfstandig werkende wevers onder zijn controle brengt: de lakenhandelaar verkoopt de wevers katoen en koopt hun lakens. De traditionele werkwijze van de wever wordt hierdoor echter niet gerevolutioneerd, maar veeleer geconserveerd. Tot in het midden van de 19e eeuw waren bijvoorbeeld de fabrikant in de Franse zijde-industrie en in de Engelse kousen- en kantindustrie slechts nominaal fabrikant. Dit is typerend voor de hele fase van het handelskapitalisme, waarin de figuur van de koopman-ondernemer domineert. Hij combineert commerciële activiteit met ingrijpen in het productieproces en daarmee in de arbeidsverhoudingen, maar de commerciële activiteiten wegen (nog) het zwaarst [Van Zanden 1991:16; vgl. Bridges 1986:171 e.v.]. In werkelijkheid waren deze fabrikanten louter kooplieden die de wevers in hun sterk versplinterde productiewijze lieten doorwerken en alleen de heerschappij van de koopman uitoefenden.
In andere sectoren van de ambachtelijke productie bestonden vergelijkbare verhoudingen. De ambachtelijke meubelproductie in Londen was opgesplitst in een groot aantal van elkaar onafhankelijke bedrijfjes. Het ene bedrijfje maakt alleen stoelen, de ander alleen tafels, de derde alleen kasten enz. Deze bedrijfjes zelf werden min of meer ambachtelijk georganiseerd door klein baasjes (meesters) met een klein aantal knechten (gezellen). De hele productie was echter te grootschalig om direct voor particuliere consumenten te werken. Hun kopers zijn de eigenaars van meubelmagazijnen. Aan het einde van de week gingen de meesters naar hen toe en om hun producten te verkopen en over de prijs te sjacheren. Deze wekelijkse verkoop was noodzakelijk alleen al om voor de volgende week weer grondstoffen te kunnen kopen en arbeidsloon te kunnen uitbetalen. De kleine warenproducent was in deze situatie eigenlijk slechts tussenpersoon tussen de koopman en zijn eigen arbeiders. De koopman is de eigenlijke kapitalist en steekt het grootste deel van de meerwaarde in zijn zak.
| De koopman maakt de kleine meester tot zijn tussenpersoon of koopt ook direct van zelfstandige producenten; hij laat hen nominaal zelfstandig en laat zijn productiewijze ongewijzigd [Marx, MEW 25:248]. | Der Kaufmann macht die kleinen Meister zu seinen Zwischenschiebern (middlemen) oder kauft auch direkt vom Selbtsproduzenten; er läβt ihn nominell selbständig und läβt seine Produktionsweise unverändert [Marx, MEW 25:248]. |
Hetzelfde gebeurt ook bij de overgang naar de manufactuur uit bedrijfstakken die vroeger ambachtelijk of als neventakken van de agrarische industrie werden bedreven. Al naar gelang de technische ontwikkeling van dit zelfstandige kleinbedrijf waar zelfs al machines werden gebruikt die pasten in een ambachtelijke bedrijfsvoering vindt er ook een overgang plaats naar grote industrie.
Al deze overgangsvormen stonden volgens Marx overal de werkelijke kapitalistische productiewijze in de weg. Zonder de productiewijze te transformeren, leiden deze tussenvormen alleen maar tot een verslechtering van de positie van de directe producenten: zij worden in loutere loonarbeiders en proletariërs veranderd, die onder slechtere voorwaarden opereren dan de direct van het kapitaal afhankelijke loonarbeiders, en hun meerarbeid wordt toegeëigend op basis van de oude productiewijze. Daarom verwachtte hij ten onrechte dat deze overgangsvormen zouden verdwijnen wanneer de kapitalistische productiewijze zich verder ontwikkelt en dat hierdoor op dit punt steeds duidelijker (eenvoudiger) verhoudingen zullen ontstaan. Dit is in zoverre juist dat de numerieke omvang en de economische betekenis van de klasse van de kleine zelfstandigen historisch gezien inderdaad sterk is afgenomen.
Daar staat zoals ook Marx wist tegenover dat de kleinburgerlijke of zelfstandige tussenklassen zich telkens weer opnieuw vormen omdat er aan de marge van de kapitalistische productie steeds weer nieuwe mogelijkheden voor kleine bedrijven ontstaan en er door de ontplooiing van de individuele behoeften nieuwe bedrijfstakken levensvatbaar worden. Daarom kan men niet zeggen dat er overal duidelijke of duidelijk gepolariseerde maatschappelijke arbeidsverhoudingen ontstaan. Integendeel, oude overgangsvormen tussen kleine warenproductie en kapitalistische productie worden telkens weer gerevitaliseerd en gemodificeerd en er worden keer op keer nieuwe en vaak ook meer complexe en moeilijk te traceren overgangsvormen gecreëerd. Dit impliceert tevens dat de uitbuitingsvormen die in het geding zijn zeker niet eenvoudiger, laat staan transparanter geworden zijn.
b. Karl Kautsky (1854-1938)
In de marxistische traditie werd lange tijd nauwelijks aandacht besteed aan de empirische dynamiek waardoor de kleine warenproducenten en de kleinburgerij zich in hoogontwikkelde kapitalistische maatschappijformaties reproduceren.
Dit geldt bijvoorbeeld voor Karl Kautsky, die na de dood van zijn vriend Friedrich Engels een van de belangrijkste en invloedrijkste theoretici van het socialisme werd.
| Volgens de theorie van Marx leidt de economische ontwikkeling in de moderne maatschappij tot de ondergang van de zelfstandige arbeider en tot zijn verandering in een loonarbeider, die door de bezitter van de produktiemiddelen, de kapitalist wordt uitgebuit [Kautsky 1899b:49]. | Nach der Marxschen Lehre führt die ökonomische Entwicklung in der modernen Gesellschaft zum Untergang des selbstwirtschaftenden Arbeiters und zu seiner Verwandlung in einen Lohnarbeiter, der von dem Besitzer der Produktionsmittel, dem Kapitalisten ausgebeutet wird [Kautsky 1899b:49]. |
Het algemene resultaat van deze ontwikkeling ligt voor Kautsky bij voorbaat vast: uiteindelijk zullen we aan de ene kant kapitalisten vinden en aan de andere kant de loonarbeiders die niets anders bezitten dan hun arbeidskracht [idem:31]. Toch moet ook Kautsky toegeven dat de geschetste algemene ontwikkeling van een volledige opzuiging van alle zelfstandige existenties in een van de beide hoofdklassen zeker niet eenduidig is.
Om het verschil tussen de voorspelde algemene ontwikkelingsrichting en de feitelijk ontwikkeling van de traditionele middenklassen te verklaren, benadrukt Kautsky dat de concentratie van kapitaal zich niet in alle bedrijfstakken in gelijke mate voltrekt. Het kapitaal slingert niet in een keer alle kleine zelfstandigen in de arbeidersklasse, maar grijpt het ene gebied na het andere. Kleinburgers die uit het ene gebied worden verdreven, proberen zich op een nieuw gebied te vestigen, worden bijvoorbeeld verkopers van waren die zij eerst zelf produceerden of verplaatsen hun activiteiten naar de tussenhandel.
| Het gebied van het kleinbedrijf vernauwt zich op deze wijze steeds meer, zonder dat het aantal kleinbedrijven als geheel hoeft af te nemen [Kautsky 1899b:60]. | Das Gebiet des Kleinbetriebs verengt sich auf diese Weise immer mehr, ohne daβ die Zahl der Kleinbetriebe im Ganzen abzunehmen braucht [Kautsky 1899b:60]. |
Bovendien wordt het karakter van deze kleine bedrijven volledig omgewenteld. De nieuwe kleine eigenaren worden vooral gerekruteerd uit arbeidskrachten die in de loop van de industrialisatie werden vrijgesteld en een bestaansbasis gaan zoeken in het eigen kleinbedrijf. Zij onderscheiden zich sterk van de feodale ambachtelijke en boerenbedrijven, die op reëel eigendom van de productiemiddelen waren gebaseerd en in vergaande mate autonoom waren. De nieuwe kleinburgers verwerven hun productiemiddelen op krediet en zijn daarom bij voorbaat afhankelijk van het kapitaal: in plaats dat zij in de eigen productiemiddelen een zekerder bestaansgrondslag hebben dan de arbeidersklasse, balanceren deze nieuwe kleine eigenaren permanent op de rand van het bestaansminimum en worden zij permanent bedreigd door een vrije val naar de arbeidersklasse. De nieuwe generatie van kleine bezitters is voor Kautsky slechts een reservoir aan arbeidskrachten voor de grote industrie. Hij beschouwt de zelfstandigheid van deze soort producenten als louter formeel:
| Wat zich tegenwoordig daar waar het kapitaal heerst nog aan kleinbedrijf ontwikkelt en onder bepaalde omstandigheden zelfs nieuw ontstaat, is niets anders dan een verborgen vorm van proletariaat en zeker niet een van zijn hoogste vormen. Het wordt de laatste toevlucht voor alle ongelukkige bezitslozen die in de grote industrie geen onderkomen vinden en die te trots zijn om te bedelen [Kautsky 1907:30]. | Was sich heute dort, wo das Kapital herrscht, an Kleinbetrieb noch entwickelt, unter Umständen sogar neu entwickelt, ist nichts als eine versteckte Form von Proletariat und keineswegs eine seiner höchsten Formen. Es wird die letzte Zuflucht jeder unglücklichen Besitzlosen, die in der Groβindustrie kein Unterkommen finden und die zu stolz sind, zu betteln [Kautsky 1907:30]. |
Uiteindelijk rekent hij deze nieuwe categorieën kleine zelfstandigen tot de arbeidersklasse omdat alle verschillen louter tijdelijk en formeel zijn.
Kautskys analyse van het niet-kapitalistische kleinbedrijf is eenzijdig omdat hij dit uitsluitend opvat als laatste vluchthaven voor de verdringing door het grote kapitaal. Hij verwaarloost de andere kant, namelijk dat de accumulatie van het kapitaal niet alleen gepaard gaat met een vernietiging van kleine bedrijven, maar dat er door een steeds verder ontwikkeld productiestelsel en door de ontwikkeling van nieuwe behoeften ook permanent nieuwe arbeidssoorten worden gegenereerd die in eerste instantie kleinschalig worden georganiseerd. Kautsky had dus alleen maar oog voor de inperking van het gebied van het kleinbedrijf, niet voor de gelijktijdige uitbreiding ervan.
c. Eduard Bernstein (1850-1932)
De feitelijke overlevingskracht van het kleinbedrijf was voor Eduard Bernstein aanleiding om te ontkennen dat Duitsland de weg van alle kapitalistische naties moest gaan, zoals deze in het Communistisch Manifest werd geschetst.
| Het aantal bezitters is niet kleiner, maar groter geworden. De enorme vermeerdering van de maatschappelijke rijkdom gaat niet gepaard met een samenkrimpend aantal kapitaalmagnaten, maar met een toenemend aantal kapitalisten in allerlei gradaties. De middenlagen veranderen van karakter, maar zij verdwijnen niet uit de maatschappelijke ladder [Bernstein 1899:9] | Die Zahl der Besitzenden ist nicht kleiner, sondern gröβer geworden. Die enorme Vermehrung des gesellschaftlichen Reichtums wird nicht von einer zusammenschrumpfenden Zahl von Kapitalmagnaten, sondern von einer wachsenden Zahl von Kapitalisten aller Grade begleitet. Die Mittelschichten ändern ihren Charakter, aber sie verschwinden nicht aus der gesellschaftlichen Stufenleiter [Bernstein 1899:9]. |
Bernstein nam als initiator van het zgn. revisionisme-debat de stelling in dat de door Marx geanticipeerde polarisatie van de klassen zich niet had voorgedaan en dat de concentratie en centralisatie van het kapitaal in grote ondernemingen gepaard ging door een ontwikkeling van nieuwe kleine en middelgrote ondernemingen, dat particulier eigendom met de opkomst van de naamloze vennootschappen steeds meer verspreid was, de algemene levensstandaard was toegenomen, de middenklasse getalsmatig eerder toe- dan afnam, en dat de structuur van de kapitalistische maatschappij niet eenvoudiger was geworden maar juist meer complex en gedifferentieerd.
Of er daadwerkelijk sprake is van afkalving dan wel groei van de zelfstandige middenklasse wordt in de volgende paragraaf nader onder de loep genomen.
6.5.1 Ontstaan van nieuwe kleine zelfstandigen
De accumulatie van het kapitaal gaat niet alleen gepaard met de vernietiging van kleine bedrijven (concentratie- en centralisatietendens). Juist omdat het kapitalistische productiestelsel zich verder ontwikkelt, ontstaan er steeds weer nieuwe of meer gedifferentieerde maatschappelijke behoeften en dus vraag naar nieuwe of betere producten en met name diensten. Hierdoor worden er telkens weer nieuwe arbeidssoorten in het leven geroepen die in eerste instantie op kleine schaal worden georganiseerd, totdat er renderende mogelijkheden ontstaan voor een meer grootschalige kapitalistische productie, en de concentratie en centralisatie van kapitalistische ondernemingen zich doorzet. De algemene tendens van concentratie en centralisatie van het kapitaal betekent niet dat in elke fase van de kapitalistische ontwikkeling het aantal kleine bedrijven drastisch afneemt (ook al neemt het aandeel van de kleine zelfstandigen in de totale beroepsbevolking af). De expansie van de kapitaalverhoudingen voltrekt zich niet als een rechtlijnig proces: het impliceert niet alleen het bestaan, maar ook de vestiging van nieuwe niet-kapitalistische productievormen en arbeidsorganisaties.
Het proces van concentratie en centralisatie van het kapitaal is slechts de overheersende tendens binnen burgerlijke maatschappijformaties. De ontwikkeling van het kapitalisme stimuleert het proces van vorming van grote kapitalen en de penetratie van het kapitaal in de meest uiteenlopende sferen van maatschappelijke arbeid. Er ontstaan echter telkens ook nieuwe productie- en circulatiegebieden waar het (grote) kapitaal nog niet of slechts partieel is binnengedrongen en die daarom het natuurlijke milieu vormen van kleine zelfstandigen en potentiële kapitalistjes.
We zien dit tegenwoordig met name gebeuren in de reparatie-, toeleverings- en dienstensector. De dienstverlenende categorie van kleine zelfstandigen is de laatste jaren het snelst gegroeid in de sector van het amusement, de autoreparatie en vooral in de business services (advertentiewezen, management- en organisatie-adviesbureaus en dergelijke). Het zijn merendeels arbeidsintensieve sectoren en de betreffende bedrijfjes vereisen slechts een klein startkapitaal. Hun succes is sterk afhankelijk van creativiteit, uniciteit, individuele verantwoordelijkheid en persoonlijke relaties met klanten. De toename van het aantal van deze bedrijfjes is gedeeltelijk het resultaat van werkloosheid, waardoor mensen gedwongen zijn hun eigen werkgelegenheid te scheppen. Het is echter mede het resultaat van het toenemende onvermogen van grote gecentraliseerde ondernemingen om speciale diensten net zo goedkoop en klantvriendelijk te verrichten als individuele adviseurs en automonteurs.
|
De nieuwe behoeften die zich in de vorm van een koopkrachtige vraag aandienen, kunnen immers ook door goederen worden gedekt. Met uitzondering van de sociale dienstverlening (gezondheidszorg en onderwijs) worden hogere consumptieve uitgaven in eerste instantie niet gebruikt voor de directe koop van persoonlijke diensten, maar geïnvesteerd in goederen zoals wasmachines, televisies, video-apparatuur, computers en autos, waarmee in huishoudelijk verband diensten kunnen worden gesubstitueerd. Deze ontwikkeling leidt eerder tot een do-it-yourself of een zelfbedieningseconomie [Gershuny 1978] dan tot een post-industriële service society. Diensten die vroeger buiten het huishouden werden verricht, worden in toenemende mate verdrongen door de eigen activiteiten binnen het huishouden, waarbij goederen worden gebruikt die industrieel geproduceerd worden. |
6.5.2 Geen relict uit het verleden
Kleine warenproducenten en handelaren zijn in staat specifieke goederen en diensten te leveren die door grotere ondernemingen niet winstgevend geproduceerd kunnen worden. Kleinschalige productie is dus geen louter overblijfsel van een voor-kapitalistische arbeidswijze die nog niet volledig is onderworpen aan de noodzakelijke ontbindingstendens. Het bestaan en de vorming van nieuwe niet-kapitalistische productievormen is veeleer een uitdrukking van geavanceerde maatschappelijke productiviteit.
Voor kleine niet-kapitalistische ondernemers zijn de mogelijkheden voor detailhandel en manufactuur in de laatste decennia weliswaar afgenomen, maar dit geldt niet voor degenen die zich richten op onderhoud en reparatie van autos, huizen en huishoudelijke machines. Daarnaast heeft de toegenomen sensibiliteit voor milieuvervuiling voor kleine zelfstandige ondernemers ruimte geschapen om nieuwe natuurproducten op de markt te brengen als voedsel (zoals macro-biotische productie en handel) of als middelen voor lichaamsverzorging (zoals de opkomst van bodyshops). Juist in deze alternatieve, groene of duurzame sectoren is men overtuigd van de nadelen en disfuncties van grootschalige bureaucratische organisaties en heeft het credo small is beautifull of simple is better waarschijnlijk de meeste aanhangers. Eveneens toegenomen zijn de mogelijkheden van kleine bedrijfjes die zich richten op bevrediging van vrije tijdsbehoeften en persoonlijke ontspanning, zoals saunas, gokhallen en fitness-centra [Scase/Goffee 1987; Scase 1980:158].
| In 2008 werkte 2,5 procent van de werkzame beroepsbevoling voornamelijk in de eigen woning. Bij 7,8 procent was de eigen woning de uitvalsbasis om op verschillende plaatsen te werken. De helft van deze thuis- en vanuit-huiswerkers is hoogopgeleid en een groot deel werkt als zelfstandige. Het meest voorkomende beroep onder thuiswerkers was kinderverzorging (8%). Computerprogrammeur was met ruim 4% het op één na meest voorkomende beroep onder thuiswerkers. Daarna volgen grafisch ontwerper, beeldend kunstenaar, schoonheids-specialist, journalist en vertaler. Het zijn beroepen waarvoor weinig voorzieningen nodig zijn, behalve wat speelgoed of een computer. Bij de vanuit-huiswerkers is het meest voorkomende beroep vertegenwoordiger, gevolg door bedrijfsorganisatiedeskundige (zoals consultant), makelaar, systeemanalist en aannemer. Bron: Enquête Beroepsbevolking. |
De traditionele thuiswerker combineerde werk voor de fabrikant (en daarmee voor de wereldmarkt) met een landbouwbedrijfje of een andere vorm van huisnijverheid. Hierdoor kon een belangrijk deel van de reproductiekosten van de arbeid worden afgewenteld op pre-kapitalistische arbeidswijzen. Een economische interpretatie van deze proto-industrie geven Van Zanden [1991:21,111 e.v.] en Worsley [1984:198].
De moderne thuiswerker opereert in volledige afhankelijkheid van kapitalistische ondernemingen die hierdoor niet alleen in staat zijn de reproductiekosten van de arbeid te drukken (wat duidelijk blijkt uit de enorme loonverschillen tussen thuiswerkers en loonarbeiders die hetzelfde product in bedrijfsverband vervaardigen), maar ook om zich flexibel aan te passen aan de wisselingen op de markt (daarom zijn de werkzekerheid en de sociale voorzieningen van thuiswerkers meestal zeer minimaal).
De empirisch waarneembare ontwikkeling van de zelfstandige middenklasse is dus de resultante van twee tegengestelde vectoren. Enerzijds de vernietiging van het zelfstandige bestaan van kleine eigenaren (met name in de warenproductie) en het opslokken van de kleinere door de grotere kapitalen. Anderzijds het ontstaan van nieuwe zelfstandige bedrijfjes van kleine eigenaren en de vorming van nieuwe kleine kapitalen. In veel studies wordt de verwachting uitgesproken dat de tendensen die concentratie en centralisatie van het kapitaal en de afbraak van de beroepsarbeid van zelfstandigen en meewerkenden tegenwerken op de lange termijn zwakker worden. De belangrijkste oorzaak hiervan zou zijn dat de omvang van de investeringen in de arbeidsmiddelen die nodig zijn om zich als zelfstandige te vestigen, steeds meer toeneemt. Of dit daadwerkelijk het geval is, blijft twijfelachtig.
6.5.3 Onderaanneming
Een andere factor die het ontstaan van nieuwe categorieën van kleine warenproducenten stimuleert is het verschijnsel van onderaanneming. Naarmate grote private en publieke ondernemingen de diseconomics of scale ontdekken, wordt het idee van onderaanneming aantrekkelijker. Sommige auteurs verwachten hiervan in de toekomst zelfs een substantiële toename van het aantal kleine zelfstandigen.
Kleinschalige bedrijfjes van niet-kapitalistische warenproducenten hebben bepaalde economische voordelen boven grote kapitalistische ondernemingen. Zij zijn minder kapitaalintensief en kunnen ook gedijen in een economische omgeving met verspreide markten, hoge transportkosten, directe producent-cliënt relaties en imperfecte competitie. Bovendien heeft het voor grote kapitalistische ondernemingen voordelen om een hecht netwerk van kleine ondernemingen om zich heen te handhaven of zelfs te creëren. Het midden- en kleinbedrijf krijgt in toenemende mate een toeleveringsfunctie. In de sectoren bouw, metaal en dienstverlening werd in 1972 al tweederde van de omzet behaald uit intermediaire leveringen aan andere bedrijven.
Soms produceren deze kleine bedrijfjes onderdelen voor een grote onderneming die voor de laatste niet winstgevend zijn om binnen de eigen onderneming te produceren, omdat de vraag naar deze producten te variabel is om ze grootschalig te produceren, of omdat de vervaardiging van het betreffende product te arbeidsintensief is. In andere gevallen vervaardigen grote ondernemingen een product binnen de onderneming en besteden een bepaald volume van de productie via onderaanneming uit aan een aantal kleine bedrijfjes. Sommige grote ondernemingen stimuleren een aantal van hun loonarbeiders om zelf kleine bedrijfjes op te zetten.
Voor grote ondernemingen kan deze vorm van decentralisatie van de productie winstgevend zijn. Hierbij spelen twee factoren een belangrijke rol.
| Suzanne Berger [1981:77 e.v.] analyseerde de werking van het stelsel van onderaanneming in Italië. Zij laat zien dat er in alle industriële sectoren grote verschillen bestaan in lonen en sociale voorzieningen voor identiek werk in kleine en grote ondernemingen. In industrieën waarin het werk aan thuiswerkers kan worden uitbesteed zijn de verschillen tussen lonen van arbeiders die hetzelfde product maken nog veel groter. |
Gebruikmakend van de op wereldschaal bestaande grote verschillen in loonkosten heeft onderaanneming zich tot een internationaal verschijnsel ontwikkeld. Een groot deel van de radios en televisies en een toenemend aantal autos, boeken, speelgoed en zelfs de haute couture van de Franse modehuizen wordt tegenwoordig in landen als Zuid-Korea, Taiwan en de Fillipijnen geproduceerd [Worsley 1984:198 e.v.].
6.5.4 Drie verklaringen
In een aantal hoogontwikkelde kapitalistische landen neemt in bepaalde perioden het aantal kleine zelfstandigen enigszins toe. Dit was bijvoorbeeld het geval in Engeland in de periode 1960-78 en in de Verenigde Staten van 1970 tot 1980. Dit zou erop kunnen duiden dat in deze twee landen, waar de zelfstandige middenklasse het kleinst van alle landen ter wereld is, het proletariseringsproces haar grenzen heeft bereikt. Vooral omdat de relatieve omvang van de zelfstandige middenklasse zich in beide landen op ongeveer hetzelfde niveau stabiliseerde (rond 10% van de beroepsbevolking).
Toch is het waarschijnlijker dat in beide gevallen slechts een tijdelijk plateau werd bereikt en niet zozeer een permanente stabilisatie. Dat is de hypothese van Albert Szymanski.
Een derde verklaring is dat in deze periode de relatieve stabiliteit van de omvang van de zelfstandige middenklasse voornamelijk het gevolg was van de sterke toename van het aantal kleine dienstverlenende bedrijfjes, waardoor de continue daling van de andere categorieën kleine zelfstandigen werd gecompenseerd.
De cruciale vraag is of er een limiet bestaat aan het afkalvingsproces van de zelfstandige middenklasse, en zo ja op welk niveau de trend van proletarisering en de trend van formatie van nieuwe zelfstandige existenties elkaar in evenwicht houden?
Om hierop een antwoord te kunnen geven, moeten eerst de verschillende (elkaar tegenwerkende of versterkende) factoren die hierbij een rol spelen in kaart gebracht moeten worden. Empirisch onderzoek zal moeten uitwijzen wat het relatieve gewicht is van de factoren en mechanismen die in de genoemde (partiële) verklaringsmodellen genoemd worden.
Hoofd- en handarbeiders, maar ook professionals en managers kunnen op verschillende manieren en om meerdere redenen kleine zelfstandigen worden.
Pogingen om een zelfstandig bestaan als kleine warenproducent op te bouwen worden met name door twee factoren gestimuleerd. Enerzijds is het een reactie op pogingen van ondernemers om de uitbuiting van werknemers te intensiveren door hun autonomie te beperken. Anderzijds is het een reactie op feitelijke of dreigende werkloosheid. In perioden van recessie fungeren de kleine warenproductie en handel als vluchtheuvel, als een veiligheidsventiel voor werkloosheid. De elasticiteit van de kleine warenproductie en handel maakt ze geschikt als schokdempers van een kapitalistische economie.
Hetzelfde geldt voor veel specialisten. Technische experts, informatie- en communicatiedeskundigen, hooggekwalificeerde programmeurs, deskundigen op het gebied van arbeid en organisatie die niet alleen over specialistische kwalificaties beschikken, maar in loondienst ook al veel ervaring hebben opgedaan, kunnen hun getrainde menselijk kapitaal gebruiken om voor zichzelf te beginnen, met name wanneer zij daarnaast ook nog beschikken over een tijdens de arbeidscarrière opgebouwd startkapitaal.
De zelfstandige tussenklasse reproduceert zich niet alleen door de verdediging van het kleinbezit en door aanpassing aan nieuwe omstandigheden, maar ook door eigendomsoverdracht. De kleine zelfstandige warenproducenten en kleinburgers reproduceren zichzelf generationeel door de overdracht van hun eigendom aan hun familieleden (familiaire reproductie) of aan hun eigen arbeiders, knechten of leerlingen (rekrutering van buitenstaanders).
De omvang en samenstelling van deze klasse zijn in de loop der jaren sterk veranderd. In praktisch alle kapitalistische landen is de omvang van de zelfstandige middenklasse afgenomen [Mayer 1975:417; Bechhofer/Elliott 1981:186; Szymanski 1983:164; CBS 1990; Eeurostat 1989]. Daarbinnen tekenen zich echter steeds duidelijker een aantal structurele veranderingen af.
In de EEG-landen daalde het aandeel van de zelfstandigen in de beroepsbevolking gemiddeld van 25% in 1960 tot 15,4% in 1982 [Hagelstange 1987:113]. In de V.S., Engeland, BRD, Italië en Frankrijk nam tussen 1950 en 1976 de omvang van de zelfstandige middenklasse af met zon 37% [PKA 1977: 120].
In Nederland, dat in 1960 al tot de meest geproletariseerde kapitalistische staten binnen de EEG behoorde (alleen door Engeland overtroffen), werd het aantal zelfstandigen in dertig jaar gehalveerd van 21% in 1960 tot ongeveer 10% in 1990 (de procentuele berekening in arbeidsvolume en in personen ontlopen elkaar op dit punt niet veel). Hoewel dit proletariseringstempo groter was dan in de EEG als geheel, blijft dit nog duidelijk achter bij dat van de BRD en Frankrijk.
Sinds de eeuwwisseling schommelt het aandeel van de zelfstandigen in de werkzame beroepsbevolking rond 13%. De zelfstandigen met personeel zijn goed voor 4%, terwijl de meewerkenden zelfstandigen nog geen half procent voor hun rekening nemen.
| Werkzame beroepsbevolking naar positie in de werkkring | |||||
| Jaar | Zelfstandige zonder personeel |
Zelfstandige met personeel |
Mee- werkende zelfstandige |
Werk- nemer | Totale werkzame bevolking |
|---|---|---|---|---|---|
| x 1000 | |||||
| 2001 | 474 | 349 | 36 | 6.203 | 7.062 |
| 2002 | 519 | 297 | 39 | 6.160 | 7.015 |
| 2003 | 536 | 309 | 33 | 6.072 | 6.950 |
| 2004 | 533 | 316 | 31 | 5.960 | 6.840 |
| 2005 | 566 | 322 | 35 | 6.039 | 6.962 |
| 2006 | 597 | 325 | 35 | 6.186 | 7.143 |
| 2007 | 620 | 314 | 31 | 6.334 | 7.299 |
| 2008 | 641 | 299 | 26 | 6.470 | 7.436 |
| 2009* | 629 | 297 | 25 | 6.451 | 7.402 |
| 2011** | 719 | 350 | 6.307 | 7.375 | |
| * Derde kwartaal Bron: CBS | |||||
In tegenstelling tot veel andere landen bleef het relatieve tempo waarmee het zelfstandigenaandeel afnam op lange termijn gezien tamelijk stabiel. De daling van het aantal zelfstandigen in Nederland kan slechts voor 14% worden teruggevoerd op verschuivingen tussen de relatieve aandelen van de verschillende productiesectoren in het geheel van de actieve beroepsbevolking; 71% kan worden teruggevoerd tot proletariseringsprocessen binnen de afzonderlijke productiesectoren; 15% komt op conto van het zgn. interactie-effect, d.w.z. aan de interactie tussen sector-interne en sectorstructuur-componenten. Hagelstange [1987].
| De verbinding tussen het gezinsverband en ondernemen heeft voor de kleine zelfstandigen traditioneel een zeer grote betekenis. Dit verband wordt onder de economische en sociale druk van de beperkte reproductiemogelijkheden verbroken. De arbeidsmiddelen of het kleine kapitaal dat in familie-eigendom is, zijn niet meer voldoende om de arbeidsaspiraties van het hele gezin te realiseren en de reproductie van de gezins-arbeidskrachten te garanderen. |
6.8.2 Zelfstandigen zonder personeel - ZZPers
Het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzps) is de afgelopen jaren fors toegenomen. In 1996 waren er nog maar bijna 400 duizend, in 2008 wat dit al gestegen tot 640 duizend (67% toename). Hun aandeel in de werkzame beroeksbevolking groeide in deze periode van 6 procent naar bijna 9 procent. Het aantal zelfstandigen met personeel schommelde in dezelfde periode rond de 300 duizend personen.
In het tweede kwartaal van 2009 was het aantal zzpers voor het eerst lager dan een jaar eerder. Het totaal aantal daalde met meer dan 20 duizend.
De overgrote meerderheid van de zelfstandigen zonder personeel is man (70% in 1996 en 66% in 2008) en bijna vier op de tien zijn hoogopgeleid. Gemiddeld maken deze zelfstandigen aanzienlijk meer uren per week dan de doorsnee werkende: 42 uur. Zij werken meestal in de dienstverlenende bedrijfstakken of in de bouw.
Zzpes zijn voormalige werknemers die hun beroep niet meer in loondienst uitoefenen, maar formeel als eigen baas opereren. Meestal voeren zij hun opdrachten uit voor hun voormalige werkgever of voor een beperkte kring van opdrachtgevers [Pleijster/Van der Velk 2007; Vroonhof/Tissing/Swaters/Bruins/ Davelaar 2008]. Formeel bestaat de zzper niet, hij/zij komt in geen enkele wet- of regelgeving voort. Het is een groep die inhangt tussen het ondernemerschap en het werknemerschap [Meijer/Vroonhof/De Waard 1999; De Muijninck/Overweel/Vroonhof 2001]. Het zijn schijnzelfstandigen [Aarts 2007; CWI 2008].
Binnen de categorie van de zzpers treden een aantal belangrijke verschuivingen op in het soort beroepen die als zelfstandig worden uitgevoerd. Voorheen waren het vooral de landbouw- en handelsgerelateerde beroepen die kwantitatief domineerden. Het meest beoefende beroep onder zzpers was in 1996 bedrijfshoofd van een kleine (pluim)veehouderij (12,2%). De detailhandelaar (7,1%) en de groothandelaar/makelaar onroerende goederen (4,9%) stonden op de 2e en 3e plaats. In 2008 zijn bijna alle landbouwgerelateerde beroepen uit de beroepentop-10 verdwenen. In de huidige top-10 is hun plaats ingenomen door dienstengerelateerde beroepen, zoals bedrijfshoofd van een klein bedrijf, kapper en schoonheidsspecialist, computerprogrammeur en bedrijfsorganisatiedeskundige. Ook al staat het beroep van bedrijfshoofd van een kleine (pluim)veehouderij met een geslonken aandeel van 6 procent nog steeds op nummer één.
![]() |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]() dr. Albert Benschop Sociale en Gedragswetenschappen Sociologie & Antropologie Universiteit van Amsterdam Gepubliceerd: Januari 1993 Laatst gewijzigd: 06 November, 2011 |