Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 2 Structurering van objectieve klassenposities

IX. Klassen en interactieverhoudingen: clientèle-uitbuiting

  1. Stelling en afbakening
  2. Interactionele uitbuiting
    2.1 Sociale relaties als indirecte bron
    2.2 Exclusieve posities in interactienetwerken 2.3 Interactionele uitbuitings- en klassenposities
  3. Interactionele uitbuiting en klassenpositie
  4. Klassen en prestigeverhoudingen: ascriptieve uitbuiting
    4.1 Acriptieve sluiting en ascriptieve uitbuiting
    4.2 Seksistische discriminatie, onderdrukking en uitbuiting
    4.3 Institutionalisering van prestigewaarderingen
Literatuur
© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

1. Stelling en afbakening

Ongelijke controle over sociale relaties leidt tot asymmetrische posities in interactionele verhoudingen. Ongelijke posities in netwerken van sociale relaties zijn een specifieke vorm van positionele ongelijkheid. Zij zijn het resultaat van specifieke typen van asymmetrische macht, namelijk van persoonlijke discriminatie en van uitsluiting. Geïnstitutionaliseerde en tot op zekere hoogte geformaliseerde exclusieve posities in interactionele verhoudingen vormen de grondslag voor het ontstaan van specifieke handelingscollectieven: selectieve associaties. Illegitieme uitsluiting of persoonlijke discriminatie kan gemakkelijk leiden tot het ontstaan van uitbuitingsrelaties. Wanneer en voor zover exclusieve posities in interactienetwerken leiden tot structurele uitbuiting of daartoe praktisch bijdragen, dan moeten zij als uitbuitingsposities en dus als potentiële klassenposities worden behandeld.

Klassenverhoudingen worden primair gestructureerd door exploitatieve arbeidsverhoudingen [stelling hoofdstuk VI] en klassen werden primair gedefinieerd in termen van uitbuitingsposities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen in de brede zin van het woord [stelling hoofdstuk VII]. Daarop aansluitend werd de stelling ontwikkeld dat geïnstitutionaliseerde en geformaliseerde heerschappijposities in arbeidsorganisaties tot structurele uitbuiting kunnen leiden en onder deze voorwaarde ook tot uitbuitings- en potentiële klassenposities [stelling hoofdstuk VIII]. De structurele definitie van klassenposities is niet beperkt tot het hoogste niveau van maatschappelijke handelingsintegratie, maar strekt zich ook aanvullend uit tot het middenniveau van organisationele verhoudingen en tot het laagste niveau van interactionele verhoudingen [zie ook al hft. V, § 3·2].

  1. Verabsolutering van interactionele niveau
    Deze stelling impliceert ten eerste een afbakening ten opzichte van interactionistische, symbolisch interactionistische en ruiltheoretische benaderingen waarin klassenverhoudingen en -posities hoofdzakelijk of uitsluitend in termen van interactionele verhoudingen worden gedefinieerd. Zoals eerder opgemerkt, sluiten deze benaderingen meestal aan bij de oudere gemeenschapsstudies van Warner en manifesteren zij zich tegenwoordig met name in netwerkanalyses [zie hft. III, § 2·3].

    Het bezwaar tegen deze benaderingen is dat klassenposities niet worden gethematiseerd op het niveau van maatschappelijke en organisationele arbeidsverhoudingen. Bovendien worden klassenverhoudingen meestal losgekoppeld van uitbuitingsprocessen in de zin van effectieve claims op meerarbeid: het klassenbegrip wordt volledig geconcentreerd op exclusieve posities in interactienetwerken en op de levenskansen die uit deze directe persoonlijke relaties voortvloeien.

    Begripsontwikkeling en empirisch onderzoek worden daarbij hoofdzakelijk of uitsluitend toegesneden op de mate van homogeniteit van netwerken van persoonlijke contacten (vrienden- en kennissenkringen), verwantschaps- en aanverwantschapsrelaties (huwelijkskringen), territoriumgebonden relaties (wijk-, buurt-, dorps-, stads- en regionale relaties), op sociale relaties in beroepspraktijken (collegiale relaties), educatieve praktijken (jaargenootschappen) en consumptieve praktijken (gezelligheidsrelaties). Bovendien wordt deze reductie van klassenverhoudingen tot directe interactiesystemen meestal ook nog gecombineerd met een overbelichting van verschillen in klassenspecifieke habitus, levensstijlen en alledaagse leefculturen. Kortom: in deze benaderingen worden klassenposities niet opgevat als exploitatieve posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen, maar als directe interactiegroepen, dat wil zeggen als selectieve associaties (‘associatieve klassen’), als homogene groepen met een gemeenschappelijke identiteit (‘gemeenschapsklassen’) of als groepen waarvan de leden zich als gelijken erkennen (‘klasse als referentiegroep’ of ‘klasse als statusgroep’).

  2. Verabsolutering van maatschappelijk niveau
    Ten tweede impliceert deze stelling een afbakening ten opzichte van benaderingen waarin klassenposities uitsluitend worden gedefinieerd op het hoogste niveau van maatschappelijke handelingsintegratie. Dit is kenmerkend voor de marxistische traditie waarin klassenposities louter en alleen aan maatschappelijke productieverhoudingen worden gekoppeld. Maar het is ook kenmerkend voor de conflictsociologische traditie (in de geest van Dahrendorf) waarin klassenposities louter en alleen aan gezagsrelaties worden verbonden. In beide tradities wordt volledig voorbij gegaan aan het feit dat klassenposities onder bepaalde voorwaarden ook het effect kunnen zijn van structurele uitbuitingspraktijken die in ongelijke interactionele verhoudingen zijn verankerd.

    Erik Olin Wright: productivistisch klassenbegrip
    Een voorbeeld van een dergelijke benadering in de marxistische traditie is Amerikaanse socioloog Erik O. Wright. Hij sluit niet uit dat exclusieve posities in interactienetwerken de grondslag kunnen vormen van uitbuitingsrelaties, maar wel dat deze ook klassenposities kunnen genereren. De belangrijkste reden is dat hij structurele uitbuitingsrelaties alleen klassenverhoudingen wil noemen, wanneer deze in ongelijke controle over productieve bronnen zijn verankerd en wanneer deze zich in directe productieprocessen afspelen.

    De bezwaren tegen deze inperking van het klassenbegrip hoeven hier niet meer te worden herhaald. Ik wil hier slechts op wijzen een inconsistentie in Wright’s argumentatie. Zoals we eerder hebben gezien, neemt hij het niet zo nauw met deze exclusieve oriëntatie op ‘productive assets’; hij hamert er op dat ook het bezit van credenties —een typisch voorbeeld van een indirecte bron— de grondslag kan zijn van structurele uitbuitingsrelaties. Bovendien onderschrijft hij de stelling dat het uitbuitingsmechanisme op basis van credentiebezit —een typisch voorbeeld van indirecte uitbuiting via ongelijke ruil— wel degelijk klassenposities kan constitueren.

    Wright ziet heel goed dat het niet altijd mogelijk is uitbuiting in maatschappelijke arbeidsverhoudingen onafhankelijk van directe sociale interacties te analyseren. Maar hij sluit bij voorbaat de mogelijkheid uit dat deze interactionele uitbuitingsrelaties de grondslag van klassenposities kunnen vormen [Wright 1985:96 e.v.; 1989: 291]. Dit vloeit rechtstreeks voort uit zijn gereduceerde, ‘productivistische’ klassenbegrip.

    Zijn hele argument spitst zich toe op de relatie tussen klassenposities en de sociale relaties tussen de seksen. Hij verwijst daarbij aan de discussie over de verwantschappelijke productiewijze waarin essentiële arbeidsverhoudingen gedeeltelijk in verwantschapsrelaties zijn geïnstitutionaliseerd.

    In Wright’s argumentatie lopen twee problemen op tamelijk verwarrende wijze door elkaar. Ten eerste het onderscheid tussen uitbuiting in maatschappelijke arbeidsprocessen (directe uitbuiting op basis van effectieve controle over directe bronnen) en uitbuiting in distributieprocessen (indirecte uitbuiting op basis van indirecte bronnen). Als men zinnige uitspraken wil doen over de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden controle over sociale relaties de grondslag kan zijn van structurele uitbuitingsposities en dus potentieel van klassenposities, dan moet men uitvoeriger ingaan op de specifieke aard van deze indirecte bron en de voorwaarden specificeren waaronder exclusieve posities in interactienetwerken een effectieve claim op meerarbeid van anderen mogelijk maakt. Ten tweede maakt hij geen duidelijk onderscheid tussen positionele en ascriptieve uitbuitingsvormen. Als men echter zinnige uitspraken wil doen over de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden ascriptieve discriminatie (op basis van beschikking over geïnstitutionaliseerd positief prestige) de grondslag kan zijn van structurele uitbuitingsposities en dus potentieel van klassenposities, dan moet men uitvoeriger ingaan op de specifieke aard van deze indirecte bron en specificeren onder welke voorwaarden superieure posities in geïnstitutionaliseerde prestigehiërarchieën kunnen leiden tot substantiële en duurzame uitbuitingspraktijken.

Index2. Interactionele uitbuiting: sociale relaties en selectieve associaties

Onder welke voorwaarden kunnen exclusieve posities in interactienetwerken de grondslag vormen van uitbuitingsrelaties die potentiële klassenposities constitueren? Om deze vraag te beantwoorden moet in de eerste plaats worden verduidelijkt wat de aard is van deze exclusieve posities. De basisbegrippen die we daarvoor nodig hebben zijn sociale relaties, selectieve associaties en patronageverhoudingen [Bader/Benschop 1988:146 e.v.]. Daarna komt de vraag aan de orde of exclusieve posities in interactienetwerken de grondslag kunnen zijn van structurele uitbuitingsrelaties en onder welke voorwaarden vanuit dergelijke uitbuitingsrelaties ook bijzondere klassenposities kunnen ontstaan.

Index


2·1 Sociale relaties als indirecte bron
Sociale relaties zijn relatief duurzame, min of meer geïnstitutionaliseerde netwerken van persoonlijke interacties tussen bepaalde individuen of groepen, die overwegend vrijwillig worden aangegaan. Door de institutionalisering van wederzijdse gedragsverwachtingen impliceren sociale relaties altijd een serie min of meer duurzame verplichtingen, zoals respect, piëteit, loyaliteit, collegialiteit, solidariteit, vriendschap, kameraadschap en wederzijdse steun. Sociale relaties ontstaan niet alleen in primaire interactiegroepen, zoals families en lokale gemeenschappen, maar ook in formele organisaties, ruilrelaties en zakelijke transacties.

Sociale relaties ontstaan het gemakkelijkst tussen mensen die regelmatig in elkaars nabijheid verkeren. Zo worden vrienden vaak gekozen uit degenen die vlakbij wonen, waarmee men dagelijks in school- of werksituaties te maken heeft, die men regelmatig persoonlijk ontmoet in ontspanningsgelegenheden (cafés, feesten, dancings e.d.) of in het verband van politiek-culturele organisaties (vakbond, politieke partij, zangvereniging e.d.).

Hierbij spelen kosten en baten overwegingen altijd een zekere rol; grotere afstanden vormen immers een barrière die telkens overwonnen moet worden om een vriendschap te onderhouden. Er bestaat dus een zeer nauwe samenhang tussen ruimtelijke nabijheid en persoonlijke sociale relaties. Sociale relaties moeten echter niet worden gereduceerd tot “objectieve relaties van nabijheid in de fysieke (geografische) ruimte of zelfs in de economische of sociale ruimte omdat ze zijn gebaseerd op ruiltransacties die onlosmakelijk materieel en symbolisch zijn, die voor hun ontstaan en voortzetting afhankelijk zijn van de (h)erkenning van die nabijheid” [Bourdieu 1989:132]. Sinds de opkomst van het internet en de daaraan verbonden mogelijkheden van virtuele interactie en communicatie moet bij de analyse van sociale relaties de klassieke conditie van de gelijktijdige aanwezigheid (co-presence) worden prijsgegeven. Ook louter virtuele interacties kunnen immers de grondslag vormen van betekenisvolle intermenselijke relaties. Ik heb dit uitvoeriger uitgewerkt in: Benschop 1997/2017: Virtuele gemeenschappen.

Sociale relaties ontstaan meestal min of meer spontaan, maar kunnen ook bewust en gericht worden aangeknoopt, onderhouden en gecultiveerd. Dit veronderstelt een min of meer bewuste relatie-arbeid, dat wil zeggen een serie transacties waardoor gelegenheids-contacten worden getransformeerd in duurzame relaties waarin de betekenis van deze contacten steeds weer wordt (her)bevestigd. Pierre Bourdieu formuleert dit als volgt:

Een transactie is de kleinste interactie-eenheid van duurzame sociale relaties (netwerken). Netwerken van sociale relaties zijn samengesteld uit een reeks onderling verbonden transacties (uitwisselingen of ruilhandelingen). In de ruiltheoretisch geïnspireerde netwerkanalyses wordt benadrukt dat de ruilrelatie en niet een afzonderlijke transactie tussen een paar actoren de primaire eenheid van analyse is [Cook 1982: 178]. Ruilrelaties worden daarbij gedefinieerd als een “temporal series containing opportunities for exchange which evoke initiations which in turn produce or result in transactions” [Emerson 1972:59] tussen dezelfde actoren.
Sociale relaties worden gereproduceerd in en door middel van interacties en transacties. Door middel van zeer uiteenlopende interacties en transacties zoals het uitwisselen van woorden (vriendelijkheden, beleefdheden, informaties), geschenken, diensten en gunsten komen min of meer duurzame persoonlijke contacten en wederzijdse verplichtingen tot stand.

Het tot stand komen, handhaven of verbreken van sociale relaties is in de regel meervoudig gemotiveerd:

  1. wanneer sociale relaties traditioneel gemotiveerd zijn, worden zij gestabiliseerd en gereproduceerd door piëteitsgevoelens;

  2. wanneer sociale relaties affectief of emotioneel gemotiveerd zijn, worden zij gestabiliseerd en gereproduceerd door wederzijdse sympathiegevoelens (vriendschap, liefde, genegenheid);

  3. wanneer sociale relaties normatief gemotiveerd zijn, worden zij gestabiliseerd en gereproduceerd door loyaliteitsoverwegingen (solidariteit, trouw), en

  4. wanneer sociale relaties strategisch gemotiveerd zijn, worden zij gestabiliseerd en gereproduceerd door nuttigheidsoverwegingen (eigen belang of groepsspecifiek belang).
Het ontstaan, de reproductie en transformatie van persoonlijke sociale relaties worden in werkelijkheid bijna altijd veroorzaakt door een combinatie van meerdere handelingsmotivaties. De kracht van een sociale relatie is het gecombineerde resultaat van de hoeveelheid geïnvesteerde tijd, de emotionele intensiteit, de intimiteit (wederzijds vertrouwen) en de wederzijdse diensten (materiële en immateriële steun) die de betreffende relatie kenmerken.

De directe en indirecte persoonlijke relaties die mensen met elkaar aangaan in arbeids- en consumptieverhoudingen kunnen vanuit twee perspectieven worden onderzocht.

    De emotionele behoefte aan sociale erkenning (d.w.z. aan genegenheid, spiegeling, liefde, aan het vermijden van angst en eenzaamheid) moet analytisch scherp worden onderscheiden van de behoefte aan distinctie, macht of prestige. De behoefte aan sociale erkenning impliceert slechts het verlangen dat men als gelijke erkend en geaccepteerd wil worden. Het streven naar distinctie, macht en prestige impliceert daarentegen dat men op de een of andere wijze als meerdere erkend wil worden [Bader/Benschop 1988:108 e.v - online]. In § 4 kom ik uitvoeriger op dit onderscheid terug.

  1. Vanuit het beloningsperspectief bieden sociale relaties een serie uiterst belangrijke levenskansen, dat wil zeggen maatschappelijk gestructureerde kansen op bevrediging van diverse menselijke behoeften, zoals de behoefte aan achting en erkenning, aan affectie en genegenheid. De omvang, frequentie, duurzaamheid en kwaliteit (dichtheid, intimiteit, diversiteit) van sociale relaties die mensen aangaan, zijn een belangrijk element van hun sociale levenskwaliteit.

  2. Sociale relaties zijn ook relevant vanuit het bronnenperspectief. Sociale relaties kunnen immers als indirecte bronnen fungeren, dat wil zeggen zij kunnen strategisch worden gebruikt om particuliere —door eigen- of groepsspecifiek belang gemotiveerde— doelen te realiseren en voordelen te behalen. Alle sociale relaties kunnen dus strategisch worden geobjectiveerd. Dit geldt ook wanneer de relaties niet uitsluitend of hoofdzakelijk om strategische redenen werden gezocht en aangegaan en ook als zij niet uitsluitend strategische doelen dienen [Tedeschi 1974; Bader/Benschop 1988:146]. De reden hiervan is dat alle relaties een particularistisch moment kennen. Actoren die een persoonlijke relatie onderhouden, handelen ten opzichte van elkaar in termen van hun respectieve persoonlijke eigenschappen en behoeften en niet in termen van algemene universele begrippen. Zij streven dus altijd hun eigen belangen na [Heimer 1992].

    Vriendschappen worden altijd voor een deel aangegaan omdat mensen verwachten dat vrienden hen kunnen helpen om bepaalde voordelen te verkrijgen die buiten de (emotionele betekenis van) vriendschapsrelatie zelf liggen. Vriendschap fungeert dus in zekere zin altijd als “een soort verzekering tegen allerlei problemen, waarop men altijd een beroep kan doen zonder dat men een duidelijke verzekeringspremie hoeft te betalen” [Buunk 1983]. Vgl. Kon [1979] en vanuit sociaal-psychologische optiek: Tedeschi [1974].

    Dit particularistische element is zo belangrijk dat veel auteurs het opnemen in hun algemene definitie van persoonlijke relaties. Zo hanteert bijvoorbeeld Eisenstadt [1965] de volgende definitie: “interpersonal relations … are particularistic, personal, voluntary and fully institutionalized (usually in ritual terms)” [geciteerd uit Eisenstadt/Roniger 1985:6]. Het particularistische element van sociale relaties is de ratio van alle benaderingen waarin netwerken worden gethematiseerd met strategische handelingsmodellen. Vgl. de analyse van Laumann/Pappi [1976], Marsden [1982:202 e.v., 1981], Freeman e.a. [1980], Burt [1982, 1992], Heimer [1992].

    Particularisme speelt een cruciale rol in netwerkanalyses vanuit de ruiltheoretische optiek. Netwerkanalyses vanuit het ruiltheoretische referentiekader concentreren zich op doelgericht handelen. Zij gaat uit van de vooronderstelling “that ties or links between actors are established, maintained, or broken primarily in terms of the ‘value’ provided by that exchange relation (or set of relations) directly or indirectly” [Cook 1982:195]. Ruilnetwerken representeren in wezen “the flow of resources within a social structure”. Voor netwerkanalysten staan deze bronnenstroom en zijn sociaal structurele gevolgen centraal. Ruilnetwerken zijn in werkelijkheid de structuur van bronafhankelijkheden tussen individuele en collectieve actoren. Het zijn dynamische machtsstructuren waarin actoren proberen macht te verwerven teneinde het netwerk te veranderen en daarmee de macht anders te verdelen.

    Sociale relaties kunnen in alle maatschappelijke verhoudingen als indirecte bronnen worden ingezet en kunnen in principe voor alle mogelijke doeleinden worden gebruikt. Sociale relaties kunnen worden ingezet om toegang te krijgen tot distributieprocessen en zakelijke transacties of tot bepaalde ruilprocessen of markten. Maar zij kunnen ook worden gebruikt om de kansen op deze markten te vergroten en de kansen in arbeidsorganisaties te verbeteren en invloed uit te oefenen op de verdeling van de beloningen. Vanuit strategisch oogpunt is het vooral van belang wat de verhouding is tussen de input (wat men in persoonlijke relaties investeert) en de output (wat men aan goederen, diensten en begunstigingen ontvangt).

Index


2·2 Exclusieve posities in interactienetwerken: selectieve associatie en patronage

2·2·1 Netwerken van sociale relaties
Evenals alle andere indirecte bronnen zijn ook de sociale relaties in alle ons bekende samenlevingen op een ongelijke wijze verdeeld. Al naar gelang de maatschappelijke en organisationele positie die mensen innemen, hebben zij een meer of minder omvangrijk repertoire aan persoonlijke sociale contacten met anderen. De relatieve relatie-rijkdom of -armoede van mensen, hun ‘vitamine-R bezit’, is afhankelijk van de positie die zij innemen in meer of minder exclusieve netwerken van sociale relaties.

De meeste empirische onderzoekers komen tot een gelijksoortige conclusie: mensen in ‘hogere’ regionen van de klassen- of stratificatiestructuur onderhouden meer contacten dan mensen in de ‘lagere’ regionen, en hebben bovendien een grotere aspiratie om nog meer contacten aan te gaan. Bovendien beschikken individuen die ‘hoger’ op de maatschappelijke ladder staan gemiddeld over meer contacten buiten hun directe vriendenkring en verwantschapsrelaties dan individuen met een lagere sociaal-economische status.

In ‘lagere’ sociaal-economische groepen hebben de indirecte of zwakke connecties meestal geen brugfunctie naar bron-rijke individuen; hun indirecte relaties zijn veeleer bekenden van vrienden of verwanten wier informatie en eventuele steun geen reële vergroting van kansen oplevert [Granovetter 1982:112]. Dat leden van de arbeidersklasse (en vooral productiearbeiders) nauwere contacten onderhouden met vrienden en buren dan leden van andere klassen wordt overigens steeds minder bevestigd [Bolte/Hradil 1984:309].

Netwerktheorieën en empirisch netwerkonderzoek
Netwerkanalyses hebben zich met name ontwikkeld in aansluiting op (a) de sociometrie in de traditie van Moreno, (b) de ruiltheorie in de traditie van Homans, Blau en Emerson (c) de experimentele studies van communicatiepatronen in kleine groepen, (d) de observerende studies in de urbane antropologie in ontwikkelde en onontwikkelde landen, en (e) de studies van informele relaties in organisaties in de traditie van Roethlisberger/Dickson [1939].

Zie voor een overzicht van netwerkanalyses de bundels van Boissevain/Mitchell [1973], Richard [1981], Marsden/Lin [1982], Wellman [1988], Nohria/Eccles [1992] en het handboek van Scott [1991]. Zie verder: Mark Mizruchi [1994, 2005], Harrison White [1992], Wasserman/Faust 1994, Wellman/Berkowitz [1988/1997]. Netwerkanalytici zijn interdisciplinair verenigd in het International Network for Social Network Analysis (INSNA) en publiceren hun onderzoeksresultaten in Social Networks en het Journal of Social Structure (JOSS).

Het empirisch onderzoek naar interactienetwerken is zeer omvangrijk. Het omvat studies over familie- en huwelijksrelaties, vriendschapsrelaties, liefdesrelaties en seksespecifieke sociale relaties, relaties in woon- en leefgemeenschappen, generationele relaties, sociale relaties in school- en arbeids(markt)situaties, professionele gemeenschappen en etnische gemeenschappen. Bader/Benschop [1988:329] geven een kort literatuuroverzicht van een aantal empirisch-historische netwerkstudies.

Netwerkanalyses hebben tal van nieuwe inzichten opgeleverd in gevestigde vakgebieden, zoals de stratificatiesociologie, de politieke sociologie en de sociologie van formele organisaties. Maar zij hebben ook een belangrijke bijdrage geleverd aan de beschrijving en analyse van sociale structuren en aan de wijze waarop de verschillende analytische niveaus met elkaar verbonden kunnen worden.

Aan deze bijdrage wordt alleen afbreuk gedaan wanneer het specifieke niveau van handelingsintegratie waarop netwerkanalyses zijn gesitueerd, wordt verabsoluteerd, d.w.z. wanneer wordt gesuggereerd dat dit het énige en dus allesomvattende niveau van handelingsintegratie is en dat van daaruit bijgevolg alle (al dan niet klassenspecifieke) van sociale handelingstructuren kunnen worden verklaard. Een dergelijke verabsolutering van het netwerkperspectief is alleen maar verdedigbaar wanneer men bereid is het begrip ‘netwerk’ zover op te rekken dat het identiek wordt met het begrip ‘sociale structuur’ of nog gespierder: met de samenleving als geheel (‘netwerksamenleving’). De bezwaren tegen een dergelijk metaforisch gebruik van de term netwerk zal ik hier niet uitspellen. Zie uitvoeriger: hoofdstuk III, § 2·3 - Niveaus van handelingsintegratie.

Deze netwerken kunnen structureel van elkaar worden onderscheiden met behulp van de volgende vier criteria.
Ik sluit hier aan op de drie structurele criteria voor de specificatie van de interactionele netwerken zoals deze door Bader/Benschop [1988:147] zijn uitgewerkt en op de analyse van Coleman [1988] en Scott [1991]. Daarnaast maak ik gebruik van het overzicht dat Boissevain [1974:24 e.v.] samen-stelde van de netwerkanalyses in de interactie- en communicatietheoretische traditie en —ondanks alle bezwaren— van Bourdieu’s [1989:132] afbakening van het begrip ‘sociaal kapitaal’.

  1. Netwerken onderscheiden zich van elkaar door hun omvang (het aantal personen waarmee actuele relaties worden onderhouden en het aantal potentiële connecties met ‘vrienden van vrienden’), hun dichtheid (de mate van concentratie van actuele relaties) en hun diversiteit (de veelzijdigheid van de contacten) en door de frequentie en duurzaamheid van de daarin geconcentreerde sociale relaties.

    Sterke en zwakke connecties
    Voor het onderzoek naar deze aspecten kan worden aangesloten bij de sociografische of sociometrische benaderingen (waarin sociomatrixen van relaties tussen personen worden geconstrueerd) zoals die van Harary e.a. [1965] en gedeeltelijk bij de communicatie-experimenten van Freeman e.a. [1980]. De meest vruchtbare recente bijdragen worden door netwerkanalisten geleverd [Granovetter 1973,1974,1982].

    Zoals eerder opgemerkt, kan de relatieve kracht van sociale relaties worden geanalyseerd in termen van geïnvesteerde tijd, emotionele intensiteit en intimiteit, en wederzijdse nuttige diensten. In structurele netwerkanalyses staat de verhouding tussen sterke en zwakke contacten centraal. Sterke contacten zijn directe relaties met vrienden, verwanten en buren, waarin veel tijd wordt geïnvesteerd, die emotioneel intensief en intiem zijn en waarin regelmatig over en weer nuttige diensten worden bewezen [Bian 1997]. Zwakke contacten zijn indirecte relaties met kennissen of bekenden, met ‘vrienden van vrienden’, waarin meestal niet zoveel tijd wordt geïnvesteerd, die emotioneel afstandelijk en niet-intiem (zonder wederzijds vertrouwen) zijn en waarin onregelmatig of bij uitzondering over en weer nuttige diensten worden bewezen.

    Granovetter [1973:1361; 1982:106] heeft laten zien wat de kracht is van ‘zwakke connecties’. De kracht van zwakke connecties met kennissen en vrienden van vrienden is dat zij een cruciale brugfunctie vervullen tussen twee of meer intensieve clusters van intieme vrienden of verwanten. Daarom krijgen individuen met weinig zwakke connecties minder informatie over de meer verwijderde delen van het sociale systeem: hun informatiestroom is beperkt tot provinciaal nieuws en de opvattingen en ‘nieuwtjes’ van hun beste vrienden.

    Zwakke of indirecte connecties spelen vooral een belangrijke rol in de individuele mobiliteitskansen van individuen. Zo is er een “structural tendency for those to whom one is only weakly tied to have better acces to job information one does not already have. Acquaintances, as compared to close friends are more prone to move in circles different from one’s own. Those to whom one is closest are likely to have the greatest overlap in contact with those one already knows, so that information to which they are privy is likely to be much the same as that which one already knows” [Granovetter 1974:52 e.v.].

    Algemener geformuleerd: individuen met veel indirecte of zwakke connecties hebben in de regel niet alleen meer en actuelere informatie over de meer verwijderde delen van het sociale systeem (over vacatures op nationale en internationale arbeidsmarkten, over de machtscentra van het economische en politieke systeem enz.), maar zijn —mede hierdoor— ook vaak in staat deze connecties te gebruiken om toegang te krijgen tot geïnstitutionaliseerde markten en machtscentra, resp. om hun posities binnen deze markten en machtscentra te verbeteren.

    In empirische studies over de wijze waarop mensen een (nieuwe) baan verwerven, is inmiddels zeer duidelijk aangetoond hoe sterk hierbij juist de zwakke connecties kunnen zijn. Daaruit blijkt overigens ook nog iets anders: zodra men het niveau van algemene beschrijvingen verlaat, wordt het zeer moeilijk de vorm en inhoud van netwerken in kaart te brengen en nog veel lastiger om deze te kwantificeren.

  2. Netwerken onderscheiden zich van elkaar door de vaardigheid die mensen hebben om hun sociale relaties feitelijk te manipuleren en strategisch voor eigen doeleinden in te zetten. Relatie-arbeid vereist enerzijds een specifieke competentie, namelijk kennis van genealogische relaties, van buurt- en regionale verbanden enzovoort en de kunst om deze kennis daadwerkelijk te gebruiken. Anderzijds veronderstelt deze arbeid een zeker relatietalent, “een verworven dispositie om die competentie te verwerven en te behouden” [Bourdieu 1989:135]. Relatie-rijkdom impliceert niet alleen dat actoren feitelijk in een complexe rolstructuur opereren, maar ook een intellectuele, morele en communicatieve flexibiliteit hebben om zich in diverse relationele contexten te bewegen. Dit veronderstelt “a habit of mind that permits one simultaneously to asses the needs, motives, and actions of a great variety of different people” [Granovetter 1982:108].

  3. Netwerken onderscheiden zich door de omvang en samenstelling van het bronnenpotentieel van de personen waarmee directe of indirecte relaties bestaan die voor eigen strategische doelen gebruikt kunnen worden. De omvang van het relationele bronnenpotentieel (Bourdieu zou zeggen: het volume van het sociale kapitaal) van een bepaalde actor is dus enerzijds afhankelijk van de grootte van het netwerk van relaties dat hij effectief kan mobiliseren, anderzijds van de hoeveelheid andere bronnen (Bourdieu zou zeggen: economisch, cultureel en symbolisch kapitaal) waarover zijn kennissen en connecties beschikken.

    De sociale relaties waarover een actor op een bepaald moment beschikt, kunnen weliswaar niet worden gereduceerd tot de beschikkingsmacht over andere directe of indirecte bronnen, maar zijn daarvan nooit helemaal onafhankelijk. Dit heeft twee redenen. Ten eerste “omdat de ruil die de wederzijdse erkentelijkheid doet ontstaan de (h)erkenning veronderstelt van een minimum aan ‘objectieve’ homogeniteit” [Bourdieu 1989: 132]. Ten tweede oefent de beschikkingsmacht over sociale relaties een ‘vermenigvuldigingseffect’ uit op de andere bronnen waarover men beschikt.

    In dit verband is de sociale topologie van Ronald Burt [1974] relevant. Hij maakt een onderscheid tussen drie machtsbronnen die zich van elkaar onderscheiden door de wijze waarop actoren macht verkrijgen. De machtsvariaties berusten op (1) een verschillende mate van controle over waardevolle bronnen, (2) een verschil in nabijheid ten opzichte van degenen die directe controle uitoefenen over dergelijke bronnen en (3) een verschil in de mate waarin actoren elkaar onderling beïnvloeden. Voor de analyse van netwerken van sociale relaties zijn met name de laatste twee machtstypen van belang.

  4. Netwerken kunnen tenslotte worden onderscheiden naar hun interne opbouw, dat wil zeggen naar hun mate van interne differentiatie, concentratie en centralisatie, de mate waarin zich duidelijke centra hebben geconsolideerd die de groep als geheel kunnen representeren en de mate waarin de relationele macht van deze centra zelf is gedelegeerd of waarin zij door andere interactiedeelnemers wordt gelimiteerd en gecontroleerd. De mechanismen van geïnstitutionaliseerde representatie en delegatie worden kort besproken door Bourdieu [1989:135 e.v.].

Alle netwerken van persoonlijke relaties kunnen met behulp van deze vier criteria worden onderzocht. Mijn analyse concentreert zich op het derde criterium.

Vanuit een structurele optiek kunnen netwerken worden onderscheiden naar de mate waarin de actoren over een gelijk bronnenpotentieel beschikken. Wanneer dit bronnenpotentieel gelijk of ongeveer gelijk is, nemen de exclusieve netwerken van sociale relaties de vorm aan van een selectieve associatie; wanneer het bronnenpotentieel van de interactiedeelnemers echter aanzienlijke verschillen vertoont, dan nemen de netwerken de specifieke vorm aan van patronage.

2·2·2 Selectieve associaties
Selectieve associaties zijn meer of minder geïnstitutionaliseerde netwerken van sociale relaties tussen gelijken — zoals exclusieve bindingen tussen familieleden, vrienden, geliefden, dorps- of buurtgenoten, jaargenoten en bedrijfsgenoten. Een selectieve associatie is een stelsel van meer of minder duurzame informele, persoonlijke relaties tussen individuen of groepen die over (ongeveer) gelijke bronnen beschikken; deze relaties worden gekenmerkt worden door particularisme, door overwegend symmetrische wederkerigheid en –ondanks mogelijke strategische intenties en implicaties– primair door affectieve bindingen.

Selectieve associaties zijn gebaseerd op min of meer vrijwillige sociale sluiting en uitsluiting. Selectieve associaties tussen actoren waarvan het bronnenpotentieel ongeveer gelijk is, komen enerzijds tot stand door sluiting naar buiten (uitsluiting), dat wil zeggen door een afgrenzing ten opzichte van buitenstaanders. Deze selectieve discriminatie impliceert niet alleen formeel dat buitenstaanders op een ongelijke wijze worden behandeld, maar ook materieel dat deze niet kunnen meeprofiteren van de specifieke voordelen en gunsten die binnen de kring van selectief geassocieerden circuleren.

Anderzijds komen selectieve associaties tot stand door een sociale sluiting naar binnen (insluiting), dat wil zeggen de interactiedeelnemers erkennen elkaar wederzijds als gelijken of gelijkwaardigen en leggen zichzelf in de regel een specifieke gedragscode op waarin de wederzijdse verwachtingen en verplichtingen worden geïnstitutionaliseerd. De relatieve homogeniteit van de selectief geassocieerden wordt hierdoor versterkt en de grenzen tussen gevestigden en buitenstaanders worden scherper gemarkeerd.

Institutionalisering van gedragsverwachtingen
De institutionalisering van wederzijdse gedragsverwachtingen indiceert de mate waarin de verwachtingen van een actor gebaseerd kunnen worden op veronderstelde gedragsverwachtingen van andere interactiedeelnemers. Het geïnstitutionaliseerde karakter van sociale relaties berust —zoals Niklas Luhmann heeft aangetoond— niet zonder meer op een consensus onder de interactiedeelnemers. Bovendien leiden geïnstitutionaliseerde netwerken van persoonlijke interacties ook niet tot een onbeperkte mate van consensus. De functie van institutionalisering is dat de consensus wordt geconcentreerd op maatschappelijk belangrijke betekenissen en doelen en geanticipeerd in het verwachten van verwachtingen. Omdat de consensus fungeert krachtens een veronderstelling hoeft deze binnen een interactiegemeenschap normaliter helemaal niet meer specifiek ter discussie gesteld te worden [Luhmann 1972:65-8].

In alle enigszins duurzame selectieve associaties, hoe intiem deze ook mogen zijn, ontwikkelen zich een aantal complexe wederzijdse gedragsverwachtingen en verplichtingen. Al naar gelang de aard van de selectieve associatie leidt de institutionalisering van gedragsverwachtingen tot een serie specifieke verplichtingen:

  • een overwegend traditioneel gemotiveerde verplichting tot respect en piëteit;
  • een overwegend emotioneel gemotiveerde verplichting tot genegenheid, vriendschap of liefde;
  • een overwegend normatief gemotiveerde verplichting tot solidariteit of trouw;
  • een overwegend strategisch gemotiveerde verplichting tot wederzijdse ondersteuning; of
  • een meestal meervoudig gemotiveerde verplichting tot collegialiteit en kameraadschap.
De institutionalisering van deze wederzijdse gedragsverwachtingen en het verplichtende karakter dat deze hierdoor krijgen, is weliswaar nooit alleen strategisch gemotiveerd, maar heeft meestal wel strategische intenties — en altijd strategische implicaties. Zodra door selectieve associaties de wederzijdse gedragsverwachtingen en onderlinge verplichtingen van de interactiedeelnemers worden geïnstitutionaliseerd, heeft dit altijd een aantal strategisch relevante gevolgen.

In aansluiting op Bourdieu [1989:133 e.v.] hebben Bader/Benschop [1988:329 e.v.] de functies van institutionalisering van selectieve associaties als volgt samengevat.

  1. Relatie-instituties definiëren wie er tot de ‘wij’-groep behoren en wie er niet behoren tot ‘onze’ familie, clan, club, kameraden, collega’s enzovoort.

  2. Zij stimuleren en cultiveren directe contacten en bieden nieuwe mogelijkheden om elkaar te leren kennen en waarderen. Dit gebeurt met name door het organiseren van feesten en ceremonies (zoals recepties, bruiloften, geboortefeesten en begrafenissen) en het creëren van gelegenheden (zoals reünies) en locaties (zoals sociëteiten).

  3. Zij definiëren en bestendigen de grenzen naar buiten tegenover de buitengesloten individuen en groepen: bescherming tegen externe (kwaadaardige) balansverstoring.

  4. En tenslotte ontwikkelen zij regels en ceremonies voor de initiatie en rekrutering, zodat het duidelijk is onder welke voorwaarden buitenstaanders worden toegelaten tot de ‘wij’-groep. Een van deze voorwaarden is de bekende zwijgplicht; initiatieriten bevatten vaak een eed om naar buiten toe te zwijgen over interne aangelegenheden.

Selectieve associaties zijn dus het resultaat van een specifiek type van asymmetrische macht. Zij zijn het resultaat van een selectieve of persoonlijke discriminatie waardoor de uitgeslotenen worden beroofd van relatiekansen en van de daaraan verbonden materiële en immateriële, sociaal-economische, psychische, culturele, politieke, symbolische en strategische voordelen.

De relaties tussen selectieve associaties zijn asymmetrisch en potentieel antagonistisch, maar niet per definitie exploitatief. De ongelijke posities in netwerken van sociale relaties zijn weliswaar klassenmatig (voor)gestructureerd door de hogere niveaus van maatschappelijke en organisationele handelingsintegratie, maar daarom zijn het als zodanig nog geen klassenposities.

Selectieve associaties, eliteposities en klassenposities
Deze formulering impliceert natuurlijk niet dat selectieve associaties alleen door (maatschappelijke en organisationele) klassenverhoudingen worden gestructureerd. Selectieve associaties worden immers mede gestructureerd door alle andere typen positionele en ascriptieve ongelijkheden, zoals bijv. door eliteverhoudingen en door nationale, etnisch-raciale, seksespecifieke, generationele en territoriale verhoudingen.

Voor al deze andere ongelijkheidsassen geldt globaal hetzelfde argument. De op maatschappelijk of organisationeel niveau gestructureerde ongelijke posities genereren specifieke effecten op de structurering van de daarop aansluitende interactionele ongelijkheden. Deze effecten op interactionele ongelijkheden moeten echter niet worden verward met de daaraan veronderstelde maatschappelijke en organisationele posities.

Zo worden bijvoorbeeld eliteposities geconstitueerd op het niveau van de geformaliseerde beslissingsverhoudingen in organisaties. De exclusieve persoonlijke relaties tussen de leden van elites (hun elitaire kliekvorming) is positioneel voorgestructureerd door de plaatsen die zij innemen in democratisch illegitieme gezagsverhoudingen. Maar dit betekent nog niet dat deze elitaire selectieve associaties zelf (d.w.z. hun exclusieve clubs, cliques en festiviteiten) als eliteposities kunnen worden behandeld.

Selectieve associaties zijn ingebed in de maatschappelijke en organisationele klassenverhoudingen en krijgen alleen al hierom een klassenspecifieke inkleuring. De specifieke aard en de betekenis van klassenspecifieke associaties (‘klassengemeenschappen’) worden in hoofdstuk XI, § 4 behandeld.

2·2·3 Patronage
Evenals bij de geïnstitutionaliseerde onderdrukking in arbeidsorganisaties kan discriminatie in persoonlijke (‘face-to-face’) interacties onder bepaalde voorwaarden leiden tot uitbuitingsrelaties of hieraan bijdragen. Dit is met name mogelijk wanneer de exclusieve posities in interactienetwerken zijn ingebed in patronageverhoudingen.

Patronage is een netwerk van sociale relaties tussen individuen of groepen die over substantieel ongelijke bronnenpotentiëlen beschikken. Patronageverhoudingen zijn als zodanig nog geen uitbuitingsrelaties, maar “asymmetrische, persoonlijke relaties van loyaliteit tussen twee personen of groepen die tot verschillende sociale categorieën behoren en in verschillende mate toegang hebben tot schaarse hulpbronnen” [Rooduijn 1987:7]. Daarbij beschikken de patroons over specifieke bronnen waartoe hun cliënten geen toegang hebben.

Deze cruciale betekenis van de ongelijke beschikkingsmacht over bronnen wordt door meerdere auteurs benadrukt. Bijvoorbeeld in de vaak geciteerde definitie van Landé [1977:xx]: “A patron-client relation is a vertical dyadic alliance, i.e. an alliance between two persons of unequal status, power or resources each of whom finds it useful to have as an ally someone superior to himself”.

Iets nauwkeuriger is de definitie van Eisenstadt/Roniger [1984:49]: “… patron-client relations are based on a very strong element of inequality and of differences in power between patrons and clients. … it ought to be evident that the most crucial element of this inequality is the monopolisation, by the patrons, of certain positions which are of crucial importance for the clients — above all, … of the acces to the means of production, major markets and centres of the society”.

Burgwal [1992:25] definieert patronage als “a more or less enduring, informal, personal relationship characterized by particularism as opposed to universalism, asymmetrical reciprocity and notwithstanding possible affective ties, primarily by instrumentalism.”

Cliënten hebben in de regel geen autonome toegang tot (a) het machtscentrum of de machtscentra van de maatschappij, (b) de materiële arbeidsvoorwaarden, (c) de belangrijke geïnstitutionaliseerde markten en (d) de verdeling van collectieve goederen en diensten. De patroons fungeren als een soort makelaars (‘brokers’), d.w.z. als intermediaire actoren die transacties vergemakkelijken tussen andere actoren die geen autonome toegang hebben tot een of meer van deze vier elementen.

De cliënten zijn hierdoor min of meer gedwongen allerlei ‘diensten’ te verrichten (arbeid), patronagerente af te dragen (beschermingspremies) en loyaliteitsbeloften af te leggen (voorkeursstemmen) in ruil voor de ‘gunsten’ van hun patroon. De patroon biedt hen in ruil daarvoor een zekere bescherming, bezorgt hen een baan of brengt hen in contact met invloedrijke personen (‘kruiwagens’) enzovoort. De reciprociteit die in patronage is geïmpliceerd, onderscheidt deze van een zuivere dwangverhouding [Scott 1977:25; Burgwal 1992:24].

De interacties tussen de patroon en zijn cliënten worden dus gekenmerkt door een gelijktijdige ruil van verschillende typen directe en indirecte bronnen: materiële goederen, geld en elementaire vormen van sociale zekerheid; politieke bronnen (steun, loyaliteit, stemmen, bescherming); symbolische bronnen (beloftes van wederkerigheid, solidariteit en loyaliteit); informatie enzovoort. De ruil van deze bronnen wordt meestal in een of andere vorm van ‘package deal’ geregeld, zodat geen van deze bronnen afzonderlijk worden geruild, maar alleen in een combinatie waarin alle bronnentypen zijn vervat [Eisenstadt/Ronger 1985:48].

Patronaat en verwantschap
Het is zeker geen toeval dat er op dit punt een duidelijk overeenkomst bestaat met de ruil tussen traditionele verwantschapsgroepen [→ hoofdstuk VI, § 5·4]. Zo is het betalen van een bruidsprijs slechts een onderdeel van “een voortdurende stroom uitwisselingen, waarbij geld, goederen en diensten circuleren tussen allerlei groepen: tussen de families van de bruid en van de bruidegom, maar ook tussen andere groepen die slechts indirect betrokken zijn bij het huwelijk. Tussen de de bruidgevende en bruidnemende groepen ‘komt nooit een einde aan de bruidsprijs’” [Geschiere 1983:622]. En evenals bij verwantschap komt er tussen patroon en cliënt in feite nooit een einde aan de (ongelijke) bronnenruil.

Verwantschap vormt evenals patronage een soort ‘package deal’, waarmee het geheel van rechten en verplichtingen van een persoon tegenover andere personen en tegenover de groep is vastgelegd. Om er een paar te noemen: patronaat en verwantschap geven aan “op wie je kunt rekenen voor bescherming, met wie je kunt trouwen, aan wie je een vrouw moet geven, welke akkers je mag bewerken, wie je diensten mag vragen of moet leveren, wie er hekserij tegen je kan gebruiken, of met wie je handel mag drijven, wie je moet begraven en door wie je begraven zult worden, met wie je grappen mag maken en met wie niet, wie je mag doden en wie niet, enzovoort” [Raatgever 1988:64 e.v.]. Al deze relaties zijn pas mogelijk door verwantschap dan wel patronage en onderhevig aan de beperkingen daarvan.

Patronageverhoudingen impliceren in de regel een sterk element van onvoorwaardelijk krediet dat vaak levenslang geldig is en ook een element van interpersoonlijke verplichting dat meestal verpakt is in termen van persoonlijke loyaliteit of wederkerigheid en verbondenheid of solidariteit tussen patroons en hun beschermelingen of cliënten. Dit element van solidariteit is dikwijls nauw verbonden met concepties van persoonlijke identiteit, zoals de ‘man van eer’ en de ‘mannelijke man’.

Deze loyaliteit en verbondenheid tussen patroons en hun clientèle is vaak uiterst ambivalent (‘eenzijdige vriendschap’) en hun onderlinge solidariteit kan heel sterk, maar ook tamelijk zwak zijn – zoals in veel moderne politieke patronageverhoudingen: ‘bossism’. Patronageverhoudingen zijn primair strategische relaties die gebaseerd zijn op verwachte voordelen van beide actoren, maar zij duiden hun onderlinge verband in familiaire en verwantschapstermen. Patroons legitimeren hun machtsposities meestal in een patriarchale idioom van een vader-zoon-relatie.

De relaties tussen patroons en hun cliënten hebben een sterk persoonlijk (‘dyadisch’) en informeel karakter: patronageverhoudingen zijn niet contractueel geregeld en niet legaal omdat zij in moderne burgerlijke maatschappijen meestal niet door de heersende rechtsorde worden gedekt. Patronageverhoudingen zijn gebaseerd op informele, maar daarom niet minder bindende afspraken. Een schending van deze afspraken van de kant van de cliënten wordt in de regel met zeer harde sancties afgestraft (met name wanneer de afdrachten niet worden betaald of de zwijgplicht wordt overschreden).

Hoewel cliënten in principe formeel vrijwillig in een afhankelijkheidsrelatie tot een patroon treden, is de termijn waarvoor deze bindingen gelden meestal niet vastgesteld en zijn cliënten vaak levenslang aan hun patroon gebonden. De afhankelijke cliënten zijn in de regel niet in staat zich aan de ‘gunsten’ van hun patroon te onttrekken en hebben geen reële en levensvatbare opties om uit het patronaat te treden. Door de uiterst rigide verticale opbouw van de patronale netwerken wordt de onderlinge solidariteit tussen cliënten bovendien zodanig ondermijnd dat zij weinig of geen mogelijkheden hebben om collectief protest of verzet te organiseren. Elke cliënt heeft een eigen persoonlijke relatie met zijn patroon en onderling zijn de cliënten veeleer actuele of potentiële concurrenten bij het verkrijgen van zijn gunsten [Landé 1977:xxiv].

Elke neiging of aanzet tot collectief verzet wordt door de meestal goed geïnformeerde patroons onmiddellijk onderkend en met de hiervoor geëigende middelen de kop ingedrukt of afgekocht. De feitelijke voordelen die cliënten aan deze persoonlijke afhankelijkheidsverhouding ontlenen, zijn aanzienlijk geringer dan hun investeringen. Deze wanverhouding tussen kosten en baten van de ruilverhouding tussen patroons en hun cliënten kan onder bepaalde voorwaarden een extreem exploitatief karakter aannemen [zie verder § 2·3·1].

De combinatie van de hiervoor genoemde algemene kenmerken maakt niet alleen duidelijk dat de interacties tussen patroons en cliënten op veel verschillende niveaus plaatsvinden, maar ook dat patronageverhoudingen een aantal paradoxale tegenstellingen bevatten. De drie belangrijkste daarvan werden door Eisenstad/Roniger [1985:49] geformuleerd: “first a rather peculiar combination of inequality and asymmetry in power with seeming mutual solidarity expressed in terms of personal identity and interpersonal sentiments and obligations; second, a combination of potential coercion and exploitation with voluntary relations and mutual obligations; third, a combination of emphasis on such mutual obligations and solidarity or reciprocity between patrons and clients with the somewhat illegal or semi-legal aspect of these relations”.

Index


2·3 Interactionele uitbuitings- en klassenposities
Om de mogelijkheden en beperkingen van clientèle-uitbuiting te onderzoeken, moeten er net zo als bij de credentiële en organisationele uitbuiting weer een viertal vragen worden gesteld: (a) wat is de feitelijke grondslag en (b) wat is het kenmerkende mechanisme van clientèle-uitbuiting, (c) hoe kan clientèle-uitbuiting worden gereproduceerd, en (d) onder welke voorwaarden kunnen hieruit structurele uitbuitings- en klassenposities ontstaan?

2·3·1 Grondslagen van clientèle-uitbuiting
Ik heb er in § 2·2 al op gewezen dat clientèle-uitbuiting mede geworteld is in de ongelijk verdeelde beschikking over competenties om sociale relaties strategisch te hanteren. Relatie-arbeid vereist een aantal specifieke competenties: (a) kennis van genealogische relaties en van buurt- of regiospecifieke verbanden, en (b) het vermogen om deze kennis daadwerkelijke te gebruiken. Patroons zijn in de meest letterlijke zin van het woord netwerkspecialisten [Rooduijn 1987:89] met een groot vermogen om te socialiseren. De patroon beschikt meestal over een zeer grote kennis van de families die hij in een bepaalde lokale setting tot zijn feitelijke/potentiële clientèle rekent. Hij kent zowel de (on)hebbelijkheden van de afzonderlijke families en hun leden als de relaties tussen de families. Patroons zijn wandelende bevolkingsregisters — zij fungeren als databanken waarin praktisch alle formele en informele informaties over de potentiële/actuele clientèle zijn opgeslagen.
Clientèle-uitbuiting is verankerd in de ongelijke beschikkingsmacht over sociale relaties. De beschikkingsmacht over deze indirecte bron is in werkelijkheid vaak gecombineerd met de controle over andere indirecte bronnen, met name fysiek geweld en vaak ook geïnstitutionaliseerd prestige (vooral het geïnstitutionaliseerde sociale prestige van etnisch-raciale groepen, van seksespecifieke groepen en van nationale of territoriale groepen). Dit zou echter juist een aansporing moeten zijn de indirecte bron sociale relaties zo scherp mogelijk te onderscheiden van andere indirecte bronnen.

Dit laatste is een van de grote zwaktes in de analyses van Bourdieu. Ik heb eerder een algemene kritiek geleverd op zijn uitermate elastische klassenbegrip [hoofdstuk V, § 1·3·2 en VI, § 1·1]. Daarbij werd met name bezwaar aangetekend tegen zijn slordige en onvolledige analyse van de bronnen en bronsoorten en zijn metaforische gebruik van het kapitaalbegrip. Tegen deze achtergrond wordt nu het begrip ‘sociaal kapitaal’ nader onder de loep genomen.

Het is opvallend dat Bourdieu zo weinig aandacht besteedt aan de afbakening van het begrip ‘sociaal kapitaal’, omdat het in zijn analyse van klassenverhoudingen juist zo’n belangrijke rol vervult. Zijn uitgangspunt is immers dat klassen zich van elkaar onderscheiden door het globale ‘kapitaalvolume’ waarover zij kunnen beschikken en dat dit uit drie onderscheiden kapitaalsoorten is samengesteld: het economische, het culturele en het sociale kapitaal.

In La Distinction uit 1979 wordt het begrip ‘sociaal kapitaal’ niet of nauwelijks gedefinieerd, maar in latere publicaties wordt het iets meer afgebakend. In zijn opstel Economisch kapitaal, cultureel kapitaal en sociaal kapitaal uit 1986 (opgenomen in Bourdieu 1989) geeft hij de volgende omschrijving.

Ook voor het ‘culturele kapitaal’ maakt Bourdieu [1989:123] een onderscheid tussen belichaamde, geobjectiveerde en geïnstitutionaliseerde staat. In belichaamde staat verschijnt het culturele kapitaal in de vorm van duurzame disposities van het organisme; in geobjectiveerde staat verschijnt het in de vorm van cultuurgoederen (zoals schilderijen, boeken, instrumenten en machines); en in geïnstitutionaliseerde staat verschijnt het in de vorm van onderwijskwalificaties (academische titels en diploma’s). De geobjectiveerde vorm van het ‘economische kapitaal’ zijn materiële consumptie- en productiegoederen; de geïnstitutionaliseerde vorm hiervan zijn eigendomsrechten.
Het ‘sociale kapitaal’ kan in verschillende aggregatie-toestanden bestaan: in praktische, geïnstitutionaliseerde en in belichaamde staat. In louter praktische staat bestaan de sociale relaties in de vorm van materiële en/of symbolische transacties waardoor ze mede in stand worden gehouden. Sociale relaties kunnen echter ook geïnstitutionaliseerd zijn.

Het ‘sociale kapitaal’ bestaat uit sociale verplichtingen (‘connecties’). Het kan onder bepaalde voorwaarden kan worden omgezet in ‘economisch kapitaal’ en “kan worden geïnstitutionaliseerd in de vorm van een adellijke titel” [idem:123]. Sociale relaties bestaan tenslotte ook in belichaamde staat, namelijk in de vorm van een specifieke habitus en van bepaalde manieren en levensstijlen.

Uit deze analyse van de bestaansvormen van het ‘sociale kapitaal’ blijkt dat Bourdieu geen duidelijk onderscheid maakt tussen sociale relaties en habitus, manieren, levensstijlen, prestige en hun symboliseringen in bepaalde manieren van spreken, lopen, kleden enzovoort. Hij beschouwt de adellijke titel als “de meest typische vorm van het geïnstitutionaliseerde sociale kapitaal” [idem:136]. Zelfs als dit waar is, lijkt het niet verstandig de institutionalisering van sociale relaties zo sterk (en bij Bourdieu lijkt het soms bijna exclusief) te koppelen aan adellijke titels. Adellijke titels zijn veeleer een typisch voorbeeld van geïnstitutionaliseerd en conventioneel en/of wettelijke gegarandeerd sociaal prestige [zie eerder hoofdstuk VII, § 4·3].

Symbolisch kapitaal en adellijke titels
Bourdieu beschouwt adellijke titels overigens zelf ook als een vorm van ‘symbolisch kapitaal’, welke niet alleen sociaal maar ook wettelijk worden erkend.
    “De edelman is niet alleen iemand die bekend is (nobilis), opmerkenswaardig, gezien en aanzienlijk; hij wordt ook als zodanig erkend door een officieel, ‘universeel’ tribunaal — hij wordt kortom door iedereen als zodanig gekend en erkend” [Bourdieu 1989:157].
Voor Bourdieu “behoeft het verder geen betoog dat het sociale kapitaal zodanig wordt beheerst door de logica van kennis en erkenning dat het onveranderlijk als symbolisch kapitaal functioneert” [idem:313].

De rationele basisgedachte van Bourdieu is dat de positie van een actor binnen de sociale ruimte kan worden gedefinieerd aan de hand van de diverse posities die hij inneemt in de onderscheiden velden, d.w.z. in de machtsverdeling die in elk van hen werkzaam is en die gestructureerd wordt door de verdeling van een specifieke bronsoort (‘kapitaalsoort’). Deze niet-reductionistische benadering van een multidimensionele positie-ruimte wordt echter op twee manieren geclausuleerd.

Ten eerste kent weliswaar elk veld zijn eigen logica en zijn eigen hiërarchie, maar “de hiërarchie tussen de verschillende soorten kapitaal onderling en de statistische koppeling tussen de verschillende soorten activa” zorgen ervoor “dat het economisch veld zijn eigen logica opdringt aan de andere velden” [idem:144]. Deze structurele dominantie van het economische veld over de andere velden impliceert echter voor Bourdieu niet dat hij de andere bronnentypen of kapitaalsoorten laat vervloeien met het ‘economische kapitaal’.

Ten tweede zou het sociale veld zo volledig door de logica van het ‘symbolische kapitaal’ worden beheerst dat het daarvan niet meer onafhankelijk geanalyseerd hoeft te worden. Daarmee wordt het rationele uitgangspunt van zijn hele onderneming ondergraven: in de multidimensionale sociale ruimte wordt (geïnstitutionaliseerd) sociaal prestige niet meer opgevoerd als een van sociale relaties onderscheiden zelfstandige bronsoort.

Ik er al eerder op gewezen dat Bourdieu’s redenering intern niet erg consistent is omdat hij uiteindelijk ook het ‘sociale kapitaal’ zelf laat verdwijnen uit de bepaling van de hoofdklassen. Voor een niet-reductionistische klassenanalyse zijn deze reducties nogal hinderlijk – en uiteindelijk zelfdestructief.

Het in eerste instantie nauwkeurig afgebakende begrip sociale relaties vloeit bij Bourdieu naadloos samen met het ‘symbolische kapitaal’, dat doorgaans sociaal prestige wordt genoemd [Bourdieu 1989:144,310 – noot 3; zie eerder hoofdstuk VI, § 1·3·2]. Natuurlijk bestaan er in de maatschappelijke werkelijkheid tussen alle genoemde elementen telkens specifieke, typische combinaties. Sociale relaties, habitus en levensstijlen, sociaal prestige en reputatie of roem, en hun symboliseringen in bepaalde manieren, ze hangen op complexe wijze altijd nauw met elkaar samen; ze versterken elkaar en doorkruisen elkaar. Maar dit juist het sterkste argument om de verschillen tussen deze elementen zo nauwkeurig mogelijk van elkaar af te bakenen. Er zou met name een zeer duidelijk onderscheid gemaakt moeten worden tussen de (beschikking over de) meer of minder geïnstitutionaliseerde sociale relaties en geïnstitutionaliseerd sociaal prestige. Het laatste bezwaar dat tegen Bourdieu’s benadering kan worden ingebracht is dat hij geen onderscheid maakt tussen selectieve associatie en patronage; feitelijk behandelt hij uitsluitend sociale relaties tussen gelijken als ‘sociaal kapitaal’.

Tenslotte is het na al deze kritiek misschien niet overbodig en zeker fair op te merken dat het op zichzelf een grote verdienste van Bourdieu is dat hij de analyse van sociale relaties als zodanig integraal betrekt in de analyse van de structurering van klassenverhoudingen, zonder in het bekende interactionele reductionisme te vervallen. Bovendien bieden zijn analyses een aantal aanknopingspunten om de omvang van het relationele bronnenpotentieel van actoren nader te definiëren als een combinatie van (i) de grootte van het netwerk van relaties dat een actor effectief kan mobiliseren en (ii) de hoeveelheid andere bronnen waarover zijn kennissen en connecties beschikken.

2·3·2 Mechanisme van clientèle-uitbuiting
De relaties tussen patroons en hun cliënten zijn asymmetrisch en potentieel antagonistisch. Anders dan bij selectieve associaties staan zij in de regel in een exploitatieve verhouding ten opzichte van elkaar. Clientèle-uitbuiting is een indirect uitbuitingsmechanisme dat zich voltrekt door ongelijke ruil tussen de ‘diensten’ van de clientèle en de ‘gunsten’ van de patroons en dat is ingebed in de specifieke persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen die voor patronagestelsels zo kenmerkend zijn. Van clientèle-uitbuiting is pas sprake wanneer de patroons over zodanig omvangrijke en strategisch relevante sociale relaties beschikken dat zij een effectieve claim kunnen leggen op (delen van) de meerarbeid van hun clientèle.

Het probleem is natuurlijk hoe men in specifieke gevallen de winst- en verliesrekening kan opmaken. Zo’n calculatie veronderstelt immers niet alleen dat men in staat is om de (materiële en immateriële, sociale en symbolische) goederen en diensten waarin de patroons voorzien te vergelijken met de diensten en monetaire afdrachten van hun clientèle, maar dat men deze ook kwantitatief kan meten.

Aan het gebruik van de economische basiscategorieën (zoals ruil, kapitaal, rente, winst, krediet) in de strategische analyse van sociale relaties zijn grote nadelen verbonden [Bader/Benschop 1988:327]. Het gebruik van dergelijke termen —zoals bij Bourdieu en Boissevain— suggereert immers dat daarmee het probleem van de vergelijkbaarheid en meetbaarheid al zou zijn opgelost, zonder het probleem zelf aan de orde te stellen.

2·3·3 Reproductie van clientèle-uitbuiting
Hoe duurzaam en stabiel is clientèle-uitbuiting? Of anders gezegd, wat zijn de voorwaarden waaronder de in patronageverhoudingen geïmpliceerde uitbuitingsrelaties gereproduceerd kunnen worden?

De duurzaamheid en het structurele karakter van clientèle-uitbuiting is primair afhankelijk van (a) de mate waarin feitelijk over sociale relaties beschikt kan worden en (b) de duurzaamheid van de ongelijke verdeling van de controle over sociale relaties.

  1. Controle over sociale relaties
    Ook op dit punt struikelt Bourdieu over zijn gegeneraliseerde kapitaalbegrip. Om zijn metaforisch gebruik van het kapitaalbegrip te verbergen, lijkt hij steeds weer te moeten suggereren dat men sociale relaties op eenzelfde manier kan ‘bezitten’ als het economische kapitaal [Bourdieu 1975:145; 1989:132]. Het is natuurlijk wel mogelijk om andere bronnen toe te eigenen die van belang zijn voor het gebruik, de uitbreiding en stabilisatie van sociale relaties.
    In welke zin kan men zeggen dat er feitelijke beschikkingsmacht wordt uitgeoefend over sociale relaties? Eén ding is in ieder geval duidelijk: sociale relaties zijn geen eigendom in de strikte zin van het woord. Weliswaar zijn sociale relaties een uiterst belangrijk type indirecte bron, maar men kan ze als zodanig niet bezitten of toeëigenen — zoals Bourdieu suggereert.

    Sociale relaties kunnen wel op effectieve wijze worden gesloten en men kan er feitelijk en effectief gebruik van maken. Het gebruik van sociale relaties veronderstelt echter geen volledige beschikkingsmacht — laat staan een totale privatisering. De sociale relaties moeten extern zodanig gesloten zijn dat alleen de deelnemers gebruik kunnen maken van de relatiekansen die in een selectieve associatie of patronage zijn vervat en dat alleen zij kunnen profiteren van de daaraan verbonden nuttige voordelen. Voor patronageverhoudingen geldt bovendien: de sociale relaties moeten intern zodanig gesloten en gereguleerd zijn dat de patroons in staat zijn de door hen geaccumuleerde sociale relaties zo te mobiliseren dat de clientèle van hen afhankelijk blijft en zij hun patronagerentes kunnen incasseren. Praktisch wil dat zeggen dat de ‘gunsten’ die patroons verlenen in ieder geval niet omvangrijker en waardevoller mogen worden dan de door de clientèle geleverde ‘diensten’.

    Transactieroutes en bemiddelingskosten
    Peter Marsden heeft een in dit verband interessante analyse gemaakt van het ‘brokerage behavior in restricted exchange networks’. Zijn strategische handelingsmodel vertrekt vanuit de vooronderstelling een netwerk sommige actoren in staat stelt een indirecte controle uit te oefenen over het gebruik van andermans bronnen en dat bronrijken hierdoor in de gelegenheid zijn zich exploitatief te gedragen. Voor bronarme actoren zijn indirecte relaties via brookers of patroons een functioneel substituut voor een directe toegang tot relevante bronnen.

      “The intermediary actors receive resource ‘commissions’ defined here as fractions of the resource flow between principals, for their brokerage services” [Marsden 1982:206].

    De lengte van de ketens van wederzijdse afhankelijkheid tussen cliënten en hun patroons zijn variabel. Bij lange ketens zijn de patroons op lokaal niveau de cliënt van een patroon op provinciaal of regionaal niveau, terwijl deze weer de cliënt is van een patroon op een nog hoger aggregatieniveau totdat uiteindelijk het nationale en soms internationale niveau wordt bereikt [Landé 1977:20; Kenny 1977; Burgwal 1992]. Zie voor een empirische analyse van deze ‘piramides van clientelismo’ in Zuid-Italie: Rooduijn [1987].
    Van daaruit formuleert Marsden een aantal specifieke vooronderstellingen die het ruilmodel van Coleman [1973] modificeren. Ten eerste zullen actoren de kortste transactieroutes volgen die voor hen beschikbaar zijn om elke transactie af te ronden. Potentiële cliënten zullen dus een directe verbinding prefereren wanneer deze beschikbaar is, vervolgens een indirecte connectie via een enkele intermediair, dan een indirecte connectie met meerdere intermediairs enzovoort. De ratio van deze vooronderstelling is dat actoren korte transactieroutes prefereren boven lange teneinde hun bemiddelingskosten (commissies, patronagerente) die gepaard gaan met deze transacties te economiseren.

    Ten tweede worden de betalingen voor het arrangeren van ruiltransacties opgevat als proporties van de hoeveelheid door patroons of ‘brokers’ getransfereerde bronnen tussen perifere actoren (cliënten). Marsden gaat ervan uit “that commission fractions vary as functions of the length and uniqueness of the indirect channels available for the conduct of brokered transactions” [Marsden 1982:207].

    De omvang van een commissie zal dus het grootst zijn wanneer er slechts één indirecte connectie bestaat waarlangs een gegeven ruil kan worden bemiddeld. Actoren die een centrale positie innemen in een netwerk waarmee toegang tot relevante bronnen kan worden verkregen, kunnen hierdoor een extractieve macht ontwikkelen.

      “First, central actors will be most likely to be situated on unique chains or linkages joining peripheral actors, and they will therefore be able to extract resources from peripheral actors in the form of commissions. Second, central actors in an acces network will be close to most other actors in the system of action” [Marsden 1982:207].

    Op basis van deze vooronderstellingen presenteert hij een mathematische formalisering van het gedrag van makelaars, respectievelijk patroons.

    Het verschil tussen patroons en brokers is uitgewerkt door Boissevain [1974:147 e.v.] Patroons beschikken over hulpbronnen van de eerste orde, d.w.z. over hulpbronnen waarover zij een directe controle uitoefenen, zoals land, geld en kennis. Brokers beschikken over hulpbronnen van de tweede orde, d.w.z. over contacten met personen die hulpbronnen van de eerste orde controleren of in contact staan met zulke personen. Het onderscheid tussen ‘first order resources’ en ‘second order resources’ is zeker niet irrelevant (zie de eerdere uiteenzetting over de ‘kracht van zwakke connecties’) en speelt een belangrijke rol in de specificatie van de aard van de patroon-cliënt relatie. Voor het beperkte doel van mijn analyse laat ik dit onderscheid hier verder buiten beschouwing.

    De als zodanig beperkte —maar daarom zeker niet minder effectieve— beschikkingsmacht over sociale relaties vloeit voort uit de specifieke aard van sociale relaties: sociale relaties zijn nu eenmaal geen fysieke objecten waarover men volledig en naar willekeur kan beschikken, maar principieel relationele verschijnselen. Het gebruik van sociale relaties is echter nog van andere factoren afhankelijk die een grote invloed hebben op de feitelijke inzetbaarheid van deze indirecte bron.

    • Mobiliseerbaarheid
      Als men van sociale relaties gebruik wil maken, moeten zij eerst worden gemobiliseerd. Het kenmerkende van sociale relaties is dat zij sterk zijn ingebed in habitueel verankerde gewoontes, zeden en conventies. Dit kan een barrière vormen om sociale contacten voor strategische doeleinden te mobiliseren, met name wanneer de betreffende patroon geen rekening kan of wil houden met deze weerstanden en hierdoor diepverankerde zeden, loyaliteiten of solidariteiten frustreert.

      De feitelijke inzetbaarheid van sociale relaties is primair afhankelijk van de mate waarin deze kunnen worden gemobiliseerd. Daarbij moet rekening worden gehouden met het verschil tussen zwakke en sterke connecties [Granovetter 1982:113]. Door de mobilisatie van zwakke connecties (kennissen, bekenden en vrienden van vrienden) kunnen mensen toegang krijgen tot informatie en bronnen die niet in de eigen sociale kring kunnen worden gemobiliseerd. Daarentegen zijn sterke connecties (goede vrienden en verwanten) meer gemotiveerd om ondersteunend of nuttig te zijn en kunnen gemakkelijker worden gemobiliseerd (omdat zij directer beschikbaar en toegankelijker zijn).

      Veit Bader geeft een gedetailleerde analyse van de criteria die bepalend zijn voor de mobiliseerbaarheid van bronnen. Zijn samenvattende schets van het gebruik van sociale relaties luidt als volgt:

      “Hoewel sociale relaties niet —of alleen maar in de vorm van rechten— toegeëigend kunnen worden, zijn zij toch als indirecte bron bruikbaar. In gedifferentieerde maatschappijen zijn sociale relaties meestal uiterst specifiek, slecht generaliseerbaar en contextafhankelijk. Hun inzet kost in principe niets, maar zij kunnen door inflatoir gebruik gedevalueerd worden. Al naar gelang de frequentie en aard van de contacten zijn zij relatief snel mobiliseerbaar en liquide. Sociale relaties kunnen in individuele en collectieve strategieën als mobilisatiebronnen gebruikt worden, maar niet als machtsbronnen. Zij kunnen de toegang tot het bekleden van heerschappijposities in organisaties (soms zelfs in die van de tegenstander) openen en daarmee helpen externe bronnen (zoals geld, sympathie- en ondersteuningsverklaringen, informaties) te mobiliseren. Voor externe coalitiekansen en -politiek zijn zij van niet te onderschatten betekenis” [Bader 1991:275].

    • Kosten en houdbaarheid
      Aan het gebruik van sociale relaties zijn meestal geen of slechts lage kosten verbonden. In tegenstelling tot veel andere bronnen worden sociale relaties niet verteerd of gedevalueerd wanneer zij voor bepaalde doeleinden worden ingezet. Het is veeleer omgekeerd: door de inzet van sociale relaties blijven zij juist intact en worden zij niet alleen gereproduceerd, maar vaak ook uitgebreid. Door zeer intensief gebruik te maken van sociale relaties kunnen zij echter ook aan waarde verliezen.

    • Legitimiteit en legaliteit
      De inzet van sociale relaties die in principe wel bruikbaar zijn, kan tenslotte in meer of minder effectieve mate worden geblokkeerd doordat het gebruik van sociale relaties door de betrokkenen als illegitiem wordt ervaren (‘onrechtvaardig’) of wanneer en voor zover dit feitelijk illegaal is (‘onrechtmatig’). De inzet van sociale relaties in patronageverhoudingen kan binnen de geldende rechtsorde illegaal zijn verklaard. Zoals in burgerlijke rechtsstaten het gebruik van geweld wettelijk is voorbehouden aan de executeurs van het legale geweldsmonopolie van de staat, zo is ook het gebruik van sociale relaties als indirecte bron aan wettelijke regels gebonden: “sociale relaties zouden niet gebruikt mogen worden om illegale privileges te verkrijgen” [Bader/ Benschop 1988:169].

      “Zogenaamde ‘vriendjespolitiek’ —het gebruikmaken van je machtspositie om vrienden bepaalde voordelen te verschaffen— komt ook in Nederland voor, maar wordt in het algemeen in moreel opzicht dubieus gevonden. Er zijn echter veel landen —door ons vaak als ‘corrupt’ beschouwd— waar in dit opzicht de normen aanzienlijk losser zijn. Sterker nog, het wordt in tal van plaatsen als vanzelfsprekend geaccepteerd dat je een uitgebreide vrienden- en kennissenkring nodig hebt om allerlei dingen te regelen – zoals het krijgen van een huis of van een baan. Zonder vrienden … kom je daar een-voudig niet ‘aan de bak’” [Buunk 1983:67].
      ‘Begunstiging’ of ‘vriendjespolitiek’ wordt in veel landen niet meer gedekt door de heersende rechtsorde. Het is tot op zekere hoogte illegaal en strafbaar en wordt overwegend opgevat als iets dat moreel niet door de beugel kan — het wordt als illegitiem of als ‘corrupt’ ervaren. Onder deze voorwaarden is het dus tamelijk moeilijk om begunstiging door selectieve associatie en patronage openlijk te legitimeren.

      Zoals bekend heeft dit echter ook in burgerlijke maatschappijen met een enigszins ontwikkelde democratische rechtsstaat en democratische cultuur maffiabazen noch patroons ervan weerhouden om in ruil voor ‘gunsten’ illegale privileges te verkrijgen. Bovendien zijn dit soort praktijken niet alleen bij ‘keurige’ ondernemers en ‘respectabele’ politici schering en inslag, maar spelen zij ook een niet onaanzienlijke rol in de zo ‘serene’ en ‘deftige’ academische wereld.

    Empirische analse van patroon-cliëntrelaties
    Ik heb hiervoor de algemene kenmerken geschetst van het ‘ideale’ model van de patronale structurering van interactionele verhoudingen. Deze abstracte typering van de algemene kenmerken van patroon-cliëntrelaties vormt het uitgangspunt voor empirische analyses de specifieke vormen die patronageverhoudingen in uiteenlopende maatschappelijke en organisationele milieus aannemen.

    Eisenstadt/Ronger [1985:168 e.v.] construeren naast hun algemene model van ‘the clientelistic mode of structuring generalized exchange’ een aantal specifieke modellen in de context waarvan zich patroon-cliëntrelaties ontwikkelen als addenda bij de centrale instituties:

    1. het verwantschapsmodel dat in veel tribale maatschappijen voorkomt,
    2. het ascriptief-hiërarchische model dat in kasten of feodale maatschappijen dominant is, en
    3. verschillende universalistische modellen: het pluralistische model (dominant in democratische regimes), het monolithische model (dominant in totalitaire regimes) en het ‘consociational’ of overlegmodel (dat m.n. wordt aangetroffen in een aantal kleinere Europese landen, zoals Nederland).

    In het ‘officiële’ model van universalistische maatschappijen (met een open markt of sterk ontwikkelde staatsbureaucratieën) wordt verondersteld dat de toegang tot de belangrijkste markten, tot de politieke machtscentra en tot de collectieve goederen en diensten in principe open is voor alle leden van de maatschappij, zonder rekening te houden met hun lidmaatschap van een of andere ascriptieve hiërarchisch gestructureerde subeenheid. Het veronderstelt bovendien dat alle leden mogen participeren in de strijd om de bepaling van de verdelingscriteria en dat specifieke ruilprocessen die zich op open markten voltrekken niet wettelijk worden beperkt door het lidmaatschap van welke ascriptief gedefinieerde groep dan ook. Dit ‘officiële’ model van universalistische samenlevingen is eerder bepalend voor de dominante ideologie en legitimatielegendes dan voor hun werkelijke praktijk. Aan het verwisselen van het ‘officiële’ ideologische model met de feitelijke maatschappelijke verhoudingen die hierdoor tegelijkertijd worden uitgedrukt en verhuld, hebben ook sociale wetenschappers zich lang niet altijd kunnen onttrekken.

    Het sociaal-wetenschappelijke onderzoek naar patronageverhoudingen werd zeer lang bemoeilijkt door het idee dat patroon-cliëntrelaties zijn gedoemd om aan de zelfkant of buitenkant van de burgerlijke maatschappij te blijven staan of zelfs helemaal te verdwijnen als gevolg van de vestiging en verdere ontwikkeling van democratische of autocratische regimes, van de economische ontwikkeling en modernisering, of van de ontwikkeling van het klassenbewustzijn van de onderdrukte en uitgebuite klassen. Door het toenemende besef dat dit ook in hoogontwikkelde of moderne burgerlijke maatschappijen niet —en zeker niet noodzakelijk— het geval is, heeft zich daarover inmiddels ook voor deze maatschappijformatie een uitgebreide sociologische en antropologische onderzoekstraditie ontwikkeld. Deze literatuur werd in kaart gebracht door Roniger [1981:297-330] en Eisenstadt/Ronger [1982:3,302-4].

  2. Duurzaamheid van controle: reproductie en stabilisatie
    Hoe wordt de ongelijke verdeling van sociale relaties gereproduceerd en gestabiliseerd? Zoals eerder opgemerkt, is de ongelijke verdeling van sociale relaties inherent aan maatschappijen met structurele ongelijkheden. De relatie tussen relatieve rijkdom en armoede in sociale relaties is in de eerste plaats een fenomeen dat zich in en door de reproductie van andere maatschappelijke splitsingslijnen continueert en bestendigt. Daar komt bij dat het relationele bronnenpotentieel van individuen en groepen, klassen en klassenfracties tot op zekere hoogte feitelijk telkens generationeel wordt overgedragen. Als men de kapitaalmetafoor en de term ‘bezitters’ met een korreltje zout neemt, heeft Bourdieu [1989:135] er terecht op gewezen dat “de bezitters van overgeërfd sociaal kapitaal dat wordt gesymboliseerd door een grote naam, in staat [zijn] om alle gelegenheidscontacten om te zetten in duurzame relaties”.

2·3·4 Clientèle-uitbuiting als grondslag van klassenposities
De laatste en meest cruciale vraag is of en onder welke voorwaarden clientèle-uitbuiting niet alleen kan leiden tot structurele uitbuitingsposities, maar ook tevens een grondslag is voor het ontstaan van uitgekristalliseerde en als zodanig identificeerbare klassenposities. Net zo als bij de eerdere analyses van de credentie- en organisationele uitbuiting kan deze vraag ook hier in drie deelvragen worden opgesplitst.

Ten eerste de vraag of de ongelijke ruilverhouding tussen patroons en hun cliënten een structurele en substantiële vorm van uitbuiting kan impliceren. Ten tweede de vraag in welke mate de door patroons toegeëigende meerarbeid geaccumuleerd en/of gekapitaliseerd kan worden. En ten slotte de vraag of de uitbuitingsposities die in patronageverhoudingen worden ingenomen zodanig kunnen worden verduurzaamd dat hieruit eigensoortige klassenposities kunnen ontstaan. Ik kan op deze vragen slechts het begin van een antwoord geven en wil alleen maar duidelijk maken dat dergelijke vragen in een gedesaggregeerde benadering van de klassenstructuur niet uit de weg moeten worden gegaan.

  1. Verduurzamen van toeëgening van patronage-rente
    Beschikkingsmacht over sociale relaties in patronageverhoudingen constitueert slechts uitbuitingsposities wanneer en voor zover door het strategisch gebruik van deze exclusieve relaties een effectieve claim op een substantieel aandeel in de meerarbeid van de clientèle kan worden gelegd en wanneer deze claim duurzaam kan worden gehandhaafd.

    Wanneer deze claim slechts incidenteel en marginaal is, kan dit er hoogstens toe leiden dat de betreffende patroons zich een aantal bescheiden privileges toeëigenen zodat hun materiële levensstandaard niet essentieel hoger is dan die van hun cliënten. Substantieel en duurzaam wordt uitbuiting via de ruilverhouding tussen patroons en clientèle meestal pas wanneer het gebruik van de indirecte bron sociale relaties wordt gecombineerd met de beschikkingsmacht over andere bronnen, met name over fysiek geweld.

    Het gebruik van de door patroons beheerste sociale relaties kan, vooral wanneer dit wordt gecombineerd met potentiële fysieke dwang, tot structurele en duurzame uitbuitingsposities leiden waarin de patroons de meerarbeid van hun afhankelijke cliënten toeëigenen. Door hun superieure positie in de relaties waarin ‘gunsten’ tegen ‘diensten’ worden geruild en door hun dominantie in de persoonlijke en informele sociale relaties met hun cliënten zijn patroons in staat zich op kosten van deze cliënten te verrijken.

    Maffia
    De geschiedenis en actualiteit van de diverse maffia’s laat zien hoezeer de gecombineerde inzet van sociale relaties en –dreiging met– fysiek geweld geschikt is om uitbuitings- en afpersings-praktijken te realiseren. Een groot deel van het inkomen van de maffia werd en wordt nog steeds vergaard uit afpersing en het innen van schulden bij wanbetalers. De favoriete wijze van afpersing is het aanbieden of beter opleggen van ‘bescherming’ aan kleine winkeliers, café - en restaurant-houders en vaak ook aan middelgrote en grote ondernemingen. Dit gebeurt onder het sinds Once upon a time in America bekende motto: “I made him an offer he can’t refuse.”

    Naast deze vorm van georganiseerde afpersing ontleent de maffia haar gigantische jaaromzet overwegend aan de illegale sectoren, waar rechteloosheid de enige vanzelfsprekende regel lijkt te zijn. Behalve de klassieke sectoren van de prostitutie, het gokwezen, de woeker, de porno en de wapenhandel concentreren deze illegale exploitatieprocessen zich tegenwoordig steeds meer op de uiterst lucratieve drugshandel.

    Ten slotte wordt in de mate dat de maffia de officiële staatsinstellingen heeft gepenetreerd tegenwoordig soms nog meer verdiend met de aanbesteding op openbare werken. De praktijken van de Siciliaanse maffia en de Napolitaanse camorra staan hiervoor model. De Italiaanse maffia is inmiddels daadwerkelijk een lichaam dat is uitgegroeid tot een octopus (piovra) die met al z’n tentakels in het raderwerk van de officiële maatschappij vastzit.

    De werkelijke omvang van de inkomsten en vermogens van de maffia is natuurlijk zeer moeilijk te achterhalen. Van de Italiaanse maffia wordt beweerd dat deze een omzet heeft die groter is dan die van de multinationals Philips, General Motors en Mitshubishi bij elkaar [Van Royen 1991:81]. Volgens de meest voorzichtige officiële schatting bedroeg de gezamenlijke jaaromzet van de syndicaten en bendes van de Japanse yakuza in het begin van de jaren negentig zo’n twintig miljard gulden [Henk Thomas, Volkskrant 29.2.1992]. En dit ondanks het feit dat deze ‘respectabel’ genoemde maffia-organisatie met de Japanse overheid is overeengekomen dat zij zich niet inlaat met de heroïnehandel. De keerzijde hiervan is dat Japan een van de laagste officiële misdaadcijfers ter wereld kent, omdat de yakuza feitelijk fungeert als een uiterst doortastende alternatieve politiemacht. Kleine ongeorganiseerde criminelen hebben in Japan meer te vrezen van de rust en orde politiek van de maffia dan van de politie. De specifieke kenmerken van de patronageverhoudingen in Japan werden geanalyseerd door Ihe [1957] en Eisenstadt/Ronger [1985:145 e.v., 174 e.v.].

    Ondanks alle uitbuitings- en onderdrukkingspraktijken laten maffialeiders zich evenals alle patroons graag portretteren als nobele verdedigers van de gewone man tegen uitbuiters. In talloze films werd deze tamelijk doorzichtige legitimatielegende zodanig gecultiveerd dat men bijna geen verschil meer kan ontwaren tussen maffialeiders en Robin Hood. Het essentiële verschil met Robin Hood —die “de kwintessens van de bandietenlegende” [Hobsbawm 1973:143] vormt— is echter dat maffialeiders nooit geld onder de armen en machtelozen verdelen, integendeel. In de retoriek van patronage worden de feitelijk verleende gunsten in de regel sterk overdreven [zie Silverman 1977 over ‘patronage als mythe’].

    Achter dergelijke beelden schuilt overigens wel een verre historische verwantschap tussen de maffia en de oudere ‘primitieve’ of ‘archaïsche’ vormen van sociaal protest, zoals het sociale banditisme. De maffia zou men in zeker opzicht als een meer complexe ontwikkelingsvorm van sociaal banditisme kunnen typeren. Het oudere sociale banditisme was een vorm van endemisch boerenprotest of boerenrebellie tegen onderdrukking en armoede; het bestond uit een serie individuele revoltes waarin men zich trachtte te wreken op de rijken en onderdrukkers (en met name ook op de staat) en individueel onrecht trachtte te redresseren.

    De maffia is niet alleen een meer permanent fenomeen, maar ook veel machtiger dan het sociale banditisme omdat het een geïnstitutionaliseerd stelsel van wetten heeft ontwikkeld buiten de officiële wet. In een aantal gevallen heeft dit geleid tot een compleet politioneel, juridisch en politiek systeem dat parallel loopt met dat van de officiële heersers. De maffia van tegenwoordig is voornamelijk “the instrument of the men of power or of aspirations to power” [Hobsbawm 1959:6] en is dus in geen enkel opzicht meer een sociale protestbeweging.

    De enorme stabiliteit van patronagestelsels vloeit enerzijds voort uit het feit dat patronage een cruciaal element is in de sociale controlestrategie van economische uitbuiters en politieke heersers [Bader 1991:IX, § 3·1]. Anderzijds vloeit deze stabiliteit voort uit het feit dat patronageverhoudingen tegelijkertijd fungeren als wissels of sporen in individuele overlevings-, carrière-, mobiliteits- en verzetsstrategieën van de beheerste cliëntèle [Bader/Benschop 1988:150]. In de mate dat patroons een effectieve controle hebben over de toegang tot materiële arbeidsvoorwaarden, tot geïnstitutionaliseerde goederen- en arbeidsmarkten, tot de verdeling van openbare goederen en diensten en tot de politieke machtscentra van de officiële maatschappij bedienen de patroons ook de hefbomen waarmee de individuele carrières van hun afhankelijke (potentiële) cliënten worden gemaakt en gebroken.

      “De camorra zaait terreur. Maar de camorra biedt ook mogelijkheden. Voor veel jongeren is de camorra de enige carrière die er hun nog overblijft. Andere mogelijkheden zijn er niet” zegt inspecteur Ditello uit Napels [geciteerd uit: Van Royen 1991:111].

    De labiliteit van patronagestelsels vloeit voort uit het feit dat begunstiging op meer dan gespannen voet staat met democratische rechtsordes en binnen democratische culturen niet openlijk kan worden gelegitimeerd. Daar staat tegenover dat illegaliteit of semi-legaliteit en een zorgvuldig gekoesterde geheimhouding of semi-openbaarheid het levenselixer zijn van alle clientèle-uitbuitingsverhoudingen.

    De code van de maffiose zwijgplicht (omertà) is een uiterst krachtig instrument om illegale afpersings- en begunstigingspraktijken te verhullen. In het algemeen geldt echter voor alle patronale begunstigingspraktijken dat zij zich in burgerlijke maatschappijen met een formeel democratische rechtsorde en een moreel verankerde democratische cultuur alleen maar kunnen reproduceren wanneer zij systematisch worden verzwegen en zorgvuldig worden verhuld.

    Er zijn twee belangrijke ‘countervailing forces’ van patroon-cliëntrelaties. Ten eerste de mobilisatie van de rechten van cliënten tegen het machtscentrum en ten tweede de pogingen van de meer centrale elites of personen in machtsposities buiten de directe cliëntelistische situatie. Door deze sociale krachten kunnen de monopolies van de patroons worden ondermijnd en kan een weerstand worden opgebouwd tegen pogingen van patroons om de toegang tot markten te controleren en de bronnenstroom en conversie van bronnen in de maatschappij te reguleren.

      Deze tegenwerkende krachten van patroon-cliëntrelaties worden uitvoeriger besproken door Eisenstadt/Ronger [1985:185 e.v.]. Zij vertrekken vanuit het algemene inzicht dat er een spanning bestaat tussen de potentieel brede, soms zelfs latent universalistische of semi-universalistische premissen en de daarmee gepaard gaande ‘free flow of resources’ en relatief vrije markten enerzijds en de permanente poging om deze vrije stroom te beperken anderzijds. De crux van het patronagestelsel is de combinatie van potentiële openheid tot de markten met de continue, semi-geïnstitutionaliseerde pogingen om deze vrije toegang te beperken [idem:168].

    Het verschil tussen clientèle-exploitatie en de ‘normale’ burgerlijke uitbuitingsvormen is dat deze laatsten legaal zijn en ook op de meest uiteenlopende manier openlijk worden gelegitimeerd. Om mogelijke misverstanden te voorkomen moet hier echter onmiddellijk aan worden toegevoegd: het verschil tussen legale kapitalistische uitbuiting en illegale uitbuitings- en afpersingspraktijken is niet dat alleen deze laatsten illegitiem of onrechtvaardig zijn — uitbuiting kan principieel niet, althans niet democratisch worden gelegitimeerd [→ hoofdstuk XVI, § 4·2·5].

  2. Kapitaliseren en legaliseren van patronage-rentes
    Door hun strategische posities in de netwerken van exploitatieve sociale relaties zijn patroons niet alleen zeer goed in staat de toegeëigende meerarbeid te accumuleren, maar ook om hun illegaal of semi-legaal verworven rendementen (‘patronage-rentes’) te kapitaliseren. Zij organiseren en controleren daarvoor diverse, uiterst verfijnde en moeilijk te traceren kanalen om patronagerentes te converteren in legale eigendomstitels. Het ‘witwassen van zwart geld’ is inmiddels zo sterk geprofessionaliseerd dat de grote patroons zich omringen met een serie bank- en computerspecialisten die hieraan een volledige dagtaak hebben.

    Hierdoor zijn de patroons enerzijds in staat hun illegaal verworven rijkdom te legaliseren. Anderzijds heeft dit niet alleen geleid tot een zekere ‘verburgerlijking van de patroons’, maar ook tot een volledige transformatie van patroons in min of meer ‘normale’ kapitalistische ondernemers.

    Zo’n ‘bekering’ tot de legaliteit van de kapitalistische uitbuiting hoeft uiteraard niet volledig te zijn. Zoals uit de maffiapraktijken bekend is, blijft deze transformatie vaak steken in een overigens uiterst lucratieve combinatie van kapitalistische en patronale uitbuitingsvormen. Dergelijke mengvormen leveren voor de empirische analyse van de klassenverhoudingen aanzienlijke problemen op. Alleen als patroons zich volledig transformeren in kapitalistische ondernemers, vereist de analyse van hun klassenpositie geen aparte —van de kapitalistische klassenpositie onderscheiden— inspanningen meer.

    Oude en nieuwe maffioso
    De moderne ‘onderwereld’ is inmiddels uitgegroeid tot een efficiënte ondernemersmaffia; een maffia met ‘schone’ legale ondernemingen, met eigen hotels en vakantieoorden, met eigen banken, krediet- en verzekeringsinstellingen enzovoort. Zo behoren de Italiaanse maffia en de camorra tegenwoordig tot de machtigste ondernemersgroepen ter wereld die hun eigen territoria uiterst brutaal en als het erop aankomt met grof geweld beheren. Daarmee lijkt ook het oude type van de maffioso langzamerhand te verdwijnen.

    Godfather De oude maffioso was een ‘man van eer’, een ‘peetvader’ aan wie iedereen om bescherming, raad of een gunst kon vragen, die zorgde voor sociale rust en die recht sprak in geschillen over zakelijke of persoonlijke aangelegenheden, aan wie men belasting betaalde om te voorkomen dat de eigen bezittingen (winkel, bedrijf, woonhuis) of het eigen leven zouden worden vernietigd.

    Het nieuwe type maffioso is de grote ondernemer die leiding geeft aan een uitgebreide en efficiënte organisatie; de oude moraal van ‘eerbaarheid’ en ‘mannelijkheid’ is vervangen door moderne waarden van geld, winst en efficiency. De maffia-ondernemer is specialist in de ‘grijze zone’ waar enorme geldsommen circuleren die illegaal verworven zijn, maar er uiteindelijk ‘schoongewassen’ uitkomen.

    Een groot deel van zwarte of vuile kapitalen die in de illegale drugs- of wapenhandel worden verworven, worden via ‘nette’ banken en financieringsmaatschappijen naar de officiële markt getransfereerd of rechtstreeks gebruikt om bijvoorbeeld de overheidstekorten te financieren [Van Royen 1991:97].

    De samensmelting van ‘onderwereld’ en ‘bovenwereld’ komt waarschijnlijk nergens zo duidelijk tot uiting als in het financiële circuit: de infiltratie in de nationale en internationale financiële wereld is volgens de meeste deskundigen op het gebied van de economie van de maffia in een zeer vergevorderd stadium.

    De Italiaanse socioloog Pino Arlacchi, specialist op het gebied van de georganiseerde misdaad, vat deze processen scherp samen:

      “Het gaat de maffia om investeringen. Investeringen van schoon, legaal kapitaal, in de bouw, onroerend goed, de beurs. Als je bedenkt dat in Italië duizenden lokale politici, burgemeesters en wethouders betrokken zijn bij het verlenen van diensten aan de maffia. Dat betekent dat de maffia een rechtstreekse aantasting vormt van de democratie. … De maffia richt zich allang niet meer op criminele activiteiten maar op de vorming van grote internationale netwerken, die op alle niveaus zijn verweven met het gewone zakenleven” [geciteerd uit: NRC 3.3.1992].

  3. Potentiële en actuele klassenposities
    De posities die in patronale uitbuitingsrelaties worden ingenomen, zijn slechts potentiële klassenposities. Van afgebakende actuele klassenposities is pas sprake wanneer men in staat is de subjecten die deze uitbuitingsposities innemen duidelijk te identificeren. Men moet dus kunnen identificeren wie in exploitatieve patronageverhoudingen de feitelijke uitbuiters en wie de uitgebuitenen zijn.

    De uitgebuitenen zijn in principe altijd de van patroons afhankelijke cliënten. Maar deze cliënten worden zeker niet allemaal in dezelfde mate, met dezelfde frequentie en in dezelfde duurzaamheid uitgebuit. Bovendien staan de cliënten van de patroons zeer vaak ook nog in andere uitbuitingsverhoudingen die veel doorslaggevender kunnen zijn voor de bepaling van hun klassenpositie. Wanneer dit het geval is, zou men de klassenpositie van deze cliënten primair moeten bepalen naar de uitbuitingspositie die voor hen structureel dominant is [→ hoofdstuk X, § 2], onder erkenning van het feit dat deze categorie actoren in meervoudige uitbuitingsrelaties is gesitueerd [→ hoofstuk X, § 4·4 - Enkelvoudige en meervoudige klassenposities].

    Door het sterk persoonlijke karakter van de afhankelijkheidsrelatie tussen patroons en hun clientèle is het in het algemeen niet moeilijk om te bepalen wie de uitbuiters zijn.

    • In z’n elementaire vorm blijft bij patronageverhoudingen het totale arsenaal aan bruikbare sociale relaties geconcentreerd in handen van één patroon of van een zeer klein aantal personen (meestal verwanten of aanverwanten) en kan hij of kunnen zij de volledige buit incasseren.

    • Bij meer ontwikkelde vormen en met name bij zeer grote patroons wordt dit ingewikkelder omdat in dat geval rekening moet worden gehouden met de interne structuur van de betreffende organisaties en met name met de wijze waarop de door de syndicaten of georganiseerde bendes toegeëigende meerarbeid onderling wordt verdeeld. De onderdanen van de patroons —hun chauffeurs en lijfwachten, hun geldophalers, couriers en informanten, hun kantoorpersoneel en technische specialisten, hun adviseurs, handlangers en zetbazen— profiteren zeker niet in dezelfde mate van deze exploitatie.

    Alleen in het eerste geval is het dus direct duidelijk wie in de patronageverhoudingen de uitbuitende klassenpositie innemen. In het tweede geval moeten hiervoor zowel de machtsverhoudingen binnen de syndicaten en de georganiseerde bendes worden onderzocht (de mate en vormen van interne delegatie) als de interne verdelingsverhoudingen (de mate en vormen van ‘spreiding van inkomen’).

Index3. Interactionele uitbuiting en klassenpositie

Op het laagste niveau van handelingsintegratie kunnen klassenverhoudingen worden gespecificeerd in termen van structurele posities in interactienetwerken die gekenmerkt worden door exploiterende relaties tussen patroons en hun clientèle. Het interactionele niveau van handelingsintegratie is het minst omvattende systeem van alle klassenspecifieke handelingen en communicaties die zich in directe fysieke of gemediatiseerde aanwezigheid of nabijheid van de actoren voltrekken.

Zoals eerder gezegd worden de netwerken van sociale relaties die op dit integratieniveau tot stand komen wel door maatschappelijke klassenverhoudingen en organisationele verhoudingen gestructureerd, maar hierdoor niet volledig vastgelegd of gedetermineerd. Daarom kunnen exclusieve posities in interactienetwerken niet volledig worden gereduceerd tot klassenposities die op maatschappelijk of organisationeel niveau worden geconstitueerd. Omgekeerd betekent dit dat zij van daaruit ook niet volledig kunnen worden verklaard. Kortom: ongelijke posities in netwerken van sociale relaties zijn wel klassenmatig voorgestructureerd, maar zijn als zodanig nog geen klassenposities.

Net zo als bij de geïnstitutionaliseerde onderdrukking in arbeidsorganisaties kan discriminatie in persoonlijke interacties onder bepaalde voorwaarden leiden tot (of bijdragen aan) uitbuitingsrelaties. We hebben gezien dat dit met name het geval is wanneer deze netwerken de specifieke vorm aannemen van patroon-cliëntrelaties en meer in het bijzonder

  1. wanneer er een verband bestaat tussen enerzijds de posities die potentiële patroons en cliënten innemen in de semi-ascriptieve deelgemeenschappen of subsectoren van de maatschappij en anderzijds de controle op de toegang tot de machtscentra, tot de arbeidsorganisaties en de belangrijke institutionele markten en op de verdeling van collectieve goederen en diensten, en
  2. wanneer er een verband bestaat tussen de toegang tot markten en machtscentra en het gebruik en de convertering van potentieel vrije bronnen op deze markten [Eisenstadt/Ronger 1985:68].
Wanneer en voor zover geïnstitutionaliseerde exclusieve posities in interactienetwerken leiden tot structurele uitbuiting kunnen deze dus als potentiële klassenposities worden behandeld. Dit is de —al eerder geformuleerde— reden de definitie van klassenposities niet uitsluitend tot het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie te beperken.

Index4. Klassen en prestigeverhoudingen: ascriptieve uitbuiting

4·1 Ascriptieve sluiting en ascriptieve uitbuiting
Geïnstitutionaliseerd sociaal prestige is per definitie ongelijk verdeeld. Sociaal prestige is het resultaat van een specifieke hiërarchiserende waardering van directe en indirecte bronnen, maar ook en vooral van ascriptieve eigenschappen zoals afstamming, geslacht, leeftijd, huidskleur, het behoren tot een lokale, regionale, nationale, religieuze of taalgemeenschap. Evenals sociale relaties is ook positief sociaal prestige een belangrijke indirecte bron.

Superieure posities in geïnstitutionaliseerde prestigeverhoudingen vormen de grondslag voor het ontstaan van specifieke handelingscollectieven: prestige- of statusgroepen. Collectieve discriminatie van groepen met een negatief sociaal prestige kan gemakkelijk leiden tot het ontstaan van uitbuitingsrelaties, niet alleen in arbeidsprocessen (directe uitbuiting), maar ook door ongelijke ruil op markten (indirecte uitbuiting). Wanneer en voor zover superieure posities in geïnstitutionaliseerde prestigeverhoudingen leiden tot structurele uitbuiting, dan kunnen deze als uitbuitingsposities worden behandeld en als potentiële klassenposities geanalyseerd.

Collectief gediscrimineerde groepen kunnen op verschillende manieren worden uitgebuit. Zij kunnen direct worden uitgebuit in arbeidsprocessen en indirect via ongelijke ruil. Deze beide vormen van ascriptieve uitbuiting zou men duidelijk moeten onderscheiden van het feit dat collectieve discriminatie ook en met name een belangrijke rol speelt in de wijze waarop personen voor uitbuitingsposities worden gerekruteerd.

Acriptieve uitsluiting heeft echter als zodanig niets te maken met de structurering van uitbuitings- en klassenposities, maar met de personele invulling of bezetting van klassenposities die door uitbuitingsrelaties worden gekenmerkt [in hoofdstuk X, § 5 kom ik hierop nog terug bij de analyse van gemedieerde klassenposities]. Door een combinatie van etnisch-raciale en nationalistische vooroordelen en discriminaties kan bijvoorbeeld voor allochtonen de toegang tót de arbeidsmarkt worden geblokkeerd en kunnen de kansen óp deze markten drastisch worden verkleind. Dergelijke racistische en/of neo-nationalistische uitsluitingspraktijken bieden weliswaar in werkelijkheid aanknopingspunten voor specifiek racistische uitbuitingspraktijken (zoals extreme onderbetaling, miserabele sociale zekerheid), maar zouden daarvan toch moeten worden onderscheiden juist omdat zij relatief onafhankelijk van elkaar kunnen variëren.

In de vorige paragrafen werden klassenposities afgebakend door ongelijke beschikkingsmacht over directe en indirecte bronnen in combinatie met bepaalde mechanismen van uitbuiting. Tegelijkertijd werd benadrukt dat het van belang is klassenposities (als vorm van positionele ongelijkheid) analytisch scherp te scheiden van ascriptieve groeperingen (als vorm van allocatieve ongelijkheid) die ontstaan door mechanismen van selectieve rekrutering van individuen op ongelijk beloonde en gewaardeerde posities.

Toch is het juist met deze benadering niet mogelijk om een simpele grens te trekken tussen (economisch bepaalde) klassenposities en gediscrimineerde groepen. De reden daarvan is dat onder bepaalde voorwaarden bijvoorbeeld ook seksisme (‘mannenheerschappij’) en racisme (‘racistische heerschappij’) niet alleen kunnen leiden tot onderdrukkingsposities, maar ook tot uitbuitingsposities. In principe kunnen deze en andere vormen van collectieve discriminatie dus niet alleen leiden tot allocatieve ongelijkheden, maar ook tot klassenposities [Bader/Benschop 1988:215,361].

Wanneer dit het geval is, zijn deze vormen van collectieve discriminatie meer dan rekruterings- of sluitingsfenomenen. Dit is een doorslaggevend argument om het eerder in hoofdstuk VIII, § 3 geïntroduceerde onderscheid tussen discriminatie, onderdrukking en uitbuiting zo duidelijk mogelijk te profileren.

Index


4·2 Seksistische discriminatie, onderdrukking en uitbuiting
Ik beperk me hier tot een korte analyse van het onderscheid tussen seksistische discriminatie, onderdrukking en uitbuiting van vrouwen.

a. Seksistische discriminatie
Seksistische discriminatie heeft betrekking op structureel ongelijke behandeling in persoonlijke relaties en in geïnstitutionaliseerde prestigehiërarchieën. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen persoonlijke en collectieve vormen van discriminatie.

Van persoonlijke discriminatie is sprake wanneer vrouwen in directe menselijke interacties ongelijk worden behandeld, respectievelijk worden achtergesteld (gevolg: uitsluiting of beperking van hun sociale relatiekansen). Van collectieve discriminatie is sprake wanneer vrouwen aan de dominante —in seksistische zeden en gewoontes, conventies en rechten geïnstitutionaliseerde— prestigehiërarchieën geen gelijke kansen op sociale erkenning kunnen ontlenen en dat hen op grond daarvan de gelijke rechten die noodzakelijk zin voor menselijke ontplooiing worden ontzegd.

Persoonlijke en collectieve discriminatie van vrouwen vormen samen de grondslag voor een specifiek seksistische vorm van sociale sluiting; zij stellen mannen —individueel, groepsgewijs of collectief— in staat om positief geprivilegieerde posities in meer of minder vergaande mate te monopoliseren en vrouwen —individueel, groepsgewijs of collectief— daarvan meer of minder volledig uit te sluiten [→ hoofdstuk VIII,§ 3 voor een korte afbakening van ‘sociale sluiting’. Zie uitvoeriger: Benschop 1987/2017: § 2].

Wanneer en voor zover vrouwen in de geïnstitutionaliseerde prestigehiërarchieën een dominant negatieve status hebben, kunnen zij door mannen op effectieve wijze worden uitgesloten van de meest uiteenlopende levenskansen: toegang tot en succeskansen binnen onderwijs, toegang tot en mobiliteitskansen binnen arbeidsmarkten, toegang tot en promotiekansen binnen arbeidsorganisaties, toegang tot en carrièrekansen binnen politieke organisaties enzovoort.

b. Seksistische onderdrukking
Seksistische onderdrukking heeft betrekking op feitelijke mannenheerschappij en onderschikking van vrouwen als gevolg van het dreigen met of toepassen van fysiek geweld en op ongelijke posities in formele en informele organisaties, instituties en staten.

Onderdrukking van vrouwen in nationale staten leidt ertoe dat zij als staatsburgers niet over dezelfde rechten kunnen beschikken als mannen (zoals bij kiesrecht dat exclusief aan mannen is voorbehouden); onderdrukking van vrouwen in arbeidsorganisaties leidt ertoe dat zij niet als gelijkwaardige organisatieleden behandeld worden (zoals bij ongewenste seksuele intimiteiten); onderdrukking van vrouwen in patriarchale gezinnen leidt ertoe dat zij daarin niet dezelfde rechten en plichten hebben als mannen (zoals bij vrouwenmishandeling door hun ‘liefhebbende’ echtgenoten).

c. Seksistische uitbuiting
Seksistische uitbuiting (‘sexploitatie’) heeft betrekking op directe toeëigening van meerarbeid van vrouwen in patriarchale huishoudens of op indirecte uitbuiting van vrouwen via ongelijke ruil.

Het eerste type ascriptieve uitbuiting is een vorm van directe uitbuiting. In antropologische studies over de ‘verwantschappelijke productiewijze’ werd deze uitbuitingsvorm tot nu toe het meest uitvoerig geanalyseerd. Kenmerkend voor de verwantschappelijke productie- of arbeidswijze is dat daarin de essentiële arbeids- en toeëigeningsverhoudingen overwegend of gedeeltelijk zijn geïnstitutionaliseerd in verwantschapsrelaties. De exploitatiepraktijken binnen de huishoudelijke arbeidswijze zijn eerder geanalyseerd in hoofdstuk VI, § 4.

Het tweede type ascriptieve uitbuiting is een vorm van indirecte exploitatie via ongelijke ruilverhoudingen, die verankerd is in (ongelijke posities in) geïnstitutionaliseerde sociale prestigeverhoudingen. Dit uitbuitingstype is zeker geen vorm van “non-asset exploitation” (zoals Wright 1985:96 beweert). Het is een vorm van indirecte uitbuiting op basis van de beschikkingsmacht over een specifieke indirecte bron: (geïnstitutionaliseerd) prestige. Deze tweede vorm van sexploitatie komt overwegend tot uiting in het feit dat vrouwen voor gelijke arbeid lager worden beloond dan mannen.

De stelling dat sekse als een klasse (‘sex as class’) kan worden behandeld, heeft in het verleden wel een aantal pittige discussies uitgelokt, maar niet of nauwelijks tot nieuwe inzichten geleid. Er zijn tegenwoordig weinig klassenanalytici die deze stelling voor hun rekening willen nemen.

Sex as Class - Klassenreductionisme op zijn kop
In de radikaal-feministische traditie werden vrouwenonderdrukking en seksedeling niet alleen opgevat als ‘primaire onderdrukking’, maar ook als het model voor alle andere ‘onderdrukkingsvormen’ zoals klasse- en raciale onderdrukking. Voor Shulamith Firestone [1979] was de deling tussen de seksen de primordiale of prototypische vorm van alle klassedelingen. In deze visie wordt het ‘historisch materialisme’ geherdefinieerd als de ‘dialectiek van de seksen’. De geschiedenis van alle maatschappijformaties wordt beschreven in termen van een strijd tussen twee biologisch onderscheiden klassen. De uiteindelijke oorzaak en grote bewegende kracht van alle historische gebeurtenissen ligt in de ‘dialectiek van de sekse=klassenstrijd’.

Tot welke historisch ongeïnformeerde en extreem reductionistische ‘geschiedenissen’ dit kan leiden, hebben Baalen/Elsschots [1980] gedemonstreerd. De inmiddels bekende en uitvoerig bekritiseerde vooronderstellingen van deze benaderingen zijn:

  1. Het patriarchaat (opgevat als wet van de man, niet van de vader!) wordt verheven tot een universele en allesdoordringende primaire machts- en onderdrukkingsverhouding.
  2. De primitieve klassenreductionistische opvatting waarin klasse als universele verklaringssleutel voor alles en nog wat wordt gebruikt, wordt eenvoudig vervangen door een minstens even reductionistisch model van seksuele onderdrukking.
  3. Het uitbuitingsbegrip wordt zodanig opgerekt dat de onderdrukking van vrouwen volledig kan worden verklaard uit de vermeende toeëigening van meerarbeid of meerwaarde van vrouwen door mannen. Huishoudelijke arbeid wordt verklaard door een rechtstreekse toepassing van het kapitalistische uitbuitingsmodel. Het uitbuitingsbegrip smelt volledig samen met de al even vage notie van ‘onderdrukking’ en verliest hierdoor elke analytische scherpte.
  4. Het uiteindelijke resultaat van deze overgepolitiseerde begripsvorming is dat vrouwen als een aparte, van mannen onderscheiden klasse worden opgevat. Het product van deze radicale ‘feminisering van de marxistische klassentheorie’ is eigenlijk niet veel meer dan een heruitgave van het meest dogmatische ‘vulgair-marxisme’ met andere (nl. seksespecifieke) bijvoeglijke naamwoorden.

Volgens Chistine Delphy [1984] kunnen de gezagsrelaties binnen huishoudens wel degelijk als een klassenverhouding worden opgevat. Haar argumentatie voor deze ‘class as sex’ these kan in drie punten worden samengevat.

  1. In kapitalistische maatschappijen wordt de ‘domestic mode of production’ systematisch gestructureerd door seksespecifieke heerschappij- en onderschikkingsverhoudingen.
  2. Binnen deze huishoudelijke productiewijze bezet de huishoudelijke arbeider (de huisvrouw) de uitgebuite en gedomineerde klassenpositie ten opzichte van de niet-werker (het mannelijke ‘hoofd van de huishouding’).
  3. De klassenpositie van de huisvrouw is geen afgeleide van de klassenpositie van haar echtgenoot. Een echtgenote van een lid van de arbeidersklasse behoort dus niet tot de arbeidersklasse, maar tot een daarvan onderscheiden ‘huishoudelijke arbeidersklasse’ (en iets genuanceerder in Delphy/Leonard 1992).
Over de eerste twee punten heb ik al behandeld in hoofdstuk VI, § 5 - Huishoudelijke arbeidswijze, het laatste punt wordt behandeld in hoofdstuk X, § 5 - Huishouden als eenheid van klassenanalyse.

Hoe groot de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen ook mogen zijn of waren, zij structureren als zodanig nog geen afgebakende klassenposities. Zie in plaats van velen: West [1978:226 e.v.].

In onderscheid van de sex as class benadering zal ik hier een paar elementaire hypothesen formuleren waarmee de betekenis van sexploitatie vanuit een transformationeel klassenanalytisch perspectief kan worden onderzocht.

De eerste hypothese is dat sexploitatie een mechanisme van uitbuiting van vrouwen door mannen is, dat gebaseerd is op het dominant positieve sociale prestige van mannen. De tweede hypothese luidt dat het gebruik van dit positieve sociale prestige door mannen kan leiden tot een effectieve claim op de meerarbeid van vrouwen. De derde en laatste hypothese is dat wanneer deze sexploitatie substantieel en duurzaam is hierdoor niet alleen structurele uitbuitingsposities, maar ook potentiële klassenposities worden gegenereerd.

Om deze hypothesen verder te onderbouwen zouden dezelfde soorten lastige vragen gesteld moeten worden die ik eerder bij de organisationele, credentiële en patronale uitbuitingsvormen aan de orde heb gesteld. Niet omwille van het belang van dit onderwerp, maar om herhalingen te voorkomen, beperk ik mij tot een enkele opmerkingen over de vraag naar de grondslagen van sexploitatie.

Net alle andere uitbuitingsvormen is sexploitatie verankerd in de effectieve beschikkingsmacht over bepaalde typen bronnen. Sexploitatie is in de regel niet gebaseerd op de controle over één typische bron of bronsoort, maar meestal op een specifieke combinatie van superieure geweldmiddelen en fysieke kracht, strategische materiële arbeidsvoorwaarden, sociaal prestige en geïnstutitionaliseerde rechten. Van al deze bronnen is de beschikkingsmacht over positief sociaal prestige door mannen een van de meest typische grondslagen van sexploitatie (naast de verschillen in louter fysieke kracht, die in de seksistische ideologieën natuurlijk sterk worden overtrokken). Voor alle duidelijkheid: met ‘typisch’ bedoel ik niet dat deze bron altijd het meest doorslaggevend is.

In ieder geval is sexploitatie mede verankerd in de beschikkingsmacht over positief sociaal prestige door mannen. Dit is alleen een zinloze uitspraak wanneer men van mening is (a) dat uitbuiting alleen gebaseerd kan zijn op beschikkingsmacht over directe of productieve bronnen, of (b) dat geïnstitutionaliseerd prestige geen machtsbron is en daarom ook nooit als indirecte bron kan fungeren, of dat men er niet effectief over kan beschikken. Men kan echter niet aan deze —door Wright en vele andere marxisten gekoesterde— opvattingen voorbijgaan zonder te preciseren wat men onder sociaal prestige verstaat en in welke zin mannen effectief over het sociale prestige kunnen beschikken dat in seksistische maatschappijen dominant positief is.

Het sociale prestige van mannen is in seksistische maatschappijen het gevolg van een specifieke hiërarchiserende waardering van eigenschappen en kenmerken die aan vrouwen en mannen worden toegeschreven. Aan deze hiërarchiserend-vergelijkende waardering liggen zeer specifieke behoeften en motieven ten grondslag. In tegenstelling tot alle andere behoeften staat de prestigebehoefte (evenals de behoefte aan distinctie en macht) rechtstreeks tegenover de behoefte van anderen om als gelijke erkend te worden. Prestigebehoeften zijn “een specifiek asymmetrische variant van sociale erkenningsbehoeften” [Bader/Benschop 1988:152].

Het in seksistische culturen superieure sociale prestige van mannen en hun hierdoor gestructureerde betere kansen om hun onverzadigbare ‘eigenliefde’ te bevredigen en hun ‘mannelijkheid’ te realiseren, bestaat alleen maar in tegenstelling tot de eigenliefde van vrouwen en kan daarom alleen bevredigd worden op kosten van de kwetsing van de waardigheid van vrouwen. De keerzijde van geïnstitutionaliseerde prestigieuze superioriteit is altijd systematische vernedering van anderen.

Behoefte aan erkenning als gelijke of als meerdere
Al eerder heb ik erop gewezen dat het van belang is de specifieke elementen die opgaan in het amalgaam van de ‘behoefte aan sociale erkenning’ expliciet te benoemen [zie noot 6]. Dit is niet alleen in analytisch perspectief relevant, maar ook en vooral in normatief opzicht. In aansluiting op Rousseau’s onderscheid tussen zelfliefde en eigenliefde (‘amour de soi-même’ en ‘amour propre’) hebben Bader/Benschop [1988:108 e.v.] een onderscheid gemaakt tussen de behoefte aan erkenning als gelijke en drie varianten van de behoefte aan erkenning als meerdere. Ik zal deze onderscheidingen kort aanduiden.

De emotionele behoefte aan sociale erkenning is betrokken op intieme interactiegroepen en primaire interactiegemeenschappen en uit zich in het verlangen om als gelijke erkend en geaccepteerd te worden. De behoefte aan sociale erkenning als gelijke is constitutief voor het gevoel van eigenwaarde.

De behoefte aan distinctie, macht en prestige zijn hiervan in zoverre principieel onderscheiden dat zij alle drie tot uiting komen in het verlangen om als meerdere erkend en als zodanig geaccepteerd te worden. Het zijn evenwel drie onderscheiden behoeften waartussen ook zeer belangrijke verschillen bestaan.

  1. De behoefte aan distinctie uit zich in het verlangen om door middel van eigen individuele prestaties uit te blinken, zich hierdoor van anderen te onderscheiden en zich in dit opzicht boven anderen te verheffen. Deze individuele meritocratische variant van de eigenliefde “veronderstelt zowel het respect voor en de erkenning van de anderen als vrije en open concurrentie, ‘wedijver’ tussen deze vrije en gelijke concurrenten” [Bader/Benschop 1988:109].

  2. De behoefte aan macht uit zich in een eerzuchtig verlangen naar superieure macht zonder respect voor de waardigheid en ontplooiingskansen van anderen. Deze inegalitaire individualistische variant van eigenliefde leidt tevens tot een beperking van de vrije en open concurrentie.

  3. De behoefte aan prestige uit zich in het verlangen om de groep waartoe men behoort superieure eigenschappen en kenmerken toe te schrijven met een beroep op de aangeboren of erfelijk overgedragen ‘natuurlijke’ kwaliteiten, zonder enig respect voor de waardigheid van de groep die hierdoor collectief wordt gediscrimineerd. Deze collectivistische en principieel inegalitaire (aristocratische, elitaire) variant van eigenliefde realiseert zich in een antagonistische en in de regel extractieve relatie ten opzichte van categorieën waaraan inferieure eigenschappen worden toegeschreven en leidt ertoe dat de vrije en open concurrentie feitelijk, conventioneel of juridisch wordt beperkt.

Het onderscheid tussen deze drie varianten van de behoefte aan erkenning als meerdere is niet alleen in analytisch opzicht van grote betekenis, maar ook en met name in moreel-politiek opzicht. Alleen de eerste variant van eigenliefde, de behoefte om op basis van eigen individuele prestaties als meerdere erkend te worden, is immers verenigbaar met een democratische ethiek en politiek. De beide andere varianten staan hiermee principieel op voet van vijandigheid; zij limiteren per definitie de waardigheid en ontplooiingskansen van anderen en leiden altijd tot min of meer drastische vormen van systematische vernedering.

Wanneer iemand zich door strikt individuele prestaties van anderen onderscheidt en wanneer deze prestaties door anderen als superieur worden gedefinieerd, dan constitueert dit slechts een persoonlijke achting of reputatie. Dit moet niet verward worden met sociaal prestige dat immers niet op individuele prestaties is gebaseerd, maar op een daarvan volledig onafhankelijke toeschrijving van superieure eigenschappen en kwaliteiten aan de eigen groep.

Ook in dit verband is de studie van Huizinga [1938/85] over de Homo Ludens nog steeds zeer leerzaam. Dit geldt met name voor zijn verhandeling over de vraag welke behoeften in welke mate ten grondslag liggen aan het menselijke plezier in het spel: een behoefte aan ontspanning of compensatie van ernstige en eenzijdige werkzaamheden, een onschuldige afvoer van schadelijke driften, een aangeboren behoefte om iets te presteren, een zucht om te concurreren of te heersen, dan wel een verlangen om het persoonlijkheidsgevoel te handhaven /2/.

Volgens Huizinga is bij alle spelen essentieel “dat men op zijn welslagen roem kan dragen tegenover anderen”. Winnen in het spel betekent immers altijd dat men bewijst ‘de meerdere’ te zijn. “Primair is de zucht anderen te overtreffen, de eerste te zijn en als zodanig geëerd te worden” /49/. Het “spel om roem en eer” /61/ is volgens hem geworteld in “de aangeboren zucht om de eerste te willen zijn” /99/. Deze behoefte aan distinctie op basis van strikt individuele prestaties wordt echter ook door Huizinga niet duidelijk onderscheiden van de inegalitaire (aristocratische of elitaire) behoefte aan macht en prestige die tot uiting komt in “de eeuwige wedstrijd om het prestige, dat een oorspronkelijke waarde is, die macht en recht omvat” /92/.

Fukuyama’s streven naar superioriteit
Fukuyama [1992] interpreteert de hele geschiedenis vanuit de optiek van de ‘strijd om erkenning’ /171/. Deze strijd om erkenning is geworteld in typisch menselijk ‘verlangen naar het verlangen van andere mensen’: de mens wil door anderen worden gewenst en erkend. “De mens is dus van meet af aan een sociaal wezen: zijn gevoel van eigenwaarde en identiteit zijn nauw verbonden met de waarde die anderen aan hem toekennen” /172/.

Voor de behoefte aan erkenning gebruikt hij de aan Plato ontleende term thymos (‘bezieling’).

    “Het is zoiets als een aangeboren menselijk gevoel voor rechtvaardigheid. Mensen geloven dat ze een zekere waarde hebben en wanneer anderen hen behandelen alsof ze minder waard zijn, ervaren ze de emotie woede. Wanneer mensen daarentegen niet voldoen aan hun eigen gevoel voor waarde, voelen ze schaamte en wanneer ze in overeenstemming met hun waarde worden beoordeeld, voelen ze trots. Het verlangen naar erkenning en de daarmee gepaard gaande emoties van woede, schaamte en trots, zijn delen van de menselijke persoonlijkheid die cruciaal zijn voor het politieke leven” [idem:19].
De kracht van de liberale democratie bestaat volgens Fukuyama hierin dat de universele en wederzijdse erkenning wordt vastgelegd in de principes van volkssoevereiniteit en van de rechtsstaat, “waarbij elke burger de waardigheid en menselijkheid van elke andere burger erkent en die waardigheid ook weer door de staat wordt erkend omdat deze rechten verleent” [idem].

Voor Fukuyama is het streven naar erkenning meer dan alleen een bron van nobele deugden (zoals moed, gulheid en gemeenschapszin) en een bron van verzet tegen tirannie (en dus een reden om voor ‘de liberale democratie’ te kiezen). “De thymos, die zich in eerste instantie aan ons voordeed als een nederig soort zelfrespect, kan zich ... ook manifesteren als het verlangen te overheersen” /208/. Voor het verlangen om als gelijke van anderen erkend te worden gebruikt hij de term isothymia; het tegenovergestelde verlangen om als superieur aan anderen erkend te worden noemt hij megalothymia (‘eerzucht’).

Het verwarrende in zijn verhandeling is dat hij zowel de isothymia als de megalothymia aanduidt als een streven naar ‘prestige’ /18/. Bovendien maakt hij geen duidelijk onderscheid tussen het streven naar distinctie en het streven naar macht of prestige. Hij hamert erop dat de ethiek van de megalothymia achterhaald is /215/. Uitgaande van zijn definitie van deze term betekent dit echter ook dat hij het specifieke streven naar distinctie moreel zou moeten veroordelen. Dit zou echter onverenigbaar zijn met zijn verdediging van ‘de liberale democratie’, waarin toch meestal juist het streven naar een persoonlijke reputatie als legitiem en stimulerend wordt opgevat. Daarom moet hij zijn eigen stelling weer gedeeltelijk afbreken.

In aansluiting bij Nietzsche meent hij dat een bepaalde mate van megalothymia een vereiste is voor het leven zelf” /338/. Alle creativiteit, aspiraties, grootsheid en uitmuntendheid zouden verdwijnen wanneer mensen gelijk zouden zijn en naar niets anders zouden streven dan naar de erkenning daarvan [idem:1992a]. Hij voert hiervoor een aantal bekende voorbeelden op: het ondernemerschap en de sport. Het ondernemerschap is “een vorm van gereguleerde en gesublimeerde megalothymia, nodig in het streven van bedrijven om beter te zijn dan hun concurrenten” [Fukuyama 1992:339]. Een andere gesublimeerde vorm is de sport, waarin thymotische individuen via inhoudsloze activiteiten erkenning kunnen verkrijgen. Beide vormen fungeren als een uitlaatklep voor de megalothymia: “het streven om als superieur erkend te worden is niet uit het menselijk leven verdwenen maar de uitingsvormen en verbreiding zijn veranderd” /344/.

De ‘motor van de geschiedenis’ is volgens Fukuyama het specifieke streven naar superioriteit: het eerzuchtig streven naar distinctie, macht en prestige dat wordt belichaamd door het aristocratische levensgevoel van de samoerai die strijdt om zijn eer. Megalothymia is dus een tweesnijdend zwaard: “zowel de goede als de slechte dingen des levens komen er tegelijkertijd en noodzakelijkerwijs uit voort”/339/.

Een van de grote zwaktes in Fukuyama’s analyse is dus dat hij geen duidelijk onderscheid maakt tussen de in inhoudelijk en politiek-moreel opzicht zeer verschillende vormen van megalothymia: het streven naar distinctie, naar macht en naar prestige. Vanuit een democratische ethiek zijn er geen principiële bezwaren tegen het verlangen om op basis van strikt individuele prestaties als meerdere te worden erkend (voor zover dit niet de waardigheid en ontplooiingskansen van anderen limiteert). Het onderscheid tussen isothymia en megalothymia biedt een aantal mogelijkheden voor historische analyse, maar deze worden drastisch beperkt doordat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de uiteenlopende vormen en typen van het streven naar erkenning als meerdere.

De gevolgen hiervan worden het meest duidelijk in zijn onkritische beschouwing over de ongelijkheden in het kapitalisme. Hij hanteert daarbij een zodanig “soepele maat voor gelijkheid” dat hij meent (1) dat de bronnen van ongelijkheid steeds meer zijn toe te schrijven aan “de natuurlijke ongelijkheid van talenten, de economisch noodzakelijke arbeidsdeling en de cultuur”, (2) dat in het naoorlogse Amerika weliswaar niet elke vorm van maatschappelijke ongelijkheid is geëlimineerd, maar “dat de nog bestaande obstakels in zekere zin ‘noodzakelijk en onuitroeibaar’ waren” en (3) dat het kapitalisme een maatschappij is “waar status vrijwel geheel door opleiding wordt bepaald” /315/.

Natuurlijk voldoen de meeste bestaande liberale democratieën “nog niet helemaal” aan zijn soepele maat voor gelijkheid /idem/. Hij toetst de in het kapitalisme bestaande ongelijkheidsverhoudingen niet aan, maar verwisselt ze met de principes van het liberale meritocratisme. In dit opzicht is zijn beschouwing slechts een heruitgave van de oude liberaal-meritocratische legitimatielegende. In het scenario van Fukuyama krijgt de geschiedenis zijn happy ending in het huwelijk tussen liberale democratie en kapitalistische klassenmaatschappij. De specifieke spanningsverhouding die dit met zich meebrengt tussen het gelijkheids- en het vrijheidsstreven zal door ‘de laatste mens’ als noodzakelijk en onuitroeibaar moeten worden geaccepteerd /316/.

Index


4·3 Institutionalisering van prestigewaarderingen
Superieur mannelijk prestige neemt diverse vormen en gedaanten aan. Het bestaat in (i) belichaamde vormen: in diepverankerde lichamelijke en culturele disposities, in masculine en feminine lichaamshoudingen en bewegingen, in seksespecifieke voorkeuren voor sport, spel, boeken, muziek, of film. In (ii) praktische vormen: negatieve waarderingen in alledaagse materiële en/of symbolische transacties, interacties en communicaties tussen mannen en vrouwen, preferenties voor specifieke levensstijlen. In (iii) geobjectiveerde vormen: culturele beelden, sprookjes, mythes, legendes, gezegdes en spreekwoorden. En tenslotte, maar daarom zeker niet minder belangrijk, in (iv) geinstitutionaliseerde vormen: conventioneel of wettelijk gecodificeerde en gegarandeerde privileges en rechten van de man, en depriviligering en ontrechting van de vrouw; uitsluiting van bepaalde beroepen, van participatie in politieke menings- en besluitvormingsprocessen, van actief en passief kiesrecht, van bepaalde beroepen.

In hoofdstuk XII, § 3 ga ik uitvoeriger in op de klassespecifieke dimensies van de cultus van masculiniteit en op het geheim van de fusie tussen klasse- en seksespecifieke aspecten van habitus en levenstijlen.

Prestigewaarderingen krijgen in het algemeen een veel grotere effectiviteit wanneer zij eenmaal zijn geïnstitutionaliseerd. De effectiviteit van geïnstitutionaliseerde prestigehiërarchieën meestal veel groter dan de mate waarin mensen feitelijk geloof hechten aan de waarderingen die daaraan inhoudelijk ten grondslag liggen.

Het aan mannen toegeschreven of door hen toegeëigende superieure prestige werd in de loop der geschiedenis geïnstitutionaliseerd in een geobjectiveerde prestigehiërarchie. Deze seksistische prestigehiërarchie wordt weliswaar empirisch geconstitueerd door feitelijk seksistische prestigewaarderingen, maar is daarvan toch ook —juist door deze institutionalisering— tot op zekere hoogte onafhankelijk. Ook al stemmen vrouwen zelf niet in met hun negatieve prestigewaardering, zij worden hierdoor wel gedwongen om minstens strategisch rekening te houden met de werking en effectiviteit van deze seksistische prestigehiërarchie.

De vraag is echter of en in hoeverre mannen feitelijk kunnen ‘beschikken’ over het positieve sociale prestige dat in deze geïnstitutionaliseerde ‘mannelijke’ symbolische orde wordt uitgedrukt en dat hierdoor tevens wordt gereproduceerd en gestabiliseerd. Evenals voor sociale relaties geldt ook hier dat sociaal prestige nooit volledig kan worden toegeëigend en dus geen eigendom in de strikte zin van het woord kan zijn. Sociaal prestige kan weliswaar als indirecte bron worden gebruikt, maar men kan het als zodanig niet bezitten of toeëigenen.

Het feitelijke gebruik van sociaal prestige als indirecte bron is afhankelijk van een groot aantal factoren. Ik noem slechts de twee belangrijkste.

Een aantal implicaties van deze overwegingen lijken mij —althans voor wat betreft de mogelijkheden van sexploitatie— duidelijk. Sexploitatie als substantiële en duurzame vorm van ascriptieve uitbuiting is mogelijk in alle culturen waarin de aan mannen toegeschreven ‘natuurlijke’ superioriteit in een relatief stabiele prestigehiërarchie is geïnstitutionaliseerd en in samenlevingen waarin de ongelijke status van mannen en vrouwen door conventies en wetten wordt gegarandeerd. In culturen en samenlevingen waarin dit niet meer of in veel mindere mate het geval is, is sexploitatie zeker niet uitgesloten —sexploitatie heeft meerdere en hardere bronnen!—, maar zal waarschijnlijk toch in toenemende mate worden verzacht en gemarginaliseerd.

Sexploitatie handhaaft zich met name in of verschuift naar de illegale en semi-legale randgebieden van deze ‘gefeminiseerde’ samenlevingen. De harde vormen van sexploitatie beperken zich in deze samenlevingen veeleer tot de geïnstitutionaliseerde verhouding tussen de pooiers en hun prostituees, de kapitalistisch georganiseerde ‘huizen van liefde’ en internationale vrouwenhandel. De zachte of indirecte vormen van sexploitatie, zoals de ongelijke beloning van vrouwen voor gelijke arbeid, zijn waarschijnlijk resistenter tegen de erosie van seksistische prestigehiërarchieën, en zeker minder marginaal.

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 13 September, 2013