Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 2 Structurering van objectieve klassenposities

V. Contouren van een transformationele klassentheorie

  1. Klassen en ongelijkheid
    1.1 Stelling en afbakening
    1.2 Het primaat van klasse?
  2. Klassenhandelen en politiek
    2.1 Stelling en afbakening
    2.2 Structurering van klassenhandelen
  3. Integratieniveaus van klassenhandelen
    3.1 Stelling en afbakening
    3.2 Drie niveaus van handelingsintegratie
    3.3 Theoriestrategische voordelen
    3.4 Bij wijze van voorbeeld
    3.5 Onopgeloste problemen

Figuur 5_1 Model van transformationele klassenanalyse

Literatuur

© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

In het vorige hoofdstuk is het klassenbegrip afgebakend door de hoofdlijnen te schetsen van een transformationeel klassenanalytisch onderzoeksprogramma. Daarbij werden alleen de elementen van de harde kern van dit programma behandeld.

In de volgende hoofdstukken wordt een stelsel van hulphypothesen geformuleerd die deze harde kern van handen en voeten voorziet. Tegelijkertijd worden een serie positieve en negatieve heuristieken geformuleerd die als leidraad fungeren voor verdere theorieontwikkeling en empirisch-historisch onderzoek.

Aan het begin van de volgende hoofdstukken wordt telkens begonnen met een stelling waarin de hulphypothese beknopt wordt samengevat. Daarna volgen afbakeningen ten opzichte van concurrerende benaderingen. Op die manier wordt duidelijk waarom welke wegen hier niet worden ingeslagen (of zelfs zorgvuldig worden vermeden) om de consistentie van het transformationele programma zo hoog mogelijk te houden.

In de daarop volgende paragrafen worden de methodologische richtlijnen voor verdere theorieontwikkeling gepreciseerd (positieve heuristiek) en wordt het transformationele klassenanalytische verklaringsmodel van historisch vlees en sociologisch bloed voorzien. Ik concentreer mij daarbij vooral op de lastigste problemen die in andere benaderingen onderbelicht zijn gebleven.

In deze drie stappen wordt telkens een nadere invulling gegeven van het begrippenkader en de methodiek van de transformationele klassenanalyse.

In dit hoofdstuk worden de grondslagen van een transformationele klassentheorie uitgewerkt. In de transformationele klassenanalyse wordt de complexe structurering van klassenhandelen in een aantal methodisch opeenvolgende stappen (die hieronder gemotiveerd zullen worden) ontrafeld. De eerste stap is de analyse van de structurering van objectieve klassenposities. Deze wordt uitgewerkt in deel 2 van deze studie. In deel 3 worden de volgende stappen genomen: de structurering van sociale klassen en de structurering van politiek klassenhandelen.

Index1. Klassen en sociale ongelijkheid

1·1 Stelling en afbakening
Klassenverhoudingen vormen een primaire verklaringsgrond voor de sociale structuur en historische dynamiek van samenlevingen, maar zij zijn niet de enige verklaringsgrond. Het antagonisme tussen de maatschappelijke klassen heeft een grote structurerende kracht voor de sociale verhoudingen van een maatschappij. Zowel in traditionele als moderne maatschappijen is dit echter niet de enige splitsingslijn.

In de transformationele klassentheorie wordt serieus rekening gehouden met de effecten van andere ongelijkheidsstructurende maatschappelijke processen op gebieden zoals onderwijs, cultuur en politiek. Zij houdt rekening met andere verklaringsgronden, zoals de tegenstellingen tussen elites, selectieve associaties, prestigegroepen en het hele scala aan ascriptieve splitsingslijnen.

De claim van de transformationele klassenanalyse is:

Deze veronderstellingen zijn direct verbonden met de belangrijkste heuristieken in het onderzoek naar sociale ongelijkheden en politieke handelingscollectieven.

Het klassenanalytische programma moet enerzijds worden beschermd tegen klassenreductionisme. Klassenreductionisme is het reduceren van de explananda tot die ene verklaringsgrond van de klassentegenstellingen. Van klassenreductionisme is sprake wanneer maatschappelijke structuren en -tegenstellingen, sociale ongelijkheden en conflicten a priori worden gereduceerd tot klassenstructuren en -tegenstellingen of tot klassenongelijkheden en -conflicten. De reductie van sociale structuur tot klassenstructuur, van sociale ongelijkheid tot klassenongelijkheid heeft lange tijd het marxistisch georiënteerde onderzoek geblokkeerd op gebieden als staat, racisme, seksisme enzovoort.

Het klassenanalytische programma moet anderzijds worden beschermd tegen pogingen om het object van klassenanalyse zo vergaand te totaliseren dat het synoniem wordt met het begrip ‘sociale ongelijkheid’ of ‘sociale structuur’. Wanneer het klassenbegrip oeverloos tot alle gebieden wordt uitgebreid, verliest het zijn betekenis als specifieke positionele structuurvorm van ongelijkheid.

Het klassenreductionisme dat door de voordeur werd verdreven, wordt in een nieuwe gedaante van het synthetische of integrale klassenbegrip door de achterdeur weer binnengelaten. Ik spreek van synthetische of integrale klassenbegrippen wanneer andere maatschappelijke splitsingslijnen en vormen van sociale ongelijkheid in de klassentheorie worden geïncorporeerd. Het klassenanalytische programma moet op niet-dogmatische wijze worden beschermd tegen eclecticisme en tegen al te snelle aanpassingen aan het gefragmenteerde en ‘onoverzichtelijke’ beeld dat het geheel van sociale ongelijkheden biedt.

Elastisch begrip van klasse
De marxistische traditie wordt enerzijds bekritiseerd op haar ‘klassenreductionisme’, en anderzijds op het feit zij andere maatschappelijke delingen niet in de klassentheorie heeft geïncorporeerd.

Frank Parkin grenst zich plichtmatig af van klassenreductionistische benaderingen Hij pleit terecht voor “een enkel raamwerk van ideeën en een gemeenschappelijk vocabulaire waarmee het discours over gestructureerde ongelijkheid in al zijn bekende gedaantes gevoerd kan worden” [Parkin 1979:42]. Maar Parkin formuleert uiteindelijk zo’n vaag en alles omvattend begrip van klasse, dat het geen enkele specifieke analytische inhoud meer heeft. Onder Parkin’s pen vervluchtigt exploitatie tot “een relatie van dominantie en onderschikking, op welke sociale basis dan ook” [idem:46], en worden klassen bepaald door de primair aangewende machtsstrategie, namelijk door een “neerwaarts gericht gebruik van macht” [idem: 45]. Dit is het bijna onvermijdelijke resultaat van Parkin’s poging om andere splitsingslijnen in de klassentheorie te incorporeren.

    Jan van Dijk merkt op “dat de marxisten gevraagd wordt de specificiteit en analytische potentie (harde kern, hulphypothesen, heuristieken) op te geven ten gunste van een algemene, sociologische theorie die alle sociale verschillen met één groots mechanisme in verschillende gedaanten wil verklaren” [Van Dijk 1984:337]. Zijn bezwaar tegen de benadering van Parkin is gedeeltelijk correct. Er zijn sterke argumenten aan te voeren tegen de manier waarop Parkin probeert een algemeen theoretisch referentiekader te formuleren voor het onderzoek naar sociale ongelijkheden. Maar daarom hoeft men zich nog niet zo principieel-defensief en dogmatisch te verzetten tegen elke poging om een meer algemene theorie of protheorie van sociale ongelijkheid te formuleren. Op dit punt overspant Van Dijk zijn kritische boog.

Ook Pierre Bourdieu hanteert een uiterst elastisch klassenbegrip dat praktisch identiek is met sociale ongelijkheid (het omvat alle positionele en allocatieve ongelijkheidsvormen). Omdat hij het klassenbegrip zover oprekt, is het nauwelijks verwonderlijk dat hij klasse opvat als “een universeel principe van explicatie en van classificatie” [Bourdieu 1979:127]. In hoofdstuk VI, § 1·3·2 kom ik hier uitvoeriger op terug.

Index


1·2 Het primaat van klasse?
Als men de klassentheorie niet tot een eng ‘regionale’ theorie wil reduceren, dan moet men zich afvragen welke methodologische regels gevolgd moeten worden om het object en de reikwijdte van de klassenanalyse te verbreden. De positieve heuristiek richt het onderzoek met name op het gebied dat volgens de harde kern een potentieel hoge verklaringskracht heeft. Andere gebieden — zoals etnisch-culturele groepen, sekserelaties, cultuurprocessen — worden daarom niet gethematiseerd of krijgen in eerste instantie minder prioriteit. In elk sociaalwetenschappelijk onderzoeksprogramma worden impliciet of expliciet dergelijke prioriteiten gesteld.

De grenzen van de harde kern van het klassenanalytische programma werden vooral duidelijk in discussies over racisme, seksisme, (sub)culturele processen en organisationele klassenrelaties. Er zijn verschillende pogingen ondernomen deze grenzen te verruimen en andere verklaringsgronden toe te voegen. Zolang hierbij de oude harde kern gehandhaafd kan worden en vatbaar blijft voor uitbreiding is dit —vanuit de negatieve heuristiek gezien— geen probleem. Door de verschillende verklaringsgronden van sociale ongelijkheden en collectief handelen op elkaar te betrekken, kan meer helderheid worden verkregen over de verklaringskracht en reikwijdte van het klassenanalytische programma en kunnen tevens de grenzen, de beperkingen duidelijker worden geformuleerd.

Problemen ontstaan pas wanneer —met een hoffelijke buiging naar ‘multi-dimensionaliteit’— aan andere tegenstellingen en verhoudingen zonder meer eenzelfde of gelijkwaardige plaats wordt toegekend als aan klassentegenstellingen en -verhoudingen. Dit gebeurt vooral in de theorie van ‘meervoudige onderdrukking’. Hierdoor wordt de analytische kracht van de harde kern aangetast en vertroebeld. Bovendien wordt al bij voorbaat afgezien van de moeilijke taak om het onderlinge verband tussen de diverse verklaringsgronden (tegenstellingen, structureringsprincipes) inhoudelijk-theoretisch te onderbouwen.

Meervoudige onderdrukking
Zie voor de ‘multi-oppressions’ benaderingen: Albert/Hahnel [1981], Aaronowitz [1981], J. Cohen [1982], Laclau/Mouffe [1985].
De vertegenwoordigers van de zgn. ‘post-marxistische radicale theorie’ beschouwen klasse slechts als een van de vele ‘onderdrukkingen’, zonder specifieke centraliteit voor maatschappelijke en historische analyse. Opvallend is dat daarbij zelfs het basisbegrip ‘onderdrukking’ niet of nauwelijks wordt gedefinieerd; er wordt te zeer vertrouwd op de vermeende evidentie en helderheid van het begrip onderdrukking (dit geldt ook voor Laclau en Cunningham). Het begrip onderdrukking wordt zo sterk gegeneraliseerd dat het álle asymmetrische machtsverhoudingen omvat: uitbuiting, onderdrukking, discriminatie en uitsluiting.

Onderdrukking is echter slechts een bepaald type van asymmetrische macht welke gekenmerkt wordt door feitelijke dan wel geformaliseerde suprematie en onderschikking, en die niet democratisch gelegitimeerd is of kan worden. In hft. VIII kom ik terug op de theorie-strategische voordelen van een nauwkeurige onderscheiding tussen verschillende structuurvormen van asymmetrische macht.

1·2·1 Drie strategieën
Hoe kan het onderlinge verband tussen klassenstructuren en andere positionele (bijvoorbeeld eliteposities) en ascriptieve (etnisch-raciale, seksespecifieke, regionale enzovoort) ongelijkheidsstructuren nu het beste worden benaderd? Welke splitsing is primair structurerend of dominant, en waarom?

Het is lastig om op deze vragen een duidelijk —niet dogmatisch— antwoord te geven. In het algemeen zijn er drie onderzoeksstrategieën denkbaar.

1·2·2 Evolutionaire en structuurtheoretische claim
Vertegenwoordigers van het klassenprimaat: Cohen [1979], Wright [1985], Elster [1985], Therborn [1986] en de samenvatting van Wright [1983b:23-4], Burris [1987:77 e.v.] en Becker [1989:135 e.v.]. Voor Cutler e.a [1977, 1978], Hindess/Hirst [1977] en de eerder genoemde ‘post-marxistische’ vertegenwoordigers van de radicale onderdrukkingstheorie was de verwerping van het klassenreductionisme slechts de opmaat tot een afscheid van de ‘class primacy’ stelling.
In de marxistische traditie zijn er verschillende pogingen gedaan het primaat of de centraliteit van klasse theoretisch te onderbouwen. Er zijn twee manieren waarop de stelling van het klassenprimaat voor meerdere maatschappijformaties onderbouwd kan worden.
  1. Evolutionaire claim
    De ontwikkelingstheoretische of evolutionaire claim is dat klassenstructuren de cruciale parameters bepalen voor trajecten van maatschappijverandering.

      “Klassenstructuren bepalen de essentiële kwalitatieve sociale demarcatielijnen in de historische trajecten van sociale verandering. ... De stelling dat klassenstrijd de ‘motor’ van de geschiedenis is, betekent dat kwalitatieve transformaties die baanbrekende trajecten van sociale verandering afpalen, verklaard kunnen worden door het conflict tussen actoren die gedefinieerd worden door hun plaats binnen klassenstructuren” [Wright 1985:31,33; vgl. 1983b: 24].

    Deze evolutionaire claim moet worden ten eerste worden afgebakend van technologisch deterministische stelling dat de klassenverhoudingen structureel gelimiteerd worden door het ontwikkelingsniveau van de productiekrachten, en dat zij daarom een heel bijzondere ‘interne ontwikkelingslogica’ zouden hebben.

      De stelling dat klassenverhoudingen structureel beperkt worden door het ontwikkelingsniveau van de productiekrachten wordt o.a. verdedigd door Cohen [1979]. Zie ook de kritiek hierop van Levine/Wright [1980], Wright e.a. [1992;ch. 2].
      In zijn kritiek op Giddens suggereert Wright [1983b:24] dat het primaat van klasse gebaseerd is op de “internal logic of development” van klassenstructuren. In Classes [1985] en latere publicaties lijkt hij dit idee los te laten [Becker 1989:136].

    Ten tweede moet deze claim expliciet worden ontkoppeld van het idee dat klassenstructuren één traject van maatschappelijke verandering vastleggen. Klassenstructuren bepalen slechts de ‘demarcatielijnen’ in de trajecten van maatschappelijke verandering. Wright formuleert dit als volgt.

      “Er is geen teleologische implicatie dat er een ‘eindbestemming’ is waar zich alle sociale verandering onverbiddelijk naartoe beweegt. Er kunnen meerdere toekomsten zijn voor een gegeven maatschappij, wegkruisingen leiden in verschillende richtingen. Het argument is eenvoudig dat langs zo’n weg, de kritische conjuncturen worden gespecificeerd door veranderingen in de klassenstructuren” [Wright 1985:32. Zie voor zijn analyse van de verschillende (mogelijke) toekomsten van het kapitalisme: Wright 1983a].

    Ook al heeft men de evolutionaire claim afgebakend van een technologisch determinisme en een teleologische bestemmingsleer, dan heeft men nog geen antwoord op de vraag waarom klassenstructuren de globale of kwalitatieve parameters van maatschappelijke veranderingsprocessen zouden bepalen. Integendeel, de vraag waarop deze gereviseerde evolutionaire claim uiteindelijk is gebaseerd, wordt hiermee vooralsnog alleen maar scherper gesteld. Wanneer men hierop geen duidelijk antwoord kan geven dan kan men de stelling van het klassenprimaat maar beter verlaten.

    Een antwoordstrategie zou zich kunnen concentreren op een (combinatie) van de volgende drie proposities.

    • De ontwikkeling van een maatschappijformatie wordt bepaald door de ontwikkeling van haar exploitatie- en klassenverhoudingen.

    • De overgangen van een bepaalde maatschappijformatie naar een volgende worden bepaald door de interne tegenspraken van de maatschappelijke arbeids- en toeëigeningsverhoudingen van de ondergaande maatschappijformatie.

    • De volgorde en de ontwikkelingsrichting van de maatschappijformaties die elkaar in de wereldgeschiedenis aflossen, worden bepaald door de ontwikkeling van de maatschappelijke arbeids- en toeëigeningsverhoudingen [Wright 1985:32; Bader/Benschop 1988:320].

    Als men de algemene evolutionaire claim laat vallen dan kan men altijd nog besluiten de geldigheid van deze claim te beperken tot kapitalistische klassenformaties. Dit is de ratio achter pogingen zoals die van Becker [1989:127 e.v.] om “a certain specificity of class” te motiveren vanuit de structurele dynamiek van de verhouding tussen loonarbeid en kapitaal, zonder a priori uit te gaan van een verklarend primaat van klasse. Becker’s argumentatie is echter nogal labiel. Enerzijds stelt hij dat de structurele tegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal waarschijnlijk de meest systematische en universele bron van splitsingen en strijd in kapitalistische maatschappijen is. Anderzijds verwerpt hij de claim dat klassenposities enige specifieke verklarende kracht hebben of dat variaties in kapitalistische klassenstructuren noodzakelijkerwijs relevant zijn voor de verklaring van variaties in de geschiedenissen van kapitalistische maatschappijen. “Dit is hetzelfde als argumenteren voor het belang van het abstracte begrip van klassenstructuur terwijl men het nut van daarmee corresponderende concrete, micro-niveau begrippen van de klassenstructuur verwerpt” [Wright 1989:313].

  2. Structuurtheoretische claim
    De structuurtheoretische claim is dat klassenstructuren niet alleen de fundamentele grenzen stellen aan de mogelijkheid van klassenformatie, klassenbewustzijn en klassenstrijd, maar dat zij tevens het centrale organisatieprincipe zijn voor de maatschappij als geheel:

      “Klassenstructuren ... constitueren de meest fundamentele sociale determinant van mogelijkheidsgrenzen voor andere aspecten van de sociale structuur. Klassenstructuren bepalen de centrale organiserende principes van samenlevingen in de zin dat zij de reeks van mogelijke variaties van de staat, etnische relaties, gender relaties, etc. bepalen en dus kunnen historische tijdperken het beste worden geïdentificeerd door hun overheersende klassenstructuur” [Wright 1985:31].

    Deze structuurtheoretische claim kan alleen als onderbouwing van de verklarende prioriteit van klasse serieus genomen worden wanneer zij volledig wordt ontkoppeld van een structureel-functionalistische benadering van de relatie tussen ‘onderbouw’ en ‘bovenbouw’. Het belangrijkste bezwaar tegen deze benadering is immers dat de specifieke vormen van alle maatschappelijke verhoudingen niet verklaard kunnen worden door te wijzen op hun functionele relatie met klassenverhoudingen [zie voor een algemene formulering van deze bezwaren: Bader/Benschop 1988:318-20 en meer specifiek: Wright 1985:31].

    Los van het functionalisme kan de structuurtheoretische claim als volgt worden geformuleerd: klassenverhoudingen bepalen de structurele parameters waarbinnen de andere ongelijkheidsverhoudingen (zoals sekseverhoudingen, etniciteit of nationaliteit) zich ontwikkelen, maar zij leggen de specificiteit van deze verhoudingen niet functioneel vast.

      Wright legt een vergelijkbare stelling op tafel. “While class relations may establish limits on possible variations, within those limits quite autonomous mechanisms may be operating. And in specific cases it is even possible that the most crucial forms of variation in a given relation are all contained within a given set of class limits. A case can be made, for example, that in advanced capitalism, the destruction of institutionalized forms of male domination falls within the limits of possibility determined by the class structure. The persistence of such domination and the specific forms that it takes, therefore cannot be explained by class relations as such, but rather are to be explained by mechanisms directly rooted in gender relations” [Wright 1985:32]. Zie ook: Wright [1983:23].

    Daarmee is de claim geponeerd, maar nog niet gefundeerd. De onderbouwing van deze claim vereist een specifieke argumentatie.

    Er circuleren er twee soorten argumenten.

    • In het eerste argument wordt het klassenprimaat gebaseerd op het feit dat klassenverhoudingen zijn verankerd in exploitatieve arbeidsverhoudingen. Dit argument veronderstelt terecht dat uitbuiting een specifiek type van asymmetrische machtsrelatie is; het veronderstelt echter ook dat de extractieve of exploitatieve machtsverhoudingen een bijzonder grote bewustzijns- en handelingsstructurerende kracht hebben, althans groter dan andere typen van asymmetrische macht.

      Dit laatste is echter geenszins evident. Andere typen van asymmetrische macht (onderdrukking, discriminatie en uitsluiting) zijn immers niet a priori ‘zachter’ dan exploitatieve macht. Uitbuitingsverhoudingen kunnen zo ‘zacht’ en verbrokkeld zijn dat zij nauwelijks merkbaar doorwerken in de bewustzijns- en handelingsstructuur van de actoren. Omgekeerd kunnen bepaalde vormen van onderdrukking, discriminatie en uitsluiting zo ‘hard’ en massief zijn dat zij het maatschappelijk en politiek gebeuren in alle uithoeken overheersen.

    • In het tweede argument wordt het accent verlegd naar de beschikkingsmacht over bronnen, met name over materiële bronnen. Daarbij wordt er meestal van uitgegaan dat de klassenstructuur de meest globale matrix is voor de verdeling van materiële bronnen. Het klassenprimaat wordt gemotiveerd met het argument dat deze klassenspecifieke toegang tot materiële bronnen bepalend is voor het geheel van de materiële levensomstandigheden, en dat de materiële levensstandaard in sterke mate bepalend is voor de toegang tot andere maatschappelijke bronnen en beloningen, zoals onderwijs- en cultuurvoorzieningen, informatie en communicatie, en voor de toegang tot politieke beslissingsprocessen in de staat.

      Als we dit argument ontdoen van zijn —iets te sterke en reducerende— concentratie op materiële bronnen, dan komt een plausibeler onderbouwing in het vizier: het primaat van klasse is gebaseerd op het feit dat klassenverhoudingen de toegang tot verschillende soorten maatschappelijke bronnen en daarmee tot het meerproduct structureren; zij bepalen daarom niet alleen de grenzen van de handelingsmogelijkheden van verschillende klassen, maar ook van de groepen die bepaald zijn door hun positie in andere maatschappelijke ongelijkheidsstructuren.

        Dit argument wordt door Wright als afdoende gepresenteerd: “It is sufficient to argue that the class structure constitutes the central mechanism by which various sorts of resources are appropriated and distributed, therefore determining the underlying capacities to act of various social actors. Class structures the central determinant of social power” [Wright 1985:32]. De bezwaren die Becker [1989:136 e.v.] hiertegen heeft ingebracht, zijn niet erg overtuigend. De zwakte van Becker’s benadering is (1) dat hij geen duidelijk onderscheid maakt tussen de structuur-theoretische en ontwikkelingstheoretische argumentatielijn en (2) dat hij heen en weer fietst tussen referenties aan het systeembeeld (‘economie’, ‘politiek’, ‘ideologie’) en aan het positionele stratificatiebeeld van de maatschappij.

      Of dit argument daadwerkelijk voldoende en afdoende is, zal hier niet verder worden onderzocht. Uiteindelijk worden alle beweringen over het primaat van de klassenstructurering voor het geheel van de objectieve levensposities pas zinvol wanneer zij in empirisch onderzoek vertaald kunnen worden.

Anthony Giddens: class society en class-divided society
Volgens Giddens heeft klassenanalyse een centrale maatschappijtheoretische betekenis voor het onderzoek van kapitalistische maatschappijen, maar niet voor voor-kapitalistische maatschappijformaties. Alleen het kapitalisme is “in zeer bijzondere opzichten een specifieke klassenmaatschappij.” [Giddens 1981:7]. Giddens ontkent niet dat er in de agrarische staten (‘Aziatische productiewijze’), de slavenhoudersmaatschappijen van de klassieke Oudheid en het Europese feodalisme klassen bestonden. Voor hem betekent dit echter nog niet dat deze formaties ook als klassenmaatschappijen geanalyseerd kunnen worden. In al deze maatschappijen was klasse gebaseerd op ‘controle over privé-eigendom’, niet onbelangrijk “maar in geen daarvan was klassenheerschappij in enig direct opzicht de grondslag van staatsmacht” [idem]. Voor deze maatschappijformaties gebruikt hij de term ‘class-divided society’. Hiermee bedoelt hij “een maatschappij waarin klassen bestaan, maar waar klassenanalyse niet dient als een grondslag voor het identificeren van het basale structurele organisatieprincipe van die maatschappij” [idem:108].

Giddens legt in aansluiting bij Marx een sterke nadruk op de historische bijzonderheden van de kapitalistische klassenverhoudingen. De sleutelpositie van de kapitalistische klassenverhoudingen vloeit voort uit het feit dat onder de voorwaarden van loonarbeid en kapitaal de klassenuitbuiting een integraal onderdeel wordt van het arbeidsproces. In tegenstelling tot andere maatschappijformaties penetreren in het kapitalisme uitbuiting en klassenheerschappij pas systematisch en duurzaam direct in het arbeidsproces. In het kapitalisme kan het ‘surplus’ zuiver economisch worden gedefinieerd omdat het ‘economische’ hier op specifieke wijze significant wordt als “a medium of power” [idem:111].

    Giddens definieert ‘surplus’ in termen van “de asymmetrische machtsverdeling tussen klassen. Een ‘surplus’ is eenvoudig dat wat een klasse van een andere kan extraheren” [Giddens 1981:111]. Zijn hele behandeling van het uitbuitingsbegrip is nogal verwarrend. Dit resulteert uiteindelijk in een uiterst vaag (en dus net zoals bij Parkin zeer ‘rekkelijk’) begrip van uitbuiting: “Ik zal ‘uitbuiting’ definië als elke sociaal geconditioneerde vorm van asymmetrische productie van levenskansen” [Giddens 1973:130]. Voor een klassenanalyse is dit een volledig onbruikbare notie (exploitatie wordt identiek met sociale ongelijkheid).

Hierdoor wordt het kapitalistische arbeidsproces een plaats van chronische en alledaagse klassenconflicten met zeer uiteenlopende uitdrukkingsvormen en nieuwe wijzen van ‘exploitatieve controle’. Omdat de klassenverhouding direct in het arbeidsproces is verankerd, wordt zij bepalend voor de dynamiek van kapitaalvermeerdering en -accumulatie. De kapitalistische vorm van het arbeidsproces —toeëigening van meerarbeid in de vorm van meerwaarde— maakt deze als uitbuitings- én accumulatieproces tot centrale drijfkracht van de maatschappelijke ontwikkeling.

Het centrale verklaringsprincipe van de klassenanalyse wordt dus beperkt tot kapitalistische maatschappijformaties: de sociale structuren van kapitalistische maatschappijen en hun veranderingen kunnen alleen adequaat worden begrepen, verklaard of geduid, wanneer zij in verband worden gebracht met kapitalistische klassenverhoudingen, waarin uitbuitings- en accumulatieprocessen verenigd zijn. Klassenanalyse is (als theoretische verklaringsprincipe) de kern van de kapitalisme-analyse.

Giddens’ argumentatie om de sociaalhistorische reikwijdte van de klassenanalyse te beperken tot kapitalistische formaties is echter niet overtuigend. Een dergelijke beperking is alleen plausibel als men zou kunnen aantonen (i) dat exploitatie in de zin van toeëigening/onteigening van meerarbeid alleen in directe arbeidsprocessen mogelijk is en (ii) dat deze directe uitbuiting zich alleen in het kapitalisme voordoet. De mechanismen van uitbuiting die relevant zijn voor structurele uitbuitingsrelaties worden uitvoerig behandeld in hoofdstuk VII.

Index2. Klassenhandelen en klassenstructuur

2·1 Stelling en afbakening
Net als alle andere vormen van sociale ongelijkheid worden klassenongelijkheden gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd door individueel en collectief sociaal handelen. Dit handelen wordt op zijn beurt weer op meervoudige wijze gestructureerd door de bestaande klassenverhoudingen.

Klassenhandelen wordt structureel bepaald (gelimiteerd en geselecteerd) door sociale klassenstructuren, maar tegelijkertijd worden deze structuren door klassenhandelen gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd. Klassenhandelen wordt dus niet eerst door klassenstructuren bepaald, die daarna door dit klassenhandelen worden gereproduceerd of getransformeerd.

In de transformationele benadering worden klassenstructuur en klassenhandelen niet als uiterlijk naast elkaar staande of op elkaar volgende elementen behandeld. Zowel logisch als historisch veronderstellen klassenstructuur en klassenhandelen elkaar. Het analytische referentiepunt van een realistische klassenanalyse is niet klassenstructuur of klassenhandelen, maar de sociale structurering van klassenhandelen.

Deze stelling impliceert een afbakening ten opzichte van actionistische en structuralistische benaderingen [zie eerder Hft. III, § 2·2]. Handelings- en structuurtheoretische klassenbenaderingen worden in de regel als twee exclusieve alternatieven tegenover elkaar gesteld: ‘structuralisten’ versus ‘actionisten’. Daarbij wordt meestal verondersteld dat er een — misschien wel principiële — kloof bestaat tussen de ‘logica van structurele klassenposities’ (zoals deze in theoretisch-sociologische analyses naar voren komt) en de ‘logica van collectief handelen van sociale klassen’ (welke in empirisch-historische beschouwingen en politicologische conflictanalyses zichtbaar wordt). De premisse is dus dat klassenstructuur en klassenhandelen elkaar op logisch niveau niet veronderstellen, maar naast elkaar bestaan of extern zijn verbonden.

  1. Structuralistische benaderingen
    In structuralistische benaderingen worden klassen uitsluitend of voornamelijk geanalyseerd in termen van structurele posities in specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen (meestal in ‘economische’ of in arbeidsverhoudingen, maar soms ook synthetisch in ‘economische’, ‘politieke’ en ‘ideologische’ verhoudingen).
      Zie voor kritieken op het structuralisme van Althusser en Poulantzas: Thompson [1978], Caradoso [1972], Connel [1979], Becker [1986:51-3]. Zie voor een algemeen overzicht van het structuralisme in de sociale wetenschappen: Bottomore/Nisbet [1978:556-98].

    De bezwaren tegen structuralistische benaderingen zijn bekend: actoren worden slechts behandeld als dragers of personificaties van (economisch of breder bepaalde) structurele posities, individuen worden tot klassenindividuen gereduceerd (de dimensies van het persoonlijke individu worden niet meer gethematiseerd; individuen verschijnen slechts als ‘structurele zombies’), klassenverhoudingen worden in de regel slechts op het hoogste abstractieniveau van de ‘productiewijze’ en ‘maatschappijformatie’ gethematiseerd (er wordt geen aandacht besteed aan organisationele en interactionele structurering van klassenverhoudingen), er wordt een uiterst eenzijdig en gereduceerd beeld gegeven van de niveaus van handelingsstructurering (zowel de duurzaamheid van de binding aan klassenposities, de klassenspecifieke habitus, levensstijlen als handelingsoriëntaties van klassenactoren vallen volledig buiten het referentiekader en worden in ieder geval niet als relatief zelfstandige structureringsniveaus gethematiseerd) en het empirische klassenhandelen wordt tenslotte ‘verklaard’ met behulp van te eenvoudige en te gesloten modellen van structurele causaliteit.

  2. Actionistische benaderingen
    De actionistische benaderingen zijn hiervan in een bepaald opzicht het spiegelbeeld: ‘strong on action, weak on institution’. In actionistische of handelingstheoretische benaderingen worden klassen uitsluitend of hoofdzakelijk geanalyseerd in termen van een of andere specifieke gedragswijze of handelingsstrategie.

    In het algemeen kunnen er twee bezwaren tegen deze benadering worden ingebracht.

    1. In actionistische benaderingen wordt het hele probleem van de sociale gestructureerdheid van klassenhandelen naar de achtergrond verschoven. Soms wordt deze gestructureerdheid helemaal niet meer gethematiseerd en wordt elk begrip van een objectieve klassenstructuur verlaten, en meestal als objectivistisch of structuralistisch afgedaan.* Daarbij wordt verondersteld dat klassen voorafgaande aan het (politieke) handelen niet gestructureerd zijn, maar louter effecten van strategieën van collectieve actoren (en met name van partijen).
        * Dat dit niet altijd het geval is, bewijst Jon Elster. In zijn algemene klassenbegrip probeert hij juist een verbinding te leggen tussen de ‘property endowment structure’ en rationele handelingsstrategieën. Beide momenten vallen samen in “endowment-necessitated behavior”. In zijn definitie is klasse “a group of people who by virtue of what they posses are compelled to engage in the same activities if they want to make the best use of their endowments” [Elster 1985:331, vgl. p. 319,325]. Elster bakent zijn benadering af van klassendefinities waarin de nadruk wordt gelegd op het actuele handelen en de oorzakelijke fundering in de structuur van de bronnenverdeling wordt verwaarloosd. “Classes should be defined by what people (in some sense) have to do, not by what they actually do” [idem:324].

    2. De meeste auteurs die voor een of andere (of voor ‘dé’) handelingstheorie kiezen, denken hiermee de dichotomie tussen ‘klasse an sich’ en ‘klasse für sich’, tussen de logica van een structurele analyse van klassen en de logica van collectief klassenhandelen te overwinnen. De kloof of spanningsverhouding tussen systeem en handelen, klassenpositie en klassenhandelen, ‘klasse an sich’ en ‘klasse für sich’ wordt in actionistische benaderingen echter niet theoretisch opgelost, maar eenvoudig verschoven. In actionistische klassendefinities en -theorieën wordt het probleem van (de voorwaarden van) politiek klassenhandelen volledig gedelegeerd naar een hiervan gescheiden theorie van collectief handelen (zoals bij Parkin, Touraine).
        De relatie tussen klassenstructuur en klassenhandelen wordt door op zeer uiteenlopende manieren behandeld. In zijn kritische bespreking van de marxistische onderzoekstraditie komt ook Lockwood [1981:94;1992:371] tot de conclusie dat voor de identificatie van belangrijke structurele factoren een uitvoerige en goed onderbouwde handelingstheorie noodzakelijk is. In het recente mobiliteitsonderzoek hebben een aantal ‘non-bullshit marxisten’ (zoals Elster) een uitgesproken voorkeur om klassenformatie en klassenhandelen te thematiseren als bijzonder geval binnen de algemene problematiek van collectief handelen, zoals dit door de theoretici van de ‘rational choice’ sinds Olson [1965] werd ontwikkeld.
Structuralistische en actionistische benaderingen vullen elkaar niet zozeer aan, maar hebben er beide juist toe bijdragen dat er een aanzienlijke lacune in de klassenanalyse blijft bestaan.

Frank Parkin: ‘modes of collective action’
In zijn polemische afrekening met ‘de marxistische klassentheorie’ en zijn zwaar overgepolitiseerde afgrenzing van alle ‘objectivistische’ en ‘structuralistische’ klassendefinities stelt Parkin voor om klassen uitsluitend te definiëren in termen van hun wijze van collectief handelen: “Social classes should be defined by reference to their mode of collective action rather than to their place in the productive process or the division of labour” [Parkin 1979:113]. In zijn actionistische benadering wordt de klassenpositie van een groep bepaald door “the character of its primary mode of social closure” [Parkin 1979:94]. Parkin’s argumentatie is echter allesbehalve consistent [Bader/Benschop 1984].

  1. Hij vertrekt vanuit een frontale kritiek op Marx en ‘het marxisme’, die klassen uitsluitend definiëren in termen van “systemic properties, independently of the social make-up of constituent groups” [Parkin1979:3]. Zijn inhoudelijke bezwaar tegen deze ‘marxistische’ benadering luidt: wanneer men aan klassen slechts de status toekent van ‘belichamingen van systeemkrachten’ of ‘bezetters van posities’, dan leidt dit onvermijdelijk tot “an explicit downgrading of those aspects of class and collective action that are attributable to the social characteristics of those who occupy the slots in the formal model” [idem:4]. Parkin legt zelf de nadruk op de ‘sociale eigenschappen van de actoren’. Daarom zou men verwachten dat hij bij het definiëren van zijn eigen klassenbegrip uitgaat van de telkens specifieke kenmerken van individuele en collectieve actoren. Maar hij doet dit niet.

  2. Parkin hamert erop dat de sociale positie van een groep niet bepaald moet worden door hun positie in productie- of exploitatieverhoudingen (in de ‘marxistische’ zin van het woord), maar door hun wijze van collectief handelen. Daarom zou men verwachten dat hij bij het definiëren van zijn eigen klassenbegrip uitsluitend dit perspectief zou hanteren. Maar ook dit doet hij niet.
De inconsistentie in Parkin’s uiteenzetting is dus dat hij twee, zeker niet op voorhand verenigbare uitgangspunten formuleert voor de constructie van zijn ‘neo-weberiaanse’ klassenbegrip, en dat hij geen van beide uitgangspunten consequent als uitgangspunt van zijn klassendefinitie neemt. In plaats daarvan gaat zijn bepaling van klassen uit van minstens vier elementen waarvan de onderlinge samenhang het geheim van Parkin blijft: (a) de primair aangewende machtsstrategie, dat wil zeggen het ‘naar boven’ of ‘naar beneden’ gerichte gebruik van macht, (b) de combinatie van deze strategie met de criteria van individuele of collectieve sluiting, (b) de cumulatie van positieve en negatieve privileges, en (d) de altijd en overal veronderstelde, “basic line of cleavage” [idem:93]. Dit laatste element — dat volgens hem overeind gehouden moét worden om het ‘perspective of class’ te behouden — wordt zo sterk gegeneraliseerd, dat klassen- en exploitatieverhoudingen uiteindelijk weer die schitterende mystieke eeuwigheidswaarde krijgen.

Sinds 1986 zijn ook bij Przeworski klasse en klassendefinitie louter uitkomsten van strategische keuzes van collectieve actoren. Natuurlijk is het mogelijk en ook zinvol om een aparte analyse te maken van de specifieke voorwaarden die bepalend zijn voor de ontwikkeling van klassenbewustzijn en politiek klassenhandelen. In analyses waarin dit gebeurt, gaat het strikt genomen echter niet meer om de bepaling van klassen als zodanig, maar om processen van klassenformatie, klassenmobilisatie of klassenorganisatie. Ik kom hier in hft. XIII t/m XVI uitvoerig op terug.

Omdat Parkin zich zo nadrukkelijk op het ‘neo-weberiaanse’ klassenbegrip beroept is het interessant om de benadering van Max Weber zelf in de discussie te betrekken. Weber gaat er enerzijds vanuit dat mensen die in een gelijke klassenpositie verkeren dragers kúnnen zijn van zeer uiteenlopende vormen van gemeenschappelijk of georganiseerd (vermaatschappelijkt) klassenhandelen. Dit is echter niet noodzakelijk omdat een klasse in ieder geval op zichzelf geen gemeenschap is. Anderzijds merkt hij op dat klassenposities alleen ontstaan in de context van politieke gemeenschappen: gemeenschappelijk handelen bepáált de klassenpositie [Weber WG 533; vert. 89].

Op het eerste gezicht lijkt dit een simpele cirkelredenatie: terwijl gemeenschappelijke klassenposities slechts onder bepaalde voorwaarden tot gemeenschappelijk of georganiseerd klassenhandelen leiden, is een ander gemeenschappelijk klassenhandelen als vooronderstelling opgenomen in de bepaling van de klassenpositie. In het eerste geval gaat het echter om een sociaal handelen van de leden van eenzelfde klasse, terwijl het in het tweede geval gaat om sociaal handelen tussen leden van verschillende klassen. Zie voor een uitvoeriger interpretatie: Benschop [1987:III §4·3]. Het lijkt geen toeval dat de ‘neo-weberiaan’ Parkin in zijn pleidooi voor een actionistische benadering juist níet refereert aan de —misschien weinig uitgewerkte, maar toch zeer duidelijke— opvattingen van Weber.

Alain Touraine: une sociologie d’action
Bij Touraine vindt men vergelijkbare formuleringen als bij Parkin, maar dan los van de problematiek van sociale sluiting. Zijn benadering laat zich het best samenvatten in zijn slogan: “Klassen worden volledig door hun handelen en niet meer door hun wezen of hun positie bepaald” [Touraine 1985:326]. Het vertrekpunt van Touraine’s maatschappijanalyse is het samenstel van collectieve actoren en hun vormen van strijd [1965 - Sociologie de l’action en latere studies]. De constructie van de maatschappij als een sociaal systeem (structurele tegenspraken en ontwikkelingstendenties in een sociaal en stratificatiesysteem) wordt vervangen door het beeld van de maatschappij als een veld van sociaal handelen. Touraine analyseert welke sociale praktijken een rol spelen bij het ontstaan van normen en conflicten over hun interpretaties. Volgens hem is het onmogelijk om tegelijkertijd te spreken over de constructie van een systeem en over sociaal handelen en conflict.

In de zuivere handelingstheoretische benadering worden klassenactoren en -beweging in het centrum van de analyse gesteld. Maatschappelijke verhoudingen worden primair of exclusief gethematiseerd als normatief georiënteerde interacties tussen tegenstanders op een cultureel veld waarin tegengestelde interpretaties bestaan. Het klassenbegrip wordt geherdefinieerd in termen van een algemene theorie van sociaal handelen; het wordt losgemaakt van ‘economische’ mechanismen (zoals kapitaalaccumulatie), structurele contradicties (exploitatie) en van gevestigde klassenbelangen.

De verhoudingen tussen klassen worden abstract beschreven als een relatie tussen degenen die ‘historiciteit’ identificeren met hun eigen belangen en degenen die proberen weer controle over ‘historiciteit’ te verkrijgen. De klassenverhoudingen van elk systeem van historisch handelen worden dus geconstitueerd door een strijd over ‘historiciteit’.

Klassenstrijd en sociale beweging zijn synonieme uitdrukkingen voor de bewuste ‘contestation’ die geïmpliceerd is in de ‘zelfproductie’ van de maatschappij. De ‘sociologie d’action’ stelt klassenstrijd in het centrum van het functioneren van een maatschappij en van het proces waardoor een maatschappij wordt gecreëerd (het primaat van de diachronische as van analyse; de synchronische — systeem, structurele contradicties — as wordt genegeerd).

Touraine maakt een onderscheid tussen sociale strijd (sociale beweging, klassenstrijd) en politieke actie. Sociale bewegingen zijn het proces waardoor sociale groepen zichzelf en hun sociale identiteiten constitueren; zij vechten het hiërarchische stratificatiemechanisme en de geïnstitutionaliseerde normen van een gegeven maatschappelijke orde aan. Sociale bewegingen worden primair opgevat als de creatieve bron van nieuwe normen en nieuwe identiteiten. Het object van een (partijdige) maatschappijtheorie is de articulatie van het potentieel en de dynamiek van klassenstrijd. Sociale bewegingen vergroten de autonome sociale ruimte van de burgerlijke maatschappij (opgevat in zuivere handelingstermen).

De bezwaren tegen deze benadering kunnen in vier punten worden samengevat. (1) De spanning tusen ‘systeem’ en ‘klasse’, orde/verandering en sociale beweging wordt door Touraine niet opgelost, maar “simply displaced by action theory” [J.L. Cohen 1982:215]. (2) Het beeld van de klassenverhoudingen is net als bij Parkin zeer simpel: er zijn slechts twee en niet meer dan twee opponerende maatschappelijke klassen. (3) De actie-theorie kan geen antwoord geven op de vraag: hoe kan de eenheid van klassenstrijd die aan de diversiteit/heterogeniteit van contestaties/protesten binnen een maatschappij ten grondslag ligt geïdentificeerd worden? (4) De actie-theorie is normatief steriel: zij biedt geen basis of richtpunt om de ene sociale beweging te verkiezen boven een andere.

      Zie voor een uitvoerige analyse Touraine’s sociologische bijdragen: Boog [1989]. De benadering van Castioradis [1975] vertoont sterke verwantschap met die van Touraine.

Index


2·2 Structurering van klassenhandelen
Het kennisobject van de klassentheorie wordt gevormd door de maatschappelijke verhoudingen tussen en binnen de klassen en hun onderlinge strijd en coöperatie [zie hft. I, § 4·4·1 en III, § 2·2]. In de theorievorming over dit object gaat het altijd om de cruciale samenhang tussen de klassenmatige structurering van sociale levensposities in specifieke maatschappijformaties (positioneel-structureel aspect), de formatie van de potentiële politieke handelingscollectieven op klassenbasis (allocatief-personeel aspect) en het feitelijke politieke handelen van handelingscollectieven op klassenbasis (mobilisatie-organisatie aspect).

Voor een klassenanalytisch theorie- en onderzoeksprogramma is het daarom van het grootste belang dat er gebroken wordt met de kunstmatige tegenstelling tussen handelings- en structuurtheoretische benaderingen die dit veld al zolang hebben bezet. Enerzijds vereist dit kritiek op de gemeenschappelijke vooronderstellingen van ‘structuralisten’ en ‘actionisten’. Anderzijds betekent dit dat er een ‘derde weg’ gevonden moet worden waarmee de inmiddels bekende lacunes in de klassenanalyse op een systematische manier kunnen worden opgevuld. Het transformationele model van handelingsstructurering biedt hiervoor de beste mogelijkheden.

De hoofdlijnen van deze benadering kunnen in twee punten worden samengevat.

  1. De vooronderstelling is dat klassenstructuren en klassenhandelen elkaar logisch én historisch veronderstellen: klassenhandelen wordt door klassenverhoudingen gestructureerd en klassenstructuren worden door klassenhandelen gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd.
      “Klassenstrijd is intrinsiek een proces van transformatie van structuren, en dus wordt hetzelfde proces dat grenzen stelt aan klassenstrijd tegelijkertijd getransformeerd door de op die manier beperkte strijd” [Wright 1978:21].
    Klassenstructuur (systeem-oriëntatie) en klassenhandelen (actor-oriëntatie) worden immanent op elkaar betrokken.

    Dit betekent enerzijds dat klassenstructuren geen van klassenhandelen onafhankelijk bestaan hebben: klassenstructuren worden principieel opgevat als structuren van klassenhandelen van leden van eenzelfde klasse en tussen leden van verschillende klassen. Klassenstructuren zijn zowel het medium als de uitkomsten van een proces van structurering, dat wil zeggen van de productie en reproductie van klassenpraktijken in tijd en ruimte. Klassenstructuren bestaan alleen voor zover zij voortdurend in tijd en ruimte ge(re)produceerd worden door en in het klassenspecifieke handelen van individuen.

    Tijd-ruimtelijke klassenstructuren
    Klassenstructuren zijn tijd-ruimtelijk gebonden omdat klassenhandelen zich op een bepaalde plaats voltrekt en een bepaalde tijd in beslag neemt. Klassenstructuren strekken zich altijd uit over tijd en ruimte. Klassenverhoudingen worden gestructureerd door sociaal geproduceerde geografische configuraties en ruimtelijke relaties waarvan de elementen temporeel specifiek zijn, d.w.z. een specifieke duurzaamheid hebben. Binnen en door deze geografische configuraties en ruimtelijke structuren worden klassenverhoudingen geconstitueerd. In de transformationele klassenanalyse staat daarom vanaf het begin de tijd-ruimtelijke constitutie van klassenstructuren centraal.

    Ik sluit op dit punt aan bij het werk van de tijd-ruimte geografen zoals Hägerstrand, Gregory, Carlstein, Park, Thrift. Vgl. Cohen [1990:39]. Een systematische verbinding tussen ruimtelijke ontwikkeling en klassenformatie wordt voor het 19e eeuwse Engeland gelegd door: Dennis [1984] en voor het huidige kapitalisme door: Bugguley e.a. [1990], Thrift/Williams [1987].

    Individuen blijven de enige ‘bewegende objecten’ in klassenverhoudingen; daarom kan niet worden geabstraheerd van de motieven en redenen welke individuen in staat stellen in het sociale klassenleven te participeren. Klassenstructuren bestaan alleen in en door de handelingen die zij reguleren (mogelijk maken en beperken). Klassenstructuren kunnen net als magnetische velden slechts worden waargenomen in hun effecten, dat wil zeggen in de wijze waarop zij het klassenhandelen van actoren structureren. Klassenstructuren bestaan slechts in hun actuele of potentiële effecten op menselijk handelen.

    Anderzijds bestaat het klassenhandelen van actoren niet onafhankelijk van klassenstructuren: het klassenhandelen van actoren wordt principieel opgevat als door klassenstructuren bepaald handelen. Het actuele klassenhandelen van individuen en groepen wordt structureel gelimiteerd door tijd-ruimtelijk gesedimenteerde (geobjectiveerde en relatief sociaal gestabiliseerde) klassensystemen. De diachronische en synchronische gelijktijdigheid van klassenstructuren en klassenhandelen kan het meest pregnant worden uitgedrukt in het begrip handelingsstructurering. Het kennisobject van een transformationele klassentheorie is klassenspecifieke handelingsstructurering.

  2. Een transformationeel model van klassenspecifieke handelingsstructurering zou minstens in de volgende opzichten moeten worden gespecificeerd.
    • Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt naar de niveaus waarop klassenhandelen en klassenstructuren worden geanalyseerd. Dit vereist een specificatie van de abstractieniveaus waarop de structurering van klassenhandelen wordt geanalyseerd en van de analyse-eenheden die in empirisch-historisch of sociologisch onderzoek worden afgebakend [zie eerder hoofdstuk III, § 1]. De hypothesen en stellingen die in dit boek worden geformuleerd, zijn voornamelijk van zeer algemene aard: zij claimen geldigheid voor meerdere maatschappijformaties. Op een aantal onderdelen wordt dit abstractieniveau verlaagd tot een bijzondere maatschappijformatie, met name tot kapitalistische maatschappijformaties. Ter illustratie van mijn analyse zal ik af en toe meer specifiek historische referenties geven.

    • Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende niveaus waarop klassenhandelen is gestructureerd. Daarom zal er hier en in de volgende hoofdstukken een — al eerder aangekondigd — onderscheid worden gemaakt tussen vijf structureringsniveaus van klassenhandelen: (a) de objectieve klassenposities, (b) de sociale klassen, (c) de klassenspecifieke habitus en levensstijlen, (d) de handelingsoriëntaties en vormen van klassenbewustzijn, en (e) een aantal specifieke voorwaarden voor de ontwikkeling van klassenbewustzijn en politiek klassenhandelen. Het totale proces van klassenspecifieke handelingsstructurering kan dus methodisch-analytisch worden opgesplitst in deze vijf op elkaar aansluitende en onderling nauw verbonden structureringsprocessen.

      De mogelijkheden van dit heuristische model komen in de rest van dit studie nog uitvoerig aan de orde. Ik probeer aannemelijk te maken en te demonstreren dat met dit model een betere, meer consistente en gedifferentieerde klassentheorie geconstrueerd kan worden. Alle tot nu toe bekende theorieën lijden in zekere zin aan hetzelfde euvel: zij zijn ondercomplex omdat zij feitelijk te zeer zijn geconcentreerd op één of slechts een aantal niveaus of mechanismen van klassenstructurering en omdat het (meestal impliciet veronderstelde) structureringsmodel veel te ongedifferentieerd is.

      Ik zal bovendien aannemelijk proberen te maken dat dit model van handelingsstructurering gebruikt kan worden om een aantal knelpunten in het empirische en historisch-vergelijkende onderzoek naar klassenverhoudingen en processen van klassenformatie op te lossen.

      Om deze beide claims waar te maken worden eerst de genoemde structureringsniveaus zo duidelijk mogelijk afzonderlijk gedefinieerd en van elkaar afgebakend. Hierdoor wordt het enerzijds mogelijk het totale proces van klassenstructurering op te splitsen in zes constitutieve mechanismen die vervolgens afzonderlijk onder de loupe genomen kunnen worden:

      1. processen van exploitatie: constitutief voor het ontstaan van uitbuitingsposities;
      2. processen van stabilisatie van uitbuitingsposities: constitutief voor het ontstaan van klassenposities;
      3. processen van allocatie van individuen op klassenposities: constitutief voor het ontstaan van sociale klassen;
      4. processen van socialisatie van leden van sociale klassen: constitutief voor het ontstaan van klassenhabitus en klassenspecifieke levensstijlen;
      5. processen van articulatie van klassenspecifieke doelen: constitutief voor het ontstaan van klassenbewustzijn, en
      6. processen van organisatie en mobilisatie: constitutief voor het ontstaan van politiek klassenhandelen.
          Bij het laatste niveau van organisatie en mobilisatie reken ik ook de door Bader [1991 - hft. X en XI] apart benoemde en uitgewerkte niveau van ‘de externe handelingskansen’ en van ‘de interacties in en de dynamiek van conflicten’. In hoofdstuk XV, § 2 kom ik hier nog op terug.
      Anderzijds wordt het hierdoor mogelijk de telkens specifieke resultaten van deze klassenconstitutieve mechanismen —die hiervoor kort zijn aangeduid— duidelijk van elkaar te onderscheiden. In de tweede worden er een aantal hypothesen geformuleerd met betrekking tot de verbindingen tussen deze niveaus, mechanismen en resultaten van handelingsstructurering [zie voor een synthetisch overzicht van de niveaus, mechanismen en resultaten van structurering van klassenhandelen: figuur 17_1 in hoofdstuk XVII].

    • Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende niveaus van maatschappelijke handelingscontexten en klassenhandelingen, dat wil zeggen de niveaus waarop klassenhandelen wordt geïntegreerd [hoofdstuk III, § 2.3]. Daarom zal ik een onderscheid maken tussen maatschappelijke, organisationele en interactionele niveaus van handelingsintegratie. Bovendien moeten de onderlinge relaties tussen deze drie niveaus van handelingsintegratie nader worden gepreciseerd. In § 3 van dit hoofdstuk wordt hiermee een begin gemaakt.

    • Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de mechanismen waardoor klassenstructuren worden gegenereerd (grondslagen of oorzaken van klassenstructuren), de mechanismen waardoor klassenstructuren worden gestabiliseerd (stabilisatie/destabilisatie van klassenstructuren) en de mechanismen waardoor klassenstructuren worden gegarandeerd (garantie/ transformatie van klassenstructuren). Deze mechanismen worden in hoofdstuk XVI worden behandeld.

      Al deze methodisch-theoretische onderscheidingen en begrippen zijn in het volgende overzicht schematisch in kaart gebracht. Het zijn de bouwstenen van, of beter: de steigers voor de constructie van een coherente transformationele klassentheorie.

      Figuur 5_1: Model van transformationele klassenanalyse

      Abstractie-
      niveaus
      Niveaus waarop klassenhandelen en klassenstructuren worden geanalyseerd.
      1. Algemene klassentheorieën
      2. Formatiespecifieke klassentheorieën
      3. Veldspecifieke klassentheorieën.
      Analyse-
      eenheden
      Eenheden van empirisch sociologisch of historisch onderzoek.
      1. Specifieke maatschappijformaties
      2. Omvattende politiek soevereine eenheden of feitelijk sociaal geïntegreerde eenheden: zoals stammen, nationale staten, imperia, staatssystemen binnen culturen en wereldsystemen)
      3. Politiek of maatschappelijke afhankelijke subsystemen: zoals staten in wereldsystemen; naties in imperia; deelstaten, regio’s, provincies, gemeentes etc.;
      4. families;
      5. huishuidelijke eenheden
      6. klasse-exemplarische individuen.
      Structurerings-
      niveaus van klassen-
      handelen
      Niveaus waarop klassenhandelen is gestructureerd.
      1. de objectieve klassenposities
      2. de sociale klassen
      3. de klassenspecifieke habitus en levensstijlen
      4. de handelingsoriëntaties en vormen van klassenbewustzijn, en
      5. specifieke voorwaarden voor de ontwikkeling van klassenbewustzijn en politiek klassenhandelen.
      Constitutieve processen Processen waardoor structureringsniveaus van klassenhandelen tot stand komen.
      1. processen van exploitatie: constitutief voor het ontstaan van uitbuitingsposities;
      2. processen van stabilisatie van uitbuitingsposities: constitutief voor het ontstaan van klassenposities;
      3. processen van allocatie van individuen op klassenposities: constitutief voor het ontstaan van sociale klassen;
      4. processen van socialisatie van leden van sociale klassen: constitutief voor het ontstaan van klassenhabitus en klassenspecifieke levensstijlen;
      5. processen van articulatie van klassenspecifieke doelen: constitutief voor het ontstaan van klassenbewustzijn, en
      6. processen van organisatie en mobilisatie: constitutief voor het ontstaan van politiek klassenhandelen.
      Niveaus van handelings-
      integratie
      Niveaus waarop klassenhandelen wordt geïntegreerd. Interactioneel niveau
      Organisationeel niveau
      Maatschappelijk niveau
      Mechanismen
      van generatie, stabilisatie en garantie
      Mechanismen waardoor klassenstructuren in stand worden gehouden en zich reproduceren, of waardoor zij juist veranderen en transformeren. Mechanismen van stabilisatie
      Mechanismen van garantie
      Mechanismen van destabilisatie
      Mechanismen van transformatie

    • In een klassenspecifieke theorie van handelingsstructurering moeten tenslotte de structureringsmodi (modi van structurele causaliteit) worden gepreciseerd; hiermee kunnen de specifieke causale relaties in het verklaringsmodel worden gedefinieerd. De specifieke kenmerken van het structurele causaliteitsbegrip en de diverse structureringsmodi worden in hoofdstuk XVII uitvoeriger besproken.
Index3. Integratieniveaus van klassenhandelen

3·1 Stelling en afbakening
Klassenposities en sociale klassen worden primair gedefinieerd in termen van structurele posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen en niet als heerschappijposities binnen (arbeids-)organisaties of als interactieposities binnen de directe sociale relaties. Heerschappijposities en interactieposities worden door klassenposities gestructureerd en niet omgekeerd. Klassenposities en sociale klassen kunnen niet gereduceerd worden tot heerschappijposities in organisaties of tot ongelijke interactieposities, en kunnen van daaruit ook niet worden gedefinieerd en verklaard. In de transformationele klassenanalyse wordt er methodisch van uitgegaan dat het hogere integratieniveau het lagere niveau structureert, maar niet volledig vastlegt.

In deze stelling ligt in de eerste plaats een afbakening besloten ten opzichte van elite- en conflicttheoretische benaderingen waarin klassen uitsluitend of primair worden gedefinieerd in termen van heerschappij- of gezagsposities binnen organisaties.

In de tweede plaats impliceert deze stelling een afbakening ten opzichte van symbolisch-interactionistische en ruiltheoretische benaderingen waarin klassen uitsluitend of primair worden opgevat als interactieposities binnen netwerken van sociale relaties of directe contacten [hft. III, § 2·3].

In de derde plaats ligt in deze stelling een afbakening besloten ten opzichte van synthetische benaderingen waarin voor de identificatie van klassenposities en klassen zowel maatschappelijke, organisationele als interactionele aspecten worden gehanteerd. Het gebruik van gecombineerde criteria is bijvoorbeeld kenmerkend voor de aanpak van Bourdieu, die overigens wel een duidelijk onderscheid maakt tussen het interactionele en maatschappelijke niveau van handelingsintegratie, maar het organisationele niveau buiten beschouwing laat [Bourdieu 1989:143].

Ten vierde ligt in deze stelling een afbakening besloten ten opzichte van benaderingen waarin bij de afbakening van klassenposities en klassen uitsluitend aandacht wordt besteed aan posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen en de betekenis van ‘macht en heerschappij’ in arbeidsorganisaties wordt genegeerd. John Roemer, de marginalistische economen en zeer veel neo-weberianen behandelen de uitbuitingsrelaties in kapitalistische arbeidsverhoudingen uiterst gereduceerd. Dit is een van de redenen waarom ik de definitie van klassenposities niet uitsluitend tot het maatschappelijke niveau zal beperken.

Ten vijfde impliceert deze stelling een afbakening ten opzichte van structureel-deterministische benaderingen (waarin op de lagere integratieniveaus geen handelingsspeelruimtes meer overblijven) en handelingsvoluntaristische benaderingen (waarin wordt voorbijgegaan aan de structurele begrenzing van handelingsmogelijkheden op lagere integratieniveaus). Deze beide benaderingen negeren of verabsoluteren de speelruimtes voor en de eigensoortige dynamiek van organisatorische en interactionele structureringen.

Ten zesde impliceert deze stelling een globale en een specifieke afbakening binnen de marxistische traditie. De meest systematische constructies van het klassenbegrip in de marxistische traditie waren bijna altijd op een hoog abstractieniveau geformuleerd en beperkten zich in de regel tot het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie. De interventies van de elitisten (in het voetspoor van Pareto, Mosca en Michels) en de managerialisten (in navolging van Burnham) hebben tot gevolg gehad dat het probleem van de organisationele klassenverhoudingen in de marxistische traditie wel wordt onderkend (Low-Beer, Scott, Clegg/Dunkerley, Salaman), maar hebben nog niet geleid tot een systematische integratie van het organisationele niveau in de klassentheorie.

Wat hierbij in het bijzonder ontbreekt is een gedetailleerde, niet-reductionistische analyse (i) van de wijze waarop maatschappelijke klassenverhoudingen de heerschappijposities in arbeidsorganisaties structureren (limiteren en mogelijk maken), (ii) van de relatief autonome betekenis van deze organisationele klassenrelaties, en (iii) van de voorwaarden waaronder actoren op dit lagere integratieniveau zodanig ‘anders’ kunnen handelen, dat zij de parameters van het hogere integratieniveau kunnen transformeren. Hetzelfde kan gezegd worden van de interactionele aspecten van klassenverhoudingen. Hoewel Weber zijn begrip van ‘verwervingsklasse’ op het maatschappelijk niveau van handelingsintegratie formuleerde, spelen in zijn —slecht gedefinieerde— begrip van ‘sociale klassen’ ook interactionele aspecten een rol [Benschop 1987/2017: § 3; 1987b:46 e.v.]. Deze werden vervolgens door Schumpeter [1927], Warner [1945], de daarop aansluitende gemeenschapsstudies en in de symbolisch-interactionistische en ruiltheoretische benaderingen tot kern van hun klassendefinities gemaakt [zie eerder hft. III, § 2·3].

Al deze interventies hebben binnen de marxistische onderzoekstraditie wel geleid tot een verscherpt probleembewustzijn van de betekenis van interactionele klassenverschijnselen (Wright, Bourdieu), die in marxistische geschiedschrijving natuurlijk al sinds Marx lang en breed geanalyseerd werden, maar niet tot een systematische integratie van deze problematiek in een naar aggregatieniveaus gedifferentieerde klassentheorie. De specifieke lacunes die dit met zich meebrengt, kunnen op analoge wijze worden geformuleerd zoals zojuist voor het organisationele aspect is gedaan.

Erik Olin Wright: micro- en macroconcepten
Wright definieert klassenposities eenduidig op het niveau van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen. In zijn recente heroverwegingen bij het begrip klassenstructuur gaat hij in op “the level of aggregation of social phenomena to which the concept refers” [Wright 1989:274]. Hij grijpt daarbij terug op een uit de sociologische literatuur bekend onderscheid tussen micro- en macro-concepten.
    “As a macro-level concept, class structures are meant to describe a crucial property of whole societies. ... As micro-level concept, on the other hand, class structures define a set of ‘locations’ filled by individuals” [idem].
Wright merkt terecht op dat het micro-macro onderscheid niet verward moet worden met het onderscheid abstract-concreet. Niveaus van handelingsintegratie zijn geen abstractieniveaus van analyse, ook al lijken micro-analyses vaak concreter dan macro-analyses omdat zij over ‘individuen’ gaan. Het is echter zeer wel mogelijk abstracte begrippen te ontwikkelen voor micro-analyses — dit geldt zowel voor ‘rational actor models’ als voor theorieën over sociale netwerken van interacties [zie Bader/Benschop 1988:146 e.v. voor een protheoretische, en dus abstracte, verhandeling over sociale relaties in aansluiting bij Bourdieu 1980, 1981, 1986/89 en Boissevain 1974; zie uitvoeriger hoofdstuk IX]. Net zoals het omgekeerd ook heel goed mogelijk is om concrete begrippen te ontwikkelen voor macro-analyses (zoals vaak gebeurt in historisch-vergelijkende analyses van institutionele ontwikkelingen).

Een eerste bezwaar tegen de benadering van Wright is dat hij slechts twee niveaus van handelingsintegratie of -aggregatie onderscheidt en het organisationele niveau niet systematisch in zijn theorie integreert. Dit is des te merkwaardiger omdat hij erop staat dat “the analysis of domination should be systematically linked to exploitation” [Wright 1989:304] en in zijn typologie van uitbuitings- en klassenposities een aparte plaats heeft ingeruimd voor ‘organizational exploitation’ [Wright 1985:78; 1989:310].

Een tweede bezwaar betreft de terminologie waarin Wright het onderscheid tussen de aggregatieniveaus van klassenhandelen probeert te denken. Het denken in termen van macro- en microniveaus heeft al veel langer het nadeel dat het wordt geassocieerd met het onderscheid tussen abstract en concreet (en dus verward wordt met de abstractieniveaus waarop de structurering van klassenhandelen geanalyseerd kan worden) en dat het bovendien wordt geassocieerd met het onderscheid tussen abstracte structuren en concreet handelende individuen. Hierdoor wordt de hele ratio van de analyse van handelingsstructurering, die juist wil breken met de dichotomie van structuur versus handelen, van structuurtheorie versus handelingstheorie, alsnog ondergraven. Als men ondanks deze bezwaren toch wil vasthouden aan het onderscheid tussen het micro- en macroniveau, zou men van de nood nog een deugd kunnen proberen te maken door tussen deze niveaus ook nog een mesoniveau in te voegen.

Index


3·2 Drie niveaus van handelingsintegratie
Net als alle andere vormen van sociale ongelijkheid kunnen klassenongelijkheid en klassenstructuren op verschillende niveaus van maatschappelijke handelingsintegratie worden geanalyseerd [hoofdstuk III, § 2·3]. Zowel voor de theoretische afbakening van het klassenbegrip als voor het ontwerp van onderzoeksstrategieën is het uitermate vruchtbaar om vast te houden aan het algemene inzicht dat er een analytisch onderscheid gemaakt kan worden tussen maatschappelijke, organisationele en interactionele niveaus van handelingsintegratie.
  1. Maatschappelijk niveau
    Op het hoogste niveau van handelingsintegratie worden klassen gedefinieerd in termen van structurele posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen die gekenmerkt worden door een ongelijke beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen, waardoor duurzame en geïnstitutionaliseerde toeëigening van meerarbeid mogelijk is [zie hoofdstuk IV, § 2·2·3].

    Voor de klassenanalyse zijn de maatschappelijke arbeidsverhoudingen in de brede zin van het woord [hoofdstuk VI, § 2] het meest omvattende sociale systeem van alle klassenspecifieke handelingen en handelingscontexten die feitelijk en communicatief op elkaar zijn betrokken. De in en door deze arbeidsverhoudingen gestructureerde klassenposities kunnen niet tot ongelijke organisatie- en interactiekansen worden gereduceerd en kunnen van daaruit ook niet worden verklaard. Heerschappijposities en interactieposities worden dus door in exploitatieve arbeidsverhoudingen verankerde klassenposities gestructureerd en niet omgekeerd. Hierop is de stelling gebaseerd dat klassen primair in termen van uitbuitingsposities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen gedefinieerd moeten worden.

  2. Organisationeel niveau
    Op het middenniveau van handelingsintegratie worden klassen gespecificeerd in termen van structurele posities in arbeidsorganisaties die gekenmerkt worden door een ongelijke verdeling van beslissingscompetenties, waardoor een duurzame en geïnstitutionaliseerde heerschappij over ondergeschikte organisatieleden (‘onderdrukking’) mogelijk is.

    Op dit tussenniveau van handelingsintegratie zijn de klassenspecifieke handelingen feitelijk en communicatief op elkaar betrokken via de geformaliseerde regels welke voortvloeien uit het lidmaatschap van een arbeidsorganisatie; de grenzen van deze handelingen en communicaties worden bepaald door de aard en de specifieke eigenschappen van het lidmaatschap. De kansen voor illegitieme heerschappij en onderdrukking in geformaliseerde arbeidsorganisaties worden weliswaar voorgestructureerd door de maatschappelijke arbeidsverhoudingen, maar kunnen hiertoe niet worden gereduceerd en kunnen van daaruit ook niet volledig worden afgeleid.

    Historisch gezien heeft de toenemende betekenis van geformaliseerde organisatieposities en -structuren er juist toe geleid dat handelingen en communicaties in arbeidsorganisaties zich tot op bepaalde hoogte kunnen losmaken van de daaraan ten grondslag liggende (dat wil zeggen structureel veronderstelde en logisch —niet chronologisch!— voorafgaande) maatschappelijke klassenstructuren.

    De functionele differentiatie en de mate van empirische scheiding tussen ‘eigendom’ en ‘beheer’ is hiervan het meest kenmerkende en meest besproken voorbeeld. Maurice Zeitlin [1989] geeft scherpe analyse van de betekenis van dit onderscheid. In zijn gedetailleerde studies naar grote Amerikaanse ondernemingen toont hij aan dat “the absense of control by proprietary interest in the largest corporations is by no means an ‘unquestionable’, ‘incontrovertible’, ‘singular’, or ‘critical’ social ‘fact’”. Tegenover de sinds Berle en Means gangbare legitimatielegendes stelt hij dat “the ‘separation of ownership and control’ may well be one of those rather critical, widely accepted, pseudofacts which all sciences occasionally have found themselves burdened and bedeviled” [idem:37]. Dit brengt hem echter geenszins in de verleiding voorbij te gaan aan nieuwe ontwikkelingen op het gebied van organisationele klassenverhoudingen. Integendeel, hij bepleit en geeft zelf een aanzet voor gedetailleerde studies naar de institutionele en klassenverhoudingen waarin grote ondernemingen gesitueerd zijn:
    • de specifieke samenstelling en ontwikkeling van het aandelenpakket binnen een onderneming en de hierin versleutelde verbindingen met andere ondernemingen;
    • de specifieke vormen van personele unies (netwerken van dubbelfuncties) tussen directies van ondernemingen, en tussen managers en directeuren en preferentie aandeelhouders;
    • de connecties met banken die niet alleen als financiële instituties figureren, maar ook als actoren van gespecificeerde eigendomsbelangen (inclusief degenen die de banken zelf controleren);
    • het netwerk van ‘intercorporate’ en ‘principal common shareholdings’ enz.

    Zie voor Nederland: Stokman e.a. [1985], Fennema/Schijf [1978/9], Fennema [1976,1982], Van Hezewijk [1988]. Zie ook: Scott [1979, 1986], Clegg/Dunkerly [1980], Bottomore/Brym [1989], Scase [1992] en de bijdragen van Morgan, Marceau en Melin in de bundel van Clegg [1989].

    Posities in arbeidsorganisaties die het mogelijk maken om democratisch illegitieme heerschappij (=onderdrukking) uit te oefenen zijn de grondslag voor eliteposities en niet voor klassenposities.

      “Elites zijn positionele groepen en potentiële handelingscollectieven die superieure of heersende posities bezetten in de geformaliseerde verdeling van beslissingscompetenties in organisaties” [Bader/ Benschop 1988:199].
    Op deze wijze kan een duidelijk analytisch onderscheid worden gemaakt tussen uitbuitingsposities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen en gezags- of heerschappijposities in arbeidsorganisaties.
      Zie voor een afbakening van het in deze studie gehanteerde democratisch basisprincipe hft. II, § 1·1. Het onderscheid tussen heerschappij en onderdrukking en het onderscheid tussen heerschappijposities en eliteposities komt in hft. VIII, § 4 aan de orde.

    De uitoefening van illegitieme heerschappij kan echter gemakkelijk leiden tot het ontstaan van uitbuitingsrelaties. Als en voor zover geïnstitutionaliseerde en geformaliseerde heerschappijposities leiden tot structurele uitbuiting of hiertoe bijdragen (‘organisationele uitbuiting’), dan kunnen deze ook analytisch als klassenposities worden behandeld. Dit is een logische consequentie van het feit dat de definitie van klassenposities die hier wordt gegeven is gecentreerd rond uitbuiting. Dit is een van de redenen waarom ik de definitie van klassenposities niet uitsluitend tot het maatschappelijke niveau beperk. In hoofdstuk VIII kom ik uitvoeriger terug op begrip en betekenis van organisationele uitbuiting.

  3. Interactioneel niveau
    Op het laagste en laatste niveau van handelingsintegratie worden klassenverhoudingen gespecificeerd in termen van structurele posities in interactienetwerken die gekenmerkt worden door exclusieve onderlinge relaties van de interactiegroep en door uitsluitende en discriminerende relaties tot de niet-leden.

    Het interactionele niveau is het minst omvattende sociale systeem van alle klassenspecifieke handelingen en communicaties die zich voltrekken in directe, fysieke aanwezigheid van de actoren. De netwerken van sociale associaties worden zowel door maatschappelijke klassenverhoudingen als door organisationele verhoudingen gestructureerd, maar niet volledig vastgelegd.

    Exclusieve posities in interactienetwerken kunnen daarom niet volledig worden gereduceerd tot ongelijke machtskansen in arbeidsorganisaties of tot klassenposities en zij kunnen van daaruit ook niet volledig worden verklaard. De ongelijke posities in netwerken van sociale relaties zijn weliswaar klassenmatig gestructureerd, maar zijn als zodanig geen klassenposities.

    Selectieve associaties zijn het resultaat van sociale discriminatie. Dit is een type van asymmetrische macht waardoor de op democratisch illegitieme wijze uitgeslotenen worden beroofd van relatiekansen en van de daaraan verbonden voordelen. Discriminatie in persoonlijke interacties kan echter — net als geïnstitutionaliseerde onderdrukking in arbeidsorganisaties — onder bepaalde voorwaarden wel degelijk leiden tot of bijdragen aan substantiële uitbuitingsrelaties.

    Dit is met name waarschijnlijk in netwerken van sociale relaties tussen individuen of groepen die over substantieel ongelijke bronnenpotentiëlen beschikken, dat wil zeggen in patronageverhoudingen, tussen (bronrijke en machtige) patroons en hun (bronarme en afhankelijke) clientèle.

    Wanneer en voor zover geïnstitutionaliseerde exclusieve posities in interactienetwerken leiden tot structurele uitbuiting, kunnen deze posities als klassenposities worden behandeld. Ook dit is een reden waarom de definitie van klassenposities hier niet uitsluitend tot het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie wordt beperkt.

    In hoofdstuk IX worden de interactionele uitbuitingsvormen behandeld welke zich in patronageverhoudingen kunnen ontwikkelen. In hoofdstuk XI, § 4 kom ik uitvoeriger terug op de betekenis van selectieve associaties die door — maatschappelijke en organisationele — klassenverhoudingen zijn voorgestructureerd (‘klassenspecifieke associaties’ of ‘klassengemeenschappen’).

Index


3·3 Theoriestrategische voordelen
De maatschappijtheoretische onderbouwing en de theoriehistorische afbakening van het onderscheid tussen de niveaus van handelingsintegratie blijven hier verder buiten beschouwing.

Ik beperk me hier tot een schets van de theoriestrategische voordelen die aan dit onderscheid verbonden zijn.

Voor het ontwerpen van klassentheorieën lijkt het methodisch gezien het meest vruchtbaar ervan uit te gaan dat het hogere systeem- en integratieniveau het lagere structureert (maar niet determineert in de zin dat maatschappelijke structuren de organisatiestructuren vastleggen en dat organisatiestructuren volledig bepalend zouden zijn voor directe interacties).

Het hogere integratieniveau structureert het lagere doordat het de handelingsmogelijkheden en -vrijheden op dit lagere niveau limiteert; het limiteert de reeks opties die op dit lagere handelingsniveau voor de actoren beschikbaar zijn.

Op het lagere integratieniveau zijn actoren echter altijd in staat om ‘anders te handelen’ (transformatieve activiteit). Op deze wijze wordt rekening gehouden met de speelruimtes voor en de eigensoortige dynamiek van organisatorische en interactionele structureringen. Een dergelijke benadering laveert tussen de Scylla van het structureel-determinisme (waarin op de lagere integratieniveaus geen handelingsspeelruimtes meer overblijven) en de Charibdis van het handelingsvoluntarisme (waarin wordt voorbijgegaan aan de structurele begrenzing van handelingsmogelijkheden op lagere integratieniveaus).

De samenhang tussen de niveaus van handelingsintegratie is complex. Het maatschappelijke, organisationele en interactionele integratieniveau vormen samen een geneste hiërarchie, waarbij het hogere niveau de aanwezigheid van lagere niveaus veronderstelt en waarbij de structurering van het gehele handelingscomplex vaak in zijn delen is terug te vinden.

Dit betekent echter niet dat de specifieke structuren van het hogere integratieniveau zich op een lager integratieniveau simpel herhalen, zodat er op de verschillende integratieniveaus identieke patronen bestaan. Ook in dit opzicht kan men een maatschappij niet vergelijken met een sneeuwvlokje, varen of bloemkool, waarin —volgens Sheldrake [1988]— een bepaald organisatiepatroon zich telkens binnen dezelfde structuur herhaalt.

Rupert Sheldrake’s theorie van de vormvelden
In Einstein’s relativiteitstheorie wordt een veld gedefinieerd als een bepaalde toestand waarin de ruimte zich bevindt. Een veld bepaalt de kans dat op een bepaald punt in de ruimte een energiedeelte (quantum) zal worden aangetroffen. Een essentiële eigenschap van vormvelden is dat zij intrinsiek probabilistisch zijn. Het zijn geen scherp van elkaar afgebakende velden, maar ‘waarschijnlijkheidsstructuren’.

Vertaald naar de klassenanalyse zou men kunnen zeggen: op elk niveau van handelingsintegratie zijn de velden van klassenhandelen probabilistisch. Hogere niveaus van handelingsintegratie reageren zodanig op lagere niveaus dat hun waarschijnlijkheidsstructuren worden gemodificeerd. Het hogere niveau van handelingsintegratie modificeert dus het indeterminisme dat de lagere integratieniveaus zouden vertonen wanneer zij geïsoleerd zouden bestaan.

    “This can be thought of in terms of a restriction of their indeterminism: out of the many possible patterns of events that could have happenend, some now become much more likely to happen as a result of the order imposed by the higher-level field” [Sheldrake 1988:120 e.v.].

Sheldrake’s natuurkundige theorie van de vormvelden knoopt bij deze gedachte van Einstein aan [Sheldrake 1988:113 e.v.]. Hij ontwikkelt een algemene theorie van vormvelden (‘morphic fields’) en brengt deze in verband met de fractale structuren in de werkelijkheid [Vroon 1989:186,214,245].

Hij veronderstelt dat een bepaalde organisatie van de materie ontstaat via een veld dat de materie vormt. Dit heeft twee implicaties.

  1. Elke specifieke organisatie van de materie correspondeert met een bepaald veld. Dit geldt voor macro-organisaties (de structuur van het heelal) en voor micro-organisaties van de materie (het niveau van een atoom). Vormvelden zijn niet-materiële beïnvloedingssferen, het zijn media van ‘actie op afstand’ [idem: 78,97,100].

  2. Als materie zich op een hoger en complexer niveau organiseert, kan de ordening van het geheel vaak worden teruggevonden in zijn onderdelen. Veel vormvelden worden gekenmerkt door dergelijke ‘geneste hiërarchieën’ [idem:95,108]. Deze vertonen grote verwantschap met de principes van ‘zelfgelijkvormigheid’ die door de Mandelbrot-verzamelingen (fractals) worden gedemonstreerd. Een fractal is immers een meetkundige figuur, waarin een zekere mate van zelfgelijkvormigheid kan worden aangetroffen, dat wil zeggen dat een willekeurig klein deel van de fractal alle elementen van het geheel bevat [Lauwerier 1990; Vroon 1989:184 e.v.].

Index


3·4 Bij wijze van voorbeeld
De ongelijke verdeling van controle over materiële bronnen in de maatschappelijke arbeidsverhoudingen stelt structurele grenzen aan de posities die kunnen worden ingenomen op het niveau van arbeidsorganisatie. Degenen die op maatschappelijk niveau effectief beschikken over materiële arbeidsvoorwaarden hebben op het niveau van arbeidsorganisatie structureel de mogelijkheid om de ondernemerspositie te bezetten en daarmee de uiteindelijke beslissingsmacht in de betreffende organisatie uit te oefenen (of deze aan anderen te delegeren).

Voor degenen die van deze beschikkingsmacht zijn verstoken, is het structureel uitgesloten dat zij de ondernemerspositie innemen — hoewel het niet is uitgesloten dat loonafhankelijken gedelegeerde (operationele) ondernemersfuncties uitoefenen. Het is structureel waarschijnlijker dat zij de positie van afhankelijke loonarbeider zullen innemen, dat wil zeggen dat zij in de formele beslissingshiërarchie een ondergeschikte positie zullen innemen en dua niet democratisch kunnen meebeslissen over de structuur en doelstellingen van hun arbeidsorganisatie.

Deze limitering van organisationele patronen legt de handelingsmogelijkheden en -vrijheden binnen de arbeidsorganisatie echter niet volledig vast. Ondernemers kunnen hun positie in de arbeidsorganisatie door anderen laten bezetten of zij kunnen hun formele bevoegdheden aan anderen delegeren. Zij kunnen zelfs hun loonafhankelijken laten participeren in operationele beslissingen. Afhankelijke producenten kunnen de speelruimte voor organisationele variatie benutten om feitelijke machts- en tegenmachtsposities op te bouwen en meer of minder vergaande zeggenschaps- en controlerechten af te dwingen.

De organisationele verdeling van beslissingscompetenties stelt op haar beurt grenzen aan de mogelijke en waarschijnlijke sociale relaties die binnen deze organisatie kunnen worden aangeknoopt. Het ontstaan van klassenspecifieke netwerken van sociale relaties binnen arbeidsorganisaties wordt beïnvloed door de rigiditeit of flexibiliteit van de gezagsverhoudingen, de vrijheid van communicatie en informatie binnen en tussen arbeidscollectieven, en van de bewegingsvrijheid op de werkvloer.

Ook deze limitatie van collegiale interacties is echter geen deterministische aangelegenheid. Zelfs de meest rigide structuur van een arbeidsorganisatie laat altijd speelruimtes open voor collegiale contacten die ‘anders’, dat wil zeggen tégen deze organisatiestructuur gebruikt kunnen worden. De klassenspecifieke netwerken van sociale contacten kunnen dienen als grondslag of uitvalsbasis voor transformatieve activiteiten die de organisationele limieten (en daarmee de organisatiestructuur zelf) veranderen.

In het verlengde hiervan en op analoge wijze kunnen transformatieve activiteiten op het niveau van de arbeidsorganisatie er uiteindelijk toe leiden dat de parameters van het maatschappelijke integratieniveau worden gewijzigd, dat wil zeggen dat de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over materiële bronnen wordt hervormd of omgewenteld.

Het niet-deterministische karakter van de structurering van lagere door hogere niveaus van handelingsintegratie impliceert dat de structureel mogelijke en waarschijnlijke figuraties op het lagere integratieniveau niet per sé functioneel hoeven te zijn voor de structuur van het bepalende hogere integratieniveau. “...the range of structurally limited possibilities and the range of functional possibilities do not necessarily coincide” [Wright 1978:16].

Het is heel goed denkbaar (en niet louter denkbeeldig zoals de geschiedenis van arbeidsverhoudingen en arbeidersbeweging heeft laten zien) dat er netwerken van sociale relaties tussen werknemers ontstaan die niet functioneel of reproductief zijn voor de structuur van de arbeidsorganisatie. En het is eveneens mogelijk dat er typen arbeidsorganisaties ontstaan die de dominante structuur van maatschappelijke arbeids- en klassenverhoudingen juist niet reproduceren.

Er kunnen dus structurele contradicties en ongelijktijdigheden ontstaan tussen arbeidsverhoudingen en organisatievormen. Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, zal er ofwel een transformatie van de arbeidsverhoudingen optreden, of zullen de structuren van de arbeidsorganisatie zodanig worden veranderd dat zij weer reproductief zijn voor de arbeids- en klassenverhoudingen.

Dit is ook het geval wanneer het gaat om structurele contradicties tussen de formele arbeidsorganisatie en de interactionele netwerken: de arbeidsorganisatie zal op den duur zodanig veranderd moeten worden dat zij weer ‘past’ bij de krachtsverhoudingen die op interactioneel niveau zijn ontwikkeld, of de interactionele netwerken moeten zodanig worden veranderd (afgebroken, afgezwakt, afgeleid) dat zij de reproductie van de structuren van de arbeidsorganisatie niet meer in gevaar brengen.

Maatschappij, organisaties en persoonlijke netwerken zijn evenzeer proces als structuur. Actoren zijn geen atomen die opgesloten zitten in een kristallen structuur waar elke handeling gedetermineerd wordt door hun positie in die structuur. Het zijn actieve, doelgerichte actoren die permanent proberen om handelingsgrenzen te doorbreken of te verleggen.

Index


3·5 Onopgeloste problemen
In de klassenanalyse gaat het erom de relatieve verhouding tussen en de klassenstructurerende kracht van de maatschappelijke, organisationele en interactionele niveaus te onderzoeken. Hierbij doen zich een aantal problemen voor die met name in het empirisch onderzoek moeten worden opgelost.
  1. Klassenverhoudingen zijn zowel maatschappelijk, organisationeel als interactioneel gestructureerd en dienen dus op elk van deze niveaus geanalyseerd te worden. De feitelijke differentiatie tussen deze niveaus van handelingsintegratie is een historisch variabel gegeven. Wanneer bijvoorbeeld de betekenis van formele organisaties in maatschappelijke arbeidsverhoudingen toeneemt, zou ook de klassenstructurerende kracht van organisatieposities groter kunnen worden. En wanneer de persoonlijke omgangsvormen en leefstijlen sterker geïndividualiseerd zijn, laten ook relatief homogene klassenposities grotere rolcombinaties en -variaties in het individu toe dan de relatief gesloten standen van de oudere maatschappelijke ordening [Luhmann 1985:131,133,141 e.v.; Beck 1983; Featherstone 1991].

    Met dergelijke overwegingen moet met name sterk rekening worden gehouden bij vergelijkingen tussen processen van klassenformatie in verschillende nationale contexten. Zo hangt bijvoorbeeld de zeer uiteenlopende uitkomsten van de politiek-culturele formatie van de arbeidersklasse sterk samen met de specifieke aard van de staatsorganisaties (gecentraliseerde en geünificeerde ‘sterke’ staten versus gedecentraliseerde, gefragmenteerde of ‘zwakke’ staten) en met de aard van de communale gemeenschappen (gehomogeniseerde en collectivistische ‘sterke’ versus verspreide, geïndividualiseerde of ‘zwakke’ lokale klassengemeenschappen; mogelijkheden van politieke mobilisatie van buurtgemeenschappen).

      De specifieke aard van de staatsorganisaties is mede bepalend voor de mate waarin en de wijze waarop de nationale arbeidersbewegingen konden penetreren in (of zich laten pacificeren door) de burgerlijke rechtsstaat en de representatieve partijendemocratie. De specifieke aard van de lokale netwerken van klassenspecifieke relaties is mede bepalend voor de mate waarin en de wijze waarop de traditionele parochialisering van de arbeidersbeweging wordt overwonnen. Zie voor een comparatieve sociaal-historische benadering van deze kwesties: Katznelson [1981; 1985; 1986:34 e.v.].

  2. De ongelijkheidsstructurerende kracht van de verschillende niveaus van handelingsintegratie is niet alleen historisch variabel. Zij varieert ook naar de verschillende maatschappelijke activiteits- en arbeidsverhoudingen. Zo zou de klassenbepalende kracht van bijvoorbeeld organisationele en interactionele klassenongelijkheid verschillend kunnen zijn in arbeidsverhoudingen en in consumptieverhoudingen. Zo kan men verwachten dat bijvoorbeeld ongelijke interactiekansen in arbeidsverhoudingen een veel kleiner gewicht hebben dan ongelijke organisatieposities.

    Ongelijke interactiekansen zijn niet uitsluitend belangrijk in consumptieverhoudingen en in de daarbij direct aansluitende private levensverhoudingen van samenwonen en samenleven. Ongelijke interactiekansen in arbeidsverhoudingen zijn meestal nauw verbonden en verweven met verschillen van beroepsgebonden levensstijlen en culturen: zoals beroepsculturen, professionele attitudes en wijze van kleden en spreken, specifieke soorten van vrije tijdsbesteding, sport, ontspanning, vakanties, gebruik van specifieke genotmiddelen enz.

    Variabel soortelijk gewicht
    Het relatieve gewicht van ongelijke interactiekansen is enerzijds afhankelijk van de mate waarin deze activiteits- of arbeidsverhoudingen zijn geformaliseerd en verzakelijkt, anderzijds van de eigenschappen van deze activiteiten zelf [Bader/Benschop 1988:63].

    In sterk verzakelijkte, georganiseerde en gejuridiseerde verhoudingen (zoals bijvoorbeeld de verhoudingen van de materiële kapitalistische productie, van het politieke bestuur in de burgerlijke maatschappij) is de betekenis van ongelijke interactiekansen waarschijnlijk veel kleiner dan in verhoudingen die niet of nauwelijks zijn verzakelijkt, zoals bijvoorbeeld in erotische of emotionele verhoudingen. Maar ook in de meest verzakelijkte en gecommercialiseerde kapitalistische arbeidsverhoudingen moet de betekenis van interactionele structureringen zeker niet worden onderschat.

    Zie hiervoor de analyses van de beslissende betekenis van familierelaties voor de rekrutering en reproductie van economische elites [Zeitlin 1989, Van der Pijl 1986] en van persoonlijke contacten in werkcollectieven voor de syndicale en politieke organisatie van de arbeidersbeweging. Zie voor de invloed van ongelijke sociale relaties op kapitalistische arbeidsmarkten: Granovetter [1974,1982], Windolf/Hohn [1984], De Graaf/Flap [1988], Bader/Benschop [1988, hft. IV]. Zie voor de betekenis van cliques en sociale relaties in politieke beslissingsverhoudingen: Baehr e.a. [1978], Van den Berge/Fennema [1985].

  3. Structurele sociale ongelijkheden zijn het resultaat van uiteenlopende machtsprocessen. Vanuit het analytische perspectief van de niveaus van handelingsintegratie kan een onderscheid worden gemaakt tussen drie kwalitatief verschillende processen van asymmetrische machtvorming: uitbuiting, onderdrukking en discriminatie. Hieruit zou men kunnen afleiden dat er een niet toevallige verwantschap bestaat tussen ongelijkheid op maatschappelijk niveau en uitbuiting, tussen organisationele ongelijkheid en onderdrukking en tussen interactionele ongelijkheid en discriminatie [Bader/Benschop 1988:64].

    Zoals we nog zullen zien — met name in hoofdstuk VIII en IX — kan de analyse van uitbuitingsprocessen echter niet worden beperkt tot het niveau van de maatschappelijke handelingsintegratie. Organisationele en interactionele verhoudingen kunnen onder bepaalde condities wel degelijk leiden eigensoortige (niet tot maatschappelijke verhoudingen te reduceren) vormen van exploitatie en zelfs tot relatief stabiele klassenposities.

Anthony Giddens: sociale integratie en systeemintegratie
Giddens gebruikt een andere terminologie en maakt geen duidelijk onderscheid tussen interactionele, organisationele en maatschappelijke niveaus van handelingsintegratie [Giddens 1984:28,142]. In zijn diverse studies lijkt hij de niveaus van handelingsintegratie telkens te reduceren tot het interactionele en het maatschappelijke niveau (in zijn terminologie: sociale integratie en systeemintegratie). Het organisationele tussenniveau van handelingsstructurering heeft in zijn analyses geen systematische plaats.

In een bespreking van een aantal toepassingen van de structureringstheorie merkt Giddens op dat Patrick Burman in zijn onderzoek naar werkloosheid in Canada een onderscheid maakt tussen drie niveaus van handelingsintegratie: de ‘micro-sociale sfeer’ (individuen, gezinnen en groepen, vrienden), de ‘intermediaire gemeenschap’ (werklozenorganisaties, lokale vakbonden, lokale ondernemingen en sociale netwerken), en de ‘macro-sociale sfeer’ van grotere organisaties, inclusief staatsbureacratieën [Giddens 1991:214]. Hij trekt hieruit echter geen consequenties die tot een —mijns inziens noodzakelijke— precisering van zijn structureringstheorie zouden kunnen leiden.

      Vergelijk in dit verband ook zijn poging om een classificatie van ‘sociale systemen’ (netwerken, collectiviteiten, associaties) uit te werken: Giddens [1990:302 e.v.].

Giddens laat echter wel zien (i) dat er een verschil bestaat tussen sociale integratie in de zin van “systemness on the level of face-to-face interaction” en systeemintegratie in de zin van “connections with those who are physically absent in time or space” [idem:28], en (ii) dat maatschappijen verschillen in de wijze van institutionele articulatie en dat daarom “the modes of intersection of presence and absence that enters into their constitution can be expexted to vary” [idem:142].

* “Whereas social integration refers to the more or less orderly or conflicting relationships between the actors of a society, system integration refers to the more or less functional or contradictory relationships between its institutional subsystems [Lockwood 1992:377 - en eerder in 1964]. In zijn theorie van het communicatieve handelen maakt Habermas [1981:150] een onderscheid tussen twee soorten maatschappelijke handelings-mechanismen: ruil- en machtsmechanismen vs. consensusvormende mechanismen (die leiden tot een gedeeld begrip over waarden, normen en talige communicatie). Beide mechanismen produceren maatschappelijke orde vanuit interacties; hun werkwijze kan echter bepaald worden aan de hand van handelingsstructuren. “Terwijl de mechanismen van sociale integratie aansluiten bij handelingsoriëntaties, grijpen de mechanismen van systeemintegratie achter de handelingsoriëntaties om en integreren ze handelingsgevolgen …”. Parallel hiermee worden twee mechanismen van stabilisatie onderschei-den: “Sociale integratie is afhankelijk van criteria van interne stabilisatie, van de instandhouding van individuele en groepsidentiteiten welke gerelateerd zijn aan datgene wat de actoren zichzelf toeschrijven. Systeemintegratie is afhankelijk van criteria van externe stabilisatie, van de instandhouding van de grenzen van een systeem tegenover zijn omgeving” [idem].
Ik heb al eerder opgemerkt (in hoofdstuk III, § 3) dat het door Lockwood geïntroduceerde en door Habermas uitgewerkte onderscheid tussen sociale en systeemintegratie niet moet worden verward met de wijze waarop Giddens dit onderscheid hanteert. Bij Lockwood en Habermas refereert systeemintegratie aan holistisch opgevatte systeemeigenschappen.* Giddens blijft de nadruk leggen op het gestructureerde karakter van praktijken: systeemintegratie impliceert sociale reciprociteit tussen actoren op afstand. Giddens maakt dus een ander onderscheid tussen sociale integratie en systeemintegratie.

  • Sociale integratie refereert bij hem aan een face-to-face reciprociteit tussen actoren die elkaar ontmoeten in omstandigheden van ‘co-presence’ (en daarbij een aandacht voor de praxis in situ behouden).

  • Systeemintegratie refereert aan reciprociteiten tussen afwezige actoren, dat wil zeggen actoren die fysiek en/of temporeel in verschillende contexten zijn gesitueerd, welke de mogelijkheid van intersituationele articulatie van systemische patronen toelaten.
Álle geordende patronen impliceren een bepaalde institutionalisering van sociale integratie. Kleinschalige systemen (zoals stammen, kerngezinnen en gemeenschapsgroepen) kunnen volledig op deze wijze zijn georganiseerd. Grootschalige patronen impliceren echter altijd een bepaalde sociale integratie in specifieke contexten, gekoppeld aan modi van systeemintegratie die de ene context verbinden met de andere contexten.

In segmentair georganiseerde tribale maatschappijen is de dorpsgemeenschap de belangrijkste lokale eenheid waarbinnen ontmoetingen tot stand komen en waarin deze tijd-ruimtelijk worden geconstitueerd. In deze maatschappijen hebben directe sociale interacties meestal een veel grotere invloed dan meer afstandelijke relaties.

In segmentaire samenlevingen zijn sociale en systeemintegratie gefuseerd. Deze fusie is echter nooit volledig: hoe klein of schijnbaar geïsoleerd een samenleving ook moge zijn, er is altijd een —min of meer losse— verbinding met meer omvattende intermaatschappelijke systemen. In klassenmaatschappijen zijn sociale en systeemintegratie gedifferentieerd. Zie ook zijn uitwerking van de structurele principes voor tribale, in klassen gedeelde en klassenmaatschappijen: Giddens [1984a:181 e.v.].

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 13 September, 2013