Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 1 Inleidende schermutselingen

IV. Sociale ongelijkheid en klassen

  1. Sociale ongelijkheid
    1.1 Natuurlijke en sociale ongelijkheid
    1.2 Sociale differentiatie en sociale ongelijkheid 1.3 Positionele en allocatieve ongelijkheid
    1.4 Incidentele en structurele ongelijkheid
  2. Klassen als verklaringsgrond voor sociale structuur en verandering
    2.1 Elementen van een onderzoeksprogramma
    2.2 Harde kern Literatuur
© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

In dit hoofdstuk wordt eerst het begrip klasse afgebakend van het meer omvattende begrip sociale ongelijkheid. Klassenongelijkheid is een bijzondere vorm van sociale ongelijkheid. En daarom worden klassenposities hier primair gethematiseerd als een specifieke vorm van positionele ongelijkheid [§ 1].

In het tweede deel van dit hoofdstuk introduceer ik een aantal centrale basisbegrippen waarmee de harde kern van het transformationele klassenanalytisch onderzoeksprogramma kan worden omschreven. Om de problemen zo scherp mogelijk in het vizier te krijgeen worden deze basisbegrippen zo scherp mogelijk afbakend van andere benaderingen [§ 2].

Index1. Sociale ongelijkheid

Het onderzoek naar sociale klassen is onderdeel van en moet daarom gebaseerd zijn op een analyse van sociale ongelijkheden. Zonder structurele ongelijkheden zouden er ook geen klassen bestaan. Maar sociale ongelijkheden kunnen bestaan zonder dat er klassen bestaan.
Sociale ongelijkheid is een zeer breed begrip dat vele vormen of structuurpatronen omvat. Klassenongelijkheid is een specifieke structuurvorm van sociale ongelijkheid. Nauwkeuriger: klassenongelijkheid is een van de basistypen van positioneel gestructureerde ongelijkheid. Elk begrip van klassenongelijkheid veronderstelt dus altijd impliciet of expliciet een bepaalde notie van sociale ongelijkheden.

Onder sociale ongelijkheid versta ik:

  1. het geheel van verschillende sociale posities die gekenmerkt worden door een structurele —in de zin van duurzame en geïnstitutionaliseerde— asymmetrische verdeling van bronnen en beloningen, en die als ongelijkwaardig —in de zin van een hiërarchische rangorde— worden gewaardeerd (positionele ongelijkheden);
      In het algemeen kunnen er vier basistypen van positionele ongelijkheid worden onderscheiden: klassenposities (posities in exploitatieve arbeidsverhoudingen), eliteposities (posities in organisationele gezagsverhoudingen), interactieposities (posities in interactionele verhoudingen) en statusposities (posities in prestigehiërarchieën). Vgl. Bader/Benschop [1988:197 e.v.]. Zie ook hft. VIII.

  2. het geheel van allocatieve processen op basis van ascriptieve criteria (zoals ‘ras’ of etniciteit, sekse, leeftijd, verwantschap, nationaliteit) waardoor individuen ongelijke toegang krijgen tot of uitgesloten worden van ongelijk gestructureerde en ongelijk gewaardeerde posities (allocatieve ongelijkheden).
Sociale ongelijkheid omvat dus zowel de positionele als de personele dimensies van ongelijke verdeling van levenskansen. Omdat de afbakening van dit algemene begrip van sociale ongelijkheid uitvoeriger aan de orde komt in Bader/Benschop [1988:80 e.v.] beperk ik me hier tot een korte aanduiding van vier aspecten: het verschil tussen natuurlijke en sociale ongelijkheid [§ 1·1], het verschil tussen sociale differentiatie en sociale ongelijkheid [§ 1·2], het verschil tussen positionele en allocatieve structuurvormen van sociale ongelijkheid [§ 1·3], en het verschil tussen tijdelijke-toevallige en duurzame-structurele vormen van sociale ongelijkheid [§ 1·4].

Index


1·1 Natuurlijke en sociale ongelijkheid
Sinds Rousseau [1755/1983:53] is het niet alleen gebruikelijk een onderscheid te maken tussen natuurlijke en sociale ongelijkheid, maar lijkt het “voor redelijke en vrije mensen die de waarheid zoeken” niet gepast om sociale ongelijkheden terug te voeren tot verschillen die er ‘van nature’ tussen mensen bestaan. In de democratische natuurrechtelijke traditie wordt sociale ongelijkheid bekritiseerd vanuit de idee van ‘de natuurlijke gelijkheid van alle mensen’. Dit normatieve gelijkheidspostulaat maakte de weg vrij voor een sociologische vraagstelling naar de oorsprong van ongelijkheid.

Normatieve status
In Rousseau’s Vertoog over de ongelijkheid werd de vraag naar de oorsprong van sociale ongelijkheid op een geheel nieuwe wijze benaderd [Starobinsky 1957; Baczko 1970; Lemaire 1980]. Hij breekt radicaal met de aristotelische traditie waarin een congruentie tussen natuurlijke en sociale ongelijkheid wordt verondersteld. In dit soort denkmodellen worden sociale ongelijkheden ‘verklaard’ (en dus vooral gelegitimeerd!) door een verwijzing naar de natuurlijke verschillen tussen mensen.

Het postulaat van de natuurlijke gelijkheid is normatief. De natuurlijke gelijkheid waarvan in de democratische natuurrechtstheorieën wordt uitgegaan steunt op de volgende normatieve premisse: mensen hebben —alleen al door het feit dát zij mensen zijn— het onvervreemdbare en niet overdraagbare (en in die zin ‘natuurlijke’) ‘recht op gelijkheid’. Deze normatieve claim moet dus niet worden opgevat als een uitspraak over een vermeende ‘oorspronkelijke’ historische gelijkheid.

De aanname van een oorspronkelijke vrije en gelijke ‘natuurtoestand’ is geen noodzakelijke (en zelfs hinderlijke) premisse van kritische sociaalwetenschappelijke benadering van sociale ongelijkheid. Zie voor een kritische bespreking van de normatieve status van het gelijkheidspostulaat: Macpherson [1962:83,88, 265,272; 1985] en Vlastos [1984:44].

Sociale ongelijkheid kan niet worden verklaard vanuit de natuurlijke verscheidenheid van individuen. Toch zijn erfelijke, aangeboren en individueel verworven natuurlijke verschillen tussen individuen niet volledig irrelevant voor (de verklaring van) het ontstaan, de reproductie en transformatie van sociale ongelijkheden.

Onder natuurlijke verscheidenheid versta ik alle fysiologisch-biologische verschillen tussen mensen. Deze verschillen bestaan uit drie categorieën [Benschop 1987/2017: hoofdstuk 2, § 5.4; Bader/Benschop 1988:52].

  1. erfelijke verschillen: verschillen die door genetische overdracht zijn bepaald, zoals geslacht, huidskleur, vorm van oogleden, neus, oren en dergelijke.

  2. aangeboren verschillen: niet-erfelijke eigenschappen zoals sommige lichamelijke en geestelijke handicaps.

  3. individueel verworven natuurlijke eigenschappen, zoals lichaamskracht, lichamelijke of geestelijke kwalificaties of handicaps die ten gevolge van ongevallen of ziektes in de loop van een individueel leven zijn opgelopen.

In de zich telkens herhalende discussies over de erfelijkheid van intelligentie is enerzijds gebleken dat de grenzen tussen deze drie categorieën vloeiend zijn en zeer omstreden. Anderzijds demonstreren deze discussies de hardnekkigheid van biologisch-deterministische ‘verklaringen’ van sociale ongelijkheid. In deze ‘verklaringen’ wordt verondersteld (i) dat sociale verschijnselen een direct gevolg zijn individueel gedrag, (ii) dat individueel gedrag een direct gevolg is van —of voornamelijk bepaald wordt door— aangeboren eigenschappen, en (iii) dat deze ‘intrinsiek’ fenotypische eigenschappen herleidbaar zijn tot genotypen die erfelijk worden overgedragen.

Francis Galton geloofde dat de sociale beroepsstructuur in meer of mindere mate een reflectie was van een natuurlijke hiërarchie van talenten en moraliteit in de maatschappij. Stevenson, een medisch-statisticus, ontwikkelde in 1923 de eerste beroepsclassificatie in discussie met eugenisten zoals Galton [Szreter 1984]. Moderne sociobiologen —zoals Arthur Jensen, Richard Herrnstein, Steven Goldberg, E. O. Wilson— hebben met dergelijke postulaten —heruitgaves van de klassieke bio-organistische, antropo-raciale, darwinistische en instinctivistische opvattingen en scholen— opnieuw het wetenschappelijke en journalistieke veld gepenetreerd. In hft. VII § 4·1 wordt de rol van talenten als potentiële arbeidskwalificaties geanalyseerd.

Fysieke kracht
De betekenis van fysieke kracht wordt in detail behandeld door de —in Nederland te weinig gewaardeerde— ‘cultuurpsychologische bijdrage tot de verklaring van de spanning tussen de sexen’ van Fokke Sierksma. Hij merkt op:
    “In alle culturen heeft de man in sociaal en politiek opzicht een althans licht overwicht, dat in sommige culturen, zoals die der Tchambuli en die der ... Ibo in West-Afrika, zelf niet meer dan nominaal kan zijn. Om dit te verklaren behoeft men niet naar culturele factoren te zoeken, mag men zelfs niet naar dergelijke factoren zoeken, omdat cultureel een overwicht der vrouwen even goed denkbaar en mogelijk is als een mannelijk overwicht. De oorzaak is van natuurlijke, lichamelijke aard: de man is domweg sterker dan de vrouw en is haar door zijn fysieke kracht, als het er op aan komt, eenvoudig de baas. Vrouwen kunnen even agressief zijn als mannen, maar de laatsten kunnen hun agressiviteit statistisch nu eenmaal meer kracht bij zetten, terwijl de vrouwen indirect bovendien nog gehandicapt zijn door hun voortplantingsfunctie, die daarentegen bij de man zijn bewegingsvrijheid niet belemmeren” [Sierksma 1979:56].
En precieser:
    “Het biologische verschil tussen mannen en vrouwen moet in zoverre van invloed zijn geweest —voor sommige gemeenschappen is dat etnografisch aanwijsbaar— als de mannen (die immers niet zwanger werden en niet behoefden te zogen) zich gemakkelijker verplaatsen — hun gemiddeld grotere spierkracht kan erfbiologisch daaruit wellicht verklaard worden: een erfenis uit het dierenrijk. Bij de mensen heeft dit er blijkbaar toe geleid, dat vooral de jacht op grotere dieren meer door mannen dan door vrouwen werd beoefend. De hierover thans bekende etnische gegevens leiden m.i. tot de conclusie, dat dit de mannen als regel in den beginne geen sociale voorsprong heeft bezorgd, maar juist een achterstand. ... Die, allereerst economische, achterstand van de jagende mannen werd veroorzaakt, doordat de vrouwen als verzamelaarsters — gewassenkweek bestond nog niet — de mannen gingen overtreffen. Globaal gezegd: het graafwerk won het van de knuppel” [idem:334. Zie ook p. 68, 70, 212, 215, 321].
De stelling dat de uiteindelijke machtsbron in het algemeen niet materiële rijkdom of kennis als zodanig is, maar het vermogen om met superieur fysiek geweld te dreigen en eventueel toe te passen werd onder andere uitgewerkt door Luhmann [1975:60-9].

Zowel in historisch als in structureel opzicht hebben individuele verschillen in kracht, grootte, snelheid en dergelijke een zeer variabele betekenis als factoren die ongelijkheid genereren, reproduceren en transformeren: In ontwikkelingshistorisch perspectief neemt door de verdergaande institutionalisering de betekenis van dergelijke individuele verschillen sterk af. De ongelijkheidsrelevante rol van ‘grote’ of ‘sterke’ individuen is in uitzonderingssituaties het grootst. In structuurtheoretisch perspectief is de relevantie van feitelijke individuele verschillen voor sociale ongelijkheid het grootst op het interactieniveau en het kleinst op het maatschappelijke niveau [Bader/Benschop 1988:291 - noot 9]. Sigrist [1967/79:163-7] geeft een uitvoeriger kritische verhandeling over de betekenis van leeftijd, fysieke kracht en sekse bij het ontstaan van sociale ongelijkheid.

Index


1·2 Sociale differentiatie en sociale ongelijkheid
In de geschiedenis van de theorieën over sociale ongelijkheden werd en wordt telkens weer geprobeerd om sociale ongelijkheid te verklaren uit —of gelijk te stellen met— sociale differentiatie. De functionalistische stratificatietheorie is hiervan het meest prominente en invloedrijke voorbeeld.

Sociale differentiatie refereert slechts aan de verscheidenheid van maatschappelijke arbeidssoorten, rollen en beroepen. Net als natuurlijke differentiaties kunnen ook sociale differentiaties worden geverticaliseerd. Daarvan is alleen sprake wanneer en voor zover deze verschillende soorten arbeid, beroepen en rollen ongelijk worden beloond en gewaardeerd. Sociale ongelijkheid kan dus (per definitie) niet als zodanig door sociale differentiatie worden verklaard.

1·2·1 Functionalistische stratificatiesociologieën
In de functionalistische stratificatiesociologie werd telkens weer geprobeerd ‘verticale’ sociale ongelijkheid zonder meer te verklaren uit ‘horizontale differentiatie’ (van Schmoller via Davis/Moore tot aan Svalastoga).

Uitgangspunt van de functionalistische stratificatietheorie is dat geen enkele maatschappij klasseloos of ongestratificeerd is en kan zijn.

Hiervoor worden twee functionele argumenten aangevoerd. Het eerste heeft betrekking op het systeem van posities, het tweede op de individuen die deze posities bezetten. Het eerste argument is dat stratificatie noodzakelijk is omdat bepaalde maatschappelijke posities belangrijker zijn dan anderen. Het tweede argument luidt: door ongelijkheid van de beloningen garanderen maatschappijen dat de meest belangrijke posities consciëntieus worden gevuld door de meest gekwalificeerde personen.

Het functionalistische verklaringsmodel van sociale ongelijkheden is opgebouwd uit vier stellingen:

De functionalistische stratificatiesociologie heeft in de loop der jaren een stoet critici in beweging gebracht die meer of minder scherpzinnige bezwaren tegen deze benadering hebben ingebracht. Bekende kritiekpunten op de functionalistische stratificatietheorie zijn:

  1. Maatschappijen worden als aparte, gereïficeerde subjecten, als handelingsbekwame ‘supersubjecten’.

  2. Het functionele belang van posities is normatief geladen, niet meetbaar en meestal circulair: het feit dat er superieure en hoogbeloonde posities bestaan wordt aangevoerd als bewijs voor hun functionaliteit [Simpson 1956:109].

  3. De vermeende universele schaarste van talenten is een circulaire petitio principii. Het is geen oorzaak, maar eerder een resultaat van sociale ongelijkheid in het algemeen, en met name van grote ongelijkheid van opvoedings- en onderwijskansen.

  4. De ‘offers’ die zouden worden gebracht voor langere opleidingen zijn deels imaginair, deels is de rekening al (door ouders en anderen) betaald [Rawls 1971:92,121] en hoeven in ieder geval niet ‘om redenen van gerechtigheid’ te worden gecompenseerd met hogere beloningen.

  5. Sociale ongelijkheid garandeert niet ‘het overleven van maatschappijen’, maar heeft wel een ‘functie’: voor de heersende groepen of klassen.
      Zie Wiehn [1974:61] en de samenvattende kritiek van Bader/Benschop [1988:292 - noot 15]. Zie voor een overzicht van de functionalistische traditie: Tumin [1953], Wrong [1959,1977], Simpson [1958], Huaco [1966], Wiehn [1974], Kirchberger [1975].

In de kritieken die op functionalistische benaderingen werden geformuleerd, wordt vastgehouden aan het analytische onderscheid tussen horizontale sociale differentiaties (welke centraal staan in sociologische evolutietheorieën — van Spencer en Durkheim tot Luhmann) en verticale sociale ongelijkheden. Zo merkt Durkheim op:

Luhmann vertrekt van de functionalistische premisse dat moderne maatschappijen systemen zijn die functioneren volgens criteria van rationele arbeidsdeling. In zijn theorie zijn ongelijkheden ‘funktionsadäquat’: het kenmerk van moderne maatschappijen is functionele differentiatie en niet gezagsmatige (‘herrschaftliche’) stratificatie. In evolutionair perspectief suggereert hij een progressieve substitutie van het ene differentiatieprincipe naar het volgende. Net als Durkheim maakt hij hierbij een onderscheid tussen segmentaire, stratificerende en functionele differentiatie [Luhmann 1975:198]. De archaïsche maatschappijen worden overwegend gekenmerkt door een segmentaire differentiatie en de hoge(re) culturen door een stratificerende differentiatie. De moderne maatschappijen worden echter volgens Luhmann vooral gekenmerkt door “een primaat van functionele differentiatie”, wat een enorme toename van sterk gespecialiseerde communicatie en communicatieprestaties tot gevolg heeft [1981:20]. In tegenstelling tot voorafgaande formaties kunnen moderne maatschappijen volgens Luhmann niet meer worden gekenmerkt als klassenmaatschappijen.

In de visie van Durkheim is sociale differentiatie praktisch identiek met arbeidsdeling. Hij beschouwt de principes van (rationele) arbeidsdeling als belangrijkste motoren van de maatschappelijke ontwikkeling [Durkheim 1893/1926. Zie de analyse van zijn benadering door Rüschemeyer 1982; 1985: 170 e.v.]. Bij Luhmann wordt het begrip sociale differentiatie gegeneraliseerd door het in vergaande mate los te maken van het arbeidsbegrip, dat bij hem een uiterst marginale rol speelt [Luhmann 1972b:111 - noot 30]. Deze abstractie heeft een aantal vergaande consequenties, met name voor een klassenanalyse.

  1. Hoewel Luhmann de klassenanalyse niet elimineert —zoals Sigrist [1989:843] beweert—, gaat hij wel volledig voorbij aan de betekenis van het mechanisme van winstmaximalisering in de kapitalistische arbeidsverhoudingen. In zijn opstel Kapitaal und Arbeit noemt hij het begrippenpaar kapitaal en arbeid een “nutteloos onderscheid” [Luhmann 1986:69] dat zijn succes te danken heeft aan een “relatieve historische overeenstemming van idee en werkelijkheid” in de 19e eeuw, maar dat nu al lang achterhaald is [idem: 64]. De dichotomie van arbeid en kapitaal als ‘strijdsemantiek’ zou alleen maar overleven, omdat ze tot levenselixer van vakbonden en ondernemersorganisaties is geworden.
      Volgens Kreckel heeft het begrip ‘sociale klasse’ voor de analyse van de levensverhoudingen in geavanceerde kapitalistische maatschappijen aan betekenis verloren. Hij kritiseert Luhmann’s visie op de betekenis van de tegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal. Zijn stelling is “dat een sociologische analyse van het macrosociale krachtenveld, dat de instandhouding van structurele ongelijkheid en onderdrukking in markteconomisch georganiseerde maatschappijen garandeert, zeker niet kan slagen zonder terug te grijpen op het concept van de abstracte klassenverhouding van kapitaal en arbeid” [Kreckel 1990:51; vgl. ook p. 60-3].

  2. Luhmann gaat voorbij aan het feit dat segmentaire structuren ook doorwerken in maatschappijen die worden gekenmerkt door een sterk geprononceerde arbeidsdeling en daaraan gebonden organische solidariteit. Het segmentatieprincipe, de ‘Verschachtelung’ van collectieven, is in moderne maatschappijen echter niet verdwenen (bijvoorbeeld in de differentiatie van ondernemingen, nationale staten).

  3. Het stratificatiebegrip wordt historisch teruggedrongen tot de voormoderne hogere culturen of traditionele maatschappijen, want het gaat bij hem in de meest letterlijke zin om een “overgang van stratificerende naar functionele differentiatie” [Luhmann 1985: 132].
      “Stratificatie is voorwaarde voor en vergemakkelijkt communicatie onder gelijken in een maatschappelijke ontwikkelingssituatie, waarin al ongelijkheid domineert en, als er geen stratificatie zou bestaan, als normaal verwacht mag worden. Stratificatie is tegen ongelijkheid doorgezette gelijkheid — namelijk laagspecifieke gelijkheid” [Luhmann 1975a: 198; vgl. 1985:129-30].
    Deze opgelegde gelijkheid beschouwt Luhmann als de eigenlijke functie van stratificerende differentiatie. Ook bij Marx zou het slechts gaan over “de reflexiviteit van het verdelen, het verdelen op verdelingen, en niet over het basale proces zelf” [Luhmann 1988:66; vgl. 1985:128]

  4. Luhmann’s evolutietheoretisch perspectief mondt uit in functionele differentiatie (het model heeft dus een vastgelegd eindpunt). De werkelijk bestaande ongelijkheden worden als “ubiqitair gegeven” [1985:119] opgevat, maar daarom nog niet als principe van stratificatie. Hij miskent de principiële betekenis van het objectieve verschil van kapitaal en loonarbeid. Klassenbewustzijn is dan ook geen uitdrukking van exploitatieve arbeidsverhoudingen, maar een kunstmatig product van de “formulering van tegenstellingen van de contrahenten” [idem: 132]. Het klassenantagonisme wordt dus volgens Luhmann niet gegenereerd door belangen- of overlevingsstrijd van leden van de arbeidersklasse, maar door “een differentiatieschema van maatschappelijke zelfbeschrijving” [idem: 149].

1·2·2 De verticale metafoor
Theorieën van sociale ongelijkheid en klassen concentreren zich op de ‘verticale’ delingen, hiërarchieën en stratificaties. Het gebruik van ruimtelijke metaforen zoals ‘horizontaal’ en ‘verticaal’ is weliswaar zeer gebruikelijk, maar zeker niet onproblematisch.

Barry Schwartz heeft er —in aansluiting bij Marcel Mauss en Jerome Bruner— op gewezen dat verticale categorisatie geen neutrale samenvatting is van de betekenis van verschijnselen waarop het wordt toegepast: door verticale classificatie wordt veeleer de betekenis van deze verschijnselen pas gegenereerd. Op deze wijze kan het sociologisch denken met een ideologisch moment worden belast.

Zowel in het alledaagse als in het wetenschappelijke taalgebruik is het zeer moeilijk bij aanduidingen van sociaal ongelijke posities helemaal af te zien van termen als ‘boven’/‘onder’, ‘hoger’/‘lager’. Als men theoretische inzichten over structurele sociale ongelijkheid probeert te ‘vertalen’ in alledaagse taal kan het gebruik van metaforen zoals ‘hoger’ en ‘lager’ nauwelijks worden vermeden.

Verticale classificatie is een van die impliciete ‘taken for granted’ constructies van het alledaagse leven waarmee mensen hun sociale omgeving interpreteren. Het is de ‘natuurlijke taal’ van sociale ongelijkheid, een manier om de wereld de maat te nemen, “it is always spoken of, but never spoken about. It is part of the unconscious way we look at things” [Schwartz 1981:135]. Met eenvoudige metaforen en analogieën, zoals het beeld van ‘boven’ en ‘onder’ kan men goed denken en communiceren; ook —of misschien wel juist— in het politieke leven kan men hiermee goed opereren. Deze metaforen condenseren en geven tegelijkertijd uitdrukking aan diffuse emotionele patronen waarmee de sociale ongelijkheden waarnaar zij verwijzen niet direct te maken hebben.

De academische sociologieën steunen sterk op de conventionele taal en hebben het verticale beeld van die taal voor lief genomen. Daarom kunnen de maatschappelijke posities die sociologen analyseren zowel worden veredeld als gedegradeerd.

Dit betekent echter niet dat verticale classificatie de bestaande ongelijkheidsverhoudingen per definitie legitimeert. Het betekent slechts dat het de sociale posities zelf en degenen die deze posities bezetten sanctioneert (ideologisch moment) of ontheiligt (utopisch moment). Verticale classificatie schraagt de morele waarde die aan verschillende statussen en personen wordt gehecht in de sociale hiërarchie door ze te beschrijven met metaforen die speciaal geladen zijn met normatieve (bij)betekenissen.

De taal van de verticale classificatie is dus niet neutraal of onschuldig: het heeft een ingebakken maatschappijbeeld, reproduceert of attaqueert dominante prestigehiërarchieën en fungeert daarmee tegelijkertijd als impliciete ideologische rechtvaardiging van en als kritiek op de bestaande ongelijkheid.

Het (generaliserende) gebruik van verticale polariteiten stuit op een specifiek probleem. De eenvoud van de verticale metaforen en analogieën mag dan nog zo vanzelfsprekend en handig lijken, in sociologisch onderzoek moet hiervoor een prijs worden betaald, namelijk verlies van onderscheidingskracht. Antagonistisch gestructureerde sociale ongelijkheden die in uitbuitingsrelaties verankerd kunnen niet of slechts zeer vertekend in het verticale taalgebruik worden geformuleerd, althans niet zonder de specifieke aard van antagonistische, exploitatieve relaties te negeren [Haller 1986; Bader/Benschop 1988:289 — noot 2].

Index


1·3 Positionele en allocatieve ongelijkheden
Bij de analyse van sociale ongelijkheden kunnen we een onderscheid maken tussen positionele en allocatieve ongelijkheden. Analyses van positionele ongelijkheden concentreren zich op de vraag naar de mechanismen die bepalend zijn voor de structurering van klasse- en eliteposities, van posities in sociale interactie- en prestigeverhoudingen. Empirisch zijn zij geconcentreerd op het type en de omvang van de bronnen die aan maatschappelijke posities zijn toebedeeld.

Analyses van allocatieve ongelijkheden concentreren zich daarentegen op de vraag naar de mechanismen die bepalend zijn voor de selectieve rekrutering dan wel uitsluiting van groepen individuen op grond van discriminerende waarderingen van hun erfelijk overgedragen, aangeboren of individueel verworven natuurlijke eigenschappen (zoals afstamming, sekse, leeftijd en huidskleur) of hun sociaal-historische kenmerken (zoals nationaliteit, religiositeit, levensstijl, taal en cultuur). Empirische studies van allocatieve ongelijkheden richten zich op de duurzaamheid van het bezetten van posities respectievelijk van het behoren tot ascriptief gedefinieerde groepen.

Zowel in de functionalistische, conflicttheoretische, weberiaanse als marxistische traditie is het gebruikelijk een analytisch onderscheid te maken tussen positionele en personele dimensies van sociale ongelijkheid [Davis/Moore 1945:47; Parsons 1951:136; Davis 1953:394; 1959:82; Wrong 1959:772; Dahrendorf 1959/61:108; Parkin 1971:13 e.v.,42 — maar niet in 1979!; Poulantzas 1974: 20; Wright 1979:20; Kocka 1979:137].

Dit op zichzelf eenvoudige onderscheid lijkt onomstreden, maar het is niet overbodig hier direct op twee complicaties te wijzen.

  1. Empirisch gezien zijn positionele en allocatieve splitsingslijnen op zeer uiteenlopende manieren met elkaar gecombineerd en doorkruisen of overlappen zij elkaar in zeer verschillende mate. Juist daarom is het in een klassenanalyse van belang een duidelijk onderscheid te maken tussen de vraag ‘wat zijn de constitutieve factoren van een klassenpositie?’ en ‘welke individuen worden voor deze posities gerekruteerd?’

  2. Meestal wordt aan dit analytische onderscheid de methodische conclusie verbonden dat de vraag naar de structurering van posities logisch gezien vooraf moet gaan aan de vraag naar de rekrutering van individuen op die posities. Het ‘logische primaat’ van positionele aspecten veronderstelt echter niet noodzakelijk de —in het algemeen onhoudbare— vooronderstelling dat allocatieve ongelijkheden ‘minder belangrijk’ zijn.
Overigens wordt niet in alle sociaalwetenschappelijke stromingen en tradities met dit onderscheid geopereerd. Soms wordt dit onderscheid principieel verworpen omdat het ‘essentialistisch’ zou zijn [Parkin 1979:30 e.v.]. Soms wordt het verworpen omdat het verschil tussen positionele en allocatieve ongelijkheid geïdentificeerd wordt met de bewering van een empirisch-historisch ‘primaat van positionele ongelijkheden’ (dit gebeurt in sommige radicaal-feministische theoriën).

Index


1·4 Incidentele en structurele ongelijkheid
Sociale ongelijkheid kan dus worden gedefinieerd als een combinatie van (a) ongelijkheid van sociale posities die gekenmerkt worden door een asymmetrische verdeling van bronnen en ongelijke beloningen en (b) ongelijkheid van toegangskansen tot die ongelijk beloonde en gewaardeerde posities. Strikt genomen is er pas sprake van sociale ongelijkheden wanneer deze structureel zijn geworden. Ik zal dit eerst toelichten voor de positionele ongelijkheden.

a. Verduurzaming van positionele ongelijkheid
De ongelijke verdeling van controle over bronnen en beloningen kan louter incidenteel, dat wil zeggen toevallig en kortstondig zijn. De duurzaamheid van de controle kan temporeel zeer beperkt zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval met het tijdelijk bezetten van een plaats in een trein of bioscoop of van een arbeidsplaats. Maar de controle over bronnen en beloningen kan ook zeer lang zijn: na erfelijke overdracht van grote sommen kapitaal blijft levenslang de eigendom van een lid van de volgende generatie. Bovendien is er een aanzienlijke variatie in de mate van controle. De controle over bronnen kan intern sterk gedifferentieerd zijn, maar ook nog eens personeel gedelegeerd en/of extern sterk gelimiteerd, zodat er eigenlijk alleen sprake is van een beperkt gebruiks- en genotsrecht.

Ongelijkheidsfasen
Er zijn goede argumenten om de tijdsfactor niet alleen op het niveau van algemene maatschappijtheorieën en in cultuurkritische diagnoses nader uit te werken, maar ook in het kader van het onderzoek naar gestructureerde sociale ongelijkheden. Er zou veel meer aandacht besteed moeten worden aan het feit dat sociale situaties en posities, bronnenstromen, belastingen, lidmaatschappen enz. niet alleen kunnen variëren in ‘zakelijk’ of inhoudelijk opzicht (wat wordt ongelijk verdeeld?) en in sociaal of personeel opzicht (wie krijgt hoeveel?), maar ook altijd in de tijdsdimensie (wanneer? hoe lang?).

Sociale posities zijn langs individuele of collectieve tijdsassen gestructureerd. Zij vertonen dus meer of minder duidelijke, maar altijd sociaal gedefinieerde en geïnstitutionaliseerde begin- en/of eindpunten resp. een bepaalde, vaak institutioneel geregelde duur. De duurzaamheid en begrensdheid, lengte en kortheid van gebundelde bronnenstromen, de frequentie van ‘toestandsveranderingen’ of ‘gebeurtenissen’, de richting van de toestandswisseling e.d. zijn zelfstandige aspecten van ongelijke levenssituaties. Deze ongelijke levenssituaties kunnen daarom het beste worden opgevat als ‘ongelijkheidsfasen’ [Berger 1990:321].

De tijdsfactor speelt ook een belangrijke rol in de verklaring van de wijze waarop in segmentaire samenlevingsverbanden zonder staat barrières worden opgeworpen tegen het ontstaan van structurele sociale ongelijkheid. In hoofdstuk VI, § 5·3·2 worden hiervan drie belangrijke mechanismen genoemd: de leeftijdgebonden ongelijkheid die per definitie transitief is; de deeldwang (sociale herverdeling) en het mechanisme van natuurlijke nivellering door gelijkheid in erfoverdracht. Deze mechanismen leiden ertoe dat er in segmentaire samenlevingsverbanden wel ongelijkheid in rijkdom bestaat, maar dat deze in de regel slechts transitief is en niet duurzaam gestabiliseerd kan worden. Verschillen in beschikkingsmacht over maatschappelijke relevante bronnen en beloningen worden in deze samenlevingen zowel intra- als intergenerationeel genivelleerd.

Structurele ongelijkheid veronderstelt altijd een zekere duurzaamheid van de toeëigening en een zekere mate aan feitelijke controle over bronnen of beloningen [Bader/Benschop [1988:53-4,250-3]. Indien dit niet het geval is, zijn de sociale posities die kunnen worden ingenomen vloeibaar of open en als zodanig niet identificeerbaar als structurele ‘plaatsen’ binnen maatschappelijke verhoudingen. De sociale posities —en daarin geïmpliceerde controle over maatschappelijk relevante bronnen en beloningen— moeten dus tot op zekere hoogte gestabiliseerd, uitgekristalliseerd en sociaal geïnstitutionaliseerd zijn. We spreken pas van structurele ongelijkheden wanneer de posities zelf een zekere regelmatigheid en duurzaamheid en een bepaalde mate van institutionalisering vertonen.

b. Verduurzaming van allocatieve ongelijkheid
Dit geldt ook voor de personele dimensie van sociale ongelijkheid: de bezetting van ongelijk beloonde en gewaardeerde plaatsen moet een minimale mate van duurzaamheid vertonen. Ongelijkheid van posities wordt pas een probleem wanneer bepaalde groepen, organisaties of individuen in staat zijn structureel ongelijke posities te monopoliseren of de toegang daartoe meer of minder drastisch te beperken, dat wil zeggen wanneer er tevens sprake is van mobiliteitsbarrières.

Ook als de mobiliteitsbarrières zwak zijn —en dus de sociale mobiliteit zeer hoog is— kunnen er stabiele sociale ongelijkheden ontstaan. Maar zelfs wanneer de sociale ongelijkheid in zo’n situatie zou verscherpen (gemeten in verschillen tussen bronnen die aan posities zijn toebedeeld) dan leidt dat bij de betrokkenen veel minder snel tot een gemeenschappelijk definitie van de situatie, een collectieve habitus en levensstijl, een collectieve identiteit, laat staan tot collectief politiek handelen.

Er is een minimum aan duurzaamheid van het behoren tot een klasse- of andere sociale posities nodig om netwerken van sociale relaties aan te knopen (sociale georganiseerdheid, hechte sociale contacten), collectieve identiteiten en gemeenschappelijke duidings- en waarderingspatronen, strategieën en organisaties te ontwikkelen.

Het mobiliteitsonderzoek heeft zich altijd geconcentreerd op bewegingen tussen (begripsmatig) gefixeerde posities — eerst vanuit de optiek van kansengelijkheid, daarna ook vanuit de optiek van de rekrutering. Op basis van analyses van de mobiliteitspatronen en -barrières werden conclusies getrokken met betrekking tot de kansen van (sociale) klassenvorming. Van meer recente datum zijn de pogingen om de sociale structuur ook nadrukkelijk te analyseren vanuit de dimensie van de persoonlijke levenstijd en de historische tijd.

Instabiliteiten en discontinuïteiten zijn met elkaar vermengd en dat dit leidt tot (voorbijgaande) levenssituaties en heterogene levens- of ongelijkheidsfasen [Berger 1990a; Zapf 1989] die zich onttrekken aan een eenduidige invoeging in statische stratificatie- en klassenschema’s[Berger 1991:3].

Veel levensposities of -fasen zijn niet alleen van voorbijgaande aard (zij hebben een begin, zijn in tijd beperkt) maar hun verbreiding en betekenis varieert ook in de loop der geschiedenis: contexten van handelingsvoorwaarden kunnen zich wijzigen, er kunnen veranderingen optreden in de bronnenbundels die typisch met specifieke posities zijn verbonden, het relatieve gewicht van relevante handelingsvoorwaarden kan verschuiven enzovoort.

Index2. Klassen als verklaringsgrond voor sociale structuur en verandering

2·1 Elementen van een onderzoeksprogramma
Om mijn klassenanalytisch onderzoeksprogramma te omlijnen moet het volgens Lakatos in ieder geval drie elementen bevatten.

    De werkelijke harde kern van een onderzoeksprogramma “wordt niet in volle wapenrusting geboren als Athene uit het hoofd van Zeus. Zij ontwikkelt zich langzaam, via een lang proces van uitproberen” [Lakatos 1970:117]. Een wetenschap gaat niet uit van principes of van een harde kern, zij gaat er naar toe [Bachelard 1951; Manschot 1980:51].
  1. Een moeilijk aantastbare harde kern van wetten of theorieën met basisbegrippen die binnen dit onderzoeksprogramma figureren. Deze harde kern is bepalend voor de coherentie van het klassenanalytische onderzoeksprogramma, ook al bestaat er geen volledige consensus over de precieze formulering van de elementen die tot deze harde kern behoren. Door de harde kern te omschrijven, is het tevens mogelijk een onderzoeksprogramma te identificeren, dat wil zeggen af te bakenen van andere theoretische programma’s.

  2. Een stelsel van hulphypothesen of fundamentele assumpties die de harde kern als een schil beschermen en moeilijk aantastbaar maken, en tegelijkertijd in het ‘vijandige’ kamp penetreren.

  3. Een hieraan gekoppelde reeks positieve en negatieve heuristieken die als een methodologische leidraad fungeren. Positieve heuristieken geven methodologische richtlijnen voor het uitbreiden en verder ontwikkelen van de theorie, terwijl negatieve heuristieken haar juist tegen ‘vreemde’ invloeden beschermen: zij geven aan welke wegen vermeden moeten worden om de consistentie en identiteit van het programma niet in gevaar te brengen (dit impliceert geen aanbeveling om zich in confrontaties met rivaliserende theorieën voorzichtig, onkwetsbaar of behoudend op te stellen vermijden). De positieve en negatieve heuristieken geven samen een globale definitie van het begrippenkader en dus van de (wetenschaps)taal van een onderzoeksprogramma [Lakatos 1970:45 e.v.].
Op welke punten ik aansluit bij of afstand houd van de —wat mij betreft oecumenisch opgevatte— marxistische traditie zal in de rest van deze studie duidelijk blijken. Dit geldt ook voor allee andere onderzoekstradities en theoretische stromingen waaruit tal van elementen worden ‘geleend’ die in in mijn transformationele onderzoeksprogramma integreer.

Binnen een onderzoeksprogramma kunnen verschillende en daadwerkelijk rivaliserende theorieën worden geformuleerd die beoordeeld kunnen worden op hun heuristische en verklarende kracht. Het is niet overbodig te benadrukken dat het hierbij niet om een formeel georganiseerd onderzoeksprogramma gaat. Het is een programma dat gedragen wordt door een tamelijk los netwerk van onafhankelijke onderzoekers, met enkele nationale en internationale institutionele steunpunten (de hubs van een sociaalwetenschappelijk onderzoeksprogramma).

Index


2·2 De harde kern
De harde kern van het klassenanalytische onderzoeksprogramma kan worden samengevat in de volgende stelling: het bestaan van en de tegenstelling tussen de maatschappelijke klassen vormen een essentiële verklaringsgrond voor de sociale structuur en maatschappelijke verandering in het algemeen en voor sociale ongelijkheden en collectief conflicthandelen in het bijzonder.

Deze kern van dit programma wordt in eerste instantie gepreciseerd door de verklaringsgrond nader te omschrijven en af te bakenen ten opzichte van concurrerende theoretische benaderingen.

Om misverstanden te voorkomen die later — in hoofdstuk. V, § 1 — nog behandeld zullen worden, merk ik hier alvast op dat deze formulering van de harde kern geen ongekwalificeerd ‘primaat van klasse’ impliceert.

Mijn formulering is bijna even ‘hard’ als die van Wright: “Class structures constitute the essential qualitative lines of social demarcation in the historical trajectories of social change” [Wright 1985:31; vgl. 1989:269]. Maar hij is ‘zachter’ dan de formulering van Van Dijk [1984:302], “dat het bestaan en antagonisme van maatschappelijke klassen de belangrijkste verklaringsgrond (explanans) vormt voor sociale verandering in het algemeen en voor sociale differentiatie, ongelijkheid en conflicten (explananda) in het bijzonder”. Ook Anthony Giddens [1981] benadrukt de centrale betekenis van klassenanalyse voor het onderzoek naar sociale structuren en maatschappelijke veranderingsprocessen. Hij beperkt echter het fundamentele theoretische verklaringsprincipe tot kapitalistische maatschappijen. Ik kom hier in hoofdstuk V, § 1·2·2 op terug.

2·2·1 Klassen als verhouding: relationeel klassenbegrip
Klassen zijn een aspect van de sociale structuur van een maatschappij. Daarom worden klassen primair in relationele en niet in graduele termen gedefinieerd. De kwantitatieve dimensies van de levenssituaties van verschillende klassen kunnen empirisch in graduele termen worden beschreven, maar de fundamentele klassencriteria zijn gebaseerd op een analyse van de kwalitatieve locatie binnen maatschappelijke verhoudingen.

Een klasse wordt dus niet simpel opgevat als een verzameling of aggregatie van individuen en klassenanalyse wordt niet gereduceerd tot ‘a battle of classification’ (Miliband).

In de aggregationele benadering wordt —zoals gezegd— een klasse opgevat als een groep mensen met een of meer gemeenschappelijke kenmerken. Analyse van klassen wordt dan primair een strijd om de classificaties en classificatiecriteria. Tegen een dergelijke benadering is op zichzelf geen bezwaar, zolang de betekenis, dat wil zeggen de verklaringskracht van dit type classificaties niet wordt overschat en steeds in het oog wordt gehouden waarvoor dergelijke schema’s gebruikt kunnen worden en waarvoor ze relevant zijn [zie hoofdstuk I, § 3·4·1 en III, § 4].

In het klassenanalytische onderzoeksprogramma wordt in het algemeen uitgegaan van de vooronderstelling (i) dat het kenmerk dat aan classificaties (‘klassenkaarten’) ten grondslag ligt een uitwerking of manifestatie is van specifieke —namelijk door exploitatie— gestructureerde maatschappelijke arbeidsverhoudingen en (ii) dat een classificatie relevant is voor de verklaring van de basisstructuren van een specifieke klassenmaatschappij.

Een relationeel klassenbegrip wil zeggen dat klassen alleen bestaan in onderlinge verhoudingen tot elkaar, in een telkens specifieke onderlinge afhankelijkheidsverhouding. De hoofdpersonen zijn daarom geen individuen als zodanig (persoonlijke individuen), maar leden van maatschappelijke klassen (klassenindividuen).

Het klassenbegrip verwijst primair naar plaatsen in de klassenstructuren, die bepalend zijn voor de sociale structurering van een maatschappij. Het structurele klassenbegrip refereert aan lege plaatsen in de sociale klassenstructuur, dat wil zeggen aan klassenposities die door individuen worden ‘opgevuld’ of bezet [Przeworski 1977:3; Hartman 1981:10; Wright 1989:290].

2·2·2 Klassen en arbeidsverhoudingen
Klassen worden structureel gedefinieerd in termen van posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen die gekenmerkt worden door een geïnstitutionaliseerde en structurele toeëigening/onteigening van meerarbeid. Een dergelijke uitbuiting is mogelijk bij een structureel asymmetrische verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen die in de betreffende arbeidsverhoudingen gebruikt kunnen worden voor de voortbrenging van goederen en diensten.

Klassen worden dus structureel gedefinieerd in termen van bijzondere arbeidsverhoudingen en niet in termen van algemene reproductieverhoudingen (de functionalistische theorieën: Davis/Moore traditie), niet door algemene machtsverhoudingen (de machts- en conflicttheorieën: Dahrendorf-Lenski traditie), niet door algemene ruilverhoudingen (de ruiltheorieën: Blau-traditie) en ook niet door bijzondere markt- of distributieverhoudingen (de markttheorieën: neo-weberiaanse traditie).

Ik ga hierbij uit van een breed begrip van arbeidsverhoudingen.

2·2·3 Klassen als antagonistische verhouding
Uit het abstracte model van een bepaalde arbeidswijze kan een even abstract binair of polair klassenmodel worden afgeleid. “Klasse is dus een polair begrip. Een klasse voor zich alleen is ondenkbaar, ze heeft steeds een tegenpool nodig: uitbuiters en uitgebuitenen, heren en knechten” [Kautsky 1927 II; vgl. Wright 1985:35 e.v.].

Op structureel niveau worden klassen primair politiek-economisch gedefinieerd.

  1. Het algemene klassenbegrip refereert aan de verschillende historische vormen waarin meerarbeid wordt onttrokken aan directe producenten [Marx MEW 25:799; MEW 23:231]. ‘Klasse’ is de wijze waarop exploitatie zich manifesteert in de sociale structuur. De historisch specifieke wijze van organisatie van de maatschappelijke arbeid (’arbeidswijze’) structureert de telkens specifieke klassenverhoudingen. De arbeidswijze is als het ware het skelet waaromheen de maatschappijformatie is gestructureerd.
      Onder sociale wetenschappers is dit uitgangspunt van het klassenanalytische onderzoeksprogramma omstreden. Goldthorpe/Marshall [1992:383] zijn hierover zeer duidelijk:“Klassenanalyse zoals wij dit begrijpen impliceert geen uitbuitingstheorie, volgens welke alle klassenverhoudingen noodzakelijk en exclusief antagonistisch zijn, en waarvan direct de objectieve basis kan worden ontleend voor ‘kritische’ economie en sociologie.” In het door Golthorpe c.s. ontworpen klassenschema bestaan er geen uitbuitingsrelaties tussen de onderscheiden klassen. De bijzondere aard van deze relaties wordt niet gethematiseerd en het assymmetrische en exploitatieve kader van de klassenverhoudingen wordt volledig genegeerd. Ik kom later nog terug op de misvatting dat exloitatieve klassenverhoudingen altijd ‘exclusief antagonistisch’ zouden moeten zijn.

      Onder marxistisch georiënteerde sociale wetenschappers is dit uitgangspunt minder controversieel. Zie bijvoorbeeld de scherpe formuleringen van Ste-Croix [1983:143]: “Klasse (in essentie een relatie) is de collectieve sociale uitdrukking van het feit van uitbuiting, de wijze waarop uitbuiting wordt belichaamd in de sociale structuur.” En van Cottrell [1984:6]: “Een van de centrale vooronderstellingen van deze theorie is dat de vorm die klassendelingen en klassenstrijd aannemen in bijzondere tijdperken fundamenteel bepaald wordt door de wijze van exploitatie of de wijze van extractie van het meerproduct die kenmerkend is voor de opeenvolgende productiewijzen die in de loop van de historische ontwikkeling ontstaan.”

  2. Klassen worden gedefinieerd in termen van relatie tot de toeëigening van meerarbeid. Op het abstractieniveau van een zuivere arbeidswijze kunnen daarom altijd twee tegengestelde klassenposities worden geïdentificeerd: de positie van de uitgebuite klasse van de ‘directe producenten’ van meerarbeid en de uitbuitende klasse die zich meerarbeid toeëigent.
Uit de in burgerlijke maatschappijformaties dominante kapitalistische arbeidswijze —verhouding loonarbeid en kapitaal— wordt bijvoorbeeld het abstracte klassenmodel afgeleid: kapitalisten en loonarbeiders van het kapitaal. Beide hoofdklassen staan in een antagonistische verhouding tot elkaar: zij nemen tegengestelde posities in ten aanzien van de productie/ toeëigening van meerarbeid. Klassenmacht is ‘extractieve macht’ (Macpherson). En hierdoor komt de nadruk te liggen op klassentegenstellingen en -conflicten.

2·2·4 Klassen als asymmetrische machtsverhoudingen
Klassen zijn aspecten van maatschappelijke arbeidsverhoudingen die als uitbuitingsverhoudingen zijn gestructureerd en geen aspecten van zogenaamde technisch-functionele arbeidsdelingen. Klassen kunnen niet simpel worden gedefinieerd in termen van het arbeids- of productieproces, maar worden in termen van de relatie tot (toeëigening van) meerarbeid gedefinieerd.

Klassen refereren dus altijd primair aan posities in maatschappelijke uitbuitingsverhoudingen: de verhoudingen waarin de klassen ten opzichte van elkaar staan zijn gestructureerd door toeëigening- en uitbuitingsverhoudingen. Uitbuiting is een specifiek type van asymmetrische macht. Klassenverhoudingen kunnen derhalve worden gethematiseerd als specifieke, namelijk extractieve machts- of heerschappijverhoudingen.

Alle typen asymmetrische macht impliceren ongelijke, asymmetrische of niet wederkerige kansen en de betere kansen die de ene positie biedt impliceren de slechtere kansen van de andere (en omgekeerd). Bij uitbuiting gaat het om asymmetrische, niet wederkerige kansen meerarbeid toe te eigenen.

Klassen worden niet gedefinieerd in termen van beroepen, dus niet in termen van zogenaamde functioneel-technische arbeidsdelingen, en ook niet in termen van functies, dat wil zeggen in termen van sociaal-organisatorische of hiërarchische delingen binnen afzonderlijke arbeidsorganisaties. In de transformationele klassentheorie wordt systematisch rekening gehouden met de effecten van beroepsindelingen en met de manier waarop de gezagsrelaties binnen arbeidsorganisaties zijn georganiseerd. Maar klassenverhoudingen zijn niet primair gestructureerd door —en kunnen derhalve ook niet worden herleid tot— posities in technisch-functionele arbeidsdelingen en bedrijfsinterne hiërarchieën.

2·2·5 Klassen als dynamische verhouding
Klassen constitueren zich in antagonistische arbeidsverhoudingen waarin het maatschappelijke meerproduct wordt voortgebracht en toegeëigend. Deze structurele tegenstelling is een belangrijke ‘motor‘ van het historische proces.

Theorieën over sociaal conflict en maatschappelijke verandering zijn zeer onvolledig wanneer er geen rekening wordt gehouden met de tegenstrijdige structuur van de klassenverhoudingen. In het centrum van theoretische en historisch-sociologische analyses staan de latente en manifeste klassenconflicten.

In deze ‘klassenstrijd’ staat het streven naar handhaving/versterking van de extractieve macht van de uitbuitende klassen tegenover de pogingen van uitgebuite klassen om de voorwaarden van hun exploitatie te veranderen of hieraan een einde te maken door hun eigen ontwikkelingsmacht te gebruiken. De essentie van het klassenstrijd is exploitatie én het verzet daartegen [Ste-Croix 1983:44, 49].

De term ‘extractieve macht’ is ontleend aan Macpherson [1973:40-52,92]. Hij contrasteert deze term met ‘ontwikkelingsmacht’. Developmental power definieert hij “as ability to use and develop human capacities”/38/, of preciezer: als het vermogen van de mens om zijn eigen capaciteiten (zoals het vermogen tot creatief werken, tot fysieke, mentale en esthetische activiteiten, het vermogen tot lachen enz.) te gebruiken en te ontwikkelen. Extractive power definieert hij als de “ability to use other men’s capacities”/42/.

Macpherson laat zien dat zowel de oude individualistisch liberale politieke theoretici (van Hobbes tot James Mill) als de twintigste eeuwse empirische politieke theoretici (Lasswell/Kaplan, Easton, Friedrich, Dahl) uitgaan van de vooronderstelling dat de enige significante macht in elke politieke visie de macht is van iemand of van een groep over anderen/45/. Wat hierdoor uit het gezichtsveld verdwijnt of wordt gelegitimeerd is “that political power, being power over others, is used in any unequal society to extract benefit from the ruled for the rulers”/47/.

2·2·6 Klassen als historische verhouding
Wanneer klassen vanuit de structurele tegenspraken in het proces van toeëigening van meerarbeid worden gedefinieerd, dan moeten de specifieke historisch vormen van dit proces worden geanalyseerd. De wijze waarop meerarbeid wordt toegeëigend verschilt per maatschappelijke formatie. De producenten van maatschappelijke rijkdom zijn telkens op specifieke wijze gescheiden dan wel verbonden met hun objectieve en subjectieve arbeidsvoorwaarden en dit is bepalend voor de aard van de toe- en onteigeningsmechanismen. In de transformationele klassenanalyse worden deze specifiek historische uitbuitingsvormen gespecificeerd. Dat zal uitvoerig gebeuren in de volgende hoofdstukken.

In alle theorieën van sociale ongelijkheid die politiek conflicthandelen verklaren staat een thema centraal: de ongelijke verdeling van controle over maatschappelijke bronnen, die de ongelijke verdeling van beloningen (of levenskansen) en daarmee de sociale levenssituatie van individuen bepaalt.

Klassenongelijkheid is een positionele structuurvorm van sociale ongelijkheid. In eerste instantie gaat het dus om de vraag naar de ‘structurering van klassenposities’ en niet om de ‘rekrutering van klassen’ (dat wil zeggen rekrutering van individuen op deze klassenposities). Klassenposities zijn plaatsen in maatschappelijke arbeidsverhoudingen die gekenmerkt worden door een structurele ongelijke verdeling van controle over bronnen, waardoor duurzame en geïnstitutionaliseerde toeëigening van meerarbeid (‘uitbuiting’) mogelijk wordt. Klassen zijn positioneel bepaalde groepen en potentiële handelingscollectieven, waarvan de onderlinge relaties in arbeidsverhoudingen worden gekenmerkt door uitbuiting — of deze nu als zodanig worden ervaren en onderkend of niet.

In grote lijnen is hiermee de ‘harde kern’ omschreven die bepalend is voor de coherentie van het klassenanalytische onderzoeksprogramma. Het zijn slechts ‘kale’ basisstellingen die nog naar alle kanten moeten worden uitgewerkt en gepreciseerd. De hulphypothesen en heuristieken die aan deze kern zijn verbonden, worden in de volgende hoofdstukken uitvoerig behandeld

Daarbij worden uitvoerige afbakeningen beargumenteerd ten opzichte van gangbare economische, sociologische, antropologische, politicologische en sociaal-historische benaderingen en verklaringsmodellen. Deze afbakeningen zijn er niet zozeer op de gericht on de harde kern te beschermen, maar vooral om een weg te banen voor de constructie van een transformationeel model van klassenanalyse.

In het volgende hoofdstuk worden de contouren van een transformationele klassenanalyse uitgewerkt.

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 03 January, 2017