Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 2 Structurering van objectieve klassenposities

X. Uitbuitingsposities, klassenposities en klassenstructuur

  1. Stelling en afbakening
  2. Van uitbuitingsposities naar klassenposities
    2.1 Subjecten van uitbuiting
    2.2 Mengsel van uitbuitingsvormen en -posities
  3. Klassenstructuur
  4. Klassenstructuur van de beroepsbevolking
    4.1 Hoofdklassenposities en tussenklassenposities
    4.2 Duurzame en tijdelijke klassenposities
    4.3 Primaire en afgeleide klassenposities 4.4 Enkelvoudige en meervoudige klassenposities
  5. Klassenstructuur van de woonbevolking
    5.1 Directe en gemedieerde klassenposities
    5.2 Huishouden als eenheid van klassenanalyse 5.3 Conventionele analyses op de snijtafel
  6. Zelfstandige middenklassen
    6.1 Klassenpositie van niet-kapitalistische warenproducenten
    6.2 Kleinbourgeoisie: kleinburgerlijke tussenklasse(positie) 6.3 Interne differentiatie van zelfstandige middenklasse
    6.4 Verschuivingen in omvang en samenstelling 6.5 Reproductie van klassenposities van kleine zelfstandigen 6.6 Interne differentiatie van zelfstandige middenklasse
    6.7 Rekrutering en sociale mobiliteit
    6.8 Empirische trends

    Literatuur

© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

1. Stelling en afbakening

Klassenposities zijn verankerd in uitbuitingsverhoudingen, maar dit betekent niet dat elke uitbuitingspositie per definitie ook een klassenpositie constitueert. Uitbuitingsstructuren leggen de grenzen vast waarbinnen klassenposities kunnen variëren en de waarschijnlijke uitkomsten hiervan. Uitbuitingsposities zijn structureel verankerde en relatief stabiele posities in uitbuitingsrelaties. Zij impliceren een substantiële toeëigening van meerarbeid door een uitbuitende klasse en zijn derhalve intrinsiek antagonistisch. Uitbuitingsposities zijn relationele posities die asymmetrisch en als zodanig onomkeerbaar zijn. In tegenstelling tot klassenposities kunnen uitbuitingsposities volledig onafhankelijk van de subjecten die deze posities bekleden, worden gedefinieerd.

Ook de benadering(en) van Wright wordt/ worden gekenmerkt door het direct in elkaar laten overvloeien van uitbuitings- en klassen-posities. Zie hoofstuk VII, § 2·2 en VIII, § 4. Deze kritiek geldt overigens voor de hele —voorzover mij bekende— marxistisch geïnspireerde klassenanalytische traditie.
Deze stelling impliceert enerzijds een afbakening ten opzichte van benaderingen waarin uitbuitings- en klassenposities met elkaar worden geïdentificeerd. Anderzijds impliceert het een afbaking van benadering waarin een rechtstreekse overgang van uitbuitingsposities naar klassenposities wordt verondersteld. De transformationele klassenanalyse die hier wordt gepresenteerd zet zich op dit punt af van alle tot nu toe bekende klassentheoretische benaderingen.

In het eerste deel van dit hoofstuk maak ik de weg vrij voor een klassenanalyse waarin posities in (‘economische’) uitbuitingsstructuren en in (‘sociale’) klassenstructuren niet automatisch samenvallen en dus ook theoretisch en methodisch duidelijk moeten worden onderscheiden. Nadat de weg is vrijgemaakt van diep ingeslepen misleidende metaforen en denkbarrières wordt in het tweede deel van dit hoofdstuk eerst het begrip sociale ‘klassenstructuur’ zo nauwkeurig mogelijk afgebakend. Daarna worden de algemene patronen van klassenstructuren in beeld gebracht. Daarbij neem ik tenslotte twee van de meest omstreden en lastigste problemen bij de horens: de relatie tussen de klassenstructuur van de beroeps- en de woonbevolking, en de positie van de zelfstandige middenklassen.

Index2. Van uitbuitingsposities naar klassenposities

Uitbuitingsposities ontstaan door een specifieke combinatie van ongelijke beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen en een bepaald mechanisme van uitbuiting. Een typologie van uitbuitingsposities die op basis van dit uitgangspunt kan worden ontwikkeld [→ hoofstuk VI, § 3.2] is echter niet identiek met een typologie van klassenposities.

Het belangrijkste methodologische en theoriestrategische argument is dat uitbuitingsposities zuiver structureel kunnen worden geanalyseerd zonder rekening te houden met de subjecten die deze uitbuitingsposities bekleden. Maar voor de empirische identificatie van klassenposities is dit een te beperkt perspectief. Daarbij moet immers wel degelijk rekening worden gehouden met (i) verschillen tussen mogelijke uitbuitingssubjecten en met (ii) de overlapping tussen verschillende uitbuitingstypen en -posities.

Index


2·1 Subjecten van uitbuiting
Klassenstructuren zijn in eerste instantie slechte complexe configuraties van lege plaatsen. Maar deze lege plaatsen worden in werkelijkheid natuurlijk altijd opgevuld, in stand gehouden of veranderd door levende mensen. Wie zijn die mensen? Wat zijn de mogelijke subjecten die posities van exploiteur of uitgebuitenen bekleden?

Zeer algemeen kan men zeggen dat subjecten van toeëigening of onteigening zowel individuele als collectieve actoren kunnen zijn. Uitbuitingsposities kunnen niet alleen worden vervuld door individuen (‘natuurlijke personen’), maar ook door de meest uiteenlopende typen van collectiviteiten: verwantschapseenheden, organisaties (arbeidsorganisaties, kerken, partijen, staten) en gediscrimineerde of discriminerende groepen.

Deze indeling is helder uitgewerkt in de studie van Ste. Croix [1981:205-6] over uitbuiting in de klassieke oudheid. Vgl. Elster [1985:197,320], Bader/Benschop [1988:218 e.v.].
Zowel individuele als collectieve actoren kunnen dus als onteigenaar of onteigenden van meerarbeid figureren. Vanuit deze optiek zijn daarom (‘in theorie’) de volgende vier combinaties mogelijk:

Alleen in het eerste geval is direct duidelijk wie de uitbuiters en wie de uitgebuitenen zijn. In alle andere gevallen is het noodzakelijk om de —vaak zeer complexe— interne relaties te onderzoeken die er binnen de uitgebuite of uitbuitende collectiviteiten bestaan. Zo kan bijvoorbeeld een nationale staat een duidelijke uitbuitingspositie innemen wanneer zij structureel meerarbeid toeëigent in de vorm van belastingen, tributen of koloniale heffingen. Dit betekent echter nog niet dat deze uitbuitingspositie zelf al een eenduidige klassenpositie impliceert voor alle onderdanen of ambtenaren van deze exploiterende staat. Niet alle staatsdienaren en zeker niet alle staatsburgers profiteren immers in dezelfde mate van deze ‘nationale’ exploitatie. Bovendien worden de meer of minder geprivilegieerde werkende burgers van deze exploiterende staat zelf ook uitgebuit.

Arbeidersaristocratie
In de marxistische traditie werden deze fenomenen tot nu toe het meest uitvoerig behandeld in analyses van de positie van de ‘arbeidersaristocratie’ binnen imperialistische staten. Waarschijnlijk was Friedrich Engels de eerste die de bijzondere positie en betekenis van de arbeidersaristocratie thematiseerde. In 1858 was ‘verburgerlijking’ van de Engelse arbeidersklasse volgens hem al zover voortgeschreden dat hij vermoedde dat “deze meest burgerlijke van alle naties het tenslotte zover schijnt te willen brengen, dat zij naast de bourgeoisie een burgerlijke aristocratie en een burgerlijk proletariaat bezit.” Hij voegt daaraan toe dat dit bij een natie die de gehele wereld uitbuit in zekere zin zelfs gerechtvaardigd is [Engels, Brief aan Marx van 7 oct. 1858].

Friedrich Engels legt een directe relatie tussen de verburgerlijking van de arbeidersklasse en het Engelse monopolie op de wereldmarkt en in de koloniën. Lenin’s imperialismetheorie sluit hier direct op aan. Zijn analyse van de arbeidersaristocratie kan in drie punten worden samengevat:

  • Het kapitalisme is uitgegroeid tot een wereldsysteem, waarbij de overgrote meerderheid van de wereldbevolking door een handvol ‘ontwikkelde’ landen koloniaal wordt onderdrukt en financieel gewurgd. Dit parasitisme is kenmerkend voor de imperialistische ontwikkelingsfase van het kapitalisme. Slechts een paar bijzonder rijke en machtige staten (‘woekerstaten’) plunderen via kapitaalexport en ongelijke ruil de hele wereld (‘schuldenaarstaten’).

  • De reusachtige extra-winsten —bovenop de winsten die de kapitalisten uit de arbeiders van hun ‘eigen’ land persen— maken het mogelijk de arbeidersleiders en de bovenste laag van de arbeidersaristocratie om te kopen wat hun opportunisme versterkt.

  • De laag van ‘verburgerlijkte arbeiders’ of de ‘arbeidersaristocratie’ vormt de belangrijkste ‘sociale steunpilaar van de bourgeoisie’. Het zijn ‘de ware agenten van de bourgeoisie in de arbeidersbeweging’ [Lenin 1917/76:13,17,123,125,127].

Het thema van de arbeidersaristocratie speelt als vanouds een belangrijke rol in de Engelse geschieds-schrijving. Zie voor een ‘orthodoxe’ benaderingen: Foster [1974], Edwards [1978] en voor een meer relativerende benadering: Moorhouse [1978,1981], McLennon [1981]. Zie voor de V.S.: Mackenzie [1973], voor Frankrijk Cottereau [1986:152].

Index


2·2 Mengsels van uitbuitingsvormen en -posities
Uitbuitingstypen en -posities zijn zelden zuiver geïnstitutionaliseerd en overlappen en doorkruisen elkaar in werkelijkheid op tal van manieren. Individuen kunnen tegelijkertijd in de positie van uitbuiter en in die van uitgebuitene bevinden wanneer zij binnen de verschillende uitbuitingsmechanismen ongelijksoortige posities innemen. De blanke, mannelijke loonarbeiders worden binnen hun imperialistische staten kapitalistisch uitgebuit. Maar zij kunnen door hun positie in de koloniale, racistische en seksistische uitbuitingsrelaties kunnen zij tegelijkertijd de hierdoor gegenereerde meerarbeid transnationaal toeëigenen.

Het verschil tussen de voor individuen primaire en secundaire uitbuitingsposities moet niet worden verward met het eerder gemaakte structurele onderscheid tussen primaire en secundaire uitbuitingsvormen [→ hoofdstuk VII, § 3]. Het eerste onderscheid vloeit voort uit de relatieve betekenis van uitbuitingsvormen voor de positie van individuen, het tweede uit hun relatieve structurerende kracht voor een maatschappijformatie als geheel.
In dit soort gevallen zou men kunnen zeggen dat alleen uitbuitingsposities die voor de objectieve levenssituatie van individuen structureel dominant zijn, constitutief zijn voor hun klassenpositie [Bader/Benschop 1988:220]. Maar met dergelijke argumenten moet men toch voorzichtig zijn. Het leidt de aandacht af van de complexiteiten van de klassenstructuur.

Het gemeenschappelijke kenmerk van uitbuitings- en klassenposities is

  1. dat zij structureel zijn verankerd en zowel in temporeel als in sociaal opzicht gestabiliseerd;

  2. dat de toeëigening en onteigening van meerarbeid substantieel is en niet marginaal;

  3. dat het relationele posities zijn met een asymmetrisch en onomkeerbaar karakter,

  4. dat het intrinsiek antagonistische posities zijn die tegenovergestelde belangen genereren en

  5. dat zij daarom een vorm van maatschappelijke strijd impliceren tussen degenen die deze conflicterende klassenbelangen trachten te realiseren.
      Om mogelijke misverstanden over het begrip ‘strijd’ te voorkomen, wil ik er nogmaals op wijzen dat de realisatie van de belangen van de ene klasse ten opzichte van een andere klasse niet uitsluit dat er een compromis tussen deze tegengestelde belangen ontstaat. Klassecompromissen worden gekenmerkt door een bijzonder evenwicht-met-dominantie, d.w.z. dat dit evenwicht een uitdrukking is van de gerealiseerde dominantie van bepaalde klassenbelangen over de belangen van andere klassen. Het is daarom ook vaak een labiel evenwicht.
Op basis van uitbuitingsposities kunnen eigensoortige klassenposities ontstaan wanneer en voor zover de subjecten die deze uitbuitingsposities bekleden eenduidig kunnen worden afgebakend en wanneer en voor zover deze uitbuitingsposities structureel dominant zijn voor de sociale levenskansen van de betreffende individuen [zie hoofdstuk V, § 1·2·2].

Index3. Klassenstructuur

Een klassenstructuur is een reeks relationeel gedefinieerde klassenposities die door individuen worden gevuld. In het abstracte begrip van een klassenstructuur worden alleen klassenspecifieke mechanismen geïdentificeerd zonder hierin tegelijkertijd andere maatschappelijke splitsingslijnen te betrekken. Een klassenstructuur die gedefinieerd wordt op het abstractieniveau van de zuivere kapitalistische arbeidswijze impliceert niet zozeer ‘a gender blind concept of class’ [Wright 1989:291], maar een model van onderling verbonden lege klassenposities die door individuen met de meest uiteenlopende (nationale, etnische, generationele, territoriale, religieuze en sekse-specifieke) eigenschappen kunnen worden bezet of ‘gevuld’. Op dit analytische niveau wordt er immers nog geabstraheerd van het bestaan van persoonlijke individuen met hun nationale, etnische, generationele of territoriale en religieuze kenmerken. Binnen dit logische veld bestaan er nog geen ‘huisvrouwen’ of ‘mannelijke kostwinners’. Individuen verschijnen op dit abstractieniveau nog slechts als klassenspecifieke individuen, als klassenindividuen.

De begrippen waarmee de klassenstructuur wordt ontrafeld zijn in zoverre ‘sekseblind’, dat hiermee in eerste instantie slechts de positionele structuur kan worden verklaard en niet tegelijkertijd hoe deze lege plaatsen door seksespecifieke individuen worden bezet. Door deze abstractie van de diverse rekruteringsmechanismen die verantwoordelijk zijn voor allocatieve ongelijkheden worden de uitbuitings- en klassenposities in eerste instantie onafhankelijk van seksistische, raciale, nationale en andere ascriptieve splitsingslijnen geformuleerd.

In dit opzicht zijn klassenposities als zodanig eerder sekseneutraal dan sekseblind. Met ‘seksisme’ in de klassenanalyse of van de klassenanalytici heeft dit alleen iets te maken (a) wanneer men het niet meer nodig vindt om een analytisch en methodisch onderscheid te maken tussen positionele en allocatieve ongelijkheidsstructuren, of (b) wanneer men besluit dat begrippen die een beperkte — niet allesomvattende — verklaringskracht hebben, alleen al omdát ze beperkt zijn, verworpen moeten worden.

Als men zoekt naar begrippen die ‘alles’ (positionele en allocatieve ongelijkheden) en liefst ‘in één keer’ (zonder methodisch verantwoorde indeling van analyse-eenheden en analytische abstractieniveaus) verklaren dan moet men geen sociale wetenschappers raadplegen, maar fundamentalistische theologen. De bruikbaarheid van wetenschappelijke begrippen ligt immers per definitie in hun duidelijk afgebakende en dus beperkte verklaringskracht. De bruikbaarheid van theologische en ideologische noties correleert daarentegen juist positief met hun vermogen om zeer complexe maatschappelijke samenhangen in enkele woorden of beelden weer te geven en te duiden.

Tussen de —in uitbuitingsverhoudingen verankerde sociaal-economische— klassenstructuur en de —sociaal-culturele en politiek-organisatorische— klassenformatie bestaat geen direct en lineair verband. Klassenstructuren stellen limieten aan processen van klassenformatie, maar leggen daarvan niet de specifieke uitkomsten vast. Daarom heeft het grote voordelen wanneer men de klassenstructuur zover mogelijk analytisch desaggregeert. Een gedesaggregeerde benadering van de klassenstructuur maakt immers een veel fijnmaziger beschrijving mogelijk van de verschillende manieren waarop deze gedifferentieerde posities feitelijk worden omgevormd tot collectief georganiseerde coalities.

Index4. Klassenstructuur van de beroepsbevolking

De klassenstructuur wordt primair geconstitueerd door relationeel gedefinieerde posities in exploitatieve arbeidsverhoudingen die door individuen worden gevuld. In eerste instantie kan de klassenstructuur dan ook worden opgevat als een indeling van de beroepsbevolking. Voor burgerlijke maatschappijen zou men simpel kunnen zeggen: de primaire klassenstructuur is een relationele kaart van baanstructuren van de zelfstandige en afhankelijke delen van de beroepsbevolking.

Wat is beroepsbevolking?
Het is niet onverstandig om enige afstand te houden van de meest gangbare definities van de beroepsbevolking. De potentiële beroepsbevolking wordt meestal gedefinieerd als de werkzame of werkzoekende personen in de leeftijdscategorie van 15 tot 65 jaar. Volgens de in 1981 vastgestelde CBS definitie worden tot de beroepsbevolking gerekend:
    “personen die arbeid verrichten op basis van loon of salaris (personen in loondienst); personen die geen loon of salaris ontvangen doch: voor eigen rekening en/ of risico een beroep of bedrijf uitoefenen (zelfstandigen); meewerken bij het voor eigen rekening en/of risico uitoefenen van een beroep of een bedrijf van één of meerdere leden van het gezin waartoe zij behoren (meewerkende gezinsleden); personen zonder werkkring (niet-werkzame beroepsbevolking) die: een werkloosheidsuitkering ontvangen; actief zoeken en tevens beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden; een werkkring hebben aanvaard, doch met de werkzaamheden nog niet begonnen zijn” [Koesoebjono/Bieseman 1987:5].
De (potentiële) beroepsbevolking omvat dus zowel de werkzame beroepsbevolking als de ‘werkzoekenden zonder baan’. Voor een klassenanalytisch onderzoeksprogramma zou men bij deze definities minstens twee verbredingen moeten aanbrengen.
  • Ten eerste wat betreft de leeftijdsgrens: ook personen onder de 15 en boven de 65 jaar kunnen in exploitatieve arbeidsprocessen zijn betrokken en zouden niet buiten de beroepsbevolking gedefinieerd moeten worden.
  • Ten tweede wat betreft het criterium van betaalde arbeid: ook personen die (formeel) onbetaalde arbeid verrichten en niet in loondienst zijn, kunnen in exploitatieve arbeidsprocessen zijn betrokken en zouden evenmin buiten de beroepsbevolking gedefinieerd moeten worden.
Dit laatste is met name van belang wanneer men empirisch wil onderzoeken welke klassenposities worden geconstitueerd of gemodificeerd door ascriptieve exploitaitievormen. Uitbuiting van vrouwen in patriarchale huishoudens voltrekt zich immers zelden in de vorm van betaalde arbeid.

Bij de analyse van de posities die in exploitatieve arbeidsverhoudingen kunnen worden ingenomen, doen zich zowel van de positionele als van de personele kant een aantal complicaties voor. Vanuit positioneel perspectief moet er rekening mee worden gehouden dat een aantal klassenposities niet eenduidig door één uitbuitingsmechanisme worden gestructureerd [§ 4·1], dat een aantal klassenposities temporeel en sociaal niet stabiel zijn [§ 4·2], en dat sommige klassenposities zijn afgeleid van andere klassenposities [§ 4·3]. Vanuit personeel perspectief moet er bovendien rekening mee worden gehouden dat individuen tegelijkertijd meer dan één klassenpositie kunnen innemen [§ 4·4]. Als we zicht willen krijgen op de klassenstructuur van de totale woonbevolking van een land dan moet niet alleen de klassenstructuur van de beroepsbevolking worden onderzocht, maar ook de klassenspecifieke sociale samenstelling van de overige bevolking [§ 5].

In zijn eerste benadering (1979) ging Wright ervan uit “that a given location in the class structure could be simultaneously in two or more classes” terwijl hij in zijn tweede benadering (1985) uitgaat van de notie “that a given location could be situated with respect to more than one mechanism of exploitation”. Naar aanleiding van de kritieken die hierop zijn geleverd, heeft hij daarna geprobeerd de anomalieën en problemen van deze twee benaderingen op te lossen [Wright 1989:323].

Zijn recente poging om beide noties met elkaar te verenigen lopen echter stuk, omdat hij geen duidelijk onderscheid maakt tussen uitbuitings- en klassenposities, en omdat hij —mede daarom— bij zijn analyse van de ‘multiple locations’ de positionele en personele referentiepunten niet duidelijk uit elkaar houdt.

De complexiteit van de klassenstructuur van de beroepsbevolking wordt vanuit positioneel perspectief vooral veroorzaakt door het feit dat er tussenklassenposities bestaan die door meervoudige uitbuitingsverhoudingen zijn gestructureerd, en vanuit personeel perspectief door het feit dat individuen tegelijkertijd meer dan één —in zichzelf duidelijk afgebakende— klassenpositie kunnen innemen.

Index


4·1 Hoofdklassenposities en tussenklassenposities
Er is al eerder op gewezen dat een positie in de klassenstructuur tegelijkertijd in meer dan één uitbuitingsmechanisme gesitueerd kan zijn. Bepaalde klassenposities zijn als zodanig niet eenduidig in een specifieke uitbuitingsas verankerd, maar komen tot stand op het kruispunt van meerdere, tegenstrijdige uitbuitingsrelaties. Deze tegenstrijdige posities binnen uitbuitingsverhoudingen constitueren eigensoortige tussenklassenposities waarin meestal specifieke elementen van minstens twee andere klassenposities zijn verenigd. In tussenklassenposities zijn in de regel aspecten van twee tegenovergestelde primaire of hoofdklassenposities met elkaar gecombineerd.

Het begrip primaire of dominante arbeidswijze werd omschreven in hoofdstuk VI, § 4 en het begrip primaire uitbuitingsvorm in VII, § 3.
Onder hoofdklassenposities versta ik de klassenposities die eenduidig zijn verankerd in de voor een bepaalde maatschappij-formatie structureel dominante arbeidswijze en die dus door de primaire uitbuitingsvorm worden gegenereerd. Tussenklassen-posities zijn verankerd in een onzelfstandige arbeidswijze en worden door secundaire uitbuitingsbormen gegenereerd.

In kapitalistische maatschappijformaties zijn bijvoorbeeld een aantal van de beter betaalde werknemers in staat een deel van hun salaris om te zetten in een of andere vorm van kapitalistisch eigendom (zoals aandelenbezit) en ontvangen naast hun inkomen uit loonarbeid ook nog een bepaald kapitaalinkomen. We hebben eerder gezien dat dit met name geldt voor professionals en managers die naast hun arbeidsinkomen in strikte zin ook nog beslag kunnen leggen op een meer of minder omvangrijke credentierente, respectievelijk loyaliteitsrente. Onder kapitalistische voorwaarden hebben echter in principe alle werknemers de mogelijkheid om hun inkomen in kapitaalbezit te converteren. Vaak zijn deze investeringen in aandelen- of huizenbezit slechts triviaal en incidenteel en hebben slechts een marginale invloed op de klassenpositie van deze individuen. Zolang de inkomsten uit dit kapitaalbezit incidenteel en marginaal zijn, zijn zij niet constitutief voor de klassenpositie.

Onder bepaalde omstandigheden kan ook het bezit van een eigen huis gaan functioneren als een kapitalistische investering. Dat is met name het geval wanneer een sterke stijging in de huizenprijzen de eigenaars een substantiële winst oplevert die zij voor investeringsdoeleinden kunnen gebruiken. Door het speculeren met onroerende goederen kan de klassenpositie van de betrokken loonarbeiders worden gemodificeerd [Wright 1989:325].
We hebben ook gezien dat sommige managers en professionals in staat zijn hun discretionaire inkomen te converteren in een substantieel aandelenkapitaal en dat hierdoor hun door de uitbuitingsrelaties gestructureerde klassenpositie aanzienlijk wordt gemodificeerd. De eigenaardigheden van de tussenklassenposities in de burgerlijke maatschappijformatie kunnen waarschijnlijk het duidelijkst worden geïllustreerd aan de positie van de zelfstandige middenklassen in het kapitalisme. In § 6 kom ik hier uitvoeriger op terug.

Index


4·2 Duurzame en tijdelijke klassenposities
Van klassenposities kan dus pas sprake zijn wanneer deze structureel zijn verankerd in substantiële uitbuitingsrelaties en wanneer deze posities in temporeel en sociaal opzicht relatief stabiel zijn. In deze formulering gaat een lastig probleem schuil: hoe relatief is deze relatieve stabiliteit?

De vraag is dus welke mate van temporele duurzaamheid en sociale stabiliteit (of instabiliteit) men bij klassenposities moet of kan veronderstellen. Het bezwaar dat vaak terecht tegen ‘structurele’ klassenanalyses wordt ingebracht, is dat daarin de klassenposities op een te statische manier worden behandeld, dat wil zeggen dat op een onkritische wijze de duurzaamheid en stabiliteit van structurele klassenposities wordt verondersteld.

Er zijn meerdere redenen voor deze onderbelichting van de temporele en sociale instabiliteit van klassenposities.

  1. Op begripsmatig-theoretisch vlak lijkt het begrip klassenstructuur zelf soms al een belemmering te zijn voor een nadrukkelijke thematisering van de tijdsdimensie en een expliciete referentie aan de dynamiek van en binnen klassenstructuren.
    Ook het meer algemene begrip sociale structuur staat onder de verdenking te statisch te zijn. Met het begrip sociale structuur wil men immers juist greep krijgen op de stabiele, ‘persoonsonafhankelijke’ elementen en hun stabiele ‘bovenindividuele’ relaties [Berger/Sopp 1991:2].
    Met het begrip klassenstructuur wordt immers meestal gerefereerd aan het statische aspect van maatschappijen, dat wil zeggen aan hun (relatief) stabiele elementen en hun (relatief) duurzame relaties. Dit wordt zeer duidelijk bij het in de klassenanalyse verbreide ‘grote groepenperspectief’: het bezetten van een bepaalde klassenpositie wordt daarbij opgevat als een duurzaam, vaak zelfs levenslang stabiel kenmerk van individuen of gezinnen/huishoudens, en wel zodanig dat de objectieve en subjectieve betekenis van deze klassenpositie in hoge mate constant is.

  2. Naast het genoemde begripsmatig-theoretische probleem, is er ook een methodisch probleem voor analyses van de klassenstructuur die niet alleen een bestaande toestand willen beschrijven maar tevens de structurele veranderingen die zich daarin voordoen. Empirische analyses van de klassenstructuur zijn altijd gebaseerd op gegevens over de verdelingspatronen van bronnen en mensen over klassenposities op een bepaald tijdstip. De veranderingen die daarin optreden, kunnen alleen worden gemeten door het vergelijken van in tijd uiteenliggende (macro)datareeksen. Hun (micro)dynamiek, resp. de bruto-veranderingen komen hierbij meestal niet of onvoldoende in het vizier. Deze beperking kan worden doorbroken wanneer men beschikt over gegevens waarin de tijdstippen van ‘gebeurtenissen’ en de duur van ‘toestanden’ worden gedocumenteerd [Hanefeld 1987; Hanefeld/Krupp 1987]. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van nieuwe onderzoeksmethoden waarin de levensloop van individuen wordt gereconstrueerd door middel van retrospectieve ondervragingen. In dit type onderzoek kunnen meer complexe technieken worden gebruikt om de gegevens over de levensloop te analyseren [Blossfeld 1989, 1990; Drobnic/Blossfeld/Rohwer 1999; Blossfeld/Rohwer 2001].

Antagonistische maatschappijformaties worden niet alleen gekenmerkt door zeer stabiele sociaal-economische klassenverhoudingen, maar ook door een zekere mate aan flexibiliteit en beweging. Klassenverhoudingen vertonen daarom altijd een zekere mate van structurele meerduidigheid. Dit geldt ook en met name voor de kapitalistische klassenstructuur.

De klassenstructuur van het moderne kapitalisme vertonen een hoge mate aan continuïteit en consistentie waarbij de specifieke patronen en reproductiemechanismen van deze klassenverhoudingen structureel zijn geconsolideerd. Toch vertoont ook deze klassenstructuur tegelijkertijd een hoge mate aan dynamiek en instabiliteit. Niet alle klassenposities zijn in temporeel en sociaal opzicht even duurzaam gestabiliseerd. De snelle veranderingen die zich in kapitalistische maatschappijformaties voltrekken, hebben geleid tot een zekere structurele meerduidigheid of zo men wil ‘structurele onoverzichtelijkheid’ van moderne klassenstructuur [Berger 1990:320]. Bij de afbakening van klassenposities is het daarom van groot belang om zowel rekening te houden met de tijdsfactor (dat wil zeggen met de temporele stabiliteit of instabiliteit van klassenposities) als met de factor van sociale stabiliteit.

Om deze ‘klassenstructuur in beweging’ te analyseren wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen een statisch structuurperspectief (positiegericht) en een dynamisch lange-termijnperspectief (individugericht). Maar op deze manier wordt het eigenlijke probleem alleen maar verdrongen: de relatieve duurzaamheid en stabiliteit van relationeel gedefinieerde klassenposities zélf moet immers ter discussie worden gesteld. De temporele en stabiliteitsdimensie van klassenstructuren moeten niet worden gereduceerd tot de kwestie van de klassenmobiliteit van individuen in hun beroepscarrières.

De stabiliteit, respectievelijk instabiliteit van klassenposities kan vanuit twee verschillende praktische en theoretische perspectieven worden onderzocht. Analytisch gezien kunnen er twee aspecten van klassenspecifieke verdelingsverhoudingen worden onderscheiden die beide in temporeel opzicht variabel zijn:

  1. vanuit het positionele perspectief (positionele ongelijkheid) gaat het om de stabiliteit/ variabiliteit van de toedeling van bronnen aan klassenposities, of breder: om de duurzaamheid van de toedeling van kansen en beperkingen aan onderscheiden klassenposities;

  2. vanuit het personele perspectief (allocatieve ongelijkheid) gaat het om de stabiliteit/ variabiliteit van de verdeling van mensen over ongelijk gestructureerde klassenposities.
      Het algemene onderscheid tussen positionele en allocatieve ongelijkheden werd geïntroduceerd in hoofdstuk IV, § 1·3 Zie ook Luhmann [1985] over de twee aspecten van ‘verdelingsverdelingen’.
De duurzaamheid en stabiliteit van klassenposities is variabel omdat zowel de aard als de omvang van de daaraan toebedeelde bronnen zich in de loop der tijd kunnen wijzigen. Hierbij speelt zowel het totale volume van de bronnen die in een maatschappij voorhanden zijn een rol, als hun verdeling. De duurzaamheid en stabiliteit van sociale klassen is variabel omdat individuen gedurende kortere of langere tijd specifieke klassenposities bezetten, dat wil zeggen dat het individuele lidmaatschap van of het behoren bij een klasse bepaalde begin- en eindpunten vertoont. In hoofdstuk XI kom ik op dit laatste punt uitvoeriger terug. Hier gaat het erom het beeld van de klassenstructuur zelf te dynamiseren.

Dynamisering van de klassenanalyse
Duurzaamheid en stabiliteit hebben dus een verschillende betekenis al naar gelang men de positionele of personele kant van de klassenspecifieke verdelingsverhoudingen accentueert. De transformationele klassenanalyse concentreert zich niet uitsluitend op de positiegebonden verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijke relevante bronnen en de daarop gebaseerde claim op meerarbeid, maar houdt evenzeer rekening met de verdeling van individuen over deze klassenposities. Beide aspecten kunnen onafhankelijk van elkaar variëren. Een relatief stabiele positionele structuur kan dus wel degelijk gepaard gaan met aanzienlijke fluctuaties op het niveau van de positiebekleders. De combinatie van beide perspectieven maakt het mogelijk te begrijpen waarom sociale wetenschappers vanuit een observerend macrostandpunt concluderen dat de klassenongelijkheid stabiel is of zich zelfs verscherpt (gemeten in termen van het verschil tussen klassenspecifieke bronnenpotentiëlen en transfers van meerarbeid), terwijl dit van de kant van de betrokkenen niet leidt tot een gemeenschappelijke klassenervaring of -identiteit, laat staan tot collectief klassenhandelen.

Peter Berger heeft goede theoretische en empirische argumenten aangevoerd voor een gedynamiseerde analyse van de sociale structuur. Hij maakte daarbij op creatieve wijze gebruik van inzichten op het gebied van het ongelijkheids- en arbeidsmarktonderzoek (zoals Kohli’s conceptie van het moderne ‘levensloopregime’). In zijn eigen onderzoek —dat onderdeel was van het door Ulrich Beck geleide project Die Verzeitlichung sozialer Ungleichheit— combineerde hij geavanceerde onderzoeksmethodieken met zeer gedifferentieerde databestanden.

Ik knoop ook aan bij Pierre Bourdieu’s begrip sociale ruimte dat gedefinieerd is als relatieve positie of situatie van individuen of groepen naar aard, hoogte en samenstelling van de op een bepaald tijdstip beschikbare bronnen. In deze sociale ruimte wordt ‘afstand’ gemeten in tijd.

Een ander aanknopingspunt zijn de analyses van Anthony Giddens [1979:202; 1984:35, 130 e.v.]. Aansluitend op de ‘time-space’ geografie van Hägerstrand [1975] en Trift [1983] pleit hij voor een reconceptualisering van sociaal-wetenschappelijke theorievorming waarin ruimte en tijd niet louter als ‘fysieke’ randvoorwaarden worden beschouwd, maar direct tot thema worden gemaakt. Het uitgangspunt is dat alle sociale interactie contextueel — ‘gesitueerd’ in tijd en ruimte — is en zich uitstrekt over tijd-ruimtelijke ‘afstanden’. Zie voor een bespreking van Giddens’ conceptie van ‘time-space distanciation’: Cohen [1990:39 e.v.], Pred [1990].
Zie eerder hoofdstuk V, § 2·2.

Alle klassenposities zijn van voorbijgaande aard — zij hebben een begin, zijn in tijd gelimiteerd en hun verbreiding en betekenis zijn in historisch opzicht variabel. Sommige klassenposities zijn echter ‘tijdelijker’ dan andere. Dit wordt door een groot aantal factoren veroorzaakt: er kunnen wijzigingen optreden in de bronnenbundels die specifiek zijn voor bepaalde klassenposities; het relatieve gewicht van de relevante uitbuitingsmechanismen kan verschuiven; de bronnenstromen en handelingskansen die institutioneel met bepaalde klassenposities zijn verbonden, kunnen in de loop der tijd toe- of afnemen en hun samenstelling kan zich wijzigen; de fysieke of monetaire belastingen kunnen duurzaam of tijdelijk worden beperkt, waardoor er minder bronnen worden verbruikt; de bronnenstromen en belastingen kunnen discontinu en onregelmatig zijn in plaats van permanent en continu enz.

Als men zich concentreert op het volume van de ter beschikking staande bronnen en de mate waarin meerarbeid kan worden toegeëigend, dan ontstaat er een dynamisch beeld van de klassenstructuur met meer of minder gestabiliseerde en verduurzaamde klassenposities. Kenmerkend voor dit gedynamiseerde beeld van de sociale ruimte is dat de impliciete vooronderstelling van de temporele stabiliteit van klassenposities wordt losgelaten.

In deze optiek is het zowel mogelijk (a) dat beschikkingsmacht over omvangrijke bronnen en substantiële claims op meerarbeid zijn verbonden met een instabiele klassenpositie, als (b) dat beschikkingsmacht over marginale bronnen en incidentele claims op triviale aandelen meerarbeid een tijdelijk en dus instabiel kenmerk zijn van een positie in de klassenstructuur. Bovendien is het in dit perspectief mogelijk (c) dat binnen een schijnbaar eenduidig afgebakende klassenpositie variaties bestaan in de mate van bestendiging en (d) dat eenmaal gestabiliseerde klassenposities instabiel kunnen worden — en omgekeerd.

De relatieve duurzaamheid en stabiliteit van de beschikkingsmacht over relevante bronnen en de daaraan verbonden uitbuitingspraktijken zijn dus belangrijke aspecten van klassenposities; zij behoren tot de objectieve klassenpositie en zijn ook van belang voor subjectieve waarnemings-, duidings- en waarderingspatronen.

Het is niet toevallig dat met name de tussenklassenposities meestal een relatief hoge mate aan instabiliteit vertonen. De reden daarvan is dat deze tussenklassenposities ontstaan op het snijpunt van meerdere uitbuitingsvormen die weliswaar functioneel zijn geïntegreerd binnen de context van een dominante arbeidswijze en het daarbij behorende primaire uitbuitingsmechanisme, maar zeker niet op harmonieuze wijze. Dit heeft tot gevolg dat de reproductie van deze tussenklassenposities een relatief grote labiliteit vertoont.

Bij de afbakening van de positie van de loonafhankelijke professionals en experts is er al op gewezen dat hun tussenklassenpositie als ‘niet-proletarische loonarbeiders’ een zekere mate aan objectieve ambiguïteit vertoont. Deze specifieke tussenklassenpositie biedt immers voor sommige professionals niet alleen mogelijkheden om op te klimmen in de managementshiërarchie, maar ook om zich te onttrekken aan loonafhankelijkheid en voor zichzelf te beginnen, als kleine zelfstandige of als zelfstandige kapitalistische ondernemer. Dergelijke tussenklassenposities zijn ambigu en relatief instabiel omdat zij niet alleen gestructureerd worden door de actuele plaats in (kapitalistische en credentiële) uitbuitingsverhoudingen, maar tevens afhankelijk zijn van de exit-opties die aan deze posities zijn verbonden.

Voor alle relatief instabiele tussenklassenposities is het dus van belang na te gaan wat de aard is van deze positioneel bepaalde exit-opties. Relatief tijdelijke en instabiele tussenklassenposities worden intrinsiek gekenmerkt door het feit dat zij altijd in de schaduw staan van een of meer andere klassenposities. Een instabiele klassenpositie wordt dus mede gekenmerkt door de schaduwklasse die voor haar bezetters als exit-optie aanwezig (of het meest waarschijnlijk) is. Zoals eerder opgemerkt is de schaduwklasse van de tussenklassenpositie van de moderne professionals de kleinburgerij. Omgekeerd kan men zeggen dat de specifieke tussenklassenpositie van de kleine warenproducenten en de kleinburgerij (de zelfstandige tussenklassen) mede wordt gekenmerkt door de daarmee verbonden schaduwklassen, de arbeidersklasse, de professionele tussenklasse en de kapitalistenklasse.

Index


4·3 Primaire en afgeleide klassenposities
Klassenposities zijn per definitie relationele verschijnselen omdat zij alleen in relatie tot elkaar bestaan en gedefinieerd kunnen worden. Dit relationele klassenperspectief vloeit voort uit het algemene inzicht dat klassenposities in en door exploitatieve maatschappelijke arbeidsverhou-dingen worden geconstitueerd, gereproduceerd en getransformeerd [→ hoofdstuk IV, § 2·2·1].

Klassenposities vormen dus per definitie de op elkaar betrokken tegenpolen van een exploitatieve maatschappelijke arbeidsverhouding. Bij de analyse van de totale klassenstructuur van een maatschappijformatie moet er echter rekening mee worden gehouden dat klassenposities ook nog op een andere manier van elkaar afhankelijk kunnen zijn. Sommige klassenposities zijn van andere hoofd- of tussenklassenposities afhankelijk, ook al worden zij niet door een en dezelfde maatschappelijke arbeidsverhouding gestructureerd. De specifieke aard van deze afhankelijkheidsrelatie tussen ‘afgeleide’ en ‘primaire’ klassenposities vereist een nadere analyse.

Onder primaire klassenposities versta ik alle klassenposities die verankerd zijn in exploitatieve maatschappelijke arbeidsverhoudingen, waarbinnen tevens het fonds van maatschappelijke rijkdom wordt gegenereerd waaruit de leden die deze klassenposities bezetten hun inkomens/inkomsten betrekken. De individuen die deze klassenposities bezetten, leven van de primaire revenuen, dat wil zeggen van inkomsten of inkomens die worden gegenereerd in de maatschappelijke arbeidsverhouding waarin zij zelf functioneren.

Onder afgeleide klassenposities versta ik alle klassenposities die verankerd zijn in maatschappelijke arbeidsverhoudingen waarbinnen niet de maatschappelijke rijkdom wordt geproduceerd waarmee de leden die deze klassenposities bekleden in hun levensonderhoud voorzien. De individuen die deze klassenposities bezetten, leven van secundaire revenuen, dat wil zeggen van inkomsten of inkomens die niet gegenereerd worden binnen de maatschappelijke arbeidsverhouding waarbinnen zij functioneren, maar zijn afgeleid van de primaire revenuen van andere klassen.

Het onderscheid tussen primaire en afgeleide klassenposities valt niet samen met het eerder gemaakte onderscheid tussen hoofd- en tussenklassenposities. Primaire klassenposities kunnen zowel hoofd- als tussenklassenposities omvatten. Dit impliceert tevens dat ik geen exclusief verband leg tussen primaire klassenposities en klassenposities die in primaire uitbuitingsverhoudingen zijn verankerd (zoals eerder gedefinieerd in hoofdstuk VII, § 3). Ik besef dat de door mij gekozen terminologie tot misverstanden kan leiden, maar heb hiervoor nog geen (taalkundig) eleganter alternatief kunnen bedenken.

Inhoudelijk gezien bestaat de afhankelijkheidsrelatie tussen beide typen klassenposities dus in een bepaalde transfer van inkomsten/inkomens. Deze transfer kan een directe en persoonlijke vorm aannemen (zoals bij persoonlijke dienstrelaties), als een meer indirecte en institutionele vorm (zoals bij dienstrelaties die door privaatrechtelijke of overheidsorganisaties worden gemedieerd).

Het onderscheid tussen primaire en afgeleide klassenposities kan het eenvoudigst worden toegelicht aan de positie van de loonafhankelijke middenklassen in burgerlijke maatschappijformaties. De loonafhankelijke middenklassen worden positioneel gekenmerkt door onzelfstandige loonarbeid buiten de directe loonarbeid-kapitaal verhouding. Het gemeenschappelijke kenmerk van de personen die tot de loonafhankelijke middenklassen behoren, is dat zij uit de inkomens van andere klassen worden betaald en dus van afgeleide revenuen leven.

In tegenstelling tot de zelfstandige middenklassen zijn in alle kapitalistische landen de onzelfstandige of loonafhankelijke middenklassen in omvang toegenomen. Bij de analyse van deze klassen staan twee probleemcomplexen centraal:

Beide vragen zal ik hier kort behandelen.

Index


4·3·1 Groei van loonafhankelijke middenklassen
In de marxistische traditie wordt de groei van de loonafhankelijke middenklassen, verklaard vanuit de samenhang tussen het meerproduct en het aantal personen dat daarvan leeft [Marx [Grundrisse:231; PKA 1973:271; Bischoff e.a. 1982:101 e.v.]. Door de stijging van de productiekracht van de arbeid wordt het deel van de productenmassa dat in de meerarbeidstijd wordt voortgebracht steeds groter in vergelijking met het deel dat in de noodzakelijke arbeidstijd wordt voortgebracht. Deze verschuiving tussen noodzakelijke en meerarbeid wordt met name mogelijk gemaakt door de stijging van de arbeidsproductiviteit.

Met de accumulatie van het kapitaal groeit dus ook het fonds waaruit de ‘surplusbevolking’ op de een of andere wijze een afgeleid inkomen betrekt. Hierdoor kan het aantal buiten het directe meerwaardevormingsproces van het kapitaal werkende (en in die zin ‘onproductieve’) loonarbeiders toenemen.

Enerzijds stijgen de inkomens van de kapitalistenklasse die onproductief kunnen worden besteed. Onder bepaalde omstandigheden kan hierdoor het aantal functies in de sfeer van de persoonlijke dienstverlening (huishoudelijk en bedienend personeel) toenemen. Anderzijds kan de arbeid toenemen die nodig is om een maatschappelijke infrastructuur (zoals algemene productie- en communicatievoorwaarden) en collectieve goederen (zoals algemene onderwijs- en gezondheidsvoorzieningen) te realiseren, voor zover deze althans aan de staat zijn overgelaten. Collectieve goederen zijn gebruikswaarden die niet als waren worden geproduceerd en niet particulier worden geconsumeerd. Collectieve goederen kunnen als zodanig niet door particulieren via ruil worden toegeëigend.

Aan een dergelijke verklaring van de groei van de loonafhankelijke (van afgeleide revenuen levende) middenklassen vanuit de toename van de maatschappelijke meerarbeid kleven een aantal problemen, waarvan ik de twee belangrijkste zal behandelen.

  1. Ten eerste impliceert de expansie van de meerwaardeproductie niet noodzakelijk dat de categorieën die daarvan afhankelijk zijn ook automatisch in omvang toenemen. Een stijgende meerwaardemassa leidt alleen onder bepaalde condities tot een groei van de loonafhankelijke middenklassen. Deze groei is in de eerste plaats afhankelijk van de wijze waarop de totale geproduceerde meerwaarde of winst wordt opgesplitst in toegevoegd kapitaal en uitgegeven inkomens [Marx, MEW 26.1:173].

    Het inkomensfonds van de loonafhankelijke middenklassen wordt bovendien beperkt door het aantal geldkapitalisten of renteniers die in de vorm van interest een effectieve claim leggen op de totale beschikbare meerwaarde. In alle hoogontwikkelde kapitalistische landen is een categorie renteniers ontstaan die —mede door de succesvolle uitbuitingspraktijken van hun voorvaders— in staat zijn zich vroegtijdig uit ‘het zakenleven’ terug te trekken en te leven van de rente van hun geaccumuleerde vermogen.

    Wanneer de rijkdom van een land groter wordt, kan ook het aantal renteniers toenemen. Wie met een middelgroot kapitaal begint, heeft redelijke kansen een vermogen op te bouwen waarvan de rente voldoende is om een luxueuze levensstijl te bekostigen. Het zijn kapitaaleigenaren (loutere aandeelhouders) die hun vermogen zelf niet productief willen aanwenden (of hoeven aan te wenden). Hun aandeel in het totale nationale kapitaal kan toenemen in verhouding tot het totale productieve kapitaal van een maatschappij. Voor Marx [MEW 25:373 e.v.] was dit niet alleen een mogelijkheid, maar een feitelijke tendens in kapitalistische maatschappijformaties (hij sloot rechtstreeks aan bij de stelling van de laatste vertegenwoordiger van de klassieke ‘burgerlijke’ economie: George Ramsay).

    Zie voor een poging om de relatieve omvang van de kapitaaleigenaren binnen de kapitalistenklasse in kaart te brengen: PKA [1974:240 e.v.]. En vanuit een tegengesteld perspectief voor Nederland: Wilterdink [1984]. Vgl. ook Bottomore/Brym [1989].

    De totale beschikbare meerwaarde wordt tenslotte beperkt door het aandeel van de commerciële winst die door de handelskapitalisten in de circulatiesfeer wordt geïncasseerd. De groeimogelijkheden van loonafhankelijke middenklassen worden dus niet alleen beperkt door de effectieve aanspraken van de medebezitters van de meerwaarde, maar ook door de afsplitsing van de commerciële winst.

  2. In internationaal vergelijkend perspectief blijkt dat in vijf metropolen van het kapitaal (V.S., Engeland, BRD, Frankrijk, Italië) in de periode tussen 1950 en 1976 de loonafhankelijke middenklassen met 46% zijn toegenomen, terwijl de traditionele middenklassen in dezelfde periode met 37% zijn ingekrompen. Het overgrote deel van de loonafhankelijke midden-klassen (gemiddeld 90%) behoort tegenwoordig tot de loonarbeiders van de staat [PKA 1977a].
    Ten tweede is de empirisch te constateren groei van de loonafhankelijke middenklassen in werkelijkheid de resultante van (minstens) twee tegenstrijdige processen: afname van de traditionele ‘dienende klasse’ (huishoudelijk personeel, bedienden, dienstmeisjes) en toename van het aantal loonarbeiders van de staat (de moderne ‘dienstklasse’).

    De toegenomen productiviteit van de arbeid onder kapitalistisch regime resulteert niet in een gelijkmatige toename van alle categorieën van de loonafhankelijke middenklassen. Veel werkzaamheden van de traditionele ‘dienende klasse’ werden in kapitalistische regie genomen waardoor een aanzienlijk deel van het huishoudelijke personeel overbodig is geworden. Vooral de activiteiten die in materiële gebruikswaarden resulteren, werden door kapitalistische warenproductie gesubstitueerd. Van de resterende diensten werd een deel verdrongen door de verdere ontwikkeling van huishoudelijke apparaten en machines (zoals wasmachines, ijskasten) of zij werden overgenomen door kapitalistisch georganiseerde dienstverlenende bedrijven (zoals schoonmaak-, wasserij- en tuinonderhoudsbedrijven). De groei van de dienende klasse (huishoudelijk personeel) is dus door de uitbreiding van kapitalistisch georganiseerde dienstverlening sterk afgeremd. Deze tegentendensen remmen overigens ook de vestiging van nieuwe zelfstandige existenties van niet-kapitalistische warenproducenten.

Marx en de loonafhankelijke ‘classe moyenne’
Marx verklaart de groei van de loonafhankelijke vanuit de samenhang tussen (toenemende) arbeidsproductiviteit en meerwaardemassa en de (hierdoor bepaalde) verhouding tussen primaire en afgeleide revenuen.
    “Alle nicht direkt in der Reproduktion, mit oder ohne Arbeit, figurierenden Gesellschaftsglieder können ihren Anteil am jährlichen Warenprodukt —also ihre Konsumptionsmittel— in erster Hand nur beziehn aus den Händen der Klassen, denen das Produkt in erster Hand zufällt — produktiven Arbeitern, industriellen Kapitalisten und Grundbesitzern. Insofern sind ihre Revenuen materialiter abgeleitet vom Arbeitslohn (der produktiven Arbeiter), Profit und Bodenrente und erscheinen daher jenen Originalrevenuen gegenüber als afgeleitete. Andererseits jedoch beziehn die Empfänger dieser in diesem Sinn abgeleiteten Revenuen dieselben, vermitttelst ihrer gesellschaftlichen Funktion als König, Pfaff, Professor, Hure, Kriegsknecht etc., und sie können also diese ihre Funktionen als die Originalquellen ihrer Revenue betrachten” [Marx MEW 24:372].
Marx ging ervan uit dat de loonafhankelijke ‘classe moyenne’ in de loop van de kapitalistische ontwikkeling een relatief steeds groter deel van de totale bevolking zou gaan vormen [Marx, MEW 26.2:576 en MEW 26.3:57].
    Marx merkt terloops op dat het scheppen van meer-arbeid gepaard gaat met het scheppen van minus-arbeid, d.w.z. met ledigheid (werkloosheid) of in het beste geval met niet-productieve arbeid. Vanuit de optiek van het kapitaal is dit vanzelfsprekend. Maar het is ook vanzelfsprekend vanuit de optiek van de klassen waarmee het kapitaal deze meerarbeid deelt, d.w.z. voor het deel van de ‘dienende klasse’ dat niet van kapitaal, maar van inkomen leeft [Marx, Grundrisse:304].

In zijn empirische uitweidingen over deze kwesties concentreert hij zich sterk op de groei van de traditionele dienende klasse.

    “Tenslotte maakt de buitengewoon opgevoerde productiviteit op het terrein der grootindustrie, die gepaard gaat met intensief en extensief toegenomen uitbuiting der arbeidskracht op alle overige productieterreinen, het mogelijk een steeds groter deel van de arbeidersklasse onproductief te gebruiken en zodoende in het bijzonder de oude huisslaven onder de benaming van ‘dienende klasse’, zoals bedienden, dienstmeisjes, lakeien, enzovoort, in steeds grotere aantallen te reproduceren” [MEW 23:469; vert. 337— gecorrigeerde vertaling].
Hij geeft hierbij een illustratie van de klassenstructuur van Engeland en Wales rond 1860. Op een totale populatie van iets meer dan 20 miljoen personen waren er volgens zijn calculaties slechts 8 miljoen personen die niet behoorden tot (a) de categorie die te jong of te oud is om te werken, (b) de ‘ideologische standen’ zoals regeerders, geestelijken, juristen en militairen, (c) de parasitaire groepen “wier bezigheid uitsluitend bestaat uit het verteren van andermans arbeid in de vorm van grondrente, huren enzovoort” en (d) de paupers, vagebonden, misdadigers enzovoort, dat wil zeggen “het tehuis voor invaliden van het actieve arbeidsleger en het dode gewicht van het industriële reserveleger” [MEW 23:673; vert. 500]. Deze 8 miljoen personen omvatten ook alle kapitalisten die op de een of andere wijze bij de productie, de handel, het geldwezen enzovoort betrokken waren. Van deze 8 miljoen personen behoorden maar liefst 15 procent tot het dienstpersoneel, dat wil zeggen het personeel dat in particuliere huizen diende.

Het “verheffende resultaat van de op kapitalistische wijze geëxploiteerde machinerie” [MEW 23:470; vert. 338] was dat het aantal ‘moderne huisslaven’ groter was dan het aantal textiel- en metaalarbeiders samen, en zelfs groter dan het aantal mijnwerkers. In het daarop volgende decennium zou het aantal bedienden alleen maar groter worden (het aantal mannelijke bedienden werd bijna verdubbeld) en men kan alleen maar vermoeden dat hetzelfde gold voor de dienstmeisjes (die in de volksmond ‘little slaveys’ werden genoemd). Hetzelfde patroon zien we bij de jachtopzieners voor de aristocratische wildparken; in de periode tussen 1847 en 1860 werd hun aantal bijna verdubbeld. In zijn empirische analyses beschrijft Marx alleen de groei van de traditionele bediendenklasse en niet de condities van de — latere — afname van deze klassencategorie.

In het hedendaagse kapitalisme is de klasse van het bedienend personeel grotendeels verdwenen. “Deze ontsnapping aan een bijzonder benauwende vorm onderwerping aan een andere klasse” [Bottomore 1991:38] is een van de grootste overwinningen die de Europese arbeidersklasse in de twintigste eeuw heeft behaald. De traditionele dienende klasse is echter niet de enige categorie waarvan het inkomen is afgeleid van de toegenomen primaire revenuen.

Index


4·3·2 Kenmerken van afgeleide klassenposities
Het gemeenschappelijke kenmerk van de uiterst heterogene categorie van loonafhankelijke middenklassen is dat zij onzelfstandige loonarbeid verrichten buiten het directe reproductieproces van het kapitaal en dat hun inkomens zijn afgeleid van andere revenuen, dat wil zeggen van de primaire inkomensvormen (arbeidsloon en winst), van het producentenloon van de zelfstandige middenklassen of van bepaalde rentevormen (grondrente, loyaliteitsrente, credentierente).

De leden van de loonafhankelijke middenklassen ruilen hun arbeidskracht niet tegen kapitaal, maar tegen revenu; zij staan dus niet in een loonarbeid-kapitaalverhouding, maar in een loonarbeid-revenuverhouding. De loonafhankelijke middenklassen kunnen daarom in eerste instantie worden gedifferentieerd naar de verschillende vormen die deze loonarbeid-revenuverhouding kan aannemen. Naast de directe ruil van arbeidskracht tegen kapitaal kan in burgerlijke maatschappijen arbeidskracht worden geruild tegen geld dat ontleend is aan het inkomen van de leden van één bepaalde klasse of van meerdere klassen tegelijk. In het laatste geval kan deze ruil bovendien worden bemiddeld door de lokale of centrale politieke instituties van de burgerlijke maatschappij, dat wil zeggen door de staat. Vanuit deze optiek kunnen de loonafhankelijke middenklassen in drie grote categorieën worden onderverdeeld.

  1. Persoonlijke dienstverleners: chauffeurs, tuinlieden, stalknechten, jachtopzieners, koks, huishoudsters, dienstmeisjes, kleermakers en huismeesters die in particuliere huishoudens zijn aangesteld. De ‘domestic servants’ staan wel in een loonverhouding, maar produceren voor hun particuliere werkgever geen waren: zij verrichten persoonlijke diensten in het kader van het particuliere huishouden van leden van andere klassen. Het kenmerkende van deze verhouding is dat er een directe ruil van geld tegen arbeidskracht plaatsvindt, zonder dat deze arbeid kapitaal produceert.

  2. Loonarbeiders in klassengebonden non-profit organisaties, zoals vakbonden, professionele organisaties, sociale verzekeringsinstellingen, werkgeversorganisaties, politieke partijen en dergelijke. Het inkomen van deze klassencategorie is afgeleid van de primaire revenuen van één of meerdere van de hoofd- of tussenklassen van de burgerlijke maatschappij. Het klassengebonden karakter van deze non-profitorganisaties betekent dus niet dat zij direct en zuiver gerelateerd zijn aan (de inkomens van) één bepaalde klasse. Een typisch voorbeeld van een mengvorm zijn de katholieke kerken.

  3. Loonarbeiders van de staat. De civil servants betrekken eveneens een inkomen dat is afgeleid van de primaire revenuen van andere klassen, maar in dit geval is deze relatie indirect, namelijk via de staat bemiddeld; zij treden niet in een loonarbeid-kapitaalverhouding, maar in een loonarbeid-staatverhouding. Evenals bij de andere categorieën van de loonafhankelijke middenklassen wordt de arbeidsverhouding waarin de loonarbeiders van de staat opereren, gekenmerkt door een directe ruil van geld (als geld ≠ kapitaal) tegen arbeidskracht. De bijzonderheid van deze arbeidsverhouding ligt besloten in het feit dat het fonds waaruit deze loonarbeiders worden betaald primair tot stand komt door belastingheffing van de staat.
      Deze algemene aanduidingen van de klassenpositie van de loonarbeiders van de staat roepen een hele serie problemen op. Ik wil er in dit verband slechts op wijzen (1) dat de inkomsten van de staat niet beperkt zijn tot belastingen en dat men dus een veel gedifferentieerder analyse moet maken van de inkomstenbronnen van de staat, (2) dat de burgerlijke staat zelf ook als kapitalist kan optreden en dat men dus een aparte analyse zou moeten maken van de positie van de loonarbeiders in kapitalistische staatsbedrijven, (3) dat de moderne burgerlijke staat zeer uiteenlopende functies verricht en dat men dus een de interne geleding van de loonarbeiders van de staat zou moeten analseren. De eerste twee problematieken werden geanalyseerd door Krätke [1984]. De derde problematiek werd — vanuit divergerende theoretische perspectieven — geanalyseerd door PKA [1977], Bischoff e.a. [1982] en Armanski e.a. [1975].

De verschillende soorten secundaire revenuen constitueren klassenposities die gebaseerd zijn op de verhouding van loonarbeid en kapitaal, maar zich van deze fundamentele klassentegenstelling onderscheiden. De inkomens- en levensverhoudingen binnen deze secundaire revenuvorm lopen echter sterk uiteen. Van de vorming van een gemeenschappelijk klassenbelang, gemeenschappelijke habitus, levensstijlen en politiek-culturele opvattingen is daarom geen sprake [Bischoff e.a. 1982:101].
Deze indeling is slechts een uitgangspunt voor een analyse van de moderne loonafhankelijke middenklassen. De essentie van deze benadering is dat de specifieke aard van de ruilrelatie (arbeidskracht en revenu) en van de werkgelegenheidsrelatie wordt gebruikt als basis voor differentiaties in de klassenstructuur.

Daarin ligt niet alleen een belangrijk verschil met Goldthorpe’s ‘service class’, maar ook met Poulantzas’ poging om de loonafhankelijke middenklassen en loonarbeiders van de staat te rangschikken onder de ‘nieuwe kleinburgerij’. In beide benaderingen wordt geen rekening gehouden met de specifieke maatschappelijke aard van de ruilrelatie, noch met de specifieke kenmerken van de klassenpositie van de loonarbeiders van de staat.

Index


4·3·3 Diensverlening
Het ‘onproductieve’ karakter van de arbeid van de loonafhankelijke middenklassen is een zeer omstreden kwestie. Dit wordt gedeeltelijk veroorzaakt door de gebruikelijke associatie van de term ‘onproductief’ met de betekenis van ‘nutteloos’ (en alle daaraan verbonden morele connotaties). Maar het kernprobleem is dat het begrip onproductieve arbeid —ook bij Marx— veel minder eenduidig is dan het begrip productieve arbeid en dat het zeer vaak als een soort restcategorie wordt gehanteerd.

De reden hiervan is (a) dat onproductieve arbeid vaak wordt verward met dienstverlenende arbeid, en (b) dat er meerdere vormen van onproductieve arbeid en ook van loonarbeid zijn die geen meerwaarde voor het kapitaal produceren.

  1. Een dienst is een vorm van ruil van geld tegen gespecificeerde arbeidsverrichtingen; het is een uitdrukking voor de bijzondere gebruikswaarde van de arbeid, waarvan niet het product, maar de activiteit zelf nuttig is [→ hoofdstuk VI, § 2. Zie ook Marx, Resultate:72 e.v.]. De resultaten van andere arbeidssoorten belichamen zich in een materieel product dat als waar een onafhankelijk bestaan van de directe producent kan leiden. Maar diensten resulteren niet in een tastbaar, van de persoon zelf onderscheiden product.
      Adam Smith merkte al op dat diensten en hun product zich in de regel vervluchtigen doordat zij geleverd worden op het moment waarop zij geproduceerd worden. Een aantal klassieke economen (zoals Say) noemden het resultaat van diensten ‘immateriële producten’.

    Het onderscheid tussen goederenproductie en dienstverlening valt niet samen met het onderscheid tussen materiële en immateriële arbeid. Bij goederenproductie kunnen de resultaten of producten van de arbeid tijd-ruimtelijk worden gescheiden van de arbeidshandeling en van hun producenten. Bij dienstverlening is dit niet het geval. Bovendien kan het arbeidsproces niet tijd-ruimtelijk worden gescheiden van het proces waarin de dienst wordt geconsumeerd of gebruikt; deze eenheid van arbeids- en consumptieproces wordt ook wel het uno-acto principe genoemd [Berger 1986:31; Bader/Benschop 1988:92].

    Zangers, soldaten, artsen en advocaten
    Bij Marx worden diensten als volgt afgebakend:
      “Gewisse Dienstleistungen oder die Gebrauchswerte, Resultate gewisser Tätigkeiten oder Arbeiten, verkörpern sich in Waren, andre dagegen lassen kein handgreifliches, von der Person selbst unterschiedenes Resultat zurück; oder ihr Resultat is keine verkaufbare Ware” [Marx, MEW 26.1:380].
    Marx verduidelijkt dit met het voorbeeld van de dienst die een zanger mij verleent. De zanger bevredigt mijn esthetische behoefte. Ik geniet van een handeling die niet kan worden losgemaakt van de zanger zelf. Zodra zijn werk (het zingen) ophoudt, is ook mijn genot ten einde. Ik geniet dus van de activiteit zelf. Net als de materiële goederen die ik op de markt koop, kunnen diensten noodzakelijk zijn of noodzakelijk lijken (zoals de dienst van een soldaat, arts of advocaat), of het kunnen diensten zijn die mij genot verschaffen (omdat zij een werkelijke of ingebeelde gebruikswaarde hebben).

    Het ‘immateriële’ aspect van diensten is dus dat zij niet resulteren in objecten die gescheiden kunnen worden van het actieve arbeidsproces (van de dienstverlener) en van het consumptie- of gebruiksproces (van de consument, gebruiker, cliënt of patiënt). “De dienst is niets anders van het directe nuttige effect die een concrete arbeid voor anderen heeft” [Krätke 1984:27]. Dit nuttige effect kan zich wel degelijk uitdrukken in een materiële verandering van het lichaam van de consument (zoals bij de kapper, de arts of de pedicure). Het essentiële verschil blijft echter dat het nuttige effect van een dienst niet als een zelfstandig ding kan worden onderscheiden van de activiteit van de producent of van de aanwezigheid van de consument.

    Immateriële of geestelijke arbeid echter kan wel degelijk resulteren in resultaten of producten die tijd-ruimtelijk gescheiden kunnen worden van het arbeidsproces waarin deze worden voortgebracht en kunnen daarom ook onafhankelijk van dit arbeidsproces als waren circuleren. Zo resulteert de geestelijke arbeid van een schrijver bijvoorbeeld uiteindelijk in een boek en de immateriële arbeid van een zanger in een compact-disc of in een via iTunes aan de man gebracht digitale song. Immateriële arbeid die louter en alleen voor de ruil wordt bedreven, kan dus wel degelijk verkoopbare waren produceren.

      Waren worden door Marx gedefinieerd als “gebruikswaarden die een van de producenten en consumenten onderscheiden zelfstandige gedaante hebben, dus in een interval tussen productie en consumptie kunnen bestaan, als verkoopbare waren in dit interval kunnen cirkuleren”

  2. Het verschil tussen goederenproductie en dienstverlening valt niet samen met het verschil tussen productieve en onproductieve arbeid. Diensten zijn niet per definitie onproductief — zij kunnen immers als waren en ook als kapitalistische waren worden gekocht en verkocht. Hierdoor vervaagt het verschil tussen de koop en verkoop van waren en de koop en verkoop van de waar arbeidskracht [Krätke 1984:79].

    Volgens Marx kan arbeid onmogelijk “in de vorm van de activiteit” [MEW 26.1:143] of “direct ... als levende arbeid zelf” [idem:142] tot waar worden. Hij geeft hiervoor twee argumenten. Ten eerste zouden alleen fysieke objecten als waren kunnen worden verkocht. Dat is niet consistent. Ook Marx wist immers dat veel waren als eigendomstitel circuleren zonder dat zij fysiek van plaats veranderen: wanneer bijvoorbeeld een huis wordt verkocht, dan circuleert dit huis als waar, “maar het gaat niet wandelen” [MEW 24:151]. Op dezelfde wijze kunnen ook aanspraken op toekomstige diensten circuleren [Krätke 1984:79]. Ten tweede: “De arbeid zelf … in haar levende bestaan kan niet direct als waar worden opgevat, maar alleen het arbeidsvermogen, waarvan de tijdelijke uiting de arbeid zelf is”, omdat “de eigenlijke loonarbeid alleen op deze wijze kan worden ontwikkeld” [MEW 26.1:141].

  3. Toch moet er een begripsmatig onderscheid worden gemaakt tussen de verkoop van een dienst en de verkoop/verhuur van arbeidskracht.
    1. Wanneer een ondernemer in de dienstensector een loonarbeider aanstelt, dan koopt hij de dispositie over zijn arbeidsvermogen, dat wil zeggen hij verwerft voor een bepaalde periode het commando over deze arbeider. Ondanks de contractuele vorm moet de loonarbeider in een gezagsverhouding treden.
        De begripsmatige status van de arbeidskracht als waar werd uitvoerig behandelt door Ton Korver [1989] Hij sluit aan bij Polanyi’s begrip van de arbeid(skracht) als een ‘fictieve waar’. Als men het idee van de arbeidskracht als waar serieus neemt, mag men enerzijds “a clear concept of alienable property in labour power” verwachten, anderzijds “a defensible notion of freedom of contract” [p. iii]. Een eigendomsconcept is nodig omdat er zonder eigendom weinig te verkopen valt. De vraag is dus “what is sold in the exchange creating the bond between worker en employer?” [idem]. Volgens Korver is dit geen goed, maar ook geen dienst. Een dienst veronderstelt immers een relatie tussen een actor en een cliënt, terwijl de ondernemer die arbeidskrachten inhuurt geen cliënt is. Er wordt ook geen ‘belofte’ verkocht, want beloftes zijn “tradeable objects and allow for very detailed specification indeed” [idem]. In het gunstige geval bevat het arbeidscontract “the ‘promise’ to accept and work accordingly to the instructions and the command of an employer” [p. iii; vgl. 305]. Dit is echter een zeer specifieke belofte. Zijn conclusie luidt: “If one wants to stick to the notion of exchange one is forced to admit that the exchange involves the acceptance of authority for the payment of wages” [p. iii; vgl. p. 289].

    2. Wanneer een particulier of een organisatie (zoals een onderneming) een persoonlijke of zakelijke dienst van een kapitalistische producent van diensten koopt, dan staat deze niet in een gezagsverhouding tot de dienstverlener. Hoe de arbeid wordt verricht, zal de koper van deze dienst een zorg zijn, zolang hij maar het gewenste nuttige effect tegen de overeengekomen prijs ontvangt. Als consument van een dienst moet hij bereid zijn zich te laten behandelen of bewerken.

      De dienstverlenende arbeider treedt deze consument/klant/gebruiker niet als loonarbeider tegemoet, maar als een gespecialiseerde producent wiens kennis, kunde en ervaring een zekere macht over zijn klanten geeft. De specifieke aard en mate waarin een klant afhankelijk is van een dienstverlener is uiteraard zeer variabel. Omdat bij diensten de productie en de consumptie in ruimte en tijd samenvallen, is het de dienstverlener die het consumptieproces bepaalt. De koper kan met zijn waar dus niet doen en laten wat hij wil; wat hij heeft gekocht is een door anderen — de producent, respectievelijk het bedrijf waartoe hij behoort — bepaalde wijze om zich te laten behandelen.

    Kapitalistisch georganiseerde dienstverlening
    Wanneer de persoonlijke of zakelijke dienstverlening louter en alleen voor de ruil wordt bedreven zijn er twee mogelijkheden.
    1. Er worden zelfstandige waren geproduceerd die duidelijk te onderscheiden zijn van het arbeids- en consumptieproces en in het interval tussen productie en consumptie als verkoopbare waren kunnen circuleren. Dit is bijvoorbeeld het geval met alle kunstproducten (boeken, schilderijen, foto’s, films, video’s enzovoort) die onderscheiden kunnen worden van de arbeid van de uitvoerende kunstenaar, alsook met veel wetenschappelijke producten (studieboeken, gepatenteerde uitvindingen, computerprogramma’s enzovoort).

      Gezien de specifieke aard van dergelijke producties meende Marx [MEW 26.1:385] dat de kapitalistische productiewijze slechts in zeer beperkte mate kon worden toegepast. Wanneer bijvoorbeeld een encyclopedieschrijver een aantal hulpkrachten exploiteerde, dan bleef dit vroeger meestal beperkt tot een overgangsvorm naar de kapitalistische productie: de diverse wetenschappelijke of artistieke producenten, ambachtslieden of professionals werkten samen voor een gemeenschappelijk handelskapitaal van de boekhandelaar. Deze verhouding had met de eigenlijke kapitalistische arbeidswijze nog niets te maken en was daaraan zelfs formeel niet ondergeschikt. Het feit dat de exploitatie van de arbeid juist in deze overgangsvormen vaak het grootst was, verandert hier niets aan. In het hedendaagse kapitalisme werken talloze wetenschappelijk of artistiek gekwalificeerde arbeiders in dienst van kapitalistische arbeidsorganisaties. Deze verhouding heeft wel degelijk iets met de eigenlijke kapitalistische arbeidswijze te maken, omdat deze producenten formeel (als loonarbeiders) en tot op zekere hoogte ook reëel aan het kapitaal zijn ondergeschikt.

    2. Er worden geen producten vervaardigd die van het arbeidsproces en van de arbeidshandeling gescheiden kunnen worden. Dit is bijvoorbeeld het geval met leraren, doktoren, geestelijken en uitvoerende kunstenaars (zoals zangers, toneelspelers, cabaretiers). De mogelijkheden om deze activiteiten onder de kapitalistische arbeidswijze te subsumeren zijn door de specifieke aard van de geleverde diensten beperkt, maar dat betekent niet dat dit onmogelijk is.

      Met name bij de persoonlijke dienstverlening is het niet altijd even gemakkelijk om deze onder kapitalistische regie te brengen. Dienstverlening heeft in het algemeen twee eigenschappen waardoor het bijzonder moeilijk is om haar onder kapitalistische regie te bedrijven. (i) Omdat het product van de arbeid van de dienstverlener niet kan worden gescheiden van zijn of haar lijfelijke aanwezigheid, vereist de toeëigening van diensten ten gunste van meerwaarde-extractie een tamelijk directe machts- of heerschappijverhouding. (ii) De veruiterlijking van een dienst als kapitalistisch geproduceerde waar vereist de tijd-ruimtelijke aanwezigheid van de gebruikers of kopers van deze dienst [Bader/Benschop 1988:92,304].

      Ook in de dienstverlening heeft de kapitalistische arbeidswijze ingang gevonden in een mate die Marx in zijn tijd niet voor mogelijk had gehouden.* We zien dit in de onderwijs- en gezondheidssector, maar ook in de culturele sector (‘cultuurindustrie’) en in het advieswerk.

      Leraren die hun arbeidskracht verhuren aan een particuliere onderwijsinstelling fungeren louter als loonarbeiders voor de ondernemer van deze instelling. Voor hun ondernemer zijn deze leraren productieve arbeiders in strikt kapitalistische zin: de onderwijsondernemer ruilt zijn kapitaal tegen hun pedagogisch gekwalificeerde arbeidsvermogen en tracht in dit proces zijn geïnvesteerde kapitaal te vermeerderen. Hetzelfde geldt voor kapitalistisch georganiseerde klinieken, theater- en amusementsbedrijven enzovoort. Tegenover de patiënt gedraagt de arts zich als dienstverlenend geneesheer, zoals de toneelspeler zich tegenover zijn publiek als kunstenaar gedraagt — maar voor hun ondernemers verrichten zij productieve arbeid.

      * Volgens Marx was de kapitalistische productiewijze slechts in zeer beperkte mate toepasbaar op de dienstverlening en zou deze gezien de aard van deze diensten slechts in enkele gebieden worden toegepast. De verschijnselen van (grootschalige) kapitalistisch georganiseerde dienstverlening zouden vergeleken met het geheel van de productie zo onbetekenend zijn, dat zij volgens hem volledig verwaarloosd kunnen worden [Marx, MEW 26.1:385 e.v.; vert. 57]. Marx maakte dus een voorbehoud met het oog op de historische ontwikkelingsstand van het kapitalisme van zijn tijd. Kapitalistisch georganiseerde dienstverlening beschouwde hij echter als een vorm van productieve arbeid. Omdat ook de niet-materiële productie en de dienstverlening in het hoogontwikkelde kapitalisme in dienst van de kapitaalvermeerdering staan, moet men het door Marx gemaakte voorbehoud laten vallen.

    Index


    4·3·4 Productieve en onproductieve arbeiders
    De arbeid van de leden van de loonafhankelijke middenklassen is in de specifiek kapitalistische zin van het woord niet productief. Dit heeft niets te maken met het concreet-nuttige karakter van hun arbeid, maar met de specifieke kenmerken van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen waarin de leden van de loonafhankelijk middenklassen hun werk verrichten. Productieve arbeid werd eerder gedefinieerd als loonarbeid die aan het kapitaal is ondergeschikt. Het is dus geen inhoudelijke maar een functionele bepaling van de arbeidkracht die tegen variabel kapitaal geruild wordt met het doel: expansie van dat kapitaal door de extractie van meerwaarde. Van onproductieve arbeid is sprake wanneer arbeidkracht tegen revenu, tegen geld als geld wordt geruild.
      Het begrip productieve arbeid in specifiek kapitalistische zin is afgebakend in hoofdstuk VI, § 8. Het verschil tussen productieve en onproductieve arbeid in het reproductieproces van het kapitaal wordt behandeld in hoofdstuk VII § 5·1·3.
      Zowel door Smith als door Marx werd productieve arbeid gedefinieerd als ‘arbeid’ (of nauwkeuriger: arbeidskracht) die tegen het variabele deel van het kapitaal wordt geruild, tegen geld als kapitaal. Hierdoor is tevens vastgesteld wat onproductieve arbeid is. “Het is arbeid die niet tegen kapitaal, maar direct tegen revenu wordt geruild” [Marx, MEW 26.1:127; vgl. 228]. Zie ook PEM [1975:126], Ritsert [1987:17].

    De leden van de loonafhankelijke middenklassen verhuren hun arbeidskracht, maar produceren zelf geen waarde of meerwaarde: hun arbeidskracht heeft een waarde en kost dus een equivalent, maar produceert zelf geen waarde (en dus niet het fonds waaruit zij betaald worden). Anders gezegd: hun arbeidskracht wordt niet ingehuurd en gebruikt vanwege haar waardescheppende potentie, maar vanwege haar specifieke gebruikswaarde. Bij ‘normale’ kapitalistische loonarbeid is de kapitalist niet primair geïnteresseerd in de bijzondere gebruikswaarde van de arbeidskracht en van het product, maar in de waarde die de arbeidskracht voortbrengt (gebruikswaarde voor de waarde); particulieren of non-profit-organisaties die diensten van onproductieve arbeiders inhuren, zijn daarentegen primair geïnteresseerd in de waarde voor het gebruik. In het algemeen kan men dus zeggen dat de arbeid van loonafhankelijke middenklassen niet in dienst van de ruil staat: zij produceren in de regel geen producten die gemaakt worden om met winst te worden verkocht.

    Sommige leden van de loonafhankelijke middenklassen verrichten arbeid die zich belichaamt in een materieel product dat onafhankelijk van het arbeidsproces kan circuleren. Zo resulteert de arbeid van een timmerman die ik als privépersoon in dienst neem in tafels, stoelen, banken of tuinhuisjes; dergelijke gebruikswaarden hebben de mogelijkheid om waar te worden en kunnen desgewenst op de markt worden verhandeld. Zo kunnen ook de producten die door een aanvankelijk niet-commerciële stads- of staatsdrukkerij worden geproduceerd zeer gemakkelijk als winstgevende waar op de markt worden gebracht. In de mate dat hierbij het winstoogmerk prevaleert, verandert het karakter van de arbeidsverhoudingen waarin de betreffende loonarbeiders zijn gesteld. De formele privatisering van een dergelijke drukkerij is daarvan de —van buitenaf— meest zichtbare indicatie.

    In de theoretische analyses van de klassenstructuur speelt het begrippenpaar productieve en onproductieve arbeid een belangrijke, maar vaak ook verwarrende rol. De centrale claim in de marxistische onderzoekstraditie is dat met behulp van deze analytische begrippen de typisch sociaal-economische posities en functies van groeperingen binnen of ten opzichte van het totale reproductieproces van het kapitaal kunnen worden afgebakend. Anders gezegd: objectieve klassenposities kunnen worden geïdentificeerd door een analyse van de posities in of relaties met het reproductieproces van het kapitaal.

    In deze algemene betekenis is ‘productieve arbeid’ een synoniem voor ‘kapitalistische loonarbeid’. Zie hoofdstuk VI. § 8
    ‘Productieve arbeid’ is een gecomprimeerde uitdrukking voor de hele verhouding waarin het arbeidsvermogen in kapitalistisch georganiseerde arbeidsprocessen fungeert. Daarom vervult het onderscheid tussen productieve en onproductieve arbeid een sleutelfunctie in de analyse van de klassenposities in burgerlijke maatschappijformaties. Dit betekent echter niet dat (on)productieve arbeid een eenduidig en allesbepalend klassencriterium is (zoals Poulantzas en anderen menen). Twee overwegingen zijn hierbij van belang. Ten eerste: in de analyse van het reproductieproces van het kapitaal fungeert de differentiatie tussen productieve en onproductieve arbeid om fracties van de loonarbeiders van het kapitaal te onderscheiden. Ten tweede: de zeer uiteenlopende maatschappelijke arbeidsvormen die buiten het directe reproductieproces van het kapitaal zijn gesitueerd, kunnen slechts in zeer algemene zin als ‘onproductief’ worden aangeduid.

    In kapitalistische maatschappijformaties zijn er meerdere vormen van arbeid — en ook van loonarbeid — die geen meerwaarde voor het kapitaal produceren. Dit geldt niet alleen voor arbeidskrachten die tegen revenu worden geruild (loonafhankelijke middenklassen), maar ook voor de arbeid die verricht wordt door de loonarbeiders van het commerciële kapitaal, de niet-kapitalistische warenproducenten en dienstverleners, en de onbetaalde arbeidskrachten in huishoudelijke eenheden.

    1. De commerciële loonarbeiders van het kapitaal zijn niet onproductief omdat zij diensten verrichten, maar omdat zij arbeid in de circulatiesfeer verrichten. Zij ruilen arbeidskracht tegen handels- of financierskapitaal en zij zijn onderworpen aan de algemene dwang tot meerarbeid. Ik heb er al eerder op gewezen dat commerciële loonarbeid minstens in één opzicht indirect relevant is voor de meerwaardevorming van het kapitaal [→ hoofdstuk VII, § 5·1·3].

    2. Onproductief is ook de arbeid van mensen die niet in een loonverhouding staan omdat zij beschikken over eigen materiële arbeidsvoorwaarden, en die hun concreet-nuttige arbeid (als diensten) of de resultaten daarvan (als waren) verkopen in plaats van hun arbeidskracht. Zij zouden dezelfde arbeid in principe ook als loonarbeiders van het kapitaal of van de staat kunnen verrichten, maar zij opereren feitelijk als kleine niet-kapitalistische warenproducenten of als kleine zelfstandige dienstverleners [→ hoofdstuk VI, § 6 - Kleine warenproductie]. Zij produceren wel waarde, maar geen meerwaarde. Omdat de kleine warenproducenten hun eigen waren en niet hun eigen arbeidskracht verkopen, heeft deze verhouding niets te maken met de ruil van kapitaal en arbeid, en dus ook niet met het onderscheid tussen productieve en onproductieve arbeid. “Zij behoren daarom noch tot de categorie van de productieve noch tot die van de onproductieve arbeiders, hoewel zij producenten van waren zijn. Maar hun productie is niet aan de kapitalistische productiewijze ondergeschikt” [Marx, MEW 26.1:382; vert. 54 e.v.].

      Auteurs die huishoudelijke arbeid productief noemen —zoals James/Dalla Costa [1973]— gebruiken deze term hoofdzakelijk om de onmisbaarheid van huishoudelijke arbeid voor de kapitalistische productie te onder-strepen en een tegenwicht te vormen tegen het negeren van de rol van de huishoudelij-ke arbeid door vroegere generaties sociale wetenschappers. Zie voor een uitvoeriger kritiek hierop: Seccombe [1974/7:23 e.v.]. Zie voor een overzicht van de discussie over huishoudelijke arbeid: Boekraad/Van Wel [1977], Delphy/Leonnard [1992:51].

    3. Huishoudelijke arbeid is een noodzakelijke, maar onproductieve arbeid. Huishoudelijke arbeid is een vorm van gebruikswaardenproductie. De producten ervan zijn gebruiks-waarden, bestemd voor directe consumptie binnen huishoudens (inclusief kloosters) of gezinnen. In het huishoudelijke arbeidsproces worden goederen (consumptie- en huishoudelijke arbeidsmiddelen) die met de inkomens van een of meer leden van het huishouden (‘kostwinners’) zijn gekocht, omgezet in gebruikswaarden die geschikt zijn voor directe consumptie door de leden van het huishouden. Deze huishoudelijke arbeid in engere zin omvat alle activiteiten die betrekking hebben op het winkelen, koken, (af)wassen, schoonhouden van de woning enzovoort. Huishoudelijke arbeid in de bredere zin van het gezinsverband (‘gezinsarbeid’) omvat tevens soortreproductieve activiteiten met betrekking tot zwangerschap, geboorte, kinderverzorging en socialisatie. Deze activiteiten van de ouder(s) omvat een hele serie persoonlijke diensten die in de context van het huishouden en van het gezin worden verricht.

      Huishoudelijke arbeid is geen meerwaardescheppende arbeid omdat deze niet in een directe verhouding tot het kapitaal wordt verricht; het is evenmin waardescheppende arbeid en is niet rechtstreeks onderworpen aan de werking van de ‘waardewet’. Huishoudelijke arbeid is geen vorm van warenproductie.

      Onbetaalde huishoudelijke arbeid heeft slechts een indirecte invloed op de kapitalistische markteconomie. Het onbetaalde huishoudelijke werk verlaagt de reproductiekosten van de arbeidskracht en subsidieert de betaalde arbeid van mannen.

        “In the case of the employed of either sex, those who do unpaid work in homes also subsidise employers. For the employers would otherwise have to pay higher wages to cover the higher living costs incurred by their employees if they had to pay cash at market rates for all essential services at present provided for them in their own homes in return for subsistence only, and sometimes barely that” [Lewenhak 1992:21].

      De gebruikswaarden die binnen (gezins)huishoudens worden geproduceerd, worden niet verdeeld overeenkomstig de arbeidstijd die aan deze producties wordt besteed. De verdeling en herverdeling binnen huishoudens voltrekt zich niet via het principe van de gelijke warenruil tussen warenbezitters en oriënteert zich dus niet op waardebepaling, maar veeleer op meer of minder traditionele of gereflecteerde (sekse- en generatiespecifieke) behoeftedefinities. Dit impliceert tevens de mogelijkheid van exploitatie, namelijk wanneer in patriarchaal georganiseerde gezinshuishoudens systematisch meerarbeid van vrouwen door mannen wordt toegeëigend [→ hoofdstuk IX, § 4]. Huishoudelijke arbeidsrelaties zijn echter als zodanig geen klassenverhoudingen en ook geen verhoudingen van warenbezitters die in een verhouding van warenruil tot elkaar staan [→ hoofdstuk IX, § 4·2 - Sex as Class].

      Huishoudelijke arbeidsverhoudingen in kapitalistische maatschappijen worden gekenmerkt door een sterke persoonlijke afhankelijkheidsverhouding, d.w.z. door een verhouding van persoonsgebonden heerschappij en onderschikking tussen degenen die wel en niet over eigen inkomensbronnen beschikken (vaderlijke en ouderlijke macht). De tegenstellingen in het huishoudelijke arbeidsproces worden primair gestructureerd door de relatie tussen degenen die geen zelfstandige inkomensbron hebben (meestal vrouwen) en degenen die dat wel hebben (meestal mannen) alsook de feitelijke beschikkingsmacht over de consumptiemiddelen. Voor de soortreproductieve activiteiten ligt dit iets anders omdat de verhouding tussen man en vrouw hier gedeeltelijk op een natuurlijke grondslag berust. De soortreproductieve activiteiten wordt echter niet alleen gestructureerd door een biologisch gefundeerde arbeidsdeling naar sekse, maar ook door seksespecifieke rolverwachtingen. In een seksistische cultuur zijn deze rolverwachtingen als dominante culturele rolpatronen geïnstitutionaliseerd, die een aantal klassenspecifieke variaties vertonen.

      Wanneer de rolverdeling tussen man en vrouw zou worden omgekeerd, verandert dit op zichzelf niets aan het karakter van de huishoudelijke arbeid. Dat hier de (huis)vrouw als draagster van de huishoudelijke arbeid wordt opgevoerd, is natuurlijk alleen een realistische aanname voor burgerlijke maatschappijen die nog van seksistische arbeidsverdelingspatronen zijn doortrokken.

    Index


    4·4 Enkelvoudige en meervoudige klassenposities
    Bij de analyse van de klassenstructuur van de beroepsbevolking doet zich ook vanuit de personele optiek een complicatie voor. De klassenstructuur van de beroepsbevolking werd eerder omschreven als het geheel van relationeel gedefinieerde posities die door individuen worden ingenomen in exploitatieve arbeidsverhoudingen. Zowel in theoretische verhandelingen over als in empirische studies naar klassenverhoudingen wordt er bijna altijd van uitgegaan dat er een enkelvoudige relatie bestaat tussen individuen in hun arbeidspositie en een specifieke klasse(positie). Stilzwijgend wordt daarbij verondersteld dat individuen één en niet meer dan één positie in de klassenstructuur innemen. Deze vooronderstelling is echter onhoudbaar.

    In werkelijkheid nemen individuen vaak meer dan één positie in de arbeidsverhoudingen in of hebben zij meer dan één baan of bron van inkomsten. Hun klassenpositie is dus niet enkelvoudig, maar meervoudig bepaald. Zo kunnen mensen naast hun part-time overheidsbaan ook nog een partieel bestaan als kleine zelfstandige hebben opgebouwd. De meervoudige bepaaldheid van de klassenpositie kan echter nog veel complexere vormen aannemen. Het is, om de gedachte te bepalen, in principe mogelijk dat één persoon tegelijkertijd eigenaar is van zijn eigen land en huis, pachter van het land van iemand anders, verpachter van een stuk eigen land, loonarbeider in de oogsttijd en onafhankelijke kleine handelaar van de door hemzelf geproduceerde waren [Frank 1969:21].

    Index5. Klassenstructuur van de woonbevolking

    5·1 Directe en gemedieerde klassenposities
    In het voorafgaande werden klassenposities uitsluitend gethematiseerd binnen de structuur van de beroepsbevolking. Zodra het klassenanalytische perspectief wordt verbreed tot de totale woonbevolking doen zich een aantal nieuwe complicaties voor. De klassenpositie van veel individuen wordt immers niet direct gestructureerd door hun feitelijke positie in de maatschappelijke arbeids- en exploitatieverhoudingen, maar door hun positie in een specifiek gezinsverband of in een huishoudelijke woon- en leefeenheid.[66] Het is dus van belang een onderscheid te maken tussen de klassenstructuur van de beroepsbevolking en de klassenstructuur van de huishoudens, dat wil zeggen van de woonbevolking als geheel.

    Gezin en huishouden
    Bij de definitie van gemedieerde klassenposities is het van belang een onderscheid te maken tussen huishouden en gezin. Een huishouden wordt hier opgevat als een residentiële eenheid van huishoudelijke arbeid, consumptie en inkomen. De verhoudingen tussen de leden van een huishouden kunnen in meer of minder mate gelijk zijn. Dit is primair afhankelijk van het aandeel dat de leden van een huishoudelijke eenheid hebben in de huishoudelijke arbeid, de consumptie en het inkomen.

    Een (kern)gezin is een eenheid van man, vrouw en kind(eren), d.w.z. de kleinst mogelijk combinatie van aanverwantschap en bloedsverwantschap. De kleinst mogelijke combinatie van bloedverwantschap zonder aanverwantschap (ouder-kind) is hiervan een grensgeval (één-ouder-gezin). Een gezin is per definitie een verzameling van personen met en zonder zelfstandige inkomensbronnen [Boekraad/Van Wel 1977:125].

    Vanuit een klassenanalytisch perspectief is het in eerste instantie irrelevant of er sprake is van een (formeel-juridisch bekrachtigde) huwelijksband tussen de volwassen leden van een huishouden. Essentieel is in dit verband slechts of er sprake is van een sociaal-economische eenheid, d.w.z. van een specifieke interne verdeling van de huishoudelijke arbeid en van een bepaalde interne herverdeling van de inkomens van de leden van het huishouden.

    Ook uitbuitingsverhoudingen in patriarchale gezinshuishoudens of institutionele huishoudens (kloosters) structureren directe klassenposities.
    De klassenstructuur van de beroepsbevolking omvat het geheel van directe klassenposities. Onder directe klassenposities versta ik klassenposities die direct en als zodanig door exploitatieve arbeidsverhoudingen worden gestructureerd. Onder gemedieerde klassenposities versta ik klassenposities die worden gestructureerd door het lidmaatschap van een huishoudelijke leefeenheid waarvan minstens één persoon een directe klassenpositie inneemt. Individuen nemen een gemedieerde klassenpositie in wanneer en voor zover hun verbinding met exploitatieve arbeidsverhoudingen tot stand komt via een persoonlijke, binnen een huishoudelijke eenheid geïnstitutionaliseerde afhankelijkheidsrelatie met personen die een directe klassenpositie bezetten. De klassenstructuur van de woonbevolking omvat het gehele netwerk van directe en gemedieerde klassenposities.

    Gezin versus Huishouden
    Het onderscheid tussen directe en gemedieerde klassenposities is niet nieuw. Het speelt met name een belangrijke rol in de zgn. conventionele klassenbenadering waarin niet het individu, maar het gezin als eenheid van klassenanalyse wordt genomen. In deze benadering —die hieronder uitvoeriger zal worden bekritiseerd— nemen gezinsleden die op de arbeidsmarkt participeren een directe positie in, terwijl de klassenpositie van gezinsleden die —om welke reden dan ook— niet op de arbeidsmarkt participeren indirect wordt bepaald, d.w.z. wordt afgeleid van die van het ‘gezinshoofd’ of de ‘kostwinner’.

    Mijn benadering wijkt hiervan op twee essentiële punten af. Ten eerste beperk ik de definitie van directe klassenposities bewust niet tot ‘participatie op de arbeidsmarkt’. Binnen burgerlijke maatschappijen moeten directe klassenposities niet worden beperkt tot participatie op de arbeidsmarkt — ook ‘participatie op de kapitaalmarkt’ constitueert bijvoorbeeld directe klassenposities. Ten tweede beperk ik de definitie van gemedieerde klassenposities niet tot klassenposities die door ‘het gezin’, resp. ‘het gezinshoofd’ worden bepaald. Gemedieerde klassenposities komen pas tot stand wanneer de gezinsleden feitelijk een gezamenlijke huishouding voeren (en dit is lang niet altijd het geval). Bovendien komen gemedieerde klassenposities ook tot stand wanneer individuen een gezamenlijke huishouding voeren, ongeacht hun geslacht, ongeacht de juridische status van hun samenlevingsverband (gehuwd of niet) en ongeacht de vraag of er ook kinderen in hun residentiële eenheid zijn opgenomen.

    Om de begrippen directe en gemedieerde klassenposities bruikbaar te maken voor de sociologische klassenanalyse dan moeten zij worden ontkoppeld van deze conventionele invulling. In Wright’s poging om de begrippen directe en gemedieerde klassenposities te herdefiniëren, wordt een deel van deze conventionele lading meegesleept (ondanks zijn duidelijke kritiek op de premissen van deze benadering) en worden er een paar nieuwe problemen toegevoegd.

    Directe klassenposities impliceren “a single link between individuals and productive resources, constituted by their direct, personal control or ownership of such resources” [Wright 1992:41]. De materiële belangen van individuen van vlees en bloed worden niet alleen door dergelijke directe, persoonlijke relaties tot productieve bronnen gevormd, maar ook door een grotere verscheidenheid van andere relaties die hen aan het productiesysteem verbinden.

      “In contemporary capitalist societies, these include, above all, relations to other family members (both intra- and intergenerationally) and relations to the state” [idem].

    Het nadeel van zijn definitie is dat hij —net als Goldthorpe e.a.— het gezin in plaats van het huishouden als analyse-eenheid neemt. Bovendien reduceert hij directe klassenposities tot de relatie tussen individuen en ‘productieve bronnen’, d.w.z. tot posities in directe uitbuitingsverhoudingen. Klassenposities die door indirecte uitbuitingsverhoudingen worden geconstitueerd vallen buiten zijn definitie van directe klassenposities. Tenslotte rekt hij de gemedieerde klassenposities zover op dat zij niet alleen posities omvatten die door particuliere huishoudens zijn bemiddeld, maar ook door de staat. Zijn definitie van gemedieerde klassenposities is uiteindelijk zo breed dat hij daaronder alle huisvrouwen, kinderen, uitkeringsgerechtigden, gepensioneerden en studerenden kan rangschikken. Het is zelfs mogelijk om het geheel van de loonafhankelijke middenklassen onder deze categorie onder te brengen. In zo’n oeverloze containercategorie zijn alle katjes grijs. Dit lijkt mij slecht verenigbaar met een —ook door Wright bepleite— gedesaggregeerde strategie van klassenanalyse.

    Index


    5·2 Huishouden als eenheid van klassenanalyse
    Voor een analyse van de klassenstructuur van de totale woonbevolking moet naast de structuur van de beroepsbevolking ook de sociale samenstelling van de ‘overige bevolking’ worden onderzocht.
    De verschillende manieren waarop de positie van uitkeringsgerechtigden vanuit klassenanalytisch perspectief behandeld kunnen worden, worden besproken door Krätke [1989], Esping-Anderson [1990].
    Een deel daarvan krijgt middels de herverdeling van de primaire inkomens via de staat en sociale verzekeringen de beschikking over een eigen inkomen; dit is bepalend voor de sociale levenspositie van de uitkeringsafhankelijken (of zo men wil: uitkeringsgerechtigden). Het merendeel van de overige bevolking beschikt echter niet over een eigen inkomen en wordt onderhouden binnen het verband van meerpersoonshuishoudens.

    5·2·1 Actieve en passieve bevolking
    Het is gebruikelijk de woonbevolking op te splitsen in een ‘actief’ deel, de werkzame of arbeidsbevolking en een ‘passief’ deel, de niet-werkzame bevolking. De werkzame beroepsbevolking brengt de goederen en diensten voort die door de totale bevolking van een land worden geconsumeerd. Dit is een zeer globale en gedeeltelijk misleidende uitspraak: een deel van de formeel ‘werkende bevolking’ verricht immers taken die niet bijdragen aan de voortbrenging van het maatschappelijk totaalproduct, terwijl een deel van de formeel niet-werkzame bevolking taken verricht die wel degelijk (kunnen) bijdragen aan het totale productievermogen van een maatschappij (zoals onbetaalde diensten of vrijwilligerswerk). Bovendien valt het onderscheid tussen werkzame en niet-werkzame bevolking niet samen met het meer specifieke onderscheid tussen productieve en onproductieve arbeid.

    De herverdeling van de primaire inkomens (het nationaal product) vindt gedeeltelijk plaats via de staat en de sociale verzekeringen (zoals de AOW). Zo beschikken de uitkeringsafhankelijken zelfstandig over een afgeleid inkomen. Het grootste deel van de niet-werkzame bevolking echter neemt in een ander verband deel aan de consumptie van het maatschappelijke totaalproduct: zij leven in kleinere economische eenheden, in particuliere huishoudens. Zij staan in een principieel andere verhouding tot de maatschappelijk geproduceerde rijkdom dan degenen die hierin middels overdrachtsuitgaven van de staat participeren. Hun sociale levenspositie is immers direct verbonden met de levenspositie van de hoofden van hun huishouding (‘kostwinners’).

    Individuen die geen betaalde arbeid verrichten, respectievelijk niet over een eigen inkomensbron beschikken, worden daarom ingedeeld naar de directe klassenpositie van de (gezins)hoofden van hun huishouding. In de analyse van de klassenstructuur van de woonbevolking worden de afzonderlijke leden van de beroepsbevolking samen met de door hen onderhouden personen (huisvrouwen/-mannen en anderen die geen betaalde arbeid verrichten) tot eenzelfde klasse of klassenfractie gerekend.

    5·2·2 Huishoudens in soorten en maten
    Gegevens over arbeid en beroepsbevolking worden meestal slechts op het individuele niveau geanalyseerd, waarbij de nadruk ligt op de mate waarin personen (getypeerd naar diverse kenmerken, zoals leeftijd, geslacht, beroep en nationaliteit) feitelijk deelnemen aan betaalde arbeid dan wel op de mate waarin zij zich inspannen om tot de werkzame beroepsbevolking te gaan behoren. In verklaringen van klassenhandelen en individueel arbeidsmarktgedrag werd tot nu toe weinig serieuze aandacht besteed aan de kenmerken van huishoudens (respectievelijk aan de relatie tussen huishoudens en arbeidspositie).

    Voor empirische analyses van de relatie tussen directe en gemedieerde klassenposities moet de verschillende soorten huishoudens in kaart worden gebracht.

    a. Institutionele huishoudens
    “Onder een institutioneel huishouden wordt verstaan een groep van vijf of meer personen die op een bepaald adres onder een algemene leiding (waaraan zij niet verwant zijn) verblijf houden en waar door de leiding gestelde voorschriften gelden” [Koesoebjono/Bieseman 1987:5]. In particuliere huishoudens vindt de huishoudelijke verzorging niet bedrijfsmatig plaats, in institutionele wel. Daarom definieert het CBS [2017] een institutioneel huishouden als: “Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en daar bedrijfsmatig worden voorzien in dagelijkse levensbehoeften. Ook de huisvesting vindt bedrijfsmatig plaats.” De bevolking in instellingen, inrichtingen en tehuizen wordt ook wel afgekort aangeduid als de IIT-bevolking. Bewoners van studentenhuizen worden niet tot de institutionele bevolking gerekend.
    Uit het totale aantal huishoudens moeten eerst de niet-particuliere of institutionele huishoudens worden gelicht. Deze institutionele of inrichtings-bevolking omvat bewoners van verpleeg-, verzorgings- en kindertehuizen, gezinsvervangende tehuizen, psychiatrische inrichtingen, revalidatiecentra, internaten, kloosters, gevangenissen en soortgelijke instellingen, inclusief het intern wonende personeel. Deze inrichtingen en tehuizen fungeren in de regel niet als herverdelingsinstanties van het maatschappelijke product en worden daarom in empirische klassenanalyses meestal buiten beschouwing gelaten.

    Lange tijd was het aantal personen in inrichtingen en tehuizen in Nederland niet exact bekend. In de Volkstelling 1960 en 1970 en in het Woningbehoeftenonderzoek (WBO 1981) werden deze ‘intramuralen’ big niet integraal geteld. Veel enquêtes en statistieken van het CBS beperkten zich om praktische redenen tot de bevolking in particuliere huishoudens [Van de Stadt/Bieseman 1990:26]. Steekproefonderzoeken beperken zich meestal tot particuliere huishoudens vanwege de moeilijke enquêteerbaarheid van de institutionele bevolking. Tot voor kort hadden we daarom nauwelijks regelmatige en volledige statistische informatie over de bevolking in institutionele huishoudens,

    Volgens het CBS waren er ultimo 1981 in totaal 266.000 intramuralen, waarvan 134.000 bewoners van bejaardenoorden. Al vanaf 1960 werd ongeveer hetzelfde getal opgevoerd. Door een combinatie van gegevens uit meerdere bronnen hebben Van de Stadt/Bieseman [1990:26 e.v.] een nauwkeuriger beeld kunnen schetsen van de omvang en ontwikkeling van institutionele huishoudens sinds 1960.

    Sinds 1960 is de institutionele bevolking aanzienlijk minder sterk gegroeid dan de totale bevolking (6% tegen 30%). Hierdoor is het aandeel van de institutionele bevolking in de totale bevolking gedaald van 2,3% in 1960 tot 1,9% vanaf 1990 tot heden. Absoluut gezien is de institutionele bevolking tussen 1960 en 1981 licht toegenomen: van 263 duizend naar 312 duizend; daarna daalde het weer tot 278 duizend in 1990 [CBS 1990 - Sociaal-demografische rekeningen; zie ook: Gorter/Wang 1990].

    Volgens de meest recente gegevens van het CBS die in onderstaande statistiek zijn weergegeven zette deze dalende tendens zich voort tot 2007, waarna een weer een lichte stijging optrad.

    Jaar Totaal Psychiatris
    ziekenhuis
    Inrichting
    verstandelijk
    gehandicapten
    Verzorgings-
    en
    verpleeghuis
    1995 247.708 13.004 29.672 156.482
    2000 224.003 12.112 26.543 136.964
    2005 213.202 11.206 22.720 126.666
    2007 206.732 11.524 22.015 121.027
    2008 206.864 11.537 21.483 119.619
    2009 207.003 11.844 20.772 118.945
    2010 208.687 11.936 20.846 119.063
    2011 220.965 12.097 19.818 122.299

    Het grootste deel van de institutionele bevolking bestaat uit ouderen die in een verzorgings- of verpleeghuis wonen. De verwachting is dat de institutionele bevolking de komende tien jaar zal schommelen rond de 205.000. Vanaf 2020 neemt het aantal mensen dat in een institutioneel huishouden woont toe tot 368.000 in 2050 [Van Dijn/Loozen 2009]. Terwijl het aantal bewoners van kloosters en opleidingsinternaten daalt, stijgt het aantal jongeren in gezinsvervangende tehuizen (van meer dan 34 duizend in 1995 naar bijna 56 duizend in 2011) evenals dat van de bewoners van penitentiaire inrichtingen (van iets meer dan 2 duizend in 1995 naar meer dan 4 duizend in 2011).

    b. Particuliere huishoudens
    De rest van de bevolking (98%) leeft in particuliere huishoudens. Particuliere huishoudens bestaan uit: (a) eenpersoonshuishoudens, d.w.z. alleenstaanden die een zelfstandige huishouding voeren en geen huiselijk verkeer met andere personen hebben, en (b) meerpersoonshuishoudens. Tot de particuliere huishoudens behoren statistisch dus alle groepen van “twee of meer personen die in huiselijk verkeer samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren of één persoon die alleen een zelfstandige huishouding voert” [CBS, Jaarboek 1990:35].

    In de afgelopen decennia heeft zich een aantal trendmatige wijzigingen in de huishoudensontwikkeling van Nederland voorgedaan. Enerzijds nam het aantal huishoudens toe en daalde de gemiddelde grootte van de huishoudens, anderzijds werden de huishoudens wat samenstelling betreft pluriformer. Dit is het gevolg van het sterk groeiend aantal eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen en de opkomst van het niet-gehuwd samenwonen als nieuwe vorm van huishouden. Volgens de CBS Huishoudensprognose uit 2008 zal het aantal huishoudens groeien van 7,3 miljoen in 2009 tot 8,3 miljoen rond 2039. Deze groei wordt vooral veroorzaakt door de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. Hierdoor zal de gemiddelde huishoudensgrootte de komende decennia verder dalen van 2,2 personen per huishouden in 2009 tot 2,1 rond 2050.

      De relatief sterke stijging van het aantal huwelijken van personen boven de 34 jaar in 1984 doet vermoeden dat een niet gering aantal niet-gehuwd samenwonende tweeverdieners door het wegvallen van financiële voordelen alsnog besloot om te gaan trouwen [CBS [1985:7 e.v. - Huwelijkssluiting; Koesoebjono/Bieseman 1987:4]. Achter het ‘trouwen is in’ dat door mediagenieke presentatoren van honeymoon-spektakels wordt gesuggereerd, gaan dus minstens ook profaner motieven schuil.

    Index


    5·3 Conventionele analyses op de snijtafel

    5·3·1 Gezin als eenheid van klassenanalyse
    In conventionele klassenanalyses wordt ervan uitgegaan dat niet het individu maar het gezin de fundamentele eenheid van klassenstructuren is. De stelling dat het gezin de belangrijkste ‘cel’ van de klasse vormt en pas daarna het individu als lid van een klassenspecifiek gezin, werd voor het eerst door Schumpeter uitgewerkt in zijn opstel Die sozialen Klassen im ethnisch homogenen Milieu (1927). Daarin zet hij zich af van auteurs die het open karakter van de kapitalistische klassenmaatschappij bewierookten. Daartegenover benadrukt Schumpeter dat mensen in een specifieke klassenpositie worden geboren en dat het gezin in hoge mate beslissend is voor de startpositie van kinderen en de levenskansen van volwassenen. In formeel-juridische zin bezet men weliswaar geen klassenpositie op grond van geboorte, maar leggen het bezit, het inkomen, het prestige, de mentaliteit, de taalcompetenties, de motivatiebronnen en het opleidingsaanbod via het gezin toch in sterke mate de klassenpositie vast. Volgens Schumpeter is het daarom misleidend om bij standen en kasten de factor van geboorte en sociale herkomst te benadrukken en bij klassen het primaat van de openheid. In Imperialism and Social Classes vatte hij dit als volgt samen:

      “We have said that allegiance to a certain class is a foreordained fact for the individual — that he is born into a given class situation. This is an objective situation, quite independent of what the individual does or wants to do, indeed limiting the scope of his behavior to a characteristic pattern. The individual belongs to a given class neither by choice, nor by any other action, nor by inate politics — in sum, his class membership is not individual at all. It stems from his membership in a given clan or lineage. The family, not the physical person, is the true unit of class and class theory” [Schumpeter 1951:148].

    Niet alleen in marxistisch geïnspireerde klassenanalyses maar ook in het sociologisch stratificatieonderzoek werd deze conventionele vooronderstelling met name gebruikt om de specifieke positie van vrouwen in de sociale structuur te analyseren. Daarbij werd de status- of klassenpositie van de vrouw meestal op een tamelijk simpele wijze opgevat als een afgeleide van die van de man, respectievelijk van het mannelijke ‘hoofd der huishouding’ of de kostwinner. Deze conventionele visie werd in de laatste decennia door feministen zwaar onder vuur genomen, maar ook nog fervent verdedigd. Dit laatste gebeurde zeer uitvoerig door John Goldthorpe:

      “The familiy is the unit of stratification primarily because only certain family members, predominantly males, have, as a result of their labour market participation, what might be termed a directly determined position within the class structure. Other family members, including wives, do not typically have equal opportunity for such participation, and their class position is thus indirectly determined: that is to say, it is ‘derived’ from that of the family ‘head’” [Goldthorpe 1983:468].
    Goldthorpe gelooft niet dat zijn benadering wezenlijk onder druk komt te staan door het toenemende aantal getrouwde vrouwen dat betaalde arbeid verricht. Weliswaar kan hierdoor de economische afhankelijkheid van vrouwen van hun echtgenoten afnemen, maar het werk van getrouwde vrouwen is onderdeel van een gezinsstrategie en vindt plaats binnen de mogelijkheden en randvoorwaarden van de klassensituatie van het gezin als geheel, waarin het werk van de man de dominante factor blijft. Daarom kan de klassenstructuur niet als een relationele kaart van ‘baanstructuren’ (posities in de structuur van de beroepsbevolking) behandeld worden, maar als groepen mensen die gemeenschappelijke materiële belangen delen.

    In zijn pleidooi voor een gereviseerde versie van de conventionele benadering wil Goldthorpe onder andere aantonen dat de toegenomen participatie van vrouwen (m.n. gehuwde vrouwen) in betaalde arbeid veel minder implicaties heeft voor stratificatietheorieën (en -theoretici) dan veel feministen hebben gesuggereerd. In latere publicaties (samen met Erikson) nuanceert Goldthorpe zijn oorspronkelijke opvattingen. De stelling is niet meer dat de klassenpositie van gehuwde vrouwen volledig is afgeleid van die van hun werkende echtgenoten, maar dat de directe klassenpositie van werkende mannen een significant grotere invloed heeft op de klassenpositie van hun echtgenotes [Erikson/Goldthorpe 1988,1992].

    Bovendien wordt het gezin niet meer als eenheid van klassenanalyse opgevat, maar als eenheid van klassensamenstelling: “the class position … of woman — as indeed of men also — may best be determined if the family is given priority over the individual as the unit of class composition; or that is, if individuals living together as a family are regarded as having one and the same class interest” [Erikson/Goldthorpe 1992:232 e.v.]. Zij hebben er geen bezwaar tegen het individu als eenheid van klassenanalyse te nemen, “provided that members of the same conjugal family are assigned to the same class” [idem:233].

    5·3·2 Theoretische, medhodische en empirische kritieken
    Tegen deze conventionele benadering kunnen een aantal theoretische, methodische en empirische bezwaren worden ingebracht.

      Wanneer men het gezin als ‘class unitary’ behandelt, impliceert dit nog niet per definitie dat men het gezin in alle opzichten als een egalitaire of solidaire eenheid beschouwt. Goldthorpe is op dit punt zeer duidelijk. “The possibility is in no way precluded that some inequality may exist within the general living standard of the household as between men and women — or, for that matter, as between persons in different age groups; nor again that within decision-making processes some family members may be able to exert greater power than do others. The implication would rather be that such inequalities, where they exist, and likewise the intrafamilial conflicts to which they may give rise, should be regarderd as being not ones of class, but of gender — or of age — per se [Erikson/Goldthorpe 1992:233].
    1. Alle leden van een (gezins)huishouden kunnen in principe profiteren van het totale inkomen dat door de afzonderlijke leden in het huishouden worden ingebracht. Dit betekent echter niet dat zij allemaal identieke belangen hebben met betrekking tot het huishoudelijke inkomen. De interne verdeling van het totale huishoudelijke inkomen richt zich immers grotendeels naar sekse- en generatiespecifiek genormeerde behoeftedefinities. Mannen en vrouwen hebben zeer vaak geen gelijk aandeel in de werkelijke consumptie die van het huishoudelijk inkomen is afgeleid. In de mate dat dit daadwerkelijk het geval is, hebben zij seksespecifieke belangen bij de herverdeling van inkomen en macht binnen het huishouden [Stanworth 1984; Wright 1992:38 e.v.]. Wanneer en voor zover mannen een superieure beschikkingsmacht hebben over de bronnen van het huishouden kan men de klassenpositie van (huis)vrouwen niet eenvoudig gelijkstellen met die van hun partners. De conventionele benadering maakt het praktisch onmogelijk of biedt in ieder geval geen referentiekader om na te gaan in welke mate de ongelijkheden die mannen en vrouwen verdelen zelf het resultaat zijn van de werking van het klassensysteem.
        Als men het begrip klassenstructuur volledig concentreert rond directe klassenposities heeft dit meestal tot gevolg dat klassenverhoudingen en sekseverhoudingen alleen extern met elkaar worden verbonden. In een dergelijke benadering hebben sekseverhoudingen voor de klassenanalyse slechts één betekenis: zij verklaren alleen op welke wijze mannen en vrouwen voor klassenposities worden gerekruteerd (en eventueel de beschikbaarheid van specifieke gekwalificeerde arbeidskrachten voor de uitbreiding van bepaalde klassenposities). Dit dualisme tussen sekse- en klassenverhoudingen wordt echter doorbroken zodra men gemedieerde klassenverhoudingen toevoegt aan de klassenanalyse. “Gender mechanisms do not simply sort people into mediated class locations whose properties are definable independently of gender. Rather, gender relations are constitutive of mediated class relations as such. Such mediated class relations through the family are inherently gendered since the gender relations between husbands and wives are the very basis for their respective mediated class relations. The concept of mediated class relations, therefore makes it possible to move away from a view of class and gender in which these two kinds of relations are treated as entirely distinct, separate structures. And yet it does not move all the way towards the view that class and gender constitute a unitary, undifferentiated system” [Wright 1992:62].

    2. Als men afziet van de wijze van interne verdeling hebben partners die hun inkomen in een gezamenlijk huishouden inbrengen, identieke belangen met betrekking tot het totale huishoudelijke inkomen. De belangen die aan klassenposities zijn verbonden, kunnen echter niet worden gereduceerd tot inkomensbelangen. Klassenspecifieke individuen zijn in de eerste plaats individuen die in een bepaalde positie innemen binnen exploitatieve maatschappelijke arbeidsverhoudingen: hun klassenbelangen zijn primair verankerd in hun arbeidspositie (als lid van een arbeidsorganisatie) en zijn niet geconcentreerd op hun positie in een huishoudelijke eenheid. Wanneer al dan niet gehuwde partners een gezamenlijke huishouding voeren, krijgen zij een gemeenschappelijk ‘inkomensbelang’; dit betekent echter nog niet dat daarmee ook hun klassenbelangen als geheel parallel lopen of dat de mogelijke verschillen in hun arbeidsgebonden klassenposities automatisch verdwijnen.
        Juist op dit punt komen de verschillen naar voren tussen een benadering waarin klassen structureel worden gedefinieerd in termen van posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen in de brede zin van het woord [→ hoofdstuk VII] en benaderingen waarin het klassenbegrip primair of exclusief wordt gekoppeld aan differentiële posities in arbeidsprocessen, resp. in inkomensverhoudingen. In inkomensgecentreerde benaderingen worden klassen primair of uitsluitend gestructureerd door verschillen in inkomen; de wezenlijke klassenervaring is die van de verschillen in levensstandaard. In werkgecentreerde benaderingen worden klassen primair of uitsluitend gestructureerd door de aard van de participatie in het arbeidsproces; de wezenlijke klassenervaring is die van arbeidssituatie (zoals de ervaring van autonomie en controle in het werk of van gezag en onderschikking).

    3. De individuele klassenposities van de leden van een huishouden zijn niet per definitie homogeen. Zodra meerdere leden van een huishouden over een zelfstandige bron van inkomsten beschikken, is het mogelijk dat er binnen een huishouden niet alleen uiteenlopende (of ‘duale’), maar ook tegenstrijdige klassenposities zijn vertegenwoordigd[Marshall e.a. 1988:68 e.v.].

    4. Wanneer het economische lot van huishoudens meer afhankelijk is van het inkomen van de man dan van de vrouw wordt in de conventionele visie besloten de klassenpositie van een (gezins)huishouden exclusief in termen van de (werkgebonden) klassenpositie van de man te definiëren. De vooronderstelling hierbij is dat bij de strategische keuzes met betrekking tot arbeidsmarktparticipatie en baankeuze een zodanige afweging wordt gemaakt dat de belangen die verbonden zijn aan de arbeidspositie van de man uiteindelijk altijd prevaleren boven die van de vrouw. Deze claim wordt niet theoretisch onderbouwd en steunt evenmin op empirische bewijzen. Het lijkt in ieder geval veel plausibeler om te veronderstellen dat er grote verschillen zijn in de wijze waarop dergelijke strategische belangenafwegingen binnen huishoudelijke eenheden plaatsvinden en dat daarbij het relatieve gewicht van de individuele klassenpositie van de beide partners een doorslaggevende variabele factor is. In huishoudens waarin beide partners over een zelfstandige inkomensbron beschikken, is het dus veel waarschijnlijker dat gezinsstrategieën worden beïnvloed door het specifieke klassenkarakter van de posities van beide partners.

      Wright voegt hieraan nog een belangrijk argument toe. “Even when it is the case that in decisive zero-sum trade-off situations interests derived from the husband’s job usually pre-empt those of the wife’s, it does not follow from this that in other situations the interests linked to the wife’s job are irrelevant and do not shape family income-maximization strategies. Even where the wife contributes less than the husband, therefore, the class character of her paid work could systematically shape family strategies and thus the class character of the family unit” [Wright 1992:40]. Wright concentreert zijn hele argumentatie op de levenssituatie van geëchte partners. Dit lijkt mij een overbodige en deels ook misleidende beperking. Zoals eerder opgemerkt is het vanuit klassenanalytisch perspectief in hoge mate irrelevant wat de juridische (en/of kerkelijke) status is van de relatie tussen de volwassen of onvolwassen leden van een huishoudelijke eenheid. Deze specifieke status wordt pas relevant wanneer deze aantoonbare effecten heeft op de feitelijke arbeids- en inkomenspositie van de individuele betrokkenen, of het klassenkarakter van het huishouden zou modificeren.

    5. Deze overwegingen hebben uiteraard ook gevolgen voor de wijze waarop de klassenidentificaties en politieke voorkeuren van mannen en vrouwen worden benaderd. Volgens de conventionele visie identificeren huisvrouwen zich direct met de klassenpositie van hun werkende echtgenoot of partner; ook werkende vrouwen zouden zich eerder met de klassenpositie van hun partner vereenzelvigen dan met hun eigen klassenpositie (‘plaatsvervangende identiteit’). Vooral deze laatste vooronderstelling is onhoudbaar. Uit diverse studies blijkt dat de ervaringen die vrouwen in hun eigen werkkring opdoen belangrijker is voor hun houdingen en opvattingen dan die van hun partner (ook al nemen zij op de arbeidsmarkt een minder sterke positie in). Hun individuele positie op de arbeidsmarkt draagt wel degelijk bij aan de wijze waarop zij hun — door huishouden gemedieerde — globale klassenpositie beoordelen [Britten/Heat 1983; Abbott/Sapsford 1987; Wright 1992. Zie voor de klassenidentificatie van vrouwen van managers: Finch 1983]. De conventionele benadering maakt het praktisch onmogelijk nauwkeurig te onderzoeken in welke mate de klassenervaringen van vrouwen verschillen van die van hun mannen.

      Zie voor feministisch geïnspireerde kritieken op de gezinsopvatting in de functionalistische stratificatietheorie: Acker [1972,1980], Kuhn [1978:44 e.v.], en op de klassenanalytische traditie: Allen [1982]. Zie voor uitvoerige kritieken op de benadering van Golthorpe: Heat/Brittain [1984], Stanworth [1984], Marshall e.a. [1988], Wright [1992].

    De beperkingen van de conventionele benadering kunnen mijns inziens worden doorbroken wanneer consequent wordt vastgehouden aan het eerder gemaakte onderscheid tussen directe en gemedieerde klassenposities. Met behulp van dit onderscheid wordt het mogelijk om de vraag te stellen naar het relatieve gewicht van deze twee verbindingen met de klassenposities in de beroepsstructuur. Het essentiële verschil met de conventionele benadering is dat daarbij niet bij voorbaat vooronderstellingen worden ingebouwd ten aanzien van de relatieve verklaringskracht van directe en gemedieerde klassenposities voor de levenssituaties en -perspectieven van individuen.

    Empirische analysestrategiën
    De mogelijkheden van een dergelijke benadering zijn empirisch beproefd door Wright [1992]. Hij schetst twee empirische strategieën waarmee de samenhang tussen directe en gemedieerde klassenposities kan worden onderzocht.
    1. Als men over adequate longitudinale gegevens over huishoudens beschikt, kan de mate waarin materiële belangen van getrouwde werkende vrouwen afhankelijk zijn van hun eigen directe klassenpositie of van de klassenpositie van hun echtgenoten gemeten worden en kan men een inschatting maken van de mate waarin deze directe en gemedieerde klassenbelangen hun individuele en collectieve gezinsstrategieën beïnvloeden.
    2. De variaties in klassenbewustzijn, klassenidentiteit en participatie in klassenconflicten zouden —ten minste gedeeltelijk— kunnen worden verklaard vanuit de klassenpositie van individuen. In de tweede analysestrategie kan men meten wat de relatieve verklaringskracht is van de directe en gemedieerde klassenposities. “Variations in the relative salience of direct and mediated class locations, therefore, should be reflected in the effects of these two dimensions of class on whatever it is that class locations ought to explain” [Wright 1992:43].
    Wright hanteert de tweede strategie en onderzoekt wat de relatieve invloed is van directe en gemedieerde klassenposities op de kans dat vrouwen (in de Verenigde Staten en Zweden) zich identificeren met de arbeidersklasse. De premisse van zijn analyse luidt als volgt: in de mate dat directe klassenrelaties een grotere invloed hebben op de klassenpositie van een persoon dan gemedieerde relaties, hebben zij tevens een grotere invloed op de kans dat mensen een bepaalde klassenidentiteit hebben.

    Index6. Zelfstandige middenklassen

    Tussenklassenposities worden niet rechtstreeks en primair gestructureerd door de voor de burgerlijke maatschappij dominante kapitalistische arbeidswijze, maar door andere arbeids- en toeëigeningsverhoudingen. Het prototypische voorbeeld daarvan is de tussenklassenpositie van de niet-kapitalistische warenproducenten en de kleinburgerij. Deze klassencategorie omvat alle personen die door arbeid in hun levensonderhoud voorzien en effectieve beschikkingsmacht hebben over de daarvoor noodzakelijke materiële arbeidsvoorwaarden. Zij zijn niet aangewezen op de verkoop van hun arbeidskracht en buiten geen of slechts zeer weinig vreemde arbeidskrachten uit. Het inkomen waarvan zij leven is geen arbeidsloon of meerwaarde, maar een op zichzelf staande categorie, namelijk producentenloon.

    Index


    6·1 Klassenpositie van niet-kapitalistische warenproducenten
    Kenmerkend voor de klassenpositie van de niet-kapitalistische warenproducenten is dat zij zowel arbeider zijn als eigenaar van de arbeidsmiddelen waarmee zij werken. In het systeem van maatschappelijke arbeid fungeren zijn als zelfstandige warenproducenten. De klassenpositie van de niet-kapitalistische warenproducenten wordt dus met name gekenmerkt door het feit dat zij op de markt niet optreden als verkopers/verhuurders van de eigen arbeidskracht, maar als verkopers van de waren en diensten die zij overwegend met eigen arbeid hebben geproduceerd.

    Binnen de grenzen van hun tussenklassenpositie zijn zij in staat zelfstandig goederen en diensten voor de warenmarkt te produceren, maar zij zijn niet of slechts op zeer kleine schaal in staat vreemde arbeid als loonarbeid aan te wenden. De exploitatie van vreemde arbeid is echter nog niet zo omvangrijk dat de toegeëigende meerarbeid voldoende is om de eigenaar van de materiële arbeidsvoorwaarden vrij te stellen van arbeid zodat het bedrijfshoofd (de kleine ondernemer) uitsluitend kan leven van de exploitatie van vreemde arbeid. Wanneer er sprake is van coöperatie dan is deze meestal beperkt tot gezins- of familieleden die zonder formeel arbeidscontract in het kleine gezinsbedrijf meewerken. De exploitatie van familiale of vreemde arbeidskrachten door kleine zelfstandigen is eerder een uitbreiding van dan een substitutie voor hun eigen arbeid.

    De arbeid van de zelfstandige warenproducent en de ‘meewerkende gezinsleden’ kan ook in noodzakelijke en meerarbeid worden opgesplitst. Noodzakelijke arbeid is voor een zelfstandige warenproducent in een kapitalistisch milieu de arbeid die verricht moet worden om als kleine zelfstandige te overleven. Meerarbeid is de arbeid die verricht kan worden om zich te verrijken of de persoonlijke of familiaire levensstandaard te verhogen. Door de kapitalistische concurrentie worden de kleine warenproducenten gedwongen hun arbeidsdag te verlengen, respectievelijk hun arbeidsintensiteit te verhogen. Zij doen dit niet om meer meerarbeid te kunnen leveren, maar om de voor hun overleven als kleine zelfstandigen noodzakelijke arbeid te verrichten. Deze noodzakelijke arbeid omvat ten eerste de arbeid die noodzakelijk is voor het levensonderhoud van het gezin, voor hun ziekte- en oudedagsvoorziening (consumptiefonds of fonds voor individuele reproductie). Het omvat ten tweede de arbeid die nodig is voor het in stand houden van hun bestaansbasis, dat wil zeggen voor het onderhoud en de reparatie van de arbeidsmiddelen en voor de financiering van een uitbreidings- en moderniseringsfonds.

      De arbeidsmiddelen van zelfstandige warenproducenten fungeren niet als kapitaal. Arbeidsmiddelen fungeren pas als kapitaal wanneer zij als zelfstandige macht tegenover de arbeider komen te staan, dat wil zeggen wanneer de eigendom van de arbeidsmiddelen wordt ingezet om de oorspronkelijke waarde te vergroten door toeëigening van onbetaalde meerarbeid. In de burgerlijke maatschappij is het specifieke maatschappelijke karakter van de arbeidsmiddelen als kapitaal echter zo sterk vergroeid met hun materiële bestaan als arbeidsvoorwaarden dat ook de arbeidsmiddelen van de zelfstandige warenproducenten als kapitaal worden ervaren en gedefinieerd.

    * De zgn. ‘winst’ van de kleine warenprodu-centen verschilt hierin van het gewone arbeidsloon, dat het ontstaat door de toeëigening van eigen meerarbeid (voor zover deze niet in de vorm van hypotheek-rente, belastingen e.d. wordt afgeroomd).
    De onafhankelijke kleine warenproducent kan het waardeproduct van zijn arbeid volledig toeëigenen, zonder dit met anderen te moeten delen.* Dit veronderstelt dat alles wat geproduceerd wordt op de warenmarkt tegen zijn waarde kan worden verkocht. De waardesom die bij de verkoop wordt gerealiseerd, valt voor de onafhankelijke kleine warenproducenten niet uiteen in constant en variabel kapitaal en meerwaarde. Hun specifieke arbeidsinkomen, het producentenloon, is “een residuale grootte na aftrek van alle productie- en circulatiekosten die veroorzaakt worden door de zelfstandige warenproductie” [Krätke 1984:128].

    Voor de zelfstandige warenproducent staat niet de gezinsconsumptie op de eerste plaats, maar de uitgaven die regelmatig gedaan moeten worden om de zelfstandigheid van het (gezins)bedrijf te handhaven, dat wil zeggen de eigen arbeidsmiddelen in stand te houden of te vervangen. Deze zelfstandigheidskosten moeten worden afgetrokken van de totale waarde die in een bepaalde periode wordt gerealiseerd. Wat hierna overblijft, is het producentenloon van de zelfstandige warenproducenten. Producentenlonen dragen bij aan het nationale inkomen van een samenleving en zijn voor de burgerlijke staat een aanvullende belastingbron [Krätke 1984:128].

    Zolang zij hun economische zelfstandigheid ten opzichte van het kapitaal kunnen bewaren, zijn zelfstandige warenproducenten in strikte zin geen productieve arbeiders, omdat zij geen meerwaarde scheppen. Zij behoren niet tot de categorie van de meerwaarde-producerende arbeiders, noch tot de categorie van de onproductieve loonarbeiders. Zij treden hun klanten tegemoet als verkopers van waren en niet als verkopers van arbeidskracht. Deze verhouding heeft niets te maken met de ruil van loonarbeid en kapitaal, en derhalve ook niet met het verschil tussen productieve en onproductieve arbeid [→ § 4·3·4]. Zelfstandige warenproducenten kunnen echter wel van het kapitaal afhankelijk worden en gedwongen worden zichzelf en hun gezinnen voor het (bank- en handels)kapitaal uit te buiten.

    Het inkomen van de kleine warenproducenten is primair afhankelijk van de actuele arbeidsprestaties en van de voorwaarden van de verkoop van de waren die deze arbeid belichamen. Het waardeproduct van de eigen arbeid kan alleen volledig worden toegeëigend indien de geproduceerde goederen en diensten op de warenmarkt tegen hun marktwaarde verkocht kunnen worden. Dit is echter lang niet altijd het geval.

      Het feit dat sommige kleine warenproducenten feitelijk door het kapitaal worden uitgebuit (door ongelijke ruil op de markt) en dat sommige kleine warenproducenten andere arbeidskrachten uitbuiten, onderstreept nog eens de stelling dat de uitbuitingsstatus niet kan worden bepaald met behulp van het onderscheid tussen ‘zelfwerkzaam’ of ‘loon-afhankelijk’.
    1. Niet-kapitalistische warenproducenten worden weliswaar niet in het arbeidsproces zelf uitgebuit, maar zij kunnen wel via marktrelaties door het kapitaal en ook door de belasting-staat worden uitgebuit. Marktexploitatie door het bank- en handelskapitaal heeft —met name voor de agrarische kleinproducenten— tot gevolg dat hun inkomen niet uitkomt boven de maatschappelijk noodzakelijke reproductiekosten van hun arbeidskracht. De kans op toeëigening van meerarbeid is onderwerp van strengere overheidscontrole sinds de niet-kapitalistische warenproducenten belangrijke consumentenbelasting (BTW) moeten innen en aan de staat overdragen. Dit maakt het mogelijk om kleine warenproducenten uit te buiten, en werkt tevens in de hand dat traditionele normen van ‘privacy’, die aan privé-eigendom waren verbonden, door belastinginspecteurs kunnen worden geschonden [Bechhofer/Elliot 1981:197].
        Het BTW-stelsel impliceert voor de kleine zelfstandigen niet alleen dat zij duizenden eoro’s moeten beheren die niet hun eigendom zijn, maar ook een grote hoeveelheid onbezoldigd werk ten behoeve van de belastingdiensten [Van de Berg 1972:5]. In veel gevallen weegt dit niet op tegen de rentes die zij over deze vreemde vermogens ontvangen.

      De marktwaarde is de gemiddelde waarde van de waren die in een bepaalde productie- of arbeids-sector worden geproduceerd. Men kan ook zeggen dat de marktwaarde gelijk is aan de individuele waarde van de waren die onder gemiddelde voorwaarden van deze sector worden geprodu-ceerd [Marx, MEW 25:187]. Wanneer kleine warenproducenten voor de productie van hun goederen of diensten meer dan de (voor hun sector) gemiddelde arbeidstijd nodig hebben, dan stijgt de individuele waarde van hun waren boven de marktwaarde. In het omgekeerde geval daalt de individuele waarde van hun waren onder de marktwaarde en is het mogelijk een ‘extrawinst’ te realiseren (wanneer er geen andere mechanismen bestaan die de concurrentie blokkeren). De prijzen die uiteindelijk voor de waren worden betaald, komen alleen bij benadering overeen met hun marktwaarde wanneer er geen natuurlijke of kunstmatige monopolies (één verkoper voor meerdere kopers) of monopsonies (één koper voor meerdere verkopers) bestaan. Wanneer deze wel bestaan dan zijn de kleine zelfstandigen in staat de waren bóven hun marktwaarde te verkopen, of zijn genoodzaakt deze juist ónder hun marktwaarde te verkopen.

    2. Kleine zelfstandigen kunnen kopers van hun producten of klanten van hun diensten uitbuiten wanneer zij in staat zijn hun waren boven de marktwaarde te verkopen. Dit is mogelijk wanneer zij erin slagen zich tegen de kapitalistische concurrentie af te schermen en tevens hun onderlinge concurrentie te beperken door het organiseren van een of andere vorm van associatie, corporatie of partnerschap. Dergelijke corporaties komen het gemakkelijkst tot stand in sectoren waarin niet-substitueerbare, individuele diensten van gespecialiseerde en hooggekwalificeerde profis worden geproduceerd en verkocht aan klanten die niet kunnen wachten (zoals patiënten) en waarvan de koopkracht sterk uiteenloopt. Deze voorwaarden bestaan met name bij de zogenaamde ‘vrije beroepen’, zoals artsen, advocaten en adviseurs.
        De kleine zelfstandigen in de medische en juridische professionele sector hebben zich effectief kunnen verzetten tegen afkalving van hun zelfstandigheid door de oprichting van corporaties: partnerschap en gemeenschappelijk eigendom van advocatenkantoren en medische centra. Toch is de werkgelegenheid van deze medische en juridische professionals bij grote ondernemingen en bij de staat de laatste decennia aanzienlijk uitgebreid. Langzaam maar zeker wordt ook deze sector getransformeerd in een deel van de loonafhankelijke middenklassen en in de geprivilegieerde categorie van experts wier honoraria rechtsstreeks door grote ondernemingen worden betaald.

      In dergelijke gevallen omvat het producentenloon aanzienlijk meer dan het waardeproduct van de eigen arbeid van deze particuliere producenten die in corporaties zijn georganiseerd. De inkomens van de samenwerkende kleine warenproducenten berusten deels op de toeëigening van het waardeproduct van de eigen arbeid, deels ook op de toeëigening van het waardeproduct van vreemde arbeid, ook al is dat niet gebaseerd op directe uitbuiting van loonarbeid.

      Niet-kapitalistische warenproducenten en de belastingstaat
      De burgerlijke staat kan meestal zonder probleem alles wegbelasten wat niet dient voor het levensonderhoud van de producenten en zijn meewerkende gezinsleden of voor de eenvoudige reproductie van het gezinsbedrijf.

      In twee gevallen kan de staat van deze regel afwijken. [Krätke 1984:129].

      1. Wanneer niet-kapitalistische warenproducenten door het kapitaal worden uitgebuit, moet de belastingstaat de belasting van de producentenlonen matigen. Gedeeltelijk wordt de belastingbron eenvoudig verplaatst: in plaats van belastingen op producentenlonen worden belastingen over kapitaalwinsten of rentes geheven, die op kosten van de producentenlonen door kapitalisten worden geïncasseerd. Wanneer de niet-kapitalistische warenproducenten onder druk van de kapitalistische concurrentie komen te staan, moet de belasting op de producentenlonen ruimte overlaten voor de uitbreidings- en moderniseringsinvesteringen die nodig zijn om aan deze concurrentie het hoofd te bieden.
      2. De belastingstaat kan de gemengde inkomens van de gecorporeerde kleine zelfstandigen zwaarder belasten dan de zuivere producentenlonen. Na aftrek van deze belasting moeten deze zelfstandigen echter nog in staat zijn hun bedrijf te reproduceren, de kosten van hun corporaties betalen en een privéleven te leiden op een niveau dat boven de levensstandaard van hun niet-gecorporeerde klassengenoten ligt. Wanneer de staat deze grenzen niet respecteert, worden de nettovoordelen van de corporatie teniet gedaan.


    Samenvattend kunnen we zeggen dat de tussenklassenpositie van de niet-kapitalistische kleine warenproducenten wordt gekenmerkt door de volgende elementen: (1) zij hebben effectieve beschikkingsmacht over de eigen materiële arbeidsvoorwaarden; (2) zij voorzien door eigen arbeid in hun levensonderhoud en leven niet of slechts marginaal van de uitbuiting van vreemde arbeidskrachten; (3) zij brengen als zelfstandige producenten waren of diensten op de markt en beschikken dus over hun eigen arbeidsresultaten; (4) zij staan buiten de kapitaalverhouding en tussen de hoofdklassen van de burgerlijke maatschappij; (5) zij zijn werkzaam in sectoren die ondanks de algemene dominantie van de kapitalistische arbeidswijze niet of slechts gedeeltelijk, respectievelijk indirect aan het kapitaal zijn onderworpen. Wat hen verbindt met de arbeiderklasse is de eigen arbeid, wat hen bindt aan de bourgeoisie is de effectieve beschikkingsmacht over materiële arbeidsvoorwaarden.

    Index


    6·2 Kleinbourgeoisie: kleinburgerlijke tussenklasse
      “Studies of the petite bourgeoisie are in their infancy. For too long it was accepted that this stratum would disappear or that it was politically impotent and economically trivial and outmoded, but recent studies are beginning to cast doubt on all these assumptions” [Bechhofer/Elliott 1981:184].

    6.2.1 Omstreden kleinbourgeoisie
    De kleinbourgeoisie staat letterlijk tussen kapitalisten en de niet-kapitalistische warenproducenten. Kleinburgers zijn kapitaaleigenaren die over voldoende kapitaal beschikken om daarvan als renteniers in hun levensonderhoud te voorzien of die hun kapitaal slechts in stand kunnen houden wanneer zij zelf als warenproducenten of handelaren werken. Kleinburgers verteren dus hun kapitaal of houden het in stand door zelf als loonarbeiders van hun eigen kapitaal te fungeren. Afgezien van de onproductieve laag van kleine renteniers zijn de inkomens van de kleinbourgeoisie mengvormen van producentenlonen en meerwaarde. Daarom vormen de kleinburgers niet alleen een specifieke belastingbron voor de belastingstaat, maar hebben zij tevens enige speelruimte om delen van hun inkomen te kapitaliseren.

    Zowel inhoudelijk als terminologisch is het begrip kleinburgerij sterk omstreden [Scase 1982; Curran/Burrows 1986; Scase/Goffee 1987]. Vaak wordt de term kleinburgerij gehanteerd als een containerbegrip waarin allerlei elementen worden gestopt die niet direct bij een van de twee hoofdklassen kunnen worden ondergebracht. De onderscheiden connotaties van het begrip kleinburgerij zijn verweven met de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van de kleinburgerij zelf. De belangrijkste historische voorlopers van de kleinburgerlijke tussenklasse waren de stedelijke middenstanden en de kleine boeren uit de feodale periode. In de eerste fase van de kapitalistische ontwikkeling ontstond hieruit de tussenklasse van de kleinburgers, waarvan de kern gevormd werd door de kleine warenproducenten en de kleine bezitters.

    6.2.2 Genese van kleinburgerij
    Sinds de 11e eeuw tekenden zich een aantal wezenlijke veranderingen af in de klassenstructuur van het Europese feodalisme. Het ontstaan van niet-agrarische nederzettingen ging gepaard met verdieping van de maatschappelijke arbeidsdeling tussen ambachtelijk werk en agrarische productie, intensivering van de landbouw, verhoging van de agrarische productiviteit, ontwikkeling van markten, intensivering van de warenproductie, uitbreiding en verdichting van de ruilrelaties en met bevolkingsgroei. Deze en andere factoren leidden ertoe dat de steden zich konden ontwikkelen. De hoofdklassen van de feodale maatschappij hadden hiervoor de basis gelegd.

    De bewoners van de stedelijke nederzettingen stonden in eerste instantie onder het stadsgezag van de geestelijke of wereldlijke feodale heren. Ook al stond een groot deel van de stadsbewoners niet meer in een persoonlijke afhankelijkheidsverhouding, zij raakten meer en meer geïnteresseerd in opheffing van het feodale gezag en bevrijding van de feodale dienstbaarheid. De strijd om opheffing of inperking van feodale rechten en afhankelijkheden kwam tot uiting in de communale beweging. Deze beweging leidde tot een vergaande bevrijding van de stadsbewoners en migranten van specifieke afhankelijkheden die voortvloeiden uit het feodale eigendom van de arbeidsvoorwaarden: er werd een uniforme vrije rechtsstatus voor de stedelijke burgers gerealiseerd, er werden burgerlijke stadsgemeentes met eigen machtsorganen opgericht en er werden voorwaarden tot stand gebracht die gunstig waren voor de ontwikkeling van economische sectoren die voor de stad belangrijk waren.

    De communale beweging bracht dus een belangrijke verandering teweeg in de krachtsverhouding tussen de feodale adel en de stedelijke burgerij. Terwijl de feodale arbeidsverhoudingen berustten op feodaal grondeigendom en arbeid van afhankelijke boeren, realiseerden zich in de steden de arbeidsverhoudingen van de kleine warenproductie op basis van het persoonlijk eigendom van de productiemiddelen.

    Het bestaan van de stedelijke burgers berustte grotendeels op de eigendom van productiewerkplaatsen, ambachtelijke productieinstrumenten, grondstoffen en in toenemende mate ook op mobiel vermogen, vooral op geld. Op basis van de economische grondslag van de kleine warenproductie en van het persoonlijke eigendom waren in de steden de wezenlijke feodale afhankelijkheidsverhoudingen opgeheven. Het grondeigendom begon zijn privileges te verliezen; het werd gemobiliseerd en kon net als alle andere waren voor geld worden gekocht. Het feodale kader van de directe verbinding van de producenten met hun productiemiddelen was echter ook in de feodale steden nog niet verbroken. De verzelfstandiging van de productiemiddelen als kapitaal tegenover de arbeiders werd met name nog verhinderd door de gildeorganisatie [Marx, MEW 3:25; MEW 21:492; Bertold/Engel/Laube 1973:202; Vogler 1979:72 e.v.].

    De kleinburgerij was aanvankelijk een overwegend producerende nevenklasse van de kapitalistische maatschappij, die niet direct in de kapitalistische arbeidswijze is verankerd. De ‘kleine middenstanden’ omvatte niet alleen de kleine ambachtelijke warenproductie en de kleine handel, maar ook categorieën die hun zelfstandige bestaan ontleenden aan specifieke dienstverlening of aan functies van geestelijke arbeid — de voorlopers van de moderne intelligentsia en de loonafhankelijke middenklassen [Jung 1973:163].

    De kleine warenproducenten en de daarmee vervlochten kleine bezitters vormden in de vroege ontwikkelingsfase van het kapitalisme een meerderheid van de stedelijke bevolking; zij namen een groot deel van de goederenproductie en dienstverlening voor hun rekening. In de verdere ontwikkeling van het kapitalisme is niet alleen het economische gewicht en de numerieke omvang van al deze kleine zelfstandigen afgenomen, maar is ook de sociale samenstelling ervan sterk gewijzigd.

    Sinds de opkomst van de industrialisatie werd in alle kapitalistische landen de positie van de kleine onafhankelijke producenten en handelaren steeds verder ondermijnd. Door de toenemende centralisatie en concentratie van het kapitaal werden grote delen van de kleine zelfstandigen, met name de ambachtslieden, van het economische toneel verwijderd en werd de speelruimte van de kleine handelaren ingeperkt.

    In de eerste helft van de twintigste eeuw werd ook het aantal kleine handelaren zelf aanzienlijk gereduceerd door de opkomst en consolidatie van grote warenhuizen en supermarkten. Wat er was overgebleven van de kleine boeren volgde in het midden van de twintigste eeuw dezelfde route. Dit was het gevolg van de toenemende controle van banken, voedingsindustrie en voedseldistributeurs over de boerenbedrijven (die inmiddels sterk waren uitgebreid en veel kapitaalintensiever waren geworden) [LEI 1965; zie voor de 19e eeuw: Van Zanden 1985]. Grote delen van de kleine zelfstandigen zijn tegenwoordig sterk in het reproductieproces van het kapitaal geïntegreerd en onderhevig aan sterke sociale differentiatie- en polarisatieprocessen.

    6.2.3 Terminologische kwesties
    Welke term kan er nu voor dit agglomeraat van ‘kleine zelfstandigen’ worden gebruikt? De uit het feodale standenstelsel overgeleverde term middenstand is tegenwoordig als sociaal-wetenschappelijk begrip volledig onbruikbaar omdat het kapitalisme geen standenmaatschappij is.

    Het gebruik van de term ‘middenstand’ in de sociologische literatuur is voornamelijk een indicatie dat de betreffende auteur zich oriënteert op oude duidingsschema’s en vasthoudt aan traditionele beelden van sociaal prestige. Deze oriëntatie op criteria en ideologieën van maatschappelijke figuraties uit het verleden correspondeert met een inmiddels bekend —en al in de jaren vijftig uitvoerig gedocumenteerd— verschijnsel: het feit dat mensen zichzelf tot de ‘middenstand’ of ‘middenlaag’ rekenen correspon-deert allang niet meer met de — hoe dan ook — getrokken traditionele afbakening van de middenstand. Het feit dat veel mensen zichzelf tot een of ander ‘maatschappelijk midden’ rekenen, is relatief onafhankelijk van hun objectieve klassenpositie. De geschiedenis van de sociologische middenstands-literatuur laat zien dat de naar achteren gerichte oriëntatie op de sociale structuur zeker geen privilege is van de gedeclasseerde (klein)burgerij die vasthoudt aan standsmatige vooroordelen. Zie voor een kritische behandeling van het middenstandsbegrip in de sociologische literatuur: Riege [1976].

    De term middenlagen of ‘middengroepen’ is niet alleen veel te vaag, maar heeft bovendien het nadeel dat het klassenanalytische perspectief hierbij vaak helemaal wordt losgelaten [Wijmans 1987:46 e.v.] Een andere mogelijkheid is de niet-kapitalistische warenproducenten, de kleine handelaren en de kleine kapitaal-, huizen- en grondbezitters op een hoop te gooien en hen als kleinburgerij of ‘traditionele kleinburgerij’ aan te duiden. Bij veel moderne klassenanalytici is het inmiddels gebruikelijk om geen onderscheid meer te maken tussen beide klassencategorieën. Zo rekent Poulantzas [1974:219] alle kleine warenproducenten (ambachtslieden en kleine boeren) en alle kleine handelaren tot de traditionele kleinburgerij.

      Crompton/Gubbay [1977:203] definiëren de kleinburgerij als diegenen die hun diensten op een individuele basis aanbieden als onafhankelijke ambachtslieden en kleinschalige gezinsbedrijfjes, waarin niet of nauwelijks loonarbeid wordt ingeschakeld (winkeliers, kleine boeren). Erikson/Goldthorpe [1992:36 e.v.] rekenen alle kleine eigenaren en ambachtslieden met en zonder employés tot de kleinburgerij, maar niet de kleine boeren. Door PKA [1973] en Bischoff e.a. [1976:93] wordt er wel een inhoudelijk onderscheid gemaakt tussen niet-kapitalistische warenproducenten en de traditionele kleinburgerij, maar worden beide klassencategorieën samen behandeld onder de titel ‘kleinburgelijke tussenklassen’.

    Voor andere onderzoekers kleven er inmiddels zoveel problemen aan het gebruik van de term kleinburgerij dat zij helemaal van deze term willen afzien. Dit is bijvoorbeeld de strategie van Gerry/Birkbeck [1981], die hun analyse volledig concentreren op de positie van kleine warenproducenten. Sommige auteurs gaan hierin nog een stap verder. Zij stellen dat de productieverhoudingen van de kleine warenproductie in het kader van het kapitalisme niet (meer) als autonome klassenverhouding kan worden beschouwd, omdat deze in toenemende mate in het reproductiesysteem van het kapitaal is geïntegreerd en door de progressie van de accumulatie onderworpen is aan polarisatie en sociale differentiatie. De kleinburgerij zou zozeer aan sociale homogeniteit hebben ingeboet en haar mogelijkheden om historische initiatieven te nemen en als zelfstandige sociale factor op te treden zouden zo sterk zijn ingeperkt, dat het niet meer mogelijk is om van de kleinburgerij als klasse te spreken. Daarom zouden de groepen van de kleinburgerij beter als ‘sociale middenlagen’ kunnen worden aangeduid.

      Jung [1976:154,163] is hierover zeer expliciet. Anders dan Poulantzas, Wright e.a. zijn ook Bechhofer/Elliott van mening dat het onmogelijk is om een kleinburgerlijke klasse te identificeren. Zij spreken niet meer over een afzonderlijke ‘klasse’ van kleinburgers, maar over een ‘petit bourgeois stratum’ [Bechhofer/ElliotT 1981:183]. Dit spoort met de al eerder door Leppert [1974:35] geformuleerde gedachte dat de kleinburgerij in de meest letterlijke zin van het woord een ‘gedeklasseerde klasse’ is en dat het begrip ‘laag’ m.n. op z’n plaats is wanneer sociale groepen hun klasseneigenschappen hebben verloren en hun leden niet meer in staat zijn een gemeenschappelijk, realiseerbaar klassenbelang te definiëren.

    Ik zal de term ‘zelfstandige tussenklasse’ (of ‘zelfstandige middenklasse’) gebruiken als koepelbegrip voor de kleine warenproducenten en de kleinburgers. De reden om een onderscheid te maken tussen deze beide klassencategorieën zijn hierboven al genoemd. De tussenklassenpositie van de kleine warenproducenten en van de kleinburgerij hebben zeer veel met elkaar gemeen. Men zou op inhoudelijke of pragmatische gronden kunnen besluiten om ‘kleinburgerij’ als koepelbegrip te hanteren. Daarmee wordt het probleem van de interne differentiatie van de ‘kleine zelfstandigen’ echter alleen maar verschoven naar de behandeling de samenstelling van de ‘kleinburgerij’.

    Index


    6·3 Interne differentiatie van de zelfstandige middenklasse
    De uiterst heterogene zelfstandige middenklasse kan vanuit twee optieken worden gedifferentieerd. De samenstelling van de zelfstandige middenklasse vloeit namelijk enerzijds voort uit de specifieke functies die haar leden in het maatschappelijke reproductieproces als geheel verrichten, anderzijds uit de positie van de afzonderlijke fracties of sociale lagen ten opzichte van de hoofdklassen van de kapitalistische maatschappij, die geïndiceerd wordt door de bron en de hoogte van hun inkomen. Vanuit de eerste optiek kunnen de kleine zelfstandigen worden opgesplitst in acht afzonderlijke fracties. De kleine warenproducenten vallen uiteen in:
    1. De niet-kapitalistische agrarische warenproducenten: de kleine boeren, tuinders, bosbouwers, bloementelers, pluimveehouders inclusief vissers. Kleine boeren die zelf het meeste fysieke werk op de boerderij verrichten, hebben relatief betere overlevingskansen dan de stedelijke ambachtslieden en de detailhandelaren. Dit is enerzijds het gevolg van het feit dat landbouwtechnologie lange tijd achterbleef bij de industriële technologie, zodat het eigendom van een boerderij binnen het bereik van een significant aantal boeren bleef (met zware financiering door banken). Anderzijds is dit een gevolg van het feit dat de agrarische sector in veel landen zwaar door de overheid werd gesubsidieerd (met prijssubsidies op landbouwproducten) en beschermd (met beperkingen voor kapitalistische landbouwinitiatieven). Toch zijn steeds minder boeren in staat om als kleine zelfstandige te overleven en wordt de agrarische sector in toenemende mate door grote ondernemingen gepenetreerd (hoewel het aantal kapitalisten in de agrarische sector nog buitengewoon klein is). De feitelijke afkalving van de niet-kapitalistische landbouw betekent in bijna alle gevallen dat deze zelfstandigen worden geruïneerd of ‘over de kop gaan’. De transformatie van de zelfstandige boer in een loonarbeider neemt verschillende overgangsvormen aan. Wanneer het bedrijf niet meer toereikend is als enige inkomensbron, zal de zelfstandige boer in eerste instantie proberen om daarnaast een deel van zijn arbeidstijd voor loon te werken. Deze vorm van ‘nevenarbeid’ moet worden onderscheiden van een situatie waarin het overwegende deel van het inkomen niet meer voortkomt uit het zelfstandige landbouwbedrijf, maar uit een andere activiteit.

    2. De niet-kapitalistische producenten van materiële goederen: producerende ambachten (zoals bakkers, kleermakers, drukkers, sieradenmakers, meubelmakers, autoslopers), het bouwwezen (zelfstandige timmerlieden, stukadoors, metselaars, elektriciens, verwarmingsmonteurs, restaurateurs, aannemers en klusjesmannen), delen van het transportwezen (kleine vervoersbedrijven, expediteurs en expressdiensten) en gedeeltelijk het reparatiewerk (garagehouders, reparateurs van huishoudelijke apparaten, schoenmakers) en het reinigingswerk.

      * Strikt genomen vallen onder deze categorie slechts de zelfstandigen in de horeca voor zover zij waren produceren én diensten verlenen. Voor zover in de horeca slechts waren worden verkocht die niet zelf vervaardigd worden, valt de horeca onder de handel (categorie 5). Een groot deel van de horeca behoort echter tot de gemengde categorie 6.

    3. De kleine zelfstandige dienstverleners: horeca (hotel-, restaurant- en caféhouders; catering-service en kantinebeheer)*, amusement en recreatie (uitbaters van dancings, discotheken, gokhallen, bordelen, felicitatie- en escortdiensten), toerisme (reisbureautjes; campinghouders), lichaamsverzorging en esthetica (zoals kappers, visagisten, nagelstudio’s, schoonheidssalons; sauna- en fitnesscentra), bemiddelingswerk (huwelijks- en relatiebemiddeling; arbeidsmarktbemiddeling en au pair-bureaus), informatieoverdracht, trainings- en cursuswerk (van autorijles en computertraining, via cursussen in aura-healing en iriscopie tot aan lessen in erotiek).
        Zoals eerder opgemerkt is ‘dienst’ een slecht afgebakend containerbegrip dat meestal fungeert als een negatief gedefinieerde restcategorie. Daarom zijn er ook nog weinig bruikbare indelingen voor de verschillende typen diensten voorhanden. De meest grove indeling is die tussen (a) persoons- of gemeenschapsbetrokken diensten, en (b) op goederen of zaken betrokken diensten. Binnen deze tweedeling zou men de ‘zakelijke dienstverlening’ zo breed kunnen opvatten dat hieronder ook alle vormen van verhuur en leasing kunnen worden gerangschikt (verhuur van auto’s en caravans, van fietsen en boten, van fietsenstallingen en parkeergarages, van televisies en videobanden, van gereedschappen en computers, van tennis- en golfbanen, van feest- en carnavalskleding). Vanuit het indelingsprincipe dat ik hier voor de kleine zelfstandigen probeer uit te werken, ligt het echter meer voor de hand om deze categorie van kleine verhuurders te rangschikken onder fractie 7 (dus samen met de kleine huizenverhuurders en grondverpachters).

    4. De professionals in de vrije beroepen: zelfstandige artsen, tandartsen en medische specialisten, advocaten, adviseurs (belastingconsulenten, makelaars, assurantie-adviseurs, reclamedeskundigen (marketing adviesbureaus, productpromotie), organisatiekundigen en managementspecialisten, therapeuten, freelance journalisten, vertalers, kunstenaars, mannequins, fotografen, de vennoten van accountantskantoren, houders van kleine ingenieurs- en softwarebureaus en dergelijke.

      De overgang tussen categorie 3 en 4 is zeer vloeiend. Twee elementen zijn hierbij problematisch.

      a. Professionaliseringsproces
      Men kan lang twisten over de vraag wanneer een zelfstandige als professional moet worden aangemerkt en wanneer niet. Is bijvoorbeeld een zelfstandige belastingconsulent nu een echte profi, en zo niet, wat is het verschil met een zelfstandige arts? Er kunnen twee antwoordstrategieën worden gevolgd.

      De eerste strategie concentreert zich volledig op het kwalificatieniveau van de zelfstandige (semi-)professionals. Het probleem daarbij is dat het moeilijk is om een inhoudelijk gemotiveerde grens tussen de kwalificatieniveaus te trekken. Deze grens kan uiteindelijk alleen met behulp van pragmatische criteria worden getrokken (het type opleiding, resp. het aantal onderwijsjaren). Daarom leidt deze strategie vaak tot tamelijk willekeurige indelingen.

      De tweede strategie concentreert zich op de vraag of en in welke mate er sprake is van een geslaagd professionaliseringsproces. Professionalisering is een specifieke strategie van sociale sluiting, die minimaal veronderstelt dat de betreffende beroepsgroep in staat is de toegang tot dit beroep te reguleren; door beperking van het aanbod zijn professionals in staat om monopolieprijzen te realiseren. Zij kunnen hun waren/diensten verkopen tegen prijzen die boven de waarde liggen, omdat zij een specifieke credentierente incasseren [zie hoofdstuk VII]. Het ‘professionele’ karakter van de zelfstandigen in de vrije beroepen moet dus op specifieke wijze worden beargumenteerd.

      b. Reputatieproces
      Waarop is de ‘vrije’ of ‘freelance’ status gebaseerd van deze professionals? In het algemeen kan men zeggen dat dit een aspect is van het genoemde professionaliserings-proces (afscherming tegen kapitalistische concurrentie en beperking van onderlinge concurrentie). Minstens even belangrijk echter lijkt hier het reputatiemechanisme te zijn. Bij zelfstandige artsen, therapeuten, advocaten en organisatieadviseurs speelt het reputatiemechanisme een belangrijke rol, maar het is van doorslaggevende betekenis voor het verwerven van een ‘free-lance’ status van journalisten, schrijvers, vertalers, fotograven, mannequins enz.

      Categorie 4 omvat naast de profi’s in de vrije beroepen ook delen van de literaire, journalistieke en artistieke intelligentsia die een zodanige reputatie hebben weten te vestigen dat zij zichzelf als free-lancers op de markt kunnen brengen. Degenen die zich nog niet ‘bewezen’ hebben — zij beschikken over een te geringe indirecte bron van reputatie — (i) figureren als een soort ‘lompenzelfstandigen’ met uiterst geringe en onregelmatige inkomens; de ‘miskende’ kunstenaar en de nog niet ‘ontdekte’ schrijver staan hiervoor model; (ii) zij werken op los-vast basis in dienst van krantenconcerns, uitgevers, modellenbureaus, galeriehouders enz., of (iii) zij behoren tot de overgangscategorie naar de loonafhankelijke middenklasse of de niet-proletarische loonarbeiders.

      Alleen degenen die zich op wat voor manier dan ook ‘boven de middelmaat’ hebben weten uit te worstelen en ‘een naam’ hebben weten te verwerven, zijn in staat zich als free-lancer te vestigen en een reputatie-rente te incasseren. Het verwerven van ‘een naam’ werkt in principe bij alle genoemde profi’s op dezelfde wijze: de schrijver zet zijn eigen naam op de kaft van het boek, de free-lance journalist ondertekent zijn artikelen persoonlijk of zet zijn naam prominent op de titelrol, de kunstenaar signeert zijn kunstproduct of zorgt ervoor dat zijn/haar naam duidelijk wordt geafficheerd, de mannequin of filmster krijgt per definitie haar/zijn gezicht of lichaam op papier of celluloid, en allemaal proberen zij in een van die reputatiemakende praat- of amusementsprogramma’s op de televisie te komen (van Paul & Witteman, via De Wereld Draait Door tot aan Ik hou van Holland). Voor al deze categorieën is een dergelijk ‘persoonlijk onderschrift’ van vitaal belang voor de bestendiging of uitbreiding van hun onafhankelijke status.


    Binnen de kleinburgerlijke tussenklassenpositie kunnen er vier categorieën worden onderscheiden.

    1. Kleine zelfstandigen in de handel (winkeliers, detailhandelaren, marktkooplieden, bazaar- en boetiekhouders, antiekhandelaren; naast handelaren in ‘gewone’ of gelegaliseerde waren ook kleinere drugsdealers en andere straathandelaren) en in het geld- en verzekeringswezen (kleine geldhandelaren, kredietverleners zoals autofinanciering en persoonlijke leningen, houders van verzekeringsbedrijfjes of assurantiekantoren en dergelijke).

      De zelfstandigen in de detailhandel, de kleine kooplieden en handelaren zijn slechts in naam kapitalistisch en behoren niet tot de kapitalistenklasse. Zij beschikken over een relatief gering geld- en bedrijfseigendom dat als arbeidsvoorwaarde fungeert voor hun circulatiearbeid. Op basis van deze eigendom kunnen zij zich de reproductiekosten van hun arbeidskracht en eventueel een handelswinst uit de maatschappelijke meerwaarde toeëigenen. Voor deze categorieën gelden dus dezelfde kenmerken als voor de kleine warenproducenten. Het cruciale verschil is dat het vermogen van de kleine koopman meestal als geldvermogen bestaat. Toch is deze detailhandel slechts nominaal kapitalistisch, omdat de kleine handelaar zich zijn aandeel in de maatschappelijke meerwaarde immers met behulp van eigen en niet met vreemde arbeid toeëigent — en zijn ‘winst’ is dus niet werkelijk winst.

    2. De kleine warenproductie en de kleine handel zijn vaak verenigd in gemengde bedrijfjes, zoals in kleine bakkerijen, cafés, restaurants, hotels, boetiekjes, antiekzaakjes. Zij participeren slechts gedeeltelijk in de productie (van voedingsmiddelen, kleding, sieraden enz.), maar primair in de circulatie van waren of zij verrichten dienstverlenende arbeid. In het totale maatschappelijke reproductieproces nemen zij een andere positie in dan de kleine warenproducenten. Toch zijn zij met deze laatsten identiek wat betreft hun verhouding tot de arbeidsvoorwaarden — zij zijn tegelijkertijd eigenaar van deze arbeidsvoorwaarden en wenden deze aan.

      Dit is dus een gemengde categorie van niet-kapitalistische warenproducenten die tevens zelfstandige kleine handelaren zijn met een eigen handelskapitaal. Zij leven van het producentenloon en van delen van de commerciële winst die zij zich kunnen toeëigenen. Wanneer hun zelfstandige bestaan als warenproducenten wordt vernietigd, kunnen zij nog als kleine handelaren overleven omdat zij van de commerciële winst leven; zij moeten deze winst echter zelf als commerciële loonarbeiders van hun eigen handelskapitaal door eigen arbeid (en zelfuitbuiting) in de handel verwerven.

    3. De kleine grond- en huizenbezitters die hun onroerend goed moeten verpachten of verhuren om te kunnen leven. Grond- en huizenbezitters zijn kleinburgers wanneer hun eigendom in onroerend goed zo gering is dat zij van de pacht- en huurinkomens slechts in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien — meestal gaat dit ten koste van noodzakelijke uitgaven voor het in stand houden en repareren, en zeker voor het verbeteren van hun eigendomsobjecten. Vooral sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er in Nederland steeds meer beperkingen opgelegd aan de verhuurders. Huizenbezitters hebben niet meer de macht over hun huurders die zij eens hadden. Zij kunnen wettelijk worden gedwongen hun eigendom te onderhouden en te verbeteren of moeten onteigening onder ogen zien. Bovendien hebben zij niet meer het onvoorwaardelijke recht om maximale huren te vragen.

      Aan deze subcategorie van de kleinburgers wordt door sommige auteurs nog de groep van kleine renteniers toegevoegd, die rente ontvangen op grond van gespaard vermogen of verzekeringsaanspraken die uit arbeidsinkomen zijn ontstaan [Marbach 1942:360; Riege 1976:46]. Deze ‘arbeidsrenteniers’ onderscheiden zich van de gewone loonarbeiders door hun bezit van eigendomstitels of verzekeringsaanspraken en van de zuivere kapitalisten, doordat hun rente resulteert uit eerder verrichtte arbeid, en dus niet — zoals bij de kapitalist — een van de eigen arbeid volledig losgemaakt inkomen (arbeidsloos inkomen).

    4. De kleine kapitalistische warenproducenten die ondanks hun kapitaaleigendom nog overwegend van het waardeproduct van hun eigen arbeid moeten leven — als loonarbeiders van hun eigen kapitaal. Hoewel zij op kleine schaal van vreemde arbeidskracht gebruik maken, hangt de reproductie van hun kapitaal en hun persoonlijke reproductie nog overwegend af van hun eigen arbeid. Zij zijn kapitalisten zolang zij zelf waren produceren en verkopen; zij zijn uitbuiters van vreemde arbeidskracht wanneer zij deze als arbeider en knecht uitbuiten en daarbij tegelijk zichzelf, respectievelijk de meewerkende gezinsleden uitbuiten.

      In kleine bedrijven is de ondernemer vaak zijn eigen loonarbeider. Dit is een typische eigenschap van een maatschappij waarin een kapitalistische arbeidswijze domineert, maar waaraan niet alle arbeidsverhoudingen zijn onderworpen. De onafhankelijke boer of ambachtsman wordt in twee personen opgesplitst. “Als bezitter van de productiemiddelen is hij kapitalist, als arbeiders is hij zijn eigen loonarbeider. Hij betaalt zichzelf dus zijn loon als kapitalist en haalt zijn winst uit zijn kapitaal, d.w.z. hij exploiteert zichzelf als loonarbeider en betaalt zichzelf in de meerwaarde de schatting die de arbeid aan het kapitaal verschuldigd is. Misschien betaalt hij zichzelf nog een derde keer als grondbezitter (rente) ... ” [Marx MEW 26.1:383; vert. :55].


    Zoals gezegd kunnen de kleine zelfstandigen naast deze indeling in fracties ook nog worden gedifferentieerd vanuit hun positie ten opzichte van de hoofdklassen. Vanuit deze tweede optiek moet rekening worden gehouden met een aantal empirische criteria zoals: de mate van participatie van gezinsleden; het aantal personeelsleden/werknemers; de inkomenshoogte; de waardeomvang van de arbeidsmiddelen, respectievelijk van het vermogen. Rond de kerngroepen van de zelfstandige middenlagen figureren enerzijds een aantal plebejische randgroepen. Dit zijn meestal een-mans/vrouws-bedrijfjes met een uiterst gering vermogen. Gezien hun lage inkomen en miserabele arbeidsomstandigheden kunnen zij misschien nog het beste als ‘lompenkapitalisten’ worden aangeduid. Zij worden vooral aangetroffen onder de straathandelaren en traditionele ambachtelijke warenproducenten. Anderzijds kunnen er een aantal overgangsgroepen worden onderscheiden die al in de schaduw staan van de klasse waarin een deel van hen uiteindelijk terecht zal komen: overgangsgroepen naar de arbeidersklasse, overgangsgroepen naar de tussenklassenpositie van de niet-proletarische loonarbeiders (managers en experts/deskundigen), overgangsgroepen naar de loonafhankelijke middenklassen en overgangsgroepen naar de bourgeoisie.

    Index


    6·4 Verschuivingen in omvang en samenstelling
    Na deze overwegend statische categorisering moeten de mechanismen worden opgespoord die verantwoordelijk zijn voor de verschuivingen in de numerieke omvang en het economische gewicht van de zelfstandige tussenklasse en voor de wijzigingen in haar sociale samenstelling. Ik concentreer me hierbij op de positie van de kleine warenproducenten en dienstverleners, wier deelname aan het arbeidsproces noodzakelijk is voor de reproductie van hun zelfstandige bestaan (ook al worden er op kleine schaal vreemde arbeidskrachten geëxploiteerd). De uitgangsgedachte is even simpel als traditioneel: wanneer deze eenvoudige reproductie niet meer mogelijk is, treedt er een polarisatieproces op: de kleine warenproducenten veranderen in kleine kapitalisten óf zij verliezen hun arbeidsmiddelen en worden loonarbeiders.

    6·4·1 Overgang naar loonarbeid
    De overgang van kleine zelfstandigen naar de arbeidersklasse of naar de loonafhankelijke middenklasse stuit op een aantal barrières en kan zeer uiteenlopende vormen aannemen. In perioden van economische expansie voltrekt de overgang naar de arbeidersklasse of naar loonafhankelijke middenklassen zich relatief soepel, omdat de inkomens van deze bestemmingsklassen gemiddeld hoger zijn dan die van de zelfstandige tussenklassen. Deze overgang is aanzienlijk moeilijker in landen met een zwakke expansie en met relatief laag ontwikkelde kapitaalverhoudingen, zoals in de meerderheid van de ontwikkelingslanden waar de zelfstandige tussenklassen een aanzienlijk deel uitmaken van de stedelijke bevolking [Jung 1973:15; Gerry/Birkbeck 1981; Worsley 1984]. Zolang de overgang naar een loonafhankelijke existentie geblokkeerd is, zullen kleine zelfstandigen proberen het hoofd boven water te houden door een extensief gebruik van hun eigen arbeidskracht en die van hun gezinsleden.

    De overgang van zelfstandige warenproductie naar loonafhankelijke arbeid voltrekt zich niet altijd in een —min of meer dramatische— beweging, maar kent verschillende tussenstadia. Er zijn verschillende overgangsvormen naar de loonarbeid, waarin vormen van kleinproductie en handel indirect aan het kapitaal worden onderworpen en de ‘zelfstandigen’ op specifieke —grove of geraffineerde— wijze worden geëxploiteerd [→ Marx in § 6·4·3].

    Het klassieke voorbeeld hiervan is het louter nominale grondeigendom bij kleine boeren wier ‘eigen’ grondstuk zo zwaar met hypotheek is belast dat dit in werkelijkheid eerder als bankeigendom beschouwd moet worden. De kleine boeren die hun bedrijfje in stand hebben weten te houden, zijn steeds nauwer in de kapitalistische instituties geïntegreerd. Belangrijke beslissingen over productie en uitbreiding moeten in toenemende mate worden goedgekeurd door banken en voedselverwerkende industrieën en veel boeren worden stapsgewijs gereduceerd tot een soort concessiehouders.

    a. Franchisering
    Een groot aantal kleine zelfstandigen verkeren feitelijk in een afhankelijke positie omdat zij te maken hebben met contractuele verplichtingen die in hun arbeidsvoorwaarden ingrijpen en omdat de door hen gebruikte arbeidsmiddelen slechts ten dele hun eigendom zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor pachters van benzinestations en concessiehouders (‘franchise’) in de dienstverlening, detailhandel en horeca. Deze concessiehouders zijn aan een bijzondere uitbuitingsverhouding onderworpen.

      Het aantal franchiseketens en -vestigingen neemt toe. In 2010 waren er Nederland in totaal 715 franchisegevers en 29.500 franchisevestigingen. De meeste franchiseketens opereren in de dienstverlening, gevolgd door de detailhadel (non-food en food) en de horeca. In de franchisevestigingen werken 258.000 werknemers waarvan 40% in de detailhandel food, 27% in de detailhandel non-food, 15% in dienstverlening en 13% in de horeca, Met elkaar realiseren zij jaarlijks een omzet van 30,18 miljard euro. Het merendeel daarvan wordt gerealiseerd in de detailhandel food (41%) en in de detailhandel non-food (32%). De dienstverlening (13%) en horeca (6%) leveren daaraan verhoudingsgewijs een bescheiden bijdrage. Bron: NFV en Westland [2011].

    De kern van deze uitbuitingsverhouding van de zelfstandige middenklassen (en ook van de kleine of niet-monopolistische bourgeoisie) is dat de concessiehouder zijn eigen kapitaal inzet en dit voor eigen rekening en met eigen risico rendabel moet zien te maken Tegelijkertijd moet de concessiehouder tegen pittige retributies (entreefee, franchisefee, marketing- en reclamefee etc.) en andere vormen van afpersing van het meerproduct wezenlijke ondernemingsfuncties afstaan aan de concessiegever, namelijk zijn commerciële vrijheid van handelen.

    Concessiehouders moeten zich meestal houden aan strikte regels die door hun ‘moederonderneming’ (de concessiegever) worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het bedrijf gerund moet worden, hoe het product er uit moet zien, de architectuur van de gebouwen, de prijsstelling enzovoort. Concessiehouders zijn pseudo-zelfstandigen die men het beste kan vergelijken met loonafhankelijke filiaalhouders.

    De voordelen van het consessiestelsel vanuit het perspectief van de consessie-gevers worden toegelicht door de belangen-organisatie van franchisegevers: de Nederlandse Franchise Vereniging (NFV), de European Franchise Federation (EFF) en de World Franchise Council (WFC).
    Voor het grootbedrijf is franchisering een type filiaalvorming tegen minimale investeringskosten en met maximale afwenteling van bedrijfsrisico’s. De concessienemer brengt zijn eigen vermogen in en draagt praktisch alle bedrijfsrisico’s. Daarom levert een concessiehouder in de regel een veel hogere inzet dan een in loondienst werkzame filiaalhouder.

    De concessienemer profiteert van de bij de concessiegever opgeslagen know how (en ingang bij de banken) en maakt deze voor zichzelf —binnen de door de concessiegever bepaalde winstmarge— rendabel. De concessiegever profiteert van zijn lage investeringskosten en risicospreiding en maakt zijn hard werkende consessienemer rendabel.

    Cola Cola
    De Coca-Cola Company controleert een wereldwijd consessiesysteem dat al in 1889 werd opgezet. De concessiehouder verplicht zich hierbij tot het opzetten van bottelbedrijven, het leveren van verpakkingsmateriaal en het inrichten van de verkooporganisatie. De Coca-Cola Company levert het frisdrankpoeder, stelt onderzoeks-resultaten ter beschikking, neemt de reclame voor z’n rekening, werkt verkoop- en marketing-programma’s uit en leidt het totale personeel van de contractpartners op.

    Dergelijke systemen zijn in diverse varianten sterk verspreid in de handel en horeca, maar er zijn ook tal van consessiehouders van oliemaatschappijen en computerfirma’s. In 1980 waren in de Verenigde Staten 25 procent van de detailhandelaren concessiehouders: bijna 90 procent van de benzinestations (sindsdien is dit weer wat afgenomen), 25 procent van alle restaurants en 10 procent van de kruideniers. De toename van het aantal concessiehouders voltrekt zich in de V.S. het snelst bij de restauranthouders en kruideniers [Szymanski 1983:179].

    In het geven en nemen van concessies schuilt een geraffineerde exploitatieverhouding. De concessievorm lijkt het model te worden voor bijna de gehele sector van de kleine warenproducenten en handelaren (behalve bij de dienstverlenende categorieën). Een ander voorbeeld is de formeel zelfstandige arbeid van de ‘freelance’ journalisten, schrijvers, vertalers en kunstenaars, wier ‘productprijs’ in de vorm van een honorarium wordt betaald en waarvan de inkomens vaak onder het gemiddelde loonniveau liggen.

    b. Lompenkapitalisten
    Met franchise verwante overgangsvormen naar loonarbeid zijn vooral kenmerkend voor de positie van arme kleine zelfstandigen in Derde Wereldlanden, zoals de vuilnisophalers en verkopers van loterijtickets in Colombia.

    De zelfstandige vuilophalers in Columbia opereren zonder mondeling of schriftelijk contract met vuilverwerkende industrieën. Hun inkomen is in zeer hoge mate afhankelijk van de prijzen van gerecyclede ruwe materialen. Volgens Garry & Birkbeck [1981 - The petty commodity producer in Third World Cities] representeren deze prijzen niets anders dan de prijs van de arbeidskracht van de vuilnisophaler op een gegeven tijdstip (zoals de relatieve grondrente door de landheer wordt berekend op basis van de vruchtbaarheid van het land van de pachtboer). De meerarbeid die door de vuilnisophalers wordt gegenereerd, wordt in eerste instantie toegeëigend door de diverse intermediairs die in afvalmateriaal handelen, en met name door de grote bedrijven die uiteindelijk het voor hergebruik geschikte materiaal verwerken. “The garbage picker is thus little more than an industrial outworker” [Gerry/Birkbeck [1981:139].

    Het merendeel van deze schijnbaar zelfstandige producenten zijn in werkelijkheid niet veel meer dan ‘disguised wage workers’ [idem:141]. Vanwege de lage inkomenspositie, de afhankelijkheid van het kapitaal en het gebrek aan expansiemogelijkheden van grote categorieën van kleine zelfstandigen kunnen zij tot de categorie van de lompenkapitalisten worden gerekend [idem:135].

    Zie voor een vergelijkbare analyse van de informle economie van ‘depent exploitation’ bij de vuilnishandel in New York: Waldinger [1986 - Through the Eye of the Needle].

    c. Vloeiende overgangen
    Al deze overgangsvormen hebben met elkaar gemeen dat de nominale of formele kant van de verhouding onveranderd blijft. Het blijven immers formeel zelfstandige warenproducenten en handelaren, ook al zijn zij in —via hypotheken en kredieten —contractueel vastgelegde productie- en leveringsvoorwaarden economisch de facto onteigend en verkeren zij in een afhankelijke positie. Het ruïneringsproces van de kleine zelfstandigen wordt hierdoor formeel afgeremd.

    In werkelijkheid bestaan er zeer vloeiende overgangen tussen loonarbeiders en kleine zelfstandigen die hun hele arbeid betaald krijgen en tevens de tegenwaarde van de verbruikte arbeidsmiddelen. Het ene extreem is de betaling van de loutere arbeidskracht, het andere de betaling van een geldsom die correspondeert met de totale hoeveelheid verrichte arbeid. Er zijn diverse gradaties mogelijk tussen deze beide extremen.

    Daarom is het vaak niet eenvoudig vast te stellen of de zelfstandige warenproducent of dienstverlener volledige beschikkingsmacht heeft over de arbeidsvoorwaarden (en dus feitelijk een bedrijf heeft) of dat deze slechts over zijn ambachtelijke werktuigen beschikt. Hoe lager de kleine dienstverlenende ‘ondernemer’ in deze rangorde staat, des te meer benadert zijn economische status die van de dienstverlenende loonarbeider. Hoe lager de kleine warenproducent staat des te meer wordt deze ook feitelijk loonarbeider, alleen met dit verschil dat zijn arbeid zich in een materiële gebruikswaarde objectiveert. De positie van de zelfstandige ambachtsman die een kast maakt die als waar kan circuleren, lijkt steeds meer op die van de loonarbeider die zijn arbeidskracht aan een kapitalist verhuurt in wiens onderneming hij de kast produceert.

    Achter de nominale zelfstandigheid van kleine warenproducenten en handelaren gaan dus vaak overgangsvormen naar directe afhankelijkheid van kapitalistische productie verborgen. De teloorgang van deze overgangsvormen is vooral afhankelijk van de mate waarin de betreffende arbeid reëel aan het kapitaal kan worden onderworpen. Daarbij is vooral het verschil tussen dienstverlening en warenproductie van belang, omdat een deel van de dienstverlening slechts onder bepaalde voorwaarden kapitalistisch bedreven kan worden. In de dienstensector kunnen kleine zelfstandigen zich beter handhaven, omdat hier de reële onderschikking van het arbeidsproces aan het kapitaal op grotere —maar zeker niet onoverkomelijke— moeilijkheden stuit; de productie van materiële gebruikswaarden, die als zelfstandige waren kunnen circuleren, wordt bijna uitsluitend het domein van de kapitalistische productie [Behrens 1948:64; PKA 1973:273; Worsley 1984:212 e.v.].

    6·4·2 Overgang naar kleinkapitaal
    De arbeidsverhoudingen van de kleine warenproducenten en dienstverleners kunnen zich in kapitaalverhoudingen transformeren. De cruciale voorwaarde voor deze omslag in een kapitaalverhouding is dat de kleine zelfstandige ondernemer kan worden vrijgesteld van de eigenlijke arbeid. In het algemeen kan men zeggen dat dit een bepaalde omvang van het kapitaal veronderstelt. Het aantal uitgebuite arbeidskrachten (en dus de massa van de geproduceerde meerwaarde) moet immers voldoende zijn om de zelfstandige ondernemer zelf van de arbeid te bevrijden. Wanneer dat het geval is, fungeert zijn geïnvesteerde geld als kapitaal en verandert de kleine zelfstandige in een kapitalist.

    Bij de analyse van deze overgang van een niet-kapitalistische naar een kapitalistische arbeidswijze moet met een aantal complicaties rekening worden gehouden.

    a. Kapitaalminium is variabel
    Het vereiste kapitaalminimum is geen vaststaand, maar een variabel gegeven. Het minimumkapitaal dat nodig is om de omslag te bewerkstellingen is afhankelijk van de ontwikkelingsfase van de kapitalistische arbeidswijze, maar ook van de specifieke materiële voorwaarden van het arbeidsproces in een bepaalde sector [Marx, MEW 23:327; vert. 224; vgl. MEW 23:349].

    b. Meerwaarde als exclusieve bron van inkomen
    Bij de empirische analyse van de omslag in de kapitaalverhouding moet rekening worden gehouden met de specifieke voorwaarden waaronder een kleine zelfstandige van de directe arbeid wordt bevrijd en zich helemaal kan wijden aan het verrichten van controlerende en kapitaalfuncties.

    De overgang naar de kapitalistenklasse vindt plaats wanneer de uitbuiting direct of indirect de uitsluitende bron van inkomen wordt van de zelfstandige ondernemer. Dit wordt geïndiceerd door het feit dat de deelname van de ondernemer aan het arbeidsproces niet meer noodzakelijk is en —voor de representant van het kapitaal— niet meer mogelijk. De specifieke functies van de kapitalistische meerwaardevorming worden de exclusieve activiteit van de kleine ondernemer.

    Dit sluit natuurlijk niet uit dat een ondernemer ook nog meewerkt en slechts een deel van zijn toezichthoudende en kapitaalfuncties aan anderen delegeert. De sociaaleconomische scheidslijn verdwijnt hierdoor echter niet: de gerealiseerde winst wordt een bron van accumulatie en van ondernemersinkomen. Door de overgang naar de bourgeoisie wordt de voor de zelfstandige tussenklassen kenmerkende gespletenheid —zowel eigenaar als arbeider te zijn— opgeheven, en wel naar de tegenovergestelde kant als bij de overgang naar de arbeidersklasse.

    c. Mobiliteitsbarrières: sociale, financiële en marktfactoren
    Voor de overgang van niet-kapitalistische warenproducenten en kleine handelaren naar de bourgeoisie is niet alleen het economische criterium van het benodigde kapitaalminimum van belang. Er zijn nog andere mobiliteitsbarrières die deze overgang blokkeren.

    De groei van het kleinkapitaal wordt door een aantal sociale, financiële en marktfactoren gelimiteerd.

    1. Veel kleine zelfstandigen hebben geen of onvoldoende managementservaring en -kwalificaties die nodig zijn om de problemen van grootschalige inzet van arbeid te regisseren.
    2. Een van de belangrijke motieven om een eigen bedrijfje te beginnen, is de wens om te ontsnappen aan de dwangmatigheden van de verzakelijkte en bureaucratische kapitalistische arbeidsrelaties. Het aannemen van meer personeel leidt echter niet alleen tot managementsproblemen, maar bedreigt ook de autonomie van de kleine zelfstandige ondernemer en ondergraaft het persoonlijke karakter van de werkrelaties.
    3. Meer personeel betekent vaak dat de arbeidsverhoudingen verzakelijken en dat er bij het personeel van de uitgebreide arbeidsorganisatie meer onverschilligheid (en soms wantrouwen ten opzichte van de bedrijfsleiding) ontstaat. Daarom zal men eerder zoeken naar mogelijkheden om de productie en de winst te verhogen zonder extra personeel in dienst te nemen. En om die reden is onderaanneming voor veel kleine ondernemers zo’n aantrekkelijk alternatief [Scase/Goffee 1980; Scase 1982:159; Allen/Massey 1988].

    De sociale polarisatie van de zelfstandige tussenklasse leidt dus zowel tot mobiliteit ‘naar boven’ als ‘naar beneden’. De specifieke omvang, intensiteit en gewichtsverhouding van deze mobiliteitsprocessen wordt bepaald door diverse sociaal-economische en politiek-culturele factoren. Het sociale polarisatieproces heeft weliswaar tot gevolg dat de omvang en maatschappelijke betekenis van de zelfstandige tussenklassen afneemt, maar dit is zeker geen rechtlijnig proces.

    6·4·3 Verdwijnende zelfstandige middenklassen?
    In alle kapitalistische landen is het economische en numerieke gewicht van de categorie van de kleine zelfstandigen als geheel (kleine boeren, handelaren en ambachtslieden, zelfstandige professionals) sinds het midden van de negentiende eeuw aanzienlijk afgenomen. Deze daling is echter niet zo sterk als vaak wordt aangenomen door diegenen die kleine warenproductie beschouwen als een anachronisme dat door de opkomst van grote kapitalistische concerns en het financierskapitaal zal worden weggevaagd.

    a. Marx en Engels over de middenklassen
    In de marxistische traditie wordt de kleinburgerij meestal opgevat als de erfgenaam van een pre-kapitalistische productievorm die binnen het kapitalisme slechts een wegkwijnend bestaan kon leidden; op de lange duur zou dit leiden tot een ontbinding van de kleinburgerij in bourgeoisie en arbeidersklasse. Daarbij wordt meestal verwezen naar een paar bekende passages uit het Communistisch Manifest.

      “De tot dusverre bestaande kleine middenstand, de kleine industriëlen, kooplieden en renteniers, de handwerkers en boeren, al deze klassen dalen af tot het proletariaat, ten dele doordat hun kapitaaltje voor het bedrijf van de grootindustrie ontoereikend is en in de concurrentie met de grotere kapitalen het onderspit delft, ten dele doordat hun vaardigheid door nieuwe productiemethoden waardeloos wordt gemaakt” [Marx/Engels, Manifest:50].

    Voor Marx en Engels was de meest doorslaggevende ontwikkelingstendens van de burgerlijke maatschappij de polarisatie van de sociale structuur in twee tegenover elkaar staande klassen door de ontbinding van alle productievormen en sociale groeperingen die tussen deze beide extremen staan.

      “Het tijdperk van de bourgeoisie kenmerkt zich hierdoor dat het de klassentegenstellingen heeft vereenvoudigd. Meer en meer splitst zich de gehele maatschappij in twee grote vijandelijke kampen, in twee grote rechtstreeks tegenover elkaar staande klassen: bourgeoisie en proletariaat” [Manifest:41].

      “De middenstanden, de kleine industrieel, de kleine koopman, de handwerksman, de boer, zij allen strijden tegen de bourgeoisie om hun bestaan als middenstand voor de ondergang te behoeden” [Manifest:53].

    Toch wordt ook al in het Communistisch Manifest aandacht besteed aan de mechanismen waardoor de zelfstandige middenklassen zich in een dominant kapitalistisch milieu reproduceren.

      “In de landen waar de moderne beschaving zich heeft ontwikkeld, heeft zich een nieuwe kleine burgerij gevormd, die tussen de bourgeoisie en het proletariaat zweeft en als aanvullend deel van de burgerlijke maatschappij zich steeds opnieuw vormt” [Manifest:69].

    Daaraan wordt echter direct toegevoegd dat de leden van deze nieuw gevormde kleine burgerij door de concurrentie telkens weer in het proletariaat worden geslingerd en door de ontwikkeling van de grootindustrie “een tijdstip zien naderen, waarop zij als zelfstandig deel van de moderne maatschappij geheel en al verdwijnen en in de handel, in de manufactuur, in de landbouw door opzichters en bedienden worden vervangen” [idem].

    In latere teksten geeft Marx een evenwichtiger analyse van de grondslagen van het ontstaan en de reproductie van de zelfstandige tussenklassen.

    “Deze [kapitalistische] productiewijze verhoogt de productiviteit van de arbeid en brengt massaproductie, massale bevolking en een massale surplusbevolking met zich mee. Juist hierdoor worden met vrijgemaakt kapitaal en arbeid permanent nieuwe bedrijfstakken voortgebracht, waarin het kapitaal weer kleinschalig kan werken. Het kapitaal doorloopt weer de verschillende ontwikkelingen, tot ook deze nieuwe bedrijfstakken op maatschappelijk niveau worden georganiseerd. Dit is een permanent proces.

    Tegelijkertijd is de kapitalistische productie geneigd om alle door haar tot nu toe nog niet bemachtigde bedrijfstakken, waar alleen nog formele onderschikking bestaat, te veroveren. Zodra zij zich meester heeft gemaakt van de landbouw, mijnindustrie, manufactuur van de belangrijkste kledingsstoffen enz, slaat zij toe in de andere sferen waar [de arbeid] alleen nog formeel [aan het kapitaal is onderworpen] of ook nog zelfstandig ambachtslieden” bestaan [Marx, Resultate:61 e.v.].

    “Eben die Produktivität der Arbeit, Masse der Produktion, Masse der Bevölkerung, Masse der Surplusbevölkerung, die diese Produktionsweise entwickelt, ruft mit freigesetzten Kapital und Arbeit beständig neue Geschäftszweige hervor, in denen das Kapital wieder auf kleiner Stufenleiter arbeiten kann und wieder die verschiedenen Entwicklungen durchlaufen, bis auch diese neuen Geschäftszweige auf gesellschaftlicher Stufenleiter betrieben werden. Dieser Prozess beständig.

    Gleichzeitig die kapitalistische Produktion tendierend sich alle ihrer bisher noch nicht bemächtigten Industriezweige, wo nur noch formelle Subsumtion, zu erobern. Sobald sie sich der Agrikultur, Minenindustrie, Manufaktur der Hauptkleidungsstoffe usw. bemächtigt hat, ergreift sie die andren Sphären, wo nur noch formell oder auch noch selbständige Handwerker” [Marx, Resultate:61 e.v.].

    In Theorien über den Mehrwert formuleert Marx een zeer gedecideerde opvatting over de groei van de middenklassen. In zijn polemiek met Thomas Malthus merkt hij op dat er in de burgerlijke maatschappij een algemene trend bestaat “dat de massa van de middenklassen toeneemt en de arbeidersklasse een verhoudingsgewijs steeds kleiner deel van de totale populatie vormt” [MEW 26·3:57]. Marx heeft hier echter niet de zelfstandige, maar de loonafhankelijke middenklasse op het oog. Dit geldt ook voor de passage waarin hij David Ricardo verwijt dat deze geen rekening houdt met

    “de permanente toename van middenklassen die tussen arbeiders aan de ene kant, kapitalist en landbezitter aan de andere kant, in het midden staan. In steeds grotere omvang worden deze midden-klassen grotendeels direct gevoed uit de [primaire] revenu. Zij drukken als een last op de werkende onderlagen en vergroten de sociale zekerheid en macht van de upper ten thousand” [MEW 26·3:576]. “die beständige Vermehrung der zwischen work-men auf der einen Seite, Kapitalist und landlord auf der andren Seite, in der Mitte stehenden und sich in stets gröβerem Umfang, gröβenteils von der Revenu direkt fed Mittelklassen, die als eine Last auf der working Unterlage lasten und die soziale Sicherheit und Macht der upper ten thousand vermehren” [MEW 26·3:576].

    In een maatschappijvorm waarin de kapitalistische productiewijze overheerst, was dit al volgens Marx de typische tendens:

      “... de ambachtsman of boer, die met zijn eigen productiemiddelen produceert, zal of langzaam in een kleine kapitalist veranderen, die ook vreemde arbeid exploiteert, of hij zal zijn productiemiddelen kwijtraken (in eerste aanleg kan dit gebeuren, hoewel hij nominaal eigenaar blijft van de productiemiddelen, zoals bij het hypotheekwezen) en in een loonarbeider worden veranderd” [MEW 26.1:384; vert. 56].

    In zijn analyse van de ontstaansvoorwaarden van de kapitalistische maatschappijformatie behandelt Marx een aantal overgangsvormen die in zijn visie de verdere ontplooiing van deze productiewijze blokkeren. De overgang uit de feodale productiewijze voltrekt zich op twee manieren. (a) De producenten worden kooplieden en kapitalisten, in tegenstelling tot de agrarische productie en tot het nog in gilden ingesnoerde ambacht van de middeleeuwse stedelijke nijverheid. (b) De kooplieden maken zich direct meester van de productie of zij laten de ambachtelijke, en met name de kleine agrarische industrie voor zich werken.

    Een voorbeeld hiervan is de Engelse lakenhandelaar die zelfstandig werkende wevers onder zijn controle brengt: de lakenhandelaar verkoopt de wevers katoen en koopt hun lakens. De traditionele werkwijze van de wever wordt hierdoor echter niet gerevolutioneerd, maar veeleer geconserveerd. Tot in het midden van de 19e eeuw waren bijvoorbeeld de fabrikant in de Franse zijde-industrie en in de Engelse kousen- en kantindustrie slechts nominaal fabrikant. Dit is typerend voor de hele fase van het handelskapitalisme, waarin de figuur van de koopman-ondernemer domineert. “Hij combineert commerciële activiteit met ingrijpen in het productieproces en daarmee in de arbeidsverhoudingen, maar de commerciële activiteiten wegen (nog) het zwaarst” [Van Zanden 1991:16; vgl. Bridges 1986:171 e.v.]. In werkelijkheid waren deze fabrikanten louter kooplieden die de wevers in hun sterk versplinterde productiewijze lieten doorwerken en alleen de heerschappij van de koopman uitoefenden.

    In andere sectoren van de ambachtelijke productie bestonden vergelijkbare verhoudingen. De ambachtelijke meubelproductie in Londen was opgesplitst in een groot aantal van elkaar onafhankelijke bedrijfjes. Het ene bedrijfje maakt alleen stoelen, de ander alleen tafels, de derde alleen kasten enz. Deze bedrijfjes zelf werden min of meer ambachtelijk georganiseerd door klein baasjes (‘meesters’) met een klein aantal knechten (‘gezellen’). De hele productie was echter te grootschalig om direct voor particuliere consumenten te werken. Hun kopers zijn de eigenaars van meubelmagazijnen. Aan het einde van de week gingen de meesters naar hen toe en om hun producten te verkopen en over de prijs te sjacheren. Deze wekelijkse verkoop was noodzakelijk alleen al om voor de volgende week weer grondstoffen te kunnen kopen en arbeidsloon te kunnen uitbetalen. De kleine warenproducent was in deze situatie eigenlijk slechts tussenpersoon tussen de koopman en zijn eigen arbeiders. De koopman is de eigenlijke kapitalist en steekt het grootste deel van de meerwaarde in zijn zak.

    “De koopman maakt de kleine meester tot zijn tussenpersoon of koopt ook direct van zelfstandige producenten; hij laat hen nominaal zelfstandig en laat zijn productiewijze ongewijzigd” [Marx, MEW 25:248]. “Der Kaufmann macht die kleinen Meister zu seinen Zwischenschiebern (middlemen) oder kauft auch direkt vom Selbtsproduzenten; er läβt ihn nominell selbständig und läβt seine Produktionsweise unverändert” [Marx, MEW 25:248].

    Hetzelfde gebeurt ook bij de overgang naar de manufactuur uit bedrijfstakken die vroeger ambachtelijk of als neventakken van de agrarische industrie werden bedreven. Al naar gelang de technische ontwikkeling van dit zelfstandige kleinbedrijf —waar zelfs al machines werden gebruikt die pasten in een ambachtelijke bedrijfsvoering— vindt er ook een overgang plaats naar grote industrie.

    Al deze overgangsvormen stonden volgens Marx overal de werkelijke kapitalistische productiewijze in de weg. Zonder de productiewijze te transformeren, leiden deze tussenvormen alleen maar tot een verslechtering van de positie van de directe producenten: zij worden in loutere loonarbeiders en proletariërs veranderd, die onder slechtere voorwaarden opereren dan de direct van het kapitaal afhankelijke loonarbeiders, en hun meerarbeid wordt toegeëigend op basis van de oude productiewijze. Daarom verwachtte hij —ten onrechte— dat deze overgangsvormen zouden verdwijnen wanneer de kapitalistische productiewijze zich verder ontwikkelt en dat hierdoor op dit punt steeds duidelijker (eenvoudiger) verhoudingen zullen ontstaan. Dit is in zoverre juist dat de numerieke omvang en de economische betekenis van de klasse van de kleine zelfstandigen historisch gezien inderdaad sterk is afgenomen.

    Daar staat —zoals ook Marx wist— tegenover dat de kleinburgerlijke of zelfstandige tussenklassen zich telkens weer opnieuw vormen omdat er aan de marge van de kapitalistische productie steeds weer nieuwe mogelijkheden voor kleine bedrijven ontstaan en er door de ontplooiing van de individuele behoeften nieuwe bedrijfstakken levensvatbaar worden. Daarom kan men niet zeggen dat er overal ‘duidelijke’ of duidelijk gepolariseerde maatschappelijke arbeidsverhoudingen ontstaan. Integendeel, oude overgangsvormen tussen kleine warenproductie en kapitalistische productie worden telkens weer gerevitaliseerd en gemodificeerd en er worden keer op keer nieuwe — en vaak ook meer complexe en moeilijk te traceren — overgangsvormen gecreëerd. Dit impliceert tevens dat de uitbuitingsvormen die in het geding zijn zeker niet eenvoudiger, laat staan transparanter geworden zijn.

    b. Karl Kautsky (1854-1938)
    In de marxistische traditie werd lange tijd nauwelijks aandacht besteed aan de empirische dynamiek waardoor de kleine warenproducenten en de kleinburgerij zich in hoogontwikkelde kapitalistische maatschappijformaties reproduceren.

    Dit geldt bijvoorbeeld voor Karl Kautsky, die na de dood van zijn vriend Friedrich Engels een van de belangrijkste en invloedrijkste theoretici van het socialisme werd.

    “Volgens de theorie van Marx leidt de economische ontwikkeling in de moderne maatschappij tot de ondergang van de zelfstandige arbeider en tot zijn verandering in een loonarbeider, die door de bezitter van de produktiemiddelen, de kapitalist wordt uitgebuit” [Kautsky 1899b:49]. “Nach der Marxschen Lehre führt die ökonomische Entwicklung in der modernen Gesellschaft zum Untergang des selbstwirtschaftenden Arbeiters und zu seiner Verwandlung in einen Lohnarbeiter, der von dem Besitzer der Produktionsmittel, dem Kapitalisten ausgebeutet wird” [Kautsky 1899b:49].

    Het algemene resultaat van deze ontwikkeling ligt voor Kautsky bij voorbaat vast: uiteindelijk zullen we aan de ene kant kapitalisten vinden en aan de andere kant de loonarbeiders die niets anders bezitten dan hun arbeidskracht [idem:31]. Toch moet ook Kautsky toegeven dat de geschetste algemene ontwikkeling van een volledige opzuiging van alle zelfstandige existenties in een van de beide hoofdklassen zeker niet eenduidig is.

    Om het verschil tussen de voorspelde algemene ontwikkelingsrichting en de feitelijk ontwikkeling van de traditionele middenklassen te verklaren, benadrukt Kautsky dat de concentratie van kapitaal zich niet in alle bedrijfstakken in gelijke mate voltrekt. Het kapitaal slingert niet in een keer alle kleine zelfstandigen in de arbeidersklasse, maar grijpt het ene gebied na het andere. Kleinburgers die uit het ene gebied worden verdreven, proberen zich op een nieuw gebied te vestigen, worden bijvoorbeeld verkopers van waren die zij eerst zelf produceerden of verplaatsen hun activiteiten naar de tussenhandel.

    “Het gebied van het kleinbedrijf vernauwt zich op deze wijze steeds meer, zonder dat het aantal kleinbedrijven als geheel hoeft af te nemen” [Kautsky 1899b:60]. “Das Gebiet des Kleinbetriebs verengt sich auf diese Weise immer mehr, ohne daβ die Zahl der Kleinbetriebe im Ganzen abzunehmen braucht” [Kautsky 1899b:60].

    Bovendien wordt het karakter van deze kleine bedrijven volledig omgewenteld. De nieuwe kleine eigenaren worden vooral gerekruteerd uit arbeidskrachten die in de loop van de industrialisatie werden vrijgesteld en een bestaansbasis gaan zoeken in het eigen kleinbedrijf. Zij onderscheiden zich sterk van de feodale ambachtelijke en boerenbedrijven, die op reëel eigendom van de productiemiddelen waren gebaseerd en in vergaande mate autonoom waren. De nieuwe kleinburgers verwerven hun productiemiddelen op krediet en zijn daarom bij voorbaat afhankelijk van het kapitaal: in plaats dat zij in de eigen productiemiddelen een zekerder bestaansgrondslag hebben dan de arbeidersklasse, balanceren deze nieuwe kleine eigenaren permanent op de rand van het bestaansminimum en worden zij permanent bedreigd door een vrije val naar de arbeidersklasse. De nieuwe generatie van kleine bezitters is voor Kautsky slechts een reservoir aan arbeidskrachten voor de grote industrie. Hij beschouwt de zelfstandigheid van deze soort producenten als louter formeel:

    “Wat zich tegenwoordig daar waar het kapitaal heerst nog aan kleinbedrijf ontwikkelt en onder bepaalde omstandigheden zelfs nieuw ontstaat, is niets anders dan een verborgen vorm van proletariaat en zeker niet een van zijn hoogste vormen. Het wordt de laatste toevlucht voor alle ongelukkige bezitslozen die in de grote industrie geen onderkomen vinden en die te trots zijn om te bedelen” [Kautsky 1907:30]. “Was sich heute dort, wo das Kapital herrscht, an Kleinbetrieb noch entwickelt, unter Umständen sogar neu entwickelt, ist nichts als eine versteckte Form von Proletariat und keineswegs eine seiner höchsten Formen. Es wird die letzte Zuflucht jeder unglücklichen Besitzlosen, die in der Groβindustrie kein Unterkommen finden und die zu stolz sind, zu betteln” [Kautsky 1907:30].

    Uiteindelijk rekent hij deze nieuwe categorieën kleine zelfstandigen tot de arbeidersklasse omdat alle verschillen louter tijdelijk en formeel zijn.

    Kautsky’s analyse van het niet-kapitalistische kleinbedrijf is eenzijdig omdat hij dit uitsluitend opvat als laatste vluchthaven voor de verdringing door het grote kapitaal. Hij verwaarloost de andere kant, namelijk dat de accumulatie van het kapitaal niet alleen gepaard gaat met een vernietiging van kleine bedrijven, maar dat er —door een steeds verder ontwikkeld productiestelsel en door de ontwikkeling van nieuwe behoeften— ook permanent nieuwe arbeidssoorten worden gegenereerd die in eerste instantie kleinschalig worden georganiseerd. Kautsky had dus alleen maar oog voor de inperking van het gebied van het kleinbedrijf, niet voor de gelijktijdige uitbreiding ervan.

    c. Eduard Bernstein (1850-1932)
    De feitelijke overlevingskracht van het kleinbedrijf was voor Eduard Bernstein aanleiding om te ontkennen dat Duitsland de weg van alle kapitalistische naties moest gaan, zoals deze in het Communistisch Manifest werd geschetst.

    “Het aantal bezitters is niet kleiner, maar groter geworden. De enorme vermeerdering van de maatschappelijke rijkdom gaat niet gepaard met een samenkrimpend aantal kapitaalmagnaten, maar met een toenemend aantal kapitalisten in allerlei gradaties. De middenlagen veranderen van karakter, maar zij verdwijnen niet uit de maatschappelijke ladder” [Bernstein 1899:9] “Die Zahl der Besitzenden ist nicht kleiner, sondern gröβer geworden. Die enorme Vermehrung des gesellschaftlichen Reichtums wird nicht von einer zusammenschrumpfenden Zahl von Kapitalmagnaten, sondern von einer wachsenden Zahl von Kapitalisten aller Grade begleitet. Die Mittelschichten ändern ihren Charakter, aber sie verschwinden nicht aus der gesellschaftlichen Stufenleiter” [Bernstein 1899:9].

    Bernstein nam als initiator van het zgn. revisionisme-debat de stelling in dat de door Marx geanticipeerde polarisatie van de klassen zich niet had voorgedaan en dat de concentratie en centralisatie van het kapitaal in grote ondernemingen gepaard ging door een ontwikkeling van nieuwe kleine en middelgrote ondernemingen, dat particulier eigendom met de opkomst van de naamloze vennootschappen steeds meer verspreid was, de algemene levensstandaard was toegenomen, de middenklasse getalsmatig eerder toe- dan afnam, en dat de structuur van de kapitalistische maatschappij niet eenvoudiger was geworden maar juist meer complex en gedifferentieerd.

      Zie voor een uitvoerige bespreking van Bernsteins kritiek op het marxisme: Gustafsson [1972]. Vgl. ook: Colletti [1971] en Wijmans [1987:52 e.v.].

    Of er daadwerkelijk sprake is van afkalving dan wel groei van de zelfstandige middenklasse wordt in de volgende paragraaf nader onder de loep genomen.

    Index


    6·5 Reproductie van klassenposities van kleine zelfstandigen
    De zelfstandige tussenklassen zijn niet alleen een rekruteringsbasis voor de arbeidersklasse en de bourgeoisie. In bepaalde situaties gaan ook delen van de arbeidersklasse over naar de kleinburgerij. Deze overgang ‘van onderaf’ vindt vooral plaats wanneer de koopkrachtige vraag naar producten en diensten toeneemt en met name in sectoren waarin de benodigde investeringen relatief klein zijn. Wanneer deze sectoren een direct exploitatieterrein van het (grote) kapitaal worden, nemen de reële kansen om ‘voor zichzelf te beginnen’ echter weer af. Zodra grote ondernemingen penetreren in gebieden die tot dan toe voornamelijk door kleine warenproducenten en dienstverleners werden bezet, dan worden hierdoor de eisen aan het in stand houden van zelfstandige bedrijfjes opgeschroefd.
      De ontwikkeling van de reisbureaus is hiervan een treffend voorbeeld. De reismarkt werd aanvankelijk bediend door een groot aantal kleine bureautjes. Toen het aantal buitenlandse reizen toenam (als gevolg van hogere levensstandaard en uitbreiding van het aantal vakantiedagen) en de exploitatie daarvan lucratiever werd, maakten de banken en grootwinkelbedrijven zich in snel tempo van deze markt meester. Het midden- en kleinbedrijf lijkt in dergelijke gebieden slechts de gaatjes te mogen vullen (sterk gespecialiseerde reizen) die door de kapitalistische ondernemingen als onvoldoende rendabel zijn afgeschreven.

    6.5.1 Ontstaan van nieuwe kleine zelfstandigen
    De accumulatie van het kapitaal gaat niet alleen gepaard met de vernietiging van kleine bedrijven (concentratie- en centralisatietendens). Juist omdat het kapitalistische productiestelsel zich verder ontwikkelt, ontstaan er steeds weer nieuwe of meer gedifferentieerde maatschappelijke behoeften en dus vraag naar nieuwe of betere producten en met name diensten. Hierdoor worden er telkens weer nieuwe arbeidssoorten in het leven geroepen die in eerste instantie op kleine schaal worden georganiseerd, totdat er renderende mogelijkheden ontstaan voor een meer grootschalige kapitalistische productie, en de concentratie en centralisatie van kapitalistische ondernemingen zich doorzet. De algemene tendens van concentratie en centralisatie van het kapitaal betekent niet dat in elke fase van de kapitalistische ontwikkeling het aantal kleine bedrijven drastisch afneemt (ook al neemt het aandeel van de kleine zelfstandigen in de totale beroepsbevolking af). De expansie van de kapitaalverhoudingen voltrekt zich niet als een rechtlijnig proces: het impliceert niet alleen het bestaan, maar ook de vestiging van nieuwe niet-kapitalistische productievormen en arbeidsorganisaties.

    Het proces van concentratie en centralisatie van het kapitaal is slechts de overheersende tendens binnen burgerlijke maatschappijformaties. De ontwikkeling van het kapitalisme stimuleert het proces van vorming van grote kapitalen en de penetratie van het kapitaal in de meest uiteenlopende sferen van maatschappelijke arbeid. Er ontstaan echter telkens ook nieuwe productie- en circulatiegebieden waar het (grote) kapitaal nog niet of slechts partieel is binnengedrongen en die daarom het natuurlijke milieu vormen van kleine zelfstandigen en potentiële kapitalistjes.

    We zien dit tegenwoordig met name gebeuren in de reparatie-, toeleverings- en dienstensector. De dienstverlenende categorie van kleine zelfstandigen is de laatste jaren het snelst gegroeid in de sector van het amusement, de autoreparatie en vooral in de ‘business services’ (advertentiewezen, management- en organisatie-adviesbureaus en dergelijke). Het zijn merendeels arbeidsintensieve sectoren en de betreffende bedrijfjes vereisen slechts een klein startkapitaal. Hun succes is sterk afhankelijk van creativiteit, uniciteit, individuele verantwoordelijkheid en persoonlijke relaties met klanten. De toename van het aantal van deze bedrijfjes is gedeeltelijk het resultaat van werkloosheid, waardoor mensen gedwongen zijn hun eigen werkgelegenheid te scheppen. Het is echter mede het resultaat van het toenemende onvermogen van grote gecentraliseerde ondernemingen om speciale diensten net zo goedkoop en klantvriendelijk te verrichten als individuele adviseurs en automonteurs.

    Zelfbedieningseconomie
    De toegenomen omvang van de werkgelegenheid in de tertiaire of dienstverlenende sector impliceert geen verhoogde consumptie van diensten door particuliere huishoudens. De nieuwe behoeften op het gebied van ontspanning, transport en interieurinrichting leiden er niet noodzakelijk toe dat ook de persoonlijke dienstverlening toeneemt.

    De nieuwe behoeften die zich in de vorm van een koopkrachtige vraag aandienen, kunnen immers ook door goederen worden gedekt. Met uitzondering van de sociale dienstverlening (gezondheidszorg en onderwijs) worden hogere consumptieve uitgaven in eerste instantie niet gebruikt voor de directe koop van ‘persoonlijke diensten’, maar geïnvesteerd in goederen zoals wasmachines, televisies, video-apparatuur, computers en auto’s, waarmee in huishoudelijk verband diensten kunnen worden gesubstitueerd.

    Deze ontwikkeling leidt eerder tot een ‘do-it-yourself’ of een ‘zelfbedieningseconomie’ [Gershuny 1978] dan tot een post-industriële ‘service society’. Diensten die vroeger buiten het huishouden werden verricht, worden in toenemende mate verdrongen door de eigen activiteiten binnen het huishouden, waarbij goederen worden gebruikt die industrieel geproduceerd worden.

    6.5.2 Geen relict uit het verleden
    Kleine warenproducenten en handelaren zijn in staat specifieke goederen en diensten te leveren die door grotere ondernemingen niet winstgevend geproduceerd kunnen worden. Kleinschalige productie is dus geen louter overblijfsel van een voor-kapitalistische arbeidswijze die nog niet volledig is onderworpen aan de noodzakelijke ontbindingstendens. Het bestaan en de vorming van nieuwe niet-kapitalistische productievormen is veeleer een uitdrukking van geavanceerde maatschappelijke productiviteit.

    Voor kleine niet-kapitalistische ondernemers zijn de mogelijkheden voor detailhandel en manufactuur in de laatste decennia weliswaar afgenomen, maar dit geldt niet voor degenen die zich richten op onderhoud en reparatie van auto’s, huizen en huishoudelijke machines. Daarnaast heeft de toegenomen sensibiliteit voor milieuvervuiling voor kleine zelfstandige ondernemers ruimte geschapen om nieuwe natuurproducten op de markt te brengen — als voedsel (zoals macro-biotische productie en handel) of als middelen voor lichaamsverzorging (zoals de opkomst van bodyshops). Juist in deze ‘alternatieve’, ‘groene’ of ‘duurzame’ sectoren is men overtuigd van de nadelen en disfuncties van grootschalige bureaucratische organisaties en heeft het credo ‘small is beautifull’ of ‘simple is better’ waarschijnlijk de meeste aanhangers. Eveneens toegenomen zijn de mogelijkheden van kleine bedrijfjes die zich richten op bevrediging van vrije tijdsbehoeften en persoonlijke ontspanning, zoals sauna’s, gokhallen en fitness-centra [Scase/Goffee 1987; Scase 1980:158].

      Ook binnen de (grootschalige) fabrieks- en kantoorarbeid heeft het idee ‘simple beautiful’ wortel geschoten. Herstructureringen waarin complexiteit wordt vervangen door eenvoud, leiden tot een reductie van de storingskansen en de storingsgevoeligheid van het productieproces. De Sitter heeft deze benadering het meest nauwkeurig geanalyseerd. “Zelfverzorgende productgroepen of productmoduulgroepen bemannen werkstromen die zo min mogelijk andere werkstromen kruisen en daarmee niet kunnen interfereren. Tegelijk wordt de storingsgevoeligheid verminderd door de lokale regelbaarheid van de procesgang in de tijd te vergroten. In plaats van stationaire, technisch flexibele en regelbare techniek, in plaats van standaardprocedures, overleg en in plaats van gesplitste arbeidstaken, geïntegreerde arbeidstaken. In plaats van een complexe organisatie, opgebouwd uit simpele taken, een eenvoudige arbeidsorganisatie, opgebouwd uit complexe taken” [De Sitter 1982:239].

    In 2008 werkte 2,5 procent van de werkzame beroepsbevoling voornamelijk in de eigen woning. Bij 7,8 procent was de eigen woning de uitvalsbasis om op verschillende plaatsen te werken. De helft van deze thuis- en vanuit-huiswerkers is hoogopgeleid en een groot deel werkt als zelfstandige. Het meest voorkomende beroep onder thuiswerkers was kinderverzorging (8%). Computerprogrammeur was met ruim 4% het op één na meest voorkomende beroep onder thuiswerkers. Daarna volgen grafisch ontwerper, beeldend kunstenaar, schoonheids-specialist, journalist en vertaler. Het zijn beroepen waarvoor weinig voorzieningen nodig zijn, behalve wat speelgoed of een computer. Bij de vanuit-huiswerkers is het meest voorkomende beroep vertegenwoordiger, gevolg door bedrijfsorganisatiedeskundige (zoals consultant), makelaar, systeemanalist en aannemer. Bron: Enquête Beroepsbevolking.
    Loonarbeiders die een eigen bedrijfje willen opbouwen, worden hierin geholpen door technologische innovaties. Moderne computertechnologie maakte het mogelijk om op kleine schaal hoogwaardige producten te vervaardigen en te distribueren. Hierdoor kon een nieuw type kleine zelfstandigen met zeer geavanceerde productietechnologieën ontstaan. Daarnaast ontwikkelen zich steeds meer nieuwe vormen van hoogwaardige thuisarbeid (in de gedaante van terminalarbeid, telewerk).

    De traditionele thuiswerker combineerde werk voor de fabrikant (en daarmee voor de wereldmarkt) met een landbouwbedrijfje of een andere vorm van huisnijverheid. Hierdoor kon een belangrijk deel van de reproductiekosten van de arbeid worden afgewenteld op pre-kapitalistische arbeidswijzen. Een economische interpretatie van deze ‘proto-industrie’ geven Van Zanden [1991:21,111 e.v.] en Worsley [1984:198].

    De moderne thuiswerker opereert in volledige afhankelijkheid van kapitalistische ondernemingen die hierdoor niet alleen in staat zijn de reproductiekosten van de arbeid te drukken (wat duidelijk blijkt uit de enorme loonverschillen tussen thuiswerkers en loonarbeiders die hetzelfde product in bedrijfsverband vervaardigen), maar ook om zich flexibel aan te passen aan de wisselingen op de markt (daarom zijn de werkzekerheid en de sociale voorzieningen van thuiswerkers meestal zeer minimaal).

    De empirisch waarneembare ontwikkeling van de zelfstandige middenklasse is dus de resultante van twee tegengestelde vectoren. Enerzijds de vernietiging van het zelfstandige bestaan van kleine eigenaren (met name in de warenproductie) en het ‘opslokken’ van de kleinere door de grotere kapitalen. Anderzijds het ontstaan van nieuwe zelfstandige bedrijfjes van kleine eigenaren en de vorming van nieuwe kleine kapitalen. In veel studies wordt de verwachting uitgesproken dat de tendensen die concentratie en centralisatie van het kapitaal en de afbraak van de beroepsarbeid van zelfstandigen en meewerkenden tegenwerken op de lange termijn zwakker worden. De belangrijkste oorzaak hiervan zou zijn dat de omvang van de investeringen in de arbeidsmiddelen die nodig zijn om zich als zelfstandige te vestigen, steeds meer toeneemt. Of dit daadwerkelijk het geval is, blijft twijfelachtig.

    6.5.3 Onderaanneming
    Een andere factor die het ontstaan van nieuwe categorieën van kleine warenproducenten stimuleert is het verschijnsel van onderaanneming. Naarmate grote private en publieke ondernemingen de ‘diseconomics of scale’ ontdekken, wordt het idee van onderaanneming aantrekkelijker. Sommige auteurs verwachten hiervan in de toekomst zelfs een substantiële toename van het aantal kleine zelfstandigen.

    Kleinschalige bedrijfjes van niet-kapitalistische warenproducenten hebben bepaalde economische voordelen boven grote kapitalistische ondernemingen. Zij zijn minder kapitaalintensief en kunnen ook gedijen in een economische omgeving met verspreide markten, hoge transportkosten, directe producent-cliënt relaties en imperfecte competitie. Bovendien heeft het voor grote kapitalistische ondernemingen voordelen om een hecht netwerk van kleine ondernemingen om zich heen te handhaven of zelfs te creëren. Het midden- en kleinbedrijf krijgt in toenemende mate een toeleveringsfunctie. In de sectoren bouw, metaal en dienstverlening werd in 1972 al tweederde van de omzet behaald uit intermediaire leveringen aan andere bedrijven.

    Soms produceren deze kleine bedrijfjes onderdelen voor een grote onderneming die voor de laatste niet winstgevend zijn om binnen de eigen onderneming te produceren, omdat de vraag naar deze producten te variabel is om ze grootschalig te produceren, of omdat de vervaardiging van het betreffende product te arbeidsintensief is. In andere gevallen vervaardigen grote ondernemingen een product binnen de onderneming en besteden een bepaald volume van de productie via onderaanneming uit aan een aantal kleine bedrijfjes. Sommige grote ondernemingen stimuleren een aantal van hun loonarbeiders om zelf kleine bedrijfjes op te zetten.

    Voor grote ondernemingen kan deze vorm van decentralisatie van de productie winstgevend zijn. Hierbij spelen twee factoren een belangrijke rol.
    Suzanne Berger [1981:77 e.v.] analyseerde de werking van het stelsel van onderaanneming in Italië. Zij laat zien dat er in alle industriële sectoren grote verschillen bestaan in lonen en sociale voorzieningen voor identiek werk in kleine en grote ondernemingen. In industrieën waarin het werk aan thuiswerkers kan worden uitbesteed zijn de verschillen tussen lonen van arbeiders die hetzelfde product maken nog veel groter.
    (i) Op deze manier hoeft de onderneming alleen het centrale deel van haar productieve proces te organiseren en te rationaliseren (technologisch-organisationele factor). (ii) Arbeiders binnen grote ondernemingen zijn beter in staat zichzelf in vakbonden te organiseren en eisen te stellen; in kleine bedrijfjes exploiteert de onafhankelijke ondernemer zichzelf en een paar —meestal vrouwelijke— arbeiders, wier lonen in de regel aanzienlijk lager liggen dan de regelingslonen en wier vakbondsorganisatie gemakkelijker kan worden onderdrukt (syndicale factor).

    Gebruikmakend van de op wereldschaal bestaande grote verschillen in loonkosten heeft onderaanneming zich tot een internationaal verschijnsel ontwikkeld. Een groot deel van de radio’s en televisies en een toenemend aantal auto’s, boeken, speelgoed en zelfs de haute couture van de Franse modehuizen wordt tegenwoordig in landen als Zuid-Korea, Taiwan en de Fillipijnen geproduceerd [Worsley 1984:198 e.v.].

    6.5.4 Drie verklaringen
    In een aantal hoogontwikkelde kapitalistische landen neemt in bepaalde perioden het aantal kleine zelfstandigen enigszins toe. Dit was bijvoorbeeld het geval in Engeland in de periode 1960-78 en in de Verenigde Staten van 1970 tot 1980. Dit zou erop kunnen duiden dat in deze twee landen, waar de zelfstandige middenklasse het kleinst van alle landen ter wereld is, het proletariseringsproces haar grenzen heeft bereikt. Vooral omdat de relatieve omvang van de zelfstandige middenklasse zich in beide landen op ongeveer hetzelfde niveau stabiliseerde (rond 10% van de beroepsbevolking).

    Toch is het waarschijnlijker dat in beide gevallen slechts een tijdelijk plateau werd bereikt en niet zozeer een permanente stabilisatie. Dat is de hypothese van Albert Szymanski.

      “It might well be the case that, at the prevailing level of technology and risk, capital finds it more profitable to indirectly exploit small business until such time as there are major technological breakthroughs” [Szymanski 1983:164].

    Een tweede verklaring is dat in deze periode in beide landen de structurele werkloosheid zodanige proporties aannam dat veel mensen gedwongen werden om hun eigen overlevingskansen te scheppen en in hun kleine bedrijfjes lage inkomens moesten accepteren uit gebrek aan alternatieven.

    Een derde verklaring is dat in deze periode de relatieve stabiliteit van de omvang van de zelfstandige middenklasse voornamelijk het gevolg was van de sterke toename van het aantal kleine dienstverlenende bedrijfjes, waardoor de continue daling van de andere categorieën kleine zelfstandigen werd gecompenseerd.

    De cruciale vraag is of er een limiet bestaat aan het afkalvingsproces van de zelfstandige middenklasse, en zo ja op welk niveau de trend van proletarisering en de trend van formatie van nieuwe zelfstandige existenties elkaar in evenwicht houden?

    Om hierop een antwoord te kunnen geven, moeten eerst de verschillende (elkaar tegenwerkende of versterkende) factoren die hierbij een rol spelen in kaart gebracht moeten worden. Empirisch onderzoek zal moeten uitwijzen wat het relatieve gewicht is van de factoren en mechanismen die in de genoemde (partiële) verklaringsmodellen genoemd worden.

    Index


    6·6 Rekrutering en sociale mobiliteit
    De kleinburgerij functioneert niet alleen als een buffer tussen kapitaal en arbeid, maar ook als een brug en mediator. Bovendien is de kleinburgerij een belangrijk kanaal voor sociale mobiliteit [A.J. Mayer 1975:432; Goss 1991; Scase 1992:46]. De kleinburgerij biedt kansen voor opwaartse mobiliteit voor diegenen die niet in staat zijn om toegang te krijgen tot de loonafhankelijke middenklasse.

    Hoofd- en handarbeiders, maar ook professionals en managers kunnen op verschillende manieren en om meerdere redenen kleine zelfstandigen worden.

    • Leden van de arbeidersklasse worden met name aangetrokken door het idee dat zij door een ‘eigen zaak’ te beginnen kunnen ontsnappen aan de vervreemding van de loonarbeid. Zij verwachten hiervan een bevrijding van hiërarchische autoriteit, en een kans om te participeren in ‘de goede dingen in het leven’ [Chinoy 1955; Bechoffer e.a. 1974:121; Scase/Goffee 1980,1988:248].

      Pogingen om een zelfstandig bestaan als kleine warenproducent op te bouwen worden met name door twee factoren gestimuleerd. Enerzijds is het een reactie op pogingen van ondernemers om de uitbuiting van werknemers te intensiveren door hun autonomie te beperken. Anderzijds is het een reactie op feitelijke of dreigende werkloosheid. In perioden van recessie fungeren de kleine warenproductie en handel als vluchtheuvel, als een veiligheidsventiel voor werkloosheid. De elasticiteit van de kleine warenproductie en handel maakt ze geschikt als schokdempers van een kapitalistische economie.

        “Another way of expressing it is that the traditional sector serves to reduce the costs of economic fluctuations and change for the modern sector by allowing these costs to be distributed in such a way that their burden is disproportionately carried by those who own and work in independent small property. In periods of recession … there is a progressive shucking off the costs in which each firm tries to pass on down to the next as many of the costs, both economic and social, as possible. The process resembles the children’s game of hot potato, in which each participant tries to avoid having his fingers burned by getting rid of the hot potato to another player” [Berger 1981:84].

    • Veel managers verlaten hun onderneming omdat zij vinden dat hun autonomie te zeer wordt ingeperkt en gaan daarna een eigen kleine onderneming opzetten. Zij beschikken in ieder geval over een aantal leidinggevende kwalificaties die van pas komen om een eigen bedrijfje op te zetten, en vaak ook over de benodigde sociale relaties en een startkapitaal. Vaak bieden ondernemingen hun stafleden vrijwillig ontslag aan om hun diensten vervolgens weer, op contractbasis, terug te kopen voor specifieke projecten of bepaalde perioden [Scase/Goffee 1989].

      Hetzelfde geldt voor veel specialisten. Technische experts, informatie- en communicatiedeskundigen, hooggekwalificeerde programmeurs, deskundigen op het gebied van arbeid en organisatie die niet alleen over specialistische kwalificaties beschikken, maar in loondienst ook al veel ervaring hebben opgedaan, kunnen hun getrainde ‘menselijk kapitaal’ gebruiken om voor zichzelf te beginnen, met name wanneer zij daarnaast ook nog beschikken over een tijdens de arbeidscarrière opgebouwd startkapitaal.

    • De toegang tot de beroepen van de kleine warenproductie is relatief open — de meeste vereisen weinig of geen specifieke vaardigheden en weinig of geen kapitaal. Daarom biedt de kleine warenproductie soms een uitweg aan gedeprivilegieerde en gediscrimineerde groepen. Sommige individuen en groepen zijn door een gebrek aan opleiding (en vooral aan diploma’s) of door directe of indirecte discriminatie niet in staat om met anderen te concurreren om betaalde arbeidsplaatsen. De kleine warenproductie en handel biedt mogelijkheden om persoonlijk succes te relateren aan het vermogen van de producent om goederen en diensten te leveren voor een onpersoonlijke markt. Dit is een reden waarom leden van gediscrimineerde minderheidsgroepen die binnen de officiële beroepsstructuur weinig kansen hebben, hun positie proberen te verbeteren door kleine zelfstandige zaakjes op te zetten — winkels, koffiehuizen, restaurants, naai-ateliers en dergelijke, maar ook kredietverlening.
        Zie voor informele economie (‘onderwatereconomie’): hoofdstuk VI, § 3·2.
        Zie voor de informele ‘black economy’: Aldrich [1980], Ward [1991]
        Zie voor vrouwen: Scase/Goffee [1988], Scase [1992:46 e.v.].
        Zie voor migranten die van het platteland naar de steden trekken: P. Berger [1981:83].

    Index


    6·7 Reproductie van kleine warenproducenten en kleinburgerij
    Het cruciale probleem voor grote delen van de zelfstandige middenklassen is, hoe te overleven onder condities die in toenemende mate economische marginaliteit en uiteindelijke eliminatie in zich dragen. De kleine zelfstandigen kunnen zich alleen handhaven wanneer zij zich als een kameleon gedragen en telkens opnieuw de kleur van hun omgeving aannemen. Praktisch wordt dit aanpassingsvermogen omgezet in strategieën van parallellisatie (assortimentsverbreding) en specialisatie (assortimentsverdieping). De eerste strategie leidt tot het verschijnsel dat de melkboeren, slagers en groenteboeren tevens als kruidenier gaan fungeren en dat sigarenzaken worden omgetoverd tot verkooppunten van allerhande toeristica. De tweede strategie leidt tot het ontstaan van de vinotheek, vidiotheek, notenbar, kledingboetiek, haarstudio enz.

    De zelfstandige tussenklasse reproduceert zich niet alleen door de verdediging van het kleinbezit en door aanpassing aan nieuwe omstandigheden, maar ook door eigendomsoverdracht. De kleine zelfstandige warenproducenten en kleinburgers reproduceren zichzelf generationeel door de overdracht van hun eigendom aan hun familieleden (familiaire reproductie) of aan hun eigen arbeiders, knechten of leerlingen (rekrutering van ‘buitenstaanders’).

    • Familiale overdracht is de primaire reproductiestrategie. Land, onroerende goederen en diverse (vakmatige en bedrijfsmatige) vaardigheden worden van ouders op kinderen overgedragen. Vooral bij kleine boeren en stedelijke grond- en huizenbezitters is transmissie van eigendom een familiale aangelegenheid [voor Nederlandse boeren: Van der Molen 1978; voor de Engelse boeren: Newby/Bell e.a. 1978]. Stedelijk eigendom van onroerende goederen wordt vaak als bron van inkomsten en zekerheid aan vrouwelijke gezinsleden overgedragen. De overgedragen bezittingen kunnen door de volgende generatie productief worden ingezet, of passief worden gebruikt als bron van rente en periodieke kapitaalwinst [Elliot/McCrone 1975; McCrone/Elliot 1979; Scase/Goffee 1987].

    • Kleine warenproducenten en kleinburgers kunnen zich echter ook reproduceren door hun bezittingen over te dragen aan relatieve buitenstaanders, dat wil zeggen aan hun eigen arbeiders, knechten, of leerlingen.
        Zie Bland/Elliot/Bechhofer [1978] en Bechhofer/Elliot e.a. [1976]. Zie Bertaux/Bertaux [1981:165 e.v.] voor de franse bakkers. Zie voor anderssoortige reproductiestrategieën: Bourdieu/Passeron [1970].

    Index


    6·8 Empirische trends
    De zelfstandige middenklasse omvat een brede variëteit van ambachtslieden, handelaren en winkeliers en een bonte verscheidenheid van soms zeer hooggespecialiseerde zelfstandigen die een dienstverlenend bedrijfje runnen. Naast een aantal moderne en soms geavanceerde productievormen omvat zij ook veel oude, deels zelfs archaïsche vormen van economische activiteit.

    De omvang en samenstelling van deze klasse zijn in de loop der jaren sterk veranderd. In praktisch alle kapitalistische landen is de omvang van de zelfstandige middenklasse afgenomen [Mayer 1975:417; Bechhofer/Elliott 1981:186; Szymanski 1983:164; CBS 1990; Eeurostat 1989]. Daarbinnen tekenen zich echter steeds duidelijker een aantal structurele veranderingen af.

    In de EEG-landen daalde het aandeel van de zelfstandigen in de beroepsbevolking gemiddeld van 25% in 1960 tot 15,4% in 1982 [Hagelstange 1987:113]. In de V.S., Engeland, BRD, Italië en Frankrijk nam tussen 1950 en 1976 de omvang van de zelfstandige middenklasse af met zo’n 37% [PKA 1977: 120].

    In Nederland, dat in 1960 al tot de meest ‘geproletariseerde’ kapitalistische staten binnen de EEG behoorde (alleen door Engeland overtroffen), werd het aantal zelfstandigen in dertig jaar gehalveerd — van 21% in 1960 tot ongeveer 10% in 1990 (de procentuele berekening in arbeidsvolume en in personen ontlopen elkaar op dit punt niet veel). Hoewel dit proletariseringstempo groter was dan in de EEG als geheel, blijft dit nog duidelijk achter bij dat van de BRD en Frankrijk.

    Sinds de eeuwwisseling schommelt het aandeel van de zelfstandigen in de werkzame beroepsbevolking rond 13%. De zelfstandigen met personeel zijn goed voor 4%, terwijl de meewerkenden zelfstandigen nog geen half procent voor hun rekening nemen.

    Werkzame beroepsbevolking naar positie in de werkkring
    Jaar Zelfstandige
    zonder
    personeel
    Zelfstandige
    met
    personeel
    Mee-
    werkende
    zelfstandige
    Werk-
    nemer
    Totale
    werkzame
    bevolking
      x 1000
    2001 474 349 36 6.203 7.062
    2002 519 297 39 6.160 7.015
    2003 536 309 33 6.072 6.950
    2004 533 316 31 5.960 6.840
    2005 566 322 35 6.039 6.962
    2006 597 325 35 6.186 7.143
    2007 620 314 31 6.334 7.299
    2008 641 299 26 6.470 7.436
    2009* 629 297 25 6.451 7.402
    2011** 719 350 6.307 7.375
    * Derde kwartaal
    Bron: CBS

    In tegenstelling tot veel andere landen bleef het relatieve tempo waarmee het zelfstandigenaandeel afnam op lange termijn gezien tamelijk stabiel. De daling van het aantal zelfstandigen in Nederland kan slechts voor 14% worden teruggevoerd op verschuivingen tussen de relatieve aandelen van de verschillende productiesectoren in het geheel van de actieve beroepsbevolking; 71% kan worden teruggevoerd tot proletariseringsprocessen binnen de afzonderlijke productiesectoren; 15% komt op conto van het zgn. interactie-effect, d.w.z. aan de interactie tussen sector-interne en sectorstructuur-componenten. Hagelstange [1987].

    De verbinding tussen het gezinsverband en ondernemen heeft voor de kleine zelfstandigen traditioneel een zeer grote betekenis. Dit verband wordt onder de economische en sociale druk van de beperkte reproductiemogelijkheden verbroken. De arbeidsmiddelen of het kleine kapitaal dat in familie-eigendom is, zijn niet meer voldoende om de arbeidsaspiraties van het hele gezin te realiseren en de reproductie van de gezins-arbeidskrachten te garanderen.
    Het aantal zelfstandigen en zelfstandige bedrijfshoofden neemt absoluut en relatief af, maar het aantal meewerkenden daalt aanzien-lijk sneller dan het aantal zelfstandige bedrijfshoofden (behalve in de landbouw). De meewerkenden lijken het zinkende schip als eerste te verlaten. De kleine zelfstandigen nemen in steeds mindere mate deel aan de productie van materiële goederen en richten zij zich steeds meer op persoonlijke dienstverlening. De afnameratio’s zijn het sterkst in de sector van de goederenproductie, bijna even sterk in de sector van de waren- en geldcirculatie, terwijl zich in de dienstensector een veel minder geprononceerde daling voltrekt [Hagelstange 1987].

    6.8.2 Zelfstandigen zonder personeel - ZZP’ers
    Het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’s) is de afgelopen jaren fors toegenomen. In 1996 waren er nog maar bijna 400 duizend, in 2008 wat dit al gestegen tot 640 duizend (67% toename). Hun aandeel in de werkzame beroeksbevolking groeide in deze periode van 6 procent naar bijna 9 procent. Het aantal zelfstandigen met personeel schommelde in dezelfde periode rond de 300 duizend personen.

    In het tweede kwartaal van 2009 was het aantal zzp’ers voor het eerst lager dan een jaar eerder. Het totaal aantal daalde met meer dan 20 duizend.

    De overgrote meerderheid van de zelfstandigen zonder personeel is man (70% in 1996 en 66% in 2008) en bijna vier op de tien zijn hoogopgeleid. Gemiddeld maken deze zelfstandigen aanzienlijk meer uren per week dan de doorsnee werkende: 42 uur. Zij werken meestal in de dienstverlenende bedrijfstakken of in de bouw.

    Zzp’es zijn voormalige werknemers die hun beroep niet meer in loondienst uitoefenen, maar formeel als eigen baas opereren. Meestal voeren zij hun opdrachten uit voor hun voormalige werkgever of voor een beperkte kring van opdrachtgevers [Pleijster/Van der Velk 2007; Vroonhof/Tissing/Swaters/Bruins/ Davelaar 2008]. Formeel bestaat de zzp’er niet, hij/zij komt in geen enkele wet- of regelgeving voort. Het is een groep die inhangt tussen het ondernemerschap en het werknemerschap [Meijer/Vroonhof/De Waard 1999; De Muijninck/Overweel/Vroonhof 2001]. Het zijn schijnzelfstandigen [Aarts 2007; CWI 2008].

    Binnen de categorie van de zzp’ers treden een aantal belangrijke verschuivingen op in het soort beroepen die als zelfstandig worden uitgevoerd. Voorheen waren het vooral de landbouw- en handelsgerelateerde beroepen die kwantitatief domineerden. Het meest beoefende beroep onder zzp’ers was in 1996 bedrijfshoofd van een kleine (pluim)veehouderij (12,2%). De detailhandelaar (7,1%) en de groothandelaar/makelaar onroerende goederen (4,9%) stonden op de 2e en 3e plaats. In 2008 zijn bijna alle landbouwgerelateerde beroepen uit de beroepentop-10 verdwenen. In de huidige top-10 is hun plaats ingenomen door dienstengerelateerde beroepen, zoals bedrijfshoofd van een klein bedrijf, kapper en schoonheidsspecialist, computerprogrammeur en bedrijfsorganisatiedeskundige. Ook al staat het beroep van bedrijfshoofd van een kleine (pluim)veehouderij met een geslonken aandeel van 6 procent nog steeds op nummer één.

    Index

    Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


    dr. Albert Benschop
    Sociale en Gedragswetenschappen
    Sociologie & Antropologie
    Universiteit van Amsterdam
    Gepubliceerd: Januari 1993
    Laatst gewijzigd: 13 September, 2013