Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 1 Inleidende schermutselingen

III. Analytische structurering van het probleemveld

  1. Abstractieniveaus en analyse-eenheden
    1.1 Algemene klassentheoriën
    1.2 Formatiespecifieke klassentheoriën
    1.3 Veldspecifieke klassentheoriën
    1.4 Eenheden van historisch-sociologisch onderzoek
  2. Niveaus van maatschappelijke handelingsintegratie
    2.1 Klassenstructurering
    2.2 Klasse als handelings- of als structureel begrip
    2.3 Niveaus van handelingsintegratie
  3. Niveaus van structurering van klassenhandelen
    3.1 Klasse als objectieve levenspositie
    3.2 Klasse als mobiliteitsgroep
    3.3 Klasse als homogene levensstijl of culturele categorie
    3.4 Klasse in termen van typen of graden van bewustzijn
    3.5 Klasse in termen van specifieke handelingsvoorwaarden
    3.6 Conclusies
  4. Structurering van objectieve klassenposities en -situaties
    4.1 Productivistische en distributieve benaderingen
    4.2 Indirecte bronnen
    4.3 Differentiatie van klassenposities

Figuren
3_1 Abstractieniveaus en analyse-eenheden van klassenongelijkheid
3_2 Typologie van klassendefinities
3_3 Maatschappij, organisatie, interactie
3_4 Maatschappelijke, organisationele en interactionele klassendefinities

Literatuur

© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

De complexiteit van klassenverhoudingen en klassenongelijkheden is zo groot dat het raadzaam is stapsgewijze en gewapend met een zo gedetailleerd mogelijk analytisch referentiekader aan de slag te gaan. Daarom moet eerst het hele probleemveld in kaart worden gebracht. In dit hoofdstuk wordt hiervoor de grondslag gelegd door het specificeren van de methodische abstractieniveaus en de inhoudelijke probleemassen.

Klassenstructuren en klassenongelijkheden kunnen op verschillende abstractieniveaus worden geanalyseerd. Bovendien kunnen in sociologisch en historisch onderzoek verschillende, meer of minder omvangrijke analyse-eenheden worden afgebakend. Dit is de reden waarom klassenanalyses zo’n grote variëteit vertonen in theorie-systematische opbouw en in sociaal-historische reikwijdte [§ 1].

Klassenstructuren kunnen op verschillende niveaus van sociale handelingsintegratie worden onderzocht. De verschillende benaderingen onderscheiden zich van elkaar door het niveau van handelingsintegratie waarop zij zich bij voorkeur richten [§ 2].

Klassenhandelen is meervoudig gestructureerd. Daarom is het zeer belangrijk een duidelijk onderscheid te maken tussen de verschillende niveaus van handelingsstructurering. Klassenanalytische benaderingen onderscheiden zich niet alleen van elkaar door hun concentratie op specifieke niveaus van handelingsstructurering, maar ook door de wijze waarop de samenhang tussen deze niveaus wordt geanalyseerd [§ 3].

Tenslotte zijn de posities die in klassenstructuren kunnen worden ingenomen zelf ook complex en meervoudig gestructureerd. De verschillende klassenbenaderingen onderscheiden zich van elkaar door hun concentratie op bepaalde niveaus van structurering van objectieve klassenposities [§ 4].

In de volgende paragrafen worden deze aspecten van analytische structurering afzonderlijk uitgewerkt. Daarbij wordt eerst het niveau-onderscheid zelf gemotiveerd. Daarna wordt de betekenis van deze onderscheidingen geïllustreerd aan de hand van stromingen en tradities die zich op een van deze niveaus concentreren. Daaruit zal blijken welke theoretische en methodische beslissingen er genomen kunnen worden én welke keuzes er feitelijk door de vertegenwoordigers van diverse stromingen gemaakt zijn.

Om een meer systematische typologie van klassendefinities te ontwerpen is het, zoals in hoofdstuk I al werd opgemerkt, noodzakelijk om de dimensies op basis waarvan dit kan gebeuren te expliciteren. De analytische onderscheidingen die hier worden geïntroduceerd, maken zo’n beredeneerde indeling mogelijk. Er wordt dus tevens een aanzet gegeven voor een systematische typologie van klassenbegrippen en klassentheoretische tradities. Voor elke analytische as worden aan het slot van iedere paragraaf een aantal inhoudelijke en methodologische eisen geformuleerd, waaraan een klassentheorie zou moeten voldoen.

De analytische structurering van het probleemveld vervult dus een dubbele functie. Enerzijds wordt in methodisch gecontroleerde stappen een fijnmazig analytisch netwerk ontworpen waarmee de transformationele klassentheorie geconstrueerd kan worden, anderzijds wordt er met behulp van dit raamwerk een systematisch overzicht gegeven van het theorieaanbod.

Index1. Abstratieniveaus en analyse-eenheden

De analyse van klassenverhoudingen is een complexe aangelegenheid omdat klassenstructuren en klassenongelijkheden op meerdere niveaus van abstractie gethematiseerd kunnen worden. Bovendien bestaat er in sociologisch en historisch onderzoek een tamelijk grote variatie in de eenheden van onderzoek.

Klassenverhoudingen en klassenongelijkheden kunnen worden onderzocht:

  1. Universeel of in ieder geval meerdere tijdperken of maatschappijformaties omvattend;

  2. Specifiek voor een bepaalde maatschappijformatie of voor een bepaalde periode van een maatschappijformatie;

  3. Specifiek voor bepaalde —functioneel of empirisch gedifferentieerde— maatschappelijke verhoudingen, subsystemen of praktijkvelden en

  4. In bepaalde temporeel, geografisch en sociaal afgebakende eenheden van historisch-sociologisch onderzoek.
Op de eerste drie abstractieniveaus kunnen klassentheorieën worden ontwikkeld met een zeer variërende historische reikwijdte. Het historisch-sociologisch onderzoek wordt afgebakend door de keuze van de tijd-ruimtelijke analyse-eenheden.

Figuur 3_1: Abstractieniveaus en analyse-eenheden van klassenongelijkheid

  Abstractieniveaus van theoretische analyse Historisch-sociologisch onderzoek
Universeel
of
meerdere maatschappijformaties omvattend
Universele of meerdere maatschappijformaties omvattende klassenbegrippen en klassentheoriën; evolutionaire klassentheorieën. Klassen in temporeel, geografisch en sociaal afgebakende eenheden:
- families
- clans
- stammen
- dorpen
- steden
- regio’s
- naties
- nationale staten
- imperia
- wereldsystemen
Bijzondere maatschappijformatie Historisch specifieke mechanismen van rekrutering; van verwerving en overdracht alsmede van stabilisatie en garantie van ongelijke beschikkingsmacht. Bijvoorbeeld in burgerlijke of feodale maatschappijformaties.
Specifieke activiteitsverhoudingen
of praktijkvelden
Meerdere maatschappijformaties omvattend: klassen in het systeem van materiële productie en dienstverlening; klassen in het politieke systeem, in het verwantschapsprobleem enz.
Formatiespecifiek: klassen in kapitalistische arbeidsverhoudingen; klassenspecifieke mechanismen in parlementaire democratisch in burgerlijke samenleving enz.

Index


1·1 Algemene klassentheorieën
Het hoogste abstractieniveau is dat van ‘de maatschappij als zodanig’. Op dit niveau worden hypothesen en theorieën geformuleerd over klassen als een universeel of ubiquitair verschijnsel dat constituerend is voor álle menselijke samenlevingen en dus niet te elimineren. Dergelijke hypothesen en theorieën werden niet alleen in de socio-biologistische, functionalistische en normativistische traditie geformuleerd, maar ook in heerschappij-sociologische benaderingen.

Of klassen een universeel verschijnsel zijn van alle menselijke samenlevingen is natuurlijk sterk afhankelijk van de klassendefinitie die men hanteert. In het algemeen wordt de analyse van verschillende vormen en typen van klassenongelijkheid echter door dergelijke abstracte vragen eerder geblokkeerd dan gestimuleerd. De hypothesen en theorieën die op dit niveau worden geformuleerd, de zogenaamde algemene klassentheorieën, zijn meestal veel te abstract, door hun enorme sociaal-historische reikwijdte niet of nauwelijks toegankelijk voor empirische toetsing en daarom voor sociologisch onderzoek weinig bruikbaar. Zij bieden wel handvaten voor een vlucht in fascinerende, maar speculatieve maatschappijtheoretische ontwerpen.

Zelfs al zou uiteindelijk toch blijken dat klassenongelijkheid een universeel verschijnsel van menselijke maatschappijen is, dan is en blijft het zinvol om een onderscheid te maken tussen verschillende historisch specifieke vormen of typen van klassen en van bijzondere typen klassenformaties. Ook discussies over het al dan niet bestaan van klassenloze oercommunistische gemeenschappen bieden op dit punt geen uitweg. ‘History ≠ destiny’, en daarom is ook de geschiedenis van klassenmaatschappijen geen bestemmingsleer.

Er zijn diverse pogingen gedaan de fundamentele verschillen in de klassenstructuur van diverse maatschappijen in een theoretisch model te gieten. Studies over maatschappelijke arrangementen op speciale plaatsen binnen hetzelfde tijdsgewricht vertonen een grote mate aan variatie. Hetzelfde geldt voor de patronen van klassenongelijkheid die zich manifesteren in verschillende historische periodes. Het is en blijft een hachelijke onderneming om hierin een allesomvattende en uitputtende ordening aan te brengen.

Elke geschiedenis van de klassenmaatschappijen zou moeten beginnen de periode waarin er nog geen sociale klassen bestonden. We beginnen dus met de segmentair of acefaal georganiseerde voor-statelijke tribale samenlevingen. Hoewel al deze samenlevingen waren gebaseerd op de archaïsche of huishoudelijke arbeidswijze vertonen zij een grote verscheidenheid in reproductie- en functioneringswijzen. Segmentaire samenlevingen kunnen globaal worden onderverdeeld in een paleolithische fase (de verzamelaars/jagers maatschappij) en een neolithische fase (welke zich mede door landbouw en veeteelt reproduceert). Ik kom hier uitvoeriger op terug in hoofdstuk VI, § 5 (Huishoudelijke arbeidswijze in segmentaire maatschappijformaties) en in VIII, § 2·2 (Aziatische en feodale variant van tributaire arbeidswijze).

Segmentaire maatschappijen zijn acefale samenlevingen zonder centrale politieke besturingsinstanties of staat, maar het zijn strikt genomen ook geen egalitaire maatschappijen

In segmentaire maatschappijformaties is gelijkheid primair collectief gedefinieerd, de gelijkheidsstatus is gebonden aan het behoren tot een verwantschapsgroep.

De verwantschapsgroep zelf is echter sterk gehiërarchiseerd. Familie-oudsten oefenen gezag uit over de jongeren en mannen hebben de heerschappij over vrouwen.

De familie-oudste oefent geen individueel gezag uit over zijn huisgenoten —het zijn nog geen onderdanen. Zijn invloed wordt strikt gelimiteerd door traditionele zeden en geritualiseerde gewoonten.

Segmentaire samenlevingsverbanden zijn dus geen egalitaire maatschappijen, maar het zijn ook geen klassenmaatschappijen (zoals bijvoorbeeld de franse antropologen Rey en Bonté menen).

De archaïsche egalitaire sociale systemen vormen in alle bekende gevallen het uitgangspunt voor het ontstaan van patriarchaal georganiseerde protoklassenverhoudingen van de ‘hoogculturen’ waarvan de eerste vormen tussen 3000 en 2000 voor de Christelijke jaartelling zijn gesignaleerd. Daarin ontwikkelden zich twee elementen die van cruciale betekenis zijn voor het ontstaan van exploitatieve maatschappelijke arbeidsverhoudingen en klassenstructuren: de vorming van centrale besturingsinstanties (statelijke organisatievormen en stadsplanning) en de arbeidsdeling tussen stad en land (en hieraan nauw verbonden: de ontbinding van het collectieve eigendom van grond en de eliminatie van de subsistentiegrondslag van vrije agrarische producenten).

In de hoogculturen van China, India, Voor-Azië en het Egeïsche gebied ontwikkelen zich vanaf 1000 v. Chr. de eerste echte klassensystemen op exploitatieve basis. Deze reorganisatie van de sociale structuur van het systeem van arbeidsverhoudingen bracht niet alleen veranderingen met zich mee in de structuren van natuurbeheersing en heerschappij, maar manifesteerde zich ook in het ontstaan van nieuwe wereldbeelden.

Ontstaan van wereldreligies
In de eeuwen waarin de eerste klassensystemen ontstonden, kwamen ook nieuwe wereldbeelden tot stand. De boeddhistische beweging in India, de profetenbeweging in Israël, de confucianistische en taoïstische filosofie in China en de ethische filosofie in Griekenland zijn uitdrukkingen van een nieuw cultureel patroon, van een nieuw wereldbeeld en van een nieuw zelfbewustzijn van de menselijke soort [Eder 1973:8, 1980:150; Bellah 2010].

In alle centra van de hoogculturen van de oude wereld ontstond in de eerste eeuw v. Chr. een nieuw fenomeen: de religieuze verwerping van de wereld. Deze werd gekenmerkt door een extreem negatieve waardering van mens en maatschappij en de verheffing van een hiernamaals tot enig ware en oneindig waardevolle werkelijkheidsfeer.

    “This theme emerges in Greece through a long development into Plato’s classic formulation in the Phaedo that the body is the tomb or prison of the soul and that only by disentanglement from the body and all things worldly can the soul unify itself with the unimaginably different world of the divine. A very different formulation is found in Israel, but there too the world is profoundly devalued in the face of the transcendent God with whom alone is there any refuge or comfort. In India we find perhaps the most radical of all versions of world rejection, culminating in the great image of the Buddha, that the world is a burning house and man’s urgent need is a way to escape from it. In China, Taoist ascetics urged the transvaluation of all the accepted values and withdrawal from human society, which they condemned as unnatural and perverse” [Bellah 1964:359]
Dit was geen kortstondig fenomeen. Maar dan twee eeuwen verspreidde zich de impulsen van wereldverwerping over de geciviliseerde wereld.
  • In de Koran wordt het huidige leven afgedaan als “slechts spel en tijdverdrijf, pracht en onderling gepraal en streven naar meer bezittingen en kinderen”. De wereld wordt vergeleken met vegetatie na de regen: de plantengroei bevalt de ongelovigen bevalt, maar het verdort snel, je ziet het geel worden en dan wordt het stro [Koran 57, 19-20]. Mensen geven de voorkeur aan hun leven in de tegenwoordige wereld, maar het hiernamaals is oneindig superieur — het is de enige wereld die onvergankelijk en eeuwig is [Koran 87, 16-17].

  • Zelfs in Japan verklaarde Shõtoku Taishi (573-621) dat de wereld een leugen is en alleen Boeddha de ware is. In de Kamakura-periode (1185-1333) leidde de overtuiging dat de wereld een hel is tot orgieën van religieuze zelfmoord door zoekers naar Amida’s paradijs. Amida, de verheven boeddha van het Oneindige Licht, zou een paradijs hebben geschapen waar de zielen van sensibele wezens naar verlichting konden streven, zonder de pijs en het lijden dat verbonden is met het leven op aarde. Amida werd de centrale godheid van de populaire sekte Zuiver Land die tot op de dag van vandaag nog bestaat.

  • De belangrijkste christelijke theoreticus van het late Romeinse Rijk was de heilige Augustinus (354-430). Ook hij verspreidde vergelijkbare sentimenten. In zijn 22 boeken omvattende apologie van het christelijk geloof Over de stad Gods (De Civitate Dei) verklaart hij dat de wereldse stad nooit de centrale zorg van een christen kan zijn omdat de ideale staat niet op aard gerealiseerd kan worden maar alleen in de hemel. Het christendom behoorde tot het rijk van de geest en kon niet vergeleken worden met welke staat dan ook. De ware christen was een burger van een hemelse stad die niet geplunderd zou kunnen worden door goddeloze barbaren en daarom voor eeuw zou bestaan.
Tussen deze wereldverwerpingen bestaan diepe verschillen en zij hebben uiteenlopende gevolgen voor menselijk handelen [zie Max Weber, Religious Rejections of the World and Their Directions in: Gerth/Mills 1946]. Maar ondanks deze verscheidenheid is de wereldverwerping kenmerkend voor een lange periode van de religieuze geschiedenis. Robert Bellah contrasteert dit met het feit dat deze wereldverwerping bijna volledig ontbrak in primitieve religies, in religies die voorafgaan aan de eerste eeuw v. Chr., en in de moderne wereld.
    “Primitive religions are on the whole oriented to a single cosmos — they know nothing of a wholly different world relative to which the actual world is utterly devoid of value. They are concerned with the maintenance of personal, social and cosmic harmony and with attaining specific goods —rain, harvest, children, health— as men have always been. But the overriding goal of salvation that dominates the world rejecting religions is almost absent in primitive religion, and life after death tends to be a shadowy semi-existence in some vaguely designated place in the single world” [Bellah 1964:360].

Daarna krijgt men te maken met een breed spectrum van klassensystemen: van de ‘hydraulische’ maatschappijen van het nabije Oosten (met hun zogenaamde ‘Aziatische productiewijze’) tot aan de Griekse en Romeinse antieke slavenhoudersmaatschappijen; en van de Europese feodale samenlevingen met hun lijfeigenschap, via de (vroeg of laat) kapitalistische maatschappijen tot aan de etatistisch socialistische maatschappijen van het ‘reëel bestaande socialisme’.

Deze ongemeen grove schets geeft slechts een impressie van de omvangrijke en lastige problemen die in algemene klassentheorieën moeten worden behandeld. De analyse-eenheden die hier zijn onderscheiden, kunnen namelijk op zeer verschillende manieren worden benoemd (als ‘maatschappijformaties’ of ‘tijdperken’), zij kunnen op verschillende manieren worden benaderd (vanuit zuivere of heersende ‘productiewijzen’ of juist eerder cultureel), en zij kunnen op uiteenlopende manieren worden geanalyseerd (structuur-analytisch of juist historisch-vergelijkend). Dit neemt niet weg dat indelingen in historische tijdperken voor klassentheorieën de weg openen voor een vruchtbaar middenniveau van algemeenheid — dus tussen analyses van singuliere klassenmaatschappijen en zeer gespierde abstracties over universele ontwikkelingstendensen.

Typologie en chronologie van klassenformaties
Chronologische indelingen van historische tijdperken zijn gebaseerd op de maatschappijtypen. Basisbegrippen zoals maatschappijformatie, productiewijze en de indelingen daarvan (oercommunistische, Antieke, Aziatische, feodale, kapitalistische, socialistische) werden uitgewerkt door Hobsbawm, Godelier, Eder, Rey, Anderson, Cohen, Wright e.v.a. Ondanks alle controverses hebben deze discussies in ieder geval twee dingen duidelijk gemaakt.
  1. Er zijn geen specifieke historische vormen van onteigening van meerarbeid die zich in alle landen voordoen en die elkaar volgens een algemeen patroon opvolgen. Er is veeleer sprake van een multilineaire evolutie: de ontwikkeling van maatschappijformaties voltrekt zich langs alternatieve routes.

  2. De functie van een geconstrueerde algemene typologie van productie- of arbeidswijzen is niet om deze aan specifieke maatschappijen ‘toe te rekenen’, maar biedt slechts een leidraad voor het identificeren van de in een specifieke maatschappij dominante en subdominante arbeidswijzen.
De ‘materialistische geschiedenisopvatting’ schrijft geen universele periodisering van de geschiedenis voor. Het theorieprogramma van het historisch materialisme is een analytische methode waarmee de ontwikkeling van klassenmaatschappijen geanalyseerd kan worden. De periodisering is slechts illustratie van de toepassing van een dergelijke methode.

In de marxistische traditie wordt deze periodisering meestal samengevat in het P—S—F—K—patroon: primitief communisme — slavernij — feodalisme — kapitalisme. Met Irfan Habib [1973:8 e.v.] ben ik van mening dat het loslaten van dit schema geen ramp zou zijn. Integentegel, het zou marxisten misschien beter in staat stellen om de geschiedenis van klassenformaties te ondezoeken, zonder dat zij altijd op zoek hoeven te gaan naar dezelfde ‘fundamentele wetten van een tijdperk’ of naar de altijd en overal ‘primaire bewegingskracht’ van de geschiedenis.

Zie voor een grove indeling in archaïsche, voor-moderne hoogculturen en moderne maatschappijen: Bellah [1964, 2011], Bendix [1964/1996], Luhmann [1992], Eder [1973,1980] e.v.a.

Alleen op grond van theorieën en hypothesen over klassenstructuren in bijzondere historische maatschappijformaties krijgen theorieën en hypothesen over de evolutie van klassenongelijkheid profiel. Structuur-theoretisch onderbouwde klassificaties van arbeidswijzen en maatschappijformaties zijn een voorwaarde voor de constructie van evolutionaire theorieën over de ontwikkeling van klassensystemen (hoewel beide perspectieven elkaar natuurlijk wederzijds beïnvloeden). De evolutietheorieën over klassen —die meestal aansluiten bij ontwikkelingstheorieën van functionalistische snit— zijn relatief onderontwikkeld [Lenski 1970; Eisenstadt 1971; Seidel 1975; Wright 1985; Eder 1973, 1980].

Door het inzicht in de specifieke configuraties van klassenstructuren wordt bovendien ruimte geschapen voor historisch geïnformeerde klassenbegrippen en stellingen over klassenstructuren die ook in andere —of misschien toch wel álle— maatschappijformaties voorkomen Mits daarbij de specifieke processen en vormen van klassenstructurering die kenmerkend zijn voor de eigen, actuele maatschappijformatie maar niet zonder meer worden gegeneraliseerd.

Als men de bekende verwarring van begrippen en problemen wil vermijden, is het in ieder geval nodig een zo nauwkeurig mogelijk onderscheid te maken tussen klassenbegrippen en klassenstructuren die universeel, meerdere maatschappijformaties omvattend zijn, en formatiespecifieke structurering van klassenongelijkheden. Aan klassentheorieën mag de eis worden gesteld dat zij hun sociaal-historische reikwijdte en geldigheidsaanspraak expliciteren [zie hoofdstuk V, § 2·2].

Index


1·2 Formatiespecifieke klassentheorieën
Klassenstructuren en klassenongelijkheden kunnen worden geanalyseerd als verschijnselen die specifiek zijn voor een bijzondere maatschappijformatie of voor een bepaalde ontwikkelingsperiode van zo’n maatschappijformatie. Op dit abstractieniveau worden bijvoorbeeld specifieke klassenstructuren geanalyseerd in de burgerlijke maatschappijformatie in het algemeen, of in bepaalde stadia van haar ontwikkeling (bijvoorbeeld theorieën over klassen in het vroeg- of laat-burgerlijke kapitalisme).

Dergelijke klassentheorieën zijn zeer complex en worden daarom meestal op meerdere, onderling verbonden abstractieniveaus geformuleerd. Zij moeten niet alleen de inbedding van de specifieke klassenstructuren in exploitatieve arbeidsverhoudingen in kaart brengen, maar ook toetsbare hypothesen over hun wederzijdse afhankelijkheid formuleren. Zij moeten niet alleen de dominantieverhoudingen in kaart brengen van belangrijke maatschappelijke bronnen en uitbuitingsmechanismen die de objectieve klassenpositie bepalen, maar ook de mechanismen van rekrutering, stabilisering en garantie welke voor deze bijzondere maatschappijformatie kenmerkend zijn [zie hoofdstuk IV, § 1·3 en V, § 2·2].

Index


1·3 Veldspecifieke klassentheorieën
In veldspecifieke klassentheorieën wordt onderzocht hoe in specifieke subsystemen van de maatschappelijke arbeid klassenposities worden gegenereerd en gereproduceerd. Dat gebeurt niet alleen in de subsystemen van de materiële productie en zakelijke dienstverlening, maar ook in het politieke systeem, het verwantschapssysteem, het onderwijssysteem enzovoort voor zover deze als arbeidsverhoudingen zijn georganiseerd.

In veldspecifieke theorieën worden bovendien de effecten gethematiseerd die klassenstructuren hebben op —analytisch of empirisch gedifferentieerde— subsystemen van maatschappelijke activiteitsverhoudingen. Daarbij wordt bijvoorbeeld onderzocht op welke wijze en in welke mate klassenstructuren doorwerken in educatieve, juridische of staatspolitieke verhoudingen, en hoe deze op hun beurt terugwerken op de reproductie of transformatie van klassenverhoudingen.

Dergelijke analyses kunnen meerdere maatschappijformaties omvatten (bijvoorbeeld algemene hypothesen over de samenhang tussen klassenverhoudingen en het onderwijssysteem), of zij kunnen formatiespecifiek zijn (bijvoorbeeld hypothesen en stellingen over de effecten van kapitalistische klassenverhoudingen op het parlementaire politieke systeem).

Parlementaire democratie in kapitalisme
In de analyse van het politieke systeem in het kapitalisme gaat het enerzijds om de klassenspecifieke wijze waarop de toegang tot en de mate van participatie binnen het parlementaire politieke partijensysteem is gereguleerd:
  • Klassenspecifieke verschillen in de beschikking over materiële bronnen die noodzakelijk zijn voor oprichting en instandhouding van politieke massapartijen: toegang tot gebouwen, financiering van propaganda, voorlichting en scholing, hoogte van contributies, toegang tot media van massacommunicatie enz.
  • Klassenspecifieke verschillen in beschikking over vrije tijd die nodig is voor onbezoldigde participatie als lid, kader of bestuurder.
  • Klassenspecifieke culturele drempels voor actieve deelname.

Anderzijds gaat het om de vraag hoe een dergelijk —door kapitalistische klassenverhoudingen gestructureerd— politiek systeem terugwerkt op de sociale klassenverhoudingen:

  • Hoe draagt het politieke systeem bij aan de reproductie en garantie van de bestaande exploitatie- en klassenstructuren?
  • Onder welke voorwaarden ontstaan er impulsen die bijdragen aan hervorming of omwenteling van de klassenverhoudingen? [Preuβ 1976:76; Bader/Benschop 1988:VI,2 e.v.a.].

Index


1·4 Eenheden van historisch-sociologisch onderzoek
Klassen kunnen ten slotte worden geanalyseerd als verschijnselen die specifiek zijn voor een bepaalde eenheid van historisch-sociologisch onderzoek.

Klassenstructuren bestaan alleen voor zover zij voortdurend in ruimte en tijd ge(re)produceerd worden door en in het menselijk handelen. Specifieke klassensystemen strekken zich dus altijd uit in een bepaalde tijd en een bepaalde sociale ruimte en vertonen daarom altijd een zekere duurzaamheid (in tijd) en verbreiding (in ruimte).

In historisch-sociologisch onderzoek moeten de onderzoekseenheden temporeel, geografisch en sociaal worden afgebakend. Al naar gelang de theoretische oriëntatie en kennisbelangen kunnen er verschillende analyse-eenheden worden onderzocht:

  1. De geschiedenis van specifieke maatschappijformaties (of beperkter: van specifieke arbeidswijzen, politieke systemen enzovoort).
      Zie voor het onderzoek naar archaïsche maatschappijen en de verwantschappelijke of huishoudelijke productiewijze: Sahlins [1972], Siskind [1978], Eder [1980], Wolf [1982], Meillasouxs [1983], Rey [1983], Raatgever [1988]; de Antieke productiewijze: Welskoph [1957], Schmidt [1978], Kippenberg [1977], Ste. Croix [1983], Finley [1985]; de Aziatische productiewijze: Wittfogel [1957/85], Tökei [1969], Dumont [1970], Godelier [1965,1970, 1979], Cerm [1969], Sofri [1972], Legros [1977], Offner [1981], Dunn [1982], Karl [2005]; speciaal over Marx’s opvattingen over de Aziatische of hydraulische productiewijze: Godelier [1965;1970:105-42], Shiozawa [1966], Sawyer [1972], Krader [1975], Hindess/Hirst [1975] en voor een overzicht van de hele discussie: Anderson [1974:484 e.v.]; het ontstaan, de ontwikkeling en het verval van het Europese feodalisme: M. Bloch [1965], Cerm [1971], Wunder [1971], Vilar [1971], Duby [1977,1978], Anderson [1974], Kuchenbuch/Michael [1978]; de geschiedenis van de feodale hofsamenleving [Elias 1969]; de transformatie van feodalisme naar kapitalisme: Sombart [1921], Pirenne [1936], Dobb [1963], Sweezy [1976], Hilton [1976], Hill [1976], Brenner [1977], Lasch/Urry [1987]; de geschiedenis van het moderne kapitalisme: Sombart [1921], Kulischer [1958], Dobb [1964], Hobsbawm [1970/9]; de geschiedenis van de burgerlijke maatschappij: Wittfogel [1924], Kofler [1966].

  2. De geschiedenis van omvattende politiek soevereine of feitelijk geïntegreerde sociale eenheden, zoals stammen, imperia, nationale staten, staatssystemen binnen culturen en wereldsystemen.
      Zie voor stammen: Sigrist [1967/79], Sahlins [1968, 1972], Kramer/Sigrist [1978], Geschiere [1983:604 e.v.], Raatgever [1988]; voor imperia: Mommsen [1934], Finley [1973/85, 1981], Eisenstadt [1963], Hardt/Negri [2000, 2004]; voor nationale staten: Roland Holst [1902, 1932], Wehler [1973], Cabral [1968], Van der Pijl [1984, 1989]; voor staatssystemen binnen culturen: Gerschenkorn [1965], Skocpol [1976, 1979], Kula [1970], Brunner [1978], Hintze [1970]; voor wereldsystemen: Poulantzas [1974/7], Wallerstein [1974, 1979:222 e.v., 1980, 1984, 1987:317, 1989], Chase-Dunn [2001, 2005].

      De premisse van Wallerstein’s analyse is “dat de moderne wereld slechts één kapitalistische wereldeconomie omvat, die historisch ontstond sinds de zestiende eeuw en die nu nog bestaat. Uit een dergelijke premisse vloeit voort dat nationale staten geen maatschappijen zijn met gescheiden, parallelle geschiedenissen, maar onderdelen van een geheel die dat geheel reflecteren. In de mate dat er stadia bestaan, bestaan zij voor het systeem als geheel. Omdat de verschillende delen van de wereld verschillende rollen spelen en hebben gespeeld in de kapitalistische wereldeconomie, vertonen zij sterk verschillende interne socio-economische profielen en daarom onderscheiden politieken. Maar om de interne klassentegenspraken en politieke strijd van een specifiek stadium te begrijpen, moeten we deze in de wereldeconomie plaatsen” [Wallerstein 1979:53]. Hij legt er sterk de nadruk op dat het klassenbegrip werd ontwikkeld binnen het kader van de kapitalistische wereldeconomie en dat het daarom het meest vruchtbaar gebruikt kan worden wanneer het niet van deze historisch specifieke context wordt losgemaakt. Klassenanalyse verliest aan verklaringskracht wanneer zij zich beweegt in de richting van formele modellen en zich verwijdert van ‘dialectische dynamiek’ [idem:222].

  3. De geschiedenis van politiek of maatschappelijk afhankelijke sub-eenheden, zoals staten in wereldsystemen, naties in imperia, deelstaten (en regio’s, provincies, gemeentes enzovoort) in nationale staten; families, huishoudelijke eenheden tot aan — ‘grote’ of heel ‘kleine’ maar voor hun specifieke klasse exemplarische — individuen.
      Zie bijvoorbeeld voor de Engelse arbeidersklasse: Thompson [1963/80], Hobsbawm [1984] en voor klassenstrijd tijdens industriële revolutie: Foster [1974], Calhoun [1982]; voor arbeidersklasse in de V.S.: M. Davis [1980], Bridges [1986], Shefter [1986]; voor de Duitse arbeidersklasse: Kocka [1986], Nolan [1986]; voor de Franse arbeidersklasse: Sewell [1986], Perrot [1986], Cottereau [1986]; voor de Nederlandse arbeidersklasse: Harmsen [1975]; voor het joodse proletariaat in Amsterdam: Leydesdorff [1987]; voor de lokale klassenverhoudingen van een boerengemeenschap in Maleisië: J.C. Scott [1985]. Vooral de laatst genoemde studie demonstreert hoe belangrijk en complex lokale klassenverhoudingen kunnen zijn en wat men kan leren van klassenanalyses die niet geconcentreerd zijn op de staat, op formele organisaties en op openlijk, nationaal georganiseerd verzet.
Onderzoek naar klassenverhoudingen en -ongelijkheden moet rekening houden met de verschillen tussen deze analytische niveaus van afnemende abstractie.

Alle klassentheorieën concentreren zich hoofdzakelijk of exclusief op een van deze abstractieniveaus. Er is geen omvattende klassentheorie die op alle abstractieniveaus is uitgewerkt en waarin tevens de wisselwerking tussen deze niveaus wordt gepreciseerd. Gezien de enorme complexiteit van het fenomeen is zo’n ‘mega-klassentheorie’ in de komende jaren ook niet te verwachten. Daarvoor is niet alleen de complexiteit van het onderzoeksobject verantwoordelijk, maar ook en vooral de intellectuele rivaliteit tussen de klassentheoretici en het grote gebrek aan coöperatieve onderzoekspraktijken.

Bij de operationalisering van de klassentheorieën doen zich aanzienlijke problemen voor. Essentialistische klassentheorieën immuniseren zich bij voorbaat tegen elke empirische toetsing. De kloof tussen klassentheorie en -empirie wordt niet gedicht door louter retorische verbindingen. De methodieken en technieken van sociaalwetenschappelijk onderzoek naar klassenstructuren en -bewegingen zijn in de loop der tijd aanzienlijk verfijnd. Maar dit heeft nog niet geleid tot een productieve wisselwerking tussen theoretische en empirische klassenanalyse. Voor de verhouding tussen ongelijkheidstheorieën en sociologisch en historisch onderzoek hebben Bader/Benschop [1988:37-9] het beeld geschetst van hun ‘unhappy divorce’. Dit beeld is voor de klassenanalyse nog steeds geldig.

Algemene, formatie- en veldspecifieke klassentheorieën kunnen het historisch-sociologisch onderzoek wel structureren, maar natuurlijk niet determineren — daarvoor is zelfs de meest gedifferentieerde klassentheorie nooit voldoende informatief. Een productieve verhouding tussen klassentheorie en empirisch onderzoek is geen eenrichtingsverkeer: historisch-sociologisch onderzoek van (veranderingen van) klassenverhoudingen is niet mogelijk zonder (minstens impliciete) klassentheorie, en zonder empirisch onderzoek is het onmogelijk om een gedifferentieerde en historisch geïnformeerde klassentheorie te ontwikkelen.

Index2. Niveaus van maatschappelijke handelingsintegratie

2·1 Klassenstructurering
Net als alle andere vormen van sociale ongelijkheid wordt klassenongelijkheid gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd door individueel en collectief sociaal handelen. Daarom lijkt het enerzijds wenselijk om klassen te definiëren in termen van handelen. Het individuele en collectieve sociaal handelen van individuen wordt echter op haar beurt weer bepaald door de structuren van klassenongelijkheid waarin zij opereren. Daarom lijkt het anderzijds wenselijk om klassen te definiëren in termen van sociale structuren.

Klassenbegrippen kunnen worden geordend door ze te differentiëren op basis van de volgende vier vragen.

Om een systematische typologie van klassendefinities te ontwerpen, is het nodig de dimensies op basis waarvan dit kan gebeuren te expliciteren. In figuur 3_2 zijn hiervoor de belangrijkste dimensies in kaart gebracht. In de volgende paragraven worden de verschillende onderdelen van dit schema stapsgewijs besproken.

Figuur 3_2: Typologie van klassendefinities
Figuur 3_2: Typologie van klassendefinities.

Index


2·2 Klasse als handelings- of als structureel begrip
Klassen kunnen worden gedefinieerd in termen van posities in specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen of in termen van een of andere specifieke gedragswijze of handelingsstrategie. Handelings- en structuurtheoretisch gemotiveerde definities werden en worden meestal als twee exclusieve alternatieven tegenover elkaar gesteld: ‘structuralisten’ versus ‘actionisten’.

  1. In structuralistische benaderingen (zoals die van Althusser en Poulantzas) worden klassen uitsluitend of voornamelijk geanalyseerd in termen van structurele posities in specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen (meestal in ‘economische’ verhoudingen, maar soms ook samen met ‘politieke’ en ‘ideologische’ verhoudingen). De actoren worden hierbij opgevat als personificaties van deze structurele klassenposities. Omdat de analyses van de structurele klassenposities meestal op een zeer hoog abstractieniveau zijn geconcentreerd (namelijk op het abstractieniveau van de ‘productiewijze’ of van de ‘maatschappijformatie’) hebben de structuralisten grote moeite om plausibele verklaringen te geven van het ontstaan en de ontwikkeling van klassenbewustzijn en -handelen van individuen en van feitelijke politieke confrontaties tussen politieke handelingscollectieven op klassenbasis.

  2. Dit is precies de reden waarom de voorstanders van actionistische benaderingen zich scherp afzetten tegen alle ‘objectivistische’ en ‘structuralistische’ klassendefinities. Dit is bijvoorbeeld zeer duidelijk in het werk van Frank Parkin. Hij zet zich af tegen alle benaderingen waarin klassen positioneel worden gedefinieerd. Klassen moeten volgens hem niet worden gedefinieerd door hun plaats in het arbeidsproces of in de arbeidsdeling, maar uitsluitend door hun ‘mode of collective action’ [Parkin 1979:113]. Vergelijkbare formuleringen treft men aan in het werk van Touraine, Przeworski en anderen. Het gemeenschappelijke kenmerk van actionistische benaderingen is dat daarin geen plaats meer wordt ingeruimd voor een begrip als ‘objectieve klassenposities’. Klassen zijn louter effecten van strategieën van collectieve actoren. De gestructureerdheid van deze strategieën door objectieve klassenverhoudingen wordt niet meer in de analyse betrokken, of in ieder geval ver naar de achtergrond geschoven.

De gemeenschappelijke vooronderstelling van beide benaderingen is dat klassen-structuur en -handelen als twee uiterlijke entiteiten worden opgevat die vervolgens op de een of andere manier met elkaar verbonden moeten worden. “Mijn stelling is dat op het logische niveau het handelings-begrip en het structuurbegrip elkaar wederzijds veronderstellen” [Giddens 1987:101].
Structuralistische en actionistische benaderingen vullen elkaar helaas niet aan. Er blijft een onoverbrugbare kloof bestaan tussen de ‘logica van een structurele klassenanalyse’ en de ‘logica van collectief klassenhandelen’. Daarom kan de samenhang tussen klassenposities en klassenhandelen, tussen ‘klasse an sich’ en ‘klasse für sich’ niet goed worden verklaard.

De metafoor van de ‘klasse-in-zichzelf’ versus de ‘klasse-voor-zichzelf’ fungeert net als die van de ‘toestandsklasse’ versus de ‘mentaliteitsklasse’ vooral als een verlegenheidsformule voor het ontbreken van een consistent heuristisch model. Deze metaforen bieden in ieder geval geen bruikbare leidraad of verklaringskader voor de analyse van de complexe relaties tussen uitbuitings- en klassenposities, sociale klassen, klassenspecifieke habitus en culturele levensstijlen, klassenspecifieke handelingsoriëntaties en bewustzijnsvormen en specifieke voorwaarden van politiek klassenhandelen.

Er bestaan geen klassentheorieën waarin de relatie tussen klassenstructuur en klassenhandelen op een zodanig wijze is uitgewerkt dat deze problemen kunnen worden opgelost (en dat we structuralistische en actionistische benaderingen achter ons kunnen laten). Maar er zijn wel belangrijke aanknopingspunten die het mogelijk maken het dichotome denken over de relatie tussen klassenstructuur en klassenhandelen te doorbreken.

In transformationele benaderingen (Wright, Bourdieu, Giddens) wordt uitgegaan van twee vooronderstellingen:

Een transformationele klassentheorie zou dus een analytische ingang moeten bieden om klassenstructuren te verklaren in termen van klassenhandelen en omgekeerd. Dit wordt mogelijk wanneer men de keuze tussen het structuur- of handelingsperspectief afwijst en zich in plaats daarvan richt op handelingstructurering, en meer in het bijzonder op de structurering van klassenhandelen. Klassentheorieën zouden getoetst moeten worden op de vraag of zij ons in staat stellen de interne samenhang te analyseren tussen objectieve klassenstructuren (zonder objectivistische ‘structuurtheorie’ te worden) en klassenhandelen (zonder subjectivistische ‘handelingstheorie’ te worden).

Transformationele benadering
Ik gebruik de de term transformationele klassenbenadering omdat de hiervoor beargumenteerde uitgangspunten aansluiten bij het Transformational Model of Social Activity van Roy Bhaskar [1979:43; 1986:117 e.v.]. Aristoteles en Marx waren de belangrijkste voorlopers van dit verklaringsmodel.

De centrale kenmerken van dit model zijn:

  1. Het intentionele handelen van menselijke individuen is constitutief voor maatschappelijke verhoudingen en structuren. De transformationele analyse blijft in dit opzicht trouw aan het heerlijke adagium van Max Weber, dat alle maatschappelijke systemen, structuren en instituties in laatste instantie (letztendlich) het resultaat zijn van het sociaal handelen van menselijke individuen. Dit methodologisch individualisme vormt een van de twee pilaren van de transformationele benadering.

  2. De onto-logische structuur van de menselijke praktijk is wezenlijk transformatief: door het handelen van mensen dat op bepaalde doelen (belangen en verlangens) is gericht, worden de gegeven natuurlijke en sociale verhoudingen getransformeerd [Bhaskar 1986:122]. Simpel gezegd: omdat de maatschappij — met al haar instituties en organisaties, exploitaties en discriminaties, rijkdom en armoede, mores en sores, vreugde en pech— door mensen gemaakt wordt, kan dit ook alleen door sociaal handelen van mensen worden veranderd.
Maatschappelijke processen en structuren worden door menselijke actoren gegenereerd en gereproduceerd. Deze recursieve eigenschap van het transformationele model is: de maatschappij is de altijd aanwezige voorwaarde en het permanent gereproduceerde resultaat van menselijk handelen. Dit is de inmiddels bekende dualiteit van structuren [Giddens 1976:121; Bourdieu 1977].

Het sociaal handelen individuele actoren produceert, reproduceert en transformeert het geheel van de maatschappelijke verhoudingen. De maatschappij is zowel het onbewuste medium als het onbedoelde (en niet-teleologische) product van deze activiteit. Dit is de dualiteit van sociaal handelen.

In het transformationele model van sociaal handelen zijn maatschappij en handelende individuen “existentieel interdependent maar essentieel onderscheiden” [Bhaskar 1986:123].

Bhaskar laat zien dat dit verklaringsmodel het mogelijk maakt om drie paren misverstanden te isoleren: de ontologische fouten van voluntarisme en reïficatie, de constitutieve fouten van individualisme en collectivisme, en de epistemologische fouten van het methodologisch individualisme en het sociaal determinisme.

In de transformatiele benadering bestaan maatschappelijke structuren alleen in en door de activiteiten van menselijke actoren (en dus nooit onafhankelijk daarvan). Bovendien zijn structuren niet alleen beperkend, maar ook faciliterend: maatschappelijke structuren limiteren en faciliteren de handelingskansen van individuele en collectieve actoren, maar leggen daarvan niet de specifieke uitkomst vast. De modi van structurele causaliteit worden besproken in hoofdstuk XVII.

Het kennisobject van een transformationele klassentheorie is de structurering van klassenhandelen. Aan een dergelijke klassentheorie mag de eis worden gesteld

  1. dat de niveaus waarop klassenhandelen is gestructureerd duidelijk worden onderscheiden en dat de wisselwerkingen tussen deze structureringsniveaus worden gepreciseerd;

  2. dat de niveaus waarbinnen klassenhandelen is geïntegreerd van elkaar worden onderscheiden en hun wisselwerking wordt gepreciseerd;

  3. dat er een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de mechanismen waardoor klassenstructuren worden gegenereerd, ge(de)stabiliseerd en waardoor zij worden gegarandeerd of getransformeerd.
In hoofdstuk V komen de mogelijkheden en problemen van deze nieuwe benadering uitvoeriger aan de orde.

Index


2·3 Niveaus van handelingsintegratie
Klassenongelijkheid en klassenstructuren kunnen net als alle andere vormen van sociale ongelijkheid op verschillende niveaus van handelingsintegratie worden geanalyseerd. Voor een transformationele klassenanalyse is het voorlopig voldoende een onderscheid te maken tussen drie niveaus van handelingsintegratie: het maatschappelijk niveau, het organisatieniveau en het interactieniveau.

Door tussenkomst van moderne informatie- en communicatietechnologieën (internet en mobiele media) zijn mensen in staat om op afstand direct met elkaar te interacteren en te communiceren. Het heeft daarom geen enkele zin meer om vast te houden aan het oude vertrouwde principe van de co-locatie, volgens welke mensen alleen maar betekenisvolle sociale relaties met elkaar kunnen aan wanneer hun lichamen zich gelijktijdig in dezelfde fysieke ruimte bevinden. Door de vergaande mediatisering van sociale interacties en communicaties kan het gevoel van sociale aanwezigheid en nabijheid van anderen ook ontstaan wanneer zij elkaar ontmoeten in de virtuele ruimte. Deze stelling wordt uitvoerig onderbouwd en empirisch gedemonstreerd in Eigenaardigheden van Cyberspace - Bouwstenen voor een sociologie van het internet.
Handelingen en communicaties in interactiesystemen voltrekken zich in directe fysieke dan wel door communicatietechnologie gemedieerde aanwezigheid (en nabijheid) van de actoren. De handelingen en communicaties in organisaties kunnen zich hiervan tot op zekere hoogte losmaken door de ontwikkeling van organisatieposities en -structuren. Het maatschappelijk niveau is telkens het meest omvattende sociale systeem van alle handelingen en handelingssystemen die communicatief en feitelijk op elkaar zijn betrokken (voor zover zij interactiesystemen en organisaties overstijgen). Deze meest omvattende sociale systemen kunnen zowel ‘maatschappijen’ in strikte zin zijn (bijvoorbeeld de burgerlijke maatschappij) als maatschappelijke deelsystemen (bijvoorbeeld het kapitalistische economische systeem).

Figuur 3_3: Maatschappij, organisatie, interactie

Niveaus van maatschappijanalyse Systeemniveau Handelingsniveau
Maatschappelijk niveau Omvattend sociaal systeem Maatschappelijk klassenhandelen
Organisationeel niveau Organisaties Organisationeel handelen
Interactioneel niveau Directe sociale interactiesystemen Rolhandelen

Ook als men er van uitgaat dat klassenongelijkheid op elk van deze niveaus zinvol onderzocht kan worden dan blijft de vraag: op welk niveau van handelingsintegratie het klassenbegrip als zodanig wordt gedefinieerd? Klassedefinities en -theorieën kunnen dus worden geordend naar het niveau van handelingsintegratie waarop zij primair of uitsluitend zijn geformuleerd.

  1. Maatschappelijk niveau
    Klassenongelijkheden kunnen uitsluitend of overwegend worden gethematiseerd op maatschappelijk niveau. Klassen worden daarbij gedefinieerd in termen van structurele posities in specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen die niet gereduceerd kunnen worden tot ongelijke interactiekansen en organisatiekansen en van daaruit ook niet verklaard kunnen worden. Op dit niveau worden klassen opgevat als structurele posities binnen de maatschappelijke arbeidsverhoudingen (‘productieklassen‘ in de marxistische traditie) of binnen de (arbeids)marktverhoudingen (‘marktklassen’ in de neoweberiaanse traditie) of binnen beroepsverhoudingen (‘beroepsklassen’). Dit zijn allemaal relationele klassendefinities.

    Als men activiteitsverhoudingen zeer breed opvat en elke referentie aan exploitatieve arbeidsverhoudingen laat varen, dan kan aan deze voorbeelden nog een hele reeks worden toegevoegd:

    • klassen als structurele posities in economische verhoudingen: ‘economische klassen’;
    • klassen in (staats)politieke verhoudingen: ‘political class’, ‘ruling class’;
    • klassen in culturele verhoudingen: ‘culturele klasse’ — en samen met ‘heersende klasse’: ‘hegemoniale klasse’;
    • klassen in educatieverhoudingen: ‘kennis-‘ of ‘kwalificatieklassen’;
    • klassen in verwantschapsverhoudingen: ‘clan as class’;
    • klassen in sekseverhoudingen: ‘sex as class’;
    • klassen in generationele verhoudingen: ‘leeftijdsklassen’;
    • klassen in in geobjectiveerde/geïnstitutionaliseerde status- of prestigeverhoudingen: ‘statusclass’, ‘prestigeklassen’;
    • klassen in etnisch-raciale verhoudingen: ‘race as class’, ‘etnische klassen’;
    • klassen in informatieverhoudingen: ‘informatieklassen’;
    • klassen in rechtsverhoudingen: ‘juridisch geprivilegieerde’ en ‘ontrechte‘ klassen;
    • klassen in geweldsverhoudingen: ‘geweldsklassen’;
    • klassen in internationale staats- en geweldsverhoudingen: ‘imperialistische’ en ‘gekoloniseerde’ klassen.

    Tenslotte zou men de term ‘maatschappelijke activiteitsverhoudingen’ zo enorm breed kunnen opvatten dat hieronder ook posities in distributieve verhoudingen gerekend kunnen worden. Hiermee wordt echter de kritische grens tussen relationele en graduele klassenconcepties overschreden. Zie § 4 en de eerdere uitwerking van dit onderscheid in hft. I, § 3·4.

  2. Organisationeel niveau
    Klassen kunnen uitsluitend of voornamelijk worden gedefinieerd in termen van ongelijke posities in organisaties —gekenmerkt door lidmaatschap in de meest brede zin van het woord— en van de politieke machts- en sociale levenskansen die uit deze organisatieposities voortvloeien. In de traditie van de elitetheorie* werden en worden klassen bij voorkeur of uitsluitend gedefinieerd in termen van ongelijkheden van (politieke) heerschappijposities.

      * Zie hiervoor: Pareto [1915-9/68], Mosca [1896/1939], Michels [1911], Burnham [1943]. Zie ook de kritische analyses van Bottomore [1964/6], Parry [1970], Albertoni [1987].

    De meest invloedrijke moderne formulering voor deze benadering werd door Dahrendorf gegeven. Zoals eerder opgemerkt, definieert hij klassen uitsluitend vanuit posities in formeel georganiseerde heerschappijverbanden.

      ”Onder sociale klasse zal worden verstaan: georganiseerde of ongeorganiseerde collectiviteiten van individuen die manifeste of latente belangen delen die voortvloeien uit en gerelateerd zijn aan de gezagsstructuur van imperatief gecoördineerde associaties. Uit de definities van latente en manifeste belangen volgt dat sociale klassen altijd conflictgroepen zijn” [Dahrendorf 1959:238].

        Ondanks zijn ‘clumsiness’ gebruikt Dahrendorf de term ‘imperatively coordinated association’ als vertaling van Weber’s ‘Herrschaftsverband’ [Dahrendorf 1959:167]. Weber definieert ‘Verband’ als “eine nach auβen regulierend beschränkte oder geschlossene soziale Beziehung” waarbij “die Innehaltung ihrer Ordnung garantiert wird durch das eigens auf deren Durchführung eingestellte Verhalten bestimmter Menschen: eines Leiters und eventuell, eines Verwaltungsstabes, der gegebenenfalls normalerweise zugleich Vertretungsgewalt hat” [Weber WG:26].

        De term ‘Verband’ wordt door Weber iets breder gedefinieerd dan ‘Organisation’: in een ‘Verband’ kunnen de regels alleen door een hoofd/leider worden gesanctioneerd, terwijl in een organisatie ook altijd bestuurlijke staf is verondersteld [WG 154]. In de regel heeft een ‘Verband’ echter wel een staf, en gebruikt Weber deze term bijna altijd in deze betekenis. Daarom kan in veel gevallen worden voorbijgegaan aan het verschil tussen ‘Verband’ en ‘Organisation’. Roth/Wittich, de Engelse vertalers van Wirtschaft und Gesellschaft, hebben de term ‘Verband’ overal vertaald met ‘organization’ [Weber 1978:301].

    In deze en vergelijkbare benaderingen —zoals die van Lenski [1966]— worden klassen dus opgevat als conflictgroepen die bepaald worden door hun positie in heerschappij- of machtsverhoudingen van organisaties.

    Daarbij wordt vaak —impliciet of expliciet— aangenomen dat de betekenis van formele organisaties in alle maatschappelijke verhoudingen toeneemt en dat hierdoor tevens de betekenis, de relatieve structurerende kracht van organisatieposities groter wordt.

      Zie voor een algemene beschouwing: Luhmann [1985]. Zie voor klassen in organisaties: Low-Beer [1978], Scott [1979,1986], Clegg/Dunkerley [1980], Clegg [1989], Salaman [1979,1981], Scase [1992]. Zie voor klassen in de verzorgingsstaat: Lepsius [1979], Alber [1984], Krätke [1985]. En voor klassen en stratificatie in het socialisme: Wesolowski [1979], Andorra/Koloso [1984], Kolosi [1990], Andorka [1990].

  3. Interactioneel niveau
    Klassen kunnen uitsluitend of voornamelijk worden gedefinieerd in termen van ongelijkheden in interactiesystemen die voortvloeien uit de daarin overheersende rollenstructuur (netwerken van klassenspecifieke sociale relaties). Het klassenbegrip wordt in dit geval geconcentreerd op of gereduceerd tot specifieke sociale interactiesystemen (zoals het samenleven of het samenwonen) en op de kansen die voortvloeien uit deze directe persoonlijke relaties (‘face-to-face relations’).

    In interactionistische klassendefinities en -analyses wordt de concentratie op directe interactiesystemen meestal gecombineerd met aandacht voor habitus en levensstijlen, resp. voor alledaagse culturen en subculturen (‘sociaal-morele milieus’).
    Begripsvorming en hierbij aansluitend empirisch onderzoek worden toegespitst op de mate van homogeniteit/heterogeniteit van netwerken van persoonlijke contacten (vrienden- en kennissenkringen, ‘intervisiting and clique relationships’), huwelijksbanden, buurtrelaties, gezelligheidsverenigingen enzovoort. Een klasse wordt in deze benadering dus opgevat als een directe interactiegroep: ‘associatieve klasse’, ‘gemeenschapsklasse’, ‘klasse als referentiegroep’.

    De meest invloedrijke en expliciete formulering van een interactioneel klassenbegrip vinden we in de gemeenschapsstudies van de cultureel-antropoloog W. LLoyd Warner. Hij definieert klasse als

      “de grootste groep mensen waarvan de leden intieme toegang tot elkaar hebben. Een klasse is samengesteld uit families en sociale klieken. De structuur van een sociale klasse wordt geconstitueerd door de onderlinge relatie tussen deze families en klieken in informele activiteiten zoals het op visite gaan, het met elkaar dansen, het bezoeken van recepties en teas en grotere informele zaken.” [Warner 1945:772-3].

    Joseph Schumpeter [1927] is een voorloper van deze theorietraditie, die naast de gemeenschapsstudies van Warner c.s. vooral gestimuleerd werd door de symbolisch-interactionistische en ruiltheoretische traditie. Veel van deze benaderingen vloeien tegenwoordig samen in de netwerkanalyses.

    Klasentheorieën op interactioneel niveau
    1. Schumpeter als voorloper
      Schumpeter [1951:141] vat klassen op als gemeenschappen, als “a living social organism” waarvan de leden “look out into the same segment of the world, with the same eyes, from the same viewpoint, in the same direction”. Klassen zijn voor hem endogame eenheden: “intermarriage prevails among its members, socially rather than legally”.

      Ook Sorokin legt het accent op het gemeenschapskarakter van de sociale klassen: “If in a given population there exist individuals similar in their occupational, economic, and legal status, but not organized or even quasi-organized, such individuals represent merely a nominal collectivity — not a real social class. To constitute a genuine social class a part of such individuals must fully be organized and another part quasi-organized. When such an organization occurs, a class consciousness arises among the members of the group, as the component of the group meanings, values, and norms, and grows hand in hand with the growth of the class itself” [Sorokin 1947/53:88]. Op een belangrijk punt neemt hij echter afstand van de typische ‘communale’ klassenbenadering: “In so far as the theorists of the social class stress the importance of such physical, mental, oral, and behavioral similarities and of the similarity of the mode of life they are right. Their theories are defective in that they do not indicate the objective bases of such similarities, nor their character and limits” [idem:89].

    2. Gemeenschapsstudies van Warner c.s.
      De twee kernbegrippen in Warner’s klassenopvatting zijn participatie en acceptatie. Het behoren tot een bepaalde klasse (‘statusgroep’) wordt gedefinieerd door feitelijke participatie in de sociale interacties welke typerend zijn voor die klasse, met name in de families, de cliques, verenigingen enz. Wie tot een bepaalde categorie in het sociale klassensysteem behoort, wordt ook door de andere leden van de klasse als gelijke geaccepteerd.

      Zie Warner [1946,1953,1963], Warner/Lunt [1941,1942], Warner/Srole [1945], Warner/Low [1947], Warner e.a [1949], Warner/Meeker/Eells [1949], Warner/Meeker/Weckler [1949], Warner/Warner [1959]. En in aansluiting hierbij: Hollingshead [1947].

      Zie voor overzichten van en kritieken op de Warner-school: Mills [1942], Pfautz/Duncan [1950], Lipset/Bendix [1951], Herzog [1965]. Kornhauser [1953] geeft een overzicht van de oudere kritieken op de benadering van Warner.

    3. Symbolisch-interactionisme
      Zoals bekend heeft de symbolisch interactionistische traditie sinds Georg Herbert Mead, Herbert Bulmer en Erving Goffman grote problemen om überhaupt maatschappelijke structuren (laat staan: klassespecifieke structuren) in de analyse te betrekken [Weinstein/Tanur 1976:106; Stryker 1980:146; Ritzer 2011:380].
        “Symbolic interactionisme is faulted for placing too much emphasis on everyday life and the social formation of the self while virtually ignoring social structure. There are times when symbolic interactionistes write as if the poor, the homeless, and the victims of economic dislocations were not part of everyday life. Class relations and the constraints they place on the lines of action open to individual actors are ignored or overlooked in favor of a more optimistic view of an open society in which negotiated joint action is the relevant characteristic of human action” [Farganis 2011:398].
      De kritische houding ten opzichte van deterministische structuurtheorieën wordt in de symbolisch interactionistiche traditie zo overspannen, dat men verstrikt raakt in voluntaristisch actionisme waarin zelfreflexieve individuen de volledig vrije keuze hebben om hun dagelijkse leven in te richten zoals zij willen en waarin zichzelf flexibel kunnen presenteren in de diverse sociale ruimtes waarin zij opereren.

      Zie voor de symbolisch-interactionistische benadering van de beleving van klassenongelijkheid in sociale interacties: Goffman [1963], Bulmer [1975]. Zie daarop aansluitend ook de studies van: E. Bott [1957/71], Laumann [1966, 1970], Laumann/Senters [1976], Kimberley [1970], Sennet/Cobb [1972], Vanneman [1977].

    4. Ruiltheorie
      Zie voor de ruiltheoretische benadering: Homans [1961], Blau [1964], Ekeh [1974], Berger/Zelditch/Anderson [1977]. Zie ook het algemene overzicht van Bredemeier [1978].

    5. Netwerkanalyse
      Sommige netwerkanalytici sluiten direct aan op de ruiltheoretische benadering van Blau, terwijl anderen eerder voortbouwen op de oudere sociometrische benaderingen, de recentere communicatietheoretische benaderingen of op de meer empirisch georiënteerde cultureel antropologische onderzoekstraditie. Het begrip netwerk kan dus in zeer uiteenlopende theoretische referentiekaders worden gebruikt. Bij de analyse van de patronageverhoudingen in hoofdstuk IX kom ik hierop uitvoeriger terug.

      Zie voor netwerktheorieën Bott [1971:317 e.v.], Cook [1982] en de bundel van Marsden/Lin [1982].

De volgende schema biedt een overzicht van de klassentheorieën die zich bij voorkeur en min of meer exclusief op een van de drie niveaus van handelingsintegratie hebben genesteld.

Figuur 3_4: Maatschappelijke, organisationele en interactionele klassendefinities

Figuur 3_4: Maatschappelijke, organisationele en interactionele klassendefinitiess

Klassenverhoudingen zijn zowel maatschappelijk, organisationeel als interactioneel gestructureerd en zouden dus op elk van deze niveaus geanalyseerd kunnen worden. Er bestaan mijns inziens geen klassentheorieën met een zodanige reikwijdte dat zij deze drie niveaus van handelingsintegratie omvatten en waarin zij analytisch duidelijk van elkaar worden onderscheiden. De meeste theorieën concentreren zich op één niveau van handelingsintegratie en besteden niet of nauwelijks aandacht aan de andere niveaus.

Niet-reductionistische klassentheorieën zouden in dit opzicht in ieder geval aan twee eisen moeten voldoen. In de eerste plaats zouden niet alleen de niveaus van handelingsintegratie duidelijk analytisch van elkaar moeten worden onderscheiden, maar zou ook de onderlinge samenhang tussen deze niveaus gepreciseerd moeten worden. In de tweede plaats zou duidelijk geëxpliciteerd moeten worden of het klassenbegrip uitsluitend of primair op één niveau van handelingsintegratie gedefinieerd kan worden, en waarom dit zo zou zijn. Ik kom hier in hoofdstuk V, § 3 uitvoeriger op terug.

Micro-Macro Analyse: onduidelijke referentiepunten
Het conflict tussen microscopische en macroscopische theoriën heeft de academisch sociologische wereld lang verdeeld gehouden. De belangrijkste reden voor de verwarring over dit thema lijkt mij te zijn dat in deze discussies zelden de referentiepunten worden gespecificeerd op grond waarvan een onderscheid tussen micro en macro wordt gemaakt.

  • Sommige auteurs gebruiken het onderscheid om de schaal aan te duiden van specifieke eenheden van historisch-sociologisch onderzoek: van kleinschalige of micro-eenheden zoals stammen en huishoudens tot aan grootschalige of macro-eenheden zoals nationale staten, maatschappijformaties en wereldsystemen.

  • Ander auteurs gebruiken het ter aanduiding van de abstractieniveaus van sociologische theorie: het structureel functionalisme wordt dan aangeduid als macrotheorie, en het symbolisch-interactionisme als een microtheorie. Hierbij wordt het onderscheid tussen micro en macro meestal geïdentificeerd met het onderscheid tussen concreet en abstract (d.w.z. met de abstractieniveaus waarop de structurering van sociaal handelen onderzocht kan worden).

  • En tenslotte zijn er ook nog auteurs —zoals Ritzer [1979, 2011]— die het micro-macro onderscheid gebruiken ter aanduiding van (meestal zeer beperkt gedifferentieerde) niveaus van handelingsstructurering.

Om deze begripsverwarring te vermijden gebruik ik hier niet de termen micro en macro om de niveaus van handelingsintegratie aan te duiden. Als men dat toch zou willen doen, dan moet expliciet worden aangegeven dat het micro-macro onderscheid refereert niveaus van handelingsintegratie, en per se niet aan eenheden van empirisch-historische onderzoek, aan (abstractie)niveaus waarop een sociologische theorie geformuleerd kan worden, en ook niet aan niveaus van handelingsstructurering. Bovendien zou dan minstens nog het tussenliggende organisationele niveau als ‘meso‘-niveau moeten worden benoemd.

Index3. Niveaus van structurering van klassenhandelen

Klassenongelijkheden worden door maatschappelijk handelen, in het bijzonder door collectief handelen geproduceerd en gereproduceerd. Op zijn beurt is dit maatschappelijk handelen weer meervoudig gestructureerd door klassenongelijkheden. Klassenbegrippen kunnen op verschillende niveaus van handelingsstructurering worden gedefinieerd, waarbij telkens specifieke factoren worden benadrukt die op het betreffende niveau van handelingsstructurering centraal staan. Zoals aangekondigd zal ik hier vijf niveaus van handelingsstructurering onderscheiden:

  1. de objectieve klassenpositie;
  2. de sociale klasse;
  3. de klassenhabitus en klassenspecifieke levensstijlen;
  4. de typen en graden van klassenbewustzijn;
  5. de voorwaarden van de ontwikkeling van politiek klassenhandelen en klassenbewustzijn.
Het onderscheid tussen deze vijf niveaus van handelingsstructurering is een precisering en concretisering van de ‘theory of structuration of action’. Deze algemene theoretische reconstructie van het feitelijke handelen van collectieve actoren wordt o.a. bepleit door Giddens, Bourdieu en in zekere zin ook door Bhaskar. Bader/Benschop [1988:64 e.v.] hebben laten zien hoe de niveaus van handelingsstructurering vruchtbaar kunnen worden gemaakt voor het onderzoek naar sociale ongelijkheid en collectief handelen. In deze studie werden vier structureringsniveaus onderscheiden. Om redenen die later nog zullen worden toegelicht, kan hiermee in het onderzoek naar klassenverhoudingen niet worden volstaan en moest er een nieuw structureringsniveau (het 2e niveau van de structurering van sociale klassen) worden toegevoegd.

De vijf niveaus van handelingsstructurering die hier worden onderscheiden, kunnen ook op een meer traditionele wijze worden benoemd: (1) het niveau van systeemintegratie; (2) het niveau van gemeenschapsvorming, (3) het niveau van de (alledaagse) cultuur; (4) het niveau van het subjectieve bewustzijn (meestal gereduceerd tot ideologie of legitimatie) of soms — samen met het 2e en 3e niveau — het niveau van ‘sociale integratie’; en (5) het niveau van klassenstrijd of klassenconflict.

Het onderscheid tussen systeemintegratie en sociale integratie werd door Lockwood [1964] geïntroduceerd en door Habermas [1981:150] verder uitgewerkt. Giddens [1984:26] gebruikt dezelfde termen, maar geeft daaraan zoals we in hoofdstuk V, § 3·5 nog zullen zien een andere invulling.

Index


3·1 Klasse als objectieve levenspositie
Klassen kunnen worden gedefinieerd in termen van objectieve levensposities. In zogenaamde ‘objectieve’ of ‘structurele’ klassentheorieën wordt ervan uitgegaan dat klassenhandelen primair wordt gestructureerd door de ongelijke objectieve klassenposities waarin individuen of groepen zich in de verschillende maatschappelijke verhoudingen bevinden. Meestal wordt daarbij verondersteld dat objectieve klassenposities op hun beurt worden bepaald door de ongelijke verdeling van de beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en/of de hierdoor bepaalde ongelijke beloningen [zie § 4 over de structurering van objectieve klassenposities]. Hierdoor wordt de positionele klassenstructuur van de maatschappij vastgelegd, die op haar beurt weer berust op een specifieke systeemstructuur (meestal aangeduid als de ‘economische structuur’ of als het ‘eigendomssysteem’).

Systeemstructuur en positionele structuur bepalen samen de objectieve levenspositie in verschillende —functioneel en/of empirisch gedifferentieerde— maatschappelijke activiteitsverhoudingen. Deze worden samengevat in relationeel bepaalde klassenposities van (groepen van) individuen. Dit type benaderingen kan verder worden onderscheiden door na te gaan of bij de analyse van de objectieve klassenposities het accent wordt gelegd op beschikkingsmacht over bronnen of op beloningen [zie § 4].

In deze benaderingen wordt ervan uitgegaan dat de eenheid van een klasse wordt bepaald door een reeks van factoren: de wijze waarop positieve en negatieve privileges zijn verdeeld en geaccumuleerd; de mate van homogeniteit of heterogeniteit van klassenposities; de graad en betekenis van ascriptieve homogeniteit of heterogeniteit; de mate en betekenis van sociale mobiliteit tussen en binnen verschillende klassenposities; de mate waarin de objectieve tegenstellingen tussen klassenbelangen transparant, ervaarbaar en herkenbaar zijn. Al deze factoren worden nader geanalyseerd in hoofdstuk XI, § 6].

Index


3·2 Klasse als mobiliteitsgroep
Klassen kunnen worden gedefinieerd in termen van mobiliteitskansen. In deze optiek wordt verondersteld dat klassenhandelen primair wordt gestructureerd door de relatieve mobiliteitskansen die individuen hebben om van een bepaalde klassenpositie naar een andere klassenpositie over te gaan. In het centrum van deze benaderingen staat enerzijds de in meer of mindere mate geblokkeerde verticale mobiliteit tussen klassenposities, anderzijds de mate van duurzaamheid van de binding van personen aan klassenposities. Beide elementen worden als bepalend gezien voor de vraag of er een sociaal georganiseerde klasse kan ontstaan waarvan de leden een zekere sociale cohesie of demografische consistentie vertonen. Een klasse wordt in deze benaderingen dus opgevat als een mobiliteitscategorie, of als een klassengemeenschap welke het resultaat is van geblokkeerde mobiliteitskansen.

Als peetvaders van deze benadering wordt meestal verwezen naar het werk van Sorokin en Weber. Moderne mobiliteitsonderzoekers vertrekken bijna zonder uitzondering vanuit Weber’s definitie van sociale klasse als “het geheel van klassenposities waartussen een individuele en intergenerationele mobiliteit gemakkelijk mogelijk is en typisch pleegt plaats te vinden” [Weber, WG:177].

Op mobiliteitsvraagstukken geconcentreerde klassenbenaderingen verschillen in meerdere opzichten van elkaar. Zij variëren ten eerste naar de specifieke wijze waarop de positionele eenheden waartussen mobiliteitsprocessen plaatsvinden worden afgebakend. In veel benaderingen worden mobiliteitskansen überhaupt niet betrokken op klassenposities, maar op beroepsposities, respectievelijk op clusters van beroepsposities die ‘klassenposities’ worden genoemd. En wanneer er wel pogingen in het werk worden gesteld om klassenposities af te bakenen, bestaan er grote variaties in de wijze waarop dit gebeurt. Ten tweede onderscheiden deze benaderingen zich van elkaar omdat soms de nadruk wordt gelegd op processen van intergenerationele mobiliteit (‘van vader op zoon’), terwijl in andere benaderingen juist de intragenerationele mobiliteitsprocessen centraal staan, dat wil zeggen de duurzaamheid van de binding die afzonderlijke individuen tijdens hun leven hebben aan een klassenpositie. En tenslotte variëren mobiliteitsbenaderingen omdat er nogal uiteenlopende empirische maatstaven worden gehanteerd, zoals structurele en circulatiemobiliteitsgraden, absolute en relatieve mobiliteitsgraden.

Index


3·3 Klasse als homogene levensstijl of culturele categorie
In deze benaderingen wordt een sterke nadruk gelegd op de coherentie van de levensstijl van de onderscheiden klassen, en met name van op die van de arbeidersklasse. De baanbrekende studie van Hoggart [1957] is op dit punt nog steeds zeer informatief en instructief.

In de ‘romantische’ visie —waarvan Hoggart zich overigens expliciet distantieert— wordt een coherente proletarische levensstijl verondersteld (of geconstrueerd), die in elk aspect verschilt van de hegemoniale of dominante (‘burgerlijke’) cultuur. De stabiliteit van deze proletarische levensstijl wordt met name verklaard uit het feit dat deze cultuur van generatie op generatie wordt overgedragen of ingeprent.

Klassen kunnen worden gedefinieerd in termen van een gemeenschappelijke habitus of levensstijl. Klassen, zo wordt in deze optiek verondersteld, worden primair gestructureerd door verschillen in (alledaagse) cultuur, en kunnen daarom in termen van habitus (combinaties van lichamelijke, psychische, normatieve en cognitieve houdingen of disposities van individuen of groepen) en levensstijlen worden gedefinieerd.

Soms wordt daarbij expliciet verondersteld dat deze verschillen van de habitus en levensstijlen worden gestructureerd door de ongelijkheden en verschillen van de objectieve levenspositie van de betreffende potentiële actoren. Zo analyseert Pierre Bourdieu de habitus als een ‘gestructureerde structuur’ die voortvloeit uit de (objectieve) levensverhoudingen van de betreffende groep of klasse. Hij benadrukt dat aan de ontwikkeling van de verschillende habitustypen antagonistische klassenverhoudingen van de burgerlijke maatschappij (met verschillende klassen en klassenfracties) ten grondslag liggen. Habitus is zelf “het product van de incorporatie van de verdeling in sociale klassen” [Bourdieu 1979:191, vgl. p. 546. Vgl. ook Maase 1984:239,242 e.v.].

In deze benaderingen wordt de eenheid van een klasse bepaald door de mate en betekenis van homogeniteit dan wel pluriformiteit van de betreffende habitus en levensstijlen (of: alledaagse leefculturen). Deze aspecten vormen het zwaartepunt van analyses van zogenaamde ‘standsmatige gemeenschapsvorming’ [Beck 1983 en de oudere, bij Warner aansluitende benaderingen] en van culturalistische benaderingen van sociale klassen.* In de zogenaamde objectieve of structurele klassentheorieën werd de betekenis van ongelijkheden en verschillen van habitus en levensstijlen lange tijd genegeerd — de analyse daarvan werd overgelaten aan sociaalpsychologen en culturele antropologen.

Index


3·4 Klasse in termen van typen en graden van bewustzijn
Klassen kunnen worden gedefinieerd in termen van het subjectieve bewustzijn van klassenongelijkheden of in termen van subjectieve identificaties met bepaalde collectieven. In deze benaderingen wordt meestal de nadruk gelegd op één bepaald type van handelingsoriëntatie en van klassenbewustzijn.
  1. In rationalistische benaderingen wordt handelingsoriëntatie en bewustzijn opgevat als of gereduceerd tot ‘bewust inzicht’ in of ‘rationele kennis’ van objectieve klassenposities en -belangen of tot ‘strategisch bewustzijn’. Met name in de marxistische traditie wordt hierbij meestal een nadere differentiatie gemaakt naar verschillende graden van bewustheid van klassenongelijkheid: klassenidentiteit, hervormend of revolutionair bewustzijn.

  2. Traditionalistische benaderingen zijn toegesneden op traditionele oriëntaties en bewustzijnsvormen: op klassenspecifieke gewoontes, zeden en traditionele solidariteiten of loyaliteiten.

  3. Psychologistische of psychologiserende benaderingen zijn toegesneden op affectieve identificatie, op “a feeling of belongingness to something, an identification with something larger than himself” [Centers 1949:27].
      Richard Centers reserveert de term ‘social class’ voor groepen waarmee iemand zichzelf subjectief identificeert en waarvan hij het gevoel heeft dat hij/zij ertoe behoort. De essentie van zijn klassendefinitie is dus ‘self-attribution‘ of ‘self-affiliation’.
        “Klassen zijn psycho-sociale groeperingen, iets waarvan het karakter essentieel subjectief is, afhankelijk van klassenbewustzijn (d.i. een gevoel van groepslidmaatschap). Klassenspecifieke splitsingslijnen komen al dan niet overeen met wat sociale wetenschappers beschouwen als de logische conflictlijnen in de objectieve or stratificatie betekenis. [...] Klasse, als onderscheiden van laag (stratum), kan dus beschouwd worden als een psychologisch verschijnsel in de meest brede betekenis van het woord. Dat wil dus zeggen: de klasse van iemand is deel van zijn ego...” [Centers 1949:27].
      Zie voor kritieken op Centers: Eysenck [1950], Cuber/Kenkel [1954], Case [1955], Dahrendorf [1959:146 e.v.,280 e.v.], Gordon [1950/63:193-202]. Zie voor een recenter, bij Center’s benadering aansluitend onderzoek: Jackman/Jackman [1983].

  4. Normativistische benaderingen zijn toegesneden op normatieve handelingsoriëntaties en bewustzijnsvormen, dat wil zeggen op identificatie met of afgrenzing van heersende normatieve duidingspatronen. In deze benaderingen wordt de eenheid van een klasse bepaald door de mate van kritiek op heersende cognitieve en normatieve duidingspatronen, maatschappijbeelden en situatiedefinities; de mate van kritiek op heersende legitimaties van sociale ongelijkheid; de mate van erosie van heersende zeden en solidariteiten.
Deze opsomming is gebaseerd op een impliciete indeling van typen van handelingsoriëntaties en klassenbewustzijn: strategische, traditionele, affectieve en normatieve handelingsoriëntaties en hun corresponderende mechanismen van handelingscoördinatie: belangen, zeden/gewoonten, solidariteit en legitimiteit. Deze typologie van handelingsorëntaties wordt uitvoerig behandeld in in hoofdstuk XIII, § 3.

Index


3·5 Klasse in termen van specifieke handelingsvoorwaarden
Tenslotte kunnen klassen voornamelijk of exclusief worden gedefinieerd in termen van specifieke voorwaarden voor of aspecten van klassenhandelen en klassenbewustzijn. Vanuit deze optiek worden klassen vooral opgevat als georganiseerde politieke kracht.

Klassen kunnen daarbij primair worden gedefinieerd:

In actionistische klassendefinities en -theorieën wordt het probleem van de voorwaarden van klassenhandelen gedelegeerd naar een van de andere structureringsniveaus volledig gescheiden theorie van collectief handelen (zoals bij Parkin). Als klassen uitsluitend of voornamelijk worden gedefinieerd in termen van specifieke voorwaarden of aspecten van collectief handelen, zonder dat de structurering van dit handelen zelf gethematiseerd wordt, dan gaat het om handelingstheoretische klassenbegrippen die in § 2·2 werden besproken.

Index


3·6 Conclusie
Elke niet-reductionistische klassentheorie zou in principe deze vijf niveaus van handelingsstructurering moeten omvatten en analytisch duidelijk moeten onderscheiden.

Ik heb er al eerder op gewezen dat er geen klassentheorieën met een dergelijke reikwijdte voorhanden zijn. De meeste klassentheorieën concentreren zich op bepaalde niveaus van handelingsstructurering en laten andere onderbelicht. In sommige klassentheorieën wordt er volledig voorbijgegaan aan het niveau van de voorwaarden van klassenhandelen of delegeert men het hele probleem naar daarvan gescheiden theorieën van collectief handelen. Wanneer dat niet gebeurt wordt er meestal gewerkt met tamelijk eenvoudige vooronderstellingen en wordt vaak zonder meer verondersteld dat klassenongelijkheden als zodanig altijd bewustzijns- en handelingsrelevant is.

Vooral in zogenaamde objectieve of structurele klassentheorieën werd lange tijd voorbijgegaan aan de betekenis van klassengebonden ongelijkheden en verschillen in habitus en levensstijlen; de analyse van deze verschijnselen werd gedelegeerd naar sociaalpsychologen, culturele antropologen en historici.

In analyses van zogenaamde ‘standsmatige gemeenschapsvorming’ en van ‘sociale’ klassen vormen deze verschillen in habitus en levensstijlen juist een zwaartepunt. Deze ‘sociale’ klassen werden op hun beurt gecontrasteerd met zogenaamde ‘economische’ en ‘politieke’ klassen, die het zwaartepunt vormen van analyses in de marxistische en elitetheoretische traditie, maar ook van analyses van de ‘marktklassenposities’ in de weberiaanse traditie.

Analyses van objectieve klassenposities en van habitus en levensstijlen worden zelden programmatisch en inhoudelijk op elkaar betrokken. Bourdieu is hierop zeker een verfrissende uitzondering, maar zijn uiterst elastische klassenbegrip — dat praktisch alle positionele en allocatieve vormen van structurele ongelijkheid omvat — brengt hem ertoe de habitus slechts als klassenhabitus op te vatten. Dit terminologisch reductionisme en de uitermate gestroomlijnde (functionalistisch en structuralistisch getinte) voorstelling van de toeëigening en werking van disposities doet afbreuk aan zijn overigens inhoudelijk gedifferentieerde benadering van de klassengebonden habitus en levensstijlen.

In de theorievorming over de structurering van klassenhandelen moet niet alleen het analytische onderscheid tussen deze vijf niveaus worden uitgewerkt. Het gaat ook en met name om de precisering van de onderlinge samenhang en wisselwerking tussen deze niveaus. Om deze samenhang aan te duiden wordt bijna altijd gebruik gemaakt van formuleren zoals: niveau a ‘bepaalt’ niveau b, niveau c ‘determineert’ niveau d, of niveau e wordt ‘gestructureerd’ door niveau f. Deze termen zijn echter even vaag als de globale uitspraken over het feit dat bepaalde niveaus of factoren ‘belangrijk’ en ‘betekenisvol’ zijn.

De relatieve structurerende kracht, het relatieve belang van de niveaus en factoren moet theoretisch uitvoerig worden beargumenteerd en empirisch worden gedemonstreerd. In het voorgaande zijn al een aantal uitspraken gedaan over oorzakelijke verbindingen tussen specifieke structureringsniveaus. Daaruit kan men opmaken dat ik een contingente, maar niet ongestructureerde benadering voorsta van de samenhang tussen deze structureringsniveaus. In het laatste hoofdstuk XVII, § 1 kom ik hier uitvoeriger op terug.

Index4. Structurering van objectieve klassenposities en -situaties

We hebben gezien dat klassenhandelen een complex, meervoudig gestructureerd fenomeen is. De complexiteit van het klassenhandelen bestaat hierin dat er zowel rekening gehouden moet worden met objectieve klassenposities en -situaties als met klassenspecifieke habitus en levensstijlen, en klassenbewustzijn. Bovendien zijn de objectieve klassenposities en -situaties zelf niet homogeen. Deze verscheidenheid en heterogeniteit reflecteert zich ook in de sociologische analyses.

Index


4·1 Productivistische en distributieve benaderingen
Benaderingen die zich concentreren op objectieve klassenposities variëren in eerste instantie door het accent dat gelegd wordt op de beschikkingsmacht over bronnen dan wel op de daaraan verbonden beloningen. Deze benaderingen kunnen nog verder worden gedifferentieerd vanuit de vraag welk type bronnen of beloningen in de analyse worden betrokken of als doorslaggevend worden aangemerkt. In ‘productivistische’ klassenbenaderingen ligt de nadruk op de beschikkingsmacht over productieve bronnen; in ‘distributieve’ benaderingen ligt de nadruk op de verdeling van —materiële of monetaire —beloningen.

  1. Productivistische benaderingen richten zich uitsluitend of voornamelijk op de ongelijke verdeling van de beschikkingsmacht over productieve bronnen, dat wil zeggen over bronnen die direct en als zodanig inzetbaar zijn in arbeidsprocessen (waarbij arbeidsprocessen vaak tot ‘materiële productieprocessen’ worden gereduceerd). Deze benaderingen kennen drie varianten.

    In de eerste variant wordt de nadruk gelegd op beschikkingsmacht over materiële bronnen die vaak worden geïdentificeerd en dus gereduceerd tot materiële productiemiddelen (‘productiemiddelenbezittende en niet-bezittende klassen’). Door deze reductie valt de beschikkingsmacht over de bewerkte en onbewerkte natuurlijke arbeidsvoorwaarden (grond, bossen, water enzovoort) en de materiële productie of arbeidsvoorwerpen (grondstoffen) volledig buiten de klassenanalyse.

    In de tweede variant ligt de nadruk op de individuele prestatiekwalificaties van arbeidskrachten (‘kwalificatieklassen’). Enerzijds worden deze individuele prestatiekwalificaties vaak verwisseld met onderwijstitels, diploma’s en getuigschriften of met hiërarchisch gewaardeerde kwalificatieniveaus (zoals deze in ambtelijke beroepsindelingen of in functieclassificatiesystemen van ondernemingen zijn gedefinieerd). Anderzijds worden individuele prestatiekwalificaties vaak gereduceerd tot technische en cognitieve competenties of tot bewuste vaardigheden. Deze reductie heeft twee implicaties. Ten eerste wordt hierdoor de betekenis van beschikkingsmacht over motorische en sensorische, communicatieve en organisatorische competenties en over strategische, normatieve en expressieve kwalificaties onderbelicht. Ten tweede plaats vallen hierdoor alle ‘tacit skills’ buiten de analytische boot.

    In de derde variant ligt het accent op de beschikkingsmacht over vormen van coöperatie, coördinatie en leiding en op de controle over vormen van arbeidsorganisatie (‘leidinggevende’ en ‘uitvoerende klassen’). Deze laatste productieve bron wordt echter zeer vaak verwisseld met de hiervoor noodzakelijke leidinggevende, plannings-, coördinerende enzovoort individuele prestatiekwalificaties, of direct geïdentificeerd met de —daarmee bijna altijd nauw verweven— heerschappijposities in organisaties.

  2. Distributieve benaderingen kunnen worden onderscheiden door na te gaan welk type beloningen als doorslaggevend voor de objectieve klassenpositie worden gezien. In de meeste benaderingen wordt de verdeling van materiële en monetaire beloningen sterk benadrukt.* Klassen worden dan bijvoorbeeld benaderd als posities in inkomensverhoudingen (‘inkomensklassen’), in vermogensverhoudingen (‘vermogensklassen’), in consumptieverhoudingen (‘consumptieklassen’), in woonverhoudingen (‘woonklassen’), in sociale zekerheidsverhoudingen (‘verzorgingsklassen’), in belastingverhoudingen (‘belastingklassen’). In veel van deze benaderingen wordt de kritische grens tussen relationele en graduele klassenconcepties overschreden [zie hoofdstuk I, § 3·4·1].
      * Soms wordt echter juist de nadruk gelegd op de verdeling van ‘immateriële beloningen’: psychologische beloningen (satisfacties) of sociale beloningen (erkenning).

Index


4·2 Indirecte bronnen
Ik heb me in eerste instantie beperkt tot bron-gecentreerde benaderingen waarin het accent wordt gelegd op de directe of productieve bronnen. Er zijn er ook ‘bron-benaderingen’ waarin juist de indirecte bronnen centraal staan. Daarbij gaat het in het bijzonder om klassentheorieën die zich concentreren op:
  1. de controle over heerschappij- of gezagsposities in organisaties; deze indirecte bron staat centraal in machts- of conflicttheoretische benaderingen en in theorieën die geformuleerd zijn op het organisationele niveau van klassenstructurering;

  2. de controle over sociale relaties en selectieve associaties en de daaraan verbonden ongelijkheid van organisatiekansen: deze bron staat centraal in benaderingen die zich concentreren op het interactionele niveau van klassenstructurering en in benaderingen waarin het accent ligt op de directe voorwaarden van klassenhandelen;

  3. de kansen om maatschappelijk dominante prestigehiërarchieën te gebruiken of in te zetten: deze indirecte bron speelt een belangrijke rol in benaderingen die zich concentreren op aspecten van de levensstijl. Meestal worden deze ‘ideële kansen’ die in objectieve klassensituaties zijn verdisconteerd echter verwisseld met of gereduceerd tot de feitelijke subjectieve prestigeoordelen die individuen, groepen of klassen erop nahouden.
      In de transformationele klassentheorie wordt een onderscheid gemaakt tussen de —objectief gestructureerde— ongelijke kansen om gebruik te maken van dominante en geïnstitutionaliseerde prestigehiërarchieën en de subjectieve prestigewaarderingen van individuele of collectieve actoren. In aansluiting bij Luhmann’s analyse van de institutionalisering van normatieve gedragsverwachtingen wordt de betekenis van dit onderscheid uitvoeriger besproken door Bader/Benschop [1988: V, § 5]. Zie ook hft. IX, § 2·2·2.

Index


4·3 Differentiatie van klassenposities
De verscheidenheid en heterogeniteit van objectieve klassenposities en -situaties is zo groot dat er geen benaderingen bestaan waarin al deze aspecten op een overzichtelijke wijze zijn verdisconteerd. Aan klassentheorieën zouden in dit opzicht minstens twee — hier negatief geformuleerde — eisen gesteld mogen worden.

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 03 January, 2017