| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
Albert Benschop
V. Contouren van een transformationele klassentheorie
|
|
| Noten | Literatuur |
|---|---|
Terwijl begrippen kunnen bepalen wat we zien (de reeks van mogelijke observaties) volgt daaruit niet dat zij determineren wat wij wel zien (de actuele observaties binnen die reeks) [Wright 1989:57].
In de volgende hoofdstukken wordt een stelsel van hulphypothesen geformuleerd die deze harde kern van handen en voeten voorziet. Tegelijkertijd worden een serie positieve en negatieve heuristieken geformuleerd die als leidraad fungeren voor verdere theorieontwikkeling.
Aan het begin van de volgende hoofdstukken wordt telkens begonnen met een stelling waarin de hulphypothese beknopt wordt samengevat. Daarna volgen afbakeningen ten opzichte van concurrerende benaderingen. Op die manier wordt duidelijk waarom welke wegen hier niet worden ingeslagen (of zelfs zorgvuldig worden vermeden) om de consistentie van het transformationele programma zo hoog mogelijk te houden.
In de daarop volgende paragrafen worden de methodologische richtlijnen voor verdere theorieontwikkeling gepreciseerd (positieve heuristiek) en wordt het transformationele klassenanalytische verklaringsmodel van historisch vlees en sociologisch bloed voorzien. Ik concentreer mij daarbij vooral op de lastigste problemen die in andere benaderingen onderbelicht zijn gebleven.
In deze drie stappen wordt telkens een nadere invulling gegeven van het begrippenkader en de methodiek van de transformationele klassenanalyse.
In dit hoofdstuk worden de grondslagen van een transformationele klassentheorie uitgewerkt. In de transformationele klassenanalyse wordt de complexe structurering van klassenhandelen in een aantal methodisch opeenvolgende stappen (die hieronder gemotiveerd zullen worden) ontrafeld. De eerste stap is de analyse van de structurering van objectieve klassenposities. Deze wordt uitgewerkt in deel 2 van deze studie. In deel 3 worden de volgende stappen genomen: de structurering van sociale klassen en de structurering van politiek klassenhandelen.
1. Klassen en sociale ongelijkheid |
|---|
1·1 Stelling en afbakening
Klassenverhoudingen vormen een primaire verklaringsgrond voor de sociale structuur en historische dynamiek van samenlevingen, maar zij zijn niet de enige verklaringsgrond. Het antagonisme tussen de maatschappelijke klassen heeft een grote structurerende kracht voor de sociale verhoudingen van een maatschappij. Zowel in traditionele als moderne maatschappijen is dit echter niet de enige splitsingslijn.
In de transformationele klassentheorie wordt serieus rekening gehouden met de effecten van andere ongelijkheidsstructurende maatschappelijke processen op gebieden zoals onderwijs, cultuur en politiek. Zij houdt rekening met andere verklaringsgronden, zoals de tegenstellingen tussen elites, selectieve associaties, prestigegroepen en het hele scala aan ascriptieve splitsingslijnen.
De claim van de transformationele klassenanalyse is:
Het klassenanalytische programma moet enerzijds worden beschermd tegen klassenreductionisme. Klassenreductionisme is het reduceren van de explananda tot die ene verklaringsgrond van de klassentegenstellingen. Van klassenreductionisme is sprake wanneer maatschappelijke structuren en -tegenstellingen, sociale ongelijkheden en conflicten a priori worden gereduceerd tot klassenstructuren en -tegenstellingen of tot klassenongelijkheden en -conflicten. De reductie van sociale structuur tot klassenstructuur, van sociale ongelijkheid tot klassenongelijkheid heeft lange tijd het marxistisch georiënteerde onderzoek geblokkeerd op gebieden als staat, racisme, seksisme enzovoort.
Het klassenanalytische programma moet anderzijds worden beschermd tegen pogingen om het object van klassenanalyse zo vergaand te totaliseren dat het synoniem wordt met het begrip sociale ongelijkheid of sociale structuur. Wanneer het klassenbegrip oeverloos tot alle gebieden wordt uitgebreid, verliest het zijn betekenis als specifieke positionele structuurvorm van ongelijkheid.
|
Frank Parkin grenst zich plichtmatig af van klassenreductionistische benaderingen Hij pleit terecht voor een enkel raamwerk van ideeën en een gemeenschappelijk vocabulaire waarmee het discours over gestructureerde ongelijkheid in al zijn bekende gedaantes gevoerd kan worden [Parkin 1979:42]. Maar Parkin formuleert uiteindelijk zon vaag en alles omvattend begrip van klasse, dat het geen enkele specifieke analytische inhoud meer heeft. Onder Parkins pen vervluchtigt exploitatie tot een relatie van dominantie en onderschikking, op welke sociale basis dan ook [idem:46], en worden klassen bepaald door de primair aangewende machtsstrategie, namelijk door een neerwaarts gericht gebruik van macht [idem: 45]. Dit is het bijna onvermijdelijke resultaat van Parkins poging om andere splitsingslijnen in de klassentheorie te incorporeren. [4] Ook Pierre Bourdieu hanteert een uiterst elastisch klassenbegrip dat praktisch identiek is met sociale ongelijkheid (het omvat alle positionele en allocatieve ongelijkheidsvormen). Omdat hij het klassenbegrip zover oprekt, is het nauwelijks verwonderlijk dat hij klasse opvat als een universeel principe van explicatie en van classificatie [Bourdieu 1979:127]. In hoofdstuk VI, § 1 kom ik hier uitvoeriger op terug. |
De grenzen van de harde kern van het klassenanalytische programma werden vooral duidelijk in recente discussies over racisme, seksisme, (sub)culturele processen en organisationele klassenrelaties. Er zijn verschillende pogingen ondernomen deze grenzen te verruimen en andere verklaringsgronden toe te voegen. Zolang hierbij de oude harde kern gehandhaafd kan worden en vatbaar blijft voor uitbreiding is dit vanuit de negatieve heuristiek gezien geen probleem. Door de verschillende verklaringsgronden van sociale ongelijkheden en collectief handelen op elkaar te betrekken, kan meer helderheid worden verkregen over de verklaringskracht en reikwijdte van het klassenanalytische programma en kunnen tevens de grenzen, de beperkingen duidelijker worden geformuleerd.[5]
Problemen ontstaan pas wanneer met een hoffelijke buiging naar multi-dimensionaliteit aan andere tegenstellingen en verhoudingen zonder meer eenzelfde of gelijkwaardige plaats wordt toegekend als aan klassentegenstellingen en -verhoudingen. Dit gebeurt vooral in de theorie van meervoudige onderdrukking. Hierdoor wordt de analytische kracht van de harde kern aangetast en vertroebeld. Bovendien wordt al bij voorbaat afgezien van de moeilijke taak om het onderlinge verband tussen de diverse verklaringsgronden (tegenstellingen, structureringsprincipes) inhoudelijk-theoretisch te onderbouwen.
|
Onderdrukking is echter slechts een bepaald type van asymmetrische macht welke gekenmerkt wordt door feitelijke dan wel geformaliseerde suprematie en onderschikking, en die niet democratisch gelegitimeerd is of kan worden. In hft. VIII kom ik terug op de theorie-strategische voordelen van een nauwkeurige onderscheiding tussen verschillende structuurvormen van asymmetrische macht. |
1·2·1 Drie strategieën
Hoe kan het onderlinge verband tussen klassenstructuren en andere positionele (bijvoorbeeld eliteposities) en ascriptieve (etnisch-raciale, seksespecifieke, regionale enzovoort) ongelijkheidsstructuren nu het beste worden benaderd? Welke splitsing is primair structurerend of dominant, en waarom?
Het is lastig om op deze vragen een duidelijk niet dogmatisch antwoord te geven. In het algemeen zijn er drie onderzoeksstrategieën denkbaar.[7]
Deze strategie is kenmerkend voor de stratificatiesociologieën die zich uitsluitend of hoofdzakelijk met statusverschillen bezighouden. Zij figureert echter ook als achtergrondgedachte in de eerder genoemde post-marxistische radicale benaderingen waarin het bestaan van meervoudige onderdrukkingen tot hoogste wijsheid wordt verheven. Deze strategie wordt vaak ingegeven door ontevredenheid over verklaringsmodellen waarin wordt uitgegaan van een relatieve autonomie van ascriptieve ongelijkheden ten opzichte van klassenstructuren. Voor de radicale theoretici zijn dergelijke modellen alleen maar meer verfijnde vormen van klassenreductionisme.[8]
Men kan uitgaan van een wisselend primaat: dat wil zeggen men veronderstelt dat de dominantie van splitsingslijnen en ongelijkheden varieert al naar gelang de specifieke maatschappijformatie of de specifieke historische periodes van een samenleving. Er worden hierbij geen algemene theoretische uitspraken gedaan over de relatieve betekenis van klassen- en andere ongelijkheidsstructuren voor het geheel van de sociale levens- en politieke handelingskansen. Hun soortelijk gewicht dient in specifieke maatschappelijke en historische contexten telkens opnieuw empirisch te worden vastgesteld.
Deze strategie werd al duidelijk verwoord door Theodor Geiger:
|
In de marxistische traditie werden al vroeg pogingen gedaan om de geldigheid van deze stelling te beperken. In de zachte variant wordt de geldigheid van de basis-bovenbouw stelling beperkt tot maatschappijformaties waarin de functioneel onderscheiden activiteitsverhoudingen ook empirisch in vergaande mate zijn gedifferentieerd (in functioneel gespecialiseerde instanties, instellingen of organisaties). Hieruit werd door Labriola, Lukacs, Korsch en Horkheimer de consequentie getrokken dat de geldigheid van de stelling beperkt moet worden tot burgerlijke maatschappijformaties waarin sprake is van een scheiding tussen economie, politiek en ideologie. Door het werk van Althusser heeft deze variabilisering van het historisch materialisme een nieuwe functionalistische variant gekregen (Hindess/Hirst, Laclau/Mouffe, Przeworski e.v.a.). De reden voor deze afzwakking van de basis-bovenbouw stelling is dat deze niet wordt opgevat als een functioneel primaat, maar als een stelling over het primaat van empirisch gedifferentieerde instituties, of organisaties. De conclusie die men uit deze discussies kan trekken is deze: Wanneer men de basis-bovenbouw stelling niet als zodanig kan onderbouwen of verdedigen, dan zou men haar moeten opgeven, en geen acrobatische toeren meer moeten uithalen om de stelling alsnog te redden [Bader/Benschop 1988:319].[9] |
Men kan uitgaan van het primaat van een dimensie of splitsingslijn, zoals bijvoorbeeld de klassenstructuur. De derde strategie manifesteert zich niet alleen in de marxistische traditie (geschiedenis als geschiedenis van klassenstrijd), in de elitetheoretische traditie (geschiedenis van de circulatie der elites), in de historiografische traditie (geschiedenis van de strijd tussen de generaties), maar meer recent ook in radicaal-feministische analyses waarin de seksetegenstellingen als allesomvattende en dominante splitsingslijn wordt voorgesteld (geschiedenis van de strijd tussen de geslachten, dialectics of sex[10] ) en in radicaal-etnische analyses waarin dit voor de tegenstellingen tussen etnische groepen wordt beweerd (geschiedenis van de raciale strijd). In al deze stromingen wordt het primaat van één maatschappelijke splitsingslijn gepostuleerd, die bepalend zou zijn voor de ontwikkeling van alle collectieve identiteiten en al het politieke conflicthandelen.
|
Bekende vertegenwoordigers van deze benadering zijn Glazer/Moynihan [1975]. Zij zetten het klassenreductionisme op zn kop: etniciteit wordt beschouwd als een primaire bron van stratificatie en kapitalistische eigendoms- en klassenverhoudingen als een daarvan afgeleide bron. Bovendien veronderstellen zij dat etnische en klassenidentiteit elkaar wederzijds uitsluiten. In werkelijkheid kunnen etnische en klassenidentiteiten ook simultaan optreden en gezamenlijk worden geactiveerd. Het primaat van de raciale of etnische deling boven de klassendeling werd krachtig verdedigd door vertegenwoordigers van het zgn. radicaal-zwarte denken. Racisme wordt daarbij opgevat als een fundamentele eigenschap van de hele blanke populatie en neemt de vorm aan van een allesomvattende (externe of interne) koloniale macht. Zowel theoretisch als politiek bestaan er opvallende parallellen tussen het radicaal-zwarte denken en het radicaal-feminisme:
|
Deze evolutionaire claim moet worden ten eerste worden afgebakend van technologisch deterministische stelling dat de klassenverhoudingen structureel gelimiteerd worden door het ontwikkelingsniveau van de productiekrachten,[12] en dat zij daarom een heel bijzondere interne ontwikkelingslogica zouden hebben.[13] Ten tweede moet deze claim expliciet worden ontkoppeld van het idee dat klassenstructuren één traject van maatschappelijke verandering vastleggen. Klassenstructuren bepalen slechts de demarcatielijnen in de trajecten van maatschappelijke verandering. Wright formuleert dit als volgt.
Ook al heeft men de evolutionaire claim afgebakend van een technologisch determinisme en een teleologische bestemmingsleer, dan heeft men nog geen antwoord op de vraag waarom klassenstructuren de globale of kwalitatieve parameters van maatschappelijke veranderingsprocessen zouden bepalen. Integendeel, de vraag waarop deze gereviseerde evolutionaire claim uiteindelijk is gebaseerd, wordt hiermee vooralsnog alleen maar scherper gesteld. Wanneer men hierop geen duidelijk antwoord kan geven dan kan men de stelling van het klassenprimaat maar beter verlaten.
Een antwoordstrategie kan zich op een (combinatie) van de volgende drie proposities concentreren.
Als men de algemene evolutionaire claim laat vallen dan kan men altijd nog besluiten de geldigheid van deze claim te beperken tot kapitalistische klassenformaties. Dit is de ratio achter pogingen zoals die van Becker [1989:127 e.v.] om a certain specificity of class te motiveren vanuit de structurele dynamiek van de verhouding tussen loonarbeid en kapitaal, zonder a priori uit te gaan van een verklarend primaat van klasse. Beckers argumentatie is echter nogal labiel. Enerzijds stelt hij dat de structurele tegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal waarschijnlijk de meest systematische en universele bron van splitsingen en strijd in kapitalistische maatschappijen is. Anderzijds verwerpt hij de claim dat klassenposities enige specifieke verklarende kracht hebben of dat variaties in kapitalistische klassenstructuren noodzakelijkerwijs relevant zijn voor de verklaring van variaties in de geschiedenissen van kapitalistische maatschappijen. Dit is hetzelfde als argumenteren voor het belang van het abstracte begrip van klassenstructuur terwijl men het nut van daarmee corresponderende concrete, micro-niveau begrippen van de klassenstructuur verwerpt [Wright 1989:313].
De structuurtheoretische claim is dat klassenstructuren niet alleen de fundamentele grenzen stellen aan de mogelijkheid van klassenformatie, klassenbewustzijn en klassenstrijd, maar dat zij tevens het centrale organisatieprincipe zijn voor de maatschappij als geheel:
Los van het functionalisme kan de structuurtheoretische claim als volgt worden geformuleerd: klassenverhoudingen bepalen de structurele parameters waarbinnen de andere ongelijkheidsverhoudingen (zoals sekseverhoudingen, etniciteit of nationaliteit) zich ontwikkelen, maar zij leggen de specificiteit van deze verhoudingen niet functioneel vast.[17] Daarmee is de claim geponeerd, maar nog niet gefundeerd. De onderbouwing van deze claim vereist een specifieke argumentatie.
Er circuleren er twee soorten argumenten.
Dit laatste is echter geenszins evident. Andere typen van asymmetrische macht (onderdrukking, discriminatie en uitsluiting) zijn immers niet a priori zachter dan exploitatieve macht. Uitbuitingsverhoudingen kunnen zo zacht en verbrokkeld zijn dat zij nauwelijks merkbaar doorwerken in de bewustzijns- en handelingsstructuur van de actoren. Omgekeerd kunnen bepaalde vormen van onderdrukking, discriminatie en uitsluiting zo hard en massief zijn dat zij het maatschappelijk en politiek gebeuren in alle uithoeken overheersen.
Als we dit argument ontdoen van zijn iets te sterke en reducerende concentratie op materiële bronnen, dan komt een plausibeler onderbouwing in het vizier: het primaat van klasse is gebaseerd op het feit dat klassenverhoudingen de toegang tot verschillende soorten maatschappelijke bronnen en daarmee tot het meerproduct structureren; zij bepalen daarom niet alleen de grenzen van de handelingsmogelijkheden van verschillende klassen, maar ook van de groepen die bepaald zijn door hun positie in andere maatschappelijke ongelijkheidsstructuren.[18]
Of dit argument daadwerkelijk voldoende en afdoende is, zal hier niet verder worden onderzocht. Uiteindelijk worden alle beweringen over het primaat van de klassenstructurering voor het geheel van de objectieve levensposities pas zinvol wanneer zij in empirisch onderzoek vertaald kunnen worden.
|
Giddens legt in aansluiting bij Marx een sterke nadruk op de historische bijzonderheden van de kapitalistische klassenverhoudingen. De sleutelpositie van de kapitalistische klassenverhoudingen vloeit voort uit het feit dat onder de voorwaarden van loonarbeid en kapitaal de klassenuitbuiting een integraal onderdeel wordt van het arbeidsproces. In tegenstelling tot andere maatschappijformaties penetreren in het kapitalisme uitbuiting en klassenheerschappij pas systematisch en duurzaam direct in het arbeidsproces. In het kapitalisme kan het surplus zuiver economisch worden gedefinieerd omdat het economische hier op specifieke wijze significant wordt als a medium of power [idem:111].[19] Hierdoor wordt het kapitalistische arbeidsproces een plaats van chronische en alledaagse klassenconflicten met zeer uiteenlopende uitdrukkingsvormen en nieuwe wijzen van exploitatieve controle. Omdat de klassenverhouding direct in het arbeidsproces is verankerd, wordt zij bepalend voor de dynamiek van kapitaalvermeerdering en -accumulatie. De kapitalistische vorm van het arbeidsproces toeëigening van meerarbeid in de vorm van meerwaarde maakt deze als uitbuitings- én accumulatieproces tot centrale drijfkracht van de maatschappelijke ontwikkeling. Het centrale verklaringsprincipe van de klassenanalyse wordt dus beperkt tot kapitalistische maatschappijformaties: de sociale structuren van kapitalistische maatschappijen en hun veranderingen kunnen alleen adequaat worden begrepen, verklaard of geduid, wanneer zij in verband worden gebracht met kapitalistische klassenverhoudingen, waarin uitbuitings- en accumulatieprocessen verenigd zijn. Klassenanalyse is (als theoretische verklaringsprincipe) de kern van de kapitalisme-analyse. Giddens argumentatie om de sociaalhistorische reikwijdte van de klassenanalyse te beperken tot kapitalistische formaties is echter niet overtuigend. Een dergelijke beperking is alleen plausibel als men zou kunnen aantonen dat exploitatie in de zin van toeëigening/onteigening van meerarbeid alleen in directe arbeidsprocessen mogelijk is en dat deze directe uitbuiting zich alleen in het kapitalisme voordoet. De mechanismen van uitbuiting die relevant zijn voor structurele uitbuitingsrelaties worden uitvoerig behandeld in hoofdstuk VII. |
2. Klassenhandelen en klassenstructuur |
|---|
2·1 Stelling en afbakening
Net als alle andere vormen van sociale ongelijkheid worden klassenongelijkheden gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd door individueel en collectief sociaal handelen. Dit handelen wordt op zijn beurt weer op meervoudige wijze gestructureerd door de bestaande klassenverhoudingen.
Klassenhandelen wordt structureel bepaald (gelimiteerd en geselecteerd) door sociale klassenstructuren, maar tegelijkertijd worden deze structuren door klassenhandelen gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd. Klassenhandelen wordt dus niet eerst door klassenstructuren bepaald, die daarna door dit klassenhandelen worden gereproduceerd of getransformeerd.
In de transformationele benadering worden klassenstructuur en klassenhandelen niet als uiterlijk naast elkaar staande of op elkaar volgende elementen behandeld. Zowel logisch als historisch veronderstellen klassenstructuur en klassenhandelen elkaar. Het analytische referentiepunt van een realistische klassenanalyse is niet klassenstructuur of klassenhandelen, maar de sociale structurering van klassenhandelen.
Deze stelling impliceert een afbakening ten opzichte van actionistische en structuralistische benaderingen [zie eerder Hft. III, § 2·2]. Handelings- en structuurtheoretische klassenbenaderingen worden in de regel als twee exclusieve alternatieven tegenover elkaar gesteld: structuralisten versus actionisten. Daarbij wordt meestal verondersteld dat er een misschien wel principiële kloof bestaat tussen de logica van structurele klassenposities (zoals deze in theoretisch-sociologische analyses naar voren komt) en de logica van collectief handelen van sociale klassen (welke in empirisch-historische beschouwingen en politicologische conflictanalyses zichtbaar wordt). De premisse is dus dat klassenstructuur en klassenhandelen elkaar op logisch niveau niet veronderstellen, maar naast elkaar bestaan of extern zijn verbonden.
De bezwaren tegen structuralistische benaderingen zijn bekend: actoren worden slechts behandeld als dragers of personificaties van (economisch of breder bepaalde) structurele posities, individuen worden tot klassenindividuen gereduceerd (de dimensies van het persoonlijke individu worden niet meer gethematiseerd; individuen verschijnen slechts als structurele zombies), klassenverhoudingen worden in de regel slechts op het hoogste abstractieniveau van de productiewijze en maatschappijformatie gethematiseerd (er wordt geen aandacht besteed aan organisationele en interactionele structurering van klassenverhoudingen), er wordt een uiterst eenzijdig en gereduceerd beeld gegeven van de niveaus van handelingsstructurering (zowel de duurzaamheid van de binding aan klassenposities, de klassenspecifieke habitus, levensstijlen als handelingsoriëntaties van klassenactoren vallen volledig buiten het referentiekader en worden in ieder geval niet als relatief zelfstandige structureringsniveaus gethematiseerd) en het empirische klassenhandelen wordt tenslotte verklaard met behulp van te eenvoudige en te gesloten modellen van structurele causaliteit.
De actionistische benaderingen zijn hiervan in een bepaald opzicht het spiegelbeeld: strong on action, weak on institution. In actionistische of handelingstheoretische benaderingen worden klassen uitsluitend of hoofdzakelijk geanalyseerd in termen van een of andere specifieke gedragswijze of handelingsstrategie.
In het algemeen kunnen er twee bezwaren tegen deze benadering worden ingebracht. (i) In actionistische benaderingen wordt het hele probleem van de sociale gestructureerdheid van klassenhandelen naar de achtergrond verschoven. Soms wordt deze gestructureerdheid helemaal niet meer gethematiseerd en wordt elk begrip van een objectieve klassenstructuur verlaten, en meestal als objectivistisch of structuralistisch afgedaan.[21] Daarbij wordt verondersteld dat klassen voorafgaande aan het (politieke) handelen niet gestructureerd zijn, maar louter effecten van strategieën van collectieve actoren (en met name van partijen).[22] (ii) De meeste auteurs die voor een of andere (of voor dé) handelingstheorie kiezen, denken hiermee de dichotomie tussen klasse an sich en klasse für sich, tussen de logica van een structurele analyse van klassen en de logica van collectief klassenhandelen te overwinnen. De kloof of spanningsverhouding tussen systeem en handelen, klassenpositie en klassenhandelen, klasse an sich en klasse für sich wordt in actionistische benaderingen echter niet theoretisch opgelost, maar eenvoudig verschoven. In actionistische klassendefinities en -theorieën wordt het probleem van (de voorwaarden van) politiek klassenhandelen volledig gedelegeerd naar een hiervan gescheiden theorie van collectief handelen (zoals bij Parkin, Touraine).[23]
|
|
|
In de zuivere handelingstheoretische benadering worden klassenactoren en -beweging in het centrum van de analyse gesteld. Maatschappelijke verhoudingen worden primair of exclusief gethematiseerd als normatief georiënteerde interacties tussen tegenstanders op een cultureel veld waarin tegengestelde interpretaties bestaan. Het klassenbegrip wordt geherdefinieerd in termen van een algemene theorie van sociaal handelen; het wordt losgemaakt van economische mechanismen (zoals kapitaalaccumulatie), structurele contradicties (exploitatie) en van gevestigde klassenbelangen. De verhoudingen tussen klassen worden abstract beschreven als een relatie tussen degenen die historiciteit identificeren met hun eigen belangen en degenen die proberen weer controle over historiciteit te verkrijgen. De klassenverhoudingen van elk systeem van historisch handelen worden dus geconstitueerd door een strijd over #145;historiciteit. Klassenstrijd en sociale beweging zijn synonieme uitdrukkingen voor de bewuste contestation die geïmpliceerd is in de zelfproductie van de maatschappij. De sociologie daction stelt klassenstrijd in het centrum van het functioneren van een maatschappij en van het proces waardoor een maatschappij wordt gecreëerd (het primaat van de diachronische as van analyse; de synchronische systeem, structurele contradicties as wordt genegeerd). Touraine maakt een onderscheid tussen sociale strijd (sociale beweging, klassenstrijd) en politieke actie. Sociale bewegingen zijn het proces waardoor sociale groepen zichzelf en hun sociale identiteiten constitueren; zij vechten het hiërarchische stratificatiemechanisme en de geïnstitutionaliseerde normen van een gegeven maatschappelijke orde aan. Sociale bewegingen worden primair opgevat als de creatieve bron van nieuwe normen en nieuwe identiteiten. Het object van een (partijdige) maatschappijtheorie is de articulatie van het potentieel en de dynamiek van klassenstrijd. Sociale bewegingen vergroten de autonome sociale ruimte van de burgerlijke maatschappij (opgevat in zuivere handelingstermen). De bezwaren tegen deze benadering kunnen in vier punten worden samengevat. (1) De spanning tusen systeem en klasse, orde/verandering en sociale beweging wordt door Touraine niet opgelost, maar simply displaced by action theory [J.L. Cohen 1982:215]. (2) Het beeld van de klassenverhoudingen is net als bij Parkin zeer simpel: er zijn slechts twee en niet meer dan twee opponerende maatschappelijke klassen. (3) De actie-theorie kan geen antwoord geven op de vraag: hoe kan de eenheid van klassenstrijd die aan de diversiteit/heterogeniteit van contestaties/protesten binnen een maatschappij ten grondslag ligt geïdentificeerd worden? (4) De actie-theorie is normatief steriel: zij biedt geen basis of richtpunt om de ene sociale beweging te verkiezen boven een andere. |
Voor een klassenanalytisch theorie- en onderzoeksprogramma is het daarom van het grootste belang dat er gebroken wordt met de kunstmatige tegenstelling tussen handelings- en structuurtheoretische benaderingen die dit veld al zolang hebben bezet. Enerzijds vereist dit kritiek op de gemeenschappelijke vooronderstellingen van structuralisten en actionisten.[28] Anderzijds betekent dit dat er een derde weg gevonden moet worden waarmee de inmiddels bekende lacunes in de klassenanalyse op een systematische manier kunnen worden opgevuld.
Het transformationele model van handelingsstructurering biedt hiervoor de beste mogelijkheden.[29] De hoofdlijnen van deze benadering kunnen in twee punten worden samengevat.
Dit betekent enerzijds dat klassenstructuren geen van klassenhandelen onafhankelijk bestaan hebben: klassenstructuren worden principieel opgevat als structuren van klassenhandelen van leden van eenzelfde klasse en tussen leden van verschillende klassen. Klassenstructuren zijn zowel het medium als de uitkomsten van een proces van structurering, dat wil zeggen van de productie en reproductie van klassenpraktijken in tijd en ruimte. Klassenstructuren bestaan alleen voor zover zij voortdurend in tijd en ruimte ge(re)produceerd worden door en in het klassenspecifieke handelen van individuen.
|
|
Individuen blijven de enige bewegende objecten in klassenverhoudingen; daarom kan niet worden geabstraheerd van de motieven en redenen welke individuen in staat stellen in het sociale klassenleven te participeren. Klassenstructuren bestaan alleen in en door de handelingen die zij reguleren (mogelijk maken en beperken). Klassenstructuren kunnen net als magnetische velden slechts worden waargenomen in hun effecten, dat wil zeggen in de wijze waarop zij het klassenhandelen van actoren structureren. Klassenstructuren bestaan slechts in hun actuele of potentiële effecten op menselijk handelen.
Anderzijds bestaat het klassenhandelen van actoren niet onafhankelijk van klassenstructuren: het klassenhandelen van actoren wordt principieel opgevat als door klassenstructuren bepaald handelen. Het actuele klassenhandelen van individuen en groepen wordt structureel gelimiteerd door tijd-ruimtelijk gesedimenteerde (geobjectiveerde en relatief sociaal gestabiliseerde) klassensystemen. De diachronische en synchronische gelijktijdigheid van klassenstructuren en klassenhandelen kan het meest pregnant worden uitgedrukt in het begrip handelingsstructurering. Het kennisobject van een transformationele klassentheorie is klassenspecifieke handelingsstructurering.
De mogelijkheden van dit heuristische model zullen in de rest van dit boek nog uitvoerig aan de orde komen. Ik zal proberen aannemelijk te maken en te demonstreren dat met hulp van dit model een betere, meer consistente en gedifferentieerde klassentheorie geconstrueerd kan worden. Alle tot nu toe bekende theorieën lijden in zekere zin aan hetzelfde euvel: zij zijn ondercomplex omdat zij feitelijk te zeer zijn geconcentreerd op één of slechts een aantal niveaus of mechanismen van klassenstructurering en omdat het (meestal impliciet veronderstelde) structureringsmodel veel te ongedifferentieerd is. Ik zal bovendien aannemelijk proberen te maken dat dit model van handelingsstructurering gebruikt kan worden om een aantal knelpunten in het empirische en historisch-vergelijkende onderzoek naar klassenverhoudingen en processen van klassenformatie op te lossen. Om deze beide claims waar te maken zal ik in de eerste plaats de genoemde structureringsniveaus zo duidelijk mogelijk van elkaar afbakenen. Hierdoor wordt het enerzijds mogelijk het totale proces van klassenstructurering op te splitsen in een aantal mechanismen die vervolgens afzonderlijk onder de loupe genomen kunnen worden: processen van exploitatie (constitutief voor het ontstaan van uitbuitingsposities), processen van stabilisatie van uitbuitingsposities (constitutief voor het ontstaan van klassenposities), processen van allocatie van individuen op klassenposities (constitutief voor het ontstaan van sociale klassen), processen van socialisatie van leden van sociale klassen (constitutief voor het ontstaan van klassenhabitus en klassenspecifieke levensstijlen), processen van articulatie van klassenspecifieke doelen (constitutief voor het ontstaan van klassenbewustzijn) en processen van organisatie en mobilisatie (constitutief voor het ontstaan van politiek klassenhandelen).[33] Anderzijds wordt het hierdoor mogelijk de telkens specifieke resultaten van deze klassenconstitutieve mechanismen die hiervoor tussen haakjes kort zijn aangeduid duidelijk van elkaar te onderscheiden. In de tweede plaats zal ik een aantal hypothesen formuleren met betrekking tot de verbindingen tussen deze niveaus, mechanismen en resultaten van handelingsstructurering.[34]
Schema 7: Model van transformationele klassenanalyse
| Abstractieniveaus en analyse-eenheden | Niveaus waarop klassenhandelen en klassenstructuren worden geanalyseerd. |
| Structureringsniveaus van klassenhandelen | Niveaus waarop klassenhandelen is gestructureerd. |
| Niveaus van handelingsintegratie | Niveaus waarop klassenhandelen wordt geïntegreerd. |
| Mechanismen van generatie, stabilisatie en garantie | Mechanismen waardoor klassenstructuren worden gegenereerd, gestabiliseerd en gegarandeerd, of waardoor zij juist worden gedestabiliseerd en getransformeerd. |
3. Integratieniveaus van klassenhandelen |
|---|
3·1 Stelling en afbakening
Klassenposities en sociale klassen worden primair gedefinieerd in termen van structurele posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen en niet als heerschappijposities binnen (arbeids-)organisaties of als interactieposities binnen de directe sociale relaties. Heerschappijposities en interactieposities worden door klassenposities gestructureerd en niet omgekeerd. Klassenposities en sociale klassen kunnen niet gereduceerd worden tot heerschappijposities in organisaties of tot ongelijke interactieposities, en kunnen van daaruit ook niet worden gedefinieerd en verklaard. Voor het ontwerp van een transformationele klassentheorie wordt er methodisch van uitgegaan dat het hogere integratieniveau het lagere niveau structureert, maar niet volledig vastlegt.
In deze stelling ligt in de eerste plaats een afbakening besloten ten opzichte van elite- en conflicttheoretische benaderingen waarin klassen uitsluitend of primair worden gedefinieerd in termen van heerschappij- of gezagsposities binnen organisaties.
In de tweede plaats impliceert deze stelling een afbakening ten opzichte van symbolisch-interactionistische en ruiltheoretische benaderingen waarin klassen uitsluitend of primair worden opgevat als interactieposities binnen netwerken van sociale relaties of directe contacten.[35]
In de derde plaats ligt in deze stelling een afbakening besloten ten opzichte van synthetische benaderingen waarin voor de identificatie van klassenposities en klassen zowel maatschappelijke, organisationele als interactionele aspecten worden gehanteerd. Het gebruik van gecombineerde criteria is bijvoorbeeld kenmerkend voor de aanpak van Bourdieu, die overigens wel een duidelijk onderscheid maakt tussen het interactionele en maatschappelijke niveau van handelingsintegratie, maar het organisationele niveau buiten beschouwing laat [Bourdieu 1989:143].
Ten vierde ligt in deze stelling een afbakening besloten ten opzichte van benaderingen waarin bij de afbakening van klassenposities en klassen uitsluitend aandacht wordt besteed aan posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen en de betekenis van macht en heerschappij in arbeidsorganisaties wordt genegeerd. John Roemer,[36] de marginalistische economen en zeer veel neo-weberianen behandelen de uitbuitingsrelaties in kapitalistische arbeidsverhoudingen uiterst gereduceerd. Dit is een van de redenen waarom ik de definitie van klassenposities niet uitsluitend tot het maatschappelijke niveau zal beperken.
Ten vijfde impliceert deze stelling een afbakening ten opzichte van structureel-deterministische benaderingen (waarin op de lagere integratieniveaus geen handelingsspeelruimtes meer overblijven) en handelingsvoluntaristische benaderingen (waarin wordt voorbijgegaan aan de structurele begrenzing van handelingsmogelijkheden op lagere integratieniveaus). Deze beide benaderingen negeren of verabsoluteren de speelruimtes voor en de eigensoortige dynamiek van organisatorische en interactionele structureringen.
Ten zesde impliceert deze stelling een globale en een specifieke afbakening binnen de marxistische traditie. De meest systematische constructies van het klassenbegrip in de marxistische traditie waren bijna altijd op een hoog abstractieniveau geformuleerd en beperkten zich in de regel tot het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie. De interventies van de elitisten (in het voetspoor van Pareto, Mosca en Michels) en de managerialisten (in navolging van Burnham) hebben tot gevolg gehad dat het probleem van de organisationele klassenverhoudingen in de marxistische traditie wel wordt onderkend (Low-Beer, Scott, Clegg/Dunkerley, Salaman), maar hebben nog niet geleid tot een systematische integratie van het organisationele niveau in de klassentheorie.[37]
Wat hierbij in het bijzonder ontbreekt is een gedetailleerde, niet-reductionistische analyse (i) van de wijze waarop maatschappelijke klassenverhoudingen de heerschappijposities in arbeidsorganisaties structureren (limiteren en mogelijk maken), (ii) van de relatief autonome betekenis van deze organisationele klassenrelaties, en (iii) van de voorwaarden waaronder actoren op dit lagere integratieniveau zodanig anders kunnen handelen, dat zij de parameters van het hogere integratieniveau kunnen transformeren. Hetzelfde kan gezegd worden van de interactionele aspecten van klassenverhoudingen. Hoewel Weber zijn begrip van verwervingsklasse op het maatschappelijk niveau van handelingsintegratie formuleerde, spelen in zijn slecht gedefinieerde begrip van sociale klassen ook interactionele aspecten een rol.[38] Deze werden vervolgens door Schumpeter [1927], Warner [1945], de daarop aansluitende gemeenschapsstudies en in de symbolisch-interactionistische en ruiltheoretische benaderingen tot kern van hun klassendefinities gemaakt.[39]
Al deze interventies hebben binnen de marxistische onderzoekstraditie wel geleid tot een verscherpt probleembewustzijn van de betekenis van interactionele klassenverschijnselen (Wright, Bourdieu), die in marxistische geschiedschrijving natuurlijk al sinds Marx lang en breed geanalyseerd werden, maar niet tot een systematische integratie van deze problematiek in een naar aggregatieniveaus gedifferentieerde klassentheorie. De specifieke lacunes die dit met zich meebrengt, kunnen op analoge wijze worden geformuleerd zoals zojuist voor het organisationele aspect is gedaan.
Een eerste bezwaar tegen de benadering van Wright is dat hij slechts twee niveaus van handelingsintegratie of -aggregatie onderscheidt en het organisationele niveau niet systematisch in zijn theorie integreert. Dit is des te merkwaardiger omdat hij erop staat dat the analysis of domination should be systematically linked to exploitation [Wright 1989:304] en in zijn typologie van uitbuitings- en klassenposities een aparte plaats heeft ingeruimd voor organizational exploitation [Wright 1985:78; 1989:310]. Een tweede bezwaar betreft de terminologie waarin Wright het onderscheid tussen de aggregatieniveaus van klassenhandelen probeert te denken. Het denken in termen van macro- en microniveaus heeft al veel langer het nadeel dat het wordt geassocieerd met het onderscheid tussen abstract en concreet (en dus zoals gezegd verward wordt met de abstractieniveaus waarop de structurering van klassenhandelen geanalyseerd kan worden) en dat het bovendien wordt geassocieerd met het onderscheid tussen abstracte structuren en concreet handelende individuen (waardoor de hele ratio van de analyse van handelingsstructurering, die juist wil breken met de dichotomie van structuur versus handelen, van structuurtheorie versus handelingstheorie, alsnog wordt ondergraven). Als men ondanks deze bezwaren toch wil vasthouden aan het onderscheid tussen het micro- en macroniveau, zou men van de nood nog een deugd kunnen proberen te maken door tussen deze niveaus ook nog een mesoniveau in te voegen. |
Voor de klassenanalyse zijn de maatschappelijke arbeidsverhoudingen in de brede zin van het woord [zie hoofdstuk VI, § 2] het meest omvattende sociale systeem van alle klassenspecifieke handelingen en handelingscontexten die feitelijk en communicatief op elkaar zijn betrokken. De in en door deze arbeidsverhoudingen gestructureerde klassenposities kunnen niet tot ongelijke organisatie- en interactiekansen worden gereduceerd en kunnen van daaruit ook niet worden verklaard. Heerschappijposities en interactieposities worden dus door in exploitatieve arbeidsverhoudingen verankerde klassenposities gestructureerd en niet omgekeerd. Hierop is de stelling gebaseerd dat klassen primair in termen van uitbuitingsposities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen gedefinieerd moeten worden.
Op dit tussenniveau van handelingsintegratie zijn de klassenspecifieke handelingen feitelijk en communicatief op elkaar betrokken via de geformaliseerde regels welke voortvloeien uit het lidmaatschap van een arbeidsorganisatie; de grenzen van deze handelingen en communicaties worden bepaald door de aard en de specifieke eigenschappen van het lidmaatschap. De kansen voor illegitieme heerschappij en onderdrukking in geformaliseerde arbeidsorganisaties worden weliswaar voorgestructureerd door de maatschappelijke arbeidsverhoudingen, maar kunnen hiertoe niet worden gereduceerd en kunnen van daaruit ook niet volledig worden afgeleid.
Historisch gezien heeft de toenemende betekenis van geformaliseerde organisatieposities en -structuren er juist toe geleid dat handelingen en communicaties in arbeidsorganisaties zich tot op bepaalde hoogte kunnen losmaken van de daaraan ten grondslag liggende (dat wil zeggen structureel veronderstelde en logisch niet chronologisch! voorafgaande) maatschappelijke klassenstructuren.[42]
Posities in arbeidsorganisaties die het mogelijk maken om democratisch illegitieme heerschappij (=onderdrukking) uit te oefenen zijn de grondslag voor eliteposities en niet voor klassenposities.[43]
De uitoefening van illegitieme heerschappij kan echter gemakkelijk leiden tot het ontstaan van uitbuitingsrelaties. Als en voor zover geïnstitutionaliseerde en geformaliseerde heerschappijposities leiden tot structurele uitbuiting of hiertoe bijdragen (organisationele uitbuiting), dan kunnen deze ook analytisch als klassenposities worden behandeld. Dit is een logische consequentie van het feit dat de definitie van klassenposities die hier wordt gegeven is gecentreerd rond uitbuiting. Dit is een van de redenen waarom ik de definitie van klassenposities niet uitsluitend tot het maatschappelijke niveau beperk. In hoofdstuk VIII kom ik uitvoeriger terug op begrip en betekenis van organisationele uitbuiting.
Het interactionele niveau is het minst omvattende sociale systeem van alle klassenspecifieke handelingen en communicaties die zich voltrekken in directe, fysieke aanwezigheid van de actoren. De netwerken van sociale associaties worden zowel door maatschappelijke klassenverhoudingen als door organisationele verhoudingen gestructureerd, maar niet volledig vastgelegd.
Exclusieve posities in interactienetwerken kunnen daarom niet volledig worden gereduceerd tot ongelijke machtskansen in arbeidsorganisaties of tot klassenposities en zij kunnen van daaruit ook niet volledig worden verklaard. De ongelijke posities in netwerken van sociale relaties zijn weliswaar klassenmatig gestructureerd, maar zijn als zodanig geen klassenposities.
Selectieve associaties zijn het resultaat van sociale discriminatie. Dit is een type van asymmetrische macht waardoor de op democratisch illegitieme wijze uitgeslotenen worden beroofd van relatiekansen en van de daaraan verbonden voordelen. Discriminatie in persoonlijke interacties kan echter net als geïnstitutionaliseerde onderdrukking in arbeidsorganisaties onder bepaalde voorwaarden wel degelijk leiden tot of bijdragen aan substantiële uitbuitingsrelaties.
Dit is met name waarschijnlijk in netwerken van sociale relaties tussen individuen of groepen die over substantieel ongelijke bronnenpotentiëlen beschikken, dat wil zeggen in patronageverhoudingen, tussen (bronrijke en machtige) patroons en hun (bronarme en afhankelijke) clientèle.
Wanneer en voor zover geïnstitutionaliseerde exclusieve posities in interactienetwerken leiden tot structurele uitbuiting, kunnen deze posities als klassenposities worden behandeld. Ook dit is een reden waarom de definitie van klassenposities hier niet uitsluitend tot het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie wordt beperkt. In hoofdstuk IX worden de interactionele uitbuitingsvormen behandeld welke zich in patronageverhoudingen kunnen ontwikkelen. In hoofdstuk XI, § 4 kom ik uitvoeriger terug op de betekenis van selectieve associaties die door maatschappelijke en organisationele klassenverhoudingen zijn voorgestructureerd (klassenspecifieke associaties of klassengemeenschappen).
Voor het ontwerpen van klassentheorieën lijkt het methodisch gezien het meest vruchtbaar ervan uit te gaan dat het hogere systeem- en integratieniveau het lagere structureert (maar niet determineert in de zin dat maatschappelijke structuren de organisatiestructuren vastleggen en dat organisatiestructuren volledig bepalend zouden zijn voor directe interacties).
Het hogere integratieniveau structureert het lagere doordat het de handelingsmogelijkheden en -vrijheden op dit lagere niveau limiteert; het limiteert de reeks opties die op dit lagere handelingsniveau voor de actoren beschikbaar zijn.
Op het lagere integratieniveau zijn actoren echter altijd in staat om anders te handelen (transformatieve activiteit). Op deze wijze wordt rekening gehouden met de speelruimtes voor en de eigensoortige dynamiek van organisatorische en interactionele structureringen. Een dergelijke benadering laveert tussen de Scylla van het structureel-determinisme (waarin op de lagere integratieniveaus geen handelingsspeelruimtes meer overblijven) en de Charibdis van het handelingsvoluntarisme (waarin wordt voorbijgegaan aan de structurele begrenzing van handelingsmogelijkheden op lagere integratieniveaus).
De samenhang tussen de niveaus van handelingsintegratie is complex. Het maatschappelijke, organisationele en interactionele integratieniveau vormen samen een geneste hiërarchie, waarbij het hogere niveau de aanwezigheid van lagere niveaus veronderstelt en waarbij de structurering van het gehele handelingscomplex vaak in zijn delen is terug te vinden.
Dit betekent echter niet dat de specifieke structuren van het hogere integratieniveau zich op een lager integratieniveau simpel herhalen, zodat er op de verschillende integratieniveaus identieke patronen bestaan. Ook in dit opzicht kan men een maatschappij niet vergelijken met een sneeuwvlokje, varen of bloemkool, waarin volgens Sheldrake [1988] een bepaald organisatiepatroon zich telkens binnen dezelfde structuur herhaalt.
|
Vertaald naar de klassenanalyse zou men kunnen zeggen: op elk niveau van handelingsintegratie zijn de velden van klassenhandelen probabilistisch. Hogere niveaus van handelingsintegratie reageren zodanig op lagere niveaus dat hun waarschijnlijkheidsstructuren worden gemodificeerd. Het hogere niveau van handelingsintegratie modificeert dus het indeterminisme dat de lagere integratieniveaus zouden vertonen wanneer zij geïsoleerd zouden bestaan.[45] Sheldrakes natuurkundige theorie van de vormvelden knoopt bij deze gedachte van Einstein aan [Sheldrake 1988:113 e.v.]. Hij ontwikkelt een algemene theorie van vormvelden (morphic fields) en brengt deze in verband met de fractale structuren in de werkelijkheid.[46] Hij veronderstelt dat een bepaalde organisatie van de materie ontstaat via een veld dat de materie vormt. Dit heeft twee implicaties.
|
Voor degenen die van deze beschikkingsmacht zijn verstoken, is het structureel uitgesloten dat zij de ondernemerspositie innemen.[48] Het is structureel waarschijnlijker dat zij de positie van afhankelijke loonarbeider zullen innemen, dat wil zeggen dat zij in de formele beslissingshiërarchie een ondergeschikte positie zullen innemen en dua niet democratisch kunnen meebeslissen over de structuur en doelstellingen van hun arbeidsorganisatie.
Deze limitering van organisationele patronen legt de handelingsmogelijkheden en -vrijheden binnen de arbeidsorganisatie echter niet volledig vast. Ondernemers kunnen hun positie in de arbeidsorganisatie door anderen laten bezetten of zij kunnen hun formele bevoegdheden aan anderen delegeren. Zij kunnen zelfs hun loonafhankelijken laten participeren in operationele beslissingen. Afhankelijke producenten kunnen de speelruimte voor organisationele variatie benutten om feitelijke machts- en tegenmachtsposities op te bouwen en meer of minder vergaande zeggenschaps- en controlerechten af te dwingen.
De organisationele verdeling van beslissingscompetenties stelt op haar beurt grenzen aan de mogelijke en waarschijnlijke sociale relaties die binnen deze organisatie kunnen worden aangeknoopt. Het ontstaan van klassenspecifieke netwerken van sociale relaties binnen arbeidsorganisaties wordt beïnvloed door de rigiditeit of flexibiliteit van de gezagsverhoudingen, de vrijheid van communicatie en informatie binnen en tussen arbeidscollectieven, en van de bewegingsvrijheid op de werkvloer.
Ook deze limitatie van collegiale interacties is echter geen deterministische aangelegenheid. Zelfs de meest rigide structuur van een arbeidsorganisatie laat altijd speelruimtes open voor collegiale contacten die anders, dat wil zeggen tégen deze organisatiestructuur gebruikt kunnen worden. De klassenspecifieke netwerken van sociale contacten kunnen dienen als grondslag of uitvalsbasis voor transformatieve activiteiten die de organisationele limieten (en daarmee de organisatiestructuur zelf) veranderen.
In het verlengde hiervan en op analoge wijze kunnen transformatieve activiteiten op het niveau van de arbeidsorganisatie er uiteindelijk toe leiden dat de parameters van het maatschappelijke integratieniveau worden gewijzigd, dat wil zeggen dat de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over materiële bronnen wordt hervormd of omgewenteld.[49]
Het niet-deterministische karakter van de structurering van lagere door hogere niveaus van handelingsintegratie impliceert dat de structureel mogelijke en waarschijnlijke figuraties op het lagere integratieniveau niet per sé functioneel hoeven te zijn voor de structuur van het bepalende hogere integratieniveau.[50] Het is heel goed denkbaar (en niet louter denkbeeldig zoals de geschiedenis van arbeidsverhoudingen en arbeidersbeweging heeft laten zien) dat er netwerken van sociale relaties tussen werknemers ontstaan die niet functioneel of reproductief zijn voor de structuur van de arbeidsorganisatie. En het is eveneens mogelijk dat er typen arbeidsorganisaties ontstaan die de dominante structuur van maatschappelijke arbeids- en klassenverhoudingen juist niet reproduceren.
Er kunnen dus structurele contradicties en ongelijktijdigheden ontstaan tussen arbeidsverhoudingen en organisatievormen. Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, zal er ofwel een transformatie van de arbeidsverhoudingen optreden, of zullen de structuren van de arbeidsorganisatie zodanig worden veranderd dat zij weer reproductief zijn voor de arbeids- en klassenverhoudingen.
Dit is ook het geval wanneer het gaat om structurele contradicties tussen de formele arbeidsorganisatie en de interactionele netwerken: de arbeidsorganisatie zal op den duur zodanig veranderd moeten worden dat zij weer past bij de krachtsverhoudingen die op interactioneel niveau zijn ontwikkeld, of de interactionele netwerken moeten zodanig worden veranderd (afgebroken, afgezwakt, afgeleid) dat zij de reproductie van de structuren van de arbeidsorganisatie niet meer in gevaar brengen.
Maatschappij, organisaties en persoonlijke netwerken zijn evenzeer proces als structuur. Actoren zijn geen atomen die opgesloten zitten in een kristallen structuur waar elke handeling gedetermineerd wordt door hun positie in die structuur. Het zijn actieve, doelgerichte actoren die permanent proberen om handelingsgrenzen te doorbreken of te verleggen.
Met dergelijke overwegingen zal met name sterk rekening gehouden moeten worden wanneer men vergelijkingen wil maken tussen processen van klassenformatie in verschillende nationale contexten. De zeer uiteenlopende uitkomsten van de politiek-culturele formatie van de arbeidersklasse hangt bijvoorbeeld sterk samen met de specifieke aard van de staatsorganisaties (gecentraliseerde en geünificeerde sterke staten versus gedecentraliseerde, gefragmenteerde of zwakke staten) en met de aard van de communale gemeenschappen (gehomogeniseerde en collectivistische sterke versus verspreide, geïndividualiseerde of zwakke lokale klassengemeenschappen; mogelijkheden van politieke mobilisatie van buurtgemeenschappen).[52]
|
In sterk verzakelijkte, georganiseerde en gejuridiseerde verhoudingen (zoals bijvoorbeeld de verhoudingen van de materiële kapitalistische productie, van het politieke bestuur in de burgerlijke maatschappij) zal waarschijnlijk de betekenis van ongelijke interactiekansen veel kleiner zijn dan in verhoudingen die niet of nauwelijks zijn verzakelijkt, zoals bijvoorbeeld in erotische of emotionele verhoudingen. Echter ook in de meest verzakelijkte en gecommercialiseerde kapitalistische arbeidsverhoudingen moet de betekenis van interactionele structureringen zeker niet worden onderschat.[54] |
Zoals we nog zullen zien met name in hoofdstuk VIII en IX kan de analyse van uitbuitingsprocessen echter niet worden beperkt tot het niveau van de maatschappelijke handelingsintegratie. Organisationele en interactionele verhoudingen kunnen onder bepaalde conditie wel degelijk leiden eigensoortige (niet tot maatschappelijke verhoudingen te reduceren) vormen van exploitatie en zelfs tot relatief stabiele klassenposities.
|
Giddens gebruikt een andere terminologie en maakt geen duidelijk onderscheid tussen interactionele, organisationele en maatschappelijke niveaus van handelingsintegratie [Giddens 1984:28,142]. In zijn diverse studies lijkt hij de niveaus van handelingsintegratie telkens te reduceren tot het interactionele en het maatschappelijke niveau (in zijn terminologie: sociale integratie en systeemintegratie). Het tussenniveau van handelingsstructurering heeft in zijn analyses geen systematische plaats. In een bespreking van een aantal toepassingen van de structureringstheorie merkt hij op dat Patrick Burman in zijn onderzoek naar werkloosheid in Canada een onderscheid maakt tussen drie niveaus van handelingsintegratie: de micro-sociale sfeer (individuen, gezinnen en groepen, vrienden), de intermediaire gemeenschap (werklozenorganisaties, lokale vakbonden, lokale ondernemingen en sociale netwerken), en de macro-sociale sfeer van grotere organisaties, inclusief staatsbureacratieën [Giddens 1991:214]. Hij trekt hieruit echter geen consequenties die tot een mijns inziens noodzakelijke precisering van zijn structureringstheorie zouden kunnen leiden.[55] Giddens laat wel zien (i) dat er een verschil bestaat tussen sociale integratie in de zin van systemness on the level of face-to-face interaction en systeemintegratie in de zin van connections with those who are physically absent in time or space [idem:28], en (ii) dat maatschappijen verschillen in de wijze van institutionele articulatie en dat daarom the modes of intersection of presence and absence that enters into their constitution can be expexted to vary [idem:142]. Ik heb al eerder opgemerkt (in hoofdstuk III - noot 28) dat het door Lockwood geïntroduceerde en door Habermas uitgewerkte onderscheid tussen sociale en systeemintegratie niet moet worden verward met de wijze waarop Giddens dit onderscheid hanteert. Bij Lockwood en Habermas refereert systeemintegratie aan holistisch opgevatte systeemeigenschappen.[56] Giddens blijft de nadruk leggen op het gestructureerde karakter van praktijken: systeemintegratie impliceert sociale reciprociteit tussen actoren op afstand. Giddens maakt dus een ander onderscheid tussen sociale integratie en systeemintegratie.
In segmentair georganiseerde tribale maatschappijen is de dorpsgemeenschap de belangrijkste lokale eenheid waarbinnen ontmoetingen tot stand komen en waarin deze tijd-ruimtelijk worden geconstitueerd. In deze maatschappijen hebben directe sociale interacties meestal een veel grotere invloed dan meer afstandelijke relaties. In segmentaire samenlevingen zijn sociale en systeemintegratie gefuseerd. Deze fusie is echter nooit volledig: hoe klein of schijnbaar geïsoleerd een samenleving ook moge zijn, er is altijd een min of meer losse verbinding met meer omvattende intermaatschappelijke systemen. In klassenmaatschappijen zijn sociale en systeemintegratie gedifferentieerd.[57] |
Noten |
|---|
1 Geciteerd in: Werner Heisenberg, Physics and Beyond: Encounters and Conversations. New York [1971:63]
2 Klassenstructuren bepalen niet alleen de parameters van processen van klassenformatie, klassenbewustzijn en klassenstrijd, maar ook de structurele voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen andere sociale structuren kunnen variëren.
3 De stelling is niet dat klassenstructuren een uniek pad van maatschappelijke ontwikkeling vastleggen. Zie ook het laatste deel van deze paragraaf.
4 Jan van Dijk merkt op dat de marxisten gevraagd wordt de specificiteit en analytische potentie (harde kern, hulphypothesen, heuristieken) op te geven ten gunste van een algemene, sociologische theorie die alle sociale verschillen met één groots mechanisme in verschillende gedaanten wil verklaren [Van Dijk 1984:337]. Zijn bezwaar tegen de benadering van Parkin is gedeeltelijk correct. Men kan kritiek hebben op de manier waarop Parkin probeert een algemeen theoretisch referentiekader te formuleren voor het onderzoek naar sociale ongelijkheden. Daarom hoeft men zich echter nog niet zo principieel-defensief op te stellen tegen elke poging om een meer algemene theorie of pro-theorie van sociale ongelijkheid te formuleren. Op dit punt overspant Van Dijk zijn kritische boog.
5 De onderlinge bemiddeling bij de afzonderlijke articulatie van de verschillende verklaringsgronden is van ongelofelijk groot belang, maar vindt steeds pas in tweede instantie plaats [Van Dijk 1984:304].
6 Zie voor de 'multi-oppressions benaderingen: Albert/Hahnel [1981], Aaronowitz [1981], J. Cohen [1982], Laclau/Mouffe [1985].
7 Zie voor racialisme: Solomos [1990]. Zie voor seksisme: Kuhn/Wolpe [1978]. Zie voor een algemene uiteenzetting: Bader/Benschop [1988:243 e.v.].
8 Vgl. Gabriel/Ben-Tovim [1979,1990].
9 Vgl. Raatgever [1988:30,60].
10 Firestone [1970/9] presenteerde een materialistische geschiedenisopvatting gebaseerd op sekse. De oorsprong van het dualisme is voor haar de biologie, en in het bijzonder de voortplanting. De ongelijke verdeling van de seksen is dus natuurlijk. Sex class sprang directly from a biological reality: men and women were created different, and not equal.
11 Zie Cohen [1979], Wright [1985], Elster [1985], Therborn [1986] en de samenvatting van Wright [1983b:23-4], Burris [1987:77 e.v.] en Becker [1989:135 e.v.]. Voor Cutler e.a [1977, 1978], Hindess/Hirst [1977] en de eerder genoemde post-marxistische vertegenwoordigers van de radicale onderdrukkingstheorie was de verwerping van het klassenreductionisme slechts de opmaat tot een afscheid van de class primacy stelling.
12 Zie bijv. Cohen [1979] en de kritiek hierop van Levine/Wright [1980], Wright e.a. [1992;ch. 2].
13 In zijn kritiek op Giddens suggereert Wright [1983b:24] dat het primaat van klasse gebaseerd is op de internal logic of development van klassenstructuren. In Classes [1985] en latere publicaties lijkt hij dit idee los te laten. Hier wordt ook door Becker [1989:136] op gewezen.
14 Zie voor een analyse van de verschillende (mogelijke) toekomsten van het kapitalisme: Wright [1983a].
15 Vgl. Wright [1985:32], Bader/Benschop [1988:320].
16 Zie voor een algemene formulering van de bezwaren: Bader/Benschop [1988:318-20] en meer specifiek: Wright [1985:31].
17 While class relations may establish limits on possible variations, within those limits quite autonomous mechanisms may be operating. And in specific cases it is even possible that the most crucial forms of variation in a given relation are all contained within a given set of class limits. A case can be made, for example, that in advanced capitalism, the destruction of institutionalized forms of male domination falls within the limits of possibility determined by the class structure. The persistence of such domination and the specific forms that it takes, therefore cannot be explained by class relations as such, but rather are to be explained by mechanisms directly rooted in gender relations [Wright 1985:32]. Vgl. Wright [1983:23].
18 Dit argument wordt door Wright als afdoende gepresenteerd: It is sufficient to argue that the class structure constitutes the central mechanism by which various sorts of resources are appropriated and distributed, therefore determining the underlying capacities to act of various social actors. Class structures the central determinant of social power [Wright 1985:32]. De bezwaren die Becker [1989:136 e.v.] hiertegen heeft ingebracht, zijn niet erg overtuigend. Naast het in noot 17 door Wright geformuleerde bezwaar is de zwakte van Beckers benadering (1) dat hij geen duidelijk onderscheid maakt tussen de structuur-theoretische en ontwikkelingstheoretische argumentatielijn en (2) dat hij heen en weer fietst tussen referenties aan het systeembeeld (economie, politiek, ideologie) en aan het positionele stratificatiebeeld van de maatschappij.
19 Giddens definieert surplus in termen van de asymmetrische machtsverdeling tussen klassen. Een surplus is eenvoudig dat wat een klasse van een andere kan extraheren. [Giddens 1981:111]. Zijn hele behandeling van het uitbuitingsbegrip is nogal verwarrend. Dit resulteert uiteindelijk in een uiterst vaag (en dus net zoals bij Parkin zeer rekkelijk) begrip van uitbuiting: Ik zal uitbuiting verklaren als elke sociaal geconditioneerde vorm van asymmetrische productie van levenskansen [Giddens 1973:130]. Voor een klassenanalyse is dit een volledig onbruikbare notie (exploitatie wordt identiek met sociale ongelijkheid).
20 Zie voor een kritiek op het structuralisme van Althusser en Poulantzas: Thompson [1978], Caradoso [1972], Connel [1979], Becker [1986:51-3]. Zie voor een algemeen overzicht van het structuralisme in de sociale wetenschappen: Bottomore/Nisbet [1978:556-98].
21 Dat dit niet altijd het geval is, bewijst Jon Elster. In zijn algemene klassenbegrip probeert hij juist een verbinding te leggen tussen de property endowment structure en rationele handelingsstrategieën. Beide momenten vallen samen in endowment-necessitated behavior. In zijn definitie is klasse a group of people who by virtue of what they posses are compelled to engage in the same activities if they want to make the best use of their endowments [Elster 1985:331, vgl. p. 319,325]. Elster bakent zijn benadering af van klassendefinities waarin de nadruk wordt gelegd op het actuele handelen en de oorzakelijke fundering in de structuur van de bronnenverdeling wordt verwaarloosd. Classes should be defined by what people (in some sense) have to do, not by what they actually do [idem:324].
22 Sinds 1986 zijn ook bij Przeworski klasse en klassendefinitie louter uitkomsten van strategische keuzes van collectieve actoren. Natuurlijk is het mogelijk en ook zinvol om een aparte analyse te maken van de specifieke voorwaarden die bepalend zijn voor de ontwikkeling van klassenbewustzijn en politiek klassenhandelen. In analyses waarin dit gebeurt, gaat het strikt genomen echter niet meer om de bepaling van klassen als zodanig, maar om processen van klassenformatie, klassenmobilisatie of klassenorganisatie. Ik kom hier in hft. XIII t/m XVI uitvoerig op terug.
23 De relatie tussen klassenstructuur en klassenhandelen wordt door moderne marxisten op zeer uiteenlopende manieren behandeld. In zijn kritische bespreking van deze marxistische onderzoekstraditie komt ook Lockwood [1981:94;1992:371] tot de conclusie dat voor de identificatie van belangrijke structurele factoren een uitvoerige en goed onderbouwde handelingstheorie noodzakelijk is. In het recente mobiliteitsonderzoek hebben een aantal non-bullshit marxisten (zoals Elster) een uitgesproken voorkeur om klassenformatie en klassenhandelen te thematiseren als bijzonder geval binnen de algemene problematiek van collectief handelen, zoals dit door de theoretici van de rational choice sinds Olson [1965] werd ontwikkeld.
24 Vgl. Bader [1984].
25 Het is op dit punt interessant om de benadering van Max Weber zelf in de discussie te betrekken. Weber gaat er enerzijds vanuit dat mensen die in een gelijke klassenpositie verkeren dragers kúnnen zijn van zeer uiteenlopende vormen van gemeenschappelijk of georganiseerd (vermaatschappelijkt) klassenhandelen. Dit is echter niet noodzakelijk omdat een klasse in ieder geval op zichzelf geen gemeenschap is. Anderzijds merkt hij op dat klassenposities alleen ontstaan in de context van politieke gemeenschappen: gemeenschappelijk handelen bepáált de klassenpositie [Weber WG 533; vert. 89]. Dit lijkt op het eerste gezicht een simpele cirkelredenatie: terwijl gemeenschappelijke klassenposities slechts onder bepaalde voorwaarden tot gemeenschappelijk of georganiseerd klassenhandelen leiden, is een ander gemeenschappelijk klassenhandelen als vooronderstelling opgenomen in de bepaling van de klassenpositie. In het eerste geval gaat het echter om een sociaal handelen van de leden van eenzelfde klasse, terwijl het in het tweede geval gaat om sociaal handelen tussen leden van verschillende klassen. Zie voor een uitvoeriger interpretatie: Benschop [1987a:III §4·3]. Het lijkt me geen toeval dat de neo-weberiaan Parkin in zijn pleidooi voor een actionistische benadering juist níet refereert aan de misschien weinig uitgewerkte, maar toch zeer duidelijke opvattingen van Weber.
26 De benadering van Castioradis [1975] vertoont sterke verwantschap met die van Touraine. Zie voor een uitvoerige analyse Touraines sociologische bijdragen: Boog [1989].
27 Zie eerder hft. I, § 4·4·1 en III, § 2·2.
28 Deze kritiek is natuurlijk niet nieuw. Lockwood [1964:245;1992] is een belangrijke voorloper van deze kritiek [zie het korte overzicht van Archer 1990:73 e.v.]. Hij heeft met name laten zien dat de antinomie van social integration (focus op relaties tussen actoren: sociale integratie via handelingsoriëntaties van actoren) en system integration (focus op relaties tussen delen van het sociale systeem: functionele integratie via handelingsgevolgen en -voorwaarden) kunstmatig is (zijn in noot 22 gerefereerde argumentatie uit 1981 staat hier mijns inziens haaks op). De voor actionisten en structuralisten gemeenschappelijke premisse van de uiterlijke verbinding tussen structuur en handelen werd o.a. bestreden door: Bourdieu [1972,1979,1989] en Giddens [1984a; 1985:47]. Zie voor een overzicht van de ontwikkeling van de structureringstheorie: I.J. Cohen [1989] en de bundels van Bryant/Jary [1991] en Clark/Mogdil/Mogdil [1990].
29 Zie voor een algemene onderbouwing van het Transformational Model of Social Activity: Bhaskar [1986: 118-36]. De transformationele benadering van klassenhandelen wordt bepleit door Bourdieu [1977], Giddens [1976,1981], Wright [1979,1985,1989] en Bader/Benschop [1988:64,350]. Zie ook hft. III, § 2·2.
30 Mijn stelling is dat op het logische niveau het handelingsbegrip en het structuurbegrip elkaar wederzijds veronderstellen [Giddens 1987:101].
31 Net als Giddens sluit ik op dit punt aan bij het werk van de tijd-ruimte geografen zoals Hägerstrand, Gregory, Carlstein, Park, Thrift. Vgl. Cohen [1990:39]. Een systematische verbinding tussen ruimtelijke ontwikkeling en klassenformatie wordt voor het 19e eeuwse Engeland gelegd door: Dennis [1984] en voor het huidige kapitalisme door: Bugguley e.a. [1990], Thrift/Williams [1987].
32 De differentiatie van de abstractieniveaus van analyse en de onderscheiding van de verschillende analyse-eenheden van empirisch-historisch onderzoek werden in hft. III, § 1 al behandeld.
33 Bij het laatste niveau van organisatie en mobilisatie reken ik ook de door Bader [1991 - hft. X en XI] apart benoemde en uitgewerkte niveau van de externe handelingskansen en van de interacties in en de dynamiek van conflicten. In hft. XV, § 2 kom ik hier zeer summier op terug.
34 Voor een schematisch overzicht van de niveaus, mechanismen en resultaten van structurering van klassenhandelen verwijs ik naar schema 15 in hft. XV.
35 Zie voor een aantal literatuurverwijzingen: hft. III, § 2·3.
36 John Roemer [1982,1982a,1985] heeft op meerdere plaatsen een krachtig pleidooi gehouden voor de constructie van een speltheoretisch kapitalismemodel waarin at the point of production geen dwang bestaat. Zijn stelling is dat heerschappij (domination) binnen de productie geen inherent aspect is van kapitalistische klassenverhoudingen. Daarvoor moet hij uitgaan van de tamelijk onrealistische vooronderstelling dat loonarbeiders instemmen om een bepaalde hoeveelheid feitelijke arbeid te verrichten en dat zij zich aan dit contract houden. Bedrog (cheating) is een afwijking van het model dat zich slechts op een lager abstractieniveau voordoet. Wat Roemer bedrog van loonarbeiders noemt, is voor hem dus niet inherent aan extractieve machtsverhoudingen en antagonistische belangen van de kapitalistische arbeidswijze.
37 Door een aantal moderne organisatietheoretici wordt inmiddels ook kritisch vastgesteld dat de meeste organisatietheorieën gekenmerkt worden door een opvallende afwezigheid van referenties aan de klassenproblematiek en worden serieuze pogingen in het werk gesteld om te laten zien hoe de referentie aan een klassentheorie kan worden ingebouwd in de organisatietheorie. Vgl. Salaman [1981:228 e.v.] en de bundel van Clegg [1989].
38 Ik heb dit eerder aangetoond in: Benschop [1987:57; 1987b:46 e.v.].
39 Zie eerder hft. III, § 2·3.
40 Zie Bader/Benschop [1988:146 e.v.] voor een pro-theoretische (en dus abstracte) verhandeling over sociale relaties in aansluiting bij Bourdieu [1980,1981,1986/89] en Boissevain [1974]. Ik kom hierop in hft. IX uitvoeriger terug.
41 Zie voor een introductie van deze problematiek: hft. III, § 2·3. Hier en in het vervolg zal ik de term niveaus van handelingsintegratie gebruiken. Andere termen waarmee hetzelfde wordt aangeduid, zijn niveaus van handelingscontexten en handelingen en aggregatieniveaus van handelen.
42 De functionele differentiatie en relatieve scheiding van eigendom en beheer is hiervan het meest kenmerkende en meest besproken voorbeeld. Zeitlin [1989] geeft een klassenanalytisch geïnspireerde analyse van de betekenis van dit onderscheid. In zijn gedetailleerde studies naar grote Amerikaanse ondernemingen toont hij aan dat the absense of control by proprietary interest in the largest corporations is by no means an unquestionable, incontrovertible, singular, or critical social fact. Tegenover de sinds Berle en Means gangbare legitimatielegendes stelt hij dat the separation of ownership and control may well be one of those rather critical, widely accepted, pseudofacts which all sciences occasionally have found themselves burdened and bedeviled [idem:37]. Dit brengt hem echter geenszins in de verleiding voorbij te gaan aan nieuwe ontwikkelingen op het gebied van organisationele klassenverhoudingen. Integendeel, hij bepleit en geeft zelf een aanzet voor gedetailleerde studies naar de institutionele en klassenverhoudingen waarin grote ondernemingen gesitueerd zijn:
43 Zie voor een afbakening van het in deze studie gehanteerde democratisch basisprincipe hft. II, § 1·1. Het onderscheid tussen heerschappij en onderdrukking en het onderscheid tussen heerschappijposities en eliteposities komt in hft. VIII, § 4 aan de orde.
44 Er zijn meerdere auteurs en tradities waarbij men op dit punt in de leer kan gaan of waartegen men zich juist kan afzetten. Hier wordt kritisch aangesloten bij Schluchters [1979:51 e.v.] reconstructie van Webers maatschappijgeschiedenis en bij de niveaudifferentiatie zoals die door Luhmann [1975:9-25; 1985:130] is uitgewerkt. Zie voor een introductie van dit niveau-onderscheid in de pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen: Bader/Benschop [1988: 62,201].
45 This can be thought of in terms of a restriction of their indeterminism: out of the many possible patterns of events that could have happenend, some now become much more likely to happen as a result of the order imposed by the higher-level field [Sheldrake 1988:120 e.v.].
46 Vgl. de bespreking van Vroon [1989:186,214,245].
47 Vgl. Lauwerier [1990], Vroon [1989:184 e.v.].
48 Het is echter niet uitgesloten dat loonafhankelijken gedelegeerde (operationele) ondernemersfuncties uitoefenen.
49 Niet alleen het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie, maar ook de organisationele en interactionele niveaus kunnen dus worden gethematiseerd vanuit het dubbele perspectief van reproductie en transformatie. Of anders gezegd: transformatieve én reproductieve activiteiten worden gelijktijdig op maatschappelijk, organisationeel en interactioneel niveau geïntegreerd.
50 ...the range of structurally limited possibilities and the range of functional possibilities do not necessarily coincide [Wright 1978:16].
51 Vgl. Luhmann [1985:131,133,141 e.v.], Beck [1983], Featherstone [1991].
52 De specifieke aard van de staatsorganisaties is mede bepalend voor de mate waarin en de wijze waarop de nationale arbeidersbewegingen konden penetreren in (of zich laten pacificeren door) de burgerlijke rechtsstaat en de representatieve partijendemocratie. De specifieke aard van de lokale netwerken van klassenspecifieke relaties is mede bepalend voor de mate waarin en de wijze waarop de traditionele parochialisering van de arbeidersbeweging wordt overwonnen. Zie voor een comparatieve sociaal-historische benadering van deze kwesties: Katznelson [1981; 1985; 1986:34 e.v.].
53 Ongelijke interactiekansen zijn niet uitsluitend belangrijk in consumptieverhoudingen en in de daarbij aansluitende private levensverhoudingen van samenwonen en samenleven. Ongelijke interactiekansen in arbeidsverhoudingen zijn meestal nauw verbonden en verweven met verschillen van beroepsgebonden levensstijlen en culturen: zoals beroepsculturen, professionele attitudes en wijzen van kleden en spreken, specifieke soorten van vrije tijdsbesteding, sport, ontspanning, vakanties, gebruik van specifieke genotmiddelen enz.
54 Zie hiervoor de analyses van de beslissende betekenis van familierelaties voor de rekrutering en reproductie van economische elites [Zeitlin 1989, Van der Pijl 1986] en van persoonlijke contacten in werkcollectieven voor de syndicale en politieke organisatie van de arbeidersbeweging. Zie voor de invloed van ongelijke sociale relaties op kapitalistische arbeidsmarkten: Granovetter [1974,1982], Windolf/Hohn [1984], De Graaf/Flap [1988], Bader/Benschop [1988, hft. IV]. Zie voor de betekenis van cliques en sociale relaties in politieke beslissingsverhoudingen: Baehr e.a. [1978], Van den Berge/Fennema [1985].
55 Vergelijk in dit verband ook zijn poging om een classificatie van sociale systemen (netwerken, collectiviteiten, associaties) uit te werken: Giddens [1990:302 e.v.].
56 Whereas social integration refers to the more or less orderly or conflicting relationships between the actors of a society, system integration refers to the more or less functional or contradictory relationships between its institutional subsystems [Lockwood 1992:377 - en eerder in 1964]. In zijn theorie van het communicatieve handelen maakt Habermas [1981:150] een onderscheid tussen twee soorten maatschappelijke handelingsmechanismen: ruil- en machtsmechanismen vs. consensusvormende mechanismen (die leiden tot een gedeeld begrip over waarden, normen en talige communicatie). Beide mechanismen produceren maatschappelijke orde vanuit interacties; hun werkwijze kan echter bepaald worden aan de hand van handelingsstructuren. Terwijl de mechanismen van sociale integratie aansluiten bij handelingsoriëntaties, grijpen de mechanismen van systeemintegratie achter de handelingsoriëntaties om en integreren ze handelingsgevolgen .... Parallel hiermee worden twee mechanismen van stabilisatie onderscheiden: Sociale integratie is afhankelijk van criteria van interne stabilisatie, van de instandhouding van individuele en groepsidentiteiten welke gerelateerd zijn aan datgene wat de actoren zichzelf toeschrijven. Systeemintegratie is afhankelijk van criteria van externe stabilisatie, van de instandhouding van de grenzen van een systeem tegenover zijn omgeving [idem].
57 Zie ook zijn uitwerking van de structurele principes voor tribale, in klassen gedeelde en klassenmaatschappijen: Giddens [1984a:181 e.v.].
  |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]()
dr. Albert Benschop |