| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
Albert Benschop
| 1. Stelling en afbakening |
|---|
Klassen worden structureel gedefinieerd in termen van posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen in de brede zin van het woord, die zowel arbeids- als distributieprocessen omvatten. Voor de analyse van klassenposities betekent dit dat niet alleen rekening wordt gehouden met de structurerende werking van directe arbeidsprocessen, maar ook met distributieprocessen die voorafgaan aan en volgen op deze arbeidsprocessen. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat arbeidsverhoudingen niet alleen materiële productieverhoudingen omvatten, maar ook allerlei typen dienstverleningsverhoudingen.
In dit uitgangspunt ligt zowel een afbakening besloten ten opzichte van marktgerichte of distributieve klassenbenaderingen (waarin klassen uitsluitend of hoofdzakelijk worden gesitueerd in markt- of ruilprocessen) als ten opzichte van productiegerichte of productivistische benaderingen (waarin klassen uitsluitend worden verankerd in directe arbeids- of productieprocessen).[1]
Wanneer men het ontstaan en de reproductie van klassenposities uitsluitend of hoofdzakelijk situeert in marktprocessen wordt daarmee bewust of impliciet het begrip arbeidsverhoudingen in brede zin overboord geworpen. Bovendien wordt daarmee een sterk gereduceerd beeld gegeven van de mechanismen die relevant zijn voor het ontstaan van structurele uitbuitings- en klasserelaties. Klassenposities ontstaan immers niet alleen op grond van uitbuiting die plaatsvindt door structureel ongelijke ruilprocessen (zoals marktuitbuiting), maar ook door belastinguitbuiting, tribuut-uitbuiting en koloniale uitbuiting. Er zijn vele historisch relevante uitbuitingsmechanismen die los van enige markt en ruil functioneren en toch klassenstructuren in het leven roepen. Omgekeerd moet er ook rekening mee worden gehouden dat klassenverhoudingen die primair worden gestructureerd door toeëigeningsmechanismen die zich ín en door de directe arbeidsprocessen voltrekken, mede gestructureerd worden door de hieraan verbonden markt- en ruilmechanismen (zij worden er minstens door gemedieerd).
Zowel (neo-)marxistische als (neo-) weberiaanse benaderingen gaan ervan uit dat de structurele machtsverdeling binnen een gemeenschap bepalend is voor de actuele machtsuitoefening. Een essentieel verschil tussen marxistische en weberiaanse benaderingen is de vraag hoever men bij de analyse van structurele machtsverdeling moet gaan, dat wil zeggen door welke sociale processen deze machtsverdeling is gestructureerd.
De ratio van de marxistische benadering is dat de relatieve onderhandelingsmacht van marktpartijen wordt gestructureerd door de bronnenverdeling en dat deze bronnenverdeling op zijn beurt weer wordt bepaald door de permanente reproductie en transformatie van bronnen in maatschappelijke arbeidsprocessen.
De ratio van de weberiaanse benadering is dat de relatieve onderhandelingsmacht van marktpartijen wordt gestructureerd door de daaraan voorafgaande verdeling van marktcapaciteiten. Maar waardoor worden die marktposities op hun beurt gestructureerd? In de neo-weberiaanse traditie wordt deze vraag niet meer gesteld. De bronnenverdeling die vooraf gaat aan de relatieve onderhandelingsmacht van marktpartijen valt hierdoor buiten de analyse. Veel marxistische analyses lijden aan het omgekeerde euvel: zij concentreren zich te sterk op de fundamentele verdeling van directe bronnen in arbeidsverhoudingen en besteden relatief weinig aandacht aan de daarop aansluitende verdeling van beschikkingsmacht over bronnen in marktverhoudingen. Hierdoor ontstaat een gereduceerd beeld van de sociale processen die bepalend zijn voor de actuele machtsverhoudingen: het bronnenspectrum waarover in distributie- en ruilprocessen beschikt kan worden, is immers veel omvattender dan het aantal directe bronnen waarover in arbeidsverhoudingen beschikt kan worden.
2. Uitbuiting: begrip, oorzaken en mechanismen |
|---|
Uitbuiting is een bepaald type van asymmetrische macht.[7] Net zo als alle andere machtsvormen impliceert uitbuiting ongelijke en niet-wederkerige kansen: de betere kansen die de ene positie biedt, impliceert dus de slechtere kansen van de andere en omgekeerd. Uitbuiting onderscheidt zich van andere asymmetrische machtsvormen doordat zij direct op de ongelijke verdeling van arbeid is betrokken. Onder uitbuiting wordt hier verstaan: alle systematische en structurele processen van toeëigening van meerarbeid door andere klassen. Van uitbuiting is dus pas sprake wanneer een bepaalde in de regel niet-werkende klasse de kans (of: feitelijk mogelijkheid) heeft zich door de inzet van directe of indirecte machtsbronnen meester te maken van de resultaten van de meerarbeid van een producerende klasse.
De toeëigening van meerarbeid door andere klassen kan formeel vrijwillig en vreedzaam of onvrijwillig en gewelddadig plaatsvinden; het kan zich zowel in arbeidsprocessen als in distributie- en ruilprocessen voltrekken. Uitbuiting wordt mogelijk gemaakt en veroorzaakt door een ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over (directe) bronnen die in arbeidsprocessen kunnen worden gebruikt en over (indirecte) bronnen die de verdeling van de arbeidsresultaten beïnvloeden.
2·1 Een kritisch-sociologisch begrip van uitbuiting
Uitbuiting in de zin van toeëigening van meerarbeid is een voor klassenverhoudingen constitutief fenomeen. Antagonistische klassen kunnen slechts bestaan wanneer er op zodanige wijze een meerproduct wordt gegenereerd dat er een deling mogelijk is tussen degenen die produceren en degenen die de in het meerproduct belichaamde meerarbeid van de producenten direct of indirect toeëigenen, zodat er tussen beide een exploitatieve relatie ontstaat.[8] Uitbuiting is echter zowel een moreel geladen als een analytisch begrip en in beide betekenissen is het uiterst omstreden.[9] Daarom is het niet overbodig een aantal toelichtingen te geven op de hiervoor gegeven definitie van uitbuiting.
De ratio van dit begrip van absolute meerarbeid is dat de maatschappelijke productiekrachten van de arbeid zich zover moeten hebben ontwikkeld dat er meer goederen en diensten worden geproduceerd dan noodzakelijk voor het fysieke overleven van de directe producenten. In die zin is absolute meerarbeid een noodzakelijke voorwaarde voor uitbuiting; het biedt dus pas de mogelijkheid om meerarbeid toe te eigenen.[11]
Uitbuiting wordt ook niet zo algemeen opgevat dat elke overdracht van meer arbeid ook al meerarbeid is in de specifieke zin van het woord: de transfer van ongelijke hoeveelheden arbeid aan degenen die nog niet of niet meer in het arbeidsproces zijn betrokken of aan arbeidsongeschikten is nog geen uitbuiting.
Meerarbeid in kritische zin is arbeid die door uitbuiters, door andere klassen wordt toegeëigend. Uitbuiting refereert dus niet zozeer aan het feitelijke bestaan van een welvarende en een arme klasse. Uitbuiting betekent primair dat de welvaart van de uitbuitende klasse afhankelijk is van het werk van de uitgebuite klasse. Dit spoort met de (sterke) intuïtieve notie van uitbuiting, namelijk het toeëigenen van de vruchten van andermans arbeid. De meerarbeid die in een meerproduct belichaamd is, heeft per definitie een antagonistisch karakter. Ten eerste omdat de meerarbeid wordt afgedwongen: de klasse van de producenten zijn in de gegeven structuur van maatschappelijke arbeidsverhoudingen feitelijk gedwongen de door hen geproduceerde meerarbeid af te staan. Ten tweede omdat de beschikking over meerarbeid toekomt aan een niet-werkende klasse, dat wil zeggen een klasse die zelf geen productieve bijdrage levert aan de maatschappelijke rijkdom. Meerarbeid wordt toegeëigend door niet-werkende klassen (voor zover zij wel werken is dit niet noodzakelijk voor de eigen reproductie); meerarbeid wordt onteigend van uitgebuitenen die feitelijk (en soms ook juridisch of conventioneel) genoodzaakt zijn om te werken (uitgebuitenen zijn altijd werkenden).[12]
De vraag is in eerste instantie niet zozeer wat uitbuiters doen met de meerarbeid waarover zij beschikken (accumuleren, herinvesteren of consumeren), maar veeleer op welke basis zij beschikkingsmacht over meerarbeid verkrijgen. Controle over meerarbeid moet niet worden gereduceerd tot het inkomen dat door uitbuiters feitelijk wordt gebruikt voor persoonlijke consumptie. Feodale rentes, kapitalistische winsten en andere historische vormen van toegeëigende meerarbeid zijn geen equivalent van het inkomen dat door feodale heren, kapitalisten en andere exploiteurs wordt omgezet in persoonlijke consumptiegoederen. Zowel tussen de diverse arbeidswijzen die in een maatschappijformatie zijn gecombineerd als tussen de verschillende maatschappijformaties bestaat een aanzienlijke variatie in het deel van de door de uitbuitende klasse effectief gecontroleerde meerarbeid dat wordt gebruikt voor persoonlijke consumptie en het deel dat voor andere doeleinden wordt gebruikt (zoals voor feodale militaire uitgaven, voor kapitalistische accumulatie, voor expansie van de organisatie).[13]
|
|
|
Het bepalen van de waarde van de arbeidskracht in de kapitalistische arbeidswijze werd door Marx als volgt uitgewerkt.
Samenvattend kan men dus zeggen dat de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd bestaat uit de omvang van de arbeidstijd die nodig is om de bestaansmiddelen van de arbeidskrachten te produceren, waardoor zij in staat zijn om zich individueel en generationeel te reproduceren. De noodzakelijke arbeid van een werkende klasse varieert naar (1) de ontwikkelingsstand van de productiekrachten van de arbeid, (2) de klimatologische en andere natuurlijke bijzonderheden die van invloed zijn op de natuurlijke of elementaire behoeften van de werkende klasse van een bepaald land, (3) het historische ontwikkelingsniveau van de maatschappelijke behoeften van de werkende klassen, dat mede wordt bepaald door de in een land heersende zeden en gewoontes. De noodzakelijke arbeid bínnen een werkende klasse varieert naar het niveau van kwalificatie en ervaring van de betreffende producenten (van de meer of minder samengestelde aard van hun arbeidskracht) en is dus mede afhankelijk van de kosten die noodzakelijk zijn voor hun specifieke niveau van opleiding en training. [15] |
2·2 Uitbuitingsmechanismen
Een klassentheorie die vertrekt vanuit een breed begrip van arbeidsverhoudingen stelt niet bij voorbaat bepaalde structurele uitbuitingrelaties op de voorgrond om andere te negeren. In wisselende gedaantes, combinaties en gewichtsverhoudingen bestaan in praktisch alle maatschappelijke formaties diverse uitbuitingsmechanismen en -vormen die elkaar vaak op complexe wijze overlappen en doorkruisen, en die even zovele grondslagen zijn voor het ontstaan en de reproductie van klassenposities. Om zicht te krijgen op de combinaties van uitbuitingsmechanismen die bepalend zijn voor de arbeidswijze van een bepaalde samenleving te kunnen onderzoeken, moeten deze mechanismen eerst zelf duidelijk (en niet-reductionistisch) worden onderzocht. Geïnstitutionaliseerde en structurele toeëigening van meerarbeid kan zowel in arbeidsprocessen zelf (directe uitbuiting) als in distributieprocessen (indirecte uitbuiting) plaatsvinden. In het algemeen kunnen er vijf mechanismen van uitbuiting die relevant zijn voor structurele uitbuitings- en klassenrelaties worden onderscheiden.[17]
Met deze grove schets van de verschillende typen of mechanismen van uitbuiting wil ik aannemelijk maken dat het mogelijk is een zeer nauwkeurige (sterk gedesaggregeerde) typologie van uitbuitingsposities te ontwerpen en dat dit zeer wenselijk is wanneer men daarop aansluitend een corresponderende (maar hoger geaggregeerde) typologie van klassenposities beoogt.
Schema 9 Typologie van directe en indirecte uitbuitingsvormen
| Ongelijke beschikkingsmacht over bronnen | Mechanismen van uitbuiting |
|---|---|
| Beschikkingsmacht over directe bronnen | Directe uitbuiting: toeëigening van meerarbeid in arbeidsprocessen |
| Arbeidskracht Materiële arbeidsvoorwaarden Vormen van coöperatie en leiding |
Slavenarbeid, feodale horigheid Kapitalistische loonarbeid Loonarbeid in etatistisch socialisme |
| Beschikkingsmacht over indirecte bronnen | Indirecte uitbuiting: toeëigening van meerproduct of meerarbeid in distributieprocessen |
| Materiële bronnen Afstamming Ondersteuning, bijstand Religieuze zin, heil Duiding Diplomas Kennis en informatie Politieke beslissing Recht en intern geweld Extern geweld Geld Heerschappijpositie Sociale relaties Prestige |
Uitbuiting op basis van: Grond- of huizenbezit: pachtuitbuiting, huuruitbuiting
Positie in verwantschapsrelaties: patriarchale of gerontocratische exploitatie Positie in sociale zekerheidsverhoudingen Monopoliepositie ni heilsverhoudingen: hiërocratische exploitatie Monopoliepositie in duidingsverhoudingen Bezit van diplomas en academische titels: credentie-uitbuiting Monopoliepositie in kennis- & informatieverhoudingen Superieure positie in politieke beslissingsverhoudingen Superieure positie in rechts- en internet geweldverhoudingen: tribuut- & belastinguitbuiting Superieur staatsgeweld: koloniale uitbuiting Schuldverhoudingen: rente-, krediet- en hypotheeekuitbuiting Gezagsposities in arbeidsorganisaties: organisationele uitbuiting Patroonpositie in patronageverhoudingen: clientèle-exploitatie Superieure positie in prestigehiërarchieën: ascriptieve exploitatie |
Door een specifieke combinatie van beschikkingsmacht over directe en/of indirecte bronnen en bepaalde mechanismen van uitbuiting ontstaan uitbuitingsposities. Uitbuitingsposities zijn structureel verankerde en relatief stabiele posities die in netwerken van uitbuitingsrelaties kunnen worden ingenomen. Uitbuitingsposities worden gekenmerkt door een asymmetrische, niet-omkeerbare wederzijdse afhankelijkheid. Uitbuitingsposities zijn als zodanig nog geen klassenposities en dienen hiervan analytisch gescheiden te worden behandeld [zie verder hoofdstuk X].
|
In zijn gereviseerde exploitation-centred class concept definieert Wright klassen in termen van kwalitatief onderscheiden vormen van uitbuiting, die gebaseerd zijn op ongelijke beschikkingsmacht over specifieke bronnen. Tegen zijn een algemene typologie van uitbuitings- en klassenverhoudingen [Wright 1985:83, table 3.2] kunnen een aantal bezwaren worden ingebracht. In de eerste plaats is het een nogal eenvoudige typologie die beperkt is tot de uitbuitingsmechanismen die dominant zijn voor de verschillende modes of production. Zijn schema wekt te zeer de suggestie dat er bijvoorbeeld in feodale maatschappijen slechts sprake was van uitbuiting van lijfeigenen door grondbezitters: voor vormen van pacht-, rente- en belastinguitbuiting is in zijn typologische schets van de feodale uitbuitingsverhoudingen geen plaats. Uit zijn verdere uiteenzetting blijkt echter dat Wright wel oog heeft voor het feit dat er in elke ons bekende historische maatschappijformatie gelijktijdig meerdere, ongelijksoortige uitbuitingsvormen bestaan en dat deze op verschillende wijzen met elkaar zijn gecombineerd. In de tweede plaats is zijn typologie (of topologie) van klassenposities eigenlijk helemaal niet opgebouwd rond uitbuitingsvormen als zodanig, maar veeleer gegroepeerd rond relaties ten opzichte van productieve bronnen die uitbuiting (kunnen) genereren, zoals hij later ook zelfkritisch zou opmerken [Wright 1989:306]. Hij maakt daarin dus niet zijn claim waar dat uitspraken over verschillende uitbuitingsmechanismen op systematische wijze gebruikt moeten worden om posities binnen klassenstructuren (a class structural matrix) te lokaliseren. Dit bezwaar wordt nog eens versterkt doordat Wright bovendien geen onderscheid maakt tussen uitbuitingsposities en klassenposities. Er bestaat een complexe samenhang tussen (1) de theoretisch denkbare of historisch relevante vormen van beschikkingsmacht over directe bronnen, (2) de diverse uitbuitingsvormen die daarmee samenhangen, (3) de in uitbuitingsvormen geconsolideerde uitbuitingsposities, en (4) de op basis daarvan mogelijke klassenposities. In Wrights benadering lijkt deze samenhang in een snelle typologische vlucht te worden overbrugd. De analytische opbrengst daarvan is echter gering, de kosten zijn mijn inziens te hoog: te veel reducties. In de derde plaats kan bezwaar worden gemaakt tegen het feit dat Wright zijn analyse van de uitbuitingsmechanismen beperkt tot processen van toeëigening van meerarbeid, die verankerd zijn in de beschikkingsmacht over directe bronnen. Dit bezwaar geldt ook wanneer men er rekening mee houdt dat Wright in zijn catalogus van directe of productieve bronnen ook onbewust en daarom stilzwijgend indirecte bronnen binnensmokkelt (zoals met name credentials).[24] Wrights typologie van uitbuitings- en klassenposities is dus beperkt tot machts- en inkomensongelijkheden die het gevolg zijn van de ongelijke beschikkingsmacht over directe bronnen. |
3. Combinatie van uitbuitingsvormen |
|---|
Een typologie van uitbuitingsposities biedt een referentiekader om voor elke maatschappijformatie of maatschappij te onderzoeken (1) wat het structurele gewicht of de relatieve betekenis is van specifieke uitbuitingstypen en -posities, (2) op welke wijze deze intern of extern met elkaar verbonden zijn en (3) in welke mate de intern gerelateerde uitbuitingsmechanismen en klassenposities elkaar overlappen of relatief zelfstandig naast elkaar bestaan.[25]
Maatschappijformaties worden gekenmerkt door een telkens specifiek evenwicht-in-dominantie tussen de verschillende arbeidswijzen en de daarin verankerde uitbuitingsvormen. Wanneer dit evenwicht wordt verbroken door het in verval raken van de dominante arbeidswijze en/of het dominanter worden van een tot dan toe subalterne, secundaire arbeidswijze dan treedt een overgangsperiode in waarin het voortbestaan van de oude maatschappijformatie in het geding komt. De specifieke arbeidswijzen die in een maatschappijformatie zijn gecombineerd, kunnen elkaar dus onder bepaalde condities zodanig in (wankel en in de regel tijdelijk) evenwicht houden dat men kan zeggen dat de diverse uitbuitingsvormen een bijna gelijke relatieve betekenis hebben. Juist daarom is het van belang het hele spectrum van mogelijke mengvormen van uitbuitingsrelaties binnen een specifieke maatschappij te identificeren. Er zijn verschillende manieren om het relatieve gewicht van uitbuitingsvormen te analyseren. Wright [1985:109-11] heeft laten zien wat de moeilijkheden zijn bij de operationalisering van deze strategieën.
Van een interne verbinding is sprake wanneer twee uitbuitingsvormen direct van elkaar afhankelijk zijn in de zin dat beide niet geïsoleerd of zelfstandig kunnen bestaan. Zo zijn alle uitbuitingsprocessen in distributieprocessen in principe afhankelijk van het feit dat er in arbeidsprocessen zelf meerarbeid of een meerproduct wordt voortgebracht dat kan worden toegeëigend.[27] Wanneer verschillende uitbuitingsvormen gelijktijdig binnen een arbeidsproces opereren is deze interne verbinding nog duidelijker. Een voorbeeld hiervan is de interpenetratie tussen toeëigening van meerwaarde op basis van beschikkingsmacht over productiemiddelen en toeëigening op basis van controle over heerschappijposities binnen kapitalistische arbeidsorganisaties.[28]
4. Credentie-uitbuiting en professionalisering |
|---|
Hierboven heb ik slechts een globale schets gegeven van verschillende typen en mechanismen van uitbuiting en van de mogelijke combinaties van uitbuitingsvormen. Omdat het niet mogelijk is dit voor elk uitbuitingsmechanisme afzonderlijk te concretiseren, beperk ik me tot een nadere analyse van een van de meest omstreden vormen van indirecte uitbuiting op basis van ongelijke ruilverhoudingen: de credentie-uitbuiting. Wat is credentie-uitbuiting en welke betekenis heeft deze uitbuitingsvorm voor een transformationele klassenanalyse?
De terminologie alleen al is omstreden omdat credenties vaak worden gereduceerd tot diplomas of gecombineerd met kwalificaties. Bij gebrek aan beter hanteer ik hier de bastaardterm credentie-uitbuiting. Om redenen die hieronder nog besproken zullen worden, wil ik in ieder geval vermijden dat deze term wordt vervangen door of gelijkgesteld met de door Wright gehanteerde term kwalificatie-uitbuiting (skill exploitation). In plaats van credentie-uitbuiting zou men ook diploma-uitbuiting kunnen zeggen. Het bezwaar hiertegen is echter dat de beoogde uitbuitingsvorm teveel gereduceerd wordt tot exploitatie op basis van het bezit van diplomas. Voor mijn analyse heb ik een breder begrip nodig dat zowel diplomas en academische titels als getuigschriften en referenties omvat. Daarom heb ik ervoor gekozen de in het Middelnederlands gangbare term credentie af te stoffen.
Het woord credentie is ontleend aan de Latijnse term credentia (afgeleid van credere = geloven). In het Middelnederlands werd de term vanaf 1654 meestal in het meervoud gebruikt: geloofsbrieven werden aangeduid als credentialen. In het enkelvoud werd behalve de term credentiaal ook de term credentie (geloofsbrief, brief van credentie) gebruikt. Credentie is dus net zo als credentialen een bastaardwoord dat met wijzigingen uit het Latijn is overgenomen.[29]
Evenals voor het begrip organisationele uitbuiting dat in het volgende hoofdstuk wordt behandeld geldt ook voor credentie-uitbuiting dat de inhoudelijke afbakening van dit begrip veel te wensen overlaat en dat daarom ook de implicaties voor de klassenanalyse sterk omstreden zijn. Om in de veelvoud van problemen enige ordening aan te brengen zal ik een onderscheid maken tussen (1) de grondslagen en (2) het mechanisme van credentie-uitbuiting, (3) de reproductie en uitbreiding van credentie-uitbuiting en (4) de samenhang tussen credentie-uitbuiting en structurele uitbuitings- en klassenposities. Tegen de achtergrond van deze precisering van het algemene begrip van credentie-uitbuiting wordt in § 5 een de klassenpositie van professionals en experts in het kapitalisme geanalyseerd als een eigensoortige tussenklassenpositie.
4·1 Grondslagen van credentie-uitbuiting
Voor de afbakening van het begrip credentie-uitbuiting moet in de eerste plaats een antwoord worden gegeven op de vraag op welke grondslag deze uitbuiting kan plaatsvinden. Wat is bij deze uitbuitingsvorm de basis waarop meerarbeid kan worden toegeëigend? Hierop zijn in principe drie antwoorden mogelijk. Deze uitbuitingsvorm voltrekt zich op basis van feitelijke beschikkingsmacht (1) over strikt individuele prestatiekwalificaties, (2) over diplomas, getuigschriften, geloofsbrieven en referenties, of (3) over een combinatie van beide mogelijkheden.
|
|
Met dit onderscheid tussen kwalificaties en credenties kunnen de drie antwoordstrategieën tamelijk eenvoudig in kaart worden gebracht.
Talenten zijn als zodanig geen arbeidskwalificaties. Natuurlijke talenten zijn individueel aangeboren of erfelijk overgedragen potentiële arbeidskwalificaties; het zijn deels tamelijk onvoorspelbare resultaten van de grillen van de genetische dobbelsteen. Talenten zijn per definitie schaarse gaven of potenties waardoor individuen in staat zijn hooggewaardeerde kwalificaties te verwerven tegen relatief lage kosten en inspanningen.[33]
De empirische verschillen tussen individuele arbeidskwalificaties zijn dus het gecombineerde resultaat van een natuurlijke ongelijkheid in de verdeling van talenten en van ongelijke toegangskansen tot en ongelijke kansen in de opvoedings-, onderwijs- en arbeidssystemen waarin mensen hun talenten kunnen ontwikkelen tot arbeidskwalificaties. De ongelijke verdeling van arbeidskwalificaties is vooral het gevolg van de diverse selectie- en uitsluitingsmechanismen die in het onderwijsstelsel zijn ingebakken. De ongelijkheidsstructurerende kracht van natuurlijke verschillen in talenten, fysieke kracht en dergelijke is in hft. IV, § 1·1 behandeld. [33a]
Credenties zijn enerzijds het specifieke resultaat van opvoedings- en met name van onderwijsprocessen. Diplomas en academische titels zijn de beloningen voor een met succes doorlopen opleidingsproces.[34] Het certificatiesysteem is daarbij in de regel zo georganiseerd dat ongediplomeerde individuen worden uitgesloten van bepaalde arbeidsplaatsen, zelfs wanneer zij hiervoor wel over de juiste kwalificaties beschikken. Credenties zijn anderzijds het specifieke resultaat van sociale relaties: persoonlijke referenties en aanbevelingen fungeren als indirecte bron waarmee toegang tot arbeidsmarkten verkregen kan worden en waarmee de machtskansen op arbeidsmarkten soms aanzienlijk vergroot kunnen worden.[35] De ongelijke verdeling van credenties is dus het gecombineerde resultaat van ongelijke toegangskansen tot het onderwijsstelsel en ongelijke beschikking over sociale relaties.
4·2 Mechanismen van kwalificatiecredentie-uitbuiting
Bij de analyse van de mechanismen van kwalificatie/credentie-uitbuiting dienen zich ook drie strategieën aan.
Welke van deze drie alternatieve concepten en analysestrategieën verdient nu de voorkeur? Kwalificatie-uitbuiting als vorm van directe uitbuiting is een dubieus concept. De reden hiervoor is dat het bezit van specifieke kwalificaties als zodanig geen voldoende grondslag is voor toeëigening van meerarbeid van anderen. Dit is alleen het geval wanneer deze kwalificaties schaars zijn. En niet zozeer in absolute zin, maar in verhouding tot de vraag naar deze arbeidskwalificaties.[38] Van kwalificatie-uitbuiting is dus alleen maar onder zeer specifieke condities mogelijk.
De schaarste van specifieke arbeidskwalificaties is het gecombineerde resultaat van drie mechanismen. (1) De wijze waarop natuurlijke talenten tot stand komen, impliceert dat aangeboren of genetisch overgedragen talenten van nature schaars zijn in een bevolking. (2) De toegangskansen tot onderwijs- en trainingsstelsels, die nodig zijn om arbeidskwalificaties te ontwikkelen en te cultiveren, zijn in de regel meervoudig selectief: klassenselectief, maar ook gebonden aan verschillen in sekse, etniciteit, nationaliteit enzovoort. Hierdoor wordt een kunstmatige schaarste aan hooggekwalificeerde arbeidskrachten geschapen. (3) Het certificatiestelsel is in de regel zo opgebouwd dat niet-gediplomeerde arbeidskrachten zonder reputatie geen of aanzienlijk minder kansen hebben om op arbeidstaken te worden ingezet, zelfs wanneer zij daarvoor wel over de benodigde kwalificaties beschikken.[39]
Strikt genomen vormt dus niet de beschikking over kwalificaties als zodanig de basis voor toeëigening van meerarbeid, maar de beschikking over schaarse kwalificaties, en met name wanneer deze schaarste is geïnstitutionaliseerd door credenties. Daarom concentreer ik mij hier verder op het zuiver credentiële uitbuitingsmechanisme.
Credentie-uitbuiting is gebaseerd op de beperking van het aanbod van specifieke kwalificaties via een specifieke vorm van monopolisering, waardoor de inkomsten of inkomens van schaarse gekwalificeerde arbeidskrachten boven het niveau van hun reproductiekosten kan worden gedreven. Het meest belangrijke geïnstitutionaliseerde mechanisme voor een dergelijke monopolisering is professionalisering. Professionalisering is een specifiek mechanisme van sociale sluiting dat gedefinieerd wordt door de volgende elementen: (1) de beperking van de toegang tot het beroep door controle over opleiding, training en kwalificatie: sluiting naar buiten door exclusieve rekrutering; (2) de beperking van het gedrag van professionals door controle over gedragscodes: sluiting naar binnen door controle over gedrag van ingeslotenen; (3) de regulatie van aanbod van diensten op de markt door het scheppen van feitelijke monopolies; (4) de bekrachtiging of garantie van sociale sluiting door het verwerven van steun en erkenning van de overheid: het legaliseren van feitelijke monopolies.[40]
Professionalisering betekent dat een bepaalde beroepsgroep erin geslaagd is controle uit te oefenen over de toelating tot gespecialiseerde opleidingen en een overheidsgarantie van diplomas heeft afgedwongen. De mogelijkheid om meerarbeid toe te eigenen door professionals en experts is dus primair afhankelijk van hun controle over credenties, dat wil zeggen van hun controle op het aanbod van specifiek gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskrachten en de machts- of monopolieprijzen (credentierente) die zij hierdoor kunnen bemachtigen. Door controle over de toelating tot gespecialiseerde opleidingen en overheidsgarantie van diplomas kan het aanbod van professionele arbeidskrachten worden verkleind en kunnen op grond van een superieure machts- en onderhandelingspositie monopolieprijzen worden gerealiseerd. Door deze strategie van professionalisering is structurele credentie-uitbuiting mogelijk; dit is een mechanisme van indirecte uitbuiting via ongelijke ruil.
Credentie-uitbuiting betekent dat individuen op grond van hun specifiek gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskracht een effectieve claim kunnen leggen op meerarbeid. Wanneer dit uitsluitend een claim op het door hen zelf geproduceerde waardeproduct zou betreffen, is dit zoals eerder opgemerkt natuurlijk geen uitbuiting maar veeleer een claim op non-exploitatie. Van credentie-uitbuiting is dus alleen sprake wanneer individuen of groepen op grond van hun beschikking over credenties daadwerkelijk in staat zijn meerarbeid van anderen (van andere producenten of van een heterogene massa van kopers) toe te eigenen.
De verschillen in inkomens of inkomsten die gerelateerd zijn aan kwalificatie- of credentieverschillen zijn niet noodzakelijkerwijze een reflectie van uitbuiting.[42] Het exploitatieve element in de inkomsten of inkomens van gekwalificeerde credentiebezitters is dat deel van hun inkomsten of inkomen dat een directe uitdrukking is van het feit dat zij een monopolie hebben op het aanbod van dit soort arbeidskrachten. Dit feitelijke monopolie is gebaseerd op credenties en resulteert in een specifieke monopolie-rente. Hun inkomens of inkomsten bevatten een credentierente die boven de gemiddelde reproductiekosten voor deze gekwalificeerde arbeidskrachten uitgaat. Credentierente is een specifieke vorm van monopolie-rente: het is de rente die is afgeleid van het vermogen van de credentiehouders om de aanvoer van specifiek gekwalificeerde arbeidskrachten te beperken.[43]
Credentierente is echter alleen een potentiële uitbuitingsvorm. Voor professionals en experts is een effectieve claim op meerarbeid in de vorm van credentierente een noodzakelijke voorwaarde om zelf als uitbuiters te fungeren, maar het is geen voldoende voorwaarde. Een effectieve aanspraak op credentierente impliceert weliswaar per definitie dat deze professionals en experts in staat zijn een deel van de meerarbeid toe te eigenen, maar niet dat zij ook noodzakelijk de meerarbeid van ándere arbeidskrachten kunnen toeëigenen.[44] De geprivilegieerde positie van professionals en experts is meestal uitdrukking van het feit dat zij evenals de zelfstandige warenproducenten in staat zijn hun eigen meerarbeid toe te eigenen. Hun privilege bestaat dus in wezen hierin dat zij niet worden uitgebuit, en niet dat zij participeren in de uitbuiting van andere arbeidskrachten.
De ratio van de analyse van credentie-exploitatie is dat beschikkingsmacht over credenties een grondslag kán zijn van uitbuiting in de zin van toeëigening van meerarbeid van anderen. Credentie-uitbuiting is een specifieke, eigensoortige vorm van indirecte uitbuiting die analytisch onderscheiden moet worden van vormen van directe uitbuiting en van andere vormen van indirecte uitbuiting. Meer in het bijzonder is credentie-uitbuiting een vorm van indirecte uitbuiting via ongelijke ruil.[45]
De eerder geformuleerde en verdergaande claim is dat credentie-uitbuiting als zodanig een grondslag kan vormen voor het bestaan van stabiele en duurzame uitbuitingsposities [§ 4·3] en dat deze op hun beurt de grondslag kunnen vormen van een eigensoortige klassenpositie [§ 4·4]. Deze twee claims vereisen echter een afzonderlijke argumentatie.
4·3 Reproductie van credentie-uitbuiting
Hoe kan credentie-uitbuiting worden gereproduceerd of uitgebreid? Het is een omstreden kwestie of credentie-uitbuiting een stabiel en structureel karakter kan aannemen, en of zich op basis hiervan relatief duurzame uitbuitingsposities kunnen vormen. In het algemeen kan men zeggen dat de duurzaamheid en het structurele karakter van de toeëigening van credentierente afhankelijk is van het structurele karakter van de ongelijke verdeling van de controle over credenties en van de duurzaamheid van de beschikkingsmacht over credenties. Dit betekent dat we enerzijds moeten nagaan (a) wat de aard is van de beschikkingsmacht over credenties en hoe deze beschikkingsmacht door credentiebezitters kan worden overgedragen, en anderzijds (b) hoe de ongelijke verdeling van credenties wordt gereproduceerd en gestabiliseerd.
Credenties kunnen niet effectief worden geprivatiseerd (althans niet volledig) en zij kunnen niet van vader op zoon of van moeder op dochter erfelijk worden overgedragen. Erfelijke overdracht beperkt zich echter niet tot verwantschap, maar is ook mogelijk op basis van selectieve coöptatie. Professionals en experts kunnen hun credenties niet individueel verkopen, maar zij kunnen wel een effectieve controle uitoefenen op de overdracht van rechten om credenties te gebruiken. De werking van dit mechanisme van selectieve coöptatie is het meest duidelijk gedemonstreerd bij de medische professionals, die weliswaar hun artsentitels niet individueel op hun nageslacht overdragen, maar toch in generationeel perspectief een hoge mate aan continuïteit vertonen.[48] In dit opzicht komt de beschikkingsmacht over credenties dicht in de buurt van eigendom in strikte zin.[49] De inzet van credenties kan echter in meer of mindere mate effectief geblokkeerd zijn. Dit gebeurt met name wanneer een geldende rechtsorde het inzetten van credenties op specifieke gebieden voor illegaal verklaard.
4·4 Credentie-uitbuiting als grondslag van klassenposities
Kan credentie-uitbuiting leiden tot structurele uitbuitings- en klassenposities? Deze vraag kan in drie deelvragen worden opgesplitst. Ten eerste de vraag naar het structurele en substantiële karakter van credentie-uitbuiting. Ten tweede de vraag naar de mogelijkheden voor bezitters van credenties om hun aandeel in de meerarbeid te accumuleren of te kapitaliseren. En ten derde de vraag onder welke condities verduurzaamde uitbuitingsposities ook als zelfstandige klassenposities behandeld kunnen worden.
Credentiebezit leidt alleen tot uitbuitings- en klassenposities wanneer degenen die de controle hebben over relatief zeldzame credentie-bronnen in staat zijn substantiële inkomsten uit meerarbeid toe te eigenen en wanneer zij dit duurzaam kunnen doen. Dit kan twee vormen aannemen.
Bovendien is het ontstaan van eenduidig afgebakende klassenposities in sterke mate afhankelijk van de vraag in hoeverre er sprake is van een overlapping van de verschillende uitbuitingsposities. Professionals en experts met een gering credentiebezit zijn bijvoorbeeld vaak alleen maar in staat hun uitbuiting te matigen. Hun uiterst minimale claim op hun eigen waardeproduct betekent dat zij net zo als andere leden van de werkende klassen worden uitgebuit en enkel in staat zijn de uitbuitingsgraad (de relatieve verhouding tussen noodzakelijke en meerarbeid) te beperken. Hierdoor wordt weliswaar hun klassenpositie beïnvloed (zij nemen binnen de uitgebuite klasse een relatief geprivilegieerde positie in), maar deze klassenpositie zelf verandert hierdoor nog niet wezenlijk.
Eigensoortige tussenklassenposities ontstaan pas wanneer en voor zover credentiehouders over zodanig schaarse kwalificaties beschikken en hierdoor een zodanig superieure machts- en onderhandelingspositie verwerven dat zij zichzelf kunnen vrijwaren van exploitatie. Deze tussenklassenpositie kan echter op haar beurt weer aanzienlijk worden gemodificeerd wanneer deze professionals en experts tegelijkertijd belangrijke leidinggevende functies binnen de arbeidsorganisatie gaan vervullen. De aan deze functies klevende beschikkingsmacht over gezagsposities biedt immers een aanvullende mogelijkheid om een effectieve claim op meerarbeid van andere producenten te leggen in de vorm van een loyaliteitsrente. In dat geval is er sprake van een overlapping van twee onderscheiden uitbuitingsposities: organisationele en credentie-uitbuiting vloeien samen in de meer complexe tussenklassenpositie van professionele managers.[53]
|
Ter afsluiting van deze algemene analyse van het verschijnsel van credentie-uitbuiting zal ik een aantal kritische kanttekeningen maken bij de opvattingen van Erik OlinWright.
|
5. Professionals en experts in het kapitalisme |
|---|
De implicaties van het begrip credentie-uitbuiting en van de werking van het credentiële uitbuitingsmechanisme kunnen nu worden geconcretiseerd in de analyse van de klassenpositie van professionals en experts in het kapitalisme. Ik beperk mij daarbij tot een aantal stellingsgewijs geponeerde hypothesen over de klassenpositie van professionals en experts die als loonarbeiders van het kapitaal fungeren.
De analyse van de categorie professionals, experts of deskundigen, van in loondienst van het kapitaal werkende hooggekwalificeerde arbeidskrachten, is waarschijnlijk een van de meest complexe, maar zeker een van de meest omstreden opgaven van onderzoekers van de klassenstructuur. Vooral in de marxistische onderzoekstraditie heeft deze categorie de meeste problemen opgeleverd bij het formuleren van een coherente conceptie van de klassenstructuur. Ik zal eerst een aantal uiteenlopende benaderingen in kaart brengen en inventariseren wat de problemen zijn die opgelost moeten worden. In het algemeen kunnen er drie benaderingen worden onderscheiden.
De verschillen tussen deze benaderingen ontstaan met name omdat er meningsverschillen bestaan over vier vragen. (1) Ten eerste is controversieel hoe de samenhang moet worden geanalyseerd tussen de hogere kwalificatie van de professionals en experts, de waarde van deze arbeidskrachten en de prijs die professionals en experts voor hun werk op de markt weten te bedingen. (2) Ten tweede is controversieel welke klassenspecifieke betekenis moet worden toegekend aan het feit dat professionals en experts geestelijke arbeid verrichten onder kapitalistische uitbuitings- en klassenverhoudigen. Is het verrichten van geestelijke arbeid zelf al een klasseneigenschap? En welke waarde moet men toekennen aan het feit dat zij binnen de arbeidsorganisatie over een relatief grote autonomie beschikken? (3) Ten derde is controversieel welke relatie er bestaat tussen de strikt individuele arbeidskwalificatie en de diplomas die mensen verwerven door met succes een bepaalde opleiding te volgen. Wanneer professionals en experts hun eigen waardeproduct kunnen toeëigenen, zijn zij hiertoe dan in staat omdat zij over gekwalificeerde arbeidskracht beschikken, omdat zij over diplomas beschikken, of omdat zij de toegang tot dit specifieke gedeelte van de opleidings- en arbeidsmarkt controleren? (4) En tenslotte is controversieel welke betekenis moet worden toegekend aan het verschijnsel van professionalisering. Wat is de werking en wat zijn de effecten van deze specifieke sociale sluitingsstrategie van gediplomeerde arbeidskrachten?
Ik wil hier alleen maar laten zien wat de mogelijkheden en problemen zijn van de derde (en mijn inziens meest belovende) benadering, waarin professionals en experts op grond van hun beschikkingsmacht over gediplomeerde arbeidskracht (credenties) worden gesitueerd in een bijzondere tssenklassenposities van niet-proletarische loonarbeiders.
5·1 Een bijzondere tussenklassenpositie
5·1·1 Loonarbeid zonder uitbuiting
Professionals en experts behoren evenals de managers tot de categorie van niet-proletarische loonarbeiders.[63] In de bedrijfsmatige en maatschappelijke hiërarchie staan zij onder de managers, maar boven de eigenlijke loonarbeiders. Zij zijn relatief zelfstandige loonarbeiders die zich evenals de managers in een eigensoortige tussenklassenpositie bevinden: zij staan positioneel echter veel dichter bij de eigenlijke klasse van loonarbeiders en zijn aanzienlijk verder verwijderd van de kapitalistenklasse dan de managers. Wanneer zij als loonarbeiders van particuliere ondernemingen worden aangesteld en betaald, hebben zij meestal een bijzonder arbeidscontract. Anders dan managers eigenen zij geen meerwaarde, maar credentierente toe. Het kenmerkende van hun tussenklassenpositie is dat zij door het kapitaal dat hun arbeidskracht inhuurt particulier wel worden benut, maar dat zij niet door het kapitaal worden uitgebuit.
Professionals en experts zijn dus relatief zelfstandige loonarbeiders die loonarbeid zonder uitbuiting verrichten.[64] Slechts een gering aantal loonarbeiders bevindt zich in deze tussenklassenpositie. Het zijn specialisten zoals juristen, ingenieurs, natuurwetenschappers, systeemananalisten, organisatiedeskundigen, marktonderzoekers en reclamespecialisten, die meestal door grote kapitalistische ondernemers worden aangesteld en in speciale rechtsafdelingen, accountants- en ingenieursbureaus, onderzoeksafdelingen enzovoort samenwerken met andere specialisten met gelijksoortige kwalificaties en met een aantal lager gekwalificeerde assistenten.
Professionals en experts zijn binnen kapitalistische ondernemingen van uitbuiting gevrijwaard omdat en voor zover zij als gevolg van geslaagde professionaliseringsstrategieën beschikken over schaarse kwalificaties en credenties. Op basis van dit credentiebezit kunnen zij een effectieve claim op meerarbeid leggen in de vorm van credentierente. Credentierente werd al eerder gedefinieerd als de rente die is afgeleid van het vermogen van credentiehouders om de aanvoer van gekwalificeerde arbeidskracht te beperken. Dit betekent dat de inkomens van deze credentiehouders gemengde inkomens zijn waarin naast de reproductiekosten van hun gekwalificeerde arbeidskracht tevens een aandeel credentierente is vervat. De formele loon- of salarisvorm waarin deze rentecomponent wordt ontvangen, verhult het kwalitatieve verschil tussen de reproductiekosten van de gekwalificeerde arbeidskracht en de credentierente. Het salaris van professionele employés die van uitbuiting zijn gevrijwaard, ligt boven de waarde van vergelijkbare, gelijksoortig gekwalificeerde arbeidskrachten.[65]
|
Deze opvatting over credentierente is compatibel met de micro-economische theorie van de insiders-outsiders. Deze benadering vertrekt vanuit het verschil tussen de onderhandelingspositie van gevestigden en buitenstaanders. De basisgedachte is dat de vervanging van een gevestigde loonarbeider door een gelijkwaardig gekwalificeerde buitenstaander voor een onderneming een kostbare aangelegenheid is: er moet een afkoopsom worden betaald voor de ontslagen professional, er moeten advertenties worden geplaatst om een nieuwe arbeidskracht te rekruteren, de nieuwe werknemer moet worden ingewerkt, er worden beginnersfouten gemaakt als gevolg van gebrek aan ervaring enzovoort.[66] Deze benadering wordt met name gebruikt om een micro-economische verklaring te geven van het voortbestaan van onvrijwillige werkloosheid (zelfs onder voorwaarden van volledige concurrentie).[67] Een dergelijke benadering kan echter ook vruchtbaar worden gemaakt voor een analyse van de superieure onderhandelingspositie van professionals en experts, omdat (en voor zover) dezen tot de gevestigden van een professionele gemeenschap behoren. De hier geformuleerde opvatting over credentierente is ook compatibel met de moderne efficiency wage theorie. Deze economische theorie vertrekt niet vanuit het verschil tussen de onderhandelingspositie van gevestigden en buitenstaanders, maar vanuit het feit dat productiviteit wordt beïnvloed door het loonniveau. Het basisgedachte is dat het laagst mogelijke loon (waarvoor buitenstaanders bereid zijn te werken) niet noodzakelijk het meest winstgevende is. Van Parijs [1989:232] heeft laten zien dat de twee belangrijkste argumenten die hiervoor worden gegeven, corresponderen met twee variaties van deze benadering. (a) In de zachte of Maussiaanse variant wordt benadrukt dat het winst-maximerende loon hoger is dan het market-clearing wage, omdat arbeiders die zich door een ondernemer goed behandeld voelen omdat zij een hoger loon ontvangen, deze gift zullen beantwoorden met een tegengift in de vorm van een goede prestatie.[68] (b) In de harde of Hobbesiaanse variant wordt benadrukt dat de optimale loonvoet van een onderneming hoger is dan de market-clearing rate, omdat door arbeiders meer te betalen dan zij elders zouden kunnen krijgen, hun welwaartsverlies groter zou zijn in geval van ontslag en zij hierdoor worden geprikkeld om efficient te blijven werken en niet in absenteïsme te vluchten.[69] Natuurlijk is het mogelijk beide varianten te combineren, wanneer men accepteert dat beide redenen werkzaam kunnen zijn en samen een verklaring geven van het verschil tussen het evenwichtsloon en het market-clearing wage. De centrale claim van beide varianten van de efficiëntie-loontheorie kan als volgt worden samengevat: paying as little as possible (the market-clearing rate) for a time unit of labor power (with given skills) generally does not amount to paying as little as possible per unit of labour effectively performed since a higher payment per unit of time may enable the capitalist ... to extract from each unit of labor time a significantly greater amount of actual labor [Van Parijs 1989:232]. |
5·1·2 De professionele kennisorganisatie
Er zijn echter meer specifieke redenen waarom professionals en experts binnen kapitalistische ondernemingen een bijzondere positie innemen en een zodanige machts- en onderhandelingspositie kunnen ontwikkelen dat zij als loonarbeiders van het kapitaal toch van uitbuiting zijn gevrijwaard. Deze hebben bijna allemaal te maken met het duale karakter van de professionele organisatie van de kennis, waarin niet alleen een zekere dominantie van technische rationaliteit tot uiting komt, maar ook een structurele onzekerheid.[70]
Kapitalistische ondernemers die professionals of experts inhuren, zijn geïnteresseerd in de concreet-nuttige inhoud en de kwaliteit van hun individuele arbeidsprestatie, en niet in het feit dat zij mogelijk ook waarde scheppen. Wanneer een ondernemers hen als loonarbeiders inhuurt, koopt deze bij voorbaat bijna alle mogelijke arbeidsresultaten die dergelijke specialisten voortbrengen: hun uitvindingen, planningen, marktstrategieën, onderzoeksresultaten, systeemanalyses, organisatie-adviezen, vertalingen enzovoort. Deze arbeidsproducten fungeren meestal slechts als quasi-waren die wel een marktprijs, maar geen waarde hebben omdat er voor dergelijk werk geen regulerende, maatschappelijk gemiddelde of normale arbeidstijd bestaat.[78] Daarom is het vooral voor grote kapitalistische ondernemers economisch vaak voordeliger om de uitvinder in te huren dan de uitvinding te kopen.[79] Veel professionals produceren überhaupt geen waren: zij scheppen geen willekeurig reproduceerbare gebruikswaarden, maar leveren niet-herhaalbare unieke prestaties voor eenmalig gebruik. De arbeidstijd die nodig is voor de originele productie van dergelijke gebruikswaarden kan niet of nauwelijks worden genormeerd en staat ook in geen enkele verhouding tot de arbeidstijd die nodig is om eenmaal gevonden probleemoplossingen toe te passen en te herhalen.
5·2 Credentie-uitbuiting als relatief zelfstandige uitbuitingsvorm
Credentie-uitbuiting is een van kapitalistische uitbuiting onderscheiden, zelfstandige uitbuitingsvorm. In kapitalistische maatschappijformaties is credentie-uitbuiting functioneel in het kapitalistische uitbuitingsmechanisme geïntegreerd en neemt hierdoor een bijzondere vorm aan. De kapitalistische uitbuitingsverhoudingen bepalen de structurele parameters waarbinnen de credentiële uitbuitingsvorm zich ontwikkelt (en dus ook de reeks mogelijkheden van actuele uitkomsten), maar zij leggen de specificiteit van deze uitbuitingsvorm niet vast.
De integratie van de credentiële uitbuitingsvorm in de kapitalistische uitbuitingsvorm komt tot uiting in het feit (1) dat de beschikkingsmacht over credentie-bronnen onder bepaalde voorwaarden een effectieve claim op meerwaarde mogelijk maakt en (2) dat de credentierentes van professionals en experts relatief gemakkelijk in kapitaaleigendom kunnen worden geconverteerd. Deze functionele integratie betekent niet dat credentie-uitbuiting een integraal onderdeel is van kapitalistische uitbuiting, noch dat hierdoor spanningen en mogelijke conflicten tussen beide uitbuitingsvormen zijn uitgesloten.
Het mechanisme van credentie-uitbuiting produceert geen empirische effecten die volledig onafhankelijk zijn van de werking van kapitalistische instituties.[84] De aard en de verdeling van de posities waarin gediplomeerde arbeidskrachten worden gebruikt, worden niet alleen beïnvloed door de aard van de arbeidsmarkt, maar ook geconditioneerd door the powers and interests invested in the private ownership of the means of production [Burris 1989:164]. Dit impliceert echter niet dat credentie-uitbuiting geen eigen effecten sorteert. Kortom: in burgerlijke maatschappijformaties is credentie-uitbuiting deeply structured and constrained by capitalism, but this does not demonstrate that it is no more than an effect or reflection of capitalist exploitation [Wright 1989:195].
5·3 Credentie-uitbuiting en credentie-minimum
Een cruciale implicatie van mijn analyse van credentie-uitbuiting is, dat er een analytisch onderscheid kan worden gemaakt tussen drie categorieën credentiehouders.
Dit analytische onderscheid tussen categorieën professionals en experts impliceert dat we ons vooral moeten concentreren op twee kwalitatieve omslagpunten: tussen categorie 1 en 2 en tussen categorie 2 en 3. De theoretische definitie van deze kwalitatieve omslagpunten lijkt relatief eenvoudig in vergelijking met de operationaliseringsproblemen waarop men stuit zodra men deze theoretische afbakeningen in empirisch-historisch onderzoek vruchtbaar wil maken. In dit verband wil ik slechts op drie problemen wijzen.
Er zijn in principe twee manieren om de omvang van het credentie-minimum empirisch vast te stellen. Ten eerste via de analyse van de verhouding tussen meerarbeid en noodzakelijke arbeid en ten tweede via de analyse van de credentierente waarvan de omvang uitstijgt boven het niveau van de reproductiekosten van de arbeidskracht van credentiehouders (of van vergelijkbaar hooggekwalificeerde arbeidskrachten). Beide methodieken zouden moeten worden beoordeeld op uitvoerbaarheid en mate van nauwkeurigheid.
5·4 Tussenklassenposities en objectieve ambiguïteit
Professionals en experts verkeren in de tussenklassenpositie van zelfstandige loonarbeiders wanneer en voor zover zij op basis van hun credentiebezit in staat zijn een effectieve claim op hun waardeproduct te leggen en dus loonarbeid zonder uitbuiting verrichten. Een dergelijke benadering brengt een aantal problemen met zich mee (a) omdat een aantal professionals in staat zijn een deel van hun inkomens te kapitaliseren, (b) omdat hun loopbanen vaak in managementshiërarchieën zijn geïntegreerd en (c) zij levensvatbare opties hebben voor een overgang naar een zelfstandige kleinburgerlijke existentie.
Professionals kunnen hun credentierente in hun inkomen kapitaliseren, maar zij kunnen deze ook consumeren. Credentierente maakt het in principe weliswaar mogelijk kapitalistisch eigendom te verwerven, maar niet alle individuen zullen ook van deze mogelijkheid gebruik maken. Professionals kunnen hun discretionaire inkomen (dat wil zeggen het inkomen dat overblijft na aftrek van de uitgaven voor de eigen reproductie) ook vertalen in een hogere levensstandaard in plaats van in investeringen. Met name professionals met een zeer hoog niveau van baanzekerheid staan niet onder een systematische dwang hun credentierente te kapitaliseren. Voor de ondernemende kapitalisten is accumulatie een imperatief dat inherent is aan hun klassenpositie (investering en accumulatie zijn noodzakelijke voorwaarden voor hun reproductie als kapitalisten). Voor hoog betaalde employés is er geen vergelijkbaar imperatief om te accumuleren. Hun reproductie is niet afhankelijk van de kapitalisering van hun inkomen.
Professionals en experts worden natuurlijk niet allemaal managers, ook al hebben zij loopbanen die in de regel zijn geïntegreerd in de managementshiërarchie. Er kan dus een discrepantie bestaan tussen de karakteristieke carrièrestructuur van professionals als geheel en de specifieke uitkomsten voor individuele professionals. Daarom moet men zich afvragen hoe het karakter van hun individuele klassenpositie moet worden geanalyseerd: Should it be defined by the characteristic career pattern of professionals or by the actual career trajectory of the individual in question? [Wright 1989:335]. Zo kiest bijvoorbeeld Goldthorpe [1980:40 e.v.] voor het eerste alternatief. Volgens hem behoren professionals tot een aparte service class vanwege de verantwoordelijkheden en het gezag in hun werk, vanwege de toekomstige beloningen die in professionele carrières zijn ingebouwd en vanwege het feit dat hun arbeidsrelatie het algemene karakter heeft van een service contract.[90] Een dergelijke beschrijving kan weliswaar kenmerkend zijn voor een deel van de professionals in loondienst, maar er zijn talloze professionals waarvoor een of meer van deze eigenschappen niet gelden. Goldthorpe kent aan individuen klassenposities toe op basis van de voor hun banen kenmerkende carrière- en mobiliteitspatronen en niet zozeer op basis van hun actuele situatie. Voor de definitie van klassenposities als zodanig lijkt mij echter alleen dit laatste doorslaggevend.[91]
Wright heeft er terecht op gewezen dat achter dit soort schijnbaar scholastische kwesties serieuze begripsmatige problemen schuil gaan. De gemeenschappelijkheid van een klassenpositie wordt immers gedefinieerd door gemeenschappelijke materiële belangen die relationeel bepaald zijn.[93] Materiële belangen zijn gemeenschappelijke materiële afwegingen (trade-offs) en dilemmas in de keuzes die mensen maken betreffende materiële welvaart en macht.
Door de actuele keuzes die individuen in dergelijke carrières maken, kunnen echter hun materiële belangen in de toekomst veranderen. Twee professionals in identieke carrières, waarvan de een systematisch zijn discretionaire inkomen heeft geïnvesteerd en de ander niet, hebben uiteindelijk divergente klassenbelangen. Een professional of expert die geen manager wordt (door keuze of toeval) of die ervoor heeft gekozen nooit voor zichzelf te beginnen, heeft waarschijnlijk uiteindelijk andere klassenbelangen dan een professional die in de managementshiërarchie opklimt of voor zichzelf begint. In dergelijke gevallen hebben we bij het definiëren van de klassenpositie te maken met een zekere mate van onbepaaldheid of objectieve ambiguïteit (Wright). Deze klassenposities zijn ambigu omdat zij niet alleen gestructureerd worden door de actuele plaats die professionals in de uitbuitingsverhoudingen innemen, maar mede afhankelijk zijn van toekomstige toestanden die aan deze posities zijn verbonden (zoals kapitaaleigendom, managersposities, zelfstandigheid). En deze toekomstige toestanden zijn gedeeltelijk afhankelijk van contingente keuzes en gebeurtenissen. Daarom kunnen wen deze posities in de klassenstructuur niet alleen karakteriseren als eigensoortige tussenklassenposities (verankerd in tegenstrijdige posities in uitbuitingsverhoudingen), maar bovendien ook als partieel objectief ambigue posities. Dit kan mede verklaren waarom professionals en experts meestal zon hoog niveau van intern ideologische heterogeniteit vertonen: professionals en experts in niet-managementsposities vindt men overal op de ideologische kaart. The objective temporal indeterminancy of their class location may allow for a variety of relatively contingent social processes that vary considerably among professionals and experts to have a relatively large impact on their ideological orientation [Wright 1989: 336].
Noten |
|---|
1 In weberiaanse kringen behoort deze distributieve benadering sinds lang tot de standaardinterpretatie van Webers klassentheorie. In marxistische kringen werd deze benadering traditioneel fel bekritiseerd en geconfronteerd met de primacy of exploitation at the point of production. Deze laatste aanpak heeft weer aandacht gekregen door de studies van Roemer. Zie hft. V, § 3·1 - noot 36.
2 Vgl. Kramer [1968:175], Cassano [1971:25 e.v.], Herkommer [1975:125], Therborn [1976:140 e.v.], Johnson [1976:62], Giddens [1973], Korpi [1978:10 e.v.], Crompton/Gubbay [1978:16 e.v.], Wright [1979:8], Elster [1985:69], Kuttler/Lozek [1985:274] en zeer vele anderen. De vaak als neo-weberiaan geafficheerde Anthony Giddens zet zich overigens in latere publicaties af tegen de identificatie van klassenposities met marktposities. The identification of the class situation with market situation and the general thesis that class divisions and class conflicts are phenomena of market relations have to be rejected [Giddens 1977:205].
3 Voor Weber heb ik dit uitvoerig aangetoond in Benschop [1987a, hfst. 3] en voor Marx in Benschop [1988]. Vgl. ook: Bader/Benschop [1988:216 e.v.].
5 In plaats van velen citeer ik als voorbeeld uit de marxistische traditie Marta Harnecker: Les rapports sociaux de production ne peuvent pas être considérés seulement comme des rapports entre des hommes. Ce sont des rapports entre les agents de la production, cest-â-dire, entre des hommes qui ont une fonction sociale déterminée dans la production des biens matériels, fonction qui dépend de leur rapports entre propriétaires de moyens de production et producteurs directs [Harnecker 1974:48]. Vgl. Bischoff [1987:190]. Zie ook hft. VI - noot 1.
6 Het begrip dienstensector of tertiaire sector is uitermate slecht afgebakend en is vaak niet meer dan een negatief gedefinieerde restcategorie, waarin alle arbeidsvormen worden gedumpt die niet in de primaire of secundaire sector kunnen worden ondergebracht. Zie voor de definitie en afbakening van het dienstbegrip en de onderscheiding tussen diverse typen diensten: Berger [1986:28 e.v.], Gershuny [1981:68 e.v.], Gross [1983:13 e.v.], Berger/Offe [1984:229 e.v.], Völker [1984:31 e.v.].
7 Met een aantal amendementen refereer ik de afbakening van het uitbuitingsbegrip door Bader/Benschop [1988:203 e.v.].
8 Vergelijk ook de volgende formuleringen. Sobald das Mehrproduct in der Form exklusiven Eigentums usurpiert wird, strukturiert sich die Gesellschaft in Klassen. Aus dem je eine Epoche bestimmenden Eigentumsverhältnis, dem Mehrproduct in bestimmter Privateigentumsform, leitet sich jeweils die grundlegende Klassenstruktur ab: das Mehrproduct wird von den herrschenden Klasse direkt oder indirekt angeeignet, akkumuliert, verteilt und produktiv oder parasitär konsumiert; es wird einer unterdrückten Klasse von unmittelbaren Produzenten je nach dem Grad ihrer Unterdrückung und Ausbeutung vom Arbeitsergebnis abgezogen [Mauke 1970:15]. Classes only come into existence when a surplus product is generated, such that a division of labour is possible between those who produce and those who do not; and such that the latter are placed in an exploitative relation vis-à-vis the former [Giddens 1973:88].
9 Zie voor een bespreking van de intuïtieve en normatieve noties van uitbuiting: Elster [1985:167]. Zie voor een kritische bespreking van de normatieve dimensie van Marx uitbuitingsbegrip: Geras [1984]. Zie voor een analyse van de alledaagse of folk concepties van uitbuiting in de morele context van het dorpsleven in Maleisië: J.C. Scott [1985:186-98].
10 Dit absolute begrip van meerarbeid staat bijvoorbeeld centraal bij Bottomore [1991:8]: Social classes originated with the first historical expansion of productive forces beyond the level needed for mere subsistence. The extension of the division of labour outside the family, the accumulation of surplus wealth, and the emergence of privately owned instruments of production formed the basis for the constitution of social classes. Vergelijk de kritische beschouwingen van H.W. Pearson [1957:322-3] en Ste. Croix [1983:37,545].
11 Vgl. Marx [MEW 23:185 vert. 110; MEW 25:645,647,827], Lenski [1966], Sahlins [1972], Seibel [1978], Cohen [1978:198], Eder [1980:42 e.v.], Ritsert [1988:35].
12 Vanuit het hier geformuleerde begrip van uitbuiting is het misleidend om te zeggen dat meerarbeid slechts een antagonistische vorm aanneemt in klassenmaatschappijen [Marx MEW 25:827]. Meerarbeid in de eigenlijke zin van het woord komt immers pas tot stand door deze specifieke antagonistische verhouding. In alle maatschappijformaties waarin de controle over de materiële arbeidsvoorwaarden is voorbehouden aan een bepaalde groep mensen en die bijgevolg gekenmerkt worden door klassentegenstellingen, heeft de meerarbeid in een antagonistisch karakter. Dit geldt daarom ook, maar niet uitsluitend de kapitalistische arbeidswijze. Dit antagonistische karakter vertoont twee complementaire facetten: (a) de meerarbeid wordt afgedwongen; de arbeiders zijn genoodzaakt een koper voor hun arbeidskracht te zoeken (dwang in de circulatiesfeer ondanks de schijn van vrijheid en gelijkheid) en in het arbeidsproces zelf werken zij onder toezicht en op aanwijzing van de kapitalist (materiële zowel als formele dwang in de sfeer van de productie); (b) de vruchten van de meerarbeid vallen toe aan de klasse van de bezitters, zonder dat zij een productieve bijdrage in de vorm van arbeid aan de voortbrenging leveren, noch daarvoor een offer brengen in de zin van zich iets te moeten ontzeggen ter zake van de consumptie; de accumulatie komt tot stand op kosten van de arbeiders. Dwang zowel als toeëigening zijn terug te voeren op het fundamentele gegeven, dat het merendeel van de mensen is beroofd van de middelen, om zelf hun arbeidskracht voor de vervaardiging van gebruikswaarden te kunnen aanwenden [Van Drimmelen 1976:271 e.v.].
13 Deze overweging heeft gevolgen voor de manier waarop men zich de afschaffing van uitbuitings- en klassenverhoudingen voorstelt. Afschaffing van uitbuitingsverhoudingen betekent niet dat iedereen feitelijk over dezelfde productieve bronnen beschikt, maar dat er geen eigendomsrechten meer zijn die ongelijk zijn verdeeld met betrekking tot deze productieve bronnen. Hierdoor is niemand op voorhand in staat om een groter deel van het maatschappelijk surplus (of een hoger inkomen) te verwerven op grond van superieure beschikkingsmacht over meer productieve bronnen. Wright maakt in dit verband een zinvol onderscheid tussen drie mogelijke vormen van nivellering: (1) nivellering van feitelijk bezit van een bron; (2) nivellering van de controle over de verwerving en het gebruik van de bron (3) nivellering van het inkomen dat door de bron wordt gegenereerd [Wright 1985:103. vgl. 86]. Hier moet onmiddellijk aan worden toegevoegd dat exploitatie ook mogelijk is op basis van ongelijke controle over een zeer breed palet indirecte bronnen, en dus niet alleen over directe of productieve bronnen zoals bij Wright.
14 Deze gedachte staat centraal in de door E.P. Thompson [1971] geïntroduceerde notie van moral economy welke door J.C. Scott [1976] werd gepreciseerd.
15 In deze laatste overweging ligt tevens een probleem besloten dat de marxistische economen lange tijd heeft beziggehouden: hoe kan gecompliceerde arbeid tot eenvoudige arbeid worden herleid? Om voor de arbeidswaarde een kwantitatieve uitdrukking te vinden, moeten de verschillende soorten arbeid tot een gemeenschappelijke noemer kunnen worden teruggebracht. Marx suggereerde dat het heterogeniteitsprobleem kan worden opgelost door de verschillende soorten arbeid op te vatten als een veelvoud van eenvoudige (of gemiddeld geschoolde) arbeid. Hij suggereert dus dat de mate van scholing (respectievelijk het niveau van arbeidskwalificatie) de wegingscoëfficiënt is. Kortom: het verschil tussen gecompliceerde en eenvoudige arbeid kan worden teruggebracht tot een verschil in opleidings- dan wel vervangingskosten.
Het is evident dat de waarde van de gemiddelde arbeidskracht geen constante is, maar varieert in de verschillende landen, tijdperken en conjuncturen. Binnen elke maatschappij historisch en conjunctureel specifieke samenleving is deze gemiddelde arbeid echter een empirisch gegeven. Marx gaat ervan uit dat de herleiding van gecompliceerde tot eenvoudige arbeid in de werkelijkheid voortdurend plaats vindt [Marx MEW 23:59], maar analyseert niet de processen waardoor deze herleiding tot stand komt. In zijn theoretische analyse werkt hij met de vereenvoudigende vooronderstelling dat elke soort arbeidskracht geldt als eenvoudige arbeidskracht. De uitvoerige theoretische discussies die sinds Böhm-Bawerk en Bernstein over het transformatieprobleem zijn gevoerd, kunnen hier niet worden gerefereerd [vgl. Meek 1973; Van Drimmelen 1976:235-47; Steedmans 1981]. Al met al zijn er tot nu toe geen bevredigende empirische methoden ontwikkeld om de theoretisch veronderstelde herleiding van gecompliceerde tot eenvoudige arbeidskracht te operationaliseren.
16 Vgl. Raatgever [1988:41].
17 Bader/Benschop [1988:210-8] analyseren vier basismechanismen van uitbuiting. Ik heb hieraan exploitatie op basis van heerschappijposities in arbeidsorganisaties als vijfde type toegevoegd en clientèle-uitbuiting ingevoegd bij de exploitatie op basis van ongelijke ruilverhoudingen. Deze uitgebreidere classificatie pretendeert geen volledigheid in de zin dat álle historisch relevante uitbuitingsmechanismen onder een van deze typen gerangschikt kunnen worden. Als men alle historisch relevante en theoretisch denkbare uitbuitingsmechanismen in kaart wil brengen, moet men er in ieder geval rekening mee houden dat in principe de beschikkingsmacht over alle indirecte bronnen de grondslag kan vormen voor toeëigening van meerarbeid te fungeren.
18 Als men een strikt onderscheid maakt tussen beschikkingsmacht over de directe bron organisatiepositie (vormen van coöperatie en coördinatie; leiding van de arbeidsorganisatie) en de indirecte bron heerschappijposities in organisaties, dan zou men aan deze voorbeelden kunnen toevoegen: uitbuiting van uitvoerende arbeiders door leidinggevende arbeiders. Deze vorm van directe organisationele uitbuiting moet echter duidelijk worden onderscheiden van de gezagsexploitatie die plaatsvindt op grond van beschikkingsmacht over gezags- of heerschappijposities in organisaties. Ik kom hier uitvoerig op terug in hft. VIII, § 4.
19 In kritische aansluiting op het concept tribuutstaat van Samir Amin en Eric Wolf heeft Worsley [1984:102 e.v.] een meer afgewogen beeld van het gebruik van politiek geweld als middel van economische exploitatie. Zie het excurs over de tributaire productiewijze in hft. VIII.
20 Wright [1985:96] erkent dat ook de controle over militair geweld de staat de mogelijkheid geeft een deel van de meerarbeid toe te eigenen. Het verwarrende in zijn benadering is echter dat hij deze uitbuitingsvorm opvat als een vorm van non-asset exploitation. Dit vloeit voort uit twee discutabele vooronderstellingen. Ten eerste gaat Wright ervan uit dat indien de bronnen waarover effectieve controle kan worden uitgeoefend geen productieve bronnen zijn deze daarom non-assets zijn. Daarmee reduceert hij het bronnenbegrip tot directe of productieve bronnen. In het verlengde van deze reductie veronderstelt hij ten tweede dat alle vormen van uitbuiting die niet zijn verankerd in control on ownership of productive forces moeten worden opgevat als non-production exploitation [idem:98].
Achter deze beide stellingen schuilt de al eerder bekritiseerde premisse dat deze non-production exploitations slechts van belang zijn voor de herverdeling van een reeds geproduceerd maatschappelijk product en niet voor de maatschappelijke productie van dat product. De hele redenatie blijft gevangen binnen een productivistisch verkort begrip van maatschappelijke arbeids- en uitbuitingsverhoudingen. Bovendien is Wrights argumentatie intern inconsistent omdat hij zijn begrip van surplus zelf nadrukkelijk beperkt tot surplusproduct [idem:100 - noot 18].
21 Deze in de regel geïnstitutionaliseerde en conventioneel en/of wettelijk gegarandeerde vormen van ascriptieve uitbuiting (statusexploitatie) moeten worden onderscheiden van ongelijke ruilverhoudingen op basis van persoonsgebonden reputatie. Het reputatiemechanisme speelt met name een belangrijke rol in de verklaring van de specifieke tussenklassenpositie van (zelfstandige of loonafhankelijke) professionals [zie § 4]. Reputaties komen in en door netwerken van sociale relaties tot stand en kunnen tot op zekere hoogte niet alleen strategisch worden gecultiveerd (tot een goede naam, een grote faam of een bekende Nederlander), maar door reputatie-rijken ook strategisch worden ingezet om de marktprijzen van hun diensten of arbeidsproducten duurzaam boven de marktwaarde te fixeren. Een beroemde therapeut, een virtuoze musicus, een geniale belastingdeskundige, een internationaal erkende wetenschapper of een uiterst talentvolle basketballer zijn hierdoor vaak in staat enorm hoge reputatierentes te inkasseren.
22 In patronageverhoudingen (asymmetrische persoonlijke loyaliteitsrelaties tussen patroons en cliënten) worden de marktprijzen vervangen door conventioneel gefixeerde en door de patroons gegarandeerde prijzen. Als verkopers van bepaalde goederen of diensten kunnen de patroons hun marktprijzen duurzaam fixeren boven de marktwaarde; als kopers kunnen zij deze prijzen juist onder de marktwaarde fixeren. De cliënten kunnen zich niet aan deze uitbuitingsvorm onttrekken omdat patronageverhoudingen meestal niet vrijwillig worden aangegaan (in tegenstelling tot selectieve associaties tussen gelijken). Ongelijke ruil op basis van patronageverhoudingen vormt de harde kern van interactionele uitbuitingsvormen. Wanneer en voor zover geïnstitutionaliseerde exclusieve posities in netwerken van sociale relaties leiden tot substantiële en duurzame uitbuitingspraktijken kunnen hieruit interactioneel gedefinieerde klassenposities ontstaan. Dit was de reden waarom de definitie van klassenposities niet uitsluitend (maar wel primair) werd beperkt tot het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie. Zie eerder hft. V, § 3·2.
23 Vgl. A.G. Frank [1966,1967,1978], Wallerstein [1974,1980].
24 Zie eerder hft. VI - noot 25.@
25 Zie voor een historische analyse van de met elkaar verweven uitbuitingsmechanismen in het Nederlandse handelskapitalisme: Van Zanden [1991]. Vgl. ook Bader/Benschop [1988:212].
26 In kapitalistische maatschappijformaties is de specifiek kapitalistische uitbuitingsvorm primair. De secundaire uitbuitingsvormen daarin zijn organisationele uitbuiting (op basis van beschikkingsmacht over heerschappijposities), credentie-uitbuiting (op basis van beschikkingsmacht over diplomas) en sexploitatie (uitbuiting op basis van ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, resp. van controle van mannen over vrouwen). Actual capitalist societies should be understood as containing a variety of forms of exploitation, not simply capitalist as such [Wright 1989:191]. Het probleem in Wrights benadering is dat hij deze secundaire uitbuitingsvormen direct koppelt aan het bestaan van middenklassen.
27 Vgl. Bader/Benschop [1988:217].
28 Zie uitvoeriger: hoofdstuk VIII, § 4 Organisationele uitbuiting en klassenpositie.@
29 Vgl. Van Dales Etymologisch woordenboek; Kramers Vreemde-Woordentolk; Knuttel [1916]
30 Zie voor een specificatie van het kwalificatiebegrip: Christis [1988:52 e.v.].
31 Credenties zijn met name van belang als indicatie van iemands motivatie, loyaliteit en binding aan bepaalde waarden [Abercrombie/Urry 1983:104].
32 Zie voor een uitvoerige analyse van de werking van indirecte bronnen: Bader/Benschop [1988:137 e.v.,181 e.v.]
33 Ook Wright gaat ervan uit dat talenten van nature schaars zijn in een populatie. We consider talents to be innate attributes of individuals acquired through the genetic lottery [Wright 1989:193]. Hij concentreert zijn definitie van talenten volledig op erfelijk overgedragen kenmerken en eigenschappen en laat de individueel aangeboren kenmerken en eigenschappen buiten beschouwing. Wright heeft wel een scherp ook voor het karakter van talenten als potentiële arbeidskwalificatie. A talented person is someone who can acquire a given skill at less cost (in time, effort and other resources) than an untalented person. In extreme cases, this may mean that the cost to the untalented becomes infinite (i.e. it is impossible to acquire the skill in question [Wright 1985:76; vgl. 1989:194].
33a Bijna alle liberale theoretici veronderstellen dat in burgerlijke maatschappijformaties sprake is van een toenemende beroepsselectie op basis van verdienste, voor zover die gedefinieerd wordt door educatieve credenties. In hoofdstuk II is deze meritocratische ideologie al uitvoerig bekritiseerd. Zie voor gedetailleerde empirische kritieken: Heath/Mills/Roberts [1991], Heath/Clifford [1992], Johnson/Mills [1990].
34 Het onderwijsstelsel en het daarop gebaseerde stelsel van diploma-toekenning is een mechanisme dat sommige mensen in staat stelt om gewaardeerde kwalificaties te verwerven waarvan anderen zijn uitgesloten. Het resultaat daarvan is dat de verworven kwalificatie schaars is. Dat zou overigens ook het geval zijn waneer deze kwalificatie louter het resultaat zou zijn geweest van uiteenlopende natuurlijk gegeven talenten. Men zou daarom credenties ook lunnen opvatten als a socially institutionalized mechanism of artificially creating talents [Wright 1989:194].
35 Sociale relaties fungeren zowel als indirecte bron om toegang tot arbeidsmarkten te verkrijgen, om de machtskansen op arbeidsmarkten te vergroten als om de machtskansen in arbeidsorganisaties te potentiëren. Sociale relaties zowel selectieve associatie als patronageverhoudingen zijn een belangrijke indirecte bron voor individuele arbeidsmarkt- en carrièrestrategieën. Sociale relaties zijn belangrijke kanalen via welke men een reputatie kan opbouwen (in de ogen van een arbeidskrachthuurder), belangrijke informaties kan verkrijgen (tips over banen die vrijkomen), invloed kan uitoefenen op selectieprocedures (referenties, aanbevelingen), primaire bronnen van anderen voor eigen doeleinden kan gebruiken enz. [Bader/Benschop 1988:185; vgl. 194].
36 Indien de betreffende credenties louter bestaan uit al dan niet door politieke overheden gesanctioneerde diplomas zou men van diploma-uitbuiting kunnen spreken, en indien zij louter bestaan uit aanbevelingen of referenties (als resultaat van strategisch relevante sociale relaties) zou men van referentie-uitbuiting kunnen spreken.
37 Tegen deze argumentatie zou men het bezwaar kunnen inbrengen dat het empirisch gezien juist zeer plausibel is om ervan uit te gaan dat kwalificaties en credenties nauw met elkaar verweven zijn en dat men daarom juist de werking van het gecombineerde mechanisme van kwalificatie/credentie-uitbuiting moet analyseren. Maar als men inzicht wil krijgen in deze combinatie, doet men er goed aan de twee onderling verweven uitbuitingsvormen analytisch van elkaar te onderscheiden. Bovendien zal men ook bij de analyse van dit gecombineerde uitbuitingsmechanisme ook aannemelijk moeten maken dat het bezit van kwalificaties en credenties een grondslag kunnen zijn voor een effectieve claim op meerarbeid van anderen. Dit laatste is echter, zoals we nog zullen zien, slechts onder zeer specifieke voorwaarden mogelijk.
38 Evenals voor alle andere bronnen (en beloningen) geldt ook voor de schaarste van arbeidskwalificaties dat zij niet zozeer als zodanig schaars zijn, maar alleen als schaars worden ervaren en gedefinieerd in relatie tot de historisch en maatschappelijk bepaalde behoeften en belangen (of concreter: in relatie tot de op deze basis gearticuleerde vraag). Deze maatschappelijk geconstitueerde schaarste is overigens geen verschijnsel dat alleen voorkomt in maatschappijen waarin de kapitalistische warenproductie domineert. De betekenis van bronnen en beloningen die als schaars worden ervaren en gedefinieerd voor het onderzoek naar sociale ongelijkheden wordt uitvoeriger behandeld in Bader/Benschop [1988:59,298]
39 Vgl. Wright [1989:21], Bourdieu [1989:158].
40 Ik heb deze elementen uitvoeriger uitgewerkt in: Benschop [1987a § 7·3]. In aansluiting bij Max Weber behandel ik daarin professionalisering als een specifiek mechanisme en een specifieke strategie van sociale sluiting. Weber heeft er als eerste op gewezen dat de monopolisering van economische en sociale kansen een specifieke vorm aanneemt wanneer zich groepen van personen formeren die specifieke kwaliteiten gemeen hebben welke door opvoeding, onderwijs en training verworven kunnen worden [Weber WG:202]. Professionalisering is een strategie van beroepsgenoten die proberen beloningen te maximeren door de toegang tot dit beroep (en de daarmee verbonden economische en sociale kansen) te beperken. Professionalisering is dus altijd gericht op het creëren van een specifieke schaarste. Dat is in principe mogelijk door het verkleinen van het aanbod (reductie van beschikbaarheid van een specifieke dienst of waar) of door het vergroten van de vraag (door opwaardering van de specifieke kwaliteit van de aangeboden waren of diensten). Vgl. Johnson [1972,1976], Bestaut [1975], Abercrombie/Urry [1983:101 e.v.,121], Mok [1973], Abbott [1988].
42 Vgl. Wright [1989:194].
43 Men zou ook kunnen zeggen dat professionals en experts bovenop hun returns on competence welke door het onderwijssysteem worden gegenereerd ook nog hun returns on credentials ontvangen. In sociologische termen: De beloningen die toevallen aan een beroep worden vooral bepaald door de symbolische schaarste van zijn titel in de ruimte der beroepsbenaderingen (en niet de relatie tussen vraag en aanbod van een bepaald soort arbeid). Hieruit volgt dat de beloningen van de titel onafhankelijk worden tegenover de beloningen van de arbeid. Zo zal hetzelfde werk verschillend beloond worden al naar gelang de titel van degene die het verricht [Bourdieu 1989:157-8].
44 In 1985 ging Wright er nog van uit dat de toeëigening van credentierente door professionals een noodzakelijke en voldoende voorwaarde is om te zeggen dat er sprake is van uitbuiting. In zijn latere publicaties bracht hij hierop een belangrijke correctie aan. Hij neemt daarin expliciet afstand van de gedachte that surplus appropriated by skill/credential owners necessarily constitutes exploitation of others [Wright 1989: 331]. In plaats daarvan beschouwt hij de monopolie- of credentierente die gekwalficeerde arbeidskrachten ontvangen slechts potentieel als vorm van uitbuiting. Toegespitst op kapitalistische verhoudingen betekent dit het volgende. The existence of monopoly rents in the wages of skilled/credentialed labor power is a necessary condition for such wage-earners to be exploiters, but it is not a sufficient condition [idem:195]. De credentierente indiceert alleen maar dat gekwalificeerde loonarbeiders in staat zijn een deel van het surplus in hun loon toe te eigenen. Omdat echter de arbeid van deze gekwalificeerde loonarbeiders zelf ook aan dat surplus bijdraagt, this need not imply that the skilled wage-earner is appropriating the labor of anyone else [idem].
45 Andere vormen van indirecte uitbuiting via ongelijke ruil zijn bijv. ascriptieve uitbuiting (ongelijke ruil op basis van discriminatie) en koloniale of imperiale uitbuiting via ongelijke handelsvoorwaarden in de interstatelijke context. Zie voor een korte uitwerking van deze uitbuitingsvormen: Bader/Benschop [1988:215]. De vraag of credentie-uitbuiting als primaire dan wel als secundaire uitbuitingsvorm getypeerd moet worden, of dat beide tot de mogelijkheden behoren, komt in § 5·2 aan de orde.
46 Tenzij men het begrip credentie zo sterk verbreed dat hieronder naast educatieve en academische titels ook adellijke titels worden verstaan. Hoewel ik hiervoor een beperkter begrip van credenties heb gedefinieerd, zie ik overigens geen principiële reden om dit begrip niet in deze richting te verbreden. Voor een algemene analyse van uitbuitingsvormen zou het voordelen kunnen hebben om met een zodanig breed begrip van credenties te opereren, dat daarmee ook de beschikkingsmacht over adellijke titels als grondslag van een specifieke (titulaire) uitbuitingsvorm gethematiseerd kan worden. Voor een historisch-sociologische analyse van de in het feodalisme gecombineerde uitbuitings- en klassenverhoudingen lijkt dit een aantrekkelijk perspectief. In mijn reconstructie van Webers theorie van sociale sluiting zijn hiervoor een aantal aanknopingspunten te vinden, m.n. in de analyse van het professionaliseringsmechanisme [Benschop 1987a § 7·3]. Bourdieu [1989:157 e.v.; 1989a] analyseerde de samenhang tussen adellijke, educatieve en professionele titels.
48 Een cruciaal element in deze overdrachtsvorm is de socialisatie van kinderen van professionals. In de primaire socialisatie worden de door professionals verinnerlijkte beroepsmatige gedragscodes, groepsidentiteiten en -ethieken overgedragen op hun kinderen. Door gewenning aan deze professionele codes en beroepsstijlen wordt het voor deze kinderen gemakkelijker om toegelaten te worden tot de educatieve instellingen waarin de betreffende kwalificaties kunnen worden aangeleerd en vergroten zij hun kansen om de uiteindelijk begeerde titels te verwerven. Bovendien wordt hierdoor tevens de kans vergroot om toegelaten te worden tot de kringen waarin deze professionele code wordt aangehangen [Parry/Parry 1976].
Een arbeiderskind beklimt niet zomaar de academische ladder en academici uit arbeidersgezinnen maken moeilijker carrière. Zij beschikken niet over de juiste netwerken en kennen de sociale codes niet die in bepaalde beroepsgroepen gelden. Tijdens hun loopbaan stuiten zij op selectiecriteria die niet vakmatig, maar sociaal zijn. De impliciete boodschap is: als je de codes van ons wereldje niet kent, dan hoor je er niet. Wie de ongeschreven regels, de dubbele agendas en mores van de beroepsgroep niet kent, wordt uitgesloten of komt binnen zijn professie niet of zelden aan de top [Matthys 2010].
49 In het door Bader/Benschop [1988:263 e.v.] uitgewerkte eigendomsbegrip wordt een onderscheid gemaakt tussen privileges, rechten en eigendom. Het resultaat van feitelijke beschikkingsmacht over bronnen zijn privileges. Deze privileges kunnen uiterlijk worden gegarandeerd door conventies (d.w.z. door sociale minachting en uitsluiting wanneer deze conventies worden geschonden) en/of door recht (d.w.z. door dreiging met of toepassen van legaal fysiek geweld). Wanneer privileges wettelijk zijn gegarandeerd dan worden het rechten. Rechten zijn privileges die uiterlijk door wetten worden beschermd, onafhankelijk van de vraag of deze rechten ook innerlijk worden gegarandeerd door legale rechtsaanspraken die feitelijk voor legitiem worden gehouden. Rechten zijn dus niet per definitie legitieme rechten. Wanneer rechten bovendien erfelijk overdraagbaar zijn dan worden zij pas eigendom in strikte zin. Daarbij moet deze erfelijke overdracht breed worden opgevat en niet worden beperkt tot het criterium van verwantschap: eigendom omvat niet alleen familie- of verwantschapseigendom, maar ook corporatief en staatseigendom. De overdracht van de in eigendom geïmpliceerde beschikkingsmachten (rechten en bevoegdheden) komt enerzijds tot stand doordat zij direct worden overgedragen aan individuen die door geboorte (verwantschap) aan de huidige eigenaar zijn verbonden (individuele erfenis), anderzijds doordat de gemonopoliseerde kansen via het mechanisme van selectieve coöptatie worden overgedragen aan leden van bepaalde organisaties (sociale erfenis).
50 Men kan proberen algemene uitspraken te doen over het relatieve gewicht van deze drie mechanismen. Meestal komt men echter niet verder dan uitspraken zoals: de natuurlijke verdeling van talenten speelt wel een rol, maar de maatschappelijke verdeling van kwalificaties en credenties is veel belangrijker of doorslaggevender [Wright 1989:195 doet dergelijke globale uitspraken]. Als men op dit abstractieniveau meent zinvolle uitspraken te kunnen doen, dan is het m.i. veel verstandiger (en in politiek opzicht meer opportuun!] aandacht te besteden aan de maatschappelijke bepaaldheid van de verdeling van natuurlijke talenten [zie hoofdstuk IV, § 1·1]. Er zijn inmiddels voldoende studies gedaan die laten zien dat de verschillen in fysieke en intellectuele potenties die kinderen vanaf hun geboorte meekrijgen in sterke mate afhankelijk zijn van de levensstandaard van hun ouders. De verdeling van natuurlijke talenten zelf is allesbehalve natuurlijk, maar door en door maatschappelijk gekleurd, en niet in de laatste plaats door klassengebonden verschillen in de economische levensstandaard. Op internationale schaal is dit fenomeen het meest helder gedocumenteerd in het onderzoek naar de gemiddelde fysieke en mentale condities van kinderen in de zgn. onontwikkelde landen in vergelijking met kinderen in de hoogontwikkelde kapitalistische landen.
51 Met deze laatste specificatie wil ik er alleen maar op wijzen dat bij credentie-uitbuiting wel duidelijk is wie de profiteurs zijn van deze exploitatievorm (nl. de gediplomeerde experts of specialisten), maar niet wie de uitgebuitenen zijn. In kapitalistische ondernemingen kunnen dit zowel de overige loonarbeiders zijn als de heterogene categorie van kopers of cliënten. Beiden zijn mogelijk en kunnen natuurlijk ook worden gecombineerd. Ondernemers kunnen de loonkosten voor de monopolieprijzen die credentiehouders kunnen bedingen, afwentelen op hun overige loonarbeiders zodat hierdoor direct hun loonhoogte wordt beïnvloed, maar zij kunnen de loonkosten ook afwentelen via de prijzen, zonder dat dit de loonhoogte van de overige loonarbeiders direct beïnvloedt. In dit laatste geval worden de claims van professionele loonarbeiders van het kapitaal direct afgewenteld op de kopers van de producten of op de gebruikers van de diensten van de onderneming. Bovendien is het ook mogelijk dat de staat prijssubsidies verleent op de betreffende producten of diensten. In dat geval moet naast de categorie van betalende kopers ook de massa van belastingbetalers worden betrokken in de analyse van de uitgebuitenen. Vgl. Bader/Benschop [1988:361]. Zie voor een uitvoerige analyse van het begrip belastinguitbuiting, de mechanismen en de vormen hiervan: Krätke [1984].
52 Professionalisering vereist altijd een zeker toezicht op de kwaliteit van de geleverde prestatie van de beroepsgenoten. Om de kwaliteit en de betrouwbaarheid van hun diensten te bewaken moeten zij zich afschermen van kwakzalvers, charlatans en beunhazen (sluiting naar buiten), moeten zij een systeem van gedragscontrole over de erkende beroepsgenoten ontwikkelen en moet hun onderlinge competitie worden gereguleerd (sluiting naar binnen). Voor dit toezicht moeten instituties worden opgericht en onderhouden die in de regel door de professionals zelf moeten worden gefinancierd. Achter deze zorg voor goede prestaties schuilt meestal het belang van het beperken van het aanbod van kandidaten voor de beroepsprivileges en het daaraan verbonden aanzien.
53 De manager is een hiërarchische creatie in de bureaucratische verdeling van controle en heeft als zodanig controle over anderen, vaak ook over professionals. De professional staat meestal buiten de gezagslijnen, heeft een grote mate van autonomie (regelcapaciteit) maar in de regel weinig gezag over ondergeschikten. De professionele benadering is taakgericht en hun gezag, legitimiteit en collectieve identiteit zijn meestal afgeleid van de wetenschappelijke standaarden van hun discipline en niet van bureaucratisch gezag. The professional is indeed, the antithesis to hierarchy and a fordist system [Esping-Anderson 1993:13].
54 Met name voor de analyse van voor-burgerlijke maatschappijformaties is het natuurlijk van belang een onderscheid te maken tussen klassenverhoudingen die verankerd zijn in persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen en klassenverhoudingen waarin persoonlijke onafhankelijkheid bestaat die in zakelijke afhankelijkheidsverhoudingen is ingebed [zie hft. VI, § 3·3]. Voor de analyse van persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen is niet het onderscheid tussen kwalificatie en arbeidskracht relevant, maar het onderscheid tussen beschikkingsmacht over de persoon als geheel (inclusief zijn/haar gekwalificeerde arbeidskracht) en beschikkingsmacht over meer of minder gekwalificeerde arbeidskracht. In het feodalisme zijn de beschikkingsmachten over de arbeidskracht ongelijk verdeeld. Persoonlijke afhankelijkheid betekent hier dat feodale heren (in samenhang met hun grondbezit) een aanzienlijke beschikkingsmacht hebben over de meer of minder gekwalificeerde arbeidskracht van hun vazallen; vazallen hebben geen volledige effectieve beschikkingsmacht over hun eigen persoon als productieve actoren. In de slavernij hebben slaven geen enkele of uiterst minimale beschikkingsmacht over hun eigen arbeidskracht omdat zij geen beschikkingsmacht over de eigen persoon hebben, terwijl de slavenhouders volledige eigendomsrechten hebben over hun slaven: gebruiks-, genots-, dispositie- én overdrachtsrechten.
55 Wright refereert hier aan tabel 3.2 alsof het over credential exploitation gaat, terwijl in het schema skills staat. We zullen later nog zien dat Wright in enorme problemen komt bij de operationalisering van zijn eigen model. Zie § 5·3 - noot 85. @
56 Dit is des te merkwaardiger wanneer men kijkt naar het argument dat Wright hanteert om zich te distantiëren van Roemers conceptie van status exploitation. Hij verwerpt deze conceptie omdat status-exploitatie überhaupt geen noodzakelijk verband heeft met de productie, d.w.z. dat deze uitbuiting niet geworteld is in the relation of people or coalitions to the forces of production [Wright 1985:74]. Dit laatste klopt, maar dit argument geldt ook voor credenties.
57 Dit bleek overigens ook al eerder uit zijn beschouwing over het meten van skill assets. In principle, skill/credential assets should be measured by the incumbency in jobs which require scarce skills, particularly credentialled skills [Wright 1985:313; vgl. 70]. In de praktijk bleken echter de data die hij voor zijn empirisch onderzoek gebruikte te onnauwkeurig om op een ondubbelzinnige manier het credentiële karakter van banen te definiëren. In plaats daarvan gebruikte Wright om de skill assets te definiëren twee andere criteria in combinatie met beroepstitels: formele educationele credenties (diplomas) en job autonomy. Vgl. ook Wright [1989:198]. De bruikbaarheid van het begrip credentie-exploitatie voor de empirische specificatie van klassenstructuren komt in § 5·3 aan de orde.
58 Zijn verklaring van het surplus dat natuurtalenten kunnen toeëigenen, is niet erg overtuigend. Hij analyseert dit verschijnsel analoog aan Marx behandeling van de differentiële grondrente die gekoppeld is aan verschillen in vruchtbaarheid van het land [Wright 1985:76; 1989:193]. Als men natuurtalenten al kan behandelen als human capital, dan zou men ze eerder in analogie met extra winsten moeten analyseren [vgl. Becker 1964].
Als men het kapitaalbegrip zo oeverloos uitrekt dat men álle bronnen eenvoudig kapitaal kan noemen, dan heeft men zoals eerder opgemerkt geen apart begrip meer voor bronnen die niet particulier zijn toegeëigend, en ook niet voor vormen van particuliere toeëigening van bronnen die specifiek zijn voor de kapitalistische maatschappijformatie. In dat geval zijn alle objectieve arbeidsvoorwaarden altijd en eeuwig kapitaal (zoals bij Bourdieu e.a.) en komt men sterk in de verleiding strategisch handelen in het algemeen te identificeren met een historisch specifiek type, nl. met dat van de burgerlijke homo economicus.
Natuurlijk kan men zeggen dat individueel verworven prestatiekwalificaties en natuurtalenten menselijk kapitaal zijn. Dit heeft echter alleen maar zin wanneer er sprake is van door ruil gemedieerde particuliere toeëigening van meerarbeid van anderen. Het kapitaalbegrip is dus niet principieel beperkt tot een bepaald type van directe bronnen (d.w.z. tot objectieve arbeidsvoorwaarden). Het blijft echter een hachelijke zaak om volledig te abstraheren van de specifieke historisch-maatschappelijke voorwaarden waaronder en verhoudingen waarbinnen deze bronnen feitelijk functioneren. Dit type onkritische abstractie is het intellectuele stijlkenmerk geworden van auteurs die de charme van de human capital theory niet hebben kunnen weerstaan.
59 Zie voor een eerdere kritiek op dit concept Bader/Benschop [1988:355]. Vgl. ook de kritieken van Stinchcombe [1989].
60 Vgl. ook de kritiek van Erbslöh e.a. [1990] en Hagelstange [1990:123].
61 ... while skills or credentials may be a basis for exploitation, this asset is not really the basis of a class relation, at least not in the same sense as labour power, capital and organization assets [Wright 1985:85].
62 Vgl. Jung [1973:155], Kievenheim [1973:234], Poulantzas [1974].
63 De standaardintuïtie is dat professionals geen proletariërs zijn. Deze intuïtie is niet zozeer gebaseerd op een analyse van de specifieke klassenbelangen van professionals, maar op de alledaagse ervaring. De proletarische leefwereld wordt gekenmerkt door de positioneel bepaalde ervaring (1) dat men gedwongen is de eigen arbeidskracht te verhuren om in het levensonderhoud te voorzien, (2) dat men binnen de arbeidsorganisatie een ondergeschikte functie vervult en geen controle over het eigen werk heeft, en (3) dat men geen enkele invloed heeft op de verdeling van maatschappelijke productieve bronnen. De leefwereld van professionals wordt daarentegen in het algemeen gekenmerkt door de positioneel bepaalde ervaring dat er buiten de loonarbeid reële alternatieven zijn voor zelfstandigheid en dat daarom de arbeidsmarkt een minder dwangmatig karakter heeft, dat men binnen de arbeidsorganisatie veel meer controle heeft over het eigen werk, en dat men op grond van de positie in de bedrijfshiërarchie en -bureaucratie veel meer invloed heeft op beslissingen over de verdeling en het gebruik van productieve bronnen dan gewone loonarbeiders, ook al hebben zij formeel niet de macht om deze bronnen feitelijk toe te eigenen. Vgl. hoofdstuk I, 2·1 en Wright [1989:337].
64 Ik gebruik hier de term zelfstandig in aansluiting op analyses zoals die van Edwards [1979], waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen drie segmenten van de arbeidsmarkt: de secundaire, ondergeschikt primaire en onafhankelijke primaire markten. (1) De secundaire arbeidsmarkt bevat laag betaalde banen met onregelmatig werk, banen die weinig zekerheid en stabiliteit bieden en waarbij de arbeidskrachten gemakkelijk uitwisselbaar zijn. Er is nauwelijks een verband tussen de ene baan en de volgende. Het zijn banen zonder uitzicht op promotie, die weinig kwalificaties vereisen en waarin mensen vrijwillig relatief gemakkelijk van baan veranderen. Omdat ondernemers relatief lage kosten hebben om arbeiders en banen met elkaar te combineren, kunnen zij deze arbeiders gemakkelijk vervangen of ontslaan wanneer dit in de ondernemingsstrategie van pas komt. (2) De banen in het primaire marktsegment bieden wel enige zekerheid met een tamelijk stabiele werkgelegenheid, hogere lonen en er bestaat enig verband tussen de opeenvolgende banen die een arbeider verricht. De ondergeschikte banen in de primaire sector omvatten m.n. de meer traditionele beroepen van de arbeidersklasse; zij worden gekenmerkt door repetitieve deelarbeid, routinematige en machinegebonden arbeiderstaken die relatief weinig kwalificaties vereisen. (3) De onafhankelijke banen in de primaire sector daarentegen typically involve general, rather than firm specific skills; they may have career ladders that imply movements between firms; they are not centred on operating machinery; they typically require skills obtained in advanced or specialised schooling; they often demand educational credentials; they are likely to have occupational or professional standards for performance; and they are likely to require independent initiative or self-pacing [Edwards 1979:174].
65 Het inkomen kan in de buurt komen van het producentenloon van vergelijkbare niet-kapitalistische warenproducenten in de vrije sector. Het inkomensniveau van loonafhankelijke professionals varieert met de hoogte van hun kwalificatieniveau en in het bijzonder met de mate waarin zij met hun professionele organisaties effectief in staat zijn de aanvoer van potentieel concurrerende arbeidskrachten te beperken. Het is mijns inziens niet mogelijk algemene uitspraken te doen over de limieten waarbinnen de salarissen van professionals variëren. Krätke is echter van mening dat er door het kapitaal wel een bovengrens wordt gesteld aan hun salarissen. Deze bovengrens zou worden bereikt wanneer professionals in staat zijn uit hun discretionaire inkomen een zodanig vermogen of kapitaalbezit op te bouwen dat zij daadwerkelijk kunnen opteren voor het inrichten van een zelfstandig, kleinburgerlijk bestaan in de vrije sector. Daarom zijn de salarissen van professionals meestal lager dan de lonen die vergelijkbaar gekwalificeerde managers ontvangen. De salarissen moeten echter in elk geval hoog genoeg zijn om voor deze employés een private levensstijl te bekostigen die duidelijk boven die van de proletarische levensstandaard ligt [Krätke 1983:134]. Vgl. Wright [1989:195].
66 Vgl. Solow [1985].
67 Dit is bijv. de optiek bij Van Parijs [1989:230].
68 Deze door Akerlof [1984] uitgewerkte opvatting is geïnspireerd door Homans [1954]. Volgens Homans worden door dergelijk arrangementen de loonverschillen als gevolg van individuele kenmerken gereduceerd. Dit impliceert niet alleen dat credentiehouders homogenere belangen krijgen dan de arbeidersklasse, maar ook dat zij daarvan onderscheiden klassenbelangen hebben [Sörensen 1991:79].
69 Deze benadering is m.n. uitgewerkt door Malcomson [1981] en Bowles [1985].
70 Professionele kennis vertoont een typische dualiteit: de technische structuur ervan is een voorwaarde voor externe interventie, terwijl de onzekerheidsstructuur juist kan worden gebruikt als een barrière tegen externe interventies (van ondernemers, managers of cliënten).
Deze dualiteit van de professionele kennis maakt tegenstrijdige interpretaties mogelijk en stimuleert polemieken over de rol en functies van de professies in het kapitalisme. Johnson [1976] heeft in aansluiting op Carchedi [1976] een poging gedaan de processen te analyseren die aan deze dualiteit ten grondslag liggen. Hij legt hierbij een nogal mechanisch direct verband tussen de dualiteit van professionele kennis en de dualistische structuur van de kapitalistische productiewijze als arbeidsproces van gebruikswaarden en als meerwaardevormingsproces. In zijn latere opstel Whats to be known? [Johnson 1977] is hij op dit punt wat voorzichtiger [zie ook de kritiek van Abercrombie/Urry 1983:77].
71 Zie de eerdere excursie over Compatibiliteit met micro-economische theorieën.
72 Zie met name de bij Braverman [1974] aansluitende discussie over degradatie en dekwalificatieprocessen: Freeman [1977], Elger [1979], Christis [1983,1988], Wood [1982,1988]
73 De posities van de credentiehouders worden op uiteenlopende wijze beïnvloed door de rationaliseringsprocessen van de kapitalistische arbeids- en organisatiestructuur. Rationalisering en standaardisering kunnen de klassensituatie van de credentiehouders aanzienlijk transformeren. Zo omvatte het programmeren van computers aanvankelijk het hele proces van software voorbereiding. De kapitalistische rationalisering van dit professionele programmeerwerk leidde tot een vergaande opsplitsing en standaardisatie: het arbeidsproces werd opgesplitst in systeemanalyse, programmering en codering (en toebedeeld aan aparte beroepscategorieën van systeemanalisten, programmeurs en codeurs); het programmeren zelf werd verder opgesplitst in verschillende fasen waarin minder gekwalificeerde maar meer gespecialiseerde programmeurs aan specifieke sub-routines werken; een verdere verlaging van de productiekosten kon worden bereikt door het gebruik van modificeerbare basisprogrammas, hogere programmeertalen en programmeermachines. Het uiteindelijke resultaat van dit proces is dat er een speciale categorie van topprogrammeurs en software-managers ontstaat, die het arbeidsproces ontwerpen voor minder gekwalificeerde (of semi-professionele) programmeurs. Vgl. Braverman [1974:327-41], Kraft [1979], Abercrombie/Urry [1983:57 e.v.].
74 Door het lidmaatschap van een professionele gemeenschap worden de competentiesferen, waarbinnen een gekwalificeerde profi kan opereren, gelimiteerd. Professionals claimen dat zij toegang hebben tot een esoterisch kennisbestand en dat alleen personen die binnen de erkende professionele institutie zijn opgeleid op dit gebied competent zijn. De technische of inhoudelijke kennis die men tijdens de opleiding leert, is echter niet de enige of de meest belangrijke kennisvorm waarover professionals beschikken. Zij beschikken ook over de virtuele aspecten van het beroep (Jamous/Peloille), d.w.z. over de fundamenten van zijn mystiek, de bronnen van zijn legitimering, de elementen van zijn ideologie die voorwaarden scheppen van onzekerheid of onbepaaldheid en daarmee de grondslag vormen van de monopolistische positie van een professie en van zijn succesvolle weerstand tegen extern gezag of dat nu het gezag is van de cliënt of enigerlei vorm van heteronoom gezag [Johnson 1976:99].
75 Probleemoplossing is een proces met een open (onbekend) einde en kan daarom uitermate moeilijk door het management worden gecontroleerd; gespecialiseerde probleemoplossers claimen een relatieve vrijheid van controle en worden in de regel in staat gesteld hun werk relatief autonoom (d.w.z. vrij van directe supervisie) te verrichten. Toepassing van eenmaal gevonden probleemoplossingen is een proces met een voorspelbaar einde en kan daarom ook gemakkelijk door externe autoriteiten worden gecontroleerd.
76 Bij de algemene afbakening van het uitbuitingsbegrip werd eerder benadrukt dat meerarbeid per definitie een antagonistisch karakter heeft. Dit lijkt onverenigbaar met de stelling dat sommige loonarbeiders onder bepaalde condities in staat zijn om (een waarde-equivalent van) de door henzelf geproduceerde meerarbeid toe te eigenen. Toch zou er ook voor credentiehouders een onderscheid moeten worden gemaakt tussen hun arbeidsinkomen (als betaling voor de reproductiekosten voor hun bijzonder gekwalificeerde noodzakelijke arbeid) en hun credentierente (als extra betaling voor waardebestanddelen die niet in de noodzakelijke arbeidstijd worden geproduceerd). Dit impliceert niet dat het antagonistische karakter van de meerarbeid verdwijnt: de claim op eigen meerarbeid van loonafhankelijke credentiehouders botst principieel met het streven van ondernemers om dit extra inkomen zo ver mogelijk te reduceren voor ondernemers is de meerarbeid van professionals een potentiële bron van winst.
77 Ik heb er eerder op gewezen dat de begrippen productieve en onproductieve arbeid in marxistisch geïnspireerde klassenanalyses een belangrijke (maar ook omstreden) rol spelen. Het begrip productieve loonarbeid is afgebakend in hft. VI, § 8. De problemen rond het begrip onproductieve arbeid worden besproken in hft. X, § 4·3·2.
78 Ik volg hier het betoog van Krätke [1984:134], die aansluit op Janossy [1966:129 e.v.].
79 Vgl. Stinchcombe [1990:ch. 6].
80 Het onderscheid tussen productieve en indirect productieve loonarbeiders van het kapitaal werd eerder uitgewerkt in hft. VI, § 8.2
81 Loonarbeid voor het kapitaal impliceert altijd toeëigening van meerarbeid, maar deze meerarbeid hoeft niet per sé meerwaarde te produceren. Door de onbetaalde meerarbeid van de commerciële loonarbeiders van het kapitaal worden de circulatiekosten van het kapitaal verminderd. Voor de afzonderlijke commerciële kapitalist is dat een positieve winst, omdat de negatieve barrière van de waarderealisering van zijn kapitaal kleiner wordt. Vgl. Marx [MEW 24:134; MEW 25:311].
82 Die Kapitalisten begnügen sich mit dem konkret-nützlichen Inhalt ihrer Arbeit und lassen sie daneben abstrakte Arbeit für sich selbst leisten; die ganze Arbeit solcher Lohnarbeiter wird vom Kapital bezahlt, sie erscheint nicht nur so [Krätke 1984:134].
84 To say that skills/credentials constitute a distinct mechanism of exploitation in capitalist societies does not imply that the empirical effects of skill exploitation in capitalism occur independently of the capitalist context in which they occur [Wright 1989:195].
85 In eerste instantie meent Wright dat de claim dat skill/credential exploitation een dimensie van klassenstructuren is, wordt ondergraven door het gebrek aan een kwalitatief relationeel criterium [Wright 1985:85; 1989:198]. Later merkt hij op dat hij zijn operationaliseringsprobleem kan reduceren wanneer hij zijn conceptie van skill assets beperkt tot formele credentialed assets. Credentials certainly are more dichotomous than skills and they have more the character of a property right. And credentials also have a clear relational quality to them, since the institutions of credentialing have the effect of systematically excluding people from certain labour markets. Credentials thus do constitute the basis of a relation between the credentialed and uncredentialed [Wright 1989:312]. Dit betekent echter niet dat er bij het gebruik van credenties als operationeel criterium voor skill-based class relations geen problemen meer zouden zijn. Er zijn immers diverse soorten credenties en de credentiesystemen lopen in de verschillende landen sterk uiteen. De kans op willekeur bij de operationalisering van credenties is hierdoor tamelijk groot. At the operational level, there is no clear criterium available to distinguish credentials that are constitutive of a class division from those which are not [idem]. Dit is wel waar, maar raakt toch niet de kern. Of het bezit van credenties een klassenspecifieke betekenis of werking heeft, kan m.i. überhaupt niet worden afgeleid van de specifieke aard van deze credenties zelf. Het heeft dus niets te maken met de concrete hoedanigheden van de credenties als zodanig (net zo als de klassenspecifieke eigenschap van geld dat als kapitaal fungeert als zodanig niets te maken heeft met het concreet-nuttige karakter van de objecten waarin dat kapitaal is geïnvesteerd, maar met de vraag of het meerwaardevormend is). Het kernprobleem is of we ook empirisch in staat zijn een onderscheid te maken tussen credentiehouders die gevrijwaard zijn van uitbuiting en credentiehouders die anderen uitbuiten. Overigens onderkent ook Wright dat dit een probleem is, maar hij blijft dit probleem verbinden (en verwarren) met de specifieke aard van de credenties en met de mogelijkheid om credenties met elkaar te vergelijken. Dit is waarschijnlijk de reden dat hij geen serieuze poging doet het kwalitatieve omslagpunt tussen credentie-privileges en credentie-uitbuiting te operationaliseren. De vraag hoe groot de credentierente moet zijn om te spreken van een exploitatieve transfer van meerarbeid naar credentie-houders wordt wel opgeworpen, maar de beantwoording van die vraag blijft steken in een zeer algemene beschouwing over objectieve en subjectieve arbeidswaardeleer en over de waarde van samengestelde of gekwalificeerde arbeid [Wright 1989:195-6].
Wright heeft grote problemen om zijn eigen model te operationaliseren. De uitbuiters van de kwalificatiebron worden in feite geoperationaliseerd als werknemers die in het productieproces een meer dan gemiddeld gekwalificeerde arbeidskracht kunnen inzetten. Werknemers met een kwalificatie die onder het gemiddelde liggen, worden uitgebuit; gemiddeld gekwalificeerden nemen een tussenpositie in. In wezen deelt Wright de werknemers dus slechts in naar kwalificatieniveau in een hogere, een midden en een lagere groep. Niet elke hooggekwalificeerde werknemer slaagt er echter in een loon te verwerven dat boven het equivalent voor de reproductiekosten van zijn hooggekwalificeerde arbeidskracht ligt. Daarom is zo concludeert ook Hagelstange [1990:123] de gelijkstelling van hooggekwalificeerden met kwalificatie-uitbuiters ook in het kader van Wrights model een ontoelaatbare vereenvoudiging.
86 Vgl. Marx [MEW 23:326; vert. 223; MEW 24:261].
87 Wanneer professionals of experts vreemde arbeidskracht voor zichzelf willen laten werken, dan moeten zij de beschikking hebben over de materiële arbeidsvoorwaarden die daarvoor vereist zijn. Indien zij erin slagen hun discretionaire inkomen productief te investeren in materiële arbeidsvoorwaarden en arbeidskrachten, dan worden zij doodgewone kapitalisten. Tegenwoordig kan dit exemplarisch worden bestudeerd aan de hand van software specialisten die voor zichzelf beginnen.
88 In de V.S. zijn ongeveer 70% van alle experts feitelijk managers of supervisers [Wright 1989:334]. Zie voor een modelmatige benadering van relatie tussen professionals en managers in professionele bureaucratieën: Mintzberg [1991:207 e.v.]. Hij wijst er terecht op dat professionals niet alleen hun eigen werk regelen, maar ook proberen collectieve vrijheid van handelen te verkrijgen over de administratieve beslissingen die hen betreffen. Full-time bestuurders kunnen in deze professionele organisatiestructuren alleen maar macht uitoefenen, wanneer het bevoegde professionals zijn en bij voorkeur zijn gekozen door de professionele operators of tenminste zijn benoemd met hun goedkeuring. Dit laatste is uiteraard alleen ideaaltypisch het geval in een zuiver professionele arbeidsorganisatie.
89 De klasse van de professionals en managers bestaat volgens Ehrenreich/Ehrenreich [1979:12] uit salaried mental workers who do not own the means of production and whose major function in the social division of labour may be described broadly as the reproduction of capitalist culture and capitalist class relations. Zij analyseren de professional-managerial class (PMC) als een aparte klasse die gescheiden is van de oude middenklassen. Zij gebruiken hiervoor twee basisargumenten: (1) Een klasse wordt gekenmerkt door a common relation to the economic foundations of society the means of production and the socially organized patterns of distribution and consumption [idem:11]. De PMC kan als een aparte klasse worden behandeld omdat zij wordt gekenmerkt door een specifieke functie in de maatschappelijke arbeidsdeling, nl. de functie van reproductie van kapitalistische klassenverhoudingen. (2) Bovendien is de PMC een klasse omdat zij wordt gekenmerkt door a coherent social and cultural existence, d.w.z. dat haar leden a common life style, educational background, kinship networks, consumption patterns, work habits, beliefs delen [idem]. Het tweede argument is natuurlijk sterk afhankelijk van het eerste, omdat er talloze andere sociale categorieën bestaan die een coherente sociale en culturele identiteit vertonen zonder dat deze een aparte klasse vormen. Het eerste argument is tegenstrijdig omdat een gemeenschappelijke relatie tot de economische fundamenten van de maatschappij niet hetzelfde is als het vervullen van een functie in de maatschappelijke arbeidsdeling. Bovendien is het specifieke criterium van het reproduceren van klassenverhoudingen uitermate rekbaar en daarom ook willekeurig. Waarom zou bijv. de ingenieur die bruggen ontwerpt wel en de arbeider die deze bruggen bouwt niet bijdragen aan de reproductie van de klassenverhoudingen? Met hun uiteindelijk louter beschrijvende, op levenswijze, levensstijl en ideologie geconcentreerde definitie van de PMC zijn Ehrenreich/Ehrenreich niet in staat de grenzen van de PMC duidelijk af te bakenen. De reden daarvan is dat zij niet in staat zijn de twee tussenklassenposities die zij in de PMC laten fuseren zelf als zodanig te analyseren. Zie voor uiteenlopende kritieken op deze theorie over de PMC de bundel van Walker [1979]. Vgl. ook Abercromby/Urry [1983:79-83].
90 Goldthorpe [1982:167-70]sluit aan bij het door Renner [1953] geïntroduceerde begrip van de Dienstklasse. Zijn dienstklasse omvat drie centrale categorieën: de employés in publieke overheidsdienst (civiele ambtenaren), employés in particuliere economische diensten (administratief personeel, managers, technische experts enz.) en employés in de sociale dienstverlening. Hoewel al deze categorieën geen productiemiddelen bezitten, gaat Renner ervan uit dat zij van de arbeidersklasse onderscheiden moeten worden omdat zij geen productieve arbeid zouden verrichten; zij zouden leven van de meerwaarde die direct of indirect aan de arbeidersklasse wordt onttrokken. Bovendien probeert hij de dienstklasse van de arbeidersklasse te onderscheiden door de nadruk te leggen op het verschil tussen het dienstcontract welke de arbeidsrelatie van de leden van de dienstklasse reguleert en het arbeidscontract dat voor de leden van de arbeidersklasse geldt. Goldthorpe knoopt aan bij dit laatste onderscheid.
91 Wrights opvatting is op dit punt niet eenduidig. Enerzijds is hij, gezien zijn kritische beschouwing over Goldthorpes benadering, geneigd de klassenpositie van individuen uitsluitend te definiëren in termen van de actuele individuele situatie. Anderzijds merkt hij op dat professionals en experts die buiten de managementshiërarchie staan tijdelijk zijn ingevoegd in de middenklasse en dat men daarom de meeste professionals en experts die nog geen managementsposities bekleden toch als premanagerial kan behandelen: even if their current jobs are not in managerial contradictory locations, their careers typically are [Wright 1989:334]. Mijns inziens kan de klassenpositie van individuen het beste worden gedefinieerd in termen van hun actuele en te verwachten toekomstige situatie. Via toekomstverwachtingen spelen sociale carrièrepatronen een belangrijke rol in de concrete definities die mensen geven van individuele en klassenbelangen.
92 De term schaduwklasse werd aanvankelijk gebruikt in de analyse van de klassenpositie van getrouwde vrouwen. Hun schaduwklasse is de klassenpositie die zij zouden innemen wanneer hun huwelijk wordt verbroken (door scheiding of overlijden van de echtgenoot). Johanna Brenner suggereert dat deze term ook gebruikt kan worden voor bepaalde categorieën kleine ondernemers en kleinburgers. Vanwege het grote aantal faillissementen in kleine ondernemingen heeft een deel van de kleinburgers en kleine ondernemers een proletarische schaduwklasse en een ander deel een professioneel-loonafhankelijke schaduwklasse. Dit is het gevolg van het feit dat de kleinburgerlijke klassenpositie in het kapitalisme een typische temporele onbepaaldheid vertoont die van grote betekenis is voor de rol van kleinburgers in het proces van klassenformatie [Wright 1989:330]. Zie verder: hft. X, § 4·1 @
93 (a) De specifieke soort bron waarover men beschikt, is bepalend voor de aard van de materiële of beter klassenspecifieke optimaliseringsstrategie. (b) Specifieke klassenposities specificeren de specifieke belangen binnen de bestaande maatschappijformatie en m.b.t. de diverse soorten alternatieve maatschappijen waarin zij zich zouden willen terugtrekken, of waarvoor zij willen opteren [Wright 1985:91, 92].
  |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]()
dr. Albert Benschop |