| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
| 1. Stelling en afbakening |
|---|
Klassen worden structureel gedefinieerd in termen van posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen in de brede zin van het woord, die zowel arbeids- als distributie-processen omvatten. Voor de analyse van klassenposities betekent dit dat niet alleen rekening wordt gehouden met de structurerende werking van directe arbeidsprocessen, maar ook met distributieprocessen die voorafgaan aan en volgen op deze arbeidsprocessen. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat arbeidsverhoudingen niet alleen materiële productieverhoudingen omvatten, maar ook allerlei typen dienstverlenings-verhoudingen.
In dit uitgangspunt ligt zowel een afbakening besloten ten opzichte van marktgerichte of distributieve klassenbenaderingen (waarin klassen uitsluitend of hoofdzakelijk worden gesitueerd in markt- of ruilprocessen) als ten opzichte van productiegerichte of productivistische benaderingen (waarin klassen uitsluitend worden verankerd in directe arbeids- of productieprocessen).
| In weberiaanse kringen behoort de distributieve benadering sinds lang tot de standaardinterpretatie van Webers klassentheorie. In marxistische kringen werd deze benadering traditioneel fel bekritiseerd en geconfronteerd met de primacy of exploitation at the point of production. Deze laatste aanpak heeft weer aandacht gekregen door de studies van Roemer. Zie hoofdstuk V, § 3·1 |
Deze abstracte controverse tussen productie- versus marktbenadering is als zodanig misleidend en onvruchtbaar; bovendien is de simpele toerekening van een productie-niveautheorie aan Marx even onhoudbaar als de toerekening van een markt-niveautheorie aan Weber. Voor Weber heb ik dit uitvoerig aangetoond in Benschop [1987/ 2012: hfst. 3] en voor Marx in Benschop [1988]. Vgl. ook: Bader/Benschop [1988:216 e.v.].
Wanneer men het ontstaan en de reproductie van klassenposities uitsluitend of hoofdzakelijk situeert in marktprocessen wordt daarmee bewust of impliciet het begrip arbeidsverhoudingen in brede zin overboord geworpen. Bovendien wordt daarmee een sterk gereduceerd beeld gegeven van de mechanismen die relevant zijn voor het ontstaan van structurele uitbuitings- en klasserelaties. Klassenposities ontstaan immers niet alleen op grond van uitbuiting die plaatsvindt door structureel ongelijke ruilprocessen (zoals marktuitbuiting), maar ook door belastinguitbuiting, tribuut-uitbuiting en koloniale uitbuiting. Er zijn vele historisch relevante uitbuitingsmechanismen die los van enige markt en ruil functioneren en toch klassenstructuren in het leven roepen. Omgekeerd moet er ook rekening mee worden gehouden dat klassenverhoudingen die primair worden gestructureerd door toeëigeningsmechanismen die zich ín en door de directe arbeidsprocessen voltrekken, mede gestructureerd worden door de hieraan verbonden markt- en ruilmechanismen (zij worden er minstens door gemedieerd).
Zowel (neo-)marxistische als (neo-) weberiaanse benaderingen gaan ervan uit dat de structurele machtsverdeling binnen een gemeenschap bepalend is voor de actuele machtsuitoefening. Een essentieel verschil tussen marxistische en weberiaanse benaderingen is de vraag hoever men bij de analyse van structurele machtsverdeling moet gaan, dat wil zeggen door welke sociale processen deze machtsverdeling is gestructureerd.
De ratio van de marxistische benadering is dat de relatieve onderhandelingsmacht van marktpartijen wordt gestructureerd door de bronnenverdeling en dat deze bronnenverdeling op zijn beurt weer wordt bepaald door de permanente reproductie en transformatie van bronnen in maatschappelijke arbeidsprocessen.
De ratio van de weberiaanse benadering is dat de relatieve onderhandelingsmacht van marktpartijen wordt gestructureerd door de daaraan voorafgaande verdeling van marktcapaciteiten. Maar waardoor worden die marktposities op hun beurt gestructureerd? In de neo-weberiaanse traditie wordt deze vraag niet meer gesteld. De bronnenverdeling die vooraf gaat aan de relatieve onderhandelingsmacht van marktpartijen valt hierdoor buiten de analyse. Veel marxistische analyses lijden aan het omgekeerde euvel: zij concentreren zich te sterk op de fundamentele verdeling van directe bronnen in arbeidsverhoudingen en besteden relatief weinig aandacht aan de daarop aansluitende verdeling van beschikkingsmacht over bronnen in marktverhoudingen. Hierdoor ontstaat een gereduceerd beeld van de sociale processen die bepalend zijn voor de actuele machtsverhoudingen: het bronnenspectrum waarover in distributie- en ruilprocessen beschikt kan worden, is immers veel omvattender dan het aantal directe bronnen waarover in arbeidsverhoudingen beschikt kan worden.
| In plaats van velen citeer ik als voorbeeld uit de marxistische traditie Marta Harnecker: Les rapports sociaux de production ne peuvent pas être considérés seulement comme des rapports entre des hommes. Ce sont des rapports entre les agents de la production, cest-â-dire, entre des hommes qui ont une fonction sociale déterminée dans la production des biens matériels, fonction qui dépend de leur rapports entre propriétaires de moyens de production et producteurs directs [Harnecker 1974:48]. Zie ook hoofstuk VI, § 2.1. |
Ook dienstverleningsverhoudingen kunnen immers op exploitatieve basis zijn georganiseerd: als georganiseerde arbeidsverhoudingen bieden zij niet alleen mogelijkheden om de dienstverleners zelf uit te buiten (de monniken en priesters, de militairen en de artsen, de hulpverleners en de gevangenisbewakers), maar ook de al dan niet vrijwillige cliënten, patiënten of gebruikers van deze diensten en voorzieningen (de gelovigen, de zieken, de gevangenen). Dit geldt met name zoals de geschiedenis vanaf de oude roversstaten tot aan de moderne koloniale en imperiale mogendheden maar al te duidelijk demonstreert voor onvrijwillige of opgelegde diensten, zoals de geweldsservice. Zodra geweldsverhoudingen op nationale of internationale schaal systematisch, dat wil zeggen als arbeidsverhoudingen worden georganiseerd, bieden zij grondslagen voor exploitatie par excellence. Dit geldt voor interne en externe geweldsverhoudingen waarin de gebruikswaarde veiligheid wordt voortgebracht (of juist een chronisch gebrek aan rechtszekerheid, veiligheid en soevereiniteit), maar ook voor religieuze en heilsverhoudingen waarin de gebruikswaarde zielenheil wordt voortgebracht (of juist een gebrek aan zingeving, vertroosting of verlossing van misère waaraan door menselijke, wereldlijke, hiernumaalse interventies geen einde kan of lijkt te kunnen worden gemaakt).
| Het begrip dienstensector of tertiaire sector is uitermate slecht afgebakend. Vaak is het niet meer dan een negatief gedefinieerde restcategorie, waarin alle arbeidsvormen worden gedumpt die niet in de primaire of secundaire sector dus landbouw, mijnbouw en industrie kunnen worden ondergebracht. Zie voor de definitie en afbakening van het dienstbegrip en de onderscheiding tussen diverse typen diensten: Berger [1986:28 e.v.], Gershuny [1981:68 e.v., 2000], Gross [1983:13 e.v.], Berger/Offe [1984:229 e.v.], Völker [1984:31 e.v.], Schettgat/Yocarini [2003]. |
2. Uitbuiting: begrip, oorzaken en mechanismen |
|---|
Uitbuiting is een specifiek type van asymmetrische macht [Bader/Benschop 1988:203]. Net als alle andere machtsvormen impliceert uitbuiting ongelijke en niet-wederkerige kansen: de betere kansen die de ene positie biedt, impliceert dus de slechtere kansen van de andere en omgekeerd. Uitbuiting onderscheidt zich van andere asymmetrische machtsvormen doordat zij direct op de ongelijke verdeling van arbeid is betrokken.
Onder uitbuiting wordt hier verstaan: alle systematische en structurele processen van toeëigening van meerarbeid door andere klassen. Van uitbuiting is dus pas sprake wanneer een bepaalde in de regel niet-werkende klasse de kans (of: feitelijke mogelijkheid) heeft zich door de inzet van directe of indirecte machtsbronnen meester te maken van de resultaten van de meerarbeid van een producerende klasse.
De toeëigening van meerarbeid door andere klassen kan formeel vrijwillig en vreedzaam of onvrijwillig en gewelddadig plaatsvinden; het kan zich zowel in arbeidsprocessen als in distributie- en ruilprocessen voltrekken. Uitbuiting wordt mogelijk gemaakt en veroorzaakt door een ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over (directe) bronnen die in arbeidsprocessen kunnen worden gebruikt en over (indirecte) bronnen die de verdeling van de arbeidsresultaten beïnvloeden.
Classes only come into existence when a surplus product is generated, such that a division of labour is possible between those who produce and those who do not; and such that the latter are placed in an exploitative relation vis-à-vis the former [Giddens 1973:88].
Daarom is het niet overbodig een aantal toelichtingen te geven op de hiervoor gegeven definitie van uitbuiting.
De ratio van dit begrip van absolute meerarbeid is dat de maatschappelijke productiekrachten van de arbeid zich zover moeten hebben ontwikkeld dat er meer goederen en diensten worden geproduceerd dan noodzakelijk voor het fysieke overleven van de directe producenten. In die zin is absolute meerarbeid een noodzakelijke voorwaarde voor uitbuiting; het biedt dus pas de mogelijkheid om meerarbeid toe te eigenen [Marx, MEW 23:185 vert. 110; MEW 25:645,647,827; Lenski 1966; Sahlins 1972; Seibel 1978; Cohen 1978:198; Eder 1980:42 e.v.; Ritsert 1988:35].
Uitbuiting wordt ook niet zo algemeen opgevat dat elke overdracht van meer arbeid ook al meerarbeid is in de specifieke zin van het woord: de transfer van ongelijke hoeveelheden arbeid aan degenen die nog niet of niet meer in het arbeidsproces zijn betrokken of aan arbeidsongeschikten is nog geen uitbuiting.
Meerarbeid in kritische zin is arbeid die door uitbuiters, door andere klassen wordt toegeëigend. Uitbuiting refereert dus niet zozeer aan het feitelijke bestaan van een welvarende en een arme klasse. Uitbuiting betekent primair dat de welvaart van de uitbuitende klasse afhankelijk is van het werk van de uitgebuite klasse. Dit spoort met de (sterke) intuïtieve notie van uitbuiting, namelijk het toeëigenen van de vruchten van andermans arbeid. De meerarbeid die in een meerproduct belichaamd is, heeft per definitie een antagonistisch karakter. Ten eerste omdat de meerarbeid wordt afgedwongen: de klasse van de producenten zijn in de gegeven structuur van maatschappelijke arbeidsverhoudingen feitelijk gedwongen de door hen geproduceerde meerarbeid af te staan. Ten tweede omdat de beschikking over meerarbeid toekomt aan een niet-werkende klasse, dat wil zeggen een klasse die zelf geen productieve bijdrage levert aan de maatschappelijke rijkdom. Meerarbeid wordt toegeëigend door niet-werkende klassen (voor zover zij wel werken is dit niet noodzakelijk voor de eigen reproductie); meerarbeid wordt onteigend van uitgebuitenen die feitelijk (en soms ook juridisch of conventioneel) genoodzaakt zijn om te werken (uitgebuitenen zijn altijd werkenden).
|
Vanuit het hier geformuleerde begrip van uitbuiting is het misleidend om te zeggen dat meerarbeid slechts een antagonistische vorm aanneemt in klassenmaatschappijen [Marx, MEW 25:827]. Meerarbeid in de eigenlijke zin van het woord komt immers pas tot stand door deze specifieke antagonistische verhouding. In alle maatschappijformaties waarin de controle over de materiële arbeidsvoorwaarden is voorbehouden aan een bepaalde groep mensen en die bijgevolg gekenmerkt worden door klassentegenstellingen, heeft de meerarbeid in een antagonistisch karakter. Dit geldt daarom ook, maar niet uitsluitend de kapitalistische arbeidswijze.
Dit antagonistische karakter vertoont twee complementaire facetten: (a) de meerarbeid wordt afgedwongen; de arbeiders zijn genoodzaakt een koper voor hun arbeidskracht te zoeken (dwang in de circulatiesfeer ondanks de schijn van vrijheid en gelijkheid) en in het arbeidsproces zelf werken zij onder toezicht en op aanwijzing van de kapitalist (materiële zowel als formele dwang in de sfeer van de productie); (b) de vruchten van de meerarbeid vallen toe aan de klasse van de bezitters, zonder dat zij een productieve bijdrage in de vorm van arbeid aan de voortbrenging leveren, noch daarvoor een offer brengen in de zin van zich iets te moeten ontzeggen ter zake van de consumptie; de accumulatie komt tot stand op kosten van de arbeiders. Dwang zowel als toeëigening zijn terug te voeren op het fundamentele gegeven, dat het merendeel van de mensen is beroofd van de middelen, om zelf hun arbeidskracht voor de vervaardiging van gebruikswaarden te kunnen aanwenden [Van Drimmelen 1976:271 e.v.]. |
De vraag is in eerste instantie niet zozeer wat uitbuiters doen met de meerarbeid waarover zij beschikken (accumuleren, herinvesteren of consumeren), maar veeleer op welke basis zij beschikkingsmacht over meerarbeid verkrijgen. Controle over meerarbeid moet niet worden gereduceerd tot het inkomen dat door uitbuiters feitelijk wordt gebruikt voor persoonlijke consumptie. Feodale rentes, kapitalistische winsten en andere historische vormen van toegeëigende meerarbeid zijn geen equivalent van het inkomen dat door feodale heren, kapitalisten en andere exploiteurs wordt omgezet in persoonlijke consumptiegoederen. Zowel tussen de diverse arbeidswijzen die in een maatschappijformatie zijn gecombineerd als tussen de verschillende maatschappijformaties bestaat een aanzienlijke variatie in het deel van de door de uitbuitende klasse effectief gecontroleerde meerarbeid dat wordt gebruikt voor persoonlijke consumptie en het deel dat voor andere doeleinden wordt gebruikt (zoals voor feodale militaire uitgaven, voor kapitalistische accumulatie, voor expansie van de organisatie).
Deze overweging heeft gevolgen voor de manier waarop men zich de afschaffing van uitbuitings- en klassenverhoudingen voorstelt. Afschaffing van uitbuitingsverhoudingen betekent niet dat iedereen feitelijk over dezelfde productieve bronnen beschikt, maar dat er geen eigendomsrechten meer zijn die ongelijk zijn verdeeld met betrekking tot deze productieve bronnen. Hierdoor is niemand op voorhand in staat om een groter deel van het maatschappelijk surplus (of een hoger inkomen) te verwerven op grond van superieure beschikkingsmacht over meer productieve bronnen. Wright maakt in dit verband een zinvol onderscheid tussen drie mogelijke vormen van nivellering: (1) nivellering van feitelijk bezit van een bron; (2) nivellering van de controle over de verwerving en het gebruik van de bron (3) nivellering van het inkomen dat door de bron wordt gegenereerd [Wright 1985:103. vgl. 86]. Hier moet onmiddellijk aan worden toegevoegd dat exploitatie ook mogelijk is op basis van ongelijke controle over een zeer breed palet indirecte bronnen, en dus niet alleen over directe of productieve bronnen zoals bij Wright.
|
|
Samenvattend kan men dus zeggen dat de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd bestaat uit de omvang van de arbeidstijd die nodig is om de bestaansmiddelen van de arbeidskrachten te produceren, waardoor zij in staat zijn om zich individueel en generationeel te reproduceren. De noodzakelijke arbeid van een werkende klasse varieert naar (1) de ontwikkelingsstand van de productiekrachten van de arbeid, (2) de klimatologische en andere natuurlijke bijzonderheden die van invloed zijn op de natuurlijke of elementaire behoeften van de werkende klasse van een bepaald land, (3) het historische ontwikkelingsniveau van de maatschappelijke behoeften van de werkende klassen, dat mede wordt bepaald door de in een land heersende zeden en gewoontes. De noodzakelijke arbeid bínnen een werkende klasse varieert naar het niveau van kwalificatie en ervaring van de betreffende producenten (van de meer of minder samengestelde aard van hun arbeidskracht) en is dus mede afhankelijk van de kosten die noodzakelijk zijn voor hun specifieke niveau van opleiding en training. In deze laatste overweging ligt tevens een probleem besloten dat de marxistische economen lange tijd heeft beziggehouden: hoe kan gecompliceerde arbeid tot eenvoudige arbeid worden herleid? Om voor de arbeidswaarde een kwantitatieve uitdrukking te vinden, moeten de verschillende soorten arbeid tot een gemeenschappelijke noemer kunnen worden teruggebracht. Marx suggereerde dat het heterogeniteitsprobleem kan worden opgelost door de verschillende soorten arbeid op te vatten als een veelvoud van eenvoudige (of gemiddeld geschoolde) arbeid. Hij suggereert dus dat de mate van scholing (respectievelijk het niveau van arbeidskwalificatie) de wegingscoëfficiënt is. Kortom: het verschil tussen gecompliceerde en eenvoudige arbeid kan worden teruggebracht tot een verschil in opleidings- dan wel vervangingskosten. Het is evident dat de waarde van de gemiddelde arbeidskracht geen constante is, maar varieert in de verschillende landen, tijdperken en conjuncturen. Binnen elke maatschappij historisch en conjunctureel specifieke samenleving is deze gemiddelde arbeid echter een empirisch gegeven. Marx stelt dat de herleiding van gecompliceerde tot eenvoudige arbeid in de werkelijkheid voortdurend plaats vindt [Marx, MEW 23:59], maar analyseert niet de processen waardoor deze herleiding tot stand komt. In zijn theoretische analyse werkt hij met de vereenvoudigende vooronderstelling dat elke soort arbeidskracht geldt als eenvoudige arbeidskracht. De uitvoerige theoretische discussies die sinds Böhm-Bawerk en Bernstein over het transformatieprobleem zijn gevoerd, zullen hier niet worden gerefereerd [zie Meek 1973; Van Drimmelen 1976:235-47; Steedmans 1981]. Al met al zijn er tot nu toe geen bevredigende empirische methoden ontwikkeld om de theoretisch veronderstelde herleiding van gecompliceerde tot eenvoudige arbeidskracht te operationaliseren. |
2·2·1 Basisvormen van uitbuiting
Om zicht te krijgen op de combinaties van uitbuitingsmechanismen die bepalend zijn voor de arbeidswijze van een samenleving, moeten deze mechanismen eerst afzonderlijk worden onderzocht. Geïnstitutionaliseerde en structurele toeëigening van meerarbeid kan zowel plaatsvinden in arbeidsprocessen zelf (directe uitbuiting) als in distributieprocessen (indirecte uitbuiting).
In het algemeen kunnen vijf mechanismen van uitbuiting die relevant zijn voor structurele uitbuitings- en klassenrelaties worden onderscheiden.
a. Directe toeëigening/onteigening van meerarbeid in arbeidsprocessen
Deze onteigening voltrekt zich onder al dan niet gedelegeerde regie van uitbuiters; de uitbuitingsprocessen zijn tegelijk machts- en heerschappijverhoudingen in de arbeidsorganisatie. Voorbeelden hiervan zijn:
b. Indirecte toeëigening/onteigening van meerarbeid op basis van beschikkingsmacht over gezags- of heerschappijposities in arbeidsorganisaties
Voorbeelden daarvan zijn:
c. Toeëigening/onteigening van het reeds vervaardigde meerproduct of de meerwaarde in distributieprocessen van arbeidsresultaten op basis van inferieur/superieur geweld.
Deze indirecte exploitatie vindt plaats op basis van structurele onderworpenheid van uitgebuitenen aan superieur geweld van uitbuiters. De uitbuitingsprocessen zijn een directe gezags- en onderdrukkingsverhouding, maar dit geldt niet voor de arbeidsprocessen zelf, die zich onder individuele of collectieve regie van de werkenden kan voltrekken. Voorbeelden daarvan zijn
| In kritische aansluiting op het concept tribuutstaat van Samir Amin en Eric Wolf geeft Worsley [1984:102 e.v.] een afgewogen beeld van het gebruik van politiek geweld als middel van economische exploitatie. Zie het excurs over de tributaire productiewijze in hoofdstuk VIII. |
|
Wright [1985:96] erkent dat ook de controle over militair geweld de staat de mogelijkheid geeft een deel van de meerarbeid toe te eigenen. Het verwarrende in zijn benadering is echter dat hij deze uitbuitingsvorm opvat als een vorm van non-asset exploitation. Dit vloeit voort uit twee discutabele vooronderstellingen. Ten eerste gaat Wright ervan uit dat indien de bronnen waarover effectieve controle kan worden uitgeoefend geen productieve bronnen zijn deze daarom non-assets zijn. Daarmee reduceert hij het bronnenbegrip tot directe of productieve bronnen. Ten tweede veronderstelt hij dat alle vormen van uitbuiting die niet zijn verankerd in control on ownership of productive forces moeten worden opgevat als non-production exploitation [idem:98].
Achter deze beide stellingen schuilt de al eerder bekritiseerde premisse dat deze non-production exploitations slechts van belang zijn voor de herverdeling van een reeds geproduceerd maatschappelijk product en niet voor de maatschappelijke productie van dat product. De hele redenatie blijft gevangen binnen een productivistisch verkort begrip van maatschappelijke arbeids- en uitbuitingsverhoudingen. Bovendien is Wrights argumentatie intern inconsistent omdat hij zijn begrip van surplus zelf nadrukkelijk beperkt tot surplusproduct [idem:100 - noot 18]. |
d. Toeëigening/onteigening van het reeds vervaardigde meerproduct of meerwaarde in distributieprocessen op basis van schuldverhoudingen
Deze toeëigening is formeel vreedzaam en in principe ontvangen de schuldenaren voor hun pacht, huur of lening een tegenprestatie. Schuldverhoudingen via pacht-, huur- of leencontracten impliceren echter alleen uitbuitingsrelaties wanneer er structureel meerproduct of meerwaarde wordt toegeëigend. Voorbeelden hiervan zijn:
e. Toeëigening/onteigening op basis van structureel ongelijke ruilverhoudingen
Van marktuitbuiting is sprake wanneer de marktprijzen systematisch en eenzijdig afwijken van de marktwaarden. In processen van ruil, koop en verkoop kan meerarbeid worden overgedragen wanneer de verkopers van bepaalde waren of diensten in staat zijn hun marktprijzen duurzaam vast te leggen boven de marktwaarde, of wanneer de kopers van bepaalde goederen of diensten er in slagen hun marktprijzen duurzaam onder de marktprijzen te fixeren. Voorbeelden hiervan zijn:
|
In patronageverhoudingen (asymmetrische persoonlijke loyaliteitsrelaties tussen patroons en cliënten) worden de marktprijzen vervangen door conventioneel gefixeerde en door de patroons gegarandeerde prijzen. Als verkopers van bepaalde goederen of diensten kunnen de patroons hun marktprijzen duurzaam fixeren boven de marktwaarde; als kopers kunnen zij deze prijzen juist onder de marktwaarde fixeren. De cliënten kunnen zich niet aan deze uitbuitingsvorm onttrekken omdat patronageverhoudingen meestal niet vrijwillig worden aangegaan (in tegenstelling tot selectieve associaties tussen gelijken). Ongelijke ruil op basis van patronageverhoudingen vormt de harde kern van interactionele uitbuitingsvormen. Wanneer en voor zover geïnstitutionaliseerde exclusieve posities in netwerken van sociale relaties leiden tot substantiële en duurzame uitbuitingspraktijken kunnen hieruit interactioneel gedefinieerde klassenposities ontstaan. Dit was de reden waarom de definitie van klassenposities niet uitsluitend (maar wel primair) werd beperkt tot het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie. Zie eerder hoofdstuk V, § 3·2. |
2·2·2 Typologie van uitbuitingsvormen
Met deze grove schets van de verschillende typen of mechanismen van uitbuiting wil ik aannemelijk maken dat het mogelijk is een zeer nauwkeurige (sterk gedesaggregeerde) typologie van uitbuitingsposities te ontwerpen en dat dit zeer wenselijk is wanneer men daarop aansluitend een corresponderende (maar hoger geaggregeerde) typologie van klassenposities beoogt.
Figuur 7_1 Typologie van directe en indirecte uitbuitingsvormen
over bronnen |
Mechanismen van uitbuiting |
|---|---|
directe bronnen |
Directe uitbuiting: toeëigening van meerarbeid in arbeidsprocessen |
| Arbeidskracht Materiële arbeidsvoorwaarden Vormen van coöperatie en leiding |
Slavenarbeid, feodale horigheid Kapitalistische loonarbeid Loonarbeid in etatistisch socialisme |
indirecte bronnen |
Indirecte uitbuiting: toeëigening van meerproduct of meerarbeid in distributieprocessen |
| Materiële bronnen Afstamming Ondersteuning, bijstand Religieuze zin, heil Duiding Diplomas Kennis en informatie Politieke beslissing Recht en intern geweld Extern geweld Geld Heerschappijpositie Sociale relaties Prestige |
Uitbuiting op basis van: Grond- of huizenbezit: pachtuitbuiting, huuruitbuiting
Positie in verwantschapsrelaties: patriarchale of gerontocratische exploitatie Positie in sociale zekerheidsverhoudingen Monopoliepositie ni heilsverhoudingen: hiërocratische exploitatie Monopoliepositie in duidingsverhoudingen Bezit van diplomas en academische titels: credentie-uitbuiting Monopoliepositie in kennis- & informatieverhoudingen Superieure positie in politieke beslissingsverhoudingen Superieure positie in rechts- en internet geweldverhoudingen: tribuut- & belastinguitbuiting Superieur staatsgeweld: koloniale uitbuiting Schuldverhoudingen: rente-, krediet- en hypotheeekuitbuiting Gezagsposities in arbeidsorganisaties: organisationele uitbuiting Patroonpositie in patronageverhoudingen: clientèle-exploitatie Superieure positie in prestigehiërarchieën: ascriptieve exploitatie |
Door een specifieke combinatie van beschikkingsmacht over directe en/of indirecte bronnen en bepaalde mechanismen van uitbuiting ontstaan uitbuitingsposities. Uitbuitingsposities zijn structureel verankerde en relatief stabiele posities die in netwerken van uitbuitingsrelaties kunnen worden ingenomen. Uitbuitingsposities worden gekenmerkt door een asymmetrische, niet-omkeerbare wederzijdse afhankelijkheid. Uitbuitingsposities zijn als zodanig nog geen klassenposities en dienen hiervan analytisch gescheiden te worden behandeld [zie verder hoofdstuk X].
|
In de eerste plaats is het een nogal eenvoudige typologie die beperkt is tot de uitbuitingsmechanismen die dominant zijn voor de verschillende modes of production. Zijn schema wekt te zeer de suggestie dat er bijvoorbeeld in feodale maatschappijen slechts sprake was van uitbuiting van lijfeigenen door grondbezitters: voor vormen van pacht-, rente- en belastinguitbuiting is in zijn typologische schets van de feodale uitbuitingsverhoudingen geen plaats. Uit zijn verdere uiteenzetting blijkt echter dat Wright wel oog heeft voor het feit dat er in elke ons bekende historische maatschappijformatie gelijktijdig meerdere, ongelijksoortige uitbuitingsvormen bestaan en dat deze op verschillende wijzen met elkaar zijn gecombineerd. In de tweede plaats is zijn typologie (of topologie) van klassenposities eigenlijk helemaal niet opgebouwd rond uitbuitingsvormen als zodanig, maar veeleer gegroepeerd rond relaties ten opzichte van productieve bronnen die uitbuiting (kunnen) genereren, zoals hij later ook zelfkritisch zou opmerken [Wright 1989:306]. Hij maakt daarin dus niet zijn claim waar dat uitspraken over verschillende uitbuitingsmechanismen op systematische wijze gebruikt moeten worden om posities binnen klassenstructuren (a class structural matrix) te lokaliseren. Dit bezwaar wordt nog eens versterkt doordat Wright geen onderscheid maakt tussen uitbuitingsposities en klassenposities. Er bestaat een complexe samenhang tussen (1) de theoretisch denkbare of historisch relevante vormen van beschikkingsmacht over directe bronnen, (2) de diverse uitbuitingsvormen die daarmee samenhangen, (3) de in uitbuitingsvormen geconsolideerde uitbuitingsposities, en (4) de op basis daarvan mogelijke klassenposities. In Wrights benadering lijkt deze samenhang in een snelle typologische vlucht te worden overbrugd. De analytische opbrengst daarvan is echter gering, de kosten zijn mijn inziens te hoog: te veel reducties. In de derde plaats beperkt Wright zijn analyse van de uitbuitingsmechanismen tot processen van toeëigening van meerarbeid die verankerd zijn in de beschikkingsmacht over directe bronnen. Deze beperking ontneemt het zicht op exploitatieprocessen die verbonden zijn aan de beschikking over indirecte bronnen. Dit bezwaar blijft gelden, ook al smokkelt Wright in zijn catalogus van directe of productieve bronnen ook onbewust en daarom stilzwijgend indirecte bronnen binnen, zoals met name credentials [zie eerder: hoofdstuk VI, § 3·1]. Wrights typologie van uitbuitings- en klassenposities is dus beperkt tot machts- en inkomensongelijkheden die het gevolg zijn van de ongelijke beschikkingsmacht over directe bronnen. |
3. Combinatie van uitbuitingsvormen |
|---|
Een typologie van uitbuitingsposities biedt een referentiekader om voor elke maatschappijformatie of maatschappij te onderzoeken (a) wat het structurele gewicht of de relatieve betekenis is van specifieke uitbuitingstypen en -posities, (b) op welke wijze deze intern of extern met elkaar verbonden zijn en (c) in welke mate de intern gerelateerde uitbuitingsmechanismen en klassenposities elkaar overlappen of relatief zelfstandig naast elkaar bestaan.
a. Relatieve gewicht van afzonderlijke uitbuitingsvormen
In de eerste plaats kunnen uitspraken worden gedaan over het relatieve gewicht van de arbeidswijzen die in een bepaalde maatschappijformatie zijn gecombineerd. De arbeidswijze met het grootste soortelijk gewicht is bepalend voor het globale karakter van deze maatschappijformatie. De met deze dominante arbeidswijze corresponderende uitbuitingsvorm is in deze maatschappijformatie de primaire vorm van uitbuiting. Maatschappijformaties met een gelijke primaire uitbuitingsvorm (zoals kapitalistische maatschappijformaties) onderscheiden zich van elkaar door het specifieke relatieve gewicht van deze primaire uitbuitingsvorm en door de relatieve betekenis van secundaire exploitatievormen. Deze primaire en secundaire uitbuitingsvormen moeten niet worden verwisseld met directe uitbuiting (in arbeidsprocessen) en indirecte uitbuiting (in distributieprocessen).
Maatschappijformaties worden gekenmerkt door een telkens specifiek evenwicht-in-dominantie tussen de verschillende arbeidswijzen en de daarin verankerde uitbuitingsvormen. Wanneer dit evenwicht wordt verbroken door het in verval raken van de dominante arbeidswijze en/of het dominanter worden van een tot dan toe subalterne, secundaire arbeidswijze dan treedt een overgangsperiode in waarin het voortbestaan van de oude maatschappijformatie in het geding komt. De specifieke arbeidswijzen die in een maatschappijformatie zijn gecombineerd, kunnen elkaar dus onder bepaalde condities zodanig in (wankel en in de regel tijdelijk) evenwicht houden dat men kan zeggen dat de diverse uitbuitingsvormen een bijna gelijke relatieve betekenis hebben. Juist daarom is het van belang het hele spectrum van mogelijke mengvormen van uitbuitingsrelaties binnen een specifieke maatschappij te identificeren. Er zijn verschillende manieren om het relatieve gewicht van uitbuitingsvormen te analyseren. Wright [1985:109-11] heeft laten zien wat de moeilijkheden zijn bij de operationalisering van deze strategieën.
b. Interne en externe verbinding tussen uitbuitingsvormen
Uitbuitingsvormen kunnen zowel extern als intern met elkaar verbonden zijn. Bij een externe verbinding gaat het om twee uitbuitingsvormen die door verschillende mechanismen van toeëigening van meerarbeid worden geconstitueerd en met elkaar interacteren. Hierbij gaat het dus niet zoals Wright meent uitsluitend om de verbinding tussen uitbuitingsvormen die in onderscheiden productieprocessen bestaan, maar bijvoorbeeld ook om de externe verbinding tussen directe uitbuiting in arbeidsprocessen en indirecte uitbuiting in distributieprocessen op basis van geweld. Een voorbeeld van een externe verbinding tussen twee directe uitbuitingsprocessen is de interactie tussen de zelfuitbuiting van kleine warenproducenten en de uitbuiting van loonafhankelijken in kapitalistische ondernemingen. Een voorbeeld van een externe verbinding tussen directe en indirecte uitbuiting is de relatie tussen uitbuiting van horigen door feodale heren (in de vorm van arbeidsrente) en de belastinguitbuiting van boeren(dorpen) door statelijk georganiseerde heersende elites die met de arbeidsprocessen zelf niets van doen hebben.
Van een interne verbinding is sprake wanneer twee uitbuitingsvormen direct van elkaar afhankelijk zijn in de zin dat beide niet geïsoleerd of zelfstandig kunnen bestaan. Zo zijn alle uitbuitingsprocessen in distributieprocessen in principe afhankelijk van het feit dat er in arbeidsprocessen zelf meerarbeid of een meerproduct wordt voortgebracht dat kan worden toegeëigend [Bader/Benschop 1988:217]. Wanneer verschillende uitbuitingsvormen gelijktijdig binnen een arbeidsproces opereren is deze interne verbinding nog duidelijker. Een voorbeeld hiervan is de interpenetratie tussen toeëigening van meerwaarde op basis van beschikkingsmacht over productiemiddelen en toeëigening op basis van controle over heerschappijposities binnen kapitalistische arbeidsorganisaties. Zie uitvoeriger: hoofdstuk VIII, § 4 Organisationele uitbuiting en klassenpositie.
c. Relatieve autonomie en overlapping
Maatschappijformaties en maatschappijen verschillen van elkaar door de mate waarin de intern gerelateerde uitbuitingsmechanismen elkaar overlappen en doorkruisen. De mate waarin uitbuitingsrelaties elkaar overlappen, is bepalend voor de mate waarin de klassenformatie een probleem van klassenallianties is. Wanneer de verschillende uitbuitingsmechanismen elkaar in sterke mate overlappen, zal de concrete klassenstructuur meer gepolariseerd zijn; wanneer er weinig overlapping is, zal de klassenstructuur minder gepolariseerd zijn en worden klassenallianties belangrijker [Rey 1973; Wright 1985:112].
4. Credentie-uitbuiting en professionalisering |
|---|
Hierboven heb ik slechts een globale schets gegeven van verschillende typen en mechanismen van uitbuiting en van de mogelijke combinaties van uitbuitingsvormen. Omdat het niet mogelijk is dit voor elk uitbuitingsmechanisme afzonderlijk te concretiseren, beperk ik me tot een nadere analyse van een van de meest omstreden vormen van indirecte uitbuiting op basis van ongelijke ruilverhoudingen: de credentie-uitbuiting. Wat is credentie-uitbuiting en welke betekenis heeft deze uitbuitingsvorm voor een transformationele klassenanalyse?
De terminologie alleen al is omstreden omdat credenties vaak worden gereduceerd tot diplomas of gecombineerd met kwalificaties. Bij gebrek aan beter hanteer ik hier de bastaardterm credentie-uitbuiting. Om redenen die hieronder nog besproken zullen worden, wil ik in ieder geval vermijden dat deze term wordt vervangen door of gelijkgesteld met de door Wright gehanteerde term kwalificatie-uitbuiting (skill exploitation). In plaats van credentie-uitbuiting zou men ook diploma-uitbuiting kunnen zeggen. Het bezwaar hiertegen is echter dat de beoogde uitbuitingsvorm teveel gereduceerd wordt tot exploitatie op basis van het bezit van diplomas. Voor mijn analyse heb ik een breder begrip nodig dat zowel diplomas en academische titels als getuigschriften en referenties omvat. Daarom heb ik ervoor gekozen de in het Middelnederlands gangbare term credentie af te stoffen.
Het woord credentie is ontleend aan de Latijnse term credentia (afgeleid van credere = geloven). In het Middelnederlands werd de term vanaf 1654 meestal in het meervoud gebruikt: geloofsbrieven werden aangeduid als credentialen. In het enkelvoud werd behalve de term credentiaal ook de term credentie (geloofsbrief, brief van credentie) gebruikt. Credentie is dus net zo als credentialen een bastaardwoord dat met wijzigingen uit het Latijn is overgenomen [Van Dales Etymologisch woordenboek; Kramers Vreemde-Woordentolk; Knuttel 1916].
Evenals voor het begrip organisationele uitbuiting dat in het volgende hoofdstuk wordt behandeld geldt ook voor credentie-uitbuiting dat de inhoudelijke afbakening van dit begrip veel te wensen overlaat en dat daarom ook de implicaties voor de klassenanalyse sterk omstreden zijn. Om in de veelvoud van problemen enige ordening aan te brengen zal ik een onderscheid maken tussen (1) de grondslagen en (2) het mechanisme van credentie-uitbuiting, (3) de reproductie en uitbreiding van credentie-uitbuiting en (4) de samenhang tussen credentie-uitbuiting en structurele uitbuitings- en klassenposities. Tegen de achtergrond van deze precisering van het algemene begrip van credentie-uitbuiting wordt in § 5 een de klassenpositie van professionals en experts in het kapitalisme geanalyseerd als een eigensoortige tussenklassenpositie.
|
|
Met dit onderscheid tussen kwalificaties en credenties kunnen de drie antwoordstrategieën tamelijk eenvoudig in kaart worden gebracht.
Talenten zijn als zodanig geen arbeidskwalificaties. Natuurlijke talenten zijn individueel aangeboren of erfelijk overgedragen potentiële arbeidskwalificaties; het zijn deels tamelijk onvoorspelbare resultaten van de grillen van de genetische dobbelsteen. Talenten zijn per definitie schaarse gaven of potenties waardoor individuen in staat zijn hooggewaardeerde kwalificaties te verwerven tegen relatief lage kosten en inspanningen.
| Ook Wright gaat ervan uit dat talenten van nature schaars zijn in een populatie. We consider talents to be innate attributes of individuals acquired through the genetic lottery [Wright 1989:193]. Hij concentreert zijn definitie van talenten volledig op erfelijk overgedragen kenmerken en eigenschappen en laat de individueel aangeboren kenmerken en eigenschappen buiten beschouwing. Wright heeft wel een scherp ook voor het karakter van talenten als potentiële arbeidskwalificatie. A talented person is someone who can acquire a given skill at less cost (in time, effort and other resources) than an untalented person. In extreme cases, this may mean that the cost to the untalented becomes infinite (i.e. it is impossible to acquire the skill in question [Wright 1985:76; vgl. 1989:194]. |
De empirische verschillen tussen individuele arbeidskwalificaties zijn dus het gecombineerde resultaat van een natuurlijke ongelijkheid in de verdeling van talenten en van ongelijke toegangskansen tot en ongelijke kansen in de opvoedings-, onderwijs- en arbeidssystemen waarin mensen hun talenten kunnen ontwikkelen tot arbeidskwalificaties. De ongelijke verdeling van arbeidskwalificaties is vooral het gevolg van de diverse selectie- en uitsluitingsmechanismen die in het onderwijsstelsel zijn ingebakken. De ongelijkheidsstructurerende kracht van natuurlijke verschillen in talenten, fysieke kracht en dergelijke is in hoofdstuk IV, § 1·1 behandeld.
Credenties zijn enerzijds het specifieke resultaat van opvoedings- en met name van onderwijsprocessen. Diplomas en academische titels zijn de beloningen voor een met succes doorlopen opleidingsproces.
|
|
Welke van deze drie alternatieve concepten en analysestrategieën verdient nu de voorkeur? Kwalificatie-uitbuiting als vorm van directe uitbuiting is een dubieus concept. De reden hiervoor is dat het bezit van specifieke kwalificaties als zodanig geen voldoende grondslag is voor toeëigening van meerarbeid van anderen. Dit is alleen het geval wanneer deze kwalificaties schaars zijn. En niet zozeer in absolute zin, maar in verhouding tot de vraag naar deze arbeidskwalificaties. Van kwalificatie-uitbuiting is dus alleen maar onder zeer specifieke condities mogelijk.
|
|
De schaarste van specifieke arbeidskwalificaties is het gecombineerde resultaat van drie mechanismen.
Strikt genomen vormt dus niet de beschikking over kwalificaties als zodanig de basis voor toeëigening van meerarbeid, maar de beschikking over schaarse kwalificaties, en met name wanneer deze schaarste is geïnstitutionaliseerd door credenties. Daarom concentreer ik mij hier verder op het zuiver credentiële uitbuitingsmechanisme.
Credentie-uitbuiting is gebaseerd op de beperking van het aanbod van specifieke kwalificaties via een specifieke vorm van monopolisering, waardoor de inkomsten of inkomens van schaarse gekwalificeerde arbeidskrachten boven het niveau van hun reproductiekosten kan worden gedreven. Het meest belangrijke geïnstitutionaliseerde mechanisme voor een dergelijke monopolisering is professionalisering. Professionalisering is een specifiek mechanisme van sociale sluiting dat gedefinieerd wordt door de volgende elementen: (1) de beperking van de toegang tot het beroep door controle over opleiding, training en kwalificatie: sluiting naar buiten door exclusieve rekrutering; (2) de beperking van het gedrag van professionals door controle over gedragscodes: sluiting naar binnen door controle over gedrag van ingeslotenen; (3) de regulatie van aanbod van diensten op de markt door het scheppen van feitelijke monopolies; (4) de bekrachtiging of garantie van sociale sluiting door het verwerven van steun en erkenning van de overheid: het legaliseren van feitelijke monopolies.
|
Ik heb deze elementen uitvoeriger uitgewerkt in: Benschop [1987/2012: § 7·3]. In aansluiting bij Max Weber behandel ik daarin professionalisering als een specifiek mechanisme en een specifieke strategie van sociale sluiting. Weber heeft er als eerste op gewezen dat de monopolisering van economische en sociale kansen een specifieke vorm aanneemt wanneer zich groepen van personen formeren die specifieke kwaliteiten gemeen hebben welke door opvoeding, onderwijs en training verworven kunnen worden [Weber, WG:202].
Professionalisering is een strategie van beroepsgenoten die proberen beloningen te maximeren door de toegang tot dit beroep (en de daarmee verbonden economische en sociale kansen) te beperken. Professionalisering is dus altijd gericht op het creëren van een specifieke schaarste. Dat is in principe mogelijk door het verkleinen van het aanbod (reductie van beschikbaarheid van een specifieke dienst of waar) of door het vergroten van de vraag (door opwaardering van de specifieke kwaliteit van de aangeboden waren of diensten). Vgl. Johnson [1972,1976], Bestaut [1975], Abercrombie/Urry [1983:101 e.v.,121], Mok [1973], Abbott [1988]. |
Professionalisering betekent dat een bepaalde beroepsgroep erin geslaagd is controle uit te oefenen over de toelating tot gespecialiseerde opleidingen en een overheidsgarantie van diplomas heeft afgedwongen. De mogelijkheid om meerarbeid toe te eigenen door professionals en experts is dus primair afhankelijk van hun controle over credenties, dat wil zeggen van hun controle op het aanbod van specifiek gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskrachten en de machts- of monopolieprijzen (credentierente) die zij hierdoor kunnen bemachtigen. Door controle over de toelating tot gespecialiseerde opleidingen en overheidsgarantie van diplomas kan het aanbod van professionele arbeidskrachten worden verkleind en kunnen op grond van een superieure machts- en onderhandelingspositie monopolieprijzen worden gerealiseerd. Door deze strategie van professionalisering is structurele credentie-uitbuiting mogelijk; dit is een mechanisme van indirecte uitbuiting via ongelijke ruil.
Credentie-uitbuiting betekent dat individuen op grond van hun specifiek gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskracht een effectieve claim kunnen leggen op meerarbeid. Wanneer dit uitsluitend een claim op het door hen zelf geproduceerde waardeproduct zou betreffen, is dit zoals eerder opgemerkt natuurlijk geen uitbuiting maar veeleer een claim op non-exploitatie. Van credentie-uitbuiting is dus alleen sprake wanneer individuen of groepen op grond van hun beschikking over credenties daadwerkelijk in staat zijn meerarbeid van anderen (van andere producenten of van een heterogene massa van kopers) toe te eigenen.
De verschillen in inkomens of inkomsten die gerelateerd zijn aan kwalificatie- of credentieverschillen zijn niet noodzakelijkerwijze een reflectie van uitbuiting [Wright 1989:194]. Het exploitatieve element in de inkomsten of inkomens van gekwalificeerde credentiebezitters is dat deel van hun inkomsten of inkomen dat een directe uitdrukking is van het feit dat zij een monopolie hebben op het aanbod van dit soort arbeidskrachten. Dit feitelijke monopolie is gebaseerd op credenties en resulteert in een specifieke monopolie-rente. Hun inkomens of inkomsten bevatten een credentierente die boven de gemiddelde reproductiekosten voor deze gekwalificeerde arbeidskrachten uitgaat. Credentierente is een specifieke vorm van monopolie-rente: het is de rente die is afgeleid van het vermogen van de credentiehouders om de aanvoer van specifiek gekwalificeerde arbeidskrachten te beperken.
Credentierente is echter alleen een potentiële uitbuitingsvorm. Voor professionals en experts is een effectieve claim op meerarbeid in de vorm van credentierente een noodzakelijke voorwaarde om zelf als uitbuiters te fungeren, maar het is geen voldoende voorwaarde. Een effectieve aanspraak op credentierente impliceert weliswaar per definitie dat deze professionals en experts in staat zijn een deel van de meerarbeid toe te eigenen, maar niet dat zij ook noodzakelijk de meerarbeid van ándere arbeidskrachten kunnen toeëigenen. De geprivilegieerde positie van professionals en experts is meestal uitdrukking van het feit dat zij net als de zelfstandige warenproducenten in staat zijn hun eigen meerarbeid toe te eigenen. Hun privilege bestaat dus in wezen hierin dat zij niet worden uitgebuit, en niet dat zij participeren in de uitbuiting van andere arbeidskrachten.
De ratio van de analyse van credentie-exploitatie is dat beschikkingsmacht over credenties een grondslag kán zijn van uitbuiting in de zin van toeëigening van meerarbeid van anderen. Credentie-uitbuiting is een specifieke, eigensoortige vorm van indirecte uitbuiting die analytisch onderscheiden moet worden van vormen van directe uitbuiting en van andere vormen van indirecte uitbuiting. Meer in het bijzonder is credentie-uitbuiting een vorm van indirecte uitbuiting via ongelijke ruil.
De eerder geformuleerde en verdergaande claim is dat credentie-uitbuiting als zodanig een grondslag kan vormen voor het bestaan van stabiele en duurzame uitbuitingsposities [§ 4·3] en dat deze op hun beurt de grondslag kunnen vormen van een eigensoortige klassenpositie [§ 4·4]. Deze twee claims vereisen echter een afzonderlijke argumentatie.
a. Aard en mate van controle over credenties
De stabiliteit van credentie-exploitatie is afhankelijk van de mate waarin professionals en experts effectieve beschikkingsmacht hebben over hun eigen gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskracht. Professionals en experts hebben weliswaar een grote, maar zeker geen onbeperkte controle over hun credenties. Credenties kunnen immers geen eigendom worden in de volledige zin van het woord: professionals en experts kunnen gebruik maken van hun credenties (gebruiksrecht), zij kunnen er vrijelijk over beschikken (dispositierecht) en zij kunnen genieten van de vruchten van credenties (genotrecht), maar zij kunnen deze rechten en bevoegdheden niet of slechts zeer indirect aan anderen overdragen (overdrachtsrecht). Diplomas, academische titels en getuigschriften kunnen dus wel effectief worden gecontroleerd, maar zij kunnen niet als eigendomsrechten worden geformuleerd (zoals Wright doet - zie excursie).
|
Hoewel ik een beperkter begrip van credenties heb gedefinieerd, is er geen principiële reden om dit begrip niet in deze richting te verbreden. Voor een algemene analyse van uitbuitingsvormen zou het voordelen kunnen hebben om met een zodanig breed begrip van credenties te opereren, dat daarmee ook de beschikkingsmacht over adellijke titels als grondslag van een specifieke (titulaire) uitbuitingsvorm gethematiseerd kan worden. Voor een historisch-sociologische analyse van de in het feodalisme gecombineerde uitbuitings- en klassenverhoudingen lijkt dit een aantrekkelijk perspectief. In mijn reconstructie van Webers theorie van sociale sluiting zijn hiervoor een aantal aanknopingspunten te vinden, met name in de analyse van het professionaliseringsmechanisme [Benschop 1987/2012: § 7·3]. Bourdieu [1989:157 e.v.; 1989a] analyseerde de samenhang tussen adellijke, educatieve en professionele titels. In hoofdstuk IX, § 2·3 kom ik uitvoeriger terug op Bourdieus analyse van de werking van adellijke titel. |
Credenties kunnen niet effectief worden geprivatiseerd (althans niet volledig) en zij kunnen niet van vader op zoon of van moeder op dochter erfelijk worden overgedragen. Erfelijke overdracht beperkt zich echter niet tot verwantschap, maar is ook mogelijk op basis van selectieve coöptatie. Professionals en experts kunnen hun credenties niet individueel verkopen, maar zij kunnen wel een effectieve controle uitoefenen op de overdracht van rechten om credenties te gebruiken. De werking van dit mechanisme van selectieve coöptatie is het meest duidelijk gedemonstreerd bij de medische professionals, die weliswaar hun artsentitels niet individueel op hun nageslacht overdragen, maar toch in generationeel perspectief een hoge mate aan continuïteit vertonen. In dit opzicht komt de beschikkingsmacht over credenties dicht in de buurt van eigendom in strikte zin. De inzet van credenties kan echter in meer of mindere mate effectief geblokkeerd zijn. Dit gebeurt met name wanneer een geldende rechtsorde het inzetten van credenties op specifieke gebieden voor illegaal verklaard.
Een cruciaal element in de intergenerationele overdracht van credenties is de socialisatie van kinderen van professionals. In de primaire socialisatie worden de door professionals verinnerlijkte beroepsmatige gedragscodes, groepsidentiteiten en -ethieken overgedragen op hun kinderen. Door gewenning aan deze professionele codes en beroepsstijlen wordt het voor deze kinderen gemakkelijker om toegelaten te worden tot de educatieve instellingen waarin de betreffende kwalificaties kunnen worden aangeleerd en vergroten zij hun kansen om de uiteindelijk begeerde titels te verwerven. Bovendien wordt hierdoor tevens de kans vergroot om toegelaten te worden tot de kringen waarin deze professionele code wordt aangehangen [Parry/Parry 1976]. Credenties zijn met name van belang als indicatie van iemands motivatie, loyaliteit en binding aan bepaalde waarden [Abercrombie/Urry 1983:104].
Een arbeiderskind beklimt niet zomaar de academische ladder en academici uit arbeidersgezinnen maken moeilijker carrière. Zij beschikken niet over de juiste netwerken en kennen de sociale codes niet die in bepaalde beroepsgroepen gelden. Tijdens hun loopbaan stuiten zij op selectiecriteria die niet vakmatig, maar sociaal zijn. De impliciete boodschap is: als je de codes van ons wereldje niet kent, dan hoor je er niet. Wie de ongeschreven regels, de dubbele agendas en mores van de beroepsgroep niet kent, wordt uitgesloten of komt binnen zijn professie niet of zelden aan de top [Matthys 2010].
|
Het resultaat van feitelijke beschikkingsmacht over bronnen zijn privileges. Deze privileges kunnen uiterlijk worden gegarandeerd door conventies (d.w.z. door sociale minachting en uitsluiting wanneer deze conventies worden geschonden) en/of door recht (d.w.z. door dreiging met of toepassen van legaal fysiek geweld). Wanneer privileges wettelijk zijn gegarandeerd dan worden het rechten. Rechten zijn privileges die uiterlijk door wetten worden beschermd, onafhankelijk van de vraag of deze rechten ook innerlijk worden gegarandeerd door legale rechtsaanspraken die feitelijk voor legitiem worden gehouden. Rechten zijn dus niet per definitie legitieme rechten. Wanneer rechten bovendien erfelijk overdraagbaar zijn dan worden zij pas eigendom in strikte zin. Daarbij moet deze erfelijke overdracht breed worden opgevat en niet worden beperkt tot het criterium van verwantschap: eigendom omvat niet alleen familie- of verwantschapseigendom, maar ook corporatief en staatseigendom. De overdracht van de in eigendom geïmpliceerde beschikkingsmachten (rechten en bevoegdheden) komt enerzijds tot stand doordat zij direct worden overgedragen aan individuen die door geboorte (verwantschap) aan de huidige eigenaar zijn verbonden (individuele erfenis), anderzijds doordat de gemonopoliseerde kansen via het mechanisme van selectieve coöptatie worden overgedragen aan leden van bepaalde organisaties (sociale erfenis). |
b. Reproductie van verdeling van credenties
We hebben hiervoor gezien dat de feitelijke ongelijkheid van verdeling van credenties het gecombineerde effect is van drie factoren: (1) de door erfelijke of aangeboren overdracht bepaalde natuurlijke verdeling van talenten, (2) de door diverse mechanismen van sociale sluiting bepaalde verdeling van toegangskansen tot educatieve instellingen, en (3) de door het credentiestelsel bepaalde verdeling van diplomas, academische titels, getuigschriften en referenties.
De stabiliteit en reproductie van credentie-exploitatie is in eerste instantie afhankelijk van de mate waarin deze drie verdelingsmechanismen operationeel zijn. Zolang een of meer van deze mechanismen leiden tot een feitelijke schaarste van specifiek gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskrachten, zolang bestaat er ook de mogelijkheid dat credentie-exploitatie zich verduurzaamt en een structureel karakter aanneemt. De feitelijke schaarste van specifiek gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskrachten is echter primair afhankelijk van het succes waarmee beroepsgenoten zelf het aanbod van deze arbeidskrachten kunnen beperken en controleren (door exclusieve rekrutering, sociale sluiting naar binnen, monopolievorming en het legaliseren van deze monopolies).
|
Als men op dit abstractieniveau meent zinvolle uitspraken te kunnen doen, dan is het m.i. veel verstandiger (en in politiek opzicht meer opportuun!] aandacht te besteden aan de maatschappelijke bepaaldheid van de verdeling van natuurlijke talenten [zie hoofdstuk IV, § 1·1]. Er zijn inmiddels voldoende studies gedaan die laten zien dat de verschillen in fysieke en intellectuele potenties die kinderen vanaf hun geboorte meekrijgen in sterke mate afhankelijk zijn van de levensstandaard van hun ouders. De verdeling van natuurlijke talenten zelf is allesbehalve natuurlijk, maar door en door maatschappelijk gekleurd, en niet in de laatste plaats door klassengebonden verschillen in de economische levensstandaard. Op internationale schaal is dit fenomeen het meest helder gedocumenteerd in het onderzoek naar de gemiddelde fysieke en mentale condities van kinderen in de zgn. onontwikkelde landen in vergelijking met kinderen in de hoogontwikkelde kapitalistische landen. |
a. Hoe substantieel en structureel is credentie-uitbuiting?
We hebben hiervoor gezien dat de controle over credenties alleen maar uitbuitingsposities constitueert wanneer en voor zover hierdoor een effectieve claim op substantiële aandelen in de meerarbeid wordt gelegd en wanneer deze claim duurzaam kan worden gehandhaafd. Incidentele en marginale claims op meerarbeid leiden immers niet tot structurele uitbuitings- en klassenposities, maar wel tot bescheiden privileges van de betreffende credentiehouders. Binnen de werkende klassen manifesteert zich dit met name in variaties in de materiële levensstandaard en in wisselende graden van autonomie binnen de arbeidsorganisaties. Deze bescheiden privileges vormen samen met de aan kwalificatieverschillen gerelateerde verschillen in inkomens en inkomsten de grondslag voor de sociale gelaagdheid van de uitgebuite werkende klasse.
Credentiebezit leidt alleen tot uitbuitings- en klassenposities wanneer degenen die de controle hebben over relatief zeldzame credentie-bronnen in staat zijn substantiële inkomsten uit meerarbeid toe te eigenen en wanneer zij dit duurzaam kunnen doen. Dit kan twee vormen aannemen.
|
Ondernemers kunnen de loonkosten voor de monopolieprijzen die credentiehouders kunnen bedingen, afwentelen op hun overige loonarbeiders zodat hierdoor direct hun loonhoogte wordt beïnvloed, maar zij kunnen de loonkosten ook afwentelen via de prijzen, zonder dat dit de loonhoogte van de overige loonarbeiders direct beïnvloedt. In dit laatste geval worden de claims van professionele loonarbeiders van het kapitaal direct afgewenteld op de kopers van de producten of op de gebruikers van de diensten van de onderneming. Bovendien is het ook mogelijk dat de staat prijssubsidies verleent op de betreffende producten of diensten. In dat geval moet naast de categorie van betalende kopers ook de massa van belastingbetalers worden betrokken in de analyse van de uitgebuitenen [Bader/Benschop 1988:361]. Zie voor een uitvoerige analyse van het begrip belastinguitbuiting, de mechanismen en de vormen hiervan: Krätke [1984]. |
Ook deze categorie van houders van uiterst schaarse of zeldzame credenties nemen in de feitelijke uitbuitingsverhoudingen een tegenstrijdige positie in. Hun tussenklassenpositie neemt een bijzonder karakter aan omdat deze credentiehouders zelf uitbuiters zijn en omdat zij door hun hoge credentierente meestal relatief gemakkelijk in staat zijn zich op den duur volledig te verzelfstandigen, dat wil zeggen hun credentierente te gebruiken om de overgang te maken naar een ondubbelzinnige positie van de uitbuitende klasse. Dit is met name het geval wanneer professionals en experts een leidinggevende positie innemen in de hiërarchie van de arbeidsorganisatie, waardoor zij de mogelijkheid hebben om tevens een effectieve claim te leggen op loyaliteitsrente.
b. Kunnen professionals meerarbeid accumuleren of kapitaliseren?
Wat zijn voor professionals en experts de mogelijkheden om hun credentierente te accumuleren of te kapitaliseren? Structurele uitbuitingsposities op basis van effectieve controle over credenties kunnen ontstaan wanneer de credentie-houders in staat zijn hun credentierentes te transformeren in (her)investeringen in hun eigen kwalificaties en credenties (en zo hun menselijk kapitaal vergroten) als uitgebreide grondslag voor hernieuwde uitbuiting.
Credentierente is een vorm van inkomen (in geld of in natura) boven het niveau van de reproductiekosten van de arbeidskracht van credentiehouders. Dit biedt credentie-houders de mogelijkheid hun persoonlijke levenstandaard te verhogen (vergroting van consumptieve uitgaven),
| * Professionalisering vereist altijd een zeker toezicht op de kwaliteit van de geleverde prestatie van de beroepsgenoten. Om de kwaliteit en de betrouwbaarheid van hun diensten te bewaken moeten zij zich afschermen van kwakzalvers, charlatans en beunhazen (sluiting naar buiten), moeten zij een systeem van gedragscontrole over de erkende beroepsgenoten ontwikkelen en moet hun onderlinge competitie worden gereguleerd (sluiting naar binnen). Voor dit toezicht moeten instituties worden opgericht en onderhouden die in de regel door de professionals zelf moeten worden gefinancierd. Achter deze zorg voor goede prestaties schuilt meestal het belang van het beperken van het aanbod van kandidaten voor de beroepsprivileges en het daaraan verbonden aanzien. |
c. Ontstaan er klassenposities op basis van creditentiëe exploitatie?
We hebben gezien dat beschikkingsmacht over credenties de grondslag kan vormen voor een substantiële en duurzame toeëigening van meerarbeid en dus voor uitbuitingsposities. Credentie-gebonden uitbuitingsposities ontstaan door een specifieke combinatie van ongelijke beschikkingsmacht over de indirecte bron credenties en het specifieke mechanisme van toeëigening van meerarbeid in de vorm van credentierente. Op basis van deze uitbuitingsposities kunnen afgebakende klassenposities ontstaan, wanneer de subjecten die deze uitbuitingsposities bekleden duidelijk geïdentificeerd kunnen worden. Bij credentie-privileges (toeëigening van eigen waardeproduct) is tamelijk duidelijk wie deze privileges genieten. In dit geval is echter überhaupt geen sprake van uitbuiting in strikte zin (toeëigening van meerarbeid van anderen) en kan dus ook niet worden aangegeven wie de uitgebuitenen zijn. Bij credentie-uitbuiting ligt dit anders. In dit geval is het wel duidelijk wie de profiteurs van deze exploitatie zijn, maar is het lang niet altijd even duidelijk wie de geëxploiteerden zijn (zie excursie over het afwentelen van monopolieprijzen).
Bovendien is het ontstaan van eenduidig afgebakende klassenposities in sterke mate afhankelijk van de vraag in hoeverre er sprake is van een overlapping van de verschillende uitbuitingsposities. Professionals en experts met een gering credentiebezit zijn bijvoorbeeld vaak alleen maar in staat hun uitbuiting te matigen. Hun uiterst minimale claim op hun eigen waardeproduct betekent dat zij net zo als andere leden van de werkende klassen worden uitgebuit en enkel in staat zijn de uitbuitingsgraad (de relatieve verhouding tussen noodzakelijke en meerarbeid) te beperken. Hierdoor wordt weliswaar hun klassenpositie beïnvloed (zij nemen binnen de uitgebuite klasse een relatief geprivilegieerde positie in), maar deze klassenpositie zelf verandert hierdoor nog niet wezenlijk.
Eigensoortige tussenklassenposities ontstaan pas wanneer en voor zover credentiehouders over zodanig schaarse kwalificaties beschikken en hierdoor een zodanig superieure machts- en onderhandelingspositie verwerven dat zij zichzelf kunnen vrijwaren van exploitatie. Deze tussenklassenpositie kan echter op haar beurt weer aanzienlijk worden gemodificeerd wanneer deze professionals en experts tegelijkertijd belangrijke leidinggevende functies binnen de arbeidsorganisatie gaan vervullen. De aan deze functies klevende beschikkingsmacht over gezagsposities biedt immers een aanvullende mogelijkheid om een effectieve claim op meerarbeid van andere producenten te leggen in de vorm van een loyaliteitsrente. In dat geval is er sprake van een overlapping van twee onderscheiden uitbuitingsposities: organisationele en credentie-uitbuiting vloeien samen in de meer complexe tussenklassenpositie van professionele managers.
|
Voor de analyse van persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen is niet het onderscheid tussen kwalificatie en arbeidskracht relevant, maar het onderscheid tussen beschikkingsmacht over de persoon als geheel (inclusief zijn/haar gekwalificeerde arbeidskracht) en beschikkingsmacht over meer of minder gekwalificeerde arbeidskracht. In het feodalisme zijn de beschikkingsmachten over de arbeidskracht ongelijk verdeeld. Persoonlijke afhankelijkheid betekent hier dat feodale heren (in samenhang met hun grondbezit) een aanzienlijke beschikkingsmacht hebben over de meer of minder gekwalificeerde arbeidskracht van hun vazallen. Vazallen hebben geen volledige effectieve beschikkingsmacht over hun eigen persoon als productieve actoren. In de slavernij hebben slaven geen enkele of uiterst minimale beschikkingsmacht over hun eigen arbeidskracht omdat zij geen beschikkingsmacht over de eigen persoon hebben, terwijl de slavenhouders volledige eigendomsrechten hebben over hun slaven: gebruiks-, genots-, dispositie- én overdrachtsrechten.
|
Bij zijn analyse van skill exploitation vraag Wright zich af on what basis they gain control over that surplus [Wright 1985:81]. Hier wordt echter geen duidelijk antwoord op gegeven. Hij maakt een onderscheid tussen twee aspecten van skill exploitation: de status van diplomas als eigendomsrecht en de natuurlijke talenten. De ene keer spreekt hij over skill-based exploitation, over skill assets as such [idem:85; vgl. 82,86] of kortweg over skill exploitation [1989:192,308,347] en dan weer over credential exploitation [1985:103].
Op andere plaatsen vervloeit zijn terminologie volledig en spreekt hij over individuals with skills or credentials, exploitation based on skills/credentials [idem:85], skill or credential differences [idem:103; vgl. p. 87] en over skill or credential exploitation [1989:194]. Wright neemt het onderscheid tussen labour power en skills niet zo nauw en laat skills ongemerkt overvloeien in credentials.
Achter deze terminologische ambiguïteit schuilt mijns inziens een verwarring over de specifieke aard van de bronnen op basis waarvan professionals en experts in staat zouden zijn een effectieve aanspraak op meerarbeid te doen. Wright lijkt te vergeten dat diplomas niet werken en daarom ook geen directe of productieve bronnen kunnen zijn.
|
Als men het kapitaalbegrip zo oeverloos uitrekt dat men álle bronnen eenvoudig kapitaal kan noemen, dan heeft men zoals eerder opgemerkt geen apart begrip meer voor bronnen die niet particulier zijn toegeëigend, en ook niet voor vormen van particuliere toeëigening van bronnen die specifiek zijn voor de kapitalistische maatschappijformatie. In dat geval zijn alle objectieve arbeidsvoorwaarden altijd en eeuwig kapitaal (zoals bij Bourdieu e.a.) en komt men sterk in de verleiding strategisch handelen in het algemeen te identificeren met een historisch specifiek type, nl. met dat van de burgerlijke homo economicus. Natuurlijk kan men zeggen dat individueel verworven prestatiekwalificaties en natuurtalenten menselijk kapitaal zijn. Dit heeft echter alleen maar zin wanneer er sprake is van door ruil gemedieerde particuliere toeëigening van meerarbeid van anderen. Het kapitaalbegrip is dus niet principieel beperkt tot een bepaald type van directe bronnen (d.w.z. tot objectieve arbeidsvoorwaarden). Het blijft echter een hachelijke zaak om volledig te abstraheren van de specifieke historisch-maatschappelijke voorwaarden waaronder en verhoudingen waarbinnen deze bronnen feitelijk functioneren. Dit type onkritische abstractie is het intellectuele stijlkenmerk geworden van auteurs die de charme van de human capital theory niet hebben kunnen weerstaan. |
Anderzijds wordt deze credentie-uitbuiting op een nogal verwarrende wijze gelijkgesteld met kwalificatie-uitbuiting. Dit is het gevolg van het feit dat hij kwalificaties en credenties sterk in elkaar laat overvloeien. Wright maakt dus geen duidelijk onderscheid tussen uitbuiting op basis van beschikkingsmacht over de indirecte bron credenties (credentie-uitbuiting) en uitbuiting op basis van beschikkingsmacht over de directe bron arbeidskwalificaties (kwalificatie-uitbuiting). Hij wil het verschijnsel van skill/credential exploitation thematiseren als een direct uitbuitingsmechanisme. Het mechanisme van uitbuiting op basis van credenties is nu juist geen mechanisme van directe uitbuiting. Bovendien kan men zich afvragen of kwalificatie-uitbuiting als vorm van directe exploitatie een zinvol begrip is. Zie voor een eerdere kritiek op dit concept Bader/Benschop [1988:355] en Stinchcombe [1989].
Bij zijn uitwerking van de multiple exploitations approach in 1985 merkt Wright zelf al op dat zich bij de analyse van de exploitation rooted in skills een aantal problemen voordoen en dat het much less obvious is ze als directe uitbuiting te behandelen [Wright 1985:75]. In zijn herziene versie van kwalificatie-uitbuiting heeft hij zijn conceptie op een aantal punten gecorrigeerd en gepreciseerd [Wright 1989:308]. Hij handhaaft weliswaar de term skill exploitation, maar noteert dat het gaat om exploitation based on the ownership of monopolized skills, most notably where these are legally certified through credentials [idem:192]. Niet de beschikkingsmacht over kwalificaties als zodanig is dus de grondslag van deze uitbuitingsvorm, maar de beschikking over gemonopoliseerde kwalificaties. Toegespitst op de kapitalistische maatschappijformatie betekent dit dat skill exploitation is gebaseerd op the restriction of the supply of particular skills, through one mechanism or another, so that the price of those skills (that is, the wage of the skilled labor power) is above its costs of production [idem]. Hij beschouwt credentialisme als het meest belangrijke geïnstitutionaliseerde mechanisme waardoor deze monopolisering wordt gegenereerd. Daarom is het merkwaardig dat hij skill exploitation blijft identificeren met credentialisme. Zijn analyse zou aanzienlijk worden versterkt en verduidelijkt wanneer hij deze identificatie zou doorbreken en credentie-uitbuiting zou analyseren als een bijzondere vorm van uitbuiting via ongelijke ruil, dat wil zeggen als een mechanisme van indirecte uitbuiting.
Omdat professionals en experts van credentierente profiteren, hebben zij dus wel andere belangen dan niet-experts, maar zij worden nog niet eenduidig als klasse geconstitueerd in verhouding tot niet-experts. Toch wil Wright credentie-uitbuiting als basis van een specifieke klassenverhouding behandelen, ook al merkt hij op dat men deze karakterisering voorzichtig moet benaderen [idem:103]. Hij benadrukt dat het verband met het klassenbegrip nog niet theoretisch bevredigend is opgelost [idem: 95]. Een van de strategieën die hij suggereert, is skill exploitation te behandelen als criterium om klassenfracties van elkaar af te bakenen.
5. Professionals en experts in het kapitalisme |
|---|
De implicaties van het begrip credentie-uitbuiting en van de werking van het credentiële uitbuitingsmechanisme kunnen nu worden geconcretiseerd in de analyse van de klassenpositie van professionals en experts in het kapitalisme. Ik beperk mij daarbij tot een aantal stellingsgewijs geponeerde hypothesen over de klassenpositie van professionals en experts die als loonarbeiders van het kapitaal fungeren.
De analyse van de categorie professionals, experts of deskundigen, van in loondienst van het kapitaal werkende hooggekwalificeerde arbeidskrachten, is waarschijnlijk een van de meest complexe, maar zeker een van de meest omstreden opgaven van onderzoekers van de klassenstructuur. Vooral in de marxistische onderzoekstraditie heeft deze categorie de meeste problemen opgeleverd bij het formuleren van een coherente conceptie van de klassenstructuur. Ik zal eerst een aantal uiteenlopende benaderingen in kaart brengen en inventariseren wat de problemen zijn die opgelost moeten worden. In het algemeen kunnen er drie benaderingen worden onderscheiden.
De verschillen tussen deze benaderingen ontstaan met name omdat er meningsverschillen bestaan over vier vragen. (1) Ten eerste is controversieel hoe de samenhang moet worden geanalyseerd tussen de hogere kwalificatie van de professionals en experts, de waarde van deze arbeidskrachten en de prijs die professionals en experts voor hun werk op de markt weten te bedingen. (2) Ten tweede is controversieel welke klassenspecifieke betekenis moet worden toegekend aan het feit dat professionals en experts geestelijke arbeid verrichten onder kapitalistische uitbuitings- en klassenverhoudigen. Is het verrichten van geestelijke arbeid zelf al een klasseneigenschap? En welke waarde moet men toekennen aan het feit dat zij binnen de arbeidsorganisatie over een relatief grote autonomie beschikken? (3) Ten derde is controversieel welke relatie er bestaat tussen de strikt individuele arbeidskwalificatie en de diplomas die mensen verwerven door met succes een bepaalde opleiding te volgen. Wanneer professionals en experts hun eigen waardeproduct kunnen toeëigenen, zijn zij hiertoe dan in staat omdat zij over gekwalificeerde arbeidskracht beschikken, omdat zij over diplomas beschikken, of omdat zij de toegang tot dit specifieke gedeelte van de opleidings- en arbeidsmarkt controleren? (4) En tenslotte is controversieel welke betekenis moet worden toegekend aan het verschijnsel van professionalisering. Wat is de werking en wat zijn de effecten van deze specifieke sociale sluitingsstrategie van gediplomeerde arbeidskrachten?
Ik wil hier alleen maar laten zien wat de mogelijkheden en problemen zijn van de derde (en mijn inziens meest belovende) benadering, waarin professionals en experts op grond van hun beschikkingsmacht over gediplomeerde arbeidskracht (credenties) worden gesitueerd in een bijzondere tssenklassenposities van niet-proletarische loonarbeiders.
5·1·1 Loonarbeid zonder uitbuiting
Professionals en experts behoren evenals de managers tot de categorie van niet-proletarische loonarbeiders.[63] In de bedrijfsmatige en maatschappelijke hiërarchie staan zij onder de managers, maar boven de eigenlijke loonarbeiders. Zij zijn relatief zelfstandige loonarbeiders die zich evenals de managers in een eigensoortige tussenklassenpositie bevinden: zij staan positioneel echter veel dichter bij de eigenlijke klasse van loonarbeiders en zijn aanzienlijk verder verwijderd van de kapitalistenklasse dan de managers. Wanneer zij als loonarbeiders van particuliere ondernemingen worden aangesteld en betaald, hebben zij meestal een bijzonder arbeidscontract. Anders dan managers eigenen zij geen meerwaarde, maar credentierente toe. Het kenmerkende van hun tussenklassenpositie is dat zij door het kapitaal dat hun arbeidskracht inhuurt particulier wel worden benut, maar dat zij niet door het kapitaal worden uitgebuit.
|
De proletarische leefwereld wordt gekenmerkt door de positioneel bepaalde ervaring (i) dat men gedwongen is de eigen arbeidskracht te verhuren om in het levensonderhoud te voorzien, (ii) dat men binnen de arbeidsorganisatie een ondergeschikte functie vervult en geen controle over het eigen werk heeft, en (iii) dat men geen enkele invloed heeft op de verdeling van maatschappelijke productieve bronnen. De leefwereld van professionals wordt daarentegen in het algemeen gekenmerkt door de positioneel bepaalde ervaring (i) dat er buiten de loonarbeid reële alternatieven zijn voor zelfstandigheid en dat daarom de arbeidsmarkt een minder dwangmatig karakter heeft, (ii) dat men binnen de arbeidsorganisatie veel meer controle heeft over het eigen werk, en (iii) dat men op grond van de positie in de bedrijfshiërarchie en -bureaucratie veel meer invloed heeft op beslissingen over de verdeling en het gebruik van productieve bronnen dan gewone loonarbeiders, ook al hebben zij formeel niet de macht om deze bronnen feitelijk toe te eigenen. Vgl. hoofdstuk I, 2·1 en Wright [1989:337]. |
Professionals en experts zijn dus relatief zelfstandige loonarbeiders die loonarbeid zonder uitbuiting verrichten.[64] Slechts een gering aantal loonarbeiders bevindt zich in deze tussenklassenpositie. Het zijn specialisten zoals juristen, ingenieurs, natuurwetenschappers, systeemananalisten, organisatiedeskundigen, marktonderzoekers en reclamespecialisten, die meestal door grote kapitalistische ondernemers worden aangesteld en in speciale rechtsafdelingen, accountants- en ingenieursbureaus, onderzoeksafdelingen enzovoort samenwerken met andere specialisten met gelijksoortige kwalificaties en met een aantal lager gekwalificeerde assistenten.
|
Professionals en experts zijn binnen kapitalistische ondernemingen van uitbuiting gevrijwaard omdat en voor zover zij als gevolg van geslaagde professionaliseringsstrategieën beschikken over schaarse kwalificaties en credenties. Op basis van dit credentiebezit kunnen zij een effectieve claim op meerarbeid leggen in de vorm van credentierente. Credentierente werd al eerder gedefinieerd als de rente die is afgeleid van het vermogen van credentiehouders om de aanvoer van gekwalificeerde arbeidskracht te beperken. Dit betekent dat de inkomens van deze credentiehouders gemengde inkomens zijn waarin naast de reproductiekosten van hun gekwalificeerde arbeidskracht tevens een aandeel credentierente is vervat. De formele loon- of salarisvorm waarin deze rentecomponent wordt ontvangen, verhult het kwalitatieve verschil tussen de reproductiekosten van de gekwalificeerde arbeidskracht en de credentierente. Het salaris van professionele employés die van uitbuiting zijn gevrijwaard, ligt boven de waarde van vergelijkbare, gelijksoortig gekwalificeerde arbeidskrachten.
Het is mijns inziens niet mogelijk algemene uitspraken te doen over de limieten waarbinnen de salarissen van professionals variëren. Krätke is echter van mening dat er door het kapitaal wel een bovengrens wordt gesteld aan hun salarissen. Deze bovengrens zou worden bereikt wanneer professionals in staat zijn uit hun discretionaire inkomen een zodanig vermogen of kapitaalbezit op te bouwen dat zij daadwerkelijk kunnen opteren voor het inrichten van een zelfstandig, kleinburgerlijk bestaan in de vrije sector. Daarom zijn de salarissen van professionals meestal lager dan de lonen die vergelijkbaar gekwalificeerde managers ontvangen. De salarissen moeten echter in elk geval hoog genoeg zijn om voor deze employés een private levensstijl te bekostigen die duidelijk boven die van de proletarische levensstandaard ligt [Krätke 1983:134]. Vgl. Wright [1989:195].
|
De hier geformuleerde opvatting over credentierente is ook compatibel met de moderne efficiency wage theorie. Deze economische theorie vertrekt niet vanuit het verschil tussen de onderhandelingspositie van gevestigden en buitenstaanders, maar vanuit het feit dat productiviteit wordt beïnvloed door het loonniveau. Het basisgedachte is dat het laagst mogelijke loon (waarvoor buitenstaanders bereid zijn te werken) niet noodzakelijk het meest winstgevende is. Van Parijs [1989:232] heeft laten zien dat de twee belangrijkste argumenten die hiervoor worden gegeven, corresponderen met twee variaties van deze benadering.
Natuurlijk is het mogelijk beide varianten te combineren, wanneer men accepteert dat beide redenen werkzaam kunnen zijn en samen een verklaring geven van het verschil tussen het evenwichtsloon en het market-clearing wage. De centrale claim van beide varianten van de efficiëntie-loontheorie kan als volgt worden samengevat: paying as little as possible (the market-clearing rate) for a time unit of labor power (with given skills) generally does not amount to paying as little as possible per unit of labour effectively performed since a higher payment per unit of time may enable the capitalist ... to extract from each unit of labor time a significantly greater amount of actual labor [Van Parijs 1989:232]. |
|
Daar staat tegenover dat de relatieve autonomie die veel van deze professionals voorheen op de arbeidsplaats kenden, soms drastisch wordt ingeperkt of uitgehold door reorganisaties die de introductie van textverwerkings-, teken-, reken-, vertaalcomputers en dergelijke begeleiden [zie de bij Braverman 1974 aansluitende discussie over degradatie- en dekwalificatieprocessen: Freeman 1977; Elger 1979; Christis 1983,1988; Wood 1982,1988].
Dit heeft tevens gevolgen voor hun vervangbaarheid. Door de introductie van moderne technologische apparatuur wordt de arbeid van voormalige specialisten gedegradeerd en hun kwalificatie gedevalueerd. Dit degradatieproces leidt ertoe dat deze categorieën werknemers steeds gemakkelijker en goedkoper kunnen worden uitgewisseld. The precariousness and dependent status of skill-based privilege is demonstrated nowhere more clearly than when the interests of capital dictate the deskilling of once privileged occupations as a means of increasing the rate of exploitation [Burris 1989: 164].
|
Zo omvatte het programmeren van computers aanvankelijk het hele proces van software voorbereiding. De kapitalistische rationalisering van professioneel programmeerwerk leidde tot een vergaande opsplitsing en standaardisatie:
Het uiteindelijke resultaat van dit proces is dat er een speciale categorie van topprogrammeurs en software-managers ontstaat, die het arbeidsproces ontwerpen voor minder gekwalificeerde (of semi-professionele) programmeurs. Vgl. Braverman [1974:327-41], Noble [1977], Kraft [1979], Abercrombie/Urry [1983:57 e.v.], Hashagen/Keil-Slawik/ Norberg [2002], Blok/Downey [2003], Glass [2005]. |
De professionele organisatie van deskundigheid vormt een barrière tegen pogingen van ondernemers en management om de autonomie van professionals en experts in te perken en hun arbeidstaken systematisch in controleerbare deeloperaties op te splitsen. Dit is overigens niet alleen het gevolg van de structurele onzekerheid van professionele kennis (die als zodanig een frontier of control vormt), maar ook van zorgvuldig gecultiveerde professionele beroepscodes en legitimatielegendes.
Hieruit kan men echter niet concluderen dat professionals en experts in tegenstelling tot andere loonarbeiders van het kapitaal zijn gevrijwaard van de zegeningen van de moderne vormen van wetenschappelijke bedrijfsvoering.
| Probleemoplossing is een proces met een open (onbekend) einde en kan daarom uitermate moeilijk door het management worden gecontroleerd. Gespecialiseerde probleemoplossers claimen een relatieve vrijheid van controle en worden in de regel in staat gesteld hun werk relatief autonoom (d.w.z. vrij van directe supervisie) te verrichten. Toepassing van eenmaal gevonden probleemoplossingen is een proces met een voorspelbaar einde en kan daarom ook gemakkelijk door externe autoriteiten worden gecontroleerd. |
Dit betekent echter nog niet dat zij ook zelf het fonds produceren waaruit hun claim op meerarbeid wordt betaald. Niet alle credentiehouders die als loonarbeiders van het kapitaal functioneren, behoren immers tot de categorie van de waarde en meerwaarde producerende en dus in specifiek kapitalistische zin productieve loonarbeiders.
Kapitalistische ondernemers die professionals of experts inhuren, zijn geïnteresseerd in de concreet-nuttige inhoud en de kwaliteit van hun individuele arbeidsprestatie, en niet in het feit dat zij mogelijk ook waarde scheppen. Wanneer een ondernemers hen als loonarbeiders inhuurt, koopt deze bij voorbaat bijna alle mogelijke arbeidsresultaten die dergelijke specialisten voortbrengen: hun uitvindingen, planningen, marktstrategieën, onderzoeksresultaten, systeemanalyses, organisatie-adviezen, vertalingen enzovoort. Deze arbeidsproducten fungeren meestal slechts als quasi-waren die wel een marktprijs, maar geen waarde hebben omdat er voor dergelijk werk geen regulerende, maatschappelijk gemiddelde of normale arbeidstijd bestaat [Janossy 1966:129 e.v.; Krätke 1984:134].
Daarom is het vooral voor grote kapitalistische ondernemers economisch vaak voordeliger om de uitvinder in te huren dan de uitvinding te kopen [Stinchcombe 1990:ch. 6]. Veel professionals produceren überhaupt geen waren: zij scheppen geen willekeurig reproduceerbare gebruikswaarden, maar leveren niet-herhaalbare unieke prestaties voor eenmalig gebruik. De arbeidstijd die nodig is voor de originele productie van dergelijke gebruikswaarden kan niet of nauwelijks worden genormeerd en staat ook in geen enkele verhouding tot de arbeidstijd die nodig is om eenmaal gevonden probleemoplossingen toe te passen en te herhalen.
Niet-uitbuiting van deze credentiehouders betekent dat zij vanwege de bijzondere aard van de gebruikswaarde die zij scheppen, ook hun meerarbeid betaald krijgen. Omdat en voor zover zij geen bijdrage leveren aan het fonds waaruit deze credentierente wordt betaald, is dit slechts mogelijk op kosten van andere loonarbeiders en eventueel op kosten van de klanten (kopers of gebruikers) van de betreffende onderneming. Dit wil echter niet zeggen dat álle indirect productieve credentiehouders van uitbuiting zijn gevrijwaard. Evenals de commerciële loonarbeiders kunnen zij door het kapitaal worden uitgebuit wanneer zij slechts worden betaald naar de waarde van hun gekwalificeerde arbeidskracht. Voor de kapitalist leveren zij in dit geval geen meerwaarde, maar wel meerarbeid.
Zoals gezegd zijn echter niet álle productieve professionals en experts van uitbuiting gevrijwaard. Hun arbeidskracht kan evenals de arbeidskracht van andere productieve loonarbeiders door het kapitaal worden uitgebuit. Dit wordt enerzijds mogelijk wanneer de specifieke kwalificatie van bepaalde categorieën professionals en experts minder schaars is of wanneer deze schaarste niet meer door institutionele monopolies van professionele gemeenschappen wordt gegarandeerd, zodat hun controle over de toegang tot deze deelarbeidsmarkt wordt afgezwakt. En het wordt anderzijds mogelijk wanneer management en ondernemers erin slagen de betreffende beroepsarbeid te standaardiseren en op te splitsen in meer routinematige deelarbeid. Al deze processen kunnen ertoe leiden dat de structurele machts- en onderhandelingspositie van professionals en experts wordt afgebroken en dat zij hun op credentiebezit gebaseerde privileges verliezen. In dat geval zouden zij dus waarde en meerwaarde produceren en evenals andere productieve loonarbeiders door het kapitaal worden uitgebuit.
De integratie van de credentiële uitbuitingsvorm in de kapitalistische uitbuitingsvorm komt tot uiting in het feit (1) dat de beschikkingsmacht over credentie-bronnen onder bepaalde voorwaarden een effectieve claim op meerwaarde mogelijk maakt en (2) dat de credentierentes van professionals en experts relatief gemakkelijk in kapitaaleigendom kunnen worden geconverteerd. Deze functionele integratie betekent niet dat credentie-uitbuiting een integraal onderdeel is van kapitalistische uitbuiting, noch dat hierdoor spanningen en mogelijke conflicten tussen beide uitbuitingsvormen zijn uitgesloten.
Het mechanisme van credentie-uitbuiting produceert geen empirische effecten die volledig onafhankelijk zijn van de werking van kapitalistische instituties. De aard en de verdeling van de posities waarin gediplomeerde arbeidskrachten worden gebruikt, worden niet alleen beïnvloed door de aard van de arbeidsmarkt, maar ook geconditioneerd door the powers and interests invested in the private ownership of the means of production [Burris 1989:164]. Dit impliceert echter niet dat credentie-uitbuiting geen eigen effecten sorteert. Kortom: in burgerlijke maatschappijformaties is credentie-uitbuiting deeply structured and constrained by capitalism, but this does not demonstrate that it is no more than an effect or reflection of capitalist exploitation [Wright 1989:195].
Dit analytische onderscheid tussen categorieën professionals en experts impliceert dat we ons vooral moeten concentreren op twee kwalitatieve omslagpunten: tussen categorie 1 en 2 en tussen categorie 2 en 3. De theoretische definitie van deze kwalitatieve omslagpunten lijkt relatief eenvoudig in vergelijking met de operationaliseringsproblemen waarop men stuit zodra men deze theoretische afbakeningen in empirisch-historisch onderzoek vruchtbaar wil maken. In dit verband wil ik slechts op drie problemen wijzen.
In eerste instantie meent Wright dat de claim dat skill/credential exploitation een dimensie van klassenstructuren is, wordt ondergraven door het gebrek aan een kwalitatief relationeel criterium [Wright 1985:85; 1989:198]. Later merkt hij op dat hij zijn operationaliseringsprobleem kan reduceren wanneer hij zijn begrip skill assets beperkt tot formele credentialed assets.
Het kernprobleem is of we ook empirisch in staat zijn een onderscheid te maken tussen credentiehouders die gevrijwaard zijn van uitbuiting en credentiehouders die anderen uitbuiten. Wright onderkent dat dit een probleem is, maar hij blijft dit probleem verbinden (en verwarren) met de specifieke aard van de credenties en met de mogelijkheid om credenties met elkaar te vergelijken. Dit is waarschijnlijk de reden dat hij geen serieuze poging doet het kwalitatieve omslagpunt tussen credentie-privileges en credentie-uitbuiting te operationaliseren. De vraag hoe groot de credentierente moet zijn om te spreken van een exploitatieve transfer van meerarbeid naar credentie-houders wordt wel opgeworpen, maar de beantwoording van die vraag blijft steken in een algemene beschouwing over objectieve en subjectieve arbeidswaardeleer en over de waarde van samengestelde of gekwalificeerde arbeid [Wright 1989:195-6]. Wright heeft grote problemen om zijn eigen model te operationaliseren. De uitbuiters van de kwalificatiebron worden in feite geoperationaliseerd als werknemers die in het productieproces een meer dan gemiddeld gekwalificeerde arbeidskracht kunnen inzetten. Werknemers met een kwalificatie die onder het gemiddelde liggen, worden uitgebuit; gemiddeld gekwalificeerden nemen een tussenpositie in. In wezen deelt Wright de werknemers dus slechts in naar kwalificatieniveau in een hogere, een midden en een lagere groep. Niet elke hooggekwalificeerde werknemer slaagt er echter in een loon te verwerven dat boven het equivalent voor de reproductiekosten van zijn hooggekwalificeerde arbeidskracht ligt. Daarom is zo concludeert ook Hagelstange [1990:123] de gelijkstelling van hooggekwalificeerden met kwalificatie-uitbuiters ook in het kader van Wrights model een ontoelaatbare vereenvoudiging. |
De omvang van dit kapitaalminimum is echter geen vast gegeven of absolute grootte. Er is geen natuurwet die voor eens en altijd vastlegt dat dit kapitaalminimum voor de gehele historische periode van de kapitalistische arbeidswijze, in alle landen en voor alle afzonderlijke productiesectoren gelijk is. Het is een maatschappelijk bepaald en dus variabel minimum. Het varieert al naar gelang de ontwikkelingsfase van de kapitalistische arbeidswijze, naar de verschillende landen die zich in een zelfde ontwikkelingsstadium bevinden, en naar de afzonderlijke arbeidssectoren binnen een nationale economie. Mijns inziens geldt dit ook voor het credentie-minimum. Het credentie-minimum is evenmin een vaststaand gegeven. Het varieert niet alleen met de fasen van de kapitalistische ontwikkeling en met nationale of sectorale verschillen, maar ook en vooral met de eenmaal gevestigde credentie-monopolies die het resultaat zijn van voorafgaande (geslaagde) professionaliseringsstrategieën. Dit impliceert in ieder geval dat het specifieke niveau van het credentie-minimum nooit theoretisch kan worden vastgesteld of afgeleid.
Er zijn in principe twee manieren om de omvang van het credentie-minimum empirisch vast te stellen. Ten eerste via de analyse van de verhouding tussen meerarbeid en noodzakelijke arbeid en ten tweede via de analyse van de credentierente waarvan de omvang uitstijgt boven het niveau van de reproductiekosten van de arbeidskracht van credentiehouders (of van vergelijkbaar hooggekwalificeerde arbeidskrachten). Beide methodieken zouden moeten worden beoordeeld op uitvoerbaarheid en mate van nauwkeurigheid.
Professionals kunnen hun credentierente in hun inkomen kapitaliseren, maar zij kunnen deze ook consumeren. Credentierente maakt het in principe weliswaar mogelijk kapitalistisch eigendom te verwerven, maar niet alle individuen zullen ook van deze mogelijkheid gebruik maken. Professionals kunnen hun discretionaire inkomen (dat wil zeggen het inkomen dat overblijft na aftrek van de uitgaven voor de eigen reproductie) ook vertalen in een hogere levensstandaard in plaats van in investeringen. Met name professionals met een zeer hoog niveau van baanzekerheid staan niet onder een systematische dwang hun credentierente te kapitaliseren. Voor de ondernemende kapitalisten is accumulatie een imperatief dat inherent is aan hun klassenpositie (investering en accumulatie zijn noodzakelijke voorwaarden voor hun reproductie als kapitalisten). Voor hoog betaalde employés is er geen vergelijkbaar imperatief om te accumuleren. Hun reproductie is niet afhankelijk van de kapitalisering van hun inkomen.
| In de V.S. zijn ongeveer 70% van alle experts feitelijk managers of supervisers [Wright 1989:334]. De relatie tussen professionals en managers in professionele bureaucratieën wordt door Mintzberg [1991:207 e.v.] modelmatig benaderd. Hij wijst er terecht op dat professionals niet alleen hun eigen werk regelen, maar ook proberen collectieve vrijheid van handelen te verkrijgen over de administratieve beslissingen die hen betreffen. Full-time bestuurders kunnen in professionele organisatiestructuren alleen maar macht uitoefenen wanneer het bevoegde professionals zijn en bij voorkeur zijn gekozen door de professionele operators of tenminste zijn benoemd met hun goedkeuring. Dit laatste is uiteraard alleen ideaaltypisch het geval in een zuiver professionele arbeidsorganisatie. |
Het tweede argument is natuurlijk sterk afhankelijk van het eerste, omdat er talloze andere sociale categorieën bestaan die een coherente sociale en culturele identiteit vertonen zonder dat deze een aparte klasse vormen. Het eerste argument is tegenstrijdig omdat een gemeenschappelijke relatie tot de economische fundamenten van de maatschappij niet hetzelfde is als het vervullen van een functie in de maatschappelijke arbeidsdeling. Bovendien is het specifieke criterium van het reproduceren van klassenverhoudingen uitermate rekbaar en daarom ook willekeurig. Waarom zou bijv. de ingenieur die bruggen ontwerpt wel en de arbeider die deze bruggen bouwt niet bijdragen aan de reproductie van de klassenverhoudingen? Met hun uiteindelijk louter beschrijvende, op levenswijze, levensstijl en ideologie geconcentreerde definitie van de PMC zijn Ehrenreich/Ehrenreich niet in staat de grenzen van de PMC duidelijk af te bakenen. De reden daarvan is dat zij geen analyse maken van de twee tussenklassenposities die zij in de PMC laten fuseren. Zie voor uiteenlopende kritieken op deze theorie over de PMC de bundel van Walker [1979]. Vgl. ook Abercromby/Urry [1983:79-83]. |
Professionals en experts worden natuurlijk niet allemaal managers, ook al hebben zij loopbanen die in de regel zijn geïntegreerd in de managementshiërarchie. Er kan dus een discrepantie bestaan tussen de karakteristieke carrièrestructuur van professionals als geheel en de specifieke uitkomsten voor individuele professionals.
De vraag is hoe het karakter van hun individuele klassenpositie moet worden geanalyseerd:
Een dergelijke beschrijving kan weliswaar kenmerkend zijn voor een deel van de professionals in loondienst, maar er zijn talloze professionals waarvoor een of meer van deze eigenschappen niet gelden. Goldthorpe kent aan individuen klassenposities toe op basis van de voor hun banen kenmerkende carrière- en mobiliteitspatronen en niet zozeer op basis van hun actuele situatie. Voor de definitie van klassenposities als zodanig lijkt mij echter alleen dit laatste doorslaggevend.
| Wrights opvatting is op dit punt niet eenduidig. Enerzijds is hij geneigd de klassenpositie van individuen uitsluitend te definiëren in termen van de actuele individuele situatie. Anderzijds merkt hij op dat professionals en experts die buiten de managementshiërarchie staan tijdelijk zijn ingevoegd in de middenklasse en dat men daarom de meeste professionals en experts die nog geen managementsposities bekleden toch als premanagerial kan behandelen: even if their current jobs are not in managerial contradictory locations, their careers typically are [Wright 1989:334]. Mijns inziens kan de klassenpositie van individuen het beste worden gedefinieerd in termen van hun actuele en te verwachten toekomstige situatie. Via toekomstverwachtingen spelen sociale carrièrepatronen een belangrijke rol in de concrete definities die mensen geven van individuele en klassenbelangen. |
Voor de klassieke vrije beroepen zoals artsen en juristen is dit het duidelijkst omdat zij in veel kapitalistische landen al langer een relatief levensvatbare optie hadden om voor zichzelf te beginnen. Ook voor sommige andere professionals geldt dat zij niet gedwongen zijn de eigen arbeidskracht te verhuren in dezelfde zin als dit voor andere leden van de arbeidersklasse het geval is; zij verhuren hun arbeidskracht omdat dit hun voorkeur heeft boven zelfstandigheid. Met name door de expansie van de moderne adviseringspraktijken zijn voor talloze professionals de kansen toegenomen zich te verzelfstandigen of naast hun loonafhankelijke bestaan ook nog een tweede inkomen te verwerven door advieswerk in eigen beheer (in organisatieadviesbureaus, software-huizen en dergelijke). Wanneer dergelijke adviespraktijken toenemen en regelmatiger worden, modificeren zij niet alleen de klassenpositie van de betreffende professionals, maar beïnvloeden zij indirect ook de klassenpositie van de werknemer-professionals die daar niet van profiteren. De beschikbaarheid van dergelijke adviesmogelijkheden beïnvloedt namelijk niet alleen de materiële belangen van professionals in werknemersposities in het algemeen maar ook en vooral de afwegingen die loonafhankelijke professionals maken.
Wright heeft er terecht op gewezen dat achter dit soort schijnbaar scholastische kwesties serieuze begripsmatige problemen schuil gaan. De gemeenschappelijkheid van een klassenpositie wordt immers gedefinieerd door gemeenschappelijke materiële belangen die relationeel bepaald zijn. Materiële belangen zijn gemeenschappelijke materiële afwegingen (trade-offs) en dilemmas in de keuzes die mensen maken betreffende materiële welvaart en macht.
Door de actuele keuzes die individuen in dergelijke carrières maken, kunnen echter hun materiële belangen in de toekomst veranderen. Twee professionals in identieke carrières, waarvan de een systematisch zijn discretionaire inkomen heeft geïnvesteerd en de ander niet, hebben uiteindelijk divergente klassenbelangen. Een professional of expert die geen manager wordt (door keuze of toeval) of die ervoor heeft gekozen nooit voor zichzelf te beginnen, heeft waarschijnlijk uiteindelijk andere klassenbelangen dan een professional die in de managementshiërarchie opklimt of voor zichzelf begint. In dergelijke gevallen hebben we bij het definiëren van de klassenpositie te maken met een zekere mate van onbepaaldheid of objectieve ambiguïteit (Wright). Deze klassenposities zijn ambigu omdat zij niet alleen gestructureerd worden door de actuele plaats die professionals in de uitbuitingsverhoudingen innemen, maar mede afhankelijk zijn van toekomstige toestanden die aan deze posities zijn verbonden (zoals kapitaaleigendom, managersposities, zelfstandigheid). En deze toekomstige toestanden zijn gedeeltelijk afhankelijk van contingente keuzes en gebeurtenissen. Daarom kunnen wen deze posities in de klassenstructuur niet alleen karakteriseren als eigensoortige tussenklassenposities (verankerd in tegenstrijdige posities in uitbuitingsverhoudingen), maar bovendien ook als partieel objectief ambigue posities. Dit kan mede verklaren waarom professionals en experts meestal zon hoog niveau van intern ideologische heterogeniteit vertonen: professionals en experts in niet-managementsposities vindt men overal op de ideologische kaart. The objective temporal indeterminancy of their class location may allow for a variety of relatively contingent social processes that vary considerably among professionals and experts to have a relatively large impact on their ideological orientation [Wright 1989: 336].
![]() |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]() dr. Albert Benschop Sociale en Gedragswetenschappen Sociologie & Antropologie Universiteit van Amsterdam Gepubliceerd: Januari 1993 Laatst gewijzigd: 04 November, 2011 |