| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
Albert Benschop
In dit hoofdstuk wordt het begrip klasse afgebakend in onderscheid met het meer omvattende begrip sociale ongelijkheid. Klassenongelijkheid is immers een bijzondere vorm van sociale ongelijkheid. Klassenposities worden hier primair gethematiseerd als een specifieke vorm van positionele ongelijkheid [§ 1]. In het tweede deel van dit hoofdstuk worden een aantal centrale basisbegrippen geïntroduceerd in een verhandeling over de harde kern van een klassenanalytisch onderzoeksprogramma. Deze begrippen worden mede geprofileerd door ze af te bakenen van een aantal andere benaderingen [§ 2].
1. Sociale ongelijkheid |
|---|
Sociale ongelijkheid is een zeer breed begrip dat vele vormen of structuurpatronen omvat. Klassenongelijkheid is een specifieke structuurvorm van sociale ongelijkheid.[1] Nauwkeuriger: klassenongelijkheid is een van de basistypen van positioneel gestructureerde ongelijkheid.[2] Elk begrip van klassenongelijkheid veronderstelt dus altijd impliciet of expliciet een bepaalde notie van sociale ongelijkheden.
Onder sociale ongelijkheid versta ik:
| |
Sociale ongelijkheid kan niet worden verklaard vanuit de natuurlijke verscheidenheid van individuen. Toch zijn erfelijke, aangeboren en individueel verworven natuurlijke verschillen tussen individuen niet volledig irrelevant voor (de verklaring van) het ontstaan, de reproductie en transformatie van sociale ongelijkheden.
De natuurlijke verscheidenheid van mensen is het gecombineerde resultaat van de genetische maar door duurzame sociale ongelijkheden gemedieerde dobbelsteen en van de sociale maar door natuurlijke geboorte gemedieerde loterij.
Natuurlijke verschillen tussen individuen zijn dus relevant voor (de verklaring van) sociale ongelijkheden, omdat en voor zover zij aanknopingspunten en criteria bieden op grond waarvan sociale verhoudingen en levenskansen gesloten kunnen worden. Natuurlijke verschillen die op het eerste gezicht zeer oppervlakkig of onschuldig lijken (zoals verschillen in huidskleur), kunnen aanknopingspunten zijn voor de meest stabiele patronen van sociale ongelijkheidpatronen. Deze natuurlijke of fenotypische verschillen zijn dus zeker niet volledig irrelevant voor (de verklaring van) sociale ongelijkheden. De ongelijkheidpatronen in moderne klassensystemen kunnen echter op geen enkele manier vanuit deze natuurlijke verschillen zelf worden verklaard.
Onder natuurlijke verscheidenheid versta ik alle fysiologisch-biologische verschillen tussen mensen. Deze verschillen bestaan uit drie categorieën [Bader/Benschop 1988:52]:
Vooral in de zich telkens herhalende discussies over de erfelijkheid van intelligentie is enerzijds gebleken dat de grenzen tussen deze drie categorieën vloeiend zijn en zeer omstreden. Anderzijds demonstreren deze discussies de hardnekkigheid van biologisch-deterministische verklaringen van sociale ongelijkheid. In deze verklaringen wordt verondersteld (i) dat sociale verschijnselen een direct gevolg zijn individueel gedrag, (ii) dat individueel gedrag een direct gevolg is van of voornamelijk bepaald wordt door aangeboren eigenschappen, en (iii) dat deze intrinsiek fenotypische eigenschappen herleidbaar zijn tot genotypen die erfelijk worden overgedragen.
Francis Galton geloofde dat de sociale beroepsstructuur in meer of mindere mate een reflectie was van een natuurlijke hiërarchie van talenten en moraliteit in de maatschappij. Stevenson, een medisch-statisticus, ontwikkelde in 1923 de eerste beroepsclassificatie in discussie met eugenisten zoals Galton [Szreter 1984]. Moderne sociobiologen zoals Arthur Jensen, Richard Herrnstein, Steven Goldberg, E. O. Wilson hebben met dergelijke postulaten heruitgaves van de klassieke bio-organistische, antropo-raciale, darwinistische en instinctivistische opvattingen en scholen opnieuw het wetenschappelijke en journalistieke veld gepenetreerd.[7] In hft. VII § 4·1 wordt de rol van talenten als potentiële arbeidskwalificaties geanalyseerd.
Zowel in historisch als in structureel opzicht hebben individuele verschillen in kracht, grootte, snelheid en dergelijke een zeer variabele betekenis als factoren die ongelijkheid genereren, reproduceren en transformeren: In ontwikkelingshistorisch perspectief neemt door de verdergaande institutionalisering de betekenis van dergelijke individuele verschillen sterk af. De ongelijkheidsrelevante rol van grote of sterke individuen is in uitzonderingssituaties het grootst. In structuurtheoretisch perspectief is de relevantie van feitelijke individuele verschillen voor sociale ongelijkheid het grootst op het interactieniveau en het kleinst op het maatschappelijke niveau.[8] |
1·2·1 Functionalistische stratificatiesociologieën
In de functionalistische stratificatiesociologie werd telkens weer geprobeerd verticale sociale ongelijkheid zonder meer te verklaren uit horizontale differentiatie (van Schmoller via Davis/Moore tot aan Svalastoga).
Uitgangspunt van de functionalistische stratificatietheorie is dat geen enkele maatschappij klasseloos of ongestratificeerd is en kan zijn.
Het functionalistische verklaringsmodel van sociale ongelijkheden is opgebouwd uit vier stellingen:
De functionalistische stratificatiesociologie heeft in de loop der jaren een stoet critici in beweging gebracht die meer of minder scherpzinnige bezwaren tegen deze benadering hebben ingebracht. Bekende kritiekpunten op de functionalistische stratificatietheorie zijn:
In de kritieken die op functionalistische benaderingen werden geformuleerd, wordt vastgehouden aan het analytische onderscheid tussen horizontale sociale differentiaties (welke centraal staan in sociologische evolutietheorieën van Spencer en Durkheim tot Luhmann) en verticale sociale ongelijkheden. Zo merkt Durkheim op:
In de visie van Durkheim is sociale differentiatie praktisch identiek met arbeidsdeling. Hij beschouwt de principes van (rationele) arbeidsdeling als belangrijkste motoren van de maatschappelijke ontwikkeling.[13] Bij Luhmann wordt het begrip sociale differentiatie gegeneraliseerd door het in vergaande mate los te maken van het arbeidsbegrip, dat bij hem een uiterst marginale rol speelt [Luhmann 1972b:111 - noot 30]. Deze abstractie heeft een aantal vergaande consequenties, met name voor een klassenanalyse.
1·2·2 De verticale metafoor
Theorieën van sociale ongelijkheid- en klassen concentreren zich op de verticale delingen, hiërarchieën en stratificaties. Het gebruik van ruimtelijke metaforen zoals horizontaal en verticaal is weliswaar zeer gebruikelijk, maar zeker niet onproblematisch.[16]
Barry Schwartz heeft er in aansluiting bij Marcel Mauss en Jerome Bruner op gewezen dat verticale categorisatie geen neutrale samenvatting is van de betekenis van verschijnselen waarop het wordt toegepast: door verticale classificatie wordt veeleer de betekenis van deze verschijnselen pas gegenereerd. Op deze wijze kan het sociologisch denken met een ideologisch moment worden belast.
Verticale classificatie is een van die impliciete taken for granted constructies van het alledaagse leven waarmee mensen hun sociale omgeving interpreteren. Het is de natuurlijke taal van sociale ongelijkheid, een manier om de wereld de maat te nemen, it is always spoken of, but never spoken about. It is part of the unconscious way we look at things [Schwartz 1981:135]. Met eenvoudige metaforen en analogieën, zoals het beeld van boven en onder kan men goed denken en communiceren; ook of misschien wel juist in het politieke leven kan men hiermee goed opereren. Deze metaforen condenseren en geven tegelijkertijd uitdrukking aan diffuse emotionele patronen waarmee de sociale ongelijkheden waarnaar zij verwijzen niet direct te maken hebben.
De academische sociologieën steunen sterk op de conventionele taal en hebben het verticale beeld van die taal voor lief genomen. Daarom kunnen de maatschappelijke posities die sociologen analyseren zowel worden veredeld als gedegradeerd.
De taal van de verticale classificatie is dus niet neutraal of onschuldig: het heeft een ingebakken maatschappijbeeld, reproduceert of attaqueert dominante prestigehiërarchieën en fungeert daarmee tegelijkertijd als impliciete ideologische rechtvaardiging van en als kritiek op de bestaande ongelijkheid.
Het (generaliserende) gebruik van verticale polariteiten stuit op een specifiek probleem. De eenvoud van de verticale metaforen en analogieën mag dan nog zo vanzelfsprekend en handig lijken, in sociologisch onderzoek moet hiervoor een prijs worden betaald, namelijk verlies van onderscheidingskracht. Antagonistisch gestructureerde sociale ongelijkheden die in uitbuitingsrelaties verankerd kunnen niet of slechts zeer vertekend in het verticale taalgebruik worden geformuleerd, althans niet zonder de specifieke aard van antagonistische, exploitatieve relaties te negeren.[17]
Analyses van allocatieve ongelijkheden concentreren zich daarentegen op de vraag naar de mechanismen die bepalend zijn voor de selectieve rekrutering dan wel uitsluiting van groepen individuen op grond van discriminerende waarderingen van hun erfelijk overgedragen, aangeboren of individueel verworven natuurlijke eigenschappen (zoals afstamming, sekse, leeftijd en huidskleur) of hun sociaal-historische kenmerken (zoals nationaliteit, religiositeit, levensstijl, taal en cultuur). Empirische studies van allocatieve ongelijkheden richten zich op de duurzaamheid van het bezetten van posities respectievelijk van het behoren tot ascriptief gedefinieerde groepen.
Zowel in de functionalistische, conflicttheoretische, weberiaanse als marxistische traditie is het gebruikelijk een analytisch onderscheid te maken tussen positionele en personele dimensies van sociale ongelijkheid.[20] Omdat dit op zichzelf eenvoudige onderscheid zo onomstreden lijkt, is het niet overbodig hier direct op twee complicaties te wijzen.
De ongelijke verdeling van controle over bronnen en beloningen kan louter toevallig en kortstondig zijn. De duurzaamheid van de controle kan temporeel zeer beperkt zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval met het tijdelijk bezetten van een plaats in een trein of bioscoop of van een arbeidsplaats. Maar de controle over bronnen en beloningen kan ook zeer lang zijn: na erfelijke overdracht van grote sommen kapitaal blijft levenslang de eigendom van een lid van de volgende generatie. Bovendien is er een aanzienlijke variatie in de mate van controle. De controle over bronnen kan intern sterk gedifferentieerd zijn, maar ook nog eens personeel gedelegeerd en/of extern sterk gelimiteerd, zodat er eigenlijk alleen sprake is van een beperkt gebruiks- en genotsrecht.
| Sociale posities zijn langs individuele of collectieve tijdsassen gestructureerd. Zij vertonen dus meer of minder duidelijke, maar altijd sociaal gedefinieerde en geïnstitutionaliseerde begin- en/of eindpunten resp. een bepaalde, vaak institutioneel geregelde duur. De duurzaamheid en begrensdheid, lengte en kortheid van gebundelde bronnenstromen, de frequentie van toestandsveranderingen of gebeurtenissen, de richting van de toestandswisseling e.d. zijn zelfstandige aspecten van ongelijke levenssituaties. Deze ongelijke levenssituaties kunnen daarom het beste worden opgevat als ongelijkheidsfasen [Berger 1990:321]. |
Structurele ongelijkheid veronderstelt altijd een zekere duurzaamheid van de toeëigening en een zekere mate aan feitelijke controle over bronnen of beloningen.[22] Indien dit niet het geval is, zijn de sociale posities die kunnen worden ingenomen vloeibaar of open en als zodanig niet identificeerbaar als structurele plaatsen binnen maatschappelijke verhoudingen. De sociale posities en daarin geïmpliceerde controle over maatschappelijk relevante bronnen en beloningen moeten dus tot op zekere hoogte gestabiliseerd, uitgekristalliseerd en sociaal geïnstitutionaliseerd zijn. We spreken pas van structurele ongelijkheden wanneer de posities zelf een zekere regelmatigheid en duurzaamheid en een bepaalde mate van institutionalisering vertonen.[23]
Dit geldt ook voor de personele dimensie van sociale ongelijkheid: de bezetting van ongelijk beloonde en gewaardeerde plaatsen moet een minimale mate van duurzaamheid vertonen. Ongelijkheid van posities wordt pas een probleem wanneer bepaalde groepen, organisaties of individuen in staat zijn structureel ongelijke posities te monopoliseren of de toegang daartoe meer of minder drastisch te beperken, dat wil zeggen wanneer er tevens sprake is van mobiliteitsbarrières.[24]
Ook als de mobiliteitsbarrières zwak zijn en dus de sociale mobiliteit zeer hoog is kunnen er stabiele sociale ongelijkheden ontstaan. Maar zelfs wanneer de sociale ongelijkheid in zon situatie zou verscherpen (gemeten in verschillen tussen bronnen die aan posities zijn toebedeeld) dan leidt dat bij de betrokkenen veel minder snel tot een gemeenschappelijk definitie van de situatie, een collectieve habitus en levensstijl, een collectieve identiteit, laat staan tot collectief politiek handelen.
Er is een minimum aan duurzaamheid van het behoren tot een klasse- of andere sociale posities nodig om netwerken van sociale relaties aan te knopen (sociale georganiseerdheid, hechte sociale contacten), collectieve identiteiten en gemeenschappelijke duidings- en waarderingspatronen, strategieën en organisaties te ontwikkelen.[26]
Het mobiliteitsonderzoek heeft zich altijd geconcentreerd op bewegingen tussen (begripsmatig) gefixeerde posities eerst vanuit de optiek van kansengelijkheid, daarna ook vanuit de optiek van de rekrutering. Op basis van analyses van de mobiliteitspatronen en -barrières werden conclusies getrokken met betrekking tot de kansen van (sociale) klassenvorming. Van meer recente datum zijn de pogingen om de sociale structuur ook nadrukkelijk te analyseren vanuit de dimensie van de persoonlijke levenstijd en de historische tijd.[27]
Instabiliteiten en discontinuïteiten zijn met elkaar vermengd en dat dit leidt tot (voorbijgaande) levenssituaties en heterogene levens- of ongelijkheidsfasen [28] die zich onttrekken aan een eenduidige invoeging in statische stratificatie- en klassenschemas.[29]
Veel levensposities of -fasen zijn niet alleen van voorbijgaande aard (zij hebben een begin, zijn in tijd beperkt) maar hun verbreiding en betekenis varieert ook in de loop der geschiedenis: contexten van handelingsvoorwaarden kunnen zich wijzigen, er kunnen veranderingen optreden in de bronnenbundels die typisch met specifieke posities zijn verbonden, het relatieve gewicht van relevante handelingsvoorwaarden kan verschuiven enzovoort.
2. Klassen als verklaringsgrond voor sociale structuur en verandering |
|---|
2·1 Elementen van een onderzoeksprogramma
Om de contouren van mijn klassenanalytisch onderzoeksprogramma te omlijnen.[30] maak ik gebruik van drie elementen die volgens Lakatos in een wetenschappelijk onderzoeksprogramma geïmpliceerd moeten zijn.
Deze kern van dit programma wordt in eerste instantie gepreciseerd door de verklaringsgrond nader te omschrijven. Daarbij zal tevens worden ingaan op de afbakening ten opzichte van concurrerende theoretische benaderingen.
2·2·1 Klassen als verhouding: relationeel klassenbegrip
Klassen zijn een aspect van de sociale structuur van een maatschappij. Daarom worden klassen primair in relationele en niet in graduele termen gedefinieerd. De kwantitatieve dimensies van de levenssituaties van verschillende klassen kunnen empirisch in graduele termen worden beschreven, maar de fundamentele klassencriteria zijn gebaseerd op een analyse van de kwalitatieve locatie binnen maatschappelijke verhoudingen.
Een klasse wordt dus niet simpel opgevat als een verzameling of aggregatie van individuen en klassenanalyse wordt niet gereduceerd tot a battle of classification (Miliband).[33]
In de aggregationele benadering wordt zoals gezegd een klasse opgevat als een groep mensen met een of meer gemeenschappelijke kenmerken. Analyse van klassen wordt dan primair een strijd om de classificaties en classificatiecriteria. Tegen een dergelijke benadering is op zichzelf geen bezwaar, zolang de betekenis, dat wil zeggen de verklaringskracht van dit type classificaties niet wordt overschat en steeds in het oog wordt gehouden waarvoor dergelijke schemas gebruikt kunnen worden en waarvoor ze relevant zijn.[34]
In het klassenanalytische onderzoeksprogramma wordt in het algemeen uitgegaan van de vooronderstelling (i) dat het kenmerk dat aan classificaties (klassenkaarten) ten grondslag ligt een uitwerking of manifestatie is van specifieke namelijk door exploitatie gestructureerde maatschappelijke arbeidsverhoudingen en (ii) dat een classificatie relevant is voor de verklaring van de basisstructuren van een specifieke klassenmaatschappij.
Een relationeel klassenbegrip wil zeggen dat klassen alleen bestaan in onderlinge verhoudingen tot elkaar, in een telkens specifieke onderlinge afhankelijkheidsverhouding. De hoofdpersonen zijn daarom geen individuen als zodanig (persoonlijke individuen), maar leden van maatschappelijke klassen (klassenindividuen).
Het klassenbegrip verwijst primair naar plaatsen in de klassenstructuren, die bepalend zijn voor de sociale structurering van een maatschappij. Het structurele klassenbegrip refereert aan lege plaatsen[35] in de sociale klassenstructuur, dat wil zeggen aan klassenposities die door individuen worden opgevuld of bezet.
2·2·2 Klassen en arbeidsverhoudingen
Klassen worden structureel gedefinieerd in termen van posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen die gekenmerkt worden door een geïnstitutionaliseerde en structurele toeëigening/onteigening van meerarbeid. Een dergelijke uitbuiting is mogelijk bij een structureel asymmetrische verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen die in de betreffende arbeidsverhoudingen gebruikt kunnen worden voor de voortbrenging van goederen en diensten.
Klassen worden dus structureel gedefinieerd in termen van bijzondere arbeidsverhoudingen en niet in termen van algemene reproductieverhoudingen (de functionalistische theorieën: Davis/Moore traditie), niet door algemene machtsverhoudingen (de machts- en conflicttheorieën: Dahrendorf-Lenski traditie), niet door algemene ruilverhoudingen (de ruiltheorieën: Blau-traditie) en ook niet door bijzondere markt- of distributieverhoudingen (de markttheorieën: neo-weberiaanse traditie).
Ik ga hierbij uit van een breed begrip van arbeidsverhoudingen.
2·2·3 Klassen als antagonistische verhouding
Uit het abstracte model van een bepaalde arbeidswijze kan een even abstract binair of polair klassenmodel worden afgeleid.[36] Op structureel niveau worden klassen primair politiek-economisch gedefinieerd.
2·2·4 Klassen als asymmetrische machtsverhoudingen
Klassen zijn aspecten van maatschappelijke arbeidsverhoudingen die als uitbuitingsverhoudingen zijn gestructureerd en geen aspecten van zogenaamde technisch-functionele arbeidsdelingen. Klassen kunnen niet simpel worden gedefinieerd in termen van het arbeids- of productieproces, maar worden in termen van de relatie tot (toeëigening van) meerarbeid gedefinieerd.
Klassen refereren dus altijd primair aan posities in maatschappelijke uitbuitingsverhoudingen: de verhoudingen waarin de klassen ten opzichte van elkaar staan zijn gestructureerd door toeëigening- en uitbuitingsverhoudingen. Uitbuiting is een specifiek type van asymmetrische macht. Klassenverhoudingen kunnen derhalve worden gethematiseerd als specifieke, namelijk extractieve machts- of heerschappijverhoudingen.
Alle typen asymmetrische macht impliceren ongelijke, asymmetrische of niet wederkerige kansen en de betere kansen die de ene positie biedt impliceren de slechtere kansen van de andere (en omgekeerd). Bij uitbuiting gaat het om asymmetrische, niet wederkerige kansen meerarbeid toe te eigenen. [39]
Klassen worden niet gedefinieerd in termen van beroepen, dus niet in termen van zogenaamde functioneel-technische arbeidsdelingen, en ook niet in termen van functies, dat wil zeggen in termen van sociaal-organisatorische of hiërarchische delingen binnen afzonderlijke arbeidsorganisaties. In de transformationele klassentheorie wordt systematisch rekening gehouden met de effecten van beroepsindelingen en met de manier waarop de gezagsrelaties binnen arbeidsorganisaties zijn georganiseerd. Maar klassenverhoudingen zijn niet primair gestructureerd door en kunnen derhalve ook niet worden herleid tot posities in technisch-functionele arbeidsdelingen en bedrijfsinterne hiërarchieën.
2·2·5 Klassen als dynamische verhouding
Klassen constitueren zich in antagonistische arbeidsverhoudingen waarin het maatschappelijke meerproduct wordt voortgebracht en toegeëigend. Deze structurele tegenstelling is een belangrijke motor van het historische proces.
Theorieën over sociaal conflict en maatschappelijke verandering zijn zeer onvolledig wanneer er geen rekening wordt gehouden met de tegenstrijdige structuur van de klassenverhoudingen. In het centrum van theoretische en historisch-sociologische analyses staan de latente en manifeste klassenconflicten.[40]
In deze klassenstrijd staat het streven naar handhaving/versterking van de extractieve macht van de uitbuitende klassen tegenover de pogingen van uitgebuite klassen om de voorwaarden van hun exploitatie te veranderen of hieraan een einde te maken door hun eigen ontwikkelingsmacht te gebruiken.[41] De essentie van het klassenstrijd is exploitatie én het verzet daartegen [Ste-Croix 1983:44, 49].
2·2·6 Klassen als historische verhouding
Wanneer klassen vanuit de structurele tegenspraken in het proces van toeëigening van meerarbeid worden gedefinieerd, dan moeten de specifieke historisch vormen van dit proces worden geanalyseerd. De wijze waarop meerarbeid wordt toegeëigend verschilt per maatschappelijke formatie. De producenten van maatschappelijke rijkdom zijn telkens op specifieke wijze gescheiden dan wel verbonden met hun objectieve en subjectieve arbeidsvoorwaarden en dit is bepalend voor de aard van de toe- en onteigeningsmechanismen. In de transformationele klassenanalyse worden deze specifiek historische uitbuitingsvormen gespecificeerd. Dat zal uitvoerig gebeuren in de volgende hoofdstukken.
In alle theorieën van sociale ongelijkheid die politiek conflicthandelen verklaren staat een thema centraal: de ongelijke verdeling van controle over maatschappelijke bronnen, die de ongelijke verdeling van beloningen (of levenskansen) en daarmee de sociale levenssituatie van individuen bepaalt.
Klassenongelijkheid is een positionele structuurvorm van sociale ongelijkheid. In eerste instantie gaat het dus om de vraag naar de structurering van klassenposities en niet om de rekrutering van klassen (dat wil zeggen rekrutering van individuen op deze klassenposities). Klassenposities zijn plaatsen in maatschappelijke arbeidsverhoudingen die gekenmerkt worden door een structurele ongelijke verdeling van controle over bronnen, waardoor duurzame en geïnstitutionaliseerde toeëigening van meerarbeid (uitbuiting) mogelijk wordt. Klassen zijn positioneel bepaalde groepen en potentiële handelingscollectieven, waarvan de onderlinge relaties in arbeidsverhoudingen worden gekenmerkt door uitbuiting of deze nu als zodanig worden ervaren en onderkend of niet.[42]
In grote lijnen is hiermee de harde kern omschreven die bepalend is voor de coherentie van het klassenanalytische onderzoeksprogramma. Het zijn slechtskale basisstellingen die nog naar alle kanten moeten worden uitgewerkt en gepreciseerd. De hulphypothesen en heuristieken die aan deze kern zijn verbonden, worden in de volgende hoofdstukken uitvoerig behandeld
Daarbij worden uitvoerige afbakeningen beargumenteerd ten opzichte van gangbare economische, sociologische, antropologische, politicologische en sociaal-historische benaderingen en verklaringsmodellen. Deze afbakeningen zijn er niet zozeer op de gericht on de harde kern te beschermen, maar vooral om een weg te banen voor de constructie van een transformationeel model van klassenanalyse.
In het volgende hoofdstuk worden de contouren van een transformationele klassenanalyse uitgewerkt.
Noten |
|---|
1. Het onderzoek naar sociale klassen is onderdeel van en moet daarom gebaseerd zijn op een analyse van sociale ongelijkheden. Zonder structurele ongelijkheden zouden er geen klassen zijn. Maar sociale ongelijkheden kunnen bestaan zonder dat er klassen bestaan.
2. In het algemeen kunnen er vier basistypen van positionele ongelijkheid worden onderscheiden: klassenposities (posities in exploitatieve arbeidsverhoudingen), eliteposities (posities in organisationele gezagsverhoudingen), interactieposities (posities in interactionele verhoudingen) en statusposities (posities in prestigehiërarchieën). Vgl. Bader/Benschop [1988:197 e.v.]. Zie ook hft. VIII.
3. In Rousseaus Vertoog over de ongelijkheid werd de vraag naar de oorsprong van sociale ongelijkheid op een geheel nieuwe wijze benaderd [Starobinsky 1957; Baczko 1970; Lemaire 1980]. Hij breekt radicaal met de aristotelische traditie waarin een congruentie tussen natuurlijke en sociale ongelijkheid wordt verondersteld. In dit soort denkmodellen worden sociale ongelijkheden verklaard (en dus vooral gelegitimeerd!) door een verwijzing naar de natuurlijke verschillen tussen mensen.
4. Zie voor een kritische bespreking van de normatieve status van het gelijkheidspostulaat: Macpherson [1962:83,88, 265,272; 1985], Vlastos [1984:44].
5. In de oudere kritieken op het biologisch determinisme werd de nadruk gelegd op de betekenis van de sociale omgeving in de ontwikkeling van menselijke eigenschappen (nurture over nature). In meer recente kritieken wordt het accent gelegd op de beperkingen van een cultureel of sociaal omgevingsreductionisme en pleit men ervoor de naïeve nature/nurture dichotomieën los te laten. Zie hiervoor: Rose [1982], Lewontin/Rose/Kamin [1982/84:15,249], Birke/Sivertown [1984], Turner [1984, hft. 10]. Deze overweging speelt een cruciale rol bij Van den Berghes [1990] uiteenzetting over de betekenis van de sociobiologie voor het onderzoek naar etnische relaties. Hij hamert erop dat sociobiologie niet moet worden verward of gelijkgesteld met biologisch determinisme. Kenmerkend voor de sociobiologie is veeleer (1) dat zij weigert om nature and nurture, of erfelijkheid en omgeving als binaire opposities te beschouwen, en (2) dat zij de cultuur in natuur wil onderzoeken, d.w.z. dat de menselijke cultuur als een specifiek, maar integraal onderdeel vormt van de natuurlijke wereld en dat de ontwikkeling van de menselijke cultuur alleen maar begrepen kan worden in adaptieve co-evolutie met reproducerende, biologische organismen.
6. Een bekend voorbeeld hiervan is de invloed die het proteïne gehalte van moedermelk heeft op de hersenontwikkeling van babys. Het proteïnegehalte van de moedermelk wordt in zeer sterke mate bepaald door de maatschappelijk gestructureerde kansen op voedingsmiddelen; het is dus een klassenspecifiek variabele factor die op wereldschaal wordt overgedetermineerd door onderontwikkeling. Voor de landen van de zgn. derde wereld is dit uitvoerig gedemonstreerd door: Hamilton e.a. [1984]. Vgl. ook: Harris [1988: 266].
7. Zie voor kritieken op naturaliserende (racistische, seksistische en klassen-) ideologieën in het intelligentie-onderzoek: Kamin [1974], Vroon [1980], Green [1981], Rose [1982], Lewontin e.a. [1984:79-120].
8. Vgl. Bader/Benschop [1988:291 - noot 9]. Sigrist [1967/79:163-7] geeft een uitvoeriger kritische verhandeling van de betekenis van leeftijd, fysieke kracht en sekse bij het ontstaan van sociale ongelijkheid.
9. Social inequality is thus an unconsciously evolved device by which societies insure that the most important positions are conscientiously filled by the most qualified persons [Davis/Moore 1945:48]. De structuur van sociale ongelijkheid wordt dus opgevat als een mechanisme waardoor de meest geschikte en het best gekwalificeerde personen worden gerekruteerd voor de meest belangrijke posities in de samenleving. De individuele statusverwerving werd een centrale vraag in het stratificatie-onderzoek. Vgl. Blau/Duncan [1976].
10. Vgl. Simpson [1956:109].
11. Vgl. Rawls [1971:92,121].
12. Vgl. Wiehn [1974:61] en de samenvattende kritiek van Bader/Benschop [1988:292 - noot 15]. Zie voor een overzicht van de functionalistische traditie: Tumin [1953], Wrong [1959,1977], Simpson [1958], Huaco [1966], Wiehn [1974], Kirchberger [1975].
13. Vgl. Durkheim [1893/1926] en de analyse van zijn benadering door Rüschemeyer [1982; 1985: 170 e.v.].
14. Hoewel ook Kreckel aanneemt dat het begrip sociale klasse voor de analyse van de levensverhoudingen in geavanceerde kapitalistische maatschappijen aan betekenis heeft verloren, kritiseert hij Luhmanns visie op de betekenis van de tegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal. Zijn stelling is dat een sociologische analyse van het macrosociale krachtenveld, dat de instandhouding van structurele ongelijkheid en onderdrukking in markteconomisch georganiseerde maatschappijen garandeert, zeker niet kan slagen zonder terug te grijpen op het concept van de abstracte klassenverhouding van kapitaal en arbeid [Kreckel 1990:51; vgl. ook p. 60-3].
15. Volgens Luhmann gaat het klassenbegrip ook bij Marx slechts over de reflexiviteit van het verdelen, het verdelen op verdelingen, en niet over het basale proces zelf [Luhmann 1988:66; vgl. 1985:128]
16. Net als vele andere auteurs beschouwt Ossowski [1957/72:33] de ruimtelijke metafoor van de verticale stratificatie als het algemene en universele beeld, het is volgens hem de weerspiegeling van de klassenstructuur in het maatschappelijke bewustzijn.
17. Vgl. Haller [1986], Bader/Benschop [1988:289 noot 2].
18. Simmel gebruikte waarschijnlijk als eerste de uitdrukking lege plaatsen in een analyse van de organisatie van gezag. Arbeidsdeling staat echter overal in wisselwerking met de objectivering van het handelen en van de verhoudingen. ... Het apriori van de relatie zijn niet meer de mensen met hun eigenschappen, waaruit de sociale relatie ontstaat, maar deze relaties als objectieve vormen, posities, als ware het lege ruimtes en omtrekken, die nog door individuen opgevuld moeten worden [Simmel 1908/58:178].
19. Bader/Benschop [1988:54]. Andere auteurs zoals Hörnig [1976], Mayer [1977a], Berger [1989] en Berger/Sopp [1991] spreken over positionele en rekruteringsongelijkheid.
20. Vgl. Davis/Moore [1945:47], Parsons [1951:136], Davis [1953:394; 1959:82], Wrong [1959:772], Dahrendorf [1959/61:108], Parkin [1971:13 e.v.,42 maar niet in 1979!], Poulantzas [1974: 20], Wright [1979:20], Kocka [1979:137].
21. Overigens wordt niet in alle sociaalwetenschappelijke stromingen en tradities met dit onderscheid geopereerd. Soms wordt dit onderscheid principieel verworpen omdat het essentialistisch zou zijn (zoals in Parkins actionistische theorie van sociale sluiting Parkin 1979:30 e.v.). Soms wordt het verworpen omdat het verschil tussen positionele en allocatieve ongelijkheid geïdentificeerd wordt met de bewering van een empirisch-historisch primaat van positionele ongelijkheden (dit gebeurt in sommige radicaal-feministische kritieken).
22. Bader/Benschop [1988:53-4,250-3].
23. De stabiliteit van de positionele ongelijkheidsstructuur is natuurlijk altijd relatief en voorlopig. Zij is relatief met het oog op de gekozen classificatie van de posities en de inhoudelijke criteria die voor deze indeling gehanteerd worden. Zij is voorlopig met het oog op de specifieke tijdshorizon waarop de categoriseringen betrekking hebben: ook in verdelingen van bronnen kunnen verschuivingen optreden, voor- en nadelen, kansen en belastingen kunnen meer of minder duurzaam verbonden zijn met gedifferentieerde maatschappelijke posities, oude posities kunnen verdwijnen en er kunnen nieuwe posities ontstaan, die zich onttrekken aan het tot dan toe gebruikte begrippenkader [Berger/Sopp 1991:3].
24. Gestructureerde sociale ongelijkheid veronderstelt dus een zekere mate aan systematiek, stabiliteit en tijdsduur. De incidentele, niet-duurzame vormen van ongelijkheid vallen dus buiten het begrip van gestructureerde sociale ongelijkheid [Bader/Benschop 1988:54].
25. Zie over deze theoretische paradox van een kapitalisme zonder (sociale) klassen: Therborn [1987], Ritsert [1987]. Vgl. ook Kreckel [1989,1990], Thomas [1990] en Goldthorpe [1985:184].
26. De samenhang tussen duurzaamheid van het bezetten van ongelijk gestructureerde posities en kansen voor het ontstaan van sociaal hechte collectiviteiten en conflictgroepen is door veel auteurs benadrukt. Dit gebeurde al dan niet in aansluiting op Webers begrip van sociale klasse of Marxs thematisering van de complexe overgang tussen Klasse an sich naar Klasse für sich [vgl. Sombart 1909]. Zie voor de sociale historici: Thompson [1963/8,1983,1979,1978a], Kocka [1978,1979,1983,1986,1990a, 1990b], Mooser [1984], Zwahr [1981], Katznelson/Zolberg [1986]. Zie voor mobiliteitsonderzoekers en klassenanalytici: Hauser [1978, 1980, 1981], Mayer [1977a], Goldthorpe [1980, 1985], Herz [1983], Berger [1986,1989], Haller [1989]. En voor de conflictsociologen: Dahrendorf [1961,1987], Lenski [1966].
27. Onder de titel dynamisering en historisering van het ongelijkheidsonderzoek wordt hieraan vooral aandacht besteed door Duitse sociologen zoals Berger [1990], Berger/Hhradil [1990], Blossfeld [1990], Mayer e.a. [1989], Mayer [1990], Mayer/Blossfeld [1990], Mayer/ Müller [1986], Mayer/Schoepflin [1989]. Zie in het bijzonder voor processen van ontstandaardisering van patronen van levensloop: Buchmann [1989a,b] voor de V.S. en Kohli [1989], Osterland [1990], Berger/Sopp [1991] voor Duitsland.
28. Vgl. Berger [1990a], Zapf [1989].
29. Vgl. Berger [1991:3].
30. Op welke punten ik aansluit bij of afstand neem van de wat mij betreft oecumenisch opgevatte marxistische traditie zal in de rest van deze studie duidelijk blijken. Dit geldt ook voor diverse andere onderzoekstradities en theoretische stromingen waaruit tal van elementen worden geleend die in in mijn transformationele onderzoeksprogramma integreer.
Binnen een onderzoeksprogramma kunnen verschillende en daadwerkelijk rivaliserende theorieën worden geformuleerd die beoordeeld kunnen worden op hun heuristische en verklarende kracht. Het is niet overbodig te benadrukken dat het hierbij niet om een formeel georganiseerd onderzoeksprogramma gaat. Het is een programma dat gedragen wordt door een tamelijk los netwerk van onafhankelijke onderzoekers, met enkele nationale en internationale institutionele steunpunten (de hubs van een sociaalwetenschappelijk onderzoeksprogramma).
31. De werkelijke harde kern van een programma wordt niet in volle wapenrusting geboren als Athene uit het hoofd van Zeus. Ze ontwikkelt zich langzaam, via een lang proces van uitproberen [Lakatos 1970:117]. Een wetenschap gaat niet uit van principes of van een harde kern, zij gaat er naar toe. Vgl. Bachelard [1951], Manschot [1980:51 e.v.].
32. Om misverstanden te voorkomen die later in hft. V, § 1 nog behandeld zullen worden, merk ik hier alvast op dat deze formulering van de harde kern niet betekent dat ik een ongekwalificeerd primaat van klasse poneer. Mijn formulering is bijna even hard als die van Wright: Class structures constitute the essential qualitative lines of social demarcation in the historical trajectories of social change [Wright 1985:31; vgl. 1989:269]. Maar hij is zachter dan de formulering van Van Dijk [1984:302], dat het bestaan en antagonisme van maatschappelijke klassen de belangrijkste verklaringsgrond (explanans) vormt voor sociale verandering in het algemeen en voor sociale differentiatie, ongelijkheid en conflicten (explananda) in het bijzonder. Ook Anthony Giddens [1981] benadrukt de centrale betekenis van klassenanalyse voor het onderzoek naar sociale structuren en maatschappelijke veranderingsprocessen. Hij beperkt echter het fundamentele theoretische verklaringsprincipe tot kapitalistische maatschappijen. Ik kom hier in hft. V, § 1·2·2 op terug.
33. Vgl. Draper [1977:14], Stark [1980], Wright [1979:5], Van Dijk [1984]. Hieraan zou direct moeten worden toegevoegd dat men geen wetenschap van de sociale klassering kan bedrijven zonder een wetenschap van de strijd om de klassering [Bourdieu 1989:158], d.w.z. zonder classificatiestrijd. Zie voor het constructkarakter van classificaties en structuurcategorieën: Berger [1989,1990].
34. Zie hft. I, § 3·4·1 en III, § 4.
35. Vgl. Przeworski [1977:3], Hartman [1981:10], Wright [1989:290].
36. Klasse is dus een polair begrip. Een klasse voor zich alleen is ondenkbaar, ze heeft steeds een tegenpool nodig: uitbuiters en uitgebuitenen, heren en knechten [Kautsky 1927 II]. Vgl. ook Wright [1985:35 e.v.].
37. Vgl. Marx [MEW 25:799; MEW 23:231]. Klasse (in essentie een relatie) is de collectieve sociale uitdrukking van het feit van uitbuiting, de wijze waarop uitbuiting wordt belichaamd in de sociale structuur [Ste-Croix 1983:143]. Onder sociale wetenschappers is dit uitgangspunt van het klassenanalytische onderzoeksprogramma omstreden. Goldthorpe/Marshall [1992:383] zijn hierover zeer duidelijk:Klassenanalyse zoals wij dit begrijpen impliceert geen uitbuitingstheorie, volgens welke alle klassenverhoudingen noodzakelijk en exclusief antagonistisch zijn, en waarvan direct de objectieve basis kan worden ontleend voor kritische economie en sociologie. In het door Golthorpe c.s. ontworpen klassenschema bestaan er geen uitbuitingsrelaties tussen de onderscheiden klassen. De bijzondere aard van deze relaties wordt niet gethematiseerd en het assymmetrische en exploitatieve kader van de klassenverhoudingen wordt volledig genegeerd. We komen later nog terug op de misvatting dat exloitatieve klassenverhoudingen altijd exclusief antagonistisch zouden moeten zijn.
38. Een van de centrale vooronderstellingen van deze theorie is dat de vorm die klassendelingen en klassenstrijd aannemen in bijzondere tijdperken fundamenteel bepaald wordt door de wijze van exploitatie of de wijze van extractie van het meerproduct die kenmerkend is voor de opeenvolgende productiewijzen die in de loop van de historische ontwikkeling ontstaan. [Cottrell 1984:6].
39. Bij zijn typering van de historische bijzonderheden van de kapitalistische klassenverhoudingen benadrukt ook Giddens [1981, hft. 5] het gestructureerde, ongelijke en tegelijk wederkerige karakter van deze exploiterende machtsverhouding: de loonarbeiders zijn evenzeer op de kapitalisten aangewezen als deze op de loonarbeiders, tegelijkertijd bestaat er tussen hen een endemische conflictrelatie.
40. In zekere zin kan men zeggen dat klassenstrijd ten opzichte van klassen het primaire begrip is. Historisch gezien gaan klassen niet vooraf aan klassenstrijd, maar worden zij in en door klassenstrijd gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd. Wat hiervan de implicaties zijn voor een systematische of zo men wil: sociologische analyse van de structurering van klassenhandelen valt nog te bezien. Ik trek hieruit in ieder geval niet de conclusie dat het onmogelijk of overbodig is om bijvoorbeeld klassenposities onafhankelijk te definiëren van het specifieke politieke handelen van de individuen die deze klassenposities bezetten. In hoofdstuk XIII ga ik uitvoeriger in op de zgn. culturalistische benadering van Thompson.
41. De term extractieve macht is ontleend aan Macpherson [1973:40-52,92]. Hij contrasteert deze term met ontwikkelingsmacht. Developmental power definieert hij as ability to use and develop human capacities/38/, of preciezer: als het vermogen van de mens om zijn eigen capaciteiten (zoals het vermogen tot creatief werken, tot fysieke, mentale en esthetische activiteiten, het vermogen tot lachen enz.) te gebruiken en te ontwikkelen. Extractive power definieert hij als de ability to use other mens capacities/42/. Macpherson heeft laten zien dat zowel de oude individualistisch liberale politieke theoretici (van Hobbes tot James Mill) als de twintigste eeuwse empirische politieke theoretici (Lasswell/Kaplan, Easton, Friedrich, Dahl) uitgaan van de vooronderstelling dat de enige significante macht in elke politieke visie de macht is van iemand of van een groep over anderen/45/. Wat hierdoor uit het gezichtsveld verdwijnt of wordt gelegitimeerd is that political power, being power over others, is used in any unequal society to extract benefit from the ruled for the rulers/47/.
42. Volgens Erik Olin Wright worden binnen de marxistische theorie klassen gedefinieerd als gemeenschappelijke posities binnen de maatschappelijke verhoudingen van de productie, waarbij productie vooral wordt geanalyseerd als een systeem van exploitatie [Wright 1979:17]. Het bezwaar tegen deze omschrijving is tweeledig. (i) Er wordt in deze definitie geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen klassen en klassenposities. (ii) Omdat de term production niet althans niet expliciet breed wordt geformuleerd, wekt deze definitie de indruk klassen te beperken tot posities in materiële productieverhoudingen dan wel tot posities in productieverhoudingen in onderscheid van marktverhoudingen.
|
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]()
dr. Albert Benschop |