| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
| 1. Waarom klassenanalyse? |
|---|
In deze studie wordt een nieuw type klassentheorie gepresenteerd. Zon uitspraak roept bij verstandige mensen argwaan en een gezonde dosis wantrouwen op. Sociale wetenschappers die zich nu nog met klassen bezighouden, staan al snel onder de verdenking dat zij oude koeien uit sloten willen halen, die allang geleden gedempt zijn. In het huidige postsocialistische tijdperk is het meer dan ooit ongebruikelijk om verhandelingen te schrijven over uitbuitings- en klassenverhoudingen. Aan de droom van een samenleving zonder exploitatie en klassen lijkt sinds de ineenstorting van de stelsels die zich als het reëel bestaande socialisme afficheerden voorgoed een einde te zijn gekomen. Wie zich desondanks toch met de klassenthematiek bezighoudt of daarover zelfs een boek schrijft, is een onverbeterlijke zeurkous of een dogmaticus.
Bovendien is het in sociaalwetenschappelijke kringen gebruikelijk om elke claim op de nieuwheid van een theorie met grote terughoudendheid te bejegenen. Ik zal mij niet op voorhand indekken tegen dergelijke weerstanden en verwijten en heb slechts de hoop dat de lezer zijn of haar aprioristische weerstanden kan relativeren en in staat is een eigen oordeel te vellen over de (soms erg lastige) problemen die hier worden behandeld.
Er zijn meerdere redenen om zon speurtocht te ondernemen.
Hoe men al deze verschuivingen ook wil analyseren en welke benamingen men ook voor de genoemde klassen wil gebruiken, één ding is duidelijk: het zijn stuk voor stuk veranderingen die nieuwe voorwaarden en nieuwe vormen van sociaal en politiek klassenhandelen met zich meebrengen.
De veranderingen die zich in de klassenstructuren voltrekken, hebben sociaal-politieke bewegingen en hun organisaties voor nieuwe problemen gesteld. Emancipatorische bewegingen, die op de een of andere wijze streven naar drastische beperking of zelfs uitbanning van exploitatieverhoudingen, worden steeds weer gedwongen hun programmas en handelingsstrategieën opnieuw ter discussie te stellen.
De verklaringsmodellen en -methoden waarmee men greep probeert te krijgen op de zich wijzigende sociaal-economische en politiek-culturele klassenverhoudingen, moeten telkens opnieuw worden doordacht en getoetst. Daarbij stuit men regelmatig op problemen waarvoor met het oude, bekende begrippenrepertoire geen goede antwoorden gevonden kunnen worden. Het heeft geen enkele zin deze problemen te verzwijgen of te verdringen zodra zij taboe verklaard worden, springt men immers uit de wetenschappelijke logica in de logica van het gemoed (Theun de Vries), dat wil zeggen in de socialistische mystiek.
Daarbij werd al snel duidelijk dat er ook en met name binnen de marxistische onderzoekstraditie zeer verschillend werd gedacht over inhoudelijke en methodische kwesties. Dit is geen probleem zolang de verdedigers van rivaliserende benaderingen weerstand bieden tegen de neiging om zich zo diep in de eigen posities in te graven, dat zij niet meer in staat zijn om over de rand van hun eigen theoretische stellingen heen te kijken. De mogelijke voordelen van intellectuele rivaliteit zouden daarmee immers verloren gaan.
De fortificaties die tijdens de koude stellingenoorlog werden opgebouwd zijn inmiddels door cementrot aangetast en moeten tot de grond toe worden afgebroken. Wie daaraan een positieve bijdrage wil leveren, zou zich in eerste instantie vooral moeten concentreren op een theoretisch georiënteerde structurering van de problemen die bij de analyse van de klassenverhoudingen aan de orde zijn. Zonder een dergelijke probleemstructurering is het onmogelijk minimale consensus tot stand te brengen zelfs niet over de meest simpele vragen die aan elke rationele discussie ten grondslag moeten liggen: waarover zijn we het oneens, welke argumenten staan tegenover elkaar, welke basisbegrippen zijn controversieel? Ondanks alle progressie is het gemis van een deugdelijke probleemstructurering nog steeds een van meest opvallende zwaktes van het klassenanalytische debat.
Mijn transformationele klassenanalyse vertrekt vanuit een stellingname aan gene zijde van de oude controverse tussen structuur- en handelingstheoretische benaderingen: klassenhandelen wordt door klassenverhoudingen gestructureerd en klassenstructuren worden door klassenhandelen gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd. Het kennisobject van de transformationele benadering is niet de klassenstructuur of het klassenhandelen, maar klassenspecifieke handelingsstructurering.
Ten tweede zou er een verklaringsmodel ontwikkeld moeten worden waarin de nadruk ligt op de meervoudige gestructureerdheid van klassenhandelen. Ik zal betogen dat klassenhandelen primair gestructureerd wordt door ongelijkheden en verschillen van de objectieve klassenpositie en van de sociale klassen, door verschillen van de klassenspecifieke habitus en levensstijlen, en door de verschillende typen en graden van klassenbewustzijn. Tevens wordt het beïnvloed door een serie specifieke voorwaarden van politiek klassenhandelen. Elke niet-reductionistische klassentheorie zou in principe deze vijf niveaus van handelingsstructurering moeten omvatten en analytisch duidelijk moeten onderscheiden.
Er moet een heuristisch model worden ontwikkeld waarin een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende niveaus waarop klassenhandelen is geïntegreerd of geaggregeerd. In de transformationele klassenanalyse wordt ervan uitgegaan dat de structurering van klassenhandelen niet alleen geanalyseerd kan worden op het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie, maar ook op het niveau van organisationele en interactionele integratie.
Met deze theorie van structurering van klassenhandelen is het mogelijk te ontsnappen aan de klassieke dichotomieën van objectivisme versus subjectivisme, economisme versus politicisme, collectivistisch sociologisme versus individualistisch psychologisme, determinisme versus voluntarisme.
Mijn benadering staat dus enerzijds kritisch tegenover gangbare reducties van de structurering van het handelen tot levensstijlen, waardepatronen, tradities en affectieve internaliseringen (culturalistische, normativistische en psychologistische benaderingen).
Anderzijds blijft deze benadering op kritische afstand van benaderingen waarin de handelingsstructurering wordt gereduceerd tot materiële bronnen en beloningen (grof-materialistische, economistische of objectivistische reducties).
Helaas zijn er geen klassentheorieën met een dergelijke reikwijdte voorhanden. De meeste klassentheorieën concentreren zich op een niveau van handelingsstructurering en laten andere onderbelicht.
Een niet-reductionistische klassentheorie zou bovendien de niveaus van maatschappelijke, organisationele en interactionele handelingsintegratie moeten omvatten en binnen een heuristisch model duidelijk van elkaar moeten onderscheiden. Ook op dit punt zijn er geen klassentheorieën met een dergelijke reikwijdte voorhanden.
Het transformationele model van handelingsstructurering knoopt met name aan bij de bijdragen van Roy Bhaskar, Pierre Bourdieu, Anthony Giddens en Erik Olin Wright Hoewel hun theorieprogrammas in veel opzichten divergeren, beschouw ik hen toch stuk voor stuk als belangrijke steunpunten voor mijn project.
Het is onvermijdelijk dat er door de keuze van het adjectief ook associaties worden opgeroepen met de transformationele grammatica van Noam Chomsky. Hij vatte taal op als een verzameling van grammaticale zinnen. Het doel van zijn generatieve of transformationele grammatica was alle grammaticale zinnen van een taal (en uitsluitend die zinnen) te kunnen genereren. Met zijn transformationele grammatica probeerde hij vat te krijgen op taalgeneratie als dynamisch proces: het is een verzameling regels met behulp waarvan steeds nieuwe zinnen kunnen worden gegenereerd die tot het corpus van die taal behoren.
De verwantschap met Chomskys grammatica is dat in een transformationele klassenanalyse de nadruk ligt op theorieconstructie als dynamisch proces. Een transformationele klassenanalyse is in wezen niets anders dan een verzameling theoretische uitspraken (gerelateerde begrippen, hypothesen en methodologieën) waarmee telkens nieuwe uitspraken (en vooral: vragen!) kunnen worden gegenereerd die tot het corpus van deze theorie behoren.
2. Reconstructie en constructie van een klassentheorie |
|---|
Met deze studie wil ik een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van een sociaalwetenschappelijke klassentheorie waarin de hiervoor genoemde beperkingen worden doorbroken. De bouwstenen die hiervoor worden aangedragen zijn het resultaat van twee ondernemingen.
De grote verscheidenheid van theoretische benaderingen maakt het nodig om vergelijkingen te trekken, pros en contras van rivaliserende benaderingen zorgvuldig af te wegen en om beargumenteerde keuzes te maken.
Om een dergelijke zeer complex afweging inzichtelijk te maken, besteed ik veel aandacht aan de analytische structurering van het hele probleemveld. Met een gedifferentieerde probleemstructurering wordt het niet alleen eenvoudiger om de kracht en zwaktes van de diverse benaderingen af te wegen, maar kunnen ook de knelpunten en mogelijkheden van een theoretische integratie zichtbaar worden gemaakt.
Het ontbreekt evenmin aan pogingen alternatieve klassentheorieën te formuleren. Meestal gebeurde dit in aansluiting op de bijdragen van Max Weber, maar er zijn bijvoorbeeld in de conflict- en machtstheoretische traditie ook meer originele pogingen gedaan om klassentheorieën met een hogere verklaringskracht en actualiteit te formuleren.
|
In [Benschop 1987/2012, 1987b] analyseer ik de betekenis van Webers bijdrage aan de theorie van sociale ongelijkheid en klassen. Daarin wordt uitvoerig aandacht besteed aan de volgende serie vragen.
De resultaten van deze Weber-reconstructie zijn in deze studie verwerkt. |
De tweede onderneming bestond erin om zowel de kritieken op de marxistische klassentheorie als de alternatieve klassentheorieën in de beschouwing te betrekken. Al deze theorieën en kritieken komen in deze studie op verschillende plaatsen aan de orde bij de afbakening van de basisstellingen van de transformationele klassentheorie.
Hoeveel kan een klassentheorie nog bijdragen aan inzicht in de bestaande maatschappelijke structuren en in de ontwikkelingen die zich daarin voordoen? Hoeveel kan een klassentheorie nog bijdragen aan ons begrip van het collectieve politieke handelen en van moderne sociale bewegingen? De antwoorden die men op deze vragen kan geven zijn in sterke mate afhankelijk van het type klassentheorie dat men hanteert zij variëren derhalve met de specifieke benaderingen die er van het klassenprobleem circuleren.
De verklaringskracht van een klassentheorie kan uiteindelijk alleen in en door empirisch-historisch onderzoek worden gedemonstreerd. In deze studie komen weliswaar een groot aantal empirisch-sociologische, historische en antropologische themas ter sprake, maar het is geen verslag van empirisch onderzoek. Het is een verslag van een poging om een transformationele klassentheorie te construeren waarmee men in empirisch-historisch onderzoeksprojecten beter uit de voeten kan.
Klassenanalyse moet vandaag de dag in de eerste plaats als een wetenschappelijk én politiek probleem worden benaderd.
Voor een reconstructie van de klassentheorie moet men dus in ieder geval zicht krijgen op Marx klassentheoretische aanzet. Dit is niet zo eenvoudig omdat Marx geen aparte, laat staan systematische behandeling van het klassenvraagstuk heeft geschreven. Zijn klassentheorie is op een niet altijd even duidelijk stringente en eenduidige manier in zijn gehele werk verweven. In veel teksten van Marx nemen de begrippen klasse, klassenverhoudingen en klassenstrijd een centrale plaats in.
Een exposé van Marxs klassentheorie omvat dus een reconstructie van praktisch zijn hele oeuvre. Een systematisch overzicht van de aanzet van Marx is lastig omdat zijn teksten een verschillende inzet, thematische doelstelling en theoretische status hebben. De verschillende teksten van Marx worden gekleurd door de problematieken waaraan hij op dat moment dacht en waarover hij schreef.
De interpretatie en reconstructie van Marx bijdrage kan niet worden beperkt tot het verzamelen van een aantal markante formuleringen uit zijn werk. Bij elk citaat moet men rekening houden met de sociaal- en theoriehistorische context van zijn stellingen, met de uiteenlopende theoretische status en sociaalhistorische reikwijdte van zijn begrippen en uitspraken. Bovendien moet rekening worden gehouden met het nogal lastige methodisch-theoretische probleem: Marx stellingen en hypothesen zijn op verschillende abstractieniveaus geformuleerd en geldig voor specifieke analyse-eenheden.
Wie daaraan voorbij gaat krijgt al snel al snel de indruk dat in de werken van Marx (en Engels) louter tegenstrijdige, ambigue formuleringen voorkomen waar slechts de gelovigen nog theoretisch brood van kunnen bakken. Er zijn verschillende pogingen gedaan om door een compilerende methode de inconsistenties en tegenstrijdigheden in het werk van Marx te identificeren. Zij hebben vooralsnog weinig substantieels opgeleverd. Zij fungeren hoogstens als nuttig voorwerk voor een systematische reconstructie.
Gelukkig zijn er ook een aantal pogingen gedaan om de klassentheorie van Marx op meer systematische wijze te reconstrueren. Voor het ontwerp van mijn transformationele klassentheorie heb ik daarvan dankbaar gebruik kunnen maken. Maar in deze studie geef ik geen systematische reconstructie van de marxistische klassentheorie. Ik verwijs hiervoor naar mijn voorstudie: De klassentheorie van Marx.
Dit protheoretische referentiekader biedt een vruchtbaar uitgangspunt voor de constructie van een transformationele klassentheorie. De protheorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen legt weliswaar geen specifieke klassentheorie vast, maar biedt wel een aantal criteria om klassentheorieën te beoordelen op hun complexiteit en reikwijdte, zij zet theorieën onder druk om impliciete premissen expliciet te maken, om rudimentaire theoretische elementen te versterken of te reviseren, om expliciete onderbouwingen te geven van gehanteerde begrippen en om de geldigheidsclaims van theorieën te beperken of te specificeren. Kortom: zij biedt aanknopingspunten voor de constructie van een betere klassentheorie.
Klassentheorie is een onderdeel van een veel ruimer begripsmatig kader. Als onderdeel van een maatschappijtheorie is zij net als economische theorieën, staats- en rechtstheorieën of cultuurtheorieën een regionale theorie van de sociale klassenverhoudingen in maatschappelijke formaties. Klassentheorie is onderdeel van de politieke sociologie van sociale ongelijkheid: Klasse zo luidt de centrale stelling is een cruciaal begrip voor het ontwikkelen van een systematische theorie van de sociale structuur, in het bijzonder van een meer omvattende theorie van sociale ongelijkheid.
Een enigszins onderbouwde en uitgewerkte algemene theorie van sociale ongelijkheden bestaat niet. Er zijn wel een aantal deeltheorieën, maar die gaan zozeer gebukt onder hun algemeenheidspretenties en inhoudelijke reducties dat zij als referentiekader voor een klassentheorie onbruikbaar zijn. Het meest vruchtbare referentiepunt is een protheoretisch raamwerk waarin basisbegrippen worden onderbouwd en waarin het hele probleemcomplex van sociale ongelijkheden op een vergaande wijze wordt gedesaggregeerd.
Het object van de klassentheorie is de structuur en dynamiek van klassenongelijkheden en -conflicten. Als sociologische theorie is zij daarom afhankelijk van en aangewezen op tal van andere regionale of disciplinaire theorieën. Klassentheorie kan dus niet tot een eng regionale economische of politicologische theorie worden gereduceerd. De theorievorming over structuur en verandering van klassenrelaties in kapitalistische maatschappijen is aangewezen op de resultaten van diverse sociale wetenschappen, inclusief de sociale en economische geschiedenis en de antropologie.
Mijn transformationele klassenmodel steunt op een kritische beoordeling van een aantal oudere en recente debatten en van relevante onderzoeksresultaten uit diverse sociaalwetenschappelijke disciplines. Oude theoretische vraagstellingen worden geherdefinieerd, er worden nieuwe themas toegevoegd aan empirisch-historische onderzoeksagendas en de methodieken van empirische klassenanalyse worden verfijnd.
3. Werkwijze: procedure van theorievorming |
|---|
Theoretische teksten zijn niet zozeer een confrontatie van woord en werkelijkheid, maar hebben veeleer het karakter van een conversatie te midden van andere conversaties. Tot op zekere hoogte is ook deze studie een bundeling van diverse conversaties en confrontaties met andere auteurs van theoretische en empirisch-historische teksten. Uit deze conversaties en confrontaties is de transformationele klassentheorie ontstaan.
Het ontwerpen van een systematische theorie is in zoverre ingewikkeld, dat er over de manieren waarop men te werk kan gaan niet erg veel nauwkeurigs te zeggen valt. Het impliceert immers een hele reeks, niet altijd even duidelijk te onderscheiden analytische en synthetische operaties. In mijn procedure van theorievorming zijn drie analytisch-synthetische operaties te onderscheiden: deconstructie, reconstructie en constructie.
| Voor Rudolf Carnap is explicatie het verbeteren of preciseren van een begrip dat reeds bestaat in het alledaagse taalgebruik, resp. in een voorwetenschappelijk stadium. Hoewel ik explicatie hier anders definieer, worden in deze studie een aantal alledaagse begrippen nader gepreciseerd en ingevoegd in de transformationele klassenanalyse. |
Explicatie vindt met name plaats door teksten in contexten te situeren. Ik maak daarbij een onderscheid tussen drie contextuele regimes.
Vervolgens gaat het erom door interpretatie de samenhang tussen probleemstellingen en analytische uitwerkingen (probleemoplossingen) te demonstreren. Hierdoor kunnen begripsmatige ambivalenties, theoretische inconsistenties en inhoudelijke verschuivingen worden opgespoord en de hoofd- en neventendenties in de theoretische structuur van een benadering worden geïdentificeerd.
Het schandaal van deconstructie (Norris) is de gewoonte om disjuncte relaties bloot te leggen tussen de logica van een theoretische uiteenzetting en de taal waarin deze is geformuleerd, tussen de ordening van de immanente samenhang van de begrippen en de ordening van significatie, dat wil zeggen de relaties tussen de tekens van de betekenis (signifier), inclusief de vaagheden, ambiguïteiten en metaforen van de schrijftaal.
Deze laatste elementen vormen de bouwstenen van een systematische reconstructie, dat wil zeggen het opnieuw in elkaar zetten van een theoretisch construct met gebruikmaking van de inzichten die door explicatie en interpretatie zijn verworven. Door het opvullen van lacunes en het detailleren of desaggregeren van globale concepten in een theoretisch programma kan men tenslotte proberen de betreffende klassentheorie verder te ontwikkelen. Vaak worden daarbij elementen geleend uit theorieën die in andere onderzoekstradities zijn ontwikkeld.
De kern van elke wetenschappelijke theorievorming is het tweeledige proces van het preciseren van begrippen én van het gebruik van deze begrippen in de constructie van een theorie. Zowel bij de revisie van bestaande begrippen als de introductie van nieuwe begrippen moeten de vooronderstellingen die daaraan ten grondslag liggen worden blootgelegd. Bovendien moeten de onderlinge verbanden tussen deze begrippen worden geëxpliciteerd waardoor zij samensmelten tot een theorie.
Nieuwe begrippen ontstaan niet in een luchtledige theoretische ruimte, en er bestaat ook geen theoretisch nulpunt. Begripsvorming is altijd ook en misschien wel primair een proces van begripstransformatie: in de constructie van een nieuw begrip worden conceptuele grondstoffen van bestaande begrippen verwerkt.
Voor het (trans)formeren van begrippen kunnen verschillende praktische strategieën worden gevolgd [Wright 1985:292 e.v.].
| * Dit wil overigens niet zeggen dat beschrijvende onderscheidingen in een taxonomie gebaseerd zouden zijn op zuivere feiten in de empiristische zin van het woord. Taxonomische onderscheidingen zijn echter niet theoretisch beargumenteerd (getheoretiseerd) en in de regel gebaseerd op pragmatische common sense. |
In het ontwerp van de transformationele klassentheorie komen de vier geschetste analytische operaties (explicatie, interpretatie, reconstructie, constructie) noch de vier praktische strategieën van begrips(trans)formatie (ontbinden, specificeren, verbreden, decoderen) afzonderlijk-chronologisch aan de orde. Zij zijn soms moeilijk herkenbaar in elkaar verweven omdat zij gelijktijdig (gearmd) de revue passeren.
4. Beperkingen van het onderzoek |
|---|
Het ontwerp van deze transformationele klassentheorie is weliswaar een ambitieus en zeer omvangrijk project, maar het is niet zonder beperkingen.
Op deze wijze wordt toch een beeld geschetst van de pros en contras van de verschillende klassenanalytische onderzoekstradities. Alle relevante theorieën en onderzoekstradities worden beoordeeld op hun verklaringskracht en op hun interne obstakels, aporieën, denkblokkades en lacunes. Overigens biedt het transformationele klassenmodel wel een analytisch en methodisch raamwerk op basis voor kritische reconstructies van andere klassentheorieën.
De intentie is duidelijk. De transformationele klassenbenadering wil bijdragen aan het vergroten van de cognitieve autonomie en geïnformeerdheid van collectieve actoren die uitbuitings- en klassenverhoudingen aanvechten, en daarmee ook aan hun handelingsautonomie.
De pretentie is echter zeer bescheiden. De transformationele klassenanalyse biedt goede aanknopingspunten voor het ontwerpen of beoordelen van praktische handelingsstrategieën van emancipatorische bewegingen en hun conflictorganisaties, maar presenteert geen kant en klare of realistische politieke strategieën. De transformationele klassentheorie verklaart slechts de grondslagen werking van de meest elementaire en hardnekkige vorm van sociale ongelijkheid. Zij is daarom tevens onderdeel en steunpilaar van een algemene theorie van kollossaal opeengestapelde sociale ongelijkheden.
5. Opbouw van de studie |
|---|
5.1 Inleidende schermutselingen
De studie is opgesplitst in vier delen. Het eerste deel bevat een aantal Inleidende schermutselingen.
In hoofdstuk I wordt een schets gegeven van klassenanalyse als wetenschappelijk probleem. Het begint met een verkenning van de wijze waarop klassenverhoudingen doorwerken in het dagelijkse bewustzijn en in de attitudes van mensen. Daarna wordt een eerste poging gedaan om het sociaalwetenschappelijke klassenbegrip af te bakenen. Ik schets de antecedenten van het klassenbegrip en geef een elementaire typologie van klassendefinities. Nadat de theoretische referentiepunten die relevant zijn voor het onderzoek naar klassenverhoudingen in kaart zijn gebracht, geef ik een voorlopige afbakening van het kennisobject van de klassentheorie en van de structurele en sociaalhistorische reikwijdte van klassenanalyse.
In hoofdstuk II wordt klassenanalyse als politiek probleem behandeld. Ik expliciteer daarin mijn eigen politieke en normatieve uitgangspunten en geef een kritische bespreking van de politieke claims waarmee klassenanalyse meestal wordt opgezadeld. Daarbij gaat het om drie, onderling nauw verknoopte problemen: het utopische perspectief van een klassenloze samenleving, de sociale actoren of dragers van een dergelijk utopisch project, en de verbinding tussen klassentheorie en politieke handelingsstrategieën die gericht zijn op het doorbreken van de bestaande uitbuitings- en klassenverhoudingen. Daarbij wordt in ieder geval duidelijk dat de analyse van de maatschappelijke klassen en hun onderling strijd zelf ook inzet is van politieke strijd.
In hoofdstuk III wordt een analytische structuur aangebracht in het geheel van de problemen die in een klassentheorie verwerkt moeten worden. Eerst wordt een fijnmazig analytisch netwerk ontworpen waarmee men in een klassenanalytische onderzoeksprogramma uit de voeten kan. Vervolgens wordt met behulp van deze probleemstructurering een systematisch overzicht gegeven van het bestaande aanbod aan klassentheorieën. Hierdoor wordt duidelijk wat de inhoudelijke en methodische keuzes zijn die klassentheoretici maken. Daarbij expliciteer ik tevens welke keuzes er door mij worden gemaakt en waarom bepaalde benaderingen juist niet worden gevolgd.
De meeste onderzoekers zijn het er over eens dat klassen kunnen een specifieke structuurvorm van sociale ongelijkheid zijn. Daarom begint hoofdstuk IV met een compacte uiteenzetting over het begrip, de grondslagen en de vormen van sociale ongelijkheid. Daarbij komen de bekende basale onderscheidingen aan de orde: tussen natuurlijke en sociale ongelijkheid, tussen sociale differentiatie en sociale ongelijkheid, tussen positionele en allocatieve ongelijkheid, en tussen incidentele en structurele ongelijkheid. Tegen deze achtergrond wordt vervolgens in zes algemene stellingen geformuleerd wat de harde kern van een klassenanalytisch onderzoeksprogramma is en wat de daaraan verbonden reeks positieve en negatieve heuristieken is. Door deze stellingen wordt een platform geschapen waarop in de rest van deze studie wordt voortgebouwd: het zijn basisstellingen van een onderzoeksprogramma dat in de volgende hoofdstukken wordt gepreciseerd, uitgewerkt en geconcretiseerd. Elk hoofdstuk begint met een stelling die eerst wordt afgebakend van andere benaderingen en vervolgens wordt onderbouwd en uitgewerkt.
Hoofdstuk V vervult hierin een sleutelrol omdat daarin de uitgangspunten worden geschetst van een transformationele klassenbenadering. Voor de analyse van klassespecifieke vormen van handelingsstructurering worden vijf cruciale onderscheidingen geïntroduceerd:
In hoofdstuk VI wordt de stelling uitgewerkt dat klassenrelaties primair zijn verankerd in exploitatieve maatschappelijke arbeidsverhoudingen. Daarvoor worden eerst de begrippen arbeid, arbeidsverhoudingen en arbeidswijze gedefinieerd. Arbeidswijze wordt gedefinieerd door een combinatie van een specifieke verdeling van beschikkingsmacht over directe bronnen, een dominant arbeidsdoel, en een bepaald type van sociale afhankelijkheidsverhoudingen in en ten opzichte van arbeidsorganisaties. Voor de specificatie van de kapitalistische arbeidswijze wordt uitgebreid aandacht besteed aan de vraag welke arbeid in dit stelsel als productieve arbeid fungeert. Daarnaast concentreer ik mij op twee van de meest omstreden arbeidswijzen: de huishoudelijke arbeidswijze en de arbeidswijze van de kleine warenproductie. Door deze concentratie op de meest ingewikkelde problemen vergroot men de kans om deze lastige puzzels op te lossen. Zo komt bij de behandeling van de vroegste paleolitische en neolitihische huishoudelijke arbeidswijzen het probleem aan de orde hoe zich vanuit segmentaire samenlevingsverbanden zonder staat uiteindelijk toch klassenmaatschappijen konden ontwikkelen. En bij de behandeling van de kleine warenproductie komt onvermijdelijk de vraag aan de orde of deze als zelfstandige of onzelfstandige arbeidswijze benaderd kan worden, of slechts als historische, prekapitalistishe categorie. Het resultaat van deze theoretiscshe en historische excercitie is dat er leidraden worden gesponnen voor historisch onderzoek naar egalitaire samenlevingsverbanden zonder klassen (pre- en protoklassenmaatschappijen) en naar de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van klassenformaties. Door de theoretische precisering van de onderscheiden arbeidswijzen worden bovendien sleutels aangedragen voor de wetenschappelijke analyse van het industriële en informationele kapitalisme.
Hoofdstuk VII vertrekt vanuit de stelling dat klassen structureel gedefinieerd worden in termen van posities in exploitatieve arbeids- en distributieprocessen. Daarvoor wordt eerst uitvoeriger ingegaan op het begrip uitbuiting. Naast de afbakening van een algemeen sociaal-wetenschappelijk begrip van uitbuiting (dat onafhankelijk van normatieve connotaties en van de waardetheorie zal worden geformuleerd), ontwerp ik een typologie van de verschillende mechanismen en basisvormen van uitbuiting. Daarop aansluitend laat ik zien hoe primaire en secundaire exploitatievormen feitelijk met elkaar worden gecombineerd, en hoe we het relatieve gewicht van de afzonderlijke exploitatievormen kunnen bepalen.
Een uitbuitingsvorm die tot nu toe weinig systematisch is onderzocht en daarom grote problemen en verhitte discussies oplevert is credentie-uitbuiting. Ik introduceer eerst het begrip credentie-uitbuiting baken dit zo scherp mogelijk af van andere benaderinge. Op deze manier maak ik de weg vrij voor een analyse van de specifieke klassenposities van professionals en experts in het industriële en informationele kapitalisme. Het illustreert de mogelijkheden (en moeilijkheden) die het begrip credentie-uitbuiting biedt voor een empirische analyse van deze klassencategorieën.
In excursies en voetnoten besteed ik veel kritische aandacht aan het werk van Erik Olin Wright. Zijn theoretische en empirisch-sociologische bijdragen belangrijk en stimulerend en ik heb ook veel van zijn inzichten verwerkt. Het is dus een kritisch eerbetoon.
Hoofdstuk VIII vertrekt vanuit de stelling dat exploitatieve klassenrelaties ook op het niveau van organisationele verhoudingen moeten worden gethematiseerd. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ook op dit niveau van handelingsintegratie exploitatieve klassenrelaties ontstaan. Daarvoor wordt eerst ingegaan op de relatie tussen exploitatie- en gezagsverhoudingen en op het verschil tussen de verschillende typen van asymmetrische macht. Tegen deze achtergrond wordt een analyse gemaakt van een andere omstreden uitbuitingsvorm: organisationele uitbuiting. De grondslagen, het mechanisme en de reproductie van organisationele uitbuiting worden in kaart gebracht waarna de vraag wordt beantwoord onder welke voorwaarden organisationele uitbuiting kan dienen als grondslag van klassenposities. Na deze afbakening van het algemene begrip van organisationele uitbuiting worden de implicaties ervan geïllustreerd aan de tussenklassenpositie van managers in het kapitalisme.
In hoofdstuk IX wordt de stelling uitgewerkt dat exclusieve posities in interactienetwerken onder bepaalde voorwaarden leiden tot structurele uitbuitingsposities en dat zij daarom als potentiële klassenposities geanalyseerd kunnen worden. In aansluiting bij antropologische en sociologische netwerktheorieën worden twee typen van exclusieve posities in interactienetwerken geanalyseerd: selectieve associaties en patronage. Patronageverhoudingen vormen het referentiepunt voor een bespreking van wat ik clientèle-uitbuiting zal noemen. Van deze clientèle-uitbuiting (uitbuiting van cliënten door hun patroons) worden niet alleen de grondslagen, mechanismen en de reproductiemogelijkheden gethematiseerd, maar wordt tevens ingegaan op de kans dat hieruit eigensoortige uitbuitings- en klassenposities kunnen ontstaan. Ter afsluiting van dit hoofdstuk wordt nog kort ingegaan op een derde vorm van uitbuiting die in alle samenlevingen kan ontstaan waarin discriminerende prestigeverhoudingen zijn geïnstitutionaliseerd. Deze vorm van ascriptieve uitbuiting wordt kort geïllustreerd aan de werking van sexploitatie, dat wil zeggen van uitbuiting van vrouwen door mannen op grond van het dominant positieve sociale prestige van mannen.
Hoofdstuk X begint met een precisering van een iets dat in de vorige hoofdstukken al terloops aan de orde is geweest, namelijk het onderscheid tussen uitbuitingsposities en klassenposities. Het ontbreken van dit onderscheid is mijns inziens de grote zwakte van praktisch alle tot nu toe ontwikkelde klassentheorieën. Bij de afbakening van het begrip klassenstructuur worden eerst een vijftal analytische onderscheidingen geïntroduceerd: hoofd- en tussenklassenposities, duurzame en tijdelijke klassenposities, primaire en afgeleide klassenposities, enkelvoudige en meervoudige klassenposities, directe en gemedieerde klassenposities. Met behulp van deze onderscheidingen worden vervolgens de zelfstandige middenklassen geanalyseerd, waarmee de behandeling van de objectieve klassenposities wordt afgesloten.
In hoofdstuk XI wordt het ontstaan van sociale klassen geanalyseerd vanuit de structurele kansen om van klassenpositie te veranderen (geblokkeerde mobiliteitskansen). De leidraad van deze analyse is de stelling dat de duurzaamheid van de binding van individuen aan een klassenpositie bepalend is voor het ontstaan van sociale klassen en van elementaire vormen van sociale georganiseerdheid die zich concreet manifesteren in netwerken van klassenspecifieke sociale relaties. Daarbij wordt uitvoerig aandacht besteed aan de betekenis van klassengemeenschappen. Na een korte verhandeling over de niveaus van structurering van objectieve klassensituaties wordt tenslotte ingegaan op de problematische relatie tussen klassen, klassenfracties en sociale lagen.
In hoofdstuk XII wordt een analyse gemaakt van de scharnierfunctie die de klassenhabitus vervult tussen objectieve klassenposities en het maatschappelijke bewustzijn en politieke handelen van individuen. In kritische aansluiting bij Bourdieu wordt eerst het begrip klassenhabitus gepreciseerd. Vervolgens worden de verschillende dimensies van de habitus benoemd en wordt een exemplarische analyse gemaakt van de algemene en klassenspecifieke kenmerken van de fysieke habitus (lichaamstaal). Vanuit de klassenhabitus worden tenslotte de sociaal-culturele levensstijlen gethematiseerd, die de invalshoek vormen voor een analyse van klassenspecifieke of klassengebonden culturen.
In hoofdstuk XIII wordt de stelling uitgewerkt dat collectieve actoren op klassenbasis pas kunnen ontstaan wanneer de leden van een klasse niet alleen een eigen klassenspecifieke habitus en levensstijl ontwikkelen, maar ook een collectieve identiteit, een klassenbewustzijn. Er wordt eerst een onderscheid gemaakt tussen verschillende typen van handelingsoriëntaties die voor de structurering van klassenbewustzijn van belang zijn. Het uitgangspunt is dat voor een analyse van klassenbewustzijn zowel affectieve, traditionele, normatieve als strategische handelingsoriëntaties relevant zijn (en klassenbewustzijn dus niet tot een van deze aspecten gereduceerd mag worden). Na een kritische bespreking van de bijdragen van Lukács, Thompson en Wright worden tenslotte een aantal graden van klassenbewustheid en typen van klassenbewustzijn onderscheiden.
In hoofdstuk XIV wordt apart aandacht besteed aan de strategische dimensie van klassenspecifieke handelingsoriëntaties. Daarvoor wordt eerst het begrippen belang en klassenbelang afgebakend. Tegen deze achtergrond wordt de vraag opgeworpen of het mogelijk is om op een rationele en niet-paternalistische wijze te spreken over objectieve klassenbelangen (het antwoord zal bevestigend zijn). Tenslotte wordt een typologie van klassenbelangen geconstrueerd en toegelicht.
In hoofdstuk XV wordt de relatie tussen sociale klassen en politiek klassenhandelen gethematiseerd. Daarbij worden de voorwaarden gespecificeerd waaronder politiek klassenhandelen en sociale klassenbewegingen kunnen ontstaan op basis van sociale klassen. Hiervoor wordt enerzijds aandacht besteed aan processen van articulatie, organisatie en mobilisatie, anderzijds wordt kort ingegaan op externe voorwaarden van politiek klassenhandelen, op strategische interacties tussen klassengebonden politieke actoren en op de dynamiek van klassenconflicten. Ik zal daarbij uitvoeriger stil blijven staan bij de rol die utopische denkbeelden en houdingen (kunnen) spelen in klassenbewegingen. Met dit hoofdstuk is de laatste stap gezet op de eerder aangekondigde lange weg om de niveaus van structurering van klassenhandelen te ontrafelen (een weg die begon met uitbuitingsposities en eindigt met politieke actoren op klassenbasis). De impressies die tijdens deze reis werden opgedaan en de lessen die daaruit kunnen worden getrokken, worden aan het slot van dit hoofdstuk in een synthetische schema samengevat.
In hoofdstuk XVI wordt de stelling uitgewerkt dat klassenstructuren niet alleen door sociaal handelen worden geconstitueerd, maar ook gereproduceerd en getransformeerd. Ik zal hiervoor zes mechanismen bespreken die bijdragen aan sociale en temporele stabilisatie en/of garantie van klassenverhoudingen en die onder bepaalde voorwaarden tevens leiden tot hun destabilisatie en/of transformatie.
In hoofdstuk XVII behandel ik een paar problemen die voor de toekomst van dit project beslissend zijn. Een cruciaal onderdeel van mijn heuristische model is de analyse van de verschillende structurerings- en integratieniveaus van klassenhandelen. Deze verklaringsniveaus worden niet alleen analytisch zo scherp mogelijk van elkaar onderscheiden, maar worden ook onderzocht in hun onderlinge samenhang. Met een analyse van verschillende structureringsmodi (manieren waarop complexe structurele causaliteitsrelaties worden gedacht) wil ik laten zien dat er op dit gebied nog wel enig (denk)werk verricht zal moeten worden.
Een tweede probleem betreft de relatie tussen klassentheorie en empirisch sociologisch en historisch onderzoek. Daarbij gaat het vooral om de vraag hoe we tussen het Scylla van het (structurele) theoreticisme als de Charibdis van het (historische of sociologische) empiricisme kunnen laveren.
Tenslotte wordt de problematische relatie tussen klassenanalyse en politieke strategie besproken waarbij de vraag centraal staat: hoe instrumentalistische en sciëntistische benaderingen vermeden kunnen worden en wat de voorwaarden en kenmerken zijn van een zelfreflexieve klassenanalyse.
![]() |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]() dr. Albert Benschop Sociale en Gedragswetenschappen Sociologie & Antropologie Universiteit van Amsterdam Gepubliceerd: Januari 1993 Laatst gewijzigd: 04 November, 2011 |