Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Voorwoord Go to English version.

  1. Waarom klassenanalyse?
    1.1 Reden van de speurtocht
    1.2 Waar wringt de schoen?
    1.3 Wat moet een klassentheorie presteren?
    1.4 Wat is transformationeel?
  2. Reconstructie en constructie van een klassentheorie
    2.1 Reconstructie
    2.2 Constructie van een klassentheorie
  3. Werkwijze: procedure van theorievorming
    3.1 Deconstructie: explicatie en interpretatie
    3.2 Reconstructie
    3.3 Constructie
  4. Beperkingen van het onderzoek
  5. Opbouw
    5.1 Inleidende schermutselingen
    5.2 Structurering van objectieve klassenposities
    5.3 Structurering van klassenhandelen
    5.4 Transformationele klassenanalyse in ontwikkeling
Literatuur

© 1993-2012 • Universiteit van Amsterdam

1. Waarom klassenanalyse?

In deze studie wordt een nieuw type klassentheorie gepresenteerd. Zo’n uitspraak roept bij verstandige mensen argwaan en een gezonde dosis wantrouwen op. Sociale wetenschappers die zich nu nog met klassen bezighouden, staan al snel onder de verdenking dat zij oude koeien uit sloten willen halen, die allang geleden gedempt zijn. In het huidige ‘postsocialistische tijdperk’ is het meer dan ooit ongebruikelijk om verhandelingen te schrijven over uitbuitings- en klassenverhoudingen. Aan de droom van een samenleving zonder exploitatie en klassen lijkt sinds de ineenstorting van de stelsels die zich als het ‘reëel bestaande socialisme’ afficheerden voorgoed een einde te zijn gekomen. Wie zich desondanks toch met de klassenthematiek bezighoudt of daarover zelfs een boek schrijft, is een onverbeterlijke zeurkous of een dogmaticus.

Bovendien is het in sociaalwetenschappelijke kringen gebruikelijk om elke claim op de ‘nieuwheid’ van een theorie met grote terughoudendheid te bejegenen. Ik zal mij niet op voorhand indekken tegen dergelijke weerstanden en verwijten en heb slechts de hoop dat de lezer zijn of haar ‘aprioristische weerstanden’ kan relativeren en in staat is een eigen oordeel te vellen over de (soms erg lastige) problemen die hier worden behandeld.

Index


1.1 Reden van de speurtocht
Mijn transformationele klassenanalyse is het resultaat van een langdurige speurtocht naar de vooronderstellingen, basisbegrippen, de methodologie en interne structuur van diverse klassentheorieën en van de resultaten van sociologische, antropologische en historische studies naar klassenverhoudingen.

Er zijn meerdere redenen om zo’n speurtocht te ondernemen.

  1. In de klassenstructuren van de hedendaagse kapitalistische maatschappijen voltrekken zich een aantal belangrijke verschuivingen. De diagnoses die van deze veranderingen in de sociale klassenstructuur worden gegeven lopen sterk uiteen. Toch zijn er een aantal elementen waar geen enkele serieuze waarnemer aan voorbij kan gaan:

    • de sterke uitbreiding van de moderne loonafhankelijke middenklasse, met name van het overheidspersoneel;

    • de inkrimping van de traditionele middenklasse, met name van de met eigen productiemiddelen werkende kleine warenproducenten);

    • de wijzigingen in de samenstelling van de arbeidersklasse, met name van de categorie van industriële handarbeiders) en

    • de opkomst van nieuwe klassencategorieën, zoals de professionals, experts en managers die niet zonder meer bij de arbeiders- of kapitalistenklasse kunnen worden ondergebracht.

    Hoe men al deze verschuivingen ook wil analyseren en welke benamingen men ook voor de genoemde klassen wil gebruiken, één ding is duidelijk: het zijn stuk voor stuk veranderingen die nieuwe voorwaarden en nieuwe vormen van sociaal en politiek klassenhandelen met zich meebrengen.

    De veranderingen die zich in de klassenstructuren voltrekken, hebben sociaal-politieke bewegingen en hun organisaties voor nieuwe problemen gesteld. Emancipatorische bewegingen, die op de een of andere wijze streven naar drastische beperking of zelfs uitbanning van exploitatieverhoudingen, worden steeds weer gedwongen hun programma’s en handelingsstrategieën opnieuw ter discussie te stellen.

    De verklaringsmodellen en -methoden waarmee men greep probeert te krijgen op de zich wijzigende sociaal-economische en politiek-culturele klassenverhoudingen, moeten telkens opnieuw worden doordacht en getoetst. Daarbij stuit men regelmatig op problemen waarvoor met het ‘oude’, bekende begrippenrepertoire geen goede antwoorden gevonden kunnen worden. Het heeft geen enkele zin deze problemen te verzwijgen of te verdringen — zodra zij taboe verklaard worden, springt men immers uit de wetenschappelijke logica in ‘de logica van het gemoed’ (Theun de Vries), dat wil zeggen in de socialistische mystiek.

  2. Sinds het einde van de jaren zestig van de vorige eeuw hebben de opkomst van de democratische studentenbeweging, de nieuwe vormen van industriële actie en de tweede feministische golf geleid tot een opleving van het klassenanalytische debat. Sacrosanct verklaarde ’klassieke’ theoretische posities werden aan een kritische herwaardering onderworpen en er werden verhitte debatten gevoerd over nieuwe theoretische benaderingen en onderzoeksstrategieën.

    Daarbij werd al snel duidelijk dat er —ook en met name binnen de marxistische onderzoekstraditie— zeer verschillend werd gedacht over inhoudelijke en methodische kwesties. Dit is geen probleem zolang de verdedigers van rivaliserende benaderingen weerstand bieden tegen de neiging om zich zo diep in de ‘eigen posities’ in te graven, dat zij niet meer in staat zijn om over de rand van hun eigen theoretische stellingen heen te kijken. De mogelijke voordelen van intellectuele rivaliteit zouden daarmee immers verloren gaan.

    De fortificaties die tijdens de ‘koude’ stellingenoorlog werden opgebouwd zijn inmiddels door cementrot aangetast en moeten tot de grond toe worden afgebroken. Wie daaraan een positieve bijdrage wil leveren, zou zich in eerste instantie vooral moeten concentreren op een theoretisch georiënteerde structurering van de problemen die bij de analyse van de klassenverhoudingen aan de orde zijn. Zonder een dergelijke probleemstructurering is het onmogelijk minimale consensus tot stand te brengen — zelfs niet over de meest simpele vragen die aan elke rationele discussie ten grondslag moeten liggen: waarover zijn we het oneens, welke argumenten staan tegenover elkaar, welke basisbegrippen zijn controversieel? Ondanks alle progressie is het gemis van een deugdelijke probleemstructurering nog steeds een van meest opvallende zwaktes van het klassenanalytische debat.

  3. De pogingen om een klassentheorie te reconstrueren staan volgens veel auteurs nog steeds aan het begin [in plaats van velen: Jeaggi 1973:20; Giddens/Held 1982:ix; Pahl/Wallace 1988:149; Goldthorpe/Marshall 1992; Wright 1979,1985,1989,2009 ]. Na alle energie die er in het denken en discussiëren over klassentheorieën is gestoken lijkt dit overdreven. Maar het is zeker geen toeval dat er zo weinig nauwkeurige en omvattende empirische analyses van de huidige klassenformaties gemaakt zijn. Er is geen klassentheorie waarvan het begrippenapparaat zo systematisch en methodisch is uitgewerkt, dat zij voor empirisch-historisch onderzoek geoperationaliseerd en vruchtbaar kan worden toegepast.

Index


1.2 Waar wringt de schoen?
Vooruitlopend op wat in deze studie nog uitvoerig aan de orde zal komen, zal ik in een paar zinnen aanduiden waar de klassenanalytische schoen wringt.

  1. Aan gene zijde van structuralisme en actionisme
    Ten eerste zou er een referentiekader ontwikkeld moeten worden waarmee het mogelijk is de misleidende dichotomie tussen ‘structuralistische’ en ‘actionistische’ klassentheorieën te doorbreken.

    • Structuralistische benaderingen concentreren zich uitsluitend op de analyse van de basisstructuren van de klassenverhoudingen en zijn niet —anders dan associatief— in staat een systematische relatie te leggen met het politieke klassenhandelen van de sociale actoren (zij analyseren ‘structuren zonder actoren’).

    • Actionistische benaderingen concentreren zich daarentegen juist volledig op het politieke handelen van klasse-actoren en hun organisaties, maar zijn niet in staat de maatschappelijke gestructureerdheid van dit handelen te thematiseren (zij thematiseren ‘ongestructureerde actoren’).

    Mijn transformationele klassenanalyse vertrekt vanuit een stellingname aan gene zijde van de oude controverse tussen structuur- en handelingstheoretische benaderingen: klassenhandelen wordt door klassenverhoudingen gestructureerd en klassenstructuren worden door klassenhandelen gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd. Het kennisobject van de transformationele benadering is niet ‘klassenstructuur’ of ‘klassenhandelen’, maar klassenspecifieke handelingsstructurering.

  2. Niveaus van handelingsstructurering
    Ten tweede zou er een verklaringsmodel ontwikkeld moeten worden waarin de nadruk ligt op de meervoudige gestructureerdheid van klassenhandelen. Ik zal betogen dat klassenhandelen primair gestructureerd wordt door ongelijkheden en verschillen van de objectieve klassenpositie en van de sociale klassen, door verschillen van de klassenspecifieke habitus en levensstijlen, en door de verschillende typen en graden van klassenbewustzijn. Tevens wordt het beïnvloed door een serie specifieke voorwaarden van politiek klassenhandelen. Elke niet-reductionistische klassentheorie zou in principe deze vijf niveaus van handelingsstructurering moeten omvatten en analytisch duidelijk moeten onderscheiden.

  3. Niveaus van handelingsintegratie
    Er moet een heuristisch model worden ontwikkeld waarin een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende niveaus waarop klassenhandelen is geïntegreerd of geaggregeerd. In de transformationele klassenanalyse wordt ervan uitgegaan dat de structurering van klassenhandelen niet alleen geanalyseerd kan worden op het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie, maar ook op het niveau van organisationele en interactionele integratie.

Met deze theorie van structurering van klassenhandelen is het mogelijk te ontsnappen aan de klassieke dichotomieën van objectivisme versus subjectivisme, economisme versus politicisme, collectivistisch sociologisme versus individualistisch psychologisme, determinisme versus voluntarisme.

Mijn benadering staat dus enerzijds kritisch tegenover gangbare reducties van de structurering van het handelen tot levensstijlen, waardepatronen, tradities en affectieve internaliseringen (culturalistische, normativistische en psychologistische benaderingen).

Anderzijds blijft deze benadering op kritische afstand van benaderingen waarin de handelingsstructurering wordt gereduceerd tot materiële bronnen en beloningen (grof-materialistische, economistische of objectivistische reducties).

Index


1.3 Wat moet een klassentheorie presteren?
Zoals gezegd zou elke algemene en niet-reductionistische klassentheorie in principe alle niveaus van handelingsstructurering moeten omvatten en niet alleen inzichtelijk moeten maken hoe deze niveaus analytisch van elkaar kunnen worden onderscheiden, maar ook hoe zij in de empirische praktijk met elkaar verweven zijn en elkaar onderling beïnvloeden.

Helaas zijn er geen klassentheorieën met een dergelijke reikwijdte voorhanden. De meeste klassentheorieën concentreren zich op een niveau van handelingsstructurering en laten andere onderbelicht.

Een niet-reductionistische klassentheorie zou bovendien de niveaus van maatschappelijke, organisationele en interactionele handelingsintegratie moeten omvatten en binnen een heuristisch model duidelijk van elkaar moeten onderscheiden. Ook op dit punt zijn er geen klassentheorieën met een dergelijke reikwijdte voorhanden.

Index


1.4 Wat is transformationeel?
Om mijn benadering af te bakenen van rivaliserende benaderingen heb ik bewust gekozen voor de term transformationele klassenanalyse. In deze term komt tot uitdrukking dat ik klassenverhoudingen thematiseer als dynamische relaties die door menselijk handelen telkens weer worden gegenereerd en getransformeerd.

Het transformationele model van handelingsstructurering knoopt met name aan bij de bijdragen van Roy Bhaskar, Pierre Bourdieu, Anthony Giddens en Erik Olin Wright Hoewel hun theorieprogramma’s in veel opzichten divergeren, beschouw ik hen toch stuk voor stuk als belangrijke steunpunten voor mijn project.

Het is onvermijdelijk dat er door de keuze van het adjectief ook associaties worden opgeroepen met de transformationele grammatica van Noam Chomsky. Hij vatte taal op als een verzameling van grammaticale zinnen. Het doel van zijn generatieve of transformationele grammatica was alle grammaticale zinnen van een taal (en uitsluitend die zinnen) te kunnen genereren. Met zijn transformationele grammatica probeerde hij vat te krijgen op taalgeneratie als dynamisch proces: het is een verzameling regels met behulp waarvan steeds nieuwe zinnen kunnen worden gegenereerd die tot het corpus van die taal behoren.

De verwantschap met Chomsky’s grammatica is dat in een transformationele klassenanalyse de nadruk ligt op theorieconstructie als dynamisch proces. Een transformationele klassenanalyse is in wezen niets anders dan een verzameling theoretische uitspraken (gerelateerde begrippen, hypothesen en methodologieën) waarmee telkens nieuwe uitspraken (en vooral: vragen!) kunnen worden gegenereerd die tot het corpus van deze theorie behoren.

Index2. Reconstructie en constructie van een klassentheorie

Met deze studie wil ik een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van een sociaalwetenschappelijke klassentheorie waarin de hiervoor genoemde beperkingen worden doorbroken. De bouwstenen die hiervoor worden aangedragen zijn het resultaat van twee ondernemingen.

  1. De eerste onderneming is een onderzoek naar de vooronderstellingen, basisbegrippen, methodologie en interne structuur van klassentheorieën. Daarbij speelt de marxistische onderzoekstraditie uiteraard een prominente, maar geen exclusieve rol. Alle sociaalwetenschappelijke (en ook ‘alledaagse’) klassentheorieën passeren de revue en worden op hun merites beoordeeld. Het is een zoektocht naar de analytische kracht en problematische plekken (lacunes, ambivalenties en tegenstrijdigheden) van alle klassentheoretische en empirische onderzoekstradities.

    De grote verscheidenheid van theoretische benaderingen maakt het nodig om vergelijkingen te trekken, pro’s en contra’s van rivaliserende benaderingen zorgvuldig af te wegen en om beargumenteerde keuzes te maken.

    Om een dergelijke —zeer complexe— afweging inzichtelijk te maken, besteed ik veel aandacht aan de analytische structurering van het hele probleemveld. Met een gedifferentieerde probleemstructurering wordt het niet alleen eenvoudiger om de kracht en zwaktes van de diverse benaderingen af te wegen, maar kunnen ook de knelpunten en mogelijkheden van een ‘theoretische integratie’ zichtbaar worden gemaakt.

  2. De verklaringskracht en actualiteit van de klassentheorieën in de marxistische onderzoekstraditie, waren altijd al omstreden. Aan kritieken op ‘de klassentheorie van Marx’ of op ‘de marxistische klassentheorie’ is geen gebrek. Deze inhoudelijke, methodologische en sociaalhistorische kritieken worden uitvoerig behandeld in: Benschop [1990].

    Het ontbreekt evenmin aan pogingen alternatieve klassentheorieën te formuleren. Meestal gebeurde dit in aansluiting op de bijdragen van Max Weber, maar er zijn bijvoorbeeld in de conflict- en machtstheoretische traditie ook meer originele pogingen gedaan om klassentheorieën met een hogere verklaringskracht en actualiteit te formuleren.

    In Benschop [1987/2012, 1987b] analyseer ik de betekenis van Weber’s bijdrage aan de theorie van sociale ongelijkheid en klassen. Daarin wordt uitvoerig aandacht besteed aan de volgende serie vragen.

    • Formuleert Weber een algemene theorie van sociale ongelijkheid in het kader waarvan klassenverhoudingen worden gethematiseerd? Wordt er in zijn verhandeling over klassen, standen en partijen een algemene theorie van sociale ongelijkheid verondersteld of geïmpliceerd? Kan Weber worden beschouwd als grondlegger van een multi-, resp. driedimensionele benadering van sociale ongelijkheid?

    • Heeft Weber een algemene of specifieke klassentheorie ontwikkeld? Kan Weber’s benadering of hierbij aansluitende neo-weberiaanse bijdragen worden opgevat als een alternatief voor de klassentheorie van Marx?

    De resultaten van deze Weber-reconstructie zijn in deze studie verwerkt.

    De tweede onderneming bestond erin om zowel de kritieken op ‘de’ marxistische klassentheorie als de alternatieve klassentheorieën in de beschouwing te betrekken. Al deze theorieën en kritieken komen in deze studie op verschillende plaatsen aan de orde bij de afbakening van de basisstellingen van de transformationele klassentheorie.

Hoeveel kan een klassentheorie nog bijdragen aan inzicht in de bestaande maatschappelijke structuren en in de ontwikkelingen die zich daarin voordoen? Hoeveel kan een klassentheorie nog bijdragen aan ons begrip van het collectieve politieke handelen en van moderne sociale bewegingen? De antwoorden die men op deze vragen kan geven zijn in sterke mate afhankelijk van het type klassentheorie dat men hanteert — zij variëren derhalve met de specifieke benaderingen die er van ‘het klassenprobleem’ circuleren.

De verklaringskracht van een klassentheorie kan uiteindelijk alleen in en door empirisch-historisch onderzoek worden gedemonstreerd. In deze studie komen weliswaar een groot aantal empirisch-sociologische, historische en antropologische thema’s ter sprake, maar het is geen verslag van empirisch onderzoek. Het is een verslag van een poging om een transformationele klassentheorie te construeren waarmee men in empirisch-historisch onderzoeksprojecten beter uit de voeten kan.

Klassenanalyse moet vandaag de dag in de eerste plaats als een wetenschappelijk én politiek probleem worden benaderd.

Index


2.1 Reconstructie
Voor het ontwerp van een transformationele klassentheorie kunnen verschillende uitgangspunten worden gekozen. Voor iedereen die geïnteresseerd is in de structuur en ontwikkeling van de klassenverhoudingen in kapitalistische maatschappijen zijn de teksten van Marx een fundamentele bron waarmee men kan beginnen.

Voor een reconstructie van de klassentheorie moet men dus in ieder geval zicht krijgen op Marx’ klassentheoretische aanzet. Dit is niet zo eenvoudig omdat Marx geen aparte, laat staan systematische behandeling van het klassenvraagstuk heeft geschreven. Zijn klassentheorie is —op een niet altijd even duidelijk stringente en eenduidige manier— in zijn gehele werk verweven. In veel teksten van Marx nemen de begrippen klasse, klassenverhoudingen en klassenstrijd een centrale plaats in.

Een exposé van Marx’s klassentheorie omvat dus een reconstructie van praktisch zijn hele oeuvre. Een systematisch overzicht van de aanzet van Marx is lastig omdat zijn teksten een verschillende inzet, thematische doelstelling en theoretische status hebben. De verschillende teksten van Marx worden gekleurd door de problematieken waaraan hij op dat moment dacht en waarover hij schreef.

De interpretatie en reconstructie van Marx’ bijdrage kan niet worden beperkt tot het verzamelen van een aantal markante formuleringen uit zijn werk. Bij elk citaat moet men rekening houden met de sociaal- en theoriehistorische context van zijn stellingen, met de uiteenlopende theoretische status en sociaalhistorische reikwijdte van zijn begrippen en uitspraken. Bovendien moet rekening worden gehouden met het nogal lastige methodisch-theoretische probleem: Marx’ stellingen en hypothesen zijn op verschillende abstractieniveaus geformuleerd en geldig voor specifieke analyse-eenheden.

Wie daaraan voorbij gaat krijgt al snel al snel de indruk dat in de werken van Marx (en Engels) louter tegenstrijdige, ambigue formuleringen voorkomen waar slechts de ‘gelovigen’ nog theoretisch brood van kunnen bakken. Er zijn verschillende pogingen gedaan om door een compilerende methode de inconsistenties en tegenstrijdigheden in het werk van Marx te identificeren. Zij hebben vooralsnog weinig substantieels opgeleverd. Zij fungeren hoogstens als nuttig voorwerk voor een systematische reconstructie.

Gelukkig zijn er ook een aantal pogingen gedaan om de klassentheorie van Marx op meer systematische wijze te reconstrueren. Voor het ontwerp van mijn transformationele klassentheorie heb ik daarvan dankbaar gebruik kunnen maken. Maar in deze studie geef ik geen systematische reconstructie van de marxistische klassentheorie. Ik verwijs hiervoor naar mijn voorstudie: De klassentheorie van Marx.

Index


2.2 Constructie van een klassentheorie
Voor de constructie van een transformationele klassenanalyse heb ik voor een andere benadering gekozen en voor een ander referentiepunt. Het referentiepunt van dit project is de protheorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen zoals deze door Bader/Benschop (Ongelijk-heden) en door Bader (Collectief handelen) is geformuleerd.

Dit protheoretische referentiekader biedt een vruchtbaar uitgangspunt voor de constructie van een transformationele klassentheorie. De protheorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen legt weliswaar geen specifieke klassentheorie vast, maar biedt wel een aantal criteria om klassentheorieën te beoordelen op hun complexiteit en reikwijdte, zij zet theorieën onder druk om impliciete premissen expliciet te maken, om rudimentaire theoretische elementen te versterken of te reviseren, om expliciete onderbouwingen te geven van gehanteerde begrippen en om de geldigheidsclaims van theorieën te beperken of te specificeren. Kortom: zij biedt aanknopingspunten voor de constructie van een ‘betere’ klassentheorie.

Klassentheorie is een onderdeel van een veel ruimer begripsmatig kader. Als onderdeel van een maatschappijtheorie is zij —net als economische theorieën, staats- en rechtstheorieën of cultuurtheorieën— een regionale theorie van de sociale klassenverhoudingen in maatschappelijke formaties. Klassentheorie is onderdeel van de politieke sociologie van sociale ongelijkheid: ‘Klasse’ —zo luidt de centrale stelling— is een cruciaal begrip voor het ontwikkelen van een systematische theorie van de sociale structuur, in het bijzonder van een meer omvattende theorie van sociale ongelijkheid.

Een enigszins onderbouwde en uitgewerkte algemene theorie van sociale ongelijkheden bestaat niet. Er zijn wel een aantal deeltheorieën, maar die gaan zozeer gebukt onder hun algemeenheidspretenties en inhoudelijke reducties dat zij als referentiekader voor een klassentheorie onbruikbaar zijn. Het meest vruchtbare referentiepunt is een protheoretisch raamwerk waarin basisbegrippen worden onderbouwd en waarin het hele probleemcomplex van sociale ongelijkheden op een vergaande wijze wordt gedesaggregeerd.

Het object van de klassentheorie is de structuur en dynamiek van klassenongelijkheden en -conflicten. Als ‘sociologische’ theorie is zij daarom afhankelijk van en aangewezen op tal van andere regionale of disciplinaire theorieën. Klassentheorie kan dus niet tot een eng regionale —‘economische’ of ‘politicologische’— theorie worden gereduceerd. De theorievorming over structuur en verandering van klassenrelaties in kapitalistische maatschappijen is aangewezen op de resultaten van diverse sociale wetenschappen, inclusief de sociale en economische geschiedenis en de antropologie.

Mijn transformationele klassenmodel steunt op een kritische beoordeling van een aantal oudere en recente debatten en van relevante onderzoeksresultaten uit diverse sociaalwetenschappelijke disciplines. Oude theoretische vraagstellingen worden geherdefinieerd, er worden nieuwe thema’s toegevoegd aan empirisch-historische onderzoeksagenda’s en de methodieken van empirische klassenanalyse worden verfijnd.

Index3. Werkwijze: procedure van theorievorming

Theoretische teksten zijn niet zozeer een confrontatie van ‘woord’ en ‘werkelijkheid’, maar hebben veeleer het karakter van een conversatie te midden van andere conversaties. Tot op zekere hoogte is ook deze studie een bundeling van diverse conversaties en confrontaties met andere auteurs van theoretische en empirisch-historische teksten. Uit deze conversaties en confrontaties is de transformationele klassentheorie ontstaan.

Het ontwerpen van een systematische theorie is in zoverre ‘ingewikkeld’, dat er over de manieren waarop men te werk kan gaan niet erg veel nauwkeurigs te zeggen valt. Het impliceert immers een hele reeks, niet altijd even duidelijk te onderscheiden analytische en synthetische operaties. In mijn procedure van theorievorming zijn drie analytisch-synthetische operaties te onderscheiden: deconstructie, reconstructie en constructie.

Index


3.1 Deconstructie
Deconstructie omvat twee logische operaties: expliciteren en interpreteren. In de eerste plaats gaat het erom de probleemstellingen en analysestrategieën van relevante klassentheoretici te expliciteren.
Voor Rudolf Carnap is explicatie het verbeteren of preciseren van een begrip dat reeds bestaat in het alledaagse taalgebruik, resp. in een voorwetenschappelijk stadium. Hoewel ik explicatie hier anders definieer, worden in deze studie een aantal alledaagse begrippen nader gepreciseerd en ingevoegd in de transformationele klassenanalyse.
Door explicatie moeten de centrale probleemstellingen en basisbegrippen worden geïdentificeerd, zonder hierbij de volledige theorie of benadering in de beschouwing te betrekken. Het doel hiervan is het verbeteren van de probleemstelling, zonder dat de grondslag van de oorspronkelijke problematiek wordt verlaten.

Explicatie vindt met name plaats door teksten in contexten te situeren. Ik maak daarbij een onderscheid tussen drie contextuele regimes.

  1. theorie-historische context: de betekenis van teksten in de geschiedenis van een bepaalde theorie of theoretische traditie;

  2. theorie-systematische context: de plaats van uitspraken —hypothesen, stellingen, begrippen— in de systematiek of opbouw van een theorie, en

  3. sociaal-historische context: de plaats die teksten innemen in de feitelijke, ‘externe’ geschiedenis van de maatschappij.

Vervolgens gaat het erom door interpretatie de samenhang tussen probleemstellingen en analytische uitwerkingen (‘probleemoplossingen’) te demonstreren. Hierdoor kunnen begripsmatige ambivalenties, theoretische inconsistenties en inhoudelijke verschuivingen worden opgespoord en de hoofd- en neventendenties in de theoretische structuur van een benadering worden geïdentificeerd.

Het ‘schandaal van deconstructie’ (Norris) is de gewoonte om disjuncte relaties bloot te leggen tussen de logica van een theoretische uiteenzetting en de taal waarin deze is geformuleerd, tussen de ordening van de immanente samenhang van de begrippen en de ordening van significatie, dat wil zeggen de relaties tussen de ‘tekens’ van de betekenis (‘signifier’), inclusief de vaagheden, ambiguïteiten en metaforen van de schrijftaal.

Index


3.2 Reconstructie
Mede op grond van een vergelijking met andere theoretische benaderingen kan de theoretische consistentie, reikwijdte en verklaringskracht van een specifieke benadering worden bepaald. Daarbij worden begrippen met een ‘(o)verleden actualiteit’ gescheiden van begrippen met een ‘actueel verleden’.

Deze laatste elementen vormen de bouwstenen van een systematische reconstructie, dat wil zeggen het opnieuw in elkaar zetten van een theoretisch construct met gebruikmaking van de inzichten die door explicatie en interpretatie zijn verworven. Door het opvullen van lacunes en het detailleren of desaggregeren van globale concepten in een theoretisch programma kan men tenslotte proberen de betreffende klassentheorie verder te ontwikkelen. Vaak worden daarbij elementen ‘geleend’ uit theorieën die in andere onderzoekstradities zijn ontwikkeld.

Index


3.3 Constructie
De constructie van een nieuwe klassentheorie is een eigensoortige en complexe aangelegenheid. De begrippen waaruit deze theorie wordt opgebouwd moeten zo scherp mogelijk worden afgebakend; de abstractieniveaus waarop begrippen en hun onderlinge relaties worden geformuleerd moeten duidelijk van elkaar worden onderscheiden; de onderlinge afhankelijkheden tussen de structureringsniveaus van klassenhanelen moeten worden gespecificeerd; causale verklaringsmodellen moeten worden uitgewerkt; er moeten regels worden opgesteld voor operationalisering van begrippen en er moeten methodieken worden voorgesteld voor het empirisch onderzoek naar klassenrelaties.

De kern van elke wetenschappelijke theorievorming is het tweeledige proces van het preciseren van begrippen én van het gebruik van deze begrippen in de constructie van een theorie. Zowel bij de revisie van bestaande begrippen als de introductie van nieuwe begrippen moeten de vooronderstellingen die daaraan ten grondslag liggen worden blootgelegd. Bovendien moeten de onderlinge verbanden tussen deze begrippen worden geëxpliciteerd waardoor zij samensmelten tot een theorie.

Nieuwe begrippen ontstaan niet in een luchtledige theoretische ruimte, en er bestaat ook geen ‘theoretisch nulpunt’. Begripsvorming is altijd ook —en misschien wel primair— een proces van begripstransformatie: in de constructie van een nieuw begrip worden conceptuele grondstoffen van bestaande begrippen verwerkt.

Voor het (trans)formeren van begrippen kunnen verschillende praktische strategieën worden gevolgd [Wright 1985:292 e.v.].

  1. We kunnen een bestaand begrip ontbinden door nieuwe demarcatielijnen te trekken. Dit gebeurt vooral wanneer in een bestaand begrip heterogene elementen onder één hoed zijn samengebracht (‘breaking down concepts’). In deze studie gebeurt dit met begrippen zoals sociale ongelijkheid, uitbuiting, eigendom, sociale klasse en klassenbelang.

  2. We kunnen een bestaand begrip specificeren door bestaande demarcatielijnen opnieuw te bepalen. Wanneer de grenzen van een begrip worden gedefinieerd door overtollige, onvoldoende of incorrecte criteria dan moeten deze criteria worden gewijzigd. In deze studie gebeurt dit bijvoorbeeld met het begrip klassenpositie.

  3. We kunnen een begrip verbreden door een reaggregatie van categorieën onder meer algemene criteria. Bestaande begrippen worden in dit geval in een meer omvattend concept ondergebracht, dat wil zeggen in een concept dat een fundamenteel grenscriterium identificeert voor de begrippen die daarbinnen zijn geaggregeerd. In deze studie gebeurt dit bijvoorbeeld met het begrip credentiële exploitatie.

  4. Tenslotte kunnen we de begripsmatige dimensies van een descriptieve taxonomie decoderen. Hierdoor kunnen beschrijvende taxonomieën worden getransformeerd in begripsmatige typologieën. Een taxonomie bestaat uit een reeks categorieën die op basis van direct evidente empirische criteria worden geïdentificeerd.*
    * Dit wil overigens niet zeggen dat beschrijvende onderscheidingen in een taxonomie gebaseerd zouden zijn op ‘zuivere’ feiten in de empiristische zin van het woord. Taxonomische onderscheidingen zijn echter niet theoretisch beargumenteerd (‘getheoretiseerd’) en in de regel gebaseerd op pragmatische common sense.
    Een typologie is een theoretisch geconstrueerde reeks begrippen die gedifferentieerd zijn op basis van theoretisch gespecificeerde dimensies. In een decoderende strategie van begrips(trans)formatie wordt de impliciete, niet-getheoretiseerde logica van de gebruikte typologie expliciet gemaakt. In deze studie worden bestaande indelingen en taxonomieën van klassendefinities en -theorieën gedecodeerd en vervolgens omgezet in expliciet theoretisch onderbouwde typologieën.

In het ontwerp van de transformationele klassentheorie komen de vier geschetste analytische operaties (explicatie, interpretatie, reconstructie, constructie) noch de vier praktische strategieën van begrips(trans)formatie (ontbinden, specificeren, verbreden, decoderen) afzonderlijk-chronologisch aan de orde. Zij zijn soms moeilijk herkenbaar in elkaar verweven omdat zij gelijktijdig (‘gearmd’) de revue passeren.

Index4. Beperkingen van het onderzoek

Het ontwerp van deze transformationele klassentheorie is weliswaar een ambitieus en zeer omvangrijk project, maar het is niet zonder beperkingen.

  1. Deze studie bevat geen gedetailleerde reconstructie van een specifieke klassentheorie of van een bijzondere klassenanalytische onderzoekstraditie. De geschiedenis van het klassenbegrip wordt cursorisch behandeld. Maar er wordt geen uitgebreid theorie-historisch of chronologisch overzicht gegeven van diverse stromingen, theoretische standpunten of auteurs. De verschillende stromingen en auteurs worden telkens probleemgericht behandeld. Zij komen dus aan de orde op die punten waar dat voor de constructie van het transformationele verklaringsmodel van belang is.

    Op deze wijze wordt toch een beeld geschetst van de pro’s en contra’s van de verschillende klassenanalytische onderzoekstradities. Alle relevante theorieën en onderzoekstradities worden beoordeeld op hun verklaringskracht en op hun interne obstakels, aporieën, denkblokkades en lacunes. Overigens biedt het transformationele klassenmodel wel een analytisch en methodisch raamwerk op basis voor kritische reconstructies van andere klassentheorieën.

  2. Het transformationele model is een aanzet voor een systematische klassentheorie en heeft daarin dus verdergaande ambities dan een protheorie. Er worden begrippen van elkaar afgebakend en aan elkaar gerelateerd, er worden verschillende analyseniveaus onderscheiden en met elkaar vergeleken en er worden (voorzichtige) causale verklaringen gegeven. Het eindresultaat is geen ‘systeem van klassentheorie’. De afzonderlijke hoofdstukken laten zich het beste lezen als ‘essays in systematische klassentheorie’.

  3. Ik presenteer geen empirisch-sociologische analyse van de klassenverhoudingen in het moderne —informationele— kapitalisme. Maar er wordt wel uitgebreid gerefereerd aan zeer veel empirisch-sociologische, anthopologische, historische en politiek-economische studies. Zij worden gebruikt om de het ontstaan en de verandering van klassensystemen te analyseren, om te wijzen op theoretische lacunes, en om actuele ontwikkelingen in klassenverhoudingen te illustreren. De nadruk ligt daarbij op het formuleren van onderzoeksvragen en het preciseren van onderzoeksstrategieën. Waar nodig wordt ook ingegaan op problemen bij het operationaliseren van begrippen en andere praktische en technische problemen van empirisch onderzoek.

  4. In deze studie wordt geen normatieve theorie over uitbuitings- en klassenverhoudingen gepresenteerd. Ik beperk mij enerzijds tot het zo duidelijk mogelijk profileren van mijn eigen normatieve uitgangspunten en politieke referentiepunten (‘kennisbelang’) die met een dergelijk onderzoek verbonden zijn, en anderzijds tot kritische aantekeningen bij de normatieve vooronderstellingen of implicaties van concurrerende klassenbenaderingen.

  5. Wat is de maatschappelijke relevantie van de hele onderneming? Kan de transformationele klassenanalyse een bijdrage leveren aan emancipatorische bewegingen?

    De intentie is duidelijk. De transformationele klassenbenadering wil bijdragen aan het vergroten van de cognitieve autonomie en geïnformeerdheid van collectieve actoren die uitbuitings- en klassenverhoudingen aanvechten, en daarmee ook aan hun handelingsautonomie.

    De pretentie is echter zeer bescheiden. De transformationele klassenanalyse biedt goede aanknopingspunten voor het ontwerpen of beoordelen van praktische handelingsstrategieën van emancipatorische bewegingen en hun conflictorganisaties, maar presenteert geen ‘kant en klare’ of ‘realistische’ politieke strategieën. De transformationele klassentheorie verklaart slechts de grondslagen werking van de meest elementaire en hardnekkige vorm van sociale ongelijkheid. Zij is daarom tevens onderdeel en steunpilaar van een algemene theorie van kolossaal opeengestapelde sociale ongelijkheden.

Index5. Opbouw van de studie

5.1 Inleidende schermutselingen
De studie is opgesplitst in vier delen. Het eerste deel bevat een aantal Inleidende schermutselingen.

In hoofdstuk I wordt een schets gegeven van klassenanalyse als wetenschappelijk probleem. Het begint met een verkenning van de wijze waarop klassenverhoudingen doorwerken in het dagelijkse bewustzijn en in de attitudes van mensen. Daarna wordt een eerste poging gedaan om het sociaalwetenschappelijke klassenbegrip af te bakenen. Ik schets de antecedenten van het klassenbegrip en geef een elementaire typologie van klassendefinities. Nadat de theoretische referentiepunten die relevant zijn voor het onderzoek naar klassenverhoudingen in kaart zijn gebracht, geef ik een voorlopige afbakening van het kennisobject van de klassentheorie en van de structurele en sociaalhistorische reikwijdte van klassenanalyse.

In hoofdstuk II wordt klassenanalyse als politiek probleem behandeld. Ik expliciteer daarin mijn eigen politieke en normatieve uitgangspunten en geef een kritische bespreking van de politieke claims waarmee klassenanalyse meestal wordt opgezadeld. Daarbij gaat het om drie, onderling nauw verknoopte problemen: het utopische perspectief van een klasseloze samenleving, de sociale actoren of dragers van een dergelijk utopisch project, en de verbinding tussen klassentheorie en politieke handelingsstrategieën die gericht zijn op het doorbreken van de bestaande uitbuitings- en klassenverhoudingen. Daarbij wordt in ieder geval duidelijk dat de analyse van de maatschappelijke klassen en hun onderling strijd zelf ook inzet is van politieke strijd.

In hoofdstuk III wordt een analytische structuur aangebracht in het geheel van de problemen die in een klassentheorie verwerkt moeten worden. Eerst wordt een fijnmazig analytisch netwerk ontworpen waarmee men in een klassenanalytische onderzoeksprogramma uit de voeten kan. Vervolgens wordt met behulp van deze probleemstructurering een systematisch overzicht gegeven van het bestaande aanbod aan klassentheorieën. Hierdoor wordt duidelijk wat de inhoudelijke en methodische keuzes zijn die klassentheoretici maken. Daarbij expliciteer ik tevens welke keuzes er door mij worden gemaakt en waarom bepaalde benaderingen juist niet worden gevolgd.

De meeste onderzoekers zijn het er over eens dat klassen kunnen een specifieke structuurvorm van sociale ongelijkheid zijn. Daarom begint hoofdstuk IV met een compacte uiteenzetting over het begrip, de grondslagen en de vormen van sociale ongelijkheid. Daarbij komen de bekende basale onderscheidingen aan de orde: tussen natuurlijke en sociale ongelijkheid, tussen sociale differentiatie en sociale ongelijkheid, tussen positionele en allocatieve ongelijkheid, en tussen incidentele en structurele ongelijkheid. Tegen deze achtergrond wordt vervolgens in zes algemene stellingen geformuleerd wat de ‘harde kern’ van een klassenanalytisch onderzoeksprogramma is en wat de daaraan verbonden reeks positieve en negatieve heuristieken is. Door deze stellingen wordt een platform geschapen waarop in de rest van deze studie wordt voortgebouwd: het zijn basisstellingen van een onderzoeksprogramma dat in de volgende hoofdstukken wordt gepreciseerd, uitgewerkt en geconcretiseerd. Elk hoofdstuk begint met een stelling die eerst wordt afgebakend van andere benaderingen en vervolgens wordt onderbouwd en uitgewerkt.

Index


5.2 Structurering van objectieve klassenposities
In het tweede deel staat de vraag centraal op welke wijze de Structurering van objectieve klassenposities kan worden geanalyseerd.

Hoofdstuk V vervult hierin een sleutelrol omdat daarin de uitgangspunten worden geschetst van een transformationele klassenbenadering. Voor de analyse van klassespecifieke vormen van handelingsstructurering worden vijf cruciale onderscheidingen geïntroduceerd:

Deze inhoudelijk-methodische onderscheidingen vormen de steigers voor de constructie van de transformationele klassentheorie. De volgorde van de resterende hoofdstukken loopt parallel met de niveaus van handelingsstructurering. Wie zich alvast een beeld wil vormen van deze opbouw verwijs ik naar het samenvattende overzicht in figuur 15_1.

In hoofdstuk VI wordt de stelling uitgewerkt dat klassenrelaties primair zijn verankerd in exploitatieve maatschappelijke arbeidsverhoudingen. Daarvoor worden eerst de begrippen arbeid, arbeidsverhoudingen en arbeidswijze gedefinieerd. Arbeidswijze wordt gedefinieerd door een combinatie van een specifieke verdeling van beschikkingsmacht over directe bronnen, een dominant arbeidsdoel, en een bepaald type van sociale afhankelijkheidsverhoudingen in en ten opzichte van arbeidsorganisaties. Voor de specificatie van de kapitalistische arbeidswijze wordt uitgebreid aandacht besteed aan de vraag welke arbeid in dit stelsel als productieve arbeid fungeert. Daarnaast concentreer ik mij op twee van de meest omstreden arbeidswijzen: de huishoudelijke arbeidswijze en de arbeidswijze van de kleine warenproductie. Door deze concentratie op de meest ingewikkelde problemen vergroot men de kans om deze lastige puzzels op te lossen. Zo komt bij de behandeling van de vroegste —paleolithische en neolithische— huishoudelijke arbeidswijzen het probleem aan de orde hoe zich vanuit segmentaire samenlevingsverbanden zonder staat uiteindelijk toch klassenmaatschappijen konden ontwikkelen. En bij de behandeling van de kleine warenproductie komt onvermijdelijk de vraag aan de orde of deze als zelfstandige of onzelfstandige arbeidswijze benaderd kan worden, of slechts als historische, prekapitalistische categorie. Het resultaat van deze theoretische en historische excercitie is dat er leidraden worden gesponnen voor historisch onderzoek naar egalitaire samenlevingsverbanden zonder klassen (pre- en protoklassenmaatschappijen) en naar de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van klassenformaties. Door de theoretische precisering van de onderscheiden arbeidswijzen worden bovendien sleutels aangedragen voor de wetenschappelijke analyse van het industriële en informationele kapitalisme.

Hoofdstuk VII vertrekt vanuit de stelling dat klassen structureel gedefinieerd worden in termen van posities in exploitatieve arbeids- en distributieprocessen. Daarvoor wordt eerst uitvoeriger ingegaan op het begrip uitbuiting. Naast de afbakening van een algemeen sociaal-wetenschappelijk begrip van uitbuiting (dat onafhankelijk van normatieve connotaties en van de waardetheorie zal worden geformuleerd), ontwerp ik een typologie van de verschillende mechanismen en basisvormen van uitbuiting. Daarop aansluitend laat ik zien hoe primaire en secundaire exploitatievormen feitelijk met elkaar worden gecombineerd, en hoe we het relatieve gewicht van de afzonderlijke exploitatievormen kunnen bepalen.

Een uitbuitingsvorm die tot nu toe weinig systematisch is onderzocht en daarom grote problemen en verhitte discussies oplevert is credentie-uitbuiting. Ik introduceer eerst het begrip credentie-uitbuiting baken dit zo scherp mogelijk af van andere benaderingen. Op deze manier maak ik de weg vrij voor een analyse van de specifieke klassenposities van professionals en experts in het industriële en informationele kapitalisme. Het illustreert de mogelijkheden (en moeilijkheden) die het begrip credentie-uitbuiting biedt voor een empirische analyse van deze klassencategorieën.

In excursies en voetnoten besteed ik veel kritische aandacht aan het werk van Erik Olin Wright. Zijn theoretische en empirisch-sociologische bijdragen belangrijk en stimulerend en ik heb ook veel van zijn inzichten verwerkt. Het is dus een kritisch eerbetoon.

Hoofdstuk VIII vertrekt vanuit de stelling dat exploitatieve klassenrelaties ook op het niveau van organisationele verhoudingen moeten worden gethematiseerd. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ook op dit niveau van handelingsintegratie exploitatieve klassenrelaties ontstaan. Daarvoor wordt eerst ingegaan op de relatie tussen exploitatie- en gezagsverhoudingen en op het verschil tussen de verschillende typen van asymmetrische macht. Tegen deze achtergrond wordt een analyse gemaakt van een andere omstreden uitbuitingsvorm: organisationele uitbuiting. De grondslagen, het mechanisme en de reproductie van organisationele uitbuiting worden in kaart gebracht waarna de vraag wordt beantwoord onder welke voorwaarden organisationele uitbuiting kan dienen als grondslag van klassenposities. Na deze afbakening van het algemene begrip van organisationele uitbuiting worden de implicaties ervan geïllustreerd aan de tussenklassenpositie van managers in het kapitalisme.

In hoofdstuk IX wordt de stelling uitgewerkt dat exclusieve posities in interactienetwerken onder bepaalde voorwaarden leiden tot structurele uitbuitingsposities en dat zij daarom als potentiële klassenposities geanalyseerd kunnen worden. In aansluiting bij antropologische en sociologische netwerktheorieën worden twee typen van exclusieve posities in interactienetwerken geanalyseerd: selectieve associaties en patronage. Patronageverhoudingen vormen het referentiepunt voor een bespreking van wat ik clientèle-uitbuiting zal noemen. Van deze clientèle-uitbuiting (uitbuiting van cliënten door hun patroons) worden niet alleen de grondslagen, mechanismen en de reproductiemogelijkheden gethematiseerd, maar wordt tevens ingegaan op de kans dat hieruit eigensoortige uitbuitings- en klassenposities kunnen ontstaan.

Het hoofdstuk wordt afgesloten met een korte behandeling van een derde vorm van uitbuiting die in alle samenlevingen kan ontstaan waarin discriminerende prestigeverhoudingen zijn geïnstitutionaliseerd. Deze vorm van ascriptieve uitbuiting wordt kort geïllustreerd aan de werking van sexploitatie, dat wil zeggen van uitbuiting van vrouwen door mannen op grond van het dominant positieve sociale prestige van mannen.

Hoofdstuk X begint met een precisering van een iets dat in de vorige hoofdstukken al terloops aan de orde is geweest, namelijk het onderscheid tussen uitbuitingsposities en klassenposities. Het ontbreken van dit onderscheid is mijns inziens de grote zwakte van praktisch alle tot nu toe ontwikkelde klassentheorieën. Bij de afbakening van het begrip klassenstructuur worden eerst een vijftal analytische onderscheidingen geïntroduceerd: hoofd- en tussenklassenposities, duurzame en tijdelijke klassenposities, primaire en afgeleide klassenposities, enkelvoudige en meervoudige klassenposities, directe en gemedieerde klassenposities. Met behulp van deze onderscheidingen worden vervolgens de zelfstandige middenklassen geanalyseerd, waarmee de behandeling van de objectieve klassenposities wordt afgesloten.

Index


5.3 Structurering van klassenhandelen
In het derde deel, Structurering van klassenhandelen, wordt in een aantal opeenvolgende stappen een analyse gemaakt van de processen waardoor er op basis van klassenposities uiteindelijk politieke actoren kunnen ontstaan.

In hoofdstuk XI wordt het ontstaan van sociale klassen geanalyseerd vanuit de structurele kansen om van klassenpositie te veranderen (geblokkeerde mobiliteitskansen). De leidraad van deze analyse is de stelling dat de duurzaamheid van de binding van individuen aan een klassenpositie bepalend is voor het ontstaan van sociale klassen en van elementaire vormen van sociale georganiseerdheid die zich concreet manifesteren in netwerken van klassenspecifieke sociale relaties. Daarbij wordt uitvoerig aandacht besteed aan de betekenis van klassengemeenschappen. Na een korte verhandeling over de niveaus van structurering van objectieve klassensituaties wordt tenslotte ingegaan op de problematische relatie tussen klassen, klassenfracties en sociale lagen.

In hoofdstuk XII wordt een analyse gemaakt van de scharnierfunctie die de klassenhabitus vervult tussen objectieve klassenposities en het maatschappelijke bewustzijn en politieke handelen van individuen. In kritische aansluiting bij Bourdieu wordt eerst het begrip klassenhabitus gepreciseerd. Vervolgens worden de verschillende dimensies van de habitus benoemd en wordt een exemplarische analyse gemaakt van de algemene en klassenspecifieke kenmerken van de fysieke habitus (‘lichaamstaal’). Vanuit de klassenhabitus worden tenslotte de sociaal-culturele levensstijlen gethematiseerd, die de invalshoek vormen voor een analyse van klassenspecifieke of klassengebonden culturen.

In hoofdstuk XIII wordt de stelling uitgewerkt dat collectieve actoren op klassenbasis pas kunnen ontstaan wanneer de leden van een klasse niet alleen een eigen klassenspecifieke habitus en levensstijl ontwikkelen, maar ook een collectieve identiteit, een klassenbewustzijn. Er wordt eerst een onderscheid gemaakt tussen verschillende typen van handelingsoriëntaties die voor de structurering van klassenbewustzijn van belang zijn. Het uitgangspunt is dat voor een analyse van klassenbewustzijn zowel affectieve, traditionele, normatieve als strategische handelingsoriëntaties relevant zijn (en klassenbewustzijn dus niet tot een van deze aspecten gereduceerd mag worden). Na een kritische bespreking van de bijdragen van Lukács, Thompson en Wright worden tenslotte een aantal graden van klassenbewustheid en typen van klassenbewustzijn onderscheiden.

In hoofdstuk XIV wordt apart aandacht besteed aan de strategische dimensie van klassenspecifieke handelingsoriëntaties. Daarvoor wordt eerst het begrippen belang en klassenbelang afgebakend. Tegen deze achtergrond wordt de vraag opgeworpen of het mogelijk is om op een rationele en niet-paternalistische wijze te spreken over ‘objectieve klassenbelangen’ (het antwoord zal bevestigend zijn). Tenslotte wordt een typologie van klassenbelangen geconstrueerd en toegelicht.

In hoofdstuk XV wordt de relatie tussen sociale klassen en politiek klassenhandelen gethematiseerd. Daarbij worden de voorwaarden gespecificeerd waaronder politiek klassenhandelen en sociale klassenbewegingen kunnen ontstaan op basis van sociale klassen. Hiervoor wordt enerzijds aandacht besteed aan processen van articulatie, organisatie en mobilisatie, anderzijds wordt kort ingegaan op externe voorwaarden van politiek klassenhandelen, op strategische interacties tussen klassengebonden politieke actoren en op de dynamiek van klassenconflicten. Ik zal daarbij uitvoeriger stil blijven staan bij de rol die utopische denkbeelden en houdingen (kunnen) spelen in klassenbewegingen. Met dit hoofdstuk is de laatste stap gezet op de eerder aangekondigde lange weg om de niveaus van structurering van klassenhandelen te ontrafelen (een weg die begon met uitbuitingsposities en eindigt met politieke actoren op klassenbasis). De impressies die tijdens deze reis werden opgedaan en de lessen die daaruit kunnen worden getrokken, worden aan het slot van dit hoofdstuk in een synthetische schema samengevat.

In hoofdstuk XVI wordt de stelling uitgewerkt dat klassenstructuren niet alleen door sociaal handelen worden geconstitueerd, maar ook gereproduceerd en getransformeerd. Ik zal hiervoor zes mechanismen bespreken die bijdragen aan sociale en temporele stabilisatie en/of garantie van klassenverhoudingen en die onder bepaalde voorwaarden tevens leiden tot hun destabilisatie en/of transformatie.

Index


5.4 Transformationele klassenanalyse in ontwikkeling
In het vierde en laatste deel Transformationele klassenanalyse in ontwikkeling, worden een aantal thema’s besproken die voor de verdere ontwikkeling van de transformationele klassenanalyse van belang zijn. Ondanks de omvang van deze studie beschouw ik de transformationele klassenanalyse als een onvoltooid project.

In hoofdstuk XVII behandel ik een paar problemen die voor de toekomst van dit project beslissend zijn. Een cruciaal onderdeel van mijn heuristische model is de analyse van de verschillende structurerings- en integratieniveaus van klassenhandelen. Deze verklaringsniveaus worden niet alleen analytisch zo scherp mogelijk van elkaar onderscheiden, maar worden ook onderzocht in hun onderlinge samenhang. Met een analyse van verschillende structureringsmodi (manieren waarop complexe structurele causaliteitsrelaties worden gedacht) wil ik laten zien dat er op dit gebied nog wel enig (denk)werk verricht zal moeten worden.

Een tweede probleem betreft de relatie tussen klassentheorie en empirisch sociologisch en historisch onderzoek. Daarbij gaat het vooral om de vraag hoe we tussen het Scylla van het (structurele) theoreticisme als de Charibdis van het (historische of sociologische) empiricisme kunnen laveren.

Tenslotte wordt de problematische relatie tussen klassenanalyse en politieke strategie besproken waarbij de vraag centraal staat: hoe instrumentalistische en sciëntistische benaderingen vermeden kunnen worden en wat de voorwaarden en kenmerken zijn van een zelfreflexieve klassenanalyse.

Index 

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact

dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 05 January, 2017