Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 2 Structurering van objectieve klassenposities

VII. Arbeids- en marktverhoudingen: Credentie-uitbuiting

  1. Stelling en afbakening
    1.1 Versus distributieve marktklassen
    1.2 Versus materiële productieklassen
  2. Uitbuiting: begrip, oorzaken en mechanismen
    2.1 Kritisch-sociologisch begrip van uitbuing
    2.2 Uitbuitingsmechanismen
  3. Combinatie van uitbuitingsvormen
  4. Credentie-uitbuiting en professionalisering
    4.1 Grondslagen van credentie-uitbuiting
    4.2 Mechanismen van credentie-uituiging
    4.3 Reproductie van credentie-uitbuiting
    4.4 Credentie-uitbuiting als grondslag van klassenposities
    4.5 Wright over credentie-uitbuiting
  5. Professionals en experts in het kapitalisme
    5.1 Een bijzondere tussenklassenpositie 5.2 Credentie-uitbuiting
    5.3 Credentie-uitbuiting en credentie-minimum
    5.4 Tussenklassenposities en objective ambiguïteit

Figuur 7_1: Typologie van direct en indirecte uitbuitingsvormen

Literatuur

© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

1. Stelling en afbakening

Klassen worden structureel gedefinieerd in termen van posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen in de brede zin van het woord, die zowel arbeids- als distributieprocessen omvatten. Een klassenanalyse moet niet alleen rekening houden met de structurerende werking van directe arbeidsprocessen, maar ook met distributieprocessen die voorafgaan aan en volgen op deze arbeidsprocessen. Bovendien omvatten arbeidsverhoudingen niet alleen materiële productieverhoudingen, maar ook allerlei typen dienstverlening.

In dit uitgangspunt ligt zowel een afbakening besloten ten opzichte van marktgerichte of distributieve klassenbenaderingen (waarin klassen uitsluitend of hoofdzakelijk worden gesitueerd in markt- of ruilprocessen) als ten opzichte van productiegerichte of productivistische benaderingen (waarin klassen uitsluitend worden verankerd in directe arbeids- of productieprocessen).

Index


1·1 Versus Distributieve MarktKlassen
In ‘weberiaanse’ kringen behoort de distributieve benadering sinds lang tot de standaardinterpretatie van Weber’s klassentheorie. In ‘marxistische’ kringen werd deze benadering traditioneel fel bekritiseerd en geconfronteerd met de ‘primacy of exploitation at the point of production’. Deze laatste aanpak heeft weer aandacht gekregen door de studies van Roemer. Zie hoofdstuk V, § 3·1
De discussie over de verhouding tussen de klassentheorie van Weber en Marx wordt meestal teruggevoerd tot de vraag of sociale ongelijkheid tussen klassen kan worden verklaard uit markt- dan wel uit productie-verhoudingen: Weber en de weberianen definiëren klassen als groepen mensen met gemeenschappelijke economische belangen op de markt, terwijl Marx en de Marxisten klassen primair definiëren in termen van gemeenschappelijke posities binnen de maatschappelijke organisatie van de productie.

Deze abstracte controverse tussen productie- versus marktbenadering is als zodanig misleidend en onvruchtbaar; bovendien is de simpele toerekening van een productie-niveautheorie aan Marx even onhoudbaar als de toerekening van een markt-niveautheorie aan Weber. Voor Weber heb ik dit uitvoerig aangetoond in Benschop [1987/ 2017: hfst. 3] en voor Marx in Benschop [1988]. Vgl. ook: Bader/Benschop [1988:216 e.v.].

Wanneer men het ontstaan en de reproductie van klassenposities uitsluitend of hoofdzakelijk situeert in marktprocessen wordt daarmee —bewust of impliciet— het begrip ‘arbeidsverhoudingen in brede zin’ overboord geworpen. Bovendien wordt daarmee een sterk gereduceerd beeld gegeven van de mechanismen die relevant zijn voor het ontstaan van structurele uitbuitings- en klasserelaties. Klassenposities ontstaan immers niet alleen op grond van uitbuiting die plaatsvindt door structureel ongelijke ruilprocessen (zoals marktuitbuiting), maar ook door belastinguitbuiting, tribuut-uitbuiting en koloniale uitbuiting. Er zijn vele historisch relevante uitbuitingsmechanismen die los van enige markt en ruil functioneren en toch klassenstructuren in het leven roepen. Omgekeerd moet er ook rekening mee worden gehouden dat klassenverhoudingen die primair worden gestructureerd door toeëigeningsmechanismen die zich ín en door de directe arbeidsprocessen voltrekken, mede gestructureerd worden door de hieraan verbonden markt- en ruilmechanismen (zij worden er minstens door gemedieerd).

Zowel (neo-)marxistische als (neo-) weberiaanse benaderingen gaan ervan uit dat de structurele machtsverdeling binnen een gemeenschap bepalend is voor de actuele machtsuitoefening. Een essentieel verschil tussen marxistische en weberiaanse benaderingen is de vraag hoever men bij de analyse van structurele machtsverdeling moet gaan, dat wil zeggen door welke sociale processen deze machtsverdeling is gestructureerd.

De ratio van de marxistische benadering is dat de relatieve onderhandelingsmacht van marktpartijen wordt gestructureerd door de bronnenverdeling en dat deze bronnenverdeling op zijn beurt weer wordt bepaald door de permanente reproductie en transformatie van bronnen in maatschappelijke arbeidsprocessen.

De ratio van de weberiaanse benadering is dat de relatieve onderhandelingsmacht van marktpartijen wordt gestructureerd door de daaraan voorafgaande verdeling van marktcapaciteiten. Maar waardoor worden die marktposities op hun beurt gestructureerd? In de neo-weberiaanse traditie wordt deze vraag niet meer gesteld. De bronnenverdeling die vooraf gaat aan de relatieve onderhandelingsmacht van marktpartijen valt hierdoor buiten de analyse. Veel marxistische analyses lijden aan het omgekeerde euvel: zij concentreren zich te sterk op de ‘fundamentele’ verdeling van directe bronnen in arbeidsverhoudingen en besteden relatief weinig aandacht aan de daarop aansluitende verdeling van beschikkingsmacht over bronnen in marktverhoudingen. Hierdoor ontstaat een gereduceerd beeld van de sociale processen die bepalend zijn voor de actuele machtsverhoudingen: het bronnenspectrum waarover in distributie- en ruilprocessen beschikt kan worden, is immers veel omvattender dan het aantal directe bronnen waarover in arbeidsverhoudingen beschikt kan worden.

Index


1·1 Versus Materiële Productieklassen
In plaats van velen citeer ik als voorbeeld uit de marxistische traditie Marta Harnecker: “Les rapports sociaux de production ne peuvent pas être considérés seulement comme des rapports entre des hommes. Ce sont des rapports entre les agents de la production, c’est-â-dire, entre des hommes qui ont une fonction sociale déterminée dans la production des biens matériels, fonction qui dépend de leur rapports entre propriétaires de moyens de production et producteurs directs” [Harnecker 1974:48]. Zie ook hoofstuk VI, § 2.1.
Ten tweede vindt een afbakening plaats van benaderingen waarin klassenposities uitsluitend worden gedefinieerd in termen van ‘materiële productieprocessen’. Zoals gezegd omvatten arbeidsverhoudingen niet alleen arbeidsprocessen waarin materiële goederen worden voortgebracht. Arbeidsverhoudingen omvatten alle processen waarin gebruikswaarden worden voortgebracht, dus ook dienstverleningsverhoudingen.

Ook dienstverleningsverhoudingen kunnen immers op exploitatieve basis zijn georganiseerd: als georganiseerde arbeidsverhoudingen bieden zij niet alleen mogelijkheden om de dienstverleners zelf uit te buiten (de monniken en priesters, de militairen en de artsen, de hulpverleners en de gevangenisbewakers), maar ook de —al dan niet vrijwillige— cliënten, patiënten of gebruikers van deze diensten en voorzieningen (de gelovigen, de zieken, de gevangenen). Dit geldt met name —zoals de geschiedenis vanaf de oude roversstaten tot aan de moderne koloniale en imperiale mogendheden maar al te duidelijk demonstreert— voor onvrijwillige of opgelegde diensten, zoals de ‘geweldsservice’. Zodra geweldsverhoudingen op nationale of internationale schaal systematisch, dat wil zeggen als arbeidsverhoudingen worden georganiseerd, bieden zij grondslagen voor exploitatie par excellence. Dit geldt voor interne en externe geweldsverhoudingen waarin de gebruikswaarde ‘veiligheid’ wordt voortgebracht (of juist een chronisch gebrek aan rechtszekerheid, veiligheid en soevereiniteit), maar ook voor religieuze en heilsverhoudingen waarin de gebruikswaarde ‘zielenheil’ wordt voortgebracht (of juist een gebrek aan zingeving, vertroosting of verlossing van misère waaraan door menselijke, wereldlijke, hiernumaalse interventies geen einde kan of lijkt te kunnen worden gemaakt).

Het begrip dienstensector of tertiaire sector is uitermate slecht afgebakend. Vaak is het niet meer dan een negatief gedefinieerde restcategorie, waarin alle arbeidsvormen worden gedumpt die niet in de primaire of secundaire sector —dus landbouw, mijnbouw en industrie— kunnen worden ondergebracht. Zie voor de definitie en afbakening van het dienstbegrip en de onderscheiding tussen diverse typen diensten: Berger [1986:28 e.v.], Gershuny [1981:68 e.v., 2000], Gross [1983:13 e.v.], Berger/Offe [1984:229 e.v.], Völker [1984:31 e.v.], Schettgat/Yocarini [2003].

Index2. Uitbuiting: begrip, oorzaken en mechanismen

Uitbuiting is een specifiek type van asymmetrische macht [Bader/Benschop 1988:203]. Net als alle andere machtsvormen impliceert uitbuiting ongelijke en niet-wederkerige kansen: de betere kansen die de ene positie biedt, impliceert dus de slechtere kansen van de andere en omgekeerd. Uitbuiting onderscheidt zich van andere asymmetrische machtsvormen doordat zij direct op de ongelijke verdeling van arbeid is betrokken.

Onder uitbuiting wordt hier verstaan: alle systematische en structurele processen van toeëigening van meerarbeid door andere klassen. Van uitbuiting is dus pas sprake wanneer een bepaalde —in de regel niet-werkende— klasse de kans (of: feitelijke mogelijkheid) heeft zich door de inzet van directe of indirecte machtsbronnen meester te maken van de resultaten van de meerarbeid van een producerende klasse.

De toeëigening van meerarbeid door andere klassen kan formeel vrijwillig en vreedzaam of onvrijwillig en gewelddadig plaatsvinden; het kan zich zowel in arbeidsprocessen als in distributie- en ruilprocessen voltrekken. Uitbuiting wordt mogelijk gemaakt en veroorzaakt door een ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over (directe) bronnen die in arbeidsprocessen kunnen worden gebruikt en over (indirecte) bronnen die de verdeling van de arbeidsresultaten beïnvloeden.

Index


2·1 Een kritisch-sociologisch begrip van uitbuiting
Uitbuiting in de zin van toeëigening van meerarbeid is een voor klassenverhoudingen constitutief fenomeen. Antagonistische klassen kunnen slechts bestaan wanneer er op zodanige wijze een meerproduct wordt gegenereerd dat er een deling mogelijk is tussen degenen die produceren en degenen die de in het meerproduct belichaamde meerarbeid van de producenten direct of indirect toeëigenen, zodat er tussen beide een exploitatieve relatie ontstaat. Uitbuiting is echter zowel een moreel geladen als een analytisch begrip en in beide betekenissen is het uiterst omstreden.

Daarom is het niet overbodig een aantal toelichtingen te geven op de hiervoor gegeven definitie van uitbuiting.

  1. Uitbuiting wordt hier niet technisch opgevat in de zin van een surplus dat uitgaat boven een gegeven ontwikkelingsniveau van de behoeften. Van absolute meerarbeid (‘meerarbeid in absolute vorm’) of potentiële meerarbeid is sprake zodra mensen in staat zijn om goederen en diensten te produceren die uitgaan boven het fysieke bestaansminimum ter instandhouding van de productiviteit van de producenten. Het absolute begrip meerarbeid refereert aan een ahistorisch begrip van minimale behoeftebevrediging, dat wil zeggen van een fysiek bestaansminimum (overlevingsgrens).
      Dit absolute begrip van meerarbeid staat bijvoorbeeld centraal bij Bottomore [1991:8]: “Social classes originated with the first historical expansion of productive forces beyond the level needed for mere subsistence. The extension of the division of labour outside the family, the accumulation of surplus wealth, and the emergence of privately owned instruments of production formed the basis for the constitution of social classes.” Vergelijk de kritische beschouwingen van H.W. Pearson [1957:322-3] en Ste. Croix [1983:37,545].

    De ratio van dit begrip van absolute meerarbeid is dat de maatschappelijke productiekrachten van de arbeid zich zover moeten hebben ontwikkeld dat er meer goederen en diensten worden geproduceerd dan noodzakelijk voor het fysieke overleven van de directe producenten. In die zin is absolute meerarbeid een noodzakelijke voorwaarde voor uitbuiting; het biedt dus pas de mogelijkheid om meerarbeid toe te eigenen [Marx, MEW 23:185 — vert. 110; MEW 25:645,647,827; Lenski 1966; Sahlins 1972; Seibel 1978; Cohen 1978:198; Eder 1980:42 e.v.; Ritsert 1988:35].

    Uitbuiting wordt ook niet zo algemeen opgevat dat elke overdracht van ‘meer arbeid’ ook al ‘meerarbeid’ is in de specifieke zin van het woord: de transfer van ongelijke hoeveelheden arbeid aan degenen die nog niet of niet meer in het arbeidsproces zijn betrokken of aan arbeidsongeschikten is nog geen uitbuiting.

    Meerarbeid in kritische zin is arbeid die door uitbuiters, door andere klassen wordt toegeëigend. Uitbuiting refereert dus niet zozeer aan het feitelijke bestaan van een welvarende en een arme klasse. Uitbuiting betekent primair dat de welvaart van de uitbuitende klasse afhankelijk is van het werk van de uitgebuite klasse. Dit spoort met de (sterke) intuïtieve notie van uitbuiting, namelijk ‘het toeëigenen van de vruchten van andermans arbeid’. De meerarbeid die in een meerproduct belichaamd is, heeft per definitie een antagonistisch karakter. Ten eerste omdat de meerarbeid wordt afgedwongen: de klasse van de producenten zijn in de gegeven structuur van maatschappelijke arbeidsverhoudingen feitelijk gedwongen de door hen geproduceerde meerarbeid af te staan. Ten tweede omdat de beschikking over meerarbeid toekomt aan een niet-werkende klasse, dat wil zeggen een klasse die zelf geen productieve bijdrage levert aan de maatschappelijke rijkdom. Meerarbeid wordt toegeëigend door niet-werkende klassen (voor zover zij wel werken is dit niet noodzakelijk voor de eigen reproductie); meerarbeid wordt onteigend van uitgebuitenen die feitelijk (en soms ook juridisch of conventioneel) genoodzaakt zijn om te werken (uitgebuitenen zijn altijd werkenden).

    Vanuit het hier geformuleerde begrip van uitbuiting is het misleidend om te zeggen dat meerarbeid “slechts een antagonistische vorm” aanneemt in klassenmaatschappijen [Marx, MEW 25:827]. Meerarbeid in de eigenlijke zin van het woord komt immers pas tot stand door deze specifieke antagonistische verhouding. In alle maatschappijformaties waarin de controle over de materiële arbeidsvoorwaarden is voorbehouden aan een bepaalde groep mensen en die bijgevolg gekenmerkt worden door klassentegenstellingen, heeft de meerarbeid in een antagonistisch karakter. Dit geldt daarom ook, maar niet uitsluitend voor de kapitalistische arbeidswijze.

    “Dit antagonistische karakter vertoont twee complementaire facetten: (a) de meerarbeid wordt afgedwongen; de arbeiders zijn genoodzaakt een koper voor hun arbeidskracht te zoeken (dwang in de circulatiesfeer ondanks de schijn van vrijheid en gelijkheid) en in het arbeidsproces zelf werken zij onder toezicht en op aanwijzing van de kapitalist (materiële zowel als formele dwang in de sfeer van de productie); (b) de vruchten van de meerarbeid vallen toe aan de klasse van de bezitters, zonder dat zij een productieve bijdrage in de vorm van arbeid aan de voortbrenging leveren, noch daarvoor een offer brengen in de zin van zich iets te moeten ontzeggen ter zake van de consumptie; de accumulatie komt tot stand op kosten van de arbeiders. Dwang zowel als toeëigening zijn terug te voeren op het fundamentele gegeven, dat het merendeel van de mensen is beroofd van de middelen, om zelf hun arbeidskracht voor de vervaardiging van gebruikswaarden te kunnen aanwenden” [Van Drimmelen 1976:271 e.v.].

    De vraag is in eerste instantie niet zozeer wat uitbuiters doen met de meerarbeid waarover zij beschikken (accumuleren, herinvesteren of consumeren), maar veeleer op welke basis zij beschikkingsmacht over meerarbeid verkrijgen. Controle over meerarbeid moet niet worden gereduceerd tot het inkomen dat door uitbuiters feitelijk wordt gebruikt voor persoonlijke consumptie. Feodale rentes, kapitalistische winsten en andere historische vormen van toegeëigende meerarbeid zijn geen equivalent van het inkomen dat door feodale heren, kapitalisten en andere exploiteurs wordt omgezet in persoonlijke consumptiegoederen. Zowel tussen de diverse arbeidswijzen die in een maatschappijformatie zijn gecombineerd als tussen de verschillende maatschappijformaties bestaat een aanzienlijke variatie in het deel van de door de uitbuitende klasse effectief gecontroleerde meerarbeid dat wordt gebruikt voor persoonlijke consumptie en het deel dat voor andere doeleinden wordt gebruikt (zoals voor feodale militaire uitgaven, voor kapitalistische accumulatie, voor expansie van de organisatie).

    Deze overweging heeft gevolgen voor de manier waarop men zich de afschaffing van uitbuitings- en klassenverhoudingen voorstelt. Afschaffing van uitbuitingsverhoudingen betekent niet dat iedereen feitelijk over dezelfde productieve bronnen beschikt, maar dat er geen eigendomsrechten meer zijn die ongelijk zijn verdeeld met betrekking tot deze productieve bronnen. Hierdoor is niemand op voorhand in staat om een groter deel van het maatschappelijk surplus (of een hoger inkomen) te verwerven op grond van superieure beschikkingsmacht over meer productieve bronnen. Wright maakt in dit verband een zinvol onderscheid tussen drie mogelijke vormen van nivellering: “(1) nivellering van feitelijk bezit van een bron; (2) nivellering van de controle over de verwerving en het gebruik van de bron (3) nivellering van het inkomen dat door de bron wordt gegenereerd” [Wright 1985:103. vgl. 86]. Hier moet onmiddellijk aan worden toegevoegd dat exploitatie ook mogelijk is op basis van ongelijke controle over een zeer breed palet indirecte bronnen, en dus niet alleen over directe of productieve bronnen zoals bij Wright.

  2. Het contrastbegrip van meerarbeid is noodzakelijke arbeid. Noodzakelijke arbeid is de arbeid die op een gegeven stand van ontwikkeling van de productiekrachten nodig is om de goederen en diensten te produceren die opgaan in de instandhouding en reproductie van de directe producenten. Het ‘noodzakelijke’ karakter refereert niet aan een of ander ahistorisch begrip van een ‘fysiek bestaansminimum’ (de ondergrens van biologisch overleven), maar aan een historisch ontwikkeld en maatschappelijk bepaald behoefteniveau van de werkende klassen. De arbeidstijd die nodig is om de hoeveelheid goederen en diensten te produceren welke noodzakelijk zijn voor de reproductie van de werkende klassen is dus historisch variabel: zij variëren niet alleen met de ontwikkeling van de productiekrachten van de arbeid, maar tevens met de historische ontwikkelingsstand van de maatschappelijke behoeften van de dragers van deze noodzakelijke arbeid. Noodzakelijke arbeid(stijd) bevat dus altijd een ‘historisch en een moreel element’ (Marx). Om dit nauwkeuriger te onderzoeken moeten nader ingaan op de waarde van de arbeidskracht.

    Morele economie
    De morele economie is onderdeel van een bredere sociale en culturele context waarin leden van subalterne klassen hun uitbuitings-situatie beoordelen. Twee morele principes staan hierbij centraal. (1) De norm van reciprociteit: leden van subalterne klassen evalueren hun uitbuitingssituatie naar de ratio inkomens/inkomsten die zij ontvangen in relatie tot de door hen verrichte arbeid resp. verleende diensten. Een gegeven reciprociteitsbalans wordt bepaald door de traditie en de relatieve onderhandelingspositie van de partijen. Beide elementen zijn variabel. Een gegeven patroon van reciprociteit impliceert altijd tevens een patroon van rechten die door geëxploiteerden wordt opgevat in termen van een verplichting van exploiteurs.
    (2) Het recht op een menswaardig bestaan: van een wederkerige verhouding wordt minimaal verwacht dat deze het recht op een bestaan (fysiek voortbestaan) mogelijk maakt. Wanneer deze normen worden geschonden, verliest de exploitatierelatie voor de leden van subalterne klassen haar legitimiteit. Deze gedachte staat centraal in de door E.P. Thompson [1971] geïntroduceerde notie van moral economy welke door J.C. Scott [1976] werd gepreciseerd.

  3. De waarde van de arbeidskracht in een kapitalistische arbeidswijze werd door Marx als volgt uitgewerkt.

      “Om zich in stand te houden heeft het levende individu een bepaalde hoeveelheid bestaansmiddelen nodig. De voor de productie van de arbeidskracht noodzakelijke arbeidstijd komt dus neer op de arbeidstijd, die voor de productie van die bestaansmiddelen noodzakelijk is; anders gezegd: de waarde van de arbeidskracht is de waarde van de bestaansmiddelen, die voor de instandhouding van haar bezitter noodzakelijk zijn. …
      De hoeveelheid middelen van bestaan moet dus voldoende zijn om het arbeidende individu als arbeidend individu in zijn normale levensomstandigheden in stand te houden. De natuurlijke behoeften zelf —zoals voeding, kleding, verwarming, behuizing, enzovoort— verschillen naar het klimaat en de andere natuurlijke bijzonderheden van een land.
      Aan de andere kant is de omvang van de zogenaamde noodzakelijke behoeften, evenals de wijze waarop ze worden bevredigd, zelf het resultaat van een historische ontwikkeling en hangt derhalve grotendeels af van de trap van beschaving van een land, in het bijzonder onder andere van de voorwaarden, waaronder —en derhalve ook de gewoonten en de eisen waarmee— de klasse van vrije arbeiders zich heeft gevormd.
      In tegenstelling tot de andere waren bezit de waardebepaling van de arbeidskracht dus een historisch en zedelijk element. Voor een bepaald land en in een bepaalde periode echter is de gemiddelde omvang van de noodzakelijke middelen van bestaan een gegeven [Marx, MEW 23:185; vert. 110 e.v.].
    Daar komt bij dat de dragers van de arbeidskracht sterfelijk zijn. Om het exploitatieproces te verduurzamen zal dus ook betaald moeten worden voor de vervangen van de bestaande cohorte van loonafhankelijken. Nieuwe arbeidskrachten verschijnen alleen maar op de markt wanneer de verhuurders van arbeidskracht zich kunnen reproduceren.

      “De arbeidskrachten, die door slijtage en dood aan de markt worden onttrokken, moeten voortdurend door tenminste een gelijk aantal nieuwe arbeidskrachten worden vervangen. De hoeveelheid bestaansmiddelen, die voor de productie van de arbeidskracht noodzakelijk is, omvat dus ook de bestaansmiddelen van de plaatsvervangers, dat wil zeggen van de kinderen van de arbeiders, opdat dit ras van bijzondere warenbezitters zich op de warenmarkt vereeuwigt” [idem].

    Samenvattend kan men dus zeggen dat de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd bestaat uit de omvang van de arbeidstijd die nodig is om de bestaansmiddelen van de arbeidskrachten te produceren, waardoor zij in staat zijn om zich individueel en generationeel te reproduceren.

    De noodzakelijke arbeid van een werkende klasse varieert naar (1) de ontwikkelingsstand van de productiekrachten van de arbeid, (2) de klimatologische en andere natuurlijke bijzonderheden die van invloed zijn op de natuurlijke of elementaire behoeften van de werkende klasse van een bepaald land, (3) het historische ontwikkelingsniveau van de maatschappelijke behoeften van de werkende klassen, dat mede wordt bepaald door de in een land heersende zeden en gewoontes.

    De noodzakelijke arbeid bínnen een werkende klasse varieert naar het niveau van kwalificatie en ervaring van de betreffende producenten (van de meer of minder samengestelde aard van hun arbeidskracht) en is dus mede afhankelijk van de kosten die noodzakelijk zijn voor hun specifieke niveau van opleiding en training.

    In deze laatste overweging ligt tevens een probleem besloten dat de marxistische economen lange tijd heeft beziggehouden: hoe kan gecompliceerde arbeid tot eenvoudige arbeid worden herleid? Om voor de arbeidswaarde een kwantitatieve uitdrukking te vinden, moeten de verschillende soorten arbeid tot een gemeenschappelijke noemer kunnen worden teruggebracht. Marx suggereerde dat het heterogeniteitsprobleem kan worden opgelost door de verschillende soorten arbeid op te vatten als een veelvoud van eenvoudige (of gemiddeld geschoolde) arbeid. Hij suggereert dus dat de mate van scholing (respectievelijk het niveau van arbeidskwalificatie) de wegingscoëfficiënt is. Op die manier kan het verschil tussen gecompliceerde en eenvoudige arbeid kan worden teruggebracht tot een verschil in opleidings- dan wel vervangingskosten.

    Transformatieprobleem
    Het is evident dat de waarde van de gemiddelde arbeidskracht geen constante is, maar varieert in de verschillende landen, tijdperken en conjuncturen. Binnen elke maatschappij historisch en conjunctureel specifieke samenleving is deze gemiddelde arbeid echter een empirisch gegeven. Marx stelt dat de herleiding van gecompliceerde tot eenvoudige arbeid in de werkelijkheid voortdurend plaats vindt [Marx, MEW 23:59]. Maar hij analyseert niet de processen waardoor deze herleiding tot stand komt. In zijn theoretische analyse werkt hij met de vereenvoudigende vooronderstelling dat elke soort arbeidskracht geldt als eenvoudige arbeidskracht.

    De uitvoerige theoretische discussies die sinds Böhm-Bawerk en Bernstein over het ‘transformatieprobleem’ zijn gevoerd, zullen hier niet worden gerefereerd [zie Meek 1973; Van Drimmelen 1976:235-47; Steedmans 1981]. Al met al zijn er tot nu toe geen bevredigende empirische methoden ontwikkeld om de theoretisch veronderstelde herleiding van gecompliceerde tot eenvoudige arbeidskracht te operationaliseren.

  4. Van uitbuiting is slechts sprake wanneer de transfers van meerarbeid substantieel zijn en wanneer deze overdrachten een structureel karakter hebben. Dat is het geval wanneer uitbuiters middels de door hen toegeëigende meerarbeid in hun levensonderhoud kunnen voorzien en duurzaam worden vrijgesteld van de dwang tot arbeid. In sommige maatschappijformaties is in strikte zin wel sprake van een toeëigening van meerarbeid door een exploiterende categorie, maar is deze exploitatie zo gering en/of incidenteel dat deze voor de betrokkenen niet of nauwelijks voelbaar is. Dit is met name mogelijk in subsistentie-economieën waar de productie gericht is op het vervaardigen van gebruikswaarden [Raatgever 1988:41]. Marginale en incidentele verschijnselen van toeëigening van meerarbeid vallen buiten het kritisch-sociologische begrip van uitbuiting. Meerarbeid bestaat overigens niet alleen in materiële producten, maar ook in diensten die zich niet in een product objectiveren.

  5. De relaties tussen uitbuiters en uitgebuitenen impliceren een asymmetrische wederzijdse afhankelijkheid. De uitgebuitenen zijn feitelijk, juridisch of conventioneel gedwongen om meerarbeid te leveren en zij hebben geen effectieve opties om buiten deze exploitatieverhoudingen te treden (behalve vluchtwegen naar criminaliteit, het aangaan van persoonlijke afhankelijkheids- en dienstbaarheidsrelaties in huwelijk, emigratie en dergelijke). De uitbuiters zijn afhankelijk van de meerarbeid van de uitgebuitenen: zonder hen zouden zij ‘slechter af’ zijn.

  6. Uitbuitingsrelaties moeten analytisch worden onderscheiden van inkomensverhoudingen. Niet alle uitgebuite werkenden zijn arm en niet alle exploiterende niet-werkenden zijn rijk. Er zijn werkenden die niet worden uitgebuit en niet alle mensen die arm zijn worden uitgebuit. De niet-werkende (en dus ook niet-uitgebuite) armen zijn in het algemeen armer dan de uitgebuite werkenden. Toch kan men zeggen dat uitbuiters in het algemeen relatief rijk zijn, dat wil zeggen rijker dan degenen die ze uitbuiten en degenen die van arbeidskansen zijn uitgesloten. En men kan ook zeggen: “Uitgebuitenen zijn in het algemeen relatief arm, maar ze zijn meestal niet de armsten” [Bader/Benschop 1988:207].

Index


2·2 Uitbuitingsmechanismen
Een klassentheorie die vertrekt vanuit een breed begrip van arbeidsverhoudingen stelt niet bij voorbaat bepaalde structurele uitbuitingrelaties op de voorgrond om andere te negeren. In wisselende gedaantes, combinaties en gewichtsverhoudingen bestaan in praktisch alle maatschappelijke formaties diverse uitbuitingsmechanismen en -vormen die elkaar vaak op complexe wijze overlappen en doorkruisen, en die even zovele grondslagen zijn voor het ontstaan en de reproductie van klassenposities.

2·2·1 Basisvormen van uitbuiting
Om zicht te krijgen op de combinaties van uitbuitingsmechanismen die bepalend zijn voor de arbeidswijze van een samenleving, moeten deze mechanismen eerst afzonderlijk worden onderzocht. Geïnstitutionaliseerde en structurele toeëigening van meerarbeid kan zowel plaatsvinden in arbeidsprocessen zelf (‘directe uitbuiting’) als in distributieprocessen (‘indirecte uitbuiting’).

In het algemeen kunnen vijf mechanismen van uitbuiting die relevant zijn voor structurele uitbuitings- en klassenrelaties worden onderscheiden.

a. Directe toeëigening/onteigening van meerarbeid in arbeidsprocessen
Deze onteigening voltrekt zich onder al dan niet gedelegeerde regie van uitbuiters; de uitbuitingsprocessen zijn tegelijk machts- en heerschappijverhoudingen in de arbeidsorganisatie. Voorbeelden hiervan zijn:

b. Indirecte toeëigening/onteigening van meerarbeid op basis van beschikkingsmacht over gezags- of heerschappijposities in arbeidsorganisaties
Voorbeelden daarvan zijn:

c. Toeëigening/onteigening van het reeds vervaardigde meerproduct of de meerwaarde in distributieprocessen van arbeidsresultaten op basis van inferieur/superieur geweld.
Deze indirecte exploitatie vindt plaats op basis van structurele onderworpenheid van uitgebuitenen aan superieur geweld van uitbuiters. De uitbuitingsprocessen zijn een directe gezags- en onderdrukkingsverhouding, maar dit geldt niet voor de arbeidsprocessen zelf, die zich onder individuele of collectieve regie van de werkenden kan voltrekken. Voorbeelden daarvan zijn

Wright [1985:96] erkent dat ook de “controle over militair geweld” de staat de mogelijkheid geeft een deel van de meerarbeid toe te eigenen. Het verwarrende in zijn benadering is echter dat hij deze uitbuitingsvorm opvat als een vorm van “non-asset exploitation”. Dit vloeit voort uit twee discutabele vooronderstellingen. Ten eerste gaat Wright ervan uit dat indien de bronnen waarover effectieve controle kan worden uitgeoefend geen ‘productieve bronnen’ zijn deze daarom ‘non-assets’ zijn. Daarmee reduceert hij het bronnenbegrip tot directe of productieve bronnen. Ten tweede veronderstelt hij dat alle vormen van uitbuiting die niet zijn verankerd in “control on ownership of productive forces” moeten worden opgevat als “non-production exploitation” [idem:98].

Achter deze beide stellingen schuilt de al eerder bekritiseerde premisse dat deze ‘non-production exploitations’ slechts van belang zijn voor de herverdeling van een reeds geproduceerd maatschappelijk product en niet voor de maatschappelijke productie van dat product. De hele redenatie blijft gevangen binnen een productivistisch verkort begrip van maatschappelijke arbeids- en uitbuitingsverhoudingen. Bovendien is Wright’s argumentatie intern inconsistent omdat hij zijn begrip van ‘surplus’ zelf nadrukkelijk beperkt tot ‘surplusproduct’ [idem:100 - noot 18].

d. Toeëigening/onteigening van het reeds vervaardigde meerproduct of meerwaarde in distributieprocessen op basis van schuldverhoudingen
Deze toeëigening is formeel vreedzaam en in principe ontvangen de schuldenaren voor hun pacht, huur of lening een tegenprestatie. Schuldverhoudingen via pacht-, huur- of leencontracten impliceren echter alleen uitbuitingsrelaties wanneer er structureel meerproduct of meerwaarde wordt toegeëigend. Voorbeelden hiervan zijn:

e. Toeëigening/onteigening op basis van structureel ongelijke ruilverhoudingen
Van marktuitbuiting is sprake wanneer de marktprijzen systematisch en eenzijdig afwijken van de marktwaarden. In processen van ruil, koop en verkoop kan meerarbeid worden overgedragen wanneer de verkopers van bepaalde waren of diensten in staat zijn hun marktprijzen duurzaam vast te leggen boven de marktwaarde, of wanneer de kopers van bepaalde goederen of diensten er in slagen hun marktprijzen duurzaam onder de marktprijzen te fixeren. Voorbeelden hiervan zijn:

Ascriptieve en interactionele uitbuiting
Ascriptieve uitbuiting (‘statusexploitatie’) is in de regel geïnstitutionaliseerd en wordt op conventionele en/of wettelijke wijze gegarandeerd. Deze ascriptieve vormen van exploitatie moeten worden onderscheiden van ongelijke ruilverhoudingen op basis van persoonsgebonden reputatie. Het reputatiemechanisme speelt met name een belangrijke rol in de verklaring van de specifieke tussenklassenpositie van (zelfstandige of loonafhankelijke) professionals [zie § 4]. Reputaties komen in en door netwerken van sociale relaties tot stand en kunnen tot op zekere hoogte niet alleen strategisch worden gecultiveerd (tot ‘een goede naam’, ‘een grote faam’ of ‘een bekende Nederlander’), maar door reputatie-rijken ook strategisch worden ingezet om de marktprijzen van hun diensten of arbeidsproducten duurzaam boven de marktwaarde te fixeren. Een beroemde therapeut, een virtuoze musicus, een geniale belastingdeskundige, een internationaal erkende wetenschapper of een uiterst talentvolle basketballer zijn hierdoor vaak in staat enorm hoge ‘reputatierentes’ te inkasseren.

In patronageverhoudingen (asymmetrische persoonlijke loyaliteitsrelaties tussen patroons en cliënten) worden de marktprijzen vervangen door conventioneel gefixeerde en door de patroons gegarandeerde prijzen. Als verkopers van bepaalde goederen of diensten kunnen de patroons hun marktprijzen duurzaam fixeren boven de marktwaarde; als kopers kunnen zij deze prijzen juist onder de marktwaarde fixeren. De cliënten kunnen zich niet aan deze uitbuitingsvorm onttrekken omdat patronageverhoudingen meestal niet vrijwillig worden aangegaan (in tegenstelling tot selectieve associaties tussen gelijken).

Ongelijke ruil op basis van patronageverhoudingen vormt de harde kern van interactionele uitbuitingsvormen. Wanneer en voor zover geïnstitutionaliseerde exclusieve posities in netwerken van sociale relaties leiden tot substantiële en duurzame uitbuitingspraktijken kunnen hieruit interactioneel gedefinieerde klassenposities ontstaan. Dit was de reden waarom de definitie van klassenposities niet uitsluitend (maar wel primair) werd beperkt tot het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie. Zie eerder hoofdstuk V, § 3·2.

2·2·2 Typologie van uitbuitingsvormen
Met deze grove schets van de verschillende typen of mechanismen van uitbuiting wil ik aannemelijk maken dat het mogelijk is een zeer nauwkeurige (sterk gedesaggregeerde) typologie van uitbuitingsposities te ontwerpen en dat dit zeer wenselijk is wanneer men daarop aansluitend een corresponderende (maar hoger geaggregeerde) typologie van klassenposities beoogt.

Figuur 7_1 Typologie van directe en indirecte uitbuitingsvormen

Ongelijke beschikkingsmacht
over bronnen
Mechanismen van uitbuiting
Beschikkingsmacht over
directe bronnen
Directe uitbuiting:
toeëigening van meerarbeid in arbeidsprocessen
Arbeidskracht

Materiële arbeidsvoorwaarden

Vormen van coöperatie en leiding

Slavenarbeid, feodale horigheid

Kapitalistische loonarbeid
 

Loonarbeid in etatistisch socialisme

Beschikkingsmacht over
indirecte bronnen
Indirecte uitbuiting:
toeëigening van meerproduct of meerarbeid in distributieprocessen
 

Materiële bronnen

Afstamming
 

Ondersteuning, bijstand

Religieuze zin, heil

Duiding

Diploma’s

Kennis en informatie

Politieke beslissing

Recht en intern geweld
 

Extern geweld

Geld

Heerschappijpositie

Sociale relaties

Prestige

      Uitbuiting op basis van:

Grond- of huizenbezit: pachtuitbuiting, huuruitbuiting

Positie in verwantschapsrelaties: patriarchale of gerontocratische exploitatie

Positie in sociale zekerheidsverhoudingen

Monopoliepositie ni heilsverhoudingen: hiërocratische exploitatie

Monopoliepositie in duidingsverhoudingen

Bezit van diploma’s en academische titels: credentie-uitbuiting

Monopoliepositie in kennis- & informatieverhoudingen

Superieure positie in politieke beslissingsverhoudingen

Superieure positie in rechts- en internet geweldverhoudingen: tribuut- & belastinguitbuiting

Superieur staatsgeweld: koloniale uitbuiting

Schuldverhoudingen: rente-, krediet- en hypotheeekuitbuiting

Gezagsposities in arbeidsorganisaties: organisationele uitbuiting

Patroonpositie in patronageverhoudingen: clientèle-exploitatie

Superieure positie in prestigehiërarchieën: ascriptieve exploitatie
(seksistisch, etnische, racistische uitbuiting)

Door een specifieke combinatie van beschikkingsmacht over directe en/of indirecte bronnen en bepaalde mechanismen van uitbuiting ontstaan uitbuitingsposities. Uitbuitingsposities zijn structureel verankerde en relatief stabiele posities die in netwerken van uitbuitingsrelaties kunnen worden ingenomen. Uitbuitingsposities worden gekenmerkt door een asymmetrische, niet-omkeerbare wederzijdse afhankelijkheid. Uitbuitingsposities zijn als zodanig nog geen klassenposities en dienen hiervan analytisch gescheiden te worden behandeld [zie verder hoofdstuk X].

Wright’s typologie van uitbuitings- en klassenverhoudingen
In zijn gereviseerde ‘exploitation-centred class concept’ definieert Wright klassen in termen van kwalitatief onderscheiden vormen van uitbuiting, die gebaseerd zijn op ongelijke beschikkingsmacht over specifieke bronnen. Tegen zijn een algemene typologie van uitbuitings- en klassenverhoudingen [Wright 1985:83, table 3.2] kunnen een aantal bezwaren worden ingebracht.

In de eerste plaats is het een nogal eenvoudige typologie die beperkt is tot de uitbuitingsmechanismen die dominant zijn voor de verschillende ‘modes of production’. Zijn schema wekt te zeer de suggestie dat er bijvoorbeeld in feodale maatschappijen slechts sprake was van uitbuiting van lijfeigenen door grondbezitters: voor vormen van pacht-, rente- en belastinguitbuiting is in zijn typologische schets van de feodale uitbuitingsverhoudingen geen plaats. Uit zijn verdere uiteenzetting blijkt echter dat Wright wel oog heeft voor het feit dat er in elke ons bekende historische maatschappijformatie gelijktijdig meerdere, ongelijksoortige uitbuitingsvormen bestaan en dat deze op verschillende wijzen met elkaar zijn gecombineerd.

In de tweede plaats is zijn typologie (of topologie) van klassenposities eigenlijk helemaal niet opgebouwd rond uitbuitingsvormen als zodanig, maar veeleer gegroepeerd rond relaties ten opzichte van productieve bronnen die uitbuiting (kunnen) genereren, zoals hij later ook zelfkritisch zou opmerken [Wright 1989:306]. Hij maakt daarin dus niet zijn claim waar dat uitspraken over verschillende uitbuitingsmechanismen op systematische wijze gebruikt moeten worden om posities binnen klassenstructuren (‘a class structural matrix’) te lokaliseren.

Dit bezwaar wordt nog eens versterkt doordat Wright geen onderscheid maakt tussen uitbuitingsposities en klassenposities. Er bestaat een complexe samenhang tussen (1) de theoretisch denkbare of historisch relevante vormen van beschikkingsmacht over directe bronnen, (2) de diverse uitbuitingsvormen die daarmee samenhangen, (3) de in uitbuitingsvormen geconsolideerde uitbuitingsposities, en (4) de op basis daarvan mogelijke klassenposities. In Wright’s benadering lijkt deze samenhang in een snelle typologische vlucht te worden overbrugd. De analytische opbrengst daarvan is echter gering, de kosten zijn mijn inziens te hoog: te veel reducties.

In de derde plaats beperkt Wright zijn analyse van de uitbuitingsmechanismen tot processen van toeëigening van meerarbeid die verankerd zijn in de beschikkingsmacht over directe bronnen. Deze beperking ontneemt het zicht op exploitatieprocessen die verbonden zijn aan de beschikking over indirecte bronnen. Dit bezwaar blijft gelden, ook al smokkelt Wright in zijn catalogus van directe of productieve bronnen ook — onbewust en daarom stilzwijgend — indirecte bronnen binnen, zoals met name ‘credentials’ [zie eerder: hoofdstuk VI, § 3·1]. Wright’s typologie van uitbuitings- en klassenposities is dus beperkt tot machts- en inkomensongelijkheden die het gevolg zijn van de ongelijke beschikkingsmacht over directe bronnen.

Index3. Combinatie van uitbuitingsvormen

Een typologie van uitbuitingsposities biedt een referentiekader om voor elke maatschappijformatie of maatschappij te onderzoeken (a) wat het structurele gewicht of de relatieve betekenis is van specifieke uitbuitingstypen en -posities, (b) op welke wijze deze intern of extern met elkaar verbonden zijn en (c) in welke mate de intern gerelateerde uitbuitingsmechanismen en klassenposities elkaar overlappen of relatief zelfstandig naast elkaar bestaan.

a. Relatieve gewicht van afzonderlijke uitbuitingsvormen
In de eerste plaats kunnen uitspraken worden gedaan over het relatieve gewicht van de arbeidswijzen die in een bepaalde maatschappijformatie zijn gecombineerd. De arbeidswijze met het grootste soortelijk gewicht is bepalend voor het globale karakter van deze maatschappijformatie. De met deze dominante arbeidswijze corresponderende uitbuitingsvorm is in deze maatschappijformatie de primaire vorm van uitbuiting. Maatschappijformaties met een gelijke primaire uitbuitingsvorm (zoals kapitalistische maatschappijformaties) onderscheiden zich van elkaar door het specifieke relatieve gewicht van deze primaire uitbuitingsvorm en door de relatieve betekenis van secundaire exploitatievormen. Deze primaire en secundaire uitbuitingsvormen moeten niet worden verwisseld met directe uitbuiting (in arbeidsprocessen) en indirecte uitbuiting (in distributieprocessen).

Maatschappijformaties worden gekenmerkt door een telkens specifiek evenwicht-in-dominantie tussen de verschillende arbeidswijzen en de daarin verankerde uitbuitingsvormen. Wanneer dit evenwicht wordt verbroken — door het in verval raken van de dominante arbeidswijze en/of het dominanter worden van een tot dan toe subalterne, secundaire arbeidswijze — dan treedt een overgangsperiode in waarin het voortbestaan van de oude maatschappijformatie in het geding komt. De specifieke arbeidswijzen die in een maatschappijformatie zijn gecombineerd, kunnen elkaar dus onder bepaalde condities zodanig in (wankel en in de regel tijdelijk) evenwicht houden dat men kan zeggen dat de diverse uitbuitingsvormen een bijna gelijke relatieve betekenis hebben. Juist daarom is het van belang het hele spectrum van mogelijke mengvormen van uitbuitingsrelaties binnen een specifieke maatschappij te identificeren. Er zijn verschillende manieren om het relatieve gewicht van uitbuitingsvormen te analyseren. Wright [1985:109-11] heeft laten zien wat de moeilijkheden zijn bij de operationalisering van deze strategieën.

b. Interne en externe verbinding tussen uitbuitingsvormen
Uitbuitingsvormen kunnen zowel extern als intern met elkaar verbonden zijn. Bij een externe verbinding gaat het om twee uitbuitingsvormen die door verschillende mechanismen van toeëigening van meerarbeid worden geconstitueerd en met elkaar interacteren. Hierbij gaat het dus niet — zoals Wright meent — uitsluitend om de verbinding tussen uitbuitingsvormen die in onderscheiden productieprocessen bestaan, maar bijvoorbeeld ook om de externe verbinding tussen directe uitbuiting in arbeidsprocessen en indirecte uitbuiting in distributieprocessen op basis van geweld. Een voorbeeld van een externe verbinding tussen twee directe uitbuitingsprocessen is de interactie tussen de zelfuitbuiting van kleine warenproducenten en de uitbuiting van loonafhankelijken in kapitalistische ondernemingen. Een voorbeeld van een externe verbinding tussen directe en indirecte uitbuiting is de relatie tussen uitbuiting van horigen door feodale heren (in de vorm van arbeidsrente) en de belastinguitbuiting van boeren(dorpen) door statelijk georganiseerde heersende elites die met de arbeidsprocessen zelf niets van doen hebben.

Van een interne verbinding is sprake wanneer twee uitbuitingsvormen direct van elkaar afhankelijk zijn in de zin dat beide niet geïsoleerd of zelfstandig kunnen bestaan. Zo zijn alle uitbuitingsprocessen in distributieprocessen in principe afhankelijk van het feit dat er in arbeidsprocessen zelf meerarbeid of een meerproduct wordt voortgebracht dat kan worden toegeëigend [Bader/Benschop 1988:217]. Wanneer verschillende uitbuitingsvormen gelijktijdig binnen een arbeidsproces opereren is deze interne verbinding nog duidelijker. Een voorbeeld hiervan is de ‘interpenetratie’ tussen toeëigening van meerwaarde op basis van beschikkingsmacht over productiemiddelen en toeëigening op basis van controle over heerschappijposities binnen kapitalistische arbeidsorganisaties. Zie uitvoeriger: hoofdstuk VIII, § 4Organisationele uitbuiting en klassenpositie.

c. Relatieve autonomie en overlapping
Maatschappijformaties en maatschappijen verschillen van elkaar door de mate waarin de intern gerelateerde uitbuitingsmechanismen elkaar overlappen en doorkruisen. De mate waarin uitbuitingsrelaties elkaar overlappen, is bepalend voor de mate waarin de klassenformatie een probleem van klassenallianties is. Wanneer de verschillende uitbuitingsmechanismen elkaar in sterke mate overlappen, zal de concrete klassenstructuur meer gepolariseerd zijn; wanneer er weinig overlapping is, zal de klassenstructuur minder gepolariseerd zijn en worden klassenallianties belangrijker [Rey 1973; Wright 1985:112].

Index4. Credentie-uitbuiting en professionalisering

Hierboven heb ik slechts een globale schets gegeven van verschillende typen en mechanismen van uitbuiting en van de mogelijke combinaties van uitbuitingsvormen. Omdat het niet mogelijk is dit voor elk uitbuitingsmechanisme afzonderlijk te concretiseren, beperk ik me tot een nadere analyse van een van de meest omstreden vormen van indirecte uitbuiting op basis van ongelijke ruilverhoudingen: de credentie-uitbuiting. Wat is credentie-uitbuiting en welke betekenis heeft deze uitbuitingsvorm voor een transformationele klassenanalyse?

De terminologie alleen al is omstreden omdat ‘credenties’ vaak worden gereduceerd tot ‘diploma’s’ of gecombineerd met ‘kwalificaties’. Bij gebrek aan beter hanteer ik hier de bastaardterm ‘credentie-uitbuiting’. Om redenen die hieronder nog besproken zullen worden, wil ik in ieder geval vermijden dat deze term wordt vervangen door of gelijkgesteld met de door Wright gehanteerde term ‘kwalificatie-uitbuiting’ (‘skill exploitation’). In plaats van ‘credentie-uitbuiting’ zou men ook ‘diploma-uitbuiting’ kunnen zeggen. Het bezwaar hiertegen is echter dat de beoogde uitbuitingsvorm teveel gereduceerd wordt tot exploitatie op basis van het bezit van diploma’s. Voor mijn analyse heb ik een breder begrip nodig dat zowel diploma’s en academische titels als getuigschriften en referenties omvat. Daarom heb ik ervoor gekozen de in het Middelnederlands gangbare term ‘credentie’ af te stoffen.

Het woord credentie is ontleend aan de Latijnse term ‘credentia’ (afgeleid van ‘credere’ = geloven). In het Middelnederlands werd de term vanaf 1654 meestal in het meervoud gebruikt: geloofsbrieven werden aangeduid als ‘credentialen’. In het enkelvoud werd behalve de term ‘credentiaal’ ook de term ‘credentie’ (geloofsbrief, ‘brief van credentie’) gebruikt. Credentie is dus — net zo als ‘credentialen’ — een bastaardwoord dat met wijzigingen uit het Latijn is overgenomen [Van Dale’s Etymologisch woordenboek; Kramers Vreemde-Woordentolk; Knuttel 1916].

Evenals voor het begrip organisationele uitbuiting — dat in het volgende hoofdstuk wordt behandeld — geldt ook voor credentie-uitbuiting dat de inhoudelijke afbakening van dit begrip veel te wensen overlaat en dat daarom ook de implicaties voor de klassenanalyse sterk omstreden zijn. Om in de veelvoud van problemen enige ordening aan te brengen zal ik een onderscheid maken tussen (1) de grondslagen en (2) het mechanisme van credentie-uitbuiting, (3) de reproductie en uitbreiding van credentie-uitbuiting en (4) de samenhang tussen credentie-uitbuiting en structurele uitbuitings- en klassenposities. Tegen de achtergrond van deze precisering van het algemene begrip van credentie-uitbuiting wordt in § 5 een de klassenpositie van professionals en experts in het kapitalisme geanalyseerd als een eigensoortige tussenklassenpositie.

Index


4·1 Grondslagen van credentie-uitbuiting
Voor de afbakening van het begrip credentie-uitbuiting moet in de eerste plaats een antwoord worden gegeven op de vraag op welke grondslag deze uitbuiting kan plaatsvinden. Wat is bij deze uitbuitingsvorm de basis waarop meerarbeid kan worden toegeëigend? Hierop zijn in principe drie antwoorden mogelijk. Deze uitbuitingsvorm voltrekt zich op basis van feitelijke beschikkingsmacht (1) over strikt individuele prestatiekwalificaties, (2) over diploma’s, getuigschriften, geloofsbrieven en referenties, of (3) over een combinatie van beide mogelijkheden.

Diploma’s werken niet
“Diploma’s en academische titels zijn het specifieke resultaat van opvoedings- en onderwijsprocessen. Het zijn nooit directe bronnen: met diploma’s kan men immers niet werken, wel met de feitelijke prestatiekwalificaties waarvan deze diploma’s een indicatie zouden moeten geven. Diploma’s kunnen echter wel helpen om ‘werk’ te krijgen. Getuigschriften en onderwijstitels zijn belangrijke indirecte bronnen: de toegang tot specifieke (arbeids)markten kan erdoor worden gereguleerd of gesloten, de kansen op die markten kunnen ermee worden vergroot. En zij verhogen de promotiekansen in arbeidsorganisaties en de (materiële, in het bijzonder monetaire, maar ook immateriële) beloningskansen” [Bader/Benschop 1988:142 e.v.]. De werking van indirecte bronnen wordt uitvoerig geanalyseerd door Bader/Benschop [1988:137 e.v.,181 e.v.]
De verwarring over de credentie-uitbuiting is voornamelijk het gevolg van het feit dat er geen duidelijk analytisch onderscheid wordt gemaakt tussen beschikkingsmacht over gekwalificeerde arbeidskracht (als directe bron) en over gediplomeerde arbeidskracht (als indirecte bron). Onder kwalificaties versta ik de strikt individueel verworven en aangeboren prestatiekwalificaties van arbeidskrachten die in arbeidsprocessen fungeren als een directe of productieve bron, dat wil zeggen zij kunnen direct en als zodanig bijdragen aan de voortbrenging van gebruikswaarden.Onder credenties versta ik het geheel van diploma’s (onderwijscertificaten), academische titels, getuigschriften, geloofsbrieven en schriftelijke en mondelinge referenties en aanbevelingen welke in de regel slechts een indicatie geven over de gevolgde opleiding, de opgedane werkervaringen of de sociale relaties die men kan mobiliseren. In tegenstelling tot kwalificaties kunnen credenties nooit als directe bron fungeren, maar wel als indirecte bron: men kan er toegang mee krijgen tot bepaalde arbeidsplaatsen, men kan er invloed mee uitoefenen op de verdeling van directe bronnen en op de verdeling van beloningen.

Met dit onderscheid tussen kwalificaties en credenties kunnen de drie antwoordstrategieën tamelijk eenvoudig in kaart worden gebracht.

  1. Kwalificatie-uitbuiting
    In de eerste strategie wordt kwalificatie-uitbuiting opgevat als de effectieve claim op meerarbeid die mogelijk wordt gemaakt door een ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over strikt individuele prestatiekwalificaties. De beschikkingsmacht over de directe bron ‘prestatiekwalificatie’ wordt hierbij strikt gescheiden van de beschikkingsmacht over indirecte bronnen zoals diploma’s, getuigschriften en sociale relaties. Het gebruik van arbeidskwalificaties kan onder specifieke voorwaarden — met name bij (natuurlijke of kunstmatige) schaarste van specifiek gekwalificeerde arbeidskrachten — tot uiting komen in het positionele vermogen om niet in arbeidsorganisaties te worden uitgebuit (dat wil zeggen in een effectieve claim op de volledige ‘waarde’) of in een effectieve claim op aandelen van de meerarbeid van andere producenten.

    Talenten zijn als zodanig geen arbeidskwalificaties. Natuurlijke talenten zijn individueel aangeboren of erfelijk overgedragen potentiële arbeidskwalificaties; het zijn deels tamelijk onvoorspelbare resultaten van de grillen van de genetische dobbelsteen. Talenten zijn —per definitie schaarse— gaven of potenties waardoor individuen in staat zijn hooggewaardeerde kwalificaties te verwerven tegen relatief lage kosten en inspanningen.

    Ook Wright gaat ervan uit dat talenten van nature schaars zijn in een populatie. “We consider talents to be innate attributes of individuals acquired through the ‘genetic lottery’” [Wright 1989:193]. Hij concentreert zijn definitie van talenten volledig op erfelijk overgedragen kenmerken en eigenschappen en laat de individueel aangeboren kenmerken en eigenschappen buiten beschouwing. Wright heeft wel een scherp ook voor het karakter van talenten als potentiële arbeidskwalificatie. “A talented person is someone who can acquire a given skill at less cost (in time, effort and other resources) than an untalented person. In extreme cases, this may mean that the cost to the untalented becomes infinite (i.e. it is impossible to acquire the skill in question” [Wright 1985:76; vgl. 1989:194].

    De empirische verschillen tussen individuele arbeidskwalificaties zijn dus het gecombineerde resultaat van een natuurlijke ongelijkheid in de verdeling van talenten en van ongelijke toegangskansen tot en ongelijke kansen in de opvoedings-, onderwijs- en arbeidssystemen waarin mensen hun talenten kunnen ontwikkelen tot arbeidskwalificaties. De ongelijke verdeling van arbeidskwalificaties is vooral het gevolg van de diverse selectie- en uitsluitingsmechanismen die in het onderwijsstelsel zijn ingebakken. De ongelijkheidsstructurerende kracht van natuurlijke verschillen in talenten, fysieke kracht en dergelijke is in hoofdstuk IV, § 1·1 behandeld.

      Bijna alle ‘liberale’ theoretici veronderstellen dat in burgerlijke maatschappijformaties sprake is van een toenemende beroepsselectie op basis van verdienste, voor zover die gedefinieerd wordt door educatieve credenties. In hoofdstuk II is deze meritocratische ideologie al uitvoerig bekritiseerd. Zie voor gedetailleerde empirische kritieken: Heath/Mills/Roberts [1991], Johnson/Mills [1990], Heath/Clifford [1992].

  2. Credentie-uitbuiting
    In de tweede strategie wordt credentie-uitbuiting opgevat als de effectieve claim op meerarbeid die mogelijk wordt gemaakt door een ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over credenties (diploma’s, academische titels, getuigschriften, referenties enzovoort). Ook in deze benadering wordt de beschikkingsmacht over de indirecte bron credenties analytisch gescheiden van de beschikkingsmacht over individuele prestatiekwalificaties. Het feitelijke gebruik van diploma’s en referenties kan onder bepaalde condities eveneens tot uiting komen in de structureel bepaalde kans om als afhankelijke producent toch niet te worden uitgebuit of om te participeren in de toeëigening van meerarbeid die door andere producenten wordt geleverd.

    Credenties zijn enerzijds het specifieke resultaat van opvoedings- en met name van onderwijsprocessen. Diploma’s en academische titels zijn de beloningen voor een met succes doorlopen opleidingsproces.
    Kunstmatige talenten
    Het onderwijsstelsel en het daarop geba-seerde stelsel van diploma-toekenning is een mechanisme dat sommige mensen in staat stelt om gewaardeerde kwalificaties te verwerven waarvan anderen zijn uitgesloten. Het resultaat daarvan is dat de verworven kwalificatie schaars is. Dat zou overigens ook het geval zijn waneer deze kwalificatie louter het resultaat zou zijn geweest van uiteenlopende —natuurlijk gegeven— talenten. Men zou daarom credenties ook lunnen opvatten als “a socially institutionalized mechanism of artificially creating talents” [Wright 1989:194].
    Het certificatiesysteem is daarbij in de regel zo georganiseerd dat ongediplomeerde individuen worden uitgesloten van bepaalde arbeids-plaatsen, zelfs wanneer zij hiervoor wel over de juiste kwalificaties beschikken. Credenties zijn anderzijds het specifieke resultaat van sociale relaties: persoonlijke referenties en aanbevelingen fungeren als indirecte bron waarmee toegang tot arbeidsmarkten verkregen kan worden en waarmee de machtskansen op arbeidsmarkten soms aanzienlijk vergroot kunnen worden. De ongelijke verdeling van credenties is dus het gecombineerde resultaat van ongelijke toegangskansen tot het onderwijsstelsel en ongelijke beschikking over sociale relaties.

      Sociale relaties fungeren zowel als indirecte bron om toegang tot arbeidsmarkten te verkrijgen, om de machtskansen op arbeidsmarkten te vergroten als om de machtskansen in arbeidsorganisaties te potentiëren. “Sociale relaties —zowel selectieve associatie als patronageverhoudingen— zijn een belangrijke indirecte bron voor individuele arbeidsmarkt- en carrièrestrategieën. Sociale relaties zijn belangrijke kanalen via welke men een ‘reputatie’ kan opbouwen (in de ogen van een arbeidskrachthuurder), belangrijke informaties kan verkrijgen (tips over banen die vrijkomen), invloed kan uitoefenen op selectieprocedures (‘referenties’, ‘aanbevelingen’), primaire bronnen van anderen voor eigen doeleinden kan gebruiken enz.” [Bader/Benschop 1988:185; vgl. 194].

  3. Kwalificatie+Credentie-uitbuiting
    In de derde strategie worden de beide voorgaande benaderingen gecombineerd: kwalificatie/credentie-uitbuiting kan worden opgevat als de effectieve claim op meerarbeid die mogelijk wordt gemaakt door een ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over kwalificaties en credenties. De eerder gemaakte analytische onderscheidingen vloeien hier samen in een samengesteld begrip van ‘kwalificatie’ en ‘credentie’.

Index


4·2 Mechanismen van kwalificatiecredentie-uitbuiting
Bij de analyse van de mechanismen van kwalificatie/credentie-uitbuiting dienen zich ook drie strategieën aan.
  1. Kwalificatie als direct uitbuitingsmechanisme
    In de eerste strategie wordt kwalificatie-uitbuiting opgevat als een direct uitbuitingsmechanisme. Gekwalificeerde arbeidskracht is immers een bron welke direct en als zodanig bijdraagt aan de voortbrenging van de gebruikswaarden die in een arbeidsorganisatie worden vervaardigd. Kwalificatie-uitbuiting zou in dit geval betekenen dat individuen op grond van hun specifiek gekwalificeerde arbeidskracht een effectieve claim kunnen leggen op de meerarbeid. Wanneer zij uitsluitend een claim kunnen leggen op de volledige waarde-omvang van de door hen zelf geproduceerde producten (dus inclusief hun eigen ‘meerarbeid’), is dit natuurlijk geen uitbuiting maar veeleer een claim op non-exploitatie. Van uitbuiting op grond van beschikking over specifiek gekwalificeerde arbeidskracht kan alleen sprake zijn wanneer hierdoor een effectieve claim op meerarbeid van andere producenten mogelijk zou zijn.

  2. Credentie als indirect uitbuitingsmechanisme
    In de tweede strategie wordt credentie-uitbuiting opgevat als een vorm van indirecte uitbuiting. Diploma’s, getuigschriften en referenties leveren immers niet als zodanig een directe bijdrage aan de voortbrenging van gebruikswaarden, maar dragen er wel toe bij dat men toegang krijgt tot bepaalde soorten werk, dat men binnnen de arbeidsorganisatie de eigen machtskansen vergroot, en dat men een grotere claim kan leggen op de materiële en immateriële beloningen die door de betreffende arbeidsorganisatie worden gegenereerd. Van credentie-uitbuiting kan in strikte zin slechts sprake zijn wanneer de beschikking over credenties het mogelijk maakt een effectieve claim op (delen van) de meerarbeid van andere producenten te leggen.
      Indien de betreffende credenties louter bestaan uit al dan niet door politieke overheden gesanctioneerde diploma’s zou men van diploma-uitbuiting kunnen spreken, en indien zij louter bestaan uit aanbevelingen of referenties (als resultaat van strategisch relevante sociale relaties) zou men van referentie-uitbuiting kunnen spreken.

  3. Kwalificatie+Credentie als directe+indirect uitbuitingsmechanisme
    In de derde benadering wordt kwalificatie/credentie-uitbuiting opgevat als de effectieve claim op meerarbeid op grond van beschikkingsmacht over specifieke individuele prestatiekwalificaties (als directe bron) en credenties diploma’s, academische titels en getuigschriften (als indirecte bron — resultaat van opleidingsverhoudingen) en referenties (als indirecte bron — resultaat van sociale relaties). In dit geval is het niet meer mogelijk om kwalificatie/credentie-uitbuiting als direct of indirect uitbuitingsmechanisme te onderscheiden. Voor een gedifferentieerde analyse van de samenhang tussen directe en indirecte uitbuitingsmechanismen lijkt dit het minst bruikbare concept.
      Tegen deze argumentatie zou men het bezwaar kunnen inbrengen dat het empirisch gezien juist zeer plausibel is om ervan uit te gaan dat kwalificaties en credenties nauw met elkaar verweven zijn en dat men daarom juist de werking van het gecombineerde mechanisme van kwalificatie/credentie-uitbuiting moet analyseren. Maar als men inzicht wil krijgen in deze combinatie, doet men er goed aan de twee onderling verweven uitbuitingsvormen analytisch van elkaar te onderscheiden. Bovendien zal men ook bij de analyse van dit gecombineerde uitbuitingsmechanisme ook aannemelijk moeten maken dat het bezit van kwalificaties en credenties een grondslag kunnen zijn voor een effectieve claim op meerarbeid van anderen. Dit laatste is echter, zoals we nog zullen zien, slechts onder zeer specifieke voorwaarden mogelijk.

Welke van deze drie alternatieve concepten en analysestrategieën verdient nu de voorkeur? Kwalificatie-uitbuiting als vorm van directe uitbuiting is een dubieus concept. De reden hiervoor is dat het bezit van specifieke kwalificaties als zodanig geen voldoende grondslag is voor toeëigening van meerarbeid van anderen. Dit is alleen het geval wanneer deze kwalificaties schaars zijn. En niet zozeer in absolute zin, maar in verhouding tot de vraag naar deze arbeidskwalificaties. Van kwalificatie-uitbuiting is dus alleen maar onder zeer specifieke condities mogelijk.

Schaarse arbeidskwalificaties
Evenals voor alle andere bronnen (en beloningen) geldt ook voor de schaarste van arbeidskwalificaties dat zij niet zozeer als zodanig schaars zijn, maar alleen als schaars worden ervaren en gedefinieerd in relatie tot de historisch en maatschappelijk bepaalde behoeften en belangen (of concreter: in relatie tot de op deze basis gearticuleerde vraag). Deze maatschappelijk geconstitueerde schaarste is overigens geen verschijnsel dat alleen voorkomt in maatschappijen waarin de kapitalistische warenproductie domineert. De betekenis van bronnen en beloningen die als schaars worden ervaren en gedefinieerd voor het onderzoek naar sociale ongelijkheden wordt uitvoeriger behandeld in Bader/Benschop [1988:59,298]

De schaarste van specifieke arbeidskwalificaties is het gecombineerde resultaat van drie mechanismen.

  1. De wijze waarop natuurlijke talenten tot stand komen, impliceert dat aangeboren of genetisch overgedragen talenten van nature schaars zijn in een bevolking.
  2. De toegangskansen tot onderwijs- en trainingsstelsels, die nodig zijn om arbeidskwalificaties te ontwikkelen en te cultiveren, zijn in de regel meervoudig selectief: klassenselectief, maar ook gebonden aan verschillen in sekse, etniciteit, nationaliteit enzovoort. Hierdoor wordt een kunstmatige schaarste aan hooggekwalificeerde arbeidskrachten geschapen.
  3. Het certificatiestelsel is in de regel zo opgebouwd dat niet-gediplomeerde arbeidskrachten zonder reputatie geen of aanzienlijk minder kansen hebben om op arbeidstaken te worden ingezet, zelfs wanneer zij daarvoor wel over de benodigde kwalificaties beschikken [Wright 1989:21; Bourdieu 1989:158].

Strikt genomen vormt dus niet de beschikking over kwalificaties als zodanig de basis voor toeëigening van meerarbeid, maar de beschikking over schaarse kwalificaties, en met name wanneer deze schaarste is geïnstitutionaliseerd door credenties. Daarom concentreer ik mij hier verder op het zuiver credentiële uitbuitingsmechanisme.

Credentie-uitbuiting is gebaseerd op de beperking van het aanbod van specifieke kwalificaties via een specifieke vorm van monopolisering, waardoor de inkomsten of inkomens van schaarse gekwalificeerde arbeidskrachten boven het niveau van hun reproductiekosten kan worden gedreven. Het meest belangrijke geïnstitutionaliseerde mechanisme voor een dergelijke monopolisering is professionalisering. Professionalisering is een specifiek mechanisme van sociale sluiting dat gedefinieerd wordt door de volgende elementen: (1) de beperking van de toegang tot het beroep door controle over opleiding, training en kwalificatie: ‘sluiting naar buiten’ door exclusieve rekrutering; (2) de beperking van het gedrag van professionals door controle over gedragscodes: ‘sluiting naar binnen’ door controle over gedrag van ingeslotenen; (3) de regulatie van aanbod van diensten op de markt door het scheppen van feitelijke monopolies; (4) de bekrachtiging of garantie van sociale sluiting door het verwerven van steun en erkenning van de overheid: het legaliseren van feitelijke monopolies.

Ik heb deze elementen uitvoeriger uitgewerkt in: Benschop [1987/2017: § 7·3]. In aansluiting bij Max Weber behandel ik daarin professionalisering als een specifiek mechanisme en een specifieke strategie van sociale sluiting. Weber heeft er als eerste op gewezen dat de monopolisering van economische en sociale kansen een specifieke vorm aanneemt wanneer zich groepen van personen formeren die specifieke kwaliteiten gemeen hebben welke door opvoeding, onderwijs en training verworven kunnen worden [Weber, WG:202].

Professionalisering is een strategie van beroepsgenoten die proberen beloningen te maximeren door de toegang tot dit beroep (en de daarmee verbonden economische en sociale kansen) te beperken. Professionalisering is dus altijd gericht op het creëren van een specifieke schaarste. Dat is in principe mogelijk door het verkleinen van het aanbod (reductie van beschikbaarheid van een specifieke dienst of waar) of door het vergroten van de vraag (door opwaardering van de specifieke kwaliteit van de aangeboden waren of diensten). Vgl. Johnson [1972,1976], Bestaut [1975], Abercrombie/Urry [1983:101 e.v.,121], Mok [1973], Abbott [1988].

Professionalisering betekent dat een bepaalde beroepsgroep erin geslaagd is controle uit te oefenen over de toelating tot gespecialiseerde opleidingen en een overheidsgarantie van diploma’s heeft afgedwongen. De mogelijkheid om meerarbeid toe te eigenen door professionals en experts is dus primair afhankelijk van hun controle over credenties, dat wil zeggen van hun controle op het aanbod van specifiek gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskrachten en de machts- of monopolieprijzen (‘credentierente’) die zij hierdoor kunnen bemachtigen. Door controle over de toelating tot gespecialiseerde opleidingen en overheidsgarantie van diploma’s kan het aanbod van professionele arbeidskrachten worden verkleind en kunnen op grond van een superieure machts- en onderhandelingspositie monopolieprijzen worden gerealiseerd. Door deze strategie van professionalisering is structurele credentie-uitbuiting mogelijk; dit is een mechanisme van indirecte uitbuiting via ongelijke ruil.

Credentie-uitbuiting betekent dat individuen op grond van hun specifiek gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskracht een effectieve claim kunnen leggen op meerarbeid. Wanneer dit uitsluitend een claim op het door hen zelf geproduceerde waardeproduct zou betreffen, is dit — zoals eerder opgemerkt — natuurlijk geen uitbuiting maar veeleer een claim op non-exploitatie. Van credentie-uitbuiting is dus alleen sprake wanneer individuen of groepen op grond van hun beschikking over credenties daadwerkelijk in staat zijn meerarbeid van anderen (van andere producenten of van een heterogene massa van kopers) toe te eigenen.

De verschillen in inkomens of inkomsten die gerelateerd zijn aan kwalificatie- of credentieverschillen zijn niet noodzakelijkerwijze een reflectie van uitbuiting [Wright 1989:194]. Het exploitatieve element in de inkomsten of inkomens van gekwalificeerde credentiebezitters is dat deel van hun inkomsten of inkomen dat een directe uitdrukking is van het feit dat zij een monopolie hebben op het aanbod van dit soort arbeidskrachten. Dit feitelijke monopolie is gebaseerd op credenties en resulteert in een specifieke monopolie-rente. Hun inkomens of inkomsten bevatten een credentierente die boven de gemiddelde reproductiekosten voor deze gekwalificeerde arbeidskrachten uitgaat. Credentierente is een specifieke vorm van monopolie-rente: het is de rente die is afgeleid van het vermogen van de credentiehouders om de aanvoer van specifiek gekwalificeerde arbeidskrachten te beperken.

Credentierente is echter alleen een potentiële uitbuitingsvorm. Voor professionals en experts is een effectieve claim op meerarbeid in de vorm van credentierente een noodzakelijke voorwaarde om zelf als uitbuiters te fungeren, maar het is geen voldoende voorwaarde. Een effectieve aanspraak op credentierente impliceert weliswaar per definitie dat deze professionals en experts in staat zijn een deel van de meerarbeid toe te eigenen, maar niet dat zij ook noodzakelijk de meerarbeid van ándere arbeidskrachten kunnen toeëigenen. De geprivilegieerde positie van professionals en experts is meestal uitdrukking van het feit dat zij —net als de zelfstandige warenproducenten— in staat zijn hun eigen ‘meerarbeid’ toe te eigenen. Hun privilege bestaat dus in wezen hierin dat zij niet worden uitgebuit, en niet dat zij participeren in de uitbuiting van andere arbeidskrachten.

De ratio van de analyse van credentie-exploitatie is dat beschikkingsmacht over credenties een grondslag kán zijn van uitbuiting in de zin van toeëigening van meerarbeid van anderen. Credentie-uitbuiting is een specifieke, eigensoortige vorm van indirecte uitbuiting die analytisch onderscheiden moet worden van vormen van directe uitbuiting en van andere vormen van indirecte uitbuiting. Meer in het bijzonder is credentie-uitbuiting een vorm van indirecte uitbuiting via ongelijke ruil.

De eerder geformuleerde en verdergaande claim is dat credentie-uitbuiting als zodanig een grondslag kan vormen voor het bestaan van stabiele en duurzame uitbuitingsposities [§ 4·3] en dat deze op hun beurt de grondslag kunnen vormen van een eigensoortige klassenpositie [§ 4·4]. Deze twee claims vereisen echter een afzonderlijke argumentatie.

Index


4·3 Reproductie van credentie-uitbuiting
Hoe kan credentie-uitbuiting worden gereproduceerd of uitgebreid? Het is een omstreden kwestie of credentie-uitbuiting een stabiel en structureel karakter kan aannemen, en of zich op basis hiervan relatief duurzame uitbuitingsposities kunnen vormen. In het algemeen kan men zeggen dat de duurzaamheid en het structurele karakter van de toeëigening van credentierente afhankelijk is van het structurele karakter van de ongelijke verdeling van de controle over credenties en van de duurzaamheid van de beschikkingsmacht over credenties. Dit betekent dat we enerzijds moeten nagaan (a) wat de aard is van de beschikkingsmacht over credenties en hoe deze beschikkingsmacht door credentiebezitters kan worden overgedragen, en anderzijds (b) hoe de ongelijke verdeling van credenties wordt gereproduceerd en gestabiliseerd.

a. Aard en mate van controle over credenties
De stabiliteit van credentie-exploitatie is afhankelijk van de mate waarin professionals en experts effectieve beschikkingsmacht hebben over hun eigen gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskracht. Professionals en experts hebben weliswaar een grote, maar zeker geen onbeperkte controle over hun credenties. Credenties kunnen immers geen eigendom worden in de volledige zin van het woord: professionals en experts kunnen gebruik maken van hun credenties (gebruiksrecht), zij kunnen er vrijelijk over beschikken (dispositierecht) en zij kunnen genieten van de vruchten van credenties (genotrecht), maar zij kunnen deze rechten en bevoegdheden niet — of slechts zeer indirect — aan anderen overdragen (overdrachtsrecht). Diploma’s, academische titels en getuigschriften kunnen dus wel effectief worden gecontroleerd, maar zij kunnen niet als eigendomsrechten worden geformuleerd (zoals Wright doet - zie excursie).

Titulaire exploitatie?
Omdat credenties niet als volledig eigendom kunnen worden toegeëigent, kunnen zij ook niet intergenerationeel worden overgedragen. Tenzij men het begrip credentie zo sterk verbreed dat hieronder naast educatieve en academische titels ook adellijke titels worden verstaan.

Hoewel ik een beperkter begrip van credenties heb gedefinieerd, is er geen principiële reden om dit begrip niet in deze richting te verbreden. Voor een algemene analyse van uitbuitingsvormen zou het voordelen kunnen hebben om met een zodanig breed begrip van credenties te opereren, dat daarmee ook de beschikkingsmacht over adellijke titels als grondslag van een specifieke (‘titulaire’) uitbuitingsvorm gethematiseerd kan worden. Voor een historisch-sociologische analyse van de in het feodalisme gecombineerde uitbuitings- en klassenverhoudingen lijkt dit een aantrekkelijk perspectief.

In mijn reconstructie van Weber’s theorie van sociale sluiting zijn hiervoor een aantal aanknopingspunten te vinden, met name in de analyse van het professionaliseringsmechanisme [Benschop 1987/2017: § 7·3].

Bourdieu [1989:157 e.v.; 1989a] analyseerde de samenhang tussen adellijke, educatieve en professionele titels. In hoofdstuk IX, § 2·3 kom ik uitvoeriger terug op Bourdieu’s analyse van de werking van adellijke titel.

Credenties kunnen niet effectief worden geprivatiseerd (althans niet volledig) en zij kunnen niet van ‘vader op zoon’ of van ‘moeder op dochter’ erfelijk worden overgedragen. Erfelijke overdracht beperkt zich echter niet tot verwantschap, maar is ook mogelijk op basis van selectieve coöptatie. Professionals en experts kunnen hun credenties niet individueel verkopen, maar zij kunnen wel een effectieve controle uitoefenen op de overdracht van rechten om credenties te gebruiken. De werking van dit mechanisme van selectieve coöptatie is het meest duidelijk gedemonstreerd bij de medische professionals, die weliswaar hun artsentitels niet individueel op hun nageslacht overdragen, maar toch in generationeel perspectief een hoge mate aan continuïteit vertonen. In dit opzicht komt de beschikkingsmacht over credenties dicht in de buurt van eigendom in strikte zin. De inzet van credenties kan echter in meer of mindere mate effectief geblokkeerd zijn. Dit gebeurt met name wanneer een geldende rechtsorde het inzetten van credenties op specifieke gebieden voor illegaal verklaard.

Een cruciaal element in de intergenerationele overdracht van credenties is de socialisatie van kinderen van professionals. In de primaire socialisatie worden de door professionals verinnerlijkte beroepsmatige gedragscodes, groepsidentiteiten en -ethieken overgedragen op hun kinderen. Door gewenning aan deze professionele codes en beroepsstijlen wordt het voor deze kinderen gemakkelijker om toegelaten te worden tot de educatieve instellingen waarin de betreffende kwalificaties kunnen worden aangeleerd en vergroten zij hun kansen om de uiteindelijk begeerde titels te verwerven. Bovendien wordt hierdoor tevens de kans vergroot om toegelaten te worden tot de kringen waarin deze professionele code wordt aangehangen [Parry/Parry 1976]. Credenties zijn met name van belang als indicatie van iemands motivatie, loyaliteit en binding aan bepaalde waarden [Abercrombie/Urry 1983:104].

Een arbeiderskind beklimt niet zomaar de academische ladder en academici uit arbeidersgezinnen maken moeilijker carrière. Zij beschikken niet over de juiste netwerken en kennen de sociale codes niet die in bepaalde beroepsgroepen gelden. Tijdens hun loopbaan stuiten zij op selectiecriteria die niet vakmatig, maar sociaal zijn. De impliciete boodschap is: ‘als je de codes van ons wereldje niet kent, dan hoor je er niet’. Wie de ongeschreven regels, de dubbele agenda’s en mores van de beroepsgroep niet kent, wordt uitgesloten of komt binnen zijn professie niet of zelden aan de top [Matthys 2010].

Privileges, rechten en eigendom
In het door Bader/Benschop [1988:263 e.v.] uitgewerkte eigendomsbegrip wordt een onderscheid gemaakt tussen privileges, rechten en eigendom.

Het resultaat van feitelijke beschikkingsmacht over bronnen zijn privileges. Deze privileges kunnen uiterlijk worden gegarandeerd door conventies (d.w.z. door sociale minachting en uitsluiting wanneer deze conventies worden geschonden) en/of door recht (d.w.z. door dreiging met of toepassen van legaal fysiek geweld).

Wanneer privileges wettelijk zijn gegarandeerd dan worden het rechten. Rechten zijn privileges die uiterlijk door wetten worden beschermd, onafhankelijk van de vraag of deze rechten ook innerlijk worden gegarandeerd door legale rechtsaanspraken die feitelijk voor legitiem worden gehouden. Rechten zijn dus niet per definitie legitieme rechten.

Wanneer rechten bovendien erfelijk overdraagbaar zijn dan worden zij pas eigendom in strikte zin. Daarbij moet deze erfelijke overdracht breed worden opgevat en niet worden beperkt tot het criterium van verwantschap: eigendom omvat niet alleen familie- of verwantschapseigendom, maar ook corporatief en staatseigendom. De overdracht van de in eigendom geïmpliceerde beschikkingsmachten (rechten en bevoegdheden) komt enerzijds tot stand doordat zij direct worden overgedragen aan individuen die door geboorte (verwantschap) aan de huidige eigenaar zijn verbonden (individuele erfenis), anderzijds doordat de gemonopoliseerde kansen via het mechanisme van selectieve coöptatie worden overgedragen aan leden van bepaalde organisaties (sociale erfenis).

b. Reproductie van verdeling van credenties
We hebben hiervoor gezien dat de feitelijke ongelijkheid van verdeling van credenties het gecombineerde effect is van drie factoren: (1) de door erfelijke of aangeboren overdracht bepaalde natuurlijke verdeling van talenten, (2) de door diverse mechanismen van sociale sluiting bepaalde verdeling van toegangskansen tot educatieve instellingen, en (3) de door het credentiestelsel bepaalde verdeling van diploma’s, academische titels, getuigschriften en referenties.

De stabiliteit en reproductie van credentie-exploitatie is in eerste instantie afhankelijk van de mate waarin deze drie verdelingsmechanismen operationeel zijn. Zolang een of meer van deze mechanismen leiden tot een feitelijke schaarste van specifiek gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskrachten, zolang bestaat er ook de mogelijkheid dat credentie-exploitatie zich verduurzaamt en een structureel karakter aanneemt. De feitelijke schaarste van specifiek gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskrachten is echter primair afhankelijk van het succes waarmee beroepsgenoten zelf het aanbod van deze arbeidskrachten kunnen beperken en controleren (door exclusieve rekrutering, sociale sluiting naar binnen, monopolievorming en het legaliseren van deze monopolies).

Talenten, onderwijskansen en credenties
Men kan proberen algemene uitspraken te doen over het relatieve gewicht van deze drie verdelingsmechanismen. Meestal komt men echter niet verder dan uitspraken zoals: de ‘natuurlijke’ verdeling van talenten speelt wel een rol, maar de ‘maatschappelijke’ verdeling van kwalificaties en credenties is veel belangrijker of doorslaggevender [Wright 1989:195 doet dergelijke globale uitspraken].

Als men op dit abstractieniveau meent zinvolle uitspraken te kunnen doen, dan is het m.i. veel verstandiger (en in politiek opzicht meer opportuun!] aandacht te besteden aan de maatschappelijke bepaaldheid van de verdeling van ‘natuurlijke’ talenten [zie hoofdstuk IV, § 1·1].

Er zijn inmiddels voldoende studies gedaan die laten zien dat de verschillen in fysieke en intellectuele potenties die kinderen vanaf hun geboorte meekrijgen in sterke mate afhankelijk zijn van de levensstandaard van hun ouders. De verdeling van natuurlijke talenten zelf is allesbehalve natuurlijk, maar door en door maatschappelijk gekleurd, en niet in de laatste plaats door klassengebonden verschillen in de economische levensstandaard. Op internationale schaal is dit fenomeen het meest helder gedocumenteerd in het onderzoek naar de gemiddelde fysieke en mentale condities van kinderen in de zgn. onontwikkelde landen in vergelijking met kinderen in de hoogontwikkelde kapitalistische landen.

Index


4·4 Credentie-uitbuiting als grondslag van klassenposities
Kan credentie-uitbuiting leiden tot structurele uitbuitings- en klassenposities? Deze vraag kan in drie deelvragen worden opgesplitst. Ten eerste de vraag naar het structurele en substantiële karakter van credentie-uitbuiting. Ten tweede de vraag naar de mogelijkheden voor bezitters van credenties om hun aandeel in de meerarbeid te accumuleren of te kapitaliseren. En ten derde de vraag onder welke condities verduurzaamde uitbuitingsposities ook als zelfstandige klassenposities behandeld kunnen worden.

a. Hoe substantieel en structureel is credentie-uitbuiting?
We hebben hiervoor gezien dat de controle over credenties alleen maar uitbuitingsposities constitueert wanneer en voor zover hierdoor een effectieve claim op substantiële aandelen in de meerarbeid wordt gelegd en wanneer deze claim duurzaam kan worden gehandhaafd. Incidentele en marginale claims op meerarbeid leiden immers niet tot structurele uitbuitings- en klassenposities, maar wel tot bescheiden privileges van de betreffende credentiehouders. Binnen de werkende klassen manifesteert zich dit met name in variaties in de materiële levensstandaard en in wisselende graden van autonomie binnen de arbeidsorganisaties. Deze bescheiden privileges vormen samen met de aan kwalificatieverschillen gerelateerde verschillen in inkomens en inkomsten de grondslag voor de sociale gelaagdheid van de uitgebuite werkende klasse.

Credentiebezit leidt alleen tot uitbuitings- en klassenposities wanneer degenen die de controle hebben over relatief zeldzame credentie-bronnen in staat zijn substantiële inkomsten uit meerarbeid toe te eigenen en wanneer zij dit duurzaam kunnen doen. Dit kan twee vormen aannemen.

b. Kunnen professionals meerarbeid accumuleren of kapitaliseren?
Wat zijn voor professionals en experts de mogelijkheden om hun credentierente te accumuleren of te kapitaliseren? Structurele uitbuitingsposities op basis van effectieve controle over credenties kunnen ontstaan wanneer de credentie-houders in staat zijn hun credentierentes te transformeren in (her)investeringen in hun eigen kwalificaties en credenties (en zo hun ‘menselijk kapitaal’ vergroten) als uitgebreide grondslag voor hernieuwde uitbuiting.

Credentierente is een vorm van inkomen (in geld of in natura) boven het niveau van de reproductiekosten van de arbeidskracht van credentiehouders. Dit biedt credentie-houders de mogelijkheid hun persoonlijke levenstandaard te verhogen (vergroting van consumptieve uitgaven),
* Professionalisering vereist altijd een zeker toezicht op de kwaliteit van de geleverde prestatie van de beroepsgenoten. Om de kwaliteit en de betrouwbaarheid van hun diensten te bewaken moeten zij zich afschermen van kwakzalvers, charlatans en beunhazen (sluiting naar buiten), moeten zij een systeem van gedragscontrole over de erkende beroepsgenoten ontwikkelen en moet hun onderlinge competitie worden gereguleerd (sluiting naar binnen). Voor dit toezicht moeten instituties worden opgericht en onderhouden die in de regel door de professionals zelf moeten worden gefinancierd. Achter deze zorg voor goede prestaties schuilt meestal het belang van het beperken van het aanbod van kandidaten voor de beroepsprivileges en het daaraan verbonden aanzien.
maar kan ook worden gebruikt om het eigen credentiebezit te vergroten. Dit kan onder andere worden bereikt door de meerinkomsten uit credentierente aan te wenden voor het instandhouden en uitbreiden van het professionele monopolie (professionele gemeenschappen kosten tijd, geld en andere bronnen).* Credentierente kan echter ook worden geconverteerd in beschikkingsmacht over andere dan credentiële bronnen, zoals eigendom van materiële arbeidsmiddelen of —onder kapitalistische verhoudingen— kapitaaleigendom.

c. Ontstaan er klassenposities op basis van creditentiëe exploitatie?
We hebben gezien dat beschikkingsmacht over credenties de grondslag kan vormen voor een substantiële en duurzame toeëigening van meerarbeid en dus voor uitbuitingsposities. Credentie-gebonden uitbuitingsposities ontstaan door een specifieke combinatie van ongelijke beschikkingsmacht over de indirecte bron credenties en het specifieke mechanisme van toeëigening van meerarbeid in de vorm van credentierente. Op basis van deze uitbuitingsposities kunnen afgebakende klassenposities ontstaan, wanneer de subjecten die deze uitbuitingsposities bekleden duidelijk geïdentificeerd kunnen worden. Bij credentie-privileges (toeëigening van eigen waardeproduct) is tamelijk duidelijk wie deze privileges genieten. In dit geval is echter überhaupt geen sprake van uitbuiting in strikte zin (toeëigening van meerarbeid van anderen) en kan dus ook niet worden aangegeven wie de uitgebuitenen zijn. Bij credentie-uitbuiting ligt dit anders. In dit geval is het wel duidelijk wie de profiteurs van deze exploitatie zijn, maar is het lang niet altijd even duidelijk wie de geëxploiteerden zijn (zie excursie over het afwentelen van monopolieprijzen).

Bovendien is het ontstaan van eenduidig afgebakende klassenposities in sterke mate afhankelijk van de vraag in hoeverre er sprake is van een overlapping van de verschillende uitbuitingsposities. Professionals en experts met een gering credentiebezit zijn bijvoorbeeld vaak alleen maar in staat hun uitbuiting te matigen. Hun uiterst minimale claim op hun eigen waardeproduct betekent dat zij net zo als andere leden van de werkende klassen worden uitgebuit en enkel in staat zijn de uitbuitingsgraad (de relatieve verhouding tussen noodzakelijke en meerarbeid) te beperken. Hierdoor wordt weliswaar hun klassenpositie beïnvloed (zij nemen binnen de uitgebuite klasse een relatief geprivilegieerde positie in), maar deze klassenpositie zelf verandert hierdoor nog niet wezenlijk.

Eigensoortige tussenklassenposities ontstaan pas wanneer en voor zover credentiehouders over zodanig schaarse kwalificaties beschikken en hierdoor een zodanig superieure machts- en onderhandelingspositie verwerven dat zij zichzelf kunnen vrijwaren van exploitatie. Deze tussenklassenpositie kan echter op haar beurt weer aanzienlijk worden gemodificeerd wanneer deze professionals en experts tegelijkertijd belangrijke leidinggevende functies binnen de arbeidsorganisatie gaan vervullen. De aan deze functies klevende beschikkingsmacht over gezagsposities biedt immers een aanvullende mogelijkheid om een effectieve claim op meerarbeid van andere producenten te leggen in de vorm van een loyaliteitsrente. In dat geval is er sprake van een overlapping van twee onderscheiden uitbuitingsposities: organisationele en credentie-uitbuiting vloeien samen in de meer complexe tussenklassenpositie van professionele managers.

Index


4·5 Wright over credentie-uitbuiting
Ter afsluiting van deze algemene analyse van het verschijnsel van credentie-uitbuiting zal ik een aantal kritische kanttekeningen maken bij de opvattingen van Erik Olin Wright.

  1. Tussen skill assets en credentials
    Wright maakt een onderscheid tussen vier productieve bronnen: labour power, skills, means of production, organization. De bezwaren tegen zijn algemene analyse van ‘productive assets’ zijn al eerder genoemd [zie hoofdstuk VI, § 3.1]. Het in dit verband essentiële bezwaar tegen zijn benadering is dat hij —zonder noemenswaardige argumentatie— een onderscheid maakt tussen arbeidskracht (‘labour power’) en kwalificaties (‘skills’) als twee van elkaar onderscheiden productieve bronnen, en dat hij prestatiekwalificaties (‘skills’) steeds verwisselt met of gelijkstelt aan diploma’s en getuigschriften (‘credentials’). Zoals gezegd is het onderscheid tussen ‘arbeidskracht’ en ‘kwalificatie’ alleen zinvol waneer men zich een voorstelling kan maken van een volledig ongekwalificeerde arbeidskracht, dat wil zeggen van een arbeidskracht welke niet in staat is tot productieve prestaties. Het is onmogelijk om kwalificaties te ontkoppelen van arbeidskracht als een onderscheiden productieve bron: “the former are what makes the latter more or less skilled and thus more or less productive” [Carchedi 1989:110].

    Beschikking over arbeidskracht of over persoon
    Met name voor de analyse van voor-burgerlijke maatschappijformaties is het natuurlijk van belang een onderscheid te maken tussen klassenverhoudingen die verankerd zijn in persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen en klassenverhoudingen waarin persoonlijke onafhankelijkheid bestaat die in zakelijke afhankelijkheidsverhoudingen is ingebed [zie hoofdstuk VI, § 3·3].

    Voor de analyse van persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen is niet het onderscheid tussen ‘kwalificatie’ en ‘arbeidskracht’ relevant, maar het onderscheid tussen beschikkingsmacht over de persoon als geheel (inclusief zijn/haar gekwalificeerde arbeidskracht) en beschikkingsmacht over meer of minder gekwalificeerde arbeidskracht.

    In het feodalisme zijn de beschikkingsmachten over de arbeidskracht ongelijk verdeeld. Persoonlijke afhankelijkheid betekent hier dat feodale heren (in samenhang met hun grondbezit) een aanzienlijke beschikkingsmacht hebben over de meer of minder gekwalificeerde arbeidskracht van hun vazallen. Vazallen hebben geen volledige effectieve beschikkingsmacht over hun eigen persoon als productieve actoren.

    In de slavernij hebben slaven geen enkele of uiterst minimale beschikkingsmacht over hun eigen arbeidskracht omdat zij geen beschikkingsmacht over de eigen persoon hebben, terwijl de slavenhouders volledige eigendomsrechten hebben over hun slaven: gebruiks-, genots-, dispositie- én overdrachtsrechten.

    Deze ideaaltypische karakterisering van slavernij helpt ons om specifiek historische vormen te onderkennen. Zo vertoont het slavernijstelsel tijdens het Azteekse imperium een aantal kenmerken die niet alleen sterk afwijken van de slavernij die Europeanen in diezelfde periode in hun koloniën doorvoerde, maar ook van het ideaaltypische begrip van slavernij dat geënt is op de Klassieke Oudheid. Ten eerste was de slavernij persoonlijk en niet erfelijk: kinderen van slaven waren vrij. Ten tweede konden slaven (tlacotin) er zelf bezittingen op nahouden en zelfs andere slaven bezitten. Ten derde konden de slaven vrij worden verklaard wanneer zij konden aantonen dat zij mishandeld waren of dat zij kinderen hadden bij of getrouwd waren met hun meesters. En tenslotte konden slaven hun eigen vrijheid kopen en werden slaven die goede diensten hadden geleverd na de dood van de meester vrij verklaard; de rest van de slaven werd als onderdeel van de erfenis doorgegeven [Elliot 2007].

    Bij zijn analyse van ‘skill exploitation’ vraag Wright zich af “on what basis they gain control over that surplus” [Wright 1985:81]. Hier wordt echter geen duidelijk antwoord op gegeven. Hij maakt een onderscheid tussen twee aspecten van ‘skill exploitation’: de status van diploma’s als ‘eigendomsrecht’ en de natuurlijke talenten. De ene keer spreekt hij over ‘skill-based exploitation’, over ‘skill assets as such’ [idem:85; vgl. 82,86] of kortweg over ‘skill exploitation’ [1989:192,308,347] en dan weer over ‘credential exploitation’ [1985:103].

      Wright refereert hier aan tabel 3.2 alsof het over ‘credential exploitation’ gaat, terwijl in het schema ‘skills’ staat. We zullen later nog zien dat Wright in enorme problemen komt bij de operationalisering van zijn eigen model. Zie § 5·3.

    Op andere plaatsen vervloeit zijn terminologie volledig en spreekt hij over ‘individuals with skills or credentials’, ‘exploitation based on skills/credentials’ [idem:85], ‘skill or credential differences’ [idem:103; vgl. p. 87] en over ‘skill or credential exploitation’ [1989:194]. Wright neemt het onderscheid tussen ‘labour power’ en ‘skills’ niet zo nauw en laat ‘skills’ ongemerkt overvloeien in ‘credentials’.

    Achter deze terminologische ambiguïteit schuilt mijns inziens een verwarring over de specifieke aard van de bronnen op basis waarvan professionals en experts in staat zouden zijn een effectieve aanspraak op meerarbeid te doen. Wright lijkt te vergeten dat diploma’s niet werken en daarom ook geen directe of productieve bronnen kunnen zijn.

      Dit is des te merkwaardiger wanneer men kijkt naar het argument dat Wright hanteert om zich te distantiëren van Roemer’s conceptie van ‘status exploitation’. Hij verwerpt deze conceptie omdat status-exploitatie überhaupt geen noodzakelijk verband heeft met de productie, d.w.z. dat deze uitbuiting niet geworteld is “in the relation of people or coalitions to the forces of production” [Wright 1985:74]. Dit laatste klopt, maar dit argument geldt ook voor credenties.

    Uit zijn verwijzingen naar het werk van Randall Collins [Credential Society] zou men kunnen opmaken dat hij beseft dat er een essentieel verschil is tussen kwalificaties en credenties, maar in zijn behandeling van de kwalificatie/credentie-uitbuiting gaat Wright hieraan grotendeels voorbij. De meest nauwkeurige formulering in Classes is dat “skill-asset exploitation is based on credentials” [1985:76]. In zijn latere publicaties benadrukt hij dat het gaat om “scarce skills (that is, skills which are scarce relative to their demand), whether or not that scarcity is institutionalized through credentials” [1989:308].

      Dit bleek overigens ook al eerder uit zijn beschouwing over het meten van ‘skill assets’. “In principle, skill/credential assets should be measured by the incumbency in jobs which require scarce skills, particularly credentialled skills” [Wright 1985:313; vgl. 70]. In de praktijk bleken echter de data die hij voor zijn empirisch onderzoek gebruikte te onnauwkeurig om op een ondubbelzinnige manier het credentiële karakter van banen te definiëren. In plaats daarvan gebruikte Wright om de ‘skill assets’ te definiëren twee andere criteria in combinatie met beroepstitels: formele educationele credenties (diploma’s) en ‘job autonomy’ [Wright 1989:198]. De bruikbaarheid van het begrip credentie-exploitatie voor de empirische specificatie van klassenstructuren komt in § 5·3 aan de orde.

  2. Tussen ‘skill exploitation’ en ‘credential exploitation’
    Wright’s analyse van het specifieke uitbuitingsmechanisme is eveneens ambivalent. Enerzijds geeft hij een tamelijk traditionele, maar adequate verklaring van de “exploitative transfer appropriated by the possessor of a credential” [Wright 1985:76]: professionals en experts zijn in staat een ‘surplus’ toe te eigenen omdat zij over hoogwaardige credenties beschikken. Credentialisme is een specifieke vorm van monopolisering waardoor professionals en experts in staat zijn het aanbod van specifieke kwalificaties te beperken en machts- en monopolieprijzen te inkasseren, waarin een credentierente is geïmpliceerd [Wright 1985:76; 1989:192, 307,332].

    Natuurtalenten als menselijk kapitaal?
    Wright’s verklaring van het ‘surplus’ dat natuurtalenten kunnen toeëigenen, is niet erg overtuigend. Hij analyseert dit verschijnsel analoog aan Marx’ behandeling van de differentiële grondrente die gekoppeld is aan verschillen in vruchtbaarheid van het land [Wright 1985:76; 1989:193]. Als men natuurtalenten al kan behandelen als ‘human capital’, dan zou men ze eerder in analogie met ‘extra winsten’ moeten analyseren [Becker 1964].

    Als men het kapitaalbegrip zo oeverloos uitrekt dat men álle bronnen eenvoudig ‘kapitaal’ kan noemen, dan heeft men —zoals eerder opgemerkt— geen apart begrip meer voor bronnen die niet particulier zijn toegeëigend, en ook niet voor vormen van particuliere toeëigening van bronnen die specifiek zijn voor de kapitalistische maatschappijformatie. In dat geval zijn alle objectieve arbeidsvoorwaarden altijd en eeuwig ‘kapitaal’ (zoals bij Bourdieu e.a.) en komt men sterk in de verleiding strategisch handelen in het algemeen te identificeren met een historisch specifiek type, nl. met dat van de burgerlijke homo economicus.

    Natuurlijk kan men zeggen dat individueel verworven prestatiekwalificaties en natuurtalenten ‘menselijk kapitaal’ zijn. Dit heeft echter alleen maar zin wanneer er sprake is van door ruil gemedieerde particuliere toeëigening van meerarbeid van anderen. Het kapitaalbegrip is dus niet principieel beperkt tot een bepaald type van directe bronnen (d.w.z. tot objectieve arbeidsvoorwaarden). Het blijft echter een hachelijke zaak om volledig te abstraheren van de specifieke historisch-maatschappelijke voorwaarden waaronder en verhoudingen waarbinnen deze bronnen feitelijk functioneren. Dit type onkritische abstractie is het intellectuele stijlkenmerk geworden van auteurs die de charme van de ‘human capital theory’ niet hebben kunnen weerstaan.

    Anderzijds wordt deze credentie-uitbuiting op een nogal verwarrende wijze gelijkgesteld met ‘kwalificatie-uitbuiting’. Dit is het gevolg van het feit dat hij kwalificaties en credenties sterk in elkaar laat overvloeien. Wright maakt dus geen duidelijk onderscheid tussen uitbuiting op basis van beschikkingsmacht over de indirecte bron credenties (credentie-uitbuiting) en uitbuiting op basis van beschikkingsmacht over de directe bron arbeidskwalificaties (kwalificatie-uitbuiting). Hij wil het verschijnsel van ‘skill/credential exploitation’ thematiseren als een direct uitbuitingsmechanisme. Het mechanisme van uitbuiting op basis van credenties is nu juist geen mechanisme van directe uitbuiting. Bovendien kan men zich afvragen of ‘kwalificatie-uitbuiting’ als vorm van directe exploitatie een zinvol begrip is. Zie voor een eerdere kritiek op dit concept Bader/Benschop [1988:355] en Stinchcombe [1989].

    Bij zijn uitwerking van de ‘multiple exploitations approach’ in 1985 merkt Wright zelf al op dat zich bij de analyse van de ‘exploitation rooted in skills’ een aantal problemen voordoen en dat het “much less obvious” is ze als directe uitbuiting te behandelen [Wright 1985:75]. In zijn herziene versie van ‘kwalificatie-uitbuiting’ heeft hij zijn conceptie op een aantal punten gecorrigeerd en gepreciseerd [Wright 1989:308]. Hij handhaaft weliswaar de term ‘skill exploitation’, maar noteert dat het gaat om “exploitation based on the ownership of monopolized skills, most notably where these are legally certified through ‘credentials’” [idem:192]. Niet de beschikkingsmacht over kwalificaties als zodanig is dus de grondslag van deze uitbuitingsvorm, maar de beschikking over gemonopoliseerde kwalificaties. Toegespitst op de kapitalistische maatschappijformatie betekent dit dat ‘skill exploitation’ is gebaseerd op “the restriction of the supply of particular skills, through one mechanism or another, so that the price of those skills (that is, the wage of the skilled labor power) is above its costs of production” [idem]. Hij beschouwt credentialisme als het meest belangrijke geïnstitutionaliseerde mechanisme waardoor deze monopolisering wordt gegenereerd. Daarom is het merkwaardig dat hij ‘skill exploitation’ blijft identificeren met credentialisme. Zijn analyse zou aanzienlijk worden versterkt en verduidelijkt wanneer hij deze identificatie zou doorbreken en credentie-uitbuiting zou analyseren als een bijzondere vorm van uitbuiting via ongelijke ruil, dat wil zeggen als een mechanisme van indirecte uitbuiting.

  3. Reproductie van credentie-uitbuiting
    Ook Wright werpt de vraag op wat de mogelijkheden zijn om credentie-uitbuiting (hij zegt ‘skill exploitation’) duurzaam te reproduceren en uit te breiden. Ik heb er al op gewezen dat diploma’s, academische titels en getuigschriften wel effectief kunnen worden gecontroleerd, maar dat zij niet — zoals Wright [1985:86,95] — als eigendomsrechten kunnen worden geformuleerd. Als men credentie-uitbuiting als zelfstandige en primaire, zichzelf reproducerende uitbuitingsvorm wil behandelen, dan zou het daarbij moeten gaan om (her)investering in het ‘menselijke kapitaal’ als uitgebreide grondslag voor hernieuwde uitbuiting. In een aantal formuleringen lijkt Wright deze mogelijkheid open te laten: “Skill exploiters in capitalism ... can invest the surplus they appropriate through credentials. ... They can ... capitalize their skill exploitation” [Wright 1985:81,82]. Uit zijn vergelijking met credentie-uitbuiting in het etatisme blijkt echter dat hij denkt aan geblokkeerde “access to other kinds of assets” [idem: 95; 1989:22]. De mogelijkheid om een zelfstandige credentie-uitbuiting te reproduceren en uit de breiden worden door Wright dus niet behandeld [zie de kritieken van Erbslöh e.a. 1990 en Hagelstange 1990:123].

  4. Credentie-uitbuiting en klassenpositie
    De vraag of en in hoeverre credentie-uitbuiting kan leiden tot structurele uitbuitings- en klassenposities wordt door Wright op nogal tweeslachtige wijze beantwoord. Aan de ene kant gaat hij ervan uit dat “the ownership of skill assets” de grondslag kan vormen van uitbuiting die door marktruil en interne arbeidsmarkten wordt gemedieerd. Dit is precies de reden waarom men credentie-uitbuiting als een van de vormen van indirecte uitbuiting (op basis van ongelijke ruil) zou moeten behandelen. Aan de andere kant is het echter “much less clear that it is the basis of class relation, except insofar as skills or talents enable one to gain acces to other kinds of assets. Experts may have distinct interests from non-experts, but they are not clearly constituted as a class in relation to non-experts” [Wright 1985:95]. Zijn conclusie luidt: “... while skills or credentials may be a basis for exploitation, this asset is not really the basis of a class relation, at least not in the same sense as labour power, capital and organization assets” [Wright 1985:85].

    Omdat professionals en experts van credentierente profiteren, hebben zij dus wel andere belangen dan niet-experts, maar zij worden nog niet eenduidig als klasse geconstitueerd in verhouding tot niet-experts. Toch wil Wright credentie-uitbuiting als basis van een specifieke klassenverhouding behandelen, ook al merkt hij op dat men deze karakterisering voorzichtig moet benaderen [idem:103]. Hij benadrukt dat het verband met het klassenbegrip nog niet theoretisch bevredigend is opgelost [idem: 95]. Een van de strategieën die hij suggereert, is ‘skill exploitation’ te behandelen als criterium om klassenfracties van elkaar af te bakenen.

      “Class fractions could be defined as positions which share common locations within class relations but occupy different locations with respect to exploitation” [idem; vgl. 1989:23].
    Maar op deze manier wordt de connectie tussen credentie-exploitatie en klasse in feite weer doorbroken. Ten eerste is het dan niet meer mogelijk onderscheid te maken tussen een fractionering van een (werkende) klasse op basis van verschillen in niveaus van kwalificatie (dat wil zeggen verschillen in inkomens/inkomsten die correleren met de differentiële waarde van de arbeidskracht) en verschillen tussen sociale categorieën werkenden op basis van hun participatie in credentierente (als specifieke vorm van toeëigening van meerarbeid door credentiehouders met schaarse kwalificaties). Ten tweede gaat men met een dergelijke benadering eenvoudig voorbij aan de cruciale vraag of en zo ja onder welke condities de toeëigening van meerarbeid op basis van credentiebezit daadwerkelijk kan leiden tot eigensoortige uitbuitingsposities en onder welke voorwaarden zich daaruit zelfstandige klassenposities kunnen kristalliseren. In zijn gereviseerde analyse van de ‘skill exploitation’ laat Wright deze optie grotendeels vallen. Omdat de samenhang tussen credentierente, uitbuitingsposities en klassenposities echter niet als zodanig wordt gethematiseerd, blijft er een kortsluiting bestaan in het verband tussen credentie-uitbuiting en klassenposities.

Index5. Professionals en experts in het kapitalisme

De implicaties van het begrip credentie-uitbuiting en van de werking van het credentiële uitbuitingsmechanisme kunnen nu worden geconcretiseerd in de analyse van de klassenpositie van professionals en experts in het kapitalisme. Ik beperk mij daarbij tot een aantal stellingsgewijs geponeerde hypothesen over de klassenpositie van professionals en experts die als loonarbeiders van het kapitaal fungeren.

De analyse van de categorie professionals, experts of deskundigen, van in loondienst van het kapitaal werkende hooggekwalificeerde arbeidskrachten, is waarschijnlijk een van de meest complexe, maar zeker een van de meest omstreden opgaven van onderzoekers van de klassenstructuur. Vooral in de marxistische onderzoekstraditie heeft deze categorie de meeste problemen opgeleverd bij het formuleren van een coherente conceptie van de klassenstructuur. Ik zal eerst een aantal uiteenlopende benaderingen in kaart brengen en inventariseren wat de problemen zijn die opgelost moeten worden. In het algemeen kunnen er drie benaderingen worden onderscheiden.

  1. In de eerste benadering worden professionals en experts opgevat als een bijzondere categorie loonarbeiders van het kapitaal. Het uitgangspunt van deze benadering is dat professionals en experts loonafhankelijke employés van het kapitaal zijn, die zich slechts van andere loonarbeiders onderscheiden door het feit dat zij hooggekwalificeerd zijn en in het totale arbeidsproces zeer gespecialiseerde taken verrichten. Evenals alle andere arbeidskrachten zijn zij aan de loonvorm onderworpen en worden zij door het kapitaal uitgebuit. De loonverschillen tussen deze professionals en de overige loonarbeiders zijn louter een gevolg van het feit dat de reproductiekosten van deze hooggekwalificeerde arbeidskrachten hoger zijn dan die van de gemiddeld gekwalificeerde arbeidskrachten. Alle overige privileges die zij genieten (zoals op het gebied van autonomie, werkzekerheid, pensioenvoorzieningen en vakantieregelingen) zijn slechts een uitvloeisel van hetzelfde verschil in reproductiekosten. Daarom worden professionals en experts opgevat als een bijzonder —hooggekwalificeerd en beter betaald— deel van de arbeidersklasse.

  2. In de tweede benadering worden de professionals en experts opgevat als zelfstandige klasse of sociale middenlaag van intellectuelen. Deze intellectuelen worden hoofdzakelijk gekenmerkt door de specifieke eigenschappen van hun ‘geestelijke arbeid’ en door de daarmee corresponderende culturele kwalificatie. In antagonistische klassenmaatschappijen zouden functies van geestelijke arbeid in hoge mate tot uitbuitings- en heerschappijmiddelen van de uitbuitende klassen (ver)worden. Geestelijke arbeid en lichamelijke arbeid komen in klassenformaties scherp tegenover elkaar te staan. De ontwikkeling van wetenschap en onderwijs staan overwegend in dienst van de heersende klassen. Dit zou tevens verklaren waarom de sociale middenlaag van de intelligentsia overwegend een tweeslachtige houding inneemt ten opzichte van de arbeidersklasse en de bourgeoisie. Wat de economische aspecten betreft, wordt — evenals in de eerste benadering — benadrukt dat de hogere opleiding van deze sterk gespecialiseerde arbeidskrachten hogere reproductiekosten tot gevolg heeft. Zij vormen de materiële grondslag van een hogere prijs van de arbeidskracht [Jung 1973:155; Kievenheim 1973:234; Poulantzas 1974].

  3. In de derde benadering worden de professionals of experts gesitueerd in een eigensoortige tussenklassenpositie van niet-proletarische loonarbeiders. Op grond van hun feitelijke controle over het aanbod van specifiek gekwalificeerde en gediplomeerde arbeidskrachten zijn zij in staat monopolieprijzen voor hun prestaties te incasseren. Hierdoor kunnen zij hun eigen waardeproduct toeëigenen (of in ieder geval de mate van kapitalistische exploitatie reduceren). Zij verhuren dus net zo als alle andere loonarbeiders hun arbeidskracht aan het particuliere kapitaal, maar zij worden niet — of in mindere mate — uitgebuit en participeren ook niet in de uitbuiting van andere loonarbeiders. Professionals en experts zijn dus relatief zelfstandige loonarbeiders die loonarbeid zonder uitbuiting verrichten. Het cruciale argument in deze benadering is dat professionals en experts de beschikkingsmacht hebben over een bijzondere indirecte bron, namelijk credenties (diploma’s, academische titels, getuigschriften, referenties) en dat zij hierdoor een effectieve claim kunnen leggen op de toeëigening van het door hen zelf geproduceerde waardeproduct.

De verschillen tussen deze benaderingen ontstaan met name omdat er meningsverschillen bestaan over vier vragen. (1) Ten eerste is controversieel hoe de samenhang moet worden geanalyseerd tussen de hogere kwalificatie van de professionals en experts, de waarde van deze arbeidskrachten en de prijs die professionals en experts voor hun werk op de markt weten te bedingen. (2) Ten tweede is controversieel welke klassenspecifieke betekenis moet worden toegekend aan het feit dat professionals en experts ‘geestelijke arbeid’ verrichten onder kapitalistische uitbuitings- en klassenverhoudigen. Is het verrichten van ‘geestelijke arbeid’ zelf al een klasseneigenschap? En welke waarde moet men toekennen aan het feit dat zij binnen de arbeidsorganisatie over een relatief grote autonomie beschikken? (3) Ten derde is controversieel welke relatie er bestaat tussen de strikt individuele arbeidskwalificatie en de diploma’s die mensen verwerven door met succes een bepaalde opleiding te volgen. Wanneer professionals en experts hun eigen waardeproduct kunnen toeëigenen, zijn zij hiertoe dan in staat omdat zij over gekwalificeerde arbeidskracht beschikken, omdat zij over diploma’s beschikken, of omdat zij de toegang tot dit specifieke gedeelte van de opleidings- en arbeidsmarkt controleren? (4) En tenslotte is controversieel welke betekenis moet worden toegekend aan het verschijnsel van professionalisering. Wat is de werking en wat zijn de effecten van deze specifieke sociale sluitingsstrategie van gediplomeerde arbeidskrachten?

Ik wil hier alleen maar laten zien wat de mogelijkheden en problemen zijn van de derde (en mijn inziens meest belovende) benadering, waarin professionals en experts op grond van hun beschikkingsmacht over gediplomeerde arbeidskracht (‘credenties’) worden gesitueerd in een bijzondere tssenklassenposities van niet-proletarische loonarbeiders.

Index


5·1 Een bijzondere tussenklassenpositie

5·1·1 Loonarbeid zonder uitbuiting
Professionals en experts behoren evenals de managers tot de categorie van niet-proletarische loonarbeiders.[63] In de bedrijfsmatige en maatschappelijke hiërarchie staan zij onder de managers, maar boven de eigenlijke loonarbeiders. Zij zijn relatief zelfstandige loonarbeiders die zich evenals de managers in een eigensoortige tussenklassenpositie bevinden: zij staan positioneel echter veel dichter bij de eigenlijke klasse van loonarbeiders en zijn aanzienlijk verder verwijderd van de kapitalistenklasse dan de managers. Wanneer zij als loonarbeiders van particuliere ondernemingen worden aangesteld en betaald, hebben zij meestal een bijzonder arbeidscontract. Anders dan managers eigenen zij geen meerwaarde, maar credentierente toe. Het kenmerkende van hun tussenklassenpositie is dat zij door het kapitaal dat hun arbeidskracht inhuurt particulier wel worden benut, maar dat zij niet door het kapitaal worden uitgebuit.

Onderscheiden leefwerelden
De standaardintuïtie is dat professionals geen proletariërs zijn. Deze intuïtie is niet zozeer gebaseerd op een analyse van de specifieke klassenbelangen van professionals, maar op de alledaagse ervaring.

De proletarische leefwereld wordt gekenmerkt door de positioneel bepaalde ervaring (i) dat men gedwongen is de eigen arbeidskracht te verhuren om in het levensonderhoud te voorzien, (ii) dat men binnen de arbeidsorganisatie een ondergeschikte functie vervult en geen controle over het eigen werk heeft, en (iii) dat men geen enkele invloed heeft op de verdeling van maatschappelijke productieve bronnen.

De leefwereld van professionals wordt daarentegen in het algemeen gekenmerkt door de positioneel bepaalde ervaring (i) dat er buiten de loonarbeid reële alternatieven zijn voor zelfstandigheid en dat daarom de arbeidsmarkt een minder dwangmatig karakter heeft, (ii) dat men binnen de arbeidsorganisatie veel meer controle heeft over het eigen werk, en (iii) dat men op grond van de positie in de bedrijfshiërarchie en -bureaucratie veel meer invloed heeft op beslissingen over de verdeling en het gebruik van productieve bronnen dan gewone loonarbeiders, ook al hebben zij formeel niet de macht om deze bronnen feitelijk toe te eigenen. Vgl. hoofdstuk I, 2·1 en Wright [1989:337].

Professionals en experts zijn dus relatief zelfstandige loonarbeiders die loonarbeid zonder uitbuiting verrichten.[64] Slechts een gering aantal loonarbeiders bevindt zich in deze tussenklassenpositie. Het zijn specialisten zoals juristen, ingenieurs, natuurwetenschappers, systeemananalisten, organisatiedeskundigen, marktonderzoekers en reclamespecialisten, die meestal door grote kapitalistische ondernemers worden aangesteld en in speciale rechtsafdelingen, accountants- en ingenieursbureaus, onderzoeksafdelingen enzovoort samenwerken met andere specialisten met gelijksoortige kwalificaties en met een aantal lager gekwalificeerde assistenten.

Zelfstandigheid
Ik gebruik hier de term ‘zelfstandig’ in aansluiting op analyses zoals die van Edwards [1979], waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen drie segmenten van de arbeidsmarkt: de secundaire, ondergeschikt primaire en onafhankelijke primaire markten.
  1. De secundaire arbeidsmarkt bevat laag betaalde banen met onregelmatig werk, banen die weinig zekerheid en stabiliteit bieden en waarbij de arbeidskrachten gemakkelijk uitwisselbaar zijn. Er is nauwelijks een verband tussen de ene baan en de volgende. Het zijn banen zonder uitzicht op promotie, die weinig kwalificaties vereisen en waarin mensen vrijwillig relatief gemakkelijk van baan veranderen. Omdat ondernemers relatief lage kosten hebben om arbeiders en banen met elkaar te combineren, kunnen zij deze arbeiders gemakkelijk vervangen of ontslaan wanneer dit in de ondernemingsstrategie van pas komt.

  2. De banen in het primaire marktsegment bieden wel enige zekerheid met een tamelijk stabiele werkgelegenheid, hogere lonen en er bestaat enig verband tussen de opeenvolgende banen die een arbeider verricht. De ondergeschikte banen in de primaire sector omvatten m.n. de meer traditionele beroepen van de arbeidersklasse; zij worden gekenmerkt door repetitieve deelarbeid, routinematige en machinegebonden arbeiderstaken die relatief weinig kwalificaties vereisen.

  3. De onafhankelijke banen in de primaire sector daarentegen “typically involve general, rather than firm specific skills; they may have career ladders that imply movements between firms; they are not centred on operating machinery; they typically require skills obtained in advanced or specialised schooling; they often demand educational credentials; they are likely to have occupational or professional standards for performance; and they are likely to require independent initiative or self-pacing” [Edwards 1979:174].

Professionals en experts zijn binnen kapitalistische ondernemingen van uitbuiting gevrijwaard omdat en voor zover zij als gevolg van geslaagde professionaliseringsstrategieën beschikken over schaarse kwalificaties en credenties. Op basis van dit credentiebezit kunnen zij een effectieve claim op meerarbeid leggen in de vorm van credentierente. Credentierente werd al eerder gedefinieerd als de rente die is afgeleid van het vermogen van credentiehouders om de aanvoer van gekwalificeerde arbeidskracht te beperken. Dit betekent dat de inkomens van deze credentiehouders gemengde inkomens zijn waarin naast de reproductiekosten van hun gekwalificeerde arbeidskracht tevens een aandeel credentierente is vervat. De formele loon- of salarisvorm waarin deze rentecomponent wordt ontvangen, verhult het kwalitatieve verschil tussen de reproductiekosten van de gekwalificeerde arbeidskracht en de credentierente. Het salaris van professionele employés die van uitbuiting zijn gevrijwaard, ligt boven de waarde van vergelijkbare, gelijksoortig gekwalificeerde arbeidskrachten.

Compatibiliteit met micro-economische theorieën
Mijn definitie van credentierente is compatibel met de micro-economische theorie van de ‘insiders-outsiders’. Deze benadering vertrekt vanuit het verschil tussen de onderhandelingspositie van gevestigden en buitenstaanders. De basisgedachte is dat de vervanging van een gevestigde loonarbeider door een gelijkwaardig gekwalificeerde buitenstaander voor een onderneming een kostbare aangelegenheid is: er moet een afkoopsom worden betaald voor de ontslagen professional, er moeten advertenties worden geplaatst om een nieuwe arbeidskracht te rekruteren, de nieuwe werknemer moet worden ingewerkt, er worden beginnersfouten gemaakt als gevolg van gebrek aan ervaring enzovoort [Solow 1985] Deze theorie wordt met name gebruikt om een micro-economische verklaring te geven van het voortbestaan van onvrijwillige werkloosheid —zelfs onder voorwaarden van volledige concurrentie [Van Parijs 1989:230] Zij kan echter ook vruchtbaar worden gemaakt voor een analyse van de superieure onderhandelingspositie van professionals en experts, omdat (en voor zover) dezen tot de gevestigden van een professionele gemeenschap behoren.

De hier geformuleerde opvatting over credentierente is ook compatibel met de moderne ‘efficiency wage’ theorie. Deze economische theorie vertrekt niet vanuit het verschil tussen de onderhandelingspositie van gevestigden en buitenstaanders, maar vanuit het feit dat productiviteit wordt beïnvloed door het loonniveau. Het basisgedachte is dat het laagst mogelijke loon (waarvoor buitenstaanders bereid zijn te werken) niet noodzakelijk het meest winstgevende is.

Van Parijs [1989:232] heeft laten zien dat de twee belangrijkste argumenten die hiervoor worden gegeven, corresponderen met twee variaties van deze benadering.

  1. In de zachte of Maussiaanse variant wordt benadrukt dat het winst-maximerende loon hoger is dan het ‘market-clearing wage’, omdat arbeiders die zich door een ondernemer goed behandeld voelen omdat zij een hoger loon ontvangen, deze gift zullen beantwoorden met een tegengift in de vorm van een goede prestatie. Deze door Akerlof [1984] uitgewerkte opvatting is geïnspireerd door Homans [1954].
      Volgens Homans worden door dergelijk arrangementen de loonverschillen als gevolg van individuele kenmerken gereduceerd. Dit impliceert niet alleen dat credentiehouders homogenere belangen krijgen dan de arbeidersklasse, maar ook dat zij daarvan onderscheiden klassenbelangen hebben [Sörensen 1991:79].

  2. In de harde of Hobbesiaanse variant wordt benadrukt dat de optimale loonvoet van een onderneming hoger is dan de ‘market-clearing rate’, omdat door arbeiders meer te betalen dan zij elders zouden kunnen krijgen, hun welwaartsverlies groter zou zijn in geval van ontslag en zij hierdoor worden geprikkeld om efficient te blijven werken en niet in absenteïsme te vluchten. Deze benadering is m.n. uitgewerkt door Malcomson [1981] en Bowles [1985].

Natuurlijk is het mogelijk beide varianten te combineren, wanneer men accepteert dat beide redenen werkzaam kunnen zijn en samen een verklaring geven van het verschil tussen het evenwichtsloon en het ‘market-clearing wage’. De centrale claim van beide varianten van de efficiëntie-loontheorie kan als volgt worden samengevat: “paying as little as possible (the market-clearing rate) for a time unit of labor power (with given skills) generally does not amount to paying as little as possible per unit of labour effectively performed since a higher payment per unit of time may enable the capitalist ... to extract from each unit of labor time a significantly greater amount of actual labor” [Van Parijs 1989:232].

Index


5·1·2 De professionele kennisorganisatie
Er zijn echter meer specifieke redenen waarom professionals en experts binnen kapitalistische ondernemingen een bijzondere positie innemen en een zodanige machts- en onderhandelingspositie kunnen ontwikkelen dat zij als loonarbeiders van het kapitaal toch van uitbuiting zijn gevrijwaard. Deze hebben bijna allemaal te maken met het duale karakter van de professionele organisatie van de kennis, waarin niet alleen een zekere dominantie van technische rationaliteit tot uiting komt, maar ook een structurele onzekerheid.

  1. Formele onderschikking en exit-opties
    Door de aard van de concreet-nuttige arbeid die professionals en experts verrichten, kunnen zij door het kapitaal slechts formeel worden ondergeschikt. De structurele onzekerheid van de professionele organisatie van de kennis en kunde vormt een belangrijke barrière tegen externe interventies, dat wil zeggen tegen pogingen van ondernemers en management om de professionele werkzaamheden inhoudelijk te reguleren. Bovendien kunnen professionals en experts hun arbeid vaak zonder of met een minimum aan eigen werktuigen verrichten. Wanneer de materiële arbeidsmiddelen die zij voor hun werk nodig hebben bescheiden van omvang en waarde zijn, dan zijn professionals en experts niet volledig aangewezen op kapitalisten als eigenaars van hun productiemiddelen. Zij hebben dus levensvatbare opties om hun werkzaamheden zelfstandig te organiseren als niet-kapitalistische dienstverleners in vrije beroepen. Elke professional of expert kan zelf papier, boeken, schrijf-, teken- en rekenwerktuigen aanschaffen en ze als persoonlijke arbeidsmiddelen gebruiken. Voor specialisten die zijn aangewezen op omvangrijke computersystemen en voor natuurwetenschappelijke onderzoekers die zonder geavanceerde laboratoria-installaties niet kunnen werken, zijn deze ‘kleinburgerlijke’ exit-opties echter nauwelijks aanwezig.

    Dualiteit van professionele kennis
    Professionele kennis vertoont een typische dualiteit: de technische structuur ervan is een voorwaarde voor externe interventie, terwijl de onzekerheidsstructuur juist kan worden gebruikt als een barrière tegen externe interventies (van ondernemers, managers of cliënten).
    1. Het technische karakter van professionele kennis omvat alle aspecten waarin ‘het primaat van de waarden van technische rationaliteit’ (Parsons) tot uitdrukking komt. De technische structuur van professionele kennis maakt het mogelijk deze kennis steeds verder te codificeren en te standaardiseren. Dit is echter geen garantie voor de professionele status van een beroep. Naarmate het kennisbestand van een beroep meer wordt gerationaliseerd en overdraagbaar gemaakt, nemen niet alleen de mogelijkheden toe om deze kennis te organiseren, maar ook om deze over te nemen door anderen van buiten dat beroep.

      De professionele status van zo’n beroep kan dus op twee manieren worden ondergraven. Ten eerste kan gesystematiseerde en overdraagbare kennis effectiever worden gefragmenteerd en geroutiniseerd door deze te organiseren binnen een nieuw type productieproces dat minder hoogwaardige kwalificaties vereist. Ten tweede kunnen andere beroepsgroepen pogingen doen een reeds gevestigd professioneel monopolie te ondermijnen.

    2. De structurele onzekerheid van professionele kennis refereert aan de niet formuleerbare aspecten van professionele kennis; de kwaliteiten die noodzakelijk zijn maar die niet in een gecodificeerde of gestandaardiseerde vorm kunnen worden gearticuleerd [Jamous/Peloille 1970 gebruiken hiervoor de term ‘onbepaalheid’ (‘indetermination’), terwijl Johnson 1972,1976 de term ‘structuur der onzekerheid’ gebruikt].

      De structurele onzekerheid van professionele kennis vloeit enerzijds voort uit het feit dat de arbeidskwalificaties van professionals niet zijn beperkt tot louter cognitieve competenties: zij omvatten vanuit de psychologische optiek het geheel van motorische, sensorische en cognitieve kwalificaties, en vanuit de sociologische optiek het geheel van strategische, normatieve, expressieve, communicatieve en organisatorische kwalificaties. Anderzijds is deze structurele onzekerheid het gevolg van het feit dat de cognitieve arbeidskwalificaties niet kunnen worden gereduceerd tot abstracte regelkennis die propositioneel kan worden geformuleerd. Ook en vooral professionals beschikken over een scala van ‘tacit skills’; zij maken gebruik van achtergrondkennis (‘tacit knowledge’) die in de regel impliciet blijft en niet of slechts thematisch en selectief in discursieve kennis kan worden omgezet en gearticuleerd [Wood 1986:7; Bader/Benschop 1988:323; Nonaka 1991].

      De onzekerheidsstructuur van professionele kennis brengt een aantal virtuele aspecten met zich mee die door professionals worden gebruikt om zich tegen externe interventies te beschermen. Een dergelijke onzekerheid is de grondslag waarop professionele ideologieën en legitimaties worden gereproduceerd. De meeste professies worden gekenmerkt door een hoge ‘indetermination/technicality ratio’ (I/T).

        “The I/T ratio expresses the possibility of transmitting by way of apprenticeship, the mastery of intellectual or material instruments use to achieve a given result. This makes it possible to appreciate the limits of this transmissibility; i.e. the part played in the production proces by ‘means’ that can be mastered and communicated in the form of rules (T), in proportion to the ‘means’ that escape rules and, at a given historical moment are attributed to virtualities of producers (I)” [Jamous/Peloille 1970:112].

      Deze dualiteit van de professionele kennis maakt tegenstrijdige interpretaties mogelijk en stimuleert polemieken over de rol en functies van de professies in het kapitalisme. Johnson [1976] heeft in aansluiting op Carchedi [1976] een poging gedaan de processen te analyseren die aan deze dualiteit ten grondslag liggen. Hij legt hierbij een nogal mechanisch direct verband tussen de dualiteit van professionele kennis en de dualistische structuur van de kapitalistische productiewijze als arbeidsproces van gebruikswaarden en als meerwaardevormingsproces. In zijn latere opstel What’s to be known? [Johnson 1977] is hij wat voorzichtiger [zie ook de kritiek van Abercrombie/Urry 1983:77].

  2. Produktiviteitsverhoging en vervangbaarheid
    De arbeidsprestaties van veel professionals en experts kunnen vaak niet wezenlijk worden vergroot door het inzetten van meer gecompliceerde arbeidsmiddelen. Afgezien van een klein aantal routinematige handelingen kan hun levende arbeid niet door machines of computers worden vervangen. De arbeidsprestatie van deze loonarbeiders is daarom voornamelijk afhankelijk van hun individuele kennis, kunde en ervaring en van hun individuele arbeidsmotivatie. Daarom zijn hooggespecialiseerde professionals maar in beperkte mate uitwisselbaar, dat wil zeggen moeilijk vervangbaar door andere arbeiders met gelijke formele kwalificaties. Bovendien brengt dit vervangingsproces relatief hoge kosten voor de onderneming met zich mee [zie de eerdere excursie over Compatibiliteit met micro-economische theorieën].

    Daar staat tegenover dat de relatieve autonomie die veel van deze professionals voorheen op de arbeidsplaats kenden, soms drastisch wordt ingeperkt of uitgehold door reorganisaties die de introductie van textverwerkings-, teken-, reken-, vertaalcomputers en dergelijke begeleiden [zie de bij Braverman 1974 aansluitende discussie over degradatie- en dekwalificatieprocessen: Freeman 1977; Elger 1979; Christis 1983,1988; Wood 1982,1988].

    Dit heeft tevens gevolgen voor hun vervangbaarheid. Door de introductie van moderne technologische apparatuur wordt de arbeid van voormalige specialisten gedegradeerd en hun kwalificatie gedevalueerd. Dit degradatieproces leidt ertoe dat deze categorieën werknemers steeds gemakkelijker en goedkoper kunnen worden uitgewisseld. “The precariousness and dependent status of skill-based privilege is demonstrated nowhere more clearly than when the interests of capital dictate the deskilling of once privileged occupations as a means of increasing the rate of exploitation” [Burris 1989: 164].

    Rationalisering & standaardisatie van programmeerarbeid
    De posities van de credentiehouders worden op uiteenlopende wijze beïnvloed door de rationaliseringsprocessen van de kapitalistische arbeids- en organisatiestructuur. Rationalisering en standaardisering kunnen de klassensituatie van de credentiehouders aanzienlijk transformeren.

    Zo omvatte het programmeren van computers aanvankelijk het hele proces van software voorbereiding. De kapitalistische rationalisering van professioneel programmeerwerk leidde tot een vergaande opsplitsing en standaardisatie:

    • het arbeidsproces werd opgesplitst in systeemanalyse, programmering en codering (en toebedeeld aan aparte beroepscategorieën van systeemanalisten, programmeurs en codeurs);
    • het programmeren zelf werd verder opgesplitst in verschillende fasen waarin minder gekwalificeerde maar meer gespecialiseerde programmeurs aan specifieke sub-routines werken;
    • een verdere verlaging van de productiekosten kon worden bereikt door het gebruik van modificeerbare basisprogramma’s, hogere programmeertalen en programmeermachines.

    Het uiteindelijke resultaat van dit proces is dat er een speciale categorie van topprogrammeurs en software-managers ontstaat, die het arbeidsproces ontwerpen voor minder gekwalificeerde (of semi-professionele) programmeurs. Vgl. Braverman [1974:327-41], Noble [1977], Kraft [1979], Abercrombie/Urry [1983:57 e.v.], Hashagen/Keil-Slawik/ Norberg [2002], Blok/Downey [2003], Glass [2005].

  3. Reële onderschikking en standaardisatie
    Het werk van specialisten kan meestal slechts in zeer beperkte mate worden ontbonden in gestandaardiseerde routines en kan dus moeilijk in deelarbeid worden opgesplitst. Hier stuit de kapitalistische organisatiekunst op de grenzen van het &#creatieve (moeilijk te standaardiseren) karakter van deze mentale arbeid die vaak resulteert in moeilijk reproduceerbare producten (zoals uitvindingen) of zeer complexe individuele diensten (zoals adviezen).

    De professionele organisatie van deskundigheid vormt een barrière tegen pogingen van ondernemers en management om de autonomie van professionals en experts in te perken en hun arbeidstaken systematisch in controleerbare deeloperaties op te splitsen. Dit is overigens niet alleen het gevolg van de structurele onzekerheid van professionele kennis (die als zodanig een ‘frontier of control’ vormt), maar ook van zorgvuldig gecultiveerde professionele beroepscodes en legitimatielegendes.

      Door het lidmaatschap van een professionele gemeenschap worden de competentiesferen waarbinnen een gekwalificeerde profi kan opereren, gelimiteerd. Professionals claimen dat zij toegang hebben tot een esoterisch kennisbestand en dat alleen personen die binnen de erkende professionele institutie zijn opgeleid op dit gebied competent zijn. De technische of inhoudelijke kennis die men tijdens de opleiding leert, is echter niet de enige of de meest belangrijke kennisvorm waarover professionals beschikken. Zij beschikken ook over de ‘virtuele aspecten van het beroep’ (Jamous/Peloille), d.w.z. over “de fundamenten van zijn mystiek, de bronnen van zijn legitimering, de elementen van zijn ideologie die voorwaarden scheppen van onzekerheid of onbepaaldheid en daarmee de grondslag vormen van de monopolistische positie van een professie en van zijn succesvolle weerstand tegen extern gezag — of dat nu het gezag is van de cliënt of enigerlei vorm van heteronoom gezag” [Johnson 1976:99].

    Hieruit kan men echter niet concluderen dat professionals en experts in tegenstelling tot andere loonarbeiders van het kapitaal zijn gevrijwaard van de zegeningen van de moderne vormen van ‘wetenschappelijke bedrijfsvoering’.
    Probleemoplossing is een proces met een open (onbekend) einde en kan daarom uitermate moeilijk door het management worden gecontroleerd. Gespecialiseerde probleemoplossers claimen een relatieve vrijheid van controle en worden in de regel in staat gesteld hun werk relatief autonoom (vrij van directe supervisie) te verrichten. Het toepassen van eenmaal gevonden probleemoplossingen is een proces met een voorspelbaar einde en kan daarom ook gemakkelijk door externe autoriteiten worden gecontroleerd.
    Professionals en experts dragen grotendeels zelf bij aan de standaardisatie van de door henzelf of door beroepsgenoten ontwikkelde concepten, ontwerpen, plannen en uitvindingen en maken het mogelijk deze routine-matig te hanteren. Door deze ‘taylorisatie van de geestelijke arbeid’ worden telkens opnieuw de deskundigen van gisteren de leken van vandaag. De mogelijkheden om het werk van professionals te standaardiseren, variëren uiteraard sterk naar het type creativiteit van deze zelfstandige loonarbeiders.

Index
5·1·3 Posities in het reproductieproces van het kapitaal
Het gemeenschappelijke kenmerk van loonafhankelijke credentiehouders is dat zij als professionals overwegend slechts formeel aan het kapitaal zijn ondergeschikt, dat zij niet of nauwelijks vervangen kunnen worden door machinerie, dat zij slechts in beperkte mate organisatorisch gedisciplineerd kunnen worden en niet willekeurig vervangbaar zijn. Onder deze voorwaarden zijn professionals door hun credentiebezit in staat een effectieve claim te leggen op hun ‘eigen meerarbeid’, dat wil zeggen zij slagen erin om alle arbeid die zij leveren ook betaald te krijgen.

Dit betekent echter nog niet dat zij ook zelf het fonds produceren waaruit hun claim op meerarbeid wordt betaald. Niet alle credentiehouders die als loonarbeiders van het kapitaal functioneren, behoren immers tot de categorie van de waarde en meerwaarde producerende en dus in specifiek kapitalistische zin productieve loonarbeiders.

Kapitalistische ondernemers die professionals of experts inhuren, zijn geïnteresseerd in de concreet-nuttige inhoud en de kwaliteit van hun individuele arbeidsprestatie, en niet in het feit dat zij mogelijk ook waarde scheppen. Wanneer een ondernemers hen als loonarbeiders inhuurt, koopt deze bij voorbaat bijna alle mogelijke arbeidsresultaten die dergelijke specialisten voortbrengen: hun uitvindingen, planningen, marktstrategieën, onderzoeksresultaten, systeemanalyses, organisatie-adviezen, vertalingen enzovoort. Deze arbeidsproducten fungeren meestal slechts als quasi-waren die wel een marktprijs, maar geen waarde hebben omdat er voor dergelijk werk geen regulerende, maatschappelijk gemiddelde of normale arbeidstijd bestaat [Janossy 1966:129 e.v.; Krätke 1984:134].

Daarom is het vooral voor grote kapitalistische ondernemers economisch vaak voordeliger om de uitvinder in te huren dan de uitvinding te kopen [Stinchcombe 1990:ch. 6]. Veel professionals produceren überhaupt geen waren: zij scheppen geen willekeurig reproduceerbare gebruikswaarden, maar leveren niet-herhaalbare unieke prestaties voor eenmalig gebruik. De arbeidstijd die nodig is voor de originele productie van dergelijke gebruikswaarden kan niet of nauwelijks worden genormeerd en staat ook in geen enkele verhouding tot de arbeidstijd die nodig is om eenmaal gevonden probleemoplossingen toe te passen en te herhalen.

  1. Professionals en experts die quasi-waren produceren en wier arbeidstijd niet of slechts zeer indirect kan worden genormeerd, kunnen niet tot de ‘productieve loonarbeiders’ worden gerekend in de klassiek marxistische betekenis van het woord, eventueel wel tot de ‘indirect productieve’ loonarbeiders van het kapitaal [Het onderscheid tussen productieve en indirect productieve loonarbeiders van het kapitaal is eerder uitgewerkt in hoofdstuk VI, § 8.2].

    Niet-uitbuiting van deze credentiehouders betekent dat zij vanwege de bijzondere aard van de gebruikswaarde die zij scheppen, ook hun meerarbeid betaald krijgen. Omdat en voor zover zij geen bijdrage leveren aan het fonds waaruit deze credentierente wordt betaald, is dit slechts mogelijk op kosten van andere loonarbeiders en eventueel op kosten van de klanten (kopers of gebruikers) van de betreffende onderneming. Dit wil echter niet zeggen dat álle ‘indirect productieve’ credentiehouders van uitbuiting zijn gevrijwaard. Evenals de commerciële loonarbeiders kunnen zij door het kapitaal worden uitgebuit wanneer zij slechts worden betaald naar de waarde van hun gekwalificeerde arbeidskracht. Voor de kapitalist leveren zij in dit geval geen meerwaarde, maar wel meerarbeid.

      Loonarbeid voor het kapitaal impliceert altijd toeëigening van meerarbeid, maar deze meerarbeid hoeft niet per sé meerwaarde te produceren. Door de onbetaalde meerarbeid van de commerciële loonarbeiders van het kapitaal worden de circulatiekosten van het kapitaal verminderd. Voor de afzonderlijke commerciële kapitalist is dat een positieve winst, omdat de negatieve barrière van de waarderealisering van zijn kapitaal kleiner wordt [Marx, MEW 24:134; MEW 25:311].

  2. Professionals en experts die als productieve loonarbeiders van het kapitaal fungeren, produceren zelf het fonds waaruit hun meerarbeid wordt betaald. Net zo als andere productieve loonarbeiders produceren zij waarde en meerwaarde. Vrijwaring van uitbuiting betekent hier dat credentiehouders in staat zijn het hele waardeproduct van hun arbeid toe te eigenen, dat wil zeggen dat zij bovenop de reproductiekosten van hun gekwalificeerde arbeid (arbeidsloon in strikte zin) een claim op de door henzelf geproduceerde meerwaarde leggen (credentierente).

    Zoals gezegd zijn echter niet álle productieve professionals en experts van uitbuiting gevrijwaard. Hun arbeidskracht kan evenals de arbeidskracht van andere productieve loonarbeiders door het kapitaal worden uitgebuit. Dit wordt enerzijds mogelijk wanneer de specifieke kwalificatie van bepaalde categorieën professionals en experts minder schaars is of wanneer deze schaarste niet meer door institutionele monopolies van professionele gemeenschappen wordt gegarandeerd, zodat hun controle over de toegang tot deze deelarbeidsmarkt wordt afgezwakt. En het wordt anderzijds mogelijk wanneer management en ondernemers erin slagen de betreffende beroepsarbeid te standaardiseren en op te splitsen in meer routinematige deelarbeid. Al deze processen kunnen ertoe leiden dat de structurele machts- en onderhandelingspositie van professionals en experts wordt afgebroken en dat zij hun op credentiebezit gebaseerde privileges verliezen. In dat geval zouden zij dus waarde en meerwaarde produceren en evenals andere productieve loonarbeiders door het kapitaal worden uitgebuit.

Index


5·2 Credentie-uitbuiting als relatief zelfstandige uitbuitingsvorm
Credentie-uitbuiting is een van kapitalistische uitbuiting onderscheiden, zelfstandige uitbuitingsvorm. In kapitalistische maatschappijformaties is credentie-uitbuiting functioneel in het kapitalistische uitbuitingsmechanisme geïntegreerd en neemt hierdoor een bijzondere vorm aan. De kapitalistische uitbuitingsverhoudingen bepalen de structurele parameters waarbinnen de credentiële uitbuitingsvorm zich ontwikkelt (en dus ook de reeks mogelijkheden van actuele uitkomsten), maar zij leggen de specificiteit van deze uitbuitingsvorm niet vast.

De integratie van de credentiële uitbuitingsvorm in de kapitalistische uitbuitingsvorm komt tot uiting in het feit (1) dat de beschikkingsmacht over credentie-bronnen onder bepaalde voorwaarden een effectieve claim op meerwaarde mogelijk maakt en (2) dat de credentierentes van professionals en experts relatief gemakkelijk in kapitaaleigendom kunnen worden geconverteerd. Deze functionele integratie betekent niet dat credentie-uitbuiting een integraal onderdeel is van kapitalistische uitbuiting, noch dat hierdoor spanningen en mogelijke conflicten tussen beide uitbuitingsvormen zijn uitgesloten.

Het mechanisme van credentie-uitbuiting produceert geen empirische effecten die volledig onafhankelijk zijn van de werking van kapitalistische instituties. De aard en de verdeling van de posities waarin gediplomeerde arbeidskrachten worden gebruikt, worden niet alleen beïnvloed door de aard van de arbeidsmarkt, maar ook geconditioneerd door “the powers and interests invested in the private ownership of the means of production” [Burris 1989:164]. Dit impliceert echter niet dat credentie-uitbuiting geen eigen effecten sorteert. Kortom: in burgerlijke maatschappijformaties is credentie-uitbuiting “deeply structured and constrained by capitalism, but this does not demonstrate that it is no more than an effect or reflection of capitalist exploitation” [Wright 1989:195].

Index


5·3 Credentie-uitbuiting en credentie-minimum
Een cruciale implicatie van mijn analyse van credentie-uitbuiting is, dat er een analytisch onderscheid kan worden gemaakt tussen drie categorieën credentiehouders.

Dit analytische onderscheid tussen categorieën professionals en experts impliceert dat we ons vooral moeten concentreren op twee kwalitatieve omslagpunten: tussen categorie 1 en 2 en tussen categorie 2 en 3. De theoretische definitie van deze kwalitatieve omslagpunten lijkt relatief eenvoudig in vergelijking met de operationaliseringsproblemen waarop men stuit zodra men deze theoretische afbakeningen in empirisch-historisch onderzoek vruchtbaar wil maken. In dit verband wil ik slechts op drie problemen wijzen.

  1. Evenals geld of kapitaal zijn credenties een continue variabele. Dit betekent dat individuen als leden van geprofessionaliseerde beroepsgroepen over incrementeel toenemende delen van deze bron kunnen beschikken [Wright 1989:198]. Wanneer geldbezit een bepaalde drempelwaarde overschrijdt, is de eigenaar in staat zoveel arbeidskrachten in te huren en uit te buiten dat hij feitelijk als kapitalist gaat fungeren. De kwantitatieve verandering vormt hier dus de grondslag voor een kwalitatieve omslag van de maatschappelijke verhoudingen. Hetzelfde geldt voor het bezit van credenties: wanneer het credentiebezit een bepaalde drempelwaarde overschrijdt, is de credentiehouder in staat de aan credentiebezit ontleende privileges om te zetten in credentie-uitbuiting. Het probleem is dus niet zozeer dat er geen kwalitatief relationeel criterium is voor credentie-uitbuiting, maar hoe men dit kwalitatieve omslagpunt empirisch operationaliseert en kwantitatief specificeert. De kwalitatieve demarcatie tussen credentie-privileges en credentie-uitbuiting is immers het (per definitie) relationele verschil tussen het al dan niet toeëigenen van meerarbeid van anderen. Net zo als bij de bepaling van het kapitaalminimum is de essentiële vraag bij credentie-uitbuiting dus hoe het omslagpunt of de drempelwaarde van het benodigde credentiebezit kan worden afgebakend. Ik zal dit omslagpunt het ‘credentie-minimum’ noemen.

    In eerste instantie meent Wright dat de claim dat ‘skill/credential exploitation’ een dimensie van klassenstructuren is, wordt ondergraven door het gebrek aan een kwalitatief relationeel criterium [Wright 1985:85; 1989:198]. Later merkt hij op dat hij zijn operationaliseringsprobleem kan reduceren wanneer hij zijn begrip ‘skill assets’ beperkt tot formele ‘credentialed assets’.
      “Credentials certainly are more dichotomous than skills and they have more the character of a property right. And credentials also have a clear relational quality to them, since the institutions of credentialing have the effect of systematically excluding people from certain labour markets. Credentials thus do constitute the basis of a relation between the credentialed and uncredentialed” [Wright 1989:312].
    Dit betekent echter niet dat er bij het gebruik van credenties als operationeel criterium voor ‘skill-based class relations’ geen problemen meer zouden zijn. Er zijn immers diverse soorten credenties en de credentiesystemen lopen in de verschillende landen sterk uiteen. De kans op willekeur bij de operationalisering van credenties is hierdoor tamelijk groot.
      “At the operational level, there is no clear criterium available to distinguish credentials that are constitutive of a class division from those which are not” [idem].
    Dit is wel waar, maar raakt toch niet de kern. Of het bezit van credenties een klassenspecifieke betekenis of werking heeft, kan m.i. überhaupt niet worden afgeleid van de specifieke aard van deze credenties zelf. Het heeft dus niets te maken met de concrete hoedanigheden van de credenties als zodanig (net zo als de klassenspecifieke eigenschap van geld dat als kapitaal fungeert als zodanig niets te maken heeft met het concreet-nuttige karakter van de objecten waarin dat kapitaal is geïnvesteerd, maar met de vraag of het meerwaardevormend is).

    Het kernprobleem is of we ook empirisch in staat zijn een onderscheid te maken tussen credentiehouders die gevrijwaard zijn van uitbuiting en credentiehouders die anderen uitbuiten. Wright onderkent dat dit een probleem is, maar hij blijft dit probleem verbinden (en verwarren) met de specifieke aard van de credenties en met de mogelijkheid om credenties met elkaar te vergelijken. Dit is waarschijnlijk de reden dat hij geen serieuze poging doet het kwalitatieve omslagpunt tussen credentie-privileges en credentie-uitbuiting te operationaliseren.

    De vraag hoe groot de credentierente moet zijn om te spreken van een exploitatieve transfer van meerarbeid naar credentie-houders wordt wel opgeworpen, maar de beantwoording van die vraag blijft steken in een algemene beschouwing over objectieve en subjectieve arbeidswaardeleer en over de waarde van samengestelde of gekwalificeerde arbeid [Wright 1989:195-6].

    Wright heeft grote problemen om zijn eigen model te operationaliseren. De uitbuiters van de kwalificatiebron worden in feite geoperationaliseerd als werknemers die in het productieproces een meer dan gemiddeld gekwalificeerde arbeidskracht kunnen inzetten. Werknemers met een kwalificatie die onder het gemiddelde liggen, worden uitgebuit; gemiddeld gekwalificeerden nemen een tussenpositie in.

    In wezen deelt Wright de werknemers dus slechts in naar kwalificatieniveau in een hogere, een midden en een lagere groep. Niet elke hooggekwalificeerde werknemer slaagt er echter in een loon te verwerven dat boven het equivalent voor de reproductiekosten van zijn hooggekwalificeerde arbeidskracht ligt. Daarom is —zo concludeert ook Hagelstange [1990:123]— de gelijkstelling van hooggekwalificeerden met kwalificatie-uitbuiters ook in het kader van Wright’s model een ontoelaatbare vereenvoudiging.

  2. Het kapitaalminimum is de geld- of waardesom die nodig is om feitelijk als kapitaal te kunnen fungeren. Onder dit minimum zijn geldbezitters die in arbeidskrachten en materiële arbeidsmiddelen investeren, niet in staat deze arbeidskrachten zodanig uit te buiten dat er sprake kan zijn van kapitaalaccumulatie. Deze minimale omvang van het kapitaal markeert dus de omslag van niet-kapitalistische in kapitalistische warenproductie [Marx, MEW 23:326; vert. 223; MEW 24:261].

    De omvang van dit kapitaalminimum is echter geen vast gegeven of absolute grootte. Er is geen ‘natuurwet’ die voor eens en altijd vastlegt dat dit kapitaalminimum voor de gehele historische periode van de kapitalistische arbeidswijze, in alle landen en voor alle afzonderlijke productiesectoren gelijk is. Het is een maatschappelijk bepaald en dus variabel minimum. Het varieert al naar gelang de ontwikkelingsfase van de kapitalistische arbeidswijze, naar de verschillende landen die zich in een zelfde ontwikkelingsstadium bevinden, en naar de afzonderlijke arbeidssectoren binnen een nationale economie. Mijns inziens geldt dit ook voor het credentie-minimum. Het credentie-minimum is evenmin een vaststaand gegeven. Het varieert niet alleen met de fasen van de kapitalistische ontwikkeling en met nationale of sectorale verschillen, maar ook en vooral met de eenmaal gevestigde credentie-monopolies die het resultaat zijn van voorafgaande (geslaagde) professionaliseringsstrategieën. Dit impliceert in ieder geval dat het specifieke niveau van het credentie-minimum nooit theoretisch kan worden vastgesteld of ‘afgeleid’.

  3. In het empirische onderzoek moet het vormspecifieke verschil tussen loonaandeel en credentierente worden gekwantificeerd. Dit verschil kan alleen worden vastgemaakt aan de hoogte van het inkomen van professionals en experts. Het inkomen van credentie-houders is samengesteld uit arbeidsloon in strikte zin (als betaling van de waarde van hun arbeidskracht) en credentierente (als aandeel in meerarbeid of meerwaarde). Dit verschil kan niet rechtstreeks uit officiële statistieken worden afgelezen. Er moet dus een schatting worden gemaakt van (a) de grens waarboven het inkomen niet meer als betaling van de reproductiekosten van deze gekwalificeerde arbeidskracht kan gelden en van (b) de grens waarboven het inkomen niet meer als de som van de reproductiekosten van de arbeidskracht en de door credentiehouders geproduceerde meerwaarde kan gelden. De eerste grens geeft een indicatie van het markeringspunt tussen loonarbeiders met en zonder credentie-privileges; de tweede grens geeft een indicatie van de demarcatie tussen geprivilegieerde credentiehouders en exploiterende credentiehouders.

Er zijn in principe twee manieren om de omvang van het credentie-minimum empirisch vast te stellen. Ten eerste via de analyse van de verhouding tussen meerarbeid en noodzakelijke arbeid en ten tweede via de analyse van de credentierente waarvan de omvang uitstijgt boven het niveau van de reproductiekosten van de arbeidskracht van credentiehouders (of van vergelijkbaar hooggekwalificeerde arbeidskrachten). Beide methodieken zouden moeten worden beoordeeld op uitvoerbaarheid en mate van nauwkeurigheid.

De claim dat credentie-uitbuiting een aspect van de klassenstructuren in het kapitalisme is, moet niet alleen theoretisch worden onderbouwd, maar ook empirisch worden gedemonstreerd en gedocumenteerd. Elke klassenanalyse mag worden beoordeeld op haar vermogen om theoretische stellingen en hypothesen op transparante en controleerbare wijze te verbinden met operationaliserings- en berekeningsmethodieken, in plaats van heen en weer te fietsen tussen meestal uiterst abstracte klassentheoretische noties en tamelijk willekeurig geponeerde, uiterlijke maatstaven of empirische criteria die instrumenteel op statistische gegevens worden toegepast.

Index


5·4 Tussenklassenposities en objectieve ambiguïteit
Professionals en experts verkeren in de tussenklassenpositie van zelfstandige loonarbeiders wanneer en voor zover zij op basis van hun credentiebezit in staat zijn een effectieve claim op hun waardeproduct te leggen en dus loonarbeid zonder uitbuiting verrichten. Een dergelijke benadering brengt een aantal problemen met zich mee (a) omdat een aantal professionals in staat zijn een deel van hun inkomens te kapitaliseren, (b) omdat hun loopbanen vaak in managementshiërarchieën zijn geïntegreerd en (c) zij levensvatbare opties hebben voor een overgang naar een zelfstandige kleinburgerlijke existentie.

  1. Kapitalisering van credentierente
    Professionals en experts die credentierentes ontvangen zijn in staat een deel van hun inkomen te kapitaliseren. Wanneer zij relatief omvangrijke credentierentes ontvangen, kunnen zij deze immers in kapitalistisch eigendom converteren: in eigendom van onroerende goederen, aandelen, opties enzovoort [Wright 1989:333]. Het bezit van dergelijke eigendomstitels kan een zodanig belangrijke inkomensbron worden dat hierdoor hun tussenklassenpositie wordt gemodificeerd. Zowel in termen van belangen in materiële welvaart als in termen van machts- en heerschappijbelangen hebben professionals die significante spaartegoeden en investeringen accumuleren gemeenschappelijke belangen met de kapitalisten. De dualiteit van hun klassenpositie wordt dus verscherpt doordat deze professionals zowel participeren in kapitalistisch eigendom als hun eigen arbeidkracht verkopen.
      Wanneer professionals of experts vreemde arbeidskracht voor zichzelf willen laten werken, dan moeten zij feitelijke controle hebben over de materiële arbeidsvoorwaarden die daarvoor vereist zijn. Indien zij erin slagen hun discretionaire inkomen productief te investeren in materiële arbeidsvoorwaarden en arbeidskrachten, dan worden zij doodgewone kapitalisten. Bijvoorbeeld wanneer succesvolle software specialisten voor zichzelf beginnen en commerciële programma&#rsquo; op de markt aanbieden dan gaan zij als normale ondernemers fungeren die profiteren van de meerarbeid van hun personeel.

    Professionals kunnen hun credentierente in hun inkomen kapitaliseren, maar zij kunnen deze ook consumeren. Credentierente maakt het in principe weliswaar mogelijk kapitalistisch eigendom te verwerven, maar niet alle individuen zullen ook van deze mogelijkheid gebruik maken. Professionals kunnen hun discretionaire inkomen (dat wil zeggen het inkomen dat overblijft na aftrek van de uitgaven voor de eigen reproductie) ook vertalen in een hogere levensstandaard in plaats van in investeringen. Met name professionals met een zeer hoog niveau van baanzekerheid staan niet onder een systematische dwang hun credentierente te kapitaliseren. Voor de ondernemende kapitalisten is accumulatie een imperatief dat inherent is aan hun klassenpositie (investering en accumulatie zijn noodzakelijke voorwaarden voor hun reproductie als kapitalisten). Voor hoog betaalde employés is er geen vergelijkbaar imperatief om te accumuleren. Hun reproductie is niet afhankelijk van de kapitalisering van hun inkomen.

  2. Fusie van professionele en manageriële tussenklassenpositie
    In de V.S. zijn ongeveer 70% van alle experts feitelijk managers of supervisers [Wright 1989:334]. De relatie tussen professionals en managers in professionele bureaucratieën wordt door Mintzberg [1991:207 e.v.] modelmatig benaderd. Hij wijst er terecht op dat professionals niet alleen hun eigen werk regelen, maar ook proberen collectieve vrijheid van handelen te verkrijgen over de administratieve beslissingen die hen betreffen. Full-time bestuurders kunnen in professionele organisatiestructuren alleen maar macht uitoefenen wanneer het bevoegde professionals zijn en bij voorkeur zijn gekozen door de professionele operators of tenminste zijn benoemd met hun goedkeuring. Dit laatste is uiteraard alleen ideaaltypisch het geval in een zuiver professionele arbeidsorganisatie.
    De loopbanen van experts en professionals zijn vaak in managementshiërarchieën geïntegreerd. Voor veel professionals is het een normaal carrièrepatroon dat zij uiteindelijk toezichthoudende functionarissen en managers worden in de organisaties waarin zij werkzaam zijn. De eigensoortige tussenklassenposite van de professionals en experts wordt hierdoor gemodificeerd omdat de controle over gezagsposities die inherent zijn aan deze managementsposities een aanvullende mogelijkheid biedt om een effectieve claim op meerarbeid van andere producenten te leggen in de vorm van een loyaliteitsrente [hoofdstuk VIII, § 4]. De tussenklassenpositie van deze professionals/managers is gelokaliseerd in twee — in de kapitalistische uitbuitingsvorm geïntegreerde, maar daarvan onderscheiden — uitbuitingsvormen. Dit is de onderliggende ratio van de in aansluiting op Gouldner [1979] door Barbara en John Ehrenreich ontwikkelde stellingen over de ‘professional-managerial class’.

    PCM - Professional-Managerial Class
    De klasse van de professionals en managers bestaat volgens Ehrenreich/Ehrenreich [1979:12] uit “salaried mental workers who do not own the means of production and whose major function in the social division of labour may be described broadly as the reproduction of capitalist culture and capitalist class relations”. Zij analyseren de ‘professional-managerial class’ (PMC) als een aparte klasse die gescheiden is van de oude middenklassen. Zij gebruiken hiervoor twee basisargumenten:
    1. Een klasse wordt gekenmerkt door “a common relation to the economic foundations of society — the means of production and the socially organized patterns of distribution and consumption” [idem:11]. De PMC kan als een aparte klasse worden behandeld omdat zij wordt gekenmerkt door een specifieke functie in de maatschappelijke arbeidsdeling, nl. de functie van reproductie van kapitalistische klassenverhoudingen.

    2. Bovendien is de PMC een klasse omdat zij wordt gekenmerkt door “a coherent social and cultural existence”. Haar leden delen “a common life style, educational background, kinship networks, consumption patterns, work habits, beliefs” [idem].

    Het tweede argument is natuurlijk sterk afhankelijk van het eerste, omdat er talloze andere sociale categorieën bestaan die een coherente sociale en culturele identiteit vertonen zonder dat deze een aparte klasse vormen. Het eerste argument is tegenstrijdig omdat ‘een gemeenschappelijke relatie tot de economische fundamenten van de maatschappij’ niet hetzelfde is als ‘het vervullen van een functie in de maatschappelijke arbeidsdeling’. Bovendien is het specifieke criterium van ‘het reproduceren van klassenverhoudingen’ uitermate rekbaar en daarom ook willekeurig. Waarom zou bijv. de ingenieur die bruggen ontwerpt wel en de arbeider die deze bruggen bouwt niet bijdragen aan de reproductie van de klassenverhoudingen?

    Met hun —uiteindelijk louter beschrijvende, op levenswijze, levensstijl en ideologie geconcentreerde— definitie van de PMC zijn Ehrenreich/Ehrenreich niet in staat de grenzen van de PMC duidelijk af te bakenen. De reden daarvan is dat zij geen analyse maken van de twee tussenklassenposities die zij in de PMC laten fuseren.

    Zie voor uiteenlopende kritieken op deze theorie over de PMC de bundel van Walker [1979]. Vgl. ook Abercromby/Urry [1983:79-83].

    Professionals en experts worden natuurlijk niet allemaal managers, ook al hebben zij loopbanen die in de regel zijn geïntegreerd in de managementshiërarchie. Er kan dus een discrepantie bestaan tussen de karakteristieke carrièrestructuur van professionals als geheel en de specifieke uitkomsten voor individuele professionals.

    De vraag is hoe het karakter van hun individuele klassenpositie moet worden geanalyseerd:

      “Should it be defined by the characteristic career pattern of professionals or by the actual career trajectory of the individual in question?” [Wright 1989:335].

    Goldthorpe [1980:40 e.v.] kiest voor het eerste alternatief. Volgens hem behoren professionals tot een aparte ‘service class’ vanwege de verantwoordelijkheden en het gezag in hun werk, vanwege de toekomstige beloningen die in professionele carrières zijn ingebouwd en vanwege het feit dat hun arbeidsrelatie het algemene karakter heeft van een ‘service contract’.

      Goldthorpe [1982:167-70] sluit aan bij het door Renner [1953] geïntroduceerde begrip van de ‘Dienstklasse’. Zijn ‘dienstklasse’ omvat drie centrale categorieën: (i) de employés in publieke overheidsdienst (civiele ambtenaren), (ii) employés in particuliere economische diensten (administratief personeel, managers, technische experts enz.) en (iii) employés in de sociale dienstverlening.
      Hoewel al deze categorieën geen productiemiddelen bezitten, gaat Renner ervan uit dat zij van de arbeidersklasse onderscheiden moeten worden omdat zij geen productieve arbeid zouden verrichten; zij zouden leven van de meerwaarde die direct of indirect aan de arbeidersklasse wordt onttrokken. Bovendien probeert hij de dienstklasse van de arbeidersklasse te onderscheiden door de nadruk te leggen op het verschil tussen het ‘dienstcontract’ welke de arbeidsrelatie van de leden van de dienstklasse reguleert en het ‘arbeidscontract’ dat voor de leden van de arbeidersklasse geldt. Goldthorpe knoopt aan bij dit laatste onderscheid.

    Een dergelijke beschrijving kan weliswaar kenmerkend zijn voor een deel van de professionals in loondienst, maar er zijn talloze professionals waarvoor een of meer van deze eigenschappen niet gelden. Goldthorpe kent aan individuen klassenposities toe op basis van de voor hun banen kenmerkende carrière- en mobiliteitspatronen en niet zozeer op basis van hun actuele posite in de klassenstructuur.

    Wright’s opvatting is op dit punt niet eenduidig. Enerzijds is hij geneigd de klassenpositie van individuen uitsluitend te definiëren in termen van de actuele individuele situatie. Anderzijds merkt hij op dat professionals en experts die buiten de managementshiërarchie staan tijdelijk zijn ingevoegd in de middenklasse en dat men daarom de meeste professionals en experts die nog geen managementsposities bekleden toch als ‘premanagerial’ kan behandelen: “even if their current jobs are not in managerial contradictory locations, their careers typically are” [Wright 1989:334].

    Mijns inziens kan de klassenpositie van individuen het beste worden gedefinieerd in termen van hun actuele en te verwachten toekomstige situatie. Via toekomstverwachtingen spelen sociale carrièrepatronen een belangrijke rol in de concrete definities die mensen geven van individuele en klassenbelangen.

  3. De schaduwklasse of de exit-opties
    De vraag naar de betekenis van de actuele situatie van individuele professionals en de voor hun tussenklassenpositie typische mobiliteitspatronen, die naar een mogelijke of waarschijnlijke toekomstige klassenpositie verwijzen, is hiermee nog niet afgedaan. De loopbanen van professionals zijn niet alleen in managementshiërarchieën geïntegreerd, maar velen hebben op termijn ook de mogelijkheid zich te verzelfstandigen en zich in ‘de vrije sector’ te vestigen. Anders gezegd: een deel van de professionals heeft een levensvatbare optie om zich te ontworstelen aan loonafhankelijkheid en zich als ‘kleine zelfstandigen’ te vestigen. Daarom kan men met Wright zeggen dat de kleinburgerij de ‘schaduwklasse’ is van employés in veel professionele beroepen.
      De term «schaduwklasse» werd aanvankelijk gebruikt in de analyse van de klassenpositie van getrouwde vrouwen. Hun schaduwklasse is de klassenpositie die zij zouden innemen wanneer hun huwelijk wordt verbroken (door scheiding of overlijden van de echtgenoot).
      Johanna Brenner suggereert dat deze term ook gebruikt kan worden voor bepaalde categorieën kleine ondernemers en kleinburgers. Vanwege het grote aantal faillissementen in kleine ondernemingen heeft een deel van de kleinburgers en kleine ondernemers een proletarische schaduwklasse en een ander deel een professioneel-loonafhankelijke schaduwklasse. Dit is het gevolg van het feit dat de kleinburgerlijke klassenpositie in het kapitalisme een typische temporele onbepaaldheid vertoont die van grote betekenis is voor de rol van kleinburgers in het proces van klassenformatie [Wright 1989:330]. Zie verder: hft. X, § 4·2

    Voor de klassieke ‘vrije beroepen’ zoals artsen en juristen is dit het duidelijkst omdat zij in veel kapitalistische landen al langer een relatief levensvatbare optie hadden om voor zichzelf te beginnen. Ook voor sommige andere professionals geldt dat zij niet gedwongen zijn de eigen arbeidskracht te verhuren in dezelfde zin als dit voor andere leden van de arbeidersklasse het geval is; zij verhuren hun arbeidskracht omdat dit hun voorkeur heeft boven zelfstandigheid. Met name door de expansie van de moderne adviseringspraktijken zijn voor talloze professionals de kansen toegenomen zich te verzelfstandigen of naast hun loonafhankelijke bestaan ook nog een tweede inkomen te verwerven door advieswerk in eigen beheer (in organisatieadviesbureaus, software-huizen en dergelijke). Wanneer dergelijke adviespraktijken toenemen en regelmatiger worden, modificeren zij niet alleen de klassenpositie van de betreffende professionals, maar beïnvloeden zij indirect ook de klassenpositie van de werknemer-professionals die daar niet van profiteren. De beschikbaarheid van dergelijke adviesmogelijkheden beïnvloedt namelijk niet alleen de materiële belangen van professionals in werknemersposities in het algemeen maar ook en vooral de afwegingen die loonafhankelijke professionals maken.

    Wright heeft er terecht op gewezen dat achter dit soort schijnbaar scholastische kwesties serieuze begripsmatige problemen schuil gaan. De gemeenschappelijkheid van een klassenpositie wordt immers gedefinieerd door gemeenschappelijke materiële belangen die relationeel bepaald zijn. Materiële belangen zijn gemeenschappelijke materiële afwegingen (‘trade-offs’) en dilemma’s in de keuzes die mensen maken betreffende materiële welvaart en macht.

      “Working in careers which generate credential rents sufficiently large to enable a person to capitalize their income defines a set of alternatives unavailable to someone whose wages are simply sufficient to cover the costs of reproducing labor power. In a sense, therefore, whether or not the capitalist investments are actually made is a secondary matter; the primary issue is being in a position which makes such investments possible” [Wright 1989:336].

    Door de actuele keuzes die individuen in dergelijke carrières maken, kunnen echter hun materiële belangen in de toekomst veranderen. Twee professionals in identieke carrières, waarvan de een systematisch zijn discretionaire inkomen heeft geïnvesteerd en de ander niet, hebben uiteindelijk divergente klassenbelangen. Een professional of expert die geen manager wordt (door keuze of toeval) of die ervoor heeft gekozen nooit voor zichzelf te beginnen, heeft waarschijnlijk uiteindelijk andere klassenbelangen dan een professional die in de managementshiërarchie opklimt of voor zichzelf begint.

    In dergelijke gevallen hebben we bij het definiëren van de klassenpositie te maken met een zekere mate van onbepaaldheid of objectieve ambiguïteit (Wright). Deze klassenposities zijn ambigu omdat zij niet alleen gestructureerd worden door de actuele plaats die professionals in de uitbuitingsverhoudingen innemen, maar mede afhankelijk zijn van toekomstige toestanden die aan deze posities zijn verbonden (zoals kapitaaleigendom, managersposities, zelfstandigheid). En deze toekomstige toestanden zijn gedeeltelijk afhankelijk van contingente keuzes en gebeurtenissen. Daarom kunnen we deze posities in de klassenstructuur niet alleen karakteriseren als eigensoortige tussenklassenposities (verankerd in tegenstrijdige posities in uitbuitingsverhoudingen), maar bovendien ook als partieel ‘objectief ambigue posities’. Dit kan mede verklaren waarom professionals en experts meestal zo’n hoog niveau van intern ideologische heterogeniteit vertonen: professionals en experts in niet-managementsposities vindt men overal op de ideologische kaart. “The objective temporal indeterminancy of their class location may allow for a variety of relatively contingent social processes that vary considerably among professionals and experts to have a relatively large impact on their ideological orientation” [Wright 1989: 336].

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 06 January, 2017